📄 Wettekst
23 DECEMBER 2010. - Koninklijk besluit betreffende de gedragscode inzake de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie en tot wijziging van het
koninklijk besluit van 12 juni 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
12/06/2001
pub.
05/07/2001
numac
2001011258
bron
ministerie van economische zaken
Koninklijk besluit betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas
sluiten betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas
VERSLAG AAN DE KONING Sire, 1 Hoofdlijnen 1.1 Onderhavig koninklijk besluit heeft vooreerst tot voorwerp de gedragscode inzake de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie (verder : de gedragscode). Het voorstel hiertoe werd uitgewerkt door de Commissie krachtens artikel 15/5undecies, § 1 (1), van de
wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/04/1965
pub.
08/03/2007
numac
2007000126
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers
sluiten betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (hierna : de gaswet). 1.2 Voorts heeft onderhavig koninklijk besluit tot voorwerp de wijziging van het
koninklijk besluit van 12 juni 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
12/06/2001
pub.
05/07/2001
numac
2001011258
bron
ministerie van economische zaken
Koninklijk besluit betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas
sluiten betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas. Dit voorstel werd op eigen initiatief geformuleerd door de Commissie, met toepassing van artikel 15/4 juncto artikel 15/14, § 2, derde lid, van de gaswet en behelst de invoering van een nieuw artikel 22bis. 1.3 Het Directiecomité van de CREG heeft op 9 oktober 2008 het voorstel van onderhavig koninklijk besluit goedgekeurd en overgemaakt aan de federale Minister bevoegd voor Energie. Een aangepast voorstel werd door het Directiecomité van de CREG goedgekeurd op 5 maart 2009 en opnieuw overgemaakt aan de federale Minister bevoegd voor Energie. 2. Volgende wettelijke bepalingen bieden het kader of de rechtsgrond voor de gedragscode : 2.1 Verordening (EG) nr. 1775/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot de aardgastransmissienetten (verder : de gasverordening). De gasverordening behoeft als supranationale rechtsnorm geen omzetting in het recht van de lidstaten van de Europese Unie en door haar rechtstreekse werking moet onderhavig koninklijk besluit conform ermee zijn voor de erin geregelde materies zoals : derdentoegangsdiensten, principes voor capaciteitsallocatiemechanismen, congestiebeheer, transparantie-eisen, balancering en het verhandelen van capaciteitsrechten.
Ook voorziet artikel 12 van de gasverordening dat lidstaten meer gedetailleerde bepalingen kunnen voorzien. Op basis hiervan bevat onderhavig koninklijk besluit een reeks aanvullende verplichtingen voor de beheerders voor wat betreft de door de gasverordening geregelde materies. 2.2 Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (hierna : de tweede gasrichtlijn), die naar Belgisch recht werd omgezet door voormelde
wet van 1 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/06/2005
pub.
14/06/2005
numac
2005011251
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen
type
wet
prom.
01/06/2005
pub.
14/06/2005
numac
2005011250
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt
type
wet
prom.
01/06/2005
pub.
22/08/2005
numac
2005000438
bron
federaal agentschap voor nucleaire controle
Wet betreffende de toepassing van het Aanvullend Protocol van 22 september 1998 bij de Internationale Overeenkomst van 5 april 1973 ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens
sluiten tot wijziging van de gaswet. 2.3 De gaswet : vooreerst artikel 15/5undecies, § 1 van de gaswet, dat de eigenlijke rechtsgrond inzake de gedragscode vormt. Het eerste lid stelt duidelijk dat de gedragscode van toepassing is op de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie. Het tweede lid bevat de gedetailleerde lijst van de specifieke thema's die in de gedragscode moeten worden uitgewerkt.
De daarnaast direct relevante artikelen uit de gaswet zijn in elk geval de artikelen 2 en 15/1 van de gaswet. 2.4 Zonder dat het om afdwingbare wettelijke bepalingen gaat, werd zoveel als relevant rekening gehouden met belangrijke standpunten en richtlijnen geformuleerd door de Europese Commissie, de CEER, ERGEG en het Madrid Forum. 3 Bepaalde aspecten van het wettelijk kader van de gedragscode worden hieronder kort toegelicht. 3.1 De gedragscode is van openbare orde aangezien zij de fundamentele regels bevat met betrekking tot de organisatie van de gasmarkt. Dit houdt niet de ontbinding van bestaande vervoerscontracten in, doch wel de onmiddellijke toepasbaarheid van de gedragscode daarop die, te rekenen vanaf de inwerkingtreding, conform de gedragscode moeten worden toegepast. 3.2 De definitie van aardgasvervoer in artikel 1, § 2, 72° van de gedragscode bepaalt duidelijk dat zowel binnenlands vervoer als doorvoer hieronder vallen.
De tweede gasrichtlijn en de
wet van 1 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/06/2005
pub.
14/06/2005
numac
2005011251
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen
type
wet
prom.
01/06/2005
pub.
14/06/2005
numac
2005011250
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt
type
wet
prom.
01/06/2005
pub.
22/08/2005
numac
2005000438
bron
federaal agentschap voor nucleaire controle
Wet betreffende de toepassing van het Aanvullend Protocol van 22 september 1998 bij de Internationale Overeenkomst van 5 april 1973 ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens
sluiten tot omzetting ervan, behandelen binnenlands vervoer en doorvoer op dezelfde manier. In beide gevallen gaat het om transmissie waartussen er enkel een operationeel verschil bestaat qua uitgangspunt. Ook de gasverordening bevat in artikel 2.1 een definitie van transmissie in dezelfde zin.
De gedragscode behandelt binnenlands vervoer en doorvoer eveneens op dezelfde manier. Uiteraard zal het toegangsreglement een aantal operationele bepalingen bevatten die specifiek zijn voor doorvoer en zal het aardgasvervoersprogramma een aantal vervoersdiensten bevatten die specifiek zijn voor binnenlands vervoer. 3.3 Artikel 15/5undecies, § 1 verschilt op volgende punten van het oude artikel 15/5, § 3 van de gaswet : 3.3.1 De gedragscode heeft niet langer betrekking op de vervoersondernemingen, doch op de beheerders; 3.3.2 De minimumvereisten bedoeld in artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 6° van de gaswet dienen thans betrekking te hebben op de juridische en operationele scheiding van de vervoers- en leveringsfuncties van aardgas binnen de geïntegreerde beheerders in plaats van op de administratieve en operationele scheiding ervan (zie hoofdstuk 2, afdeling 5); 3.3.3 In de basisbeginselen vervat in artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 7° van de gaswet met betrekking tot de rechten en verplichtingen inzake het gebruik van het vervoernet werd toegevoegd dat de onderhandelingen over de toegang tot vervoer (hoofdstuk 2, afdeling 1), het congestiebeheer (hoofdstuk 2, afdeling 1.4) en de publicatie van informatie (afdeling 4.4 van hoofdstukken 4, 5 en 6) hieronder vallen; 3.3.4 Overeenkomstig artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 10° en 11° van de gaswet moet de gedragscode voortaan ook de vereisten bevatten inzake onafhankelijkheid van het personeel van de beheerders ten opzichte van de producenten, distributeurs, leveranciers en tussenpersonen (hoofdstuk 2, afdeling 4) alsook de maatregelen die in het verbintenissenprogramma moeten worden opgenomen (hoofdstuk 2, afdeling 3.2) om te waarborgen dat ieder discriminerend gedrag is uitgesloten. Ook moet worden voorzien in een adequaat toezicht op de naleving ervan. 3.3.5 Artikel 15/5, § 3 van de gaswet werd opgeheven door de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 15/5undecies, § 1. Sindsdien heeft dit laatste artikel dus de facto de wettelijke basis uitgemaakt voor de vorige gedragscode die door de Commissie conform deze nieuwe rechtsgrond werd toegepast tot afkondiging van onderhavig koninklijk besluit. 3.4 De gedragscode legt de beheerders op om standaardcontracten, toegangsreglementen en dienstenprogramma's op te stellen en ter goedkeuring aan de Commissie voor te leggen. Enkel het begrip belangrijkste voorwaarden uit de vorige gedragscode werd behouden, weliswaar in de nieuwe definitie van artikel 1, 51° van de gaswet (2) die enerzijds de standaardcontracten voor de toegang tot het vervoernet omvat en anderzijds de daarmee verbonden operationele regels, die in onderhavig besluit in de toegangsreglementen gegroepeerd werden. Het indicatief vervoersprogramma werd omgevormd tot het dienstenprogramma en de netwerkcode werd in het toegangsreglement geïntegreerd. 4 De procedure die gevolgd werd om tot het voorstel van onderhavig koninklijk besluit te komen, kan als volgt samengevat worden : 4.1 De Commissie heeft eind 2005 de marktspelers geraadpleegd om te achterhalen hoe zij de eerste fase van de liberalisering van de interne gasmarkt beoordeelden. De marktspelers hadden hierbij kritiek op (1) de te strikte « matchingregel » tussen ingangs- en uitgangscapaciteit (2) het gebrek aan transparantie op de primaire en secundaire markt, met te summiere, onvolledige en/of afwezigheid van informatie omtrent toegewezen en beschikbare capaciteit, aardgasstromen, onderbrekingen (3) het systeem van dagbalancering, de hoge boetes in geval van overschrijding van de evenwichtsdrempels, afwezigheid van een markt om onevenwichten uit te wisselen (4) de toegang tot opslag die prioritair wordt toegekend aan de vervoersnetgebruikers die de distributiemarkt beleveren (5) toewijzing van aardgas op distributieniveau (6) moeilijke en ondoorzichtige toegang tot doorvoercapaciteit en onduidelijkheid inzake de respectieve rollen van Distrigas, Distrigas & C° en Fluxys; (7) bijzonder moeilijke toegang tot en illiquiditeit van de hub. 4.2 Na voormelde consultatie, heeft de Commissie eind 2006 een oriëntatienota uitgebracht waarin zij op gemotiveerde wijze de krachtlijnen uiteenzette die als leidraad zouden dienen voor het voorstel van onderhavig koninklijk besluit. Deze oriëntatienota werd eveneens aan de marktspelers voorgelegd en verdere relevante commentaren hierop werden door de Commissie, waar mogelijk, verwerkt bij de redactie van een eerste voorstel. 4.3 De Commissie heeft in mei 2008 haar eerste officiële voorstel, dat het resultaat bevatte van overleg met de beheerders, geformuleerd en ter consultatie aan de marktspelers voorgelegd. De Commissie heeft hierna de relevante opmerkingen die haar in het kader van deze raadpleging (mondeling en schriftelijk) werden meegedeeld, verwerkt en aldus het voorstel van onderhavig koninklijk besluit uitgewerkt. 4.4 De Commissie is voor onderhavig koninklijk besluit vertrokken van een nieuwe tekst en structuur om de verschillende wijzigingen en nieuwigheden in de rechtsgrond van de gedragscode op overzichtelijke, doeltreffende en wetgevingstechnisch verantwoorde wijze te verwerken. 2. Bespreking Inleiding Onderhavig koninklijk besluit is opgebouwd rond volgende tweedelige structuur : « Deel I - Algemene bepalingen » zet vooreerst de hoofdlijnen uiteen van de materies die in de gedragscode uitgewerkt worden en bundelt de bepalingen die van toepassing zijn op alle beheerders.Hoofdstuk 1 vult de definities uit de gaswet aan met specifieke definities, hoofdstuk 2 zet de basisregels uiteen die de beheerders moeten naleven alsook deze die de relatie tussen de beheerders en de Commissie bepalen en hoofdstuk 3 bevat alle bepalingen inzake de toegang tot het vervoersnet en regelt de relatie tussen alle beheerders en netgebruikers. « Deel II - Specifieke bepalingen » werkt « Deel I - Algemene bepalingen » verder uit en omvat de specifieke rechten en plichten van elk van de beheerders en de respectieve netgebruikers van de afzonderlijke vervoersdiensten. Hoofdstuk 4 bevat de specifieke bepalingen voor aardgasvervoer, hoofdstuk 5 deze voor opslag en hoofdstuk 6 deze voor LNG. Indien krachtens artikel 8, § 8 van de gaswet een gecombineerde netbeheerder zou worden aangeduid, spreekt het voor zich dat hij de specifieke regels voor de betrokken installaties of netten waarvan hij met het beheer belast is, samen zal moeten naleven. Hoofdstuk 7 voorziet de strafbepalingen die van toepassing zijn ingeval van inbreuk op specifieke bepalingen, hoofdstuk 8 de bepaling die wordt ingevoerd in het
koninklijk besluit van 12 juni 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
12/06/2001
pub.
05/07/2001
numac
2001011258
bron
ministerie van economische zaken
Koninklijk besluit betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas
sluiten betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas, hoofdstuk 9 de opheffingsbepalingen, hoofdstuk 10 de overgangsbepalingen en hoofdstuk 11 de uitvoeringsbepaling.
DEEL 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Definities Artikel 1 voorziet in § 2 een reeks bijkomende definities die de definities uit de gaswet, die krachtens § 1 in onderhavig koninklijk besluit hernomen worden, aanvullen of verduidelijken voor de toepassing van onderhavig koninklijk besluit. Hieronder worden de definities, vertrekkende van de definitie met het hoogste nummer, gebundeld in thematische clusters met verwijzing naar de afdelingen in onderhavig koninklijk besluit waar ze gebruikt worden - sommige definities komen in meerdere clusters voor.
Aangrenzende netbeheerders (definitie 32°), interconnectiepunt (definitie 47°), interoperabiliteit (definitie 36°) en toeleverende vervoersonderneming (definitie 26°) hebben betrekking op de plicht voor de beheerders om voor de maatregelen die zij nemen inzake netbeheer en netontwikkeling rekening te houden met aangrenzende netwerken, met het oog op de interoperabiliteit (hoofdstuk 2 - afdelingen 1.1 en 1.2, alsook afdeling 4.8 van hoofdstukken 4, 5 en 6).
De definities aansluitingscontract (definitie 16°), aansluiting (definitie 52°), aansluitingspunt (definitie 49°), aardgasontvangststation (definitie 69°), distributienetbeheerder (definitie 31°), DNB-aansluitingscontract (definitie 17°), ingangshoofdafsluiter (definitie 78°) en SLP-afnemer (definitie 13°) hebben betrekking op de toegang van de eindafnemer tot het aardgasvervoersnet (hoofdstuk 3, afdeling 2).
De noties aanvraag (definitie 21°) en aanvrager (definitie 22°) spelen een rol in het kader van de registratie door de netgebruikers als gebruikers (definitie 76°) : als gebruikers worden zowel de bevrachter (definitie 1°), de opslaggebruiker (definitie 74°) als de terminalgebruiker beschouwd (definitie 75°) (hoofdstuk 3, afdeling 1.1). Na dergelijke registratie, heeft de gebruiker het ARS (definitie 68°) en dienstenformulier (definitie 28°) ter beschikking voor respectievelijk het elektronisch of schriftelijk onderschrijven van vervoersdiensten. Zo komt het vervoerscontract (definitie 18°) met de respectievelijke beheerder (hoofdstuk 3, afdeling 1.2) tot stand.
De gaswet bevat definities van gasvervoer in artikel 1, 7° en van doorvoer in artikel 1, 7bis. Gasvervoer omvat aardgasvervoer, LNG en opslag van aardgas. Voor de toepassing van de nieuwe gedragscode moet het gasvervoer daarom onderscheiden worden van het aardgasvervoer (definitie 72°). Aardgasvervoer omvat op zijn beurt binnenlands vervoer (definitie 73°) en doorvoer. Het aardgasvervoer van en naar de hubs vormt al naargelang het geval binnenlands vervoer of doorvoer.
De aardgasvervoersdiensten (definitie 63°) maken deel uit van de vervoersdiensten (definitie 60°) en kunnen door de bevrachter (definitie 1°) onderschreven worden. Afnamepunt (definitie 48°) en toevoerpatroon (definitie 50°) zijn hieraan gelinkt.
De noties aardgas voor eigen gebruik (definitie 30°), operationele akkoorden (definitie 20°) operationele reserve (definitie 56°) zijn middelen ter beschikking van de beheerder om zijn verplichtingen inzake netbeheer en netevenwicht uit te voeren, ook wanneer er zich een incident (definitie 33°) voordoet op het vervoernet (hoofdstuk 2, afdeling 2).
De definities systeemintegriteit en balanceringsperiode in artikel 2.9 en 2.10 van de gasverordening worden aangevuld met de volgende definities : afnamepatroon (definitie 51°), balanceringsperiode (definitie 44°), basisflexibiliteitsdienst (definitie 58°) en benuttingsgraad (definitie 71°), flexibiliteitsdienst (definitie 57°), netevenwicht (definitie 27°), netonevenwicht (definitie 24°) en onevenwicht (definitie 23°), systeemintegriteit (definitie 35°) (hoofdstuk 2, afdeling 2.2) en tolerantiewaarden (definitie 77°).
Verwante begrippen zijn : hernominatie (definitie 55°) en nominatie (definitie 43°) die betrekking hebben op de uitoefening door de gebruikers van hun rechten en plichten (hoofdstukken 4, 5 en 6, telkens afdeling 4.4). Nadien wordt door de beheerder de nodige metingen uitgevoerd op basis waarvan het toegewezen aardgas (definitie 29°) wordt bepaald.
Dag (definitie 37°) en werkdag (definitie 38°) dienen voor de berekening van de termijnen bepaald in hoofdstuk 3, afdelingen 1.1, 1.2 en 3.
De beschikbare capaciteit (definitie 8°), bruikbare capaciteit (definitie 12°), capaciteit (definitie 2°), onderbreekbare capaciteit (definitie 10°), vaste capaciteit (definitie 9°) vertalen de algemene definities uit de gasverordening. Toegepast op elk van de activiteiten die deel uitmaken van het in de gaswet gedefinieerde gasvervoer spreekt men van beschikbare operationele capaciteit (definitie 11°), bruikbaar LNG-volume (definitie 80°), bruikbaar opslagvolume (definitie 79°), injectiecapaciteit (definitie 5°), reservecapaciteit (definitie 6°), toegewezen capaciteit (definitie 3°) en uitzendcapaciteit (definitie 4°).
Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen contractuele congestie (definitie 14°) en fysieke congestie (definitie 15°) en voor elk type gelden aparte regels. De regeling voor congestie houdt eveneens verband met de werking van de secundaire markt (definitie 42°), het daartoe ontwikkelde SMP (definitie 45°) en de toegewezen vervoersdiensten (definitie 61°).
Day-ahead markt (definitie 40°) als onderdeel van de primaire markt (definitie 41°) die onderscheiden moet worden van de secundaire markt (definitie 42°) en het voor de werking van deze laatste ontwikkelde secundaire markt platform (SMP) (definitie 45°).
De gasverordening (definitie 54°) en de gaswet (definitie 39°) bieden respectievelijk het kader en de rechtsgrond voor onderhavig koninklijk besluit. Dit koninklijk besluit moet vanzelfsprekend uitgelegd worden overeenkomstig de gaswet en de gasverordening.
De begrippen LNG-diensten (definitie 67°), terminalgebruiker (definitie 75°) en bruikbaar LNG-volume (definitie 80°) hebben betrekking op de LNG-activiteiten die in hoofdstuk 6 geregeld worden.
Opslag (definitie 70°), opslagcapaciteit (definitie 7°), opslagdiensten (definitie 59°), opslaggebruiker (definitie 74°) bruikbaar opslagvolume (definitie 79°), injectiecapaciteit (definitie 5°) en uitzendcapaciteit (definitie 4°) betreffen de opslaginstallatie (zie hoofdstuk 5).
Standaardcontract(en) (definitie 19°) en toegangsreglement (definitie 53°) zijn met elkaar verbonden via de definitie van belangrijkste voorwaarden voorzien in artikel 1, 51° van de gaswet (hoofdstuk 3, afdeling 1.3).
De verschillende standaardcontracten die in onderhavig koninklijk besluit geregeld worden omvatten het geheel van standaard rechten en verplichtingen van de respectieve beheerder en netgebruiker voor de toegang tot het vervoersnet.
Met toepassing van artikel 15/6 van de gaswet hebben de eindafnemers aangesloten op het aardgasvervoersnet (1/4c) evenals de distributieondernemingen vanaf 1 juli 2004 recht op toegang tot het vervoersnet (zie ook artikel 15/5 van de gaswet).
Het standaard aansluitingscontract vormt dan ook het standaardcontract voor de toegang van de afnemer tot het aardgasvervoersnet, met inbegrip van de fysische aansluiting. De fysische aansluiting is een noodzakelijke voorwaarde voor de eindafnemer om toegang te hebben tot het aardgasvervoersnet en vormt er één geheel mee.
Door de ondertekening van de standaardcontracten voor aardgasvervoer, LNG en opslag wordt de netgebruiker geregistreerd als gebruiker en kan hij (zonder hiertoe verplicht te zijn) als bevrachter, opslaggebruiker of terminalgebruiker optreden en respectievelijk aardgasvervoer-, opslag- of LNG-diensten onderschrijven.
Het vervoerscontract (definitie 18°) behelst daarentegen het door partijen ondertekend standaardcontract samen met de specifieke vervoersdiensten waarbij de beheerder zich ertoe verbindt deze te leveren en de gebruiker om deze af te nemen (en te betalen) aan de voorwaarden vervat in het standaardcontract. Deze kunnen worden afgesloten voor de verschillende duurtijden voorzien in de dienstenprogramma's. Zowel lange termijn verbintenissen (definitie 43°) als korte termijn verbintenissen zijn mogelijk.
Toegewezen capaciteit (definitie 3°), toegewezen vervoersdiensten (definitie 61°) en vervoerscontract (definitie 18°) zijn gerelateerd aan de onderschrijving door de gebruiker en toewijzing door de beheerders van de vervoersdiensten (definitie 60°), krachtens hoofdstuk 3, afdeling 1.2. Vaste vervoersdiensten (definitie 64°) en voorwaardelijke vervoersdiensten (definitie 62°) zijn subcategorieën hiervan. Het verbod voor de beheerders om niet in het door de CREG goedgekeurde dienstenprogramma voorziene verbonden vervoersdiensten (definitie 66°) aan te bieden, dient hier tevens vermeld (hoofdstuk 2, afdeling 3.1).
Vertrouwelijke informatie (definitie 34°) is de enige stand alone definitie (zie hoofdstuk 2, afdeling 3). HOOFDSTUK 2. - Algemene regels voor de beheerders inzake toegang tot het vervoernet, netbeheer, netontwikkeling en onafhankelijkheid Afdeling 1.1. - Derdentoegangsdiensten
Deze afdeling bouwt verder op de principes uiteengezet in artikel 4 en 9.1 van de gasverordening en artikel 15/5undecies, § 1 tweede lid van de gaswet.
Artikel 2 herneemt in § 1 de procedures en regels inzake de aanvraag van toegang tot het net en een aantal essentiële algemene principes uit de gaswet, met name artikel 15/1, § 1, 1° voor de wijze van uitbating en onderhoud van de vervoerinstallaties door de beheerders en artikel 15/1, § 1, 5° inzake het verbod op discriminatie.
De in § 1, 2° voorziene belangrijkste voorwaarden zijn essentieel voor een efficiënte en transparante marktwerking. De voorstellen ervan worden door de beheerder opgesteld en zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Commissie met toepassing van artikel 15/14, § 2, tweede lid, 6° van de gaswet. De Commissie controleert naderhand de toepassing ervan door de beheerders in hun respectieve netten.
Niettegenstaande de gaswet niet expliciet bepaalt dat de beheerders de belangrijkste voorwaarden opstellen, is dit de enige nuttige interpretatie die ter zake aan de gaswet kan worden gegeven - in die zin werd overigens de vorige gedragscode toegepast ten aanzien van de vervoersondernemingen (beheerders sinds de
wet van 1 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/06/2005
pub.
14/06/2005
numac
2005011251
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen
type
wet
prom.
01/06/2005
pub.
14/06/2005
numac
2005011250
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt
type
wet
prom.
01/06/2005
pub.
22/08/2005
numac
2005000438
bron
federaal agentschap voor nucleaire controle
Wet betreffende de toepassing van het Aanvullend Protocol van 22 september 1998 bij de Internationale Overeenkomst van 5 april 1973 ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens
sluiten). § 2 vermeldt de dienstenprogramma's aan de hand waarvan de beheerders de netgebruikers omstandig informeren omtrent de diensten die ze aanbieden, aan welke voorwaarden en hoe de netgebruikers deze kunnen onderschrijven. Deze worden in detail geregeld in hoofdstuk 3, afdeling 1.4.
Artikel 3 somt vooreerst de verschillende standaardcontracten op die deel uitmaken van de belangrijkste voorwaarden en verder uitvoerig geregeld worden in afdeling 2 van hoofdstuk 3 (standaard (DNB-) aansluitingscontract) en afdeling 1 van hoofdstukken 4, 5 en 6 voor respectievelijk het standaard aardgasvervoerscontract, het standaard opslagcontract en het standaard LNG-contract. Tevens worden de toegangsreglementen vermeld waarin de voor het standaardcontract voor aardgasvervoer, opslag en LNG toepasselijke operationele regels gebundeld worden, die door de respectievelijke beheerder moeten uitgewerkt worden (afdeling 2 van hoofdstukken 4, 5 en 6). De goedkeuring door de Commissie wijzigt de aard van de belangrijkste voorwaarden niet. De standaardcontracten blijven contractueel van aard; de regels gebundeld in het toegangsreglement blijven reglementair van aard.
Artikel 4 vult de bepalingen van de gasverordening aan mede met toepassing van artikel 15/5 undecies, § 1, tweede lid en bevat 7 essentiële verplichtingen die de beheerders moeten naleven om de toegang tot, de werking en het gebruik van het vervoernet en de vervoersdiensten te optimaliseren. Afdeling 1.2. - Open season procedure
De ter zake door ERGEG ontwikkelde richtlijnen (3) werden in aanmerking genomen bij de uitwerking van deze afdeling.
Artikel 5 verwijst naar het investeringsplan dat door de beheerders wordt opgesteld in het kader van artikel 15/13 van de gaswet. Het initiatief voor het opstarten van een open season procedure wordt hierbij gelaten aan de beheerders met een injunctierecht aan de Commissie indien de beheerders ter zake tekort zouden schieten.
Artikel 6 regelt de verschillende stadia van de open season procedure die tot doel heeft de markt op een transparante en niet-discriminerende wijze te bevragen en op basis van de bekomen informatie de beheerders in staat te stellen op gerichte wijze te investeren in de uitbreiding en ontwikkeling van het vervoernet.
Hierbij wordt krachtens artikel 15/14, § 2, 3° van de gaswet een belangrijke rol toebedeeld aan de Commissie inzake overleg met de beheerders, de aangrenzende beheerders en naburige regulatoren, sturing van de informatie die door de beheerders moet worden meegedeeld, goedkeuring van de relevante documenten, toezicht op het verloop van de open season procedure en rechtzetting ingeval van niet-naleving ervan. De wijze waarop de open season verloopt en de timing worden vastgelegd in het toegangsreglement (zie verder in afdeling 1.7). Afdeling 1.3. - Toewijzingsregels
Artikel 7 geeft de functie hiervan aan door te verwijzen naar de dienstenprogramma's (hoofdstuk 3, afdeling 1.4). De beheerders moeten passende toewijzingsregels uitwerken teneinde zoveel mogelijk vervoersdiensten te kunnen aanbieden aan de netgebruikers en zodoende noch de toetreding tot de markt noch de werking ervan te belemmeren en rekening te houden met de interoperabiliteit. De toewijzingsregels sluiten algemeen aan bij de bepalingen van artikel 3 van de gasverordening en artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid van de gaswet.
Artikel 8 zet een aantal duidelijke doelstellingen voorop die de beheerders voor ogen moeten houden bij de uitwerking van de toewijzingsregels.
Artikel 9 legt de verplichting op om de toewijzingsregels in het toegangsreglement op te nemen wat het belang ervan onderstreept en hen een reglementair karakter verleent. Afdeling 1.4. - Congestiebeleid
Deze afdeling zet de krachtlijnen en doelstellingen uiteen van een doeltreffend congestiebeleid, dat zowel contractuele als fysieke congestie moet voorkomen zodat de beschikbare capaciteiten maximaal benut worden en desgevallend de investeringsagenda optimaal wordt aangestuurd. Ze voert artikelen 3.3, 3.4 en 3.5 van de gasverordening en artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 9° van de gaswet uit.
Artikel 10 verplicht de beheerders een proactief congestiebeleid te voeren daar zij op basis van alle relevante informatie waarover zij beschikken de situatie kunnen opvolgen en de meest aangewezen partij zijn. § 1 somt de doelstellingen op die worden nagestreefd en § 2 bevat een lijst van algemene maatregelen die deel moeten uitmaken van het congestiebeleid van de beheerders. Het sluitstuk voorzien in § 3 houdt in dat de beheerders het resultaat van hun congestiebeleid moeten vertalen naar hun investeringsplan.
Artikel 11, § 1 voorziet de rol die wordt toebedeeld aan de gebruikers en die noodzakelijk is om het congestiebeleid van de beheerders in de praktijk effectief te maken. Zo wordt het hen verboden om meer vaste vervoersdiensten te onderschrijven dan zij nodig hebben voor de uitvoering van hun bevoorradings- en leveringscontracten. § 2 verplicht de gebruikers om de toegewezen doch ongebruikte vervoersdiensten op een redelijke en marktconforme wijze aan te bieden op de secundaire markt. Het essentiële karakter van deze verplichting valt onder meer af te leiden uit het feit dat op het niet-naleven ervan de strafsancties van artikel 234 staan.
Artikel 12 ligt in het verlengde van artikel 11, § 2 en bepaalt dat vervoersdiensten die niet genomineerd worden door de gebruikers, door de beheerder aangeboden worden op de primaire markt onder onderbreekbare vorm. De gebruiker kan dus te allen tijde zijn toegewezen vervoersdiensten hernomineren.
Artikel 13 regelt de toezicht- en opvolgingsfunctie van de beheerders inzake het effectieve gebruik van de toegewezen vervoersdiensten door de gebruikers. Het in hun toegangsreglementen voorziene elektronische register dat ze hiervan krachtens § 2 bijhouden, dient tevens als instrument voor de Commissie om haar controlefunctie uit te oefenen.
Door het effectieve gebruik te registreren, kunnen de beheerders de omvang van ongebruikte vervoersdiensten bepalen met toepassing van § 3 waarbij ze rekening moeten houden met de uitzonderingen voorzien in § 4. De opvolging door de beheerders heeft slechts zin indien zij de gebruikers hieromtrent regelmatig informeren, zoals bepaald in § 5. Artikel 14 voorziet wat er dient te gebeuren zo er zich congestie voordoet. De beheerder moet dit voorval, alle relevante informatie dienaangaande en de door hem voorgestelde maatregelen om de congestie weg te werken meedelen aan de Commissie, aan de betrokken netgebruikers en aan de marktspelers. De beheerder deelt tevens mee of het gaat over contractuele of fysieke congestie. In geval van contractuele congestie moeten de gebruikers die beschikken over ongebruikte vervoersdiensten deze krachtens § 3 op de secundaire markt ter beschikking stellen. Om misbruiken te voorkomen wordt bij contractuele congestie de prijs van de verhandelde vervoersdiensten op de secundaire markt beperkt tot het gereguleerd tarief. In geval van fysieke congestie geldt deze prijsbeperking niet. Op het niet-naleven van deze essentiële verplichting staan de strafsancties hernomen in artikel 234.
Artikel 15 legt de netgebruikers ingeval van congestie de bewijslast op om aan te tonen dat ze hun vervoersdiensten effectief zullen gebruiken. De termijn waarbinnen en de vormen waaronder dit moet geleverd worden, zijn eveneens bepaald. De Commissie houdt hierop toezicht op basis van de informatie die de beheerders verplicht zijn haar te verschaffen.
De CREG kan de niet naleving van de verplichtingen rustend op de beheerder en de gebruiker sanctioneren met de middelen die haar ter beschikking staan. Gedacht wordt onder meer aan de mogelijkheid voor de CREG om administratieve geldboeten op te leggen met toepassing van artikel 20/2 van de gaswet. De toekenning en het behoud van elke vervoers- of leveringsvergunning zijn bovendien met toepassing van artikel 15/5undecies, § 1, in fine, van de gaswet onderworpen aan het naleven van de gedragscode.
Artikel 16 geeft aan de Commissie inzage in de gebruiksregisters om zodoende de nodige informatie te kunnen verwerven om zich inzake congestie ten volle van haar taken te kunnen kwijten. Afdeling 1.5. - Secundaire markt
De secundaire markt is de markt waarop de netgebruikers onderling capaciteit en flexibiliteit aanbieden en verhandelen. Ook de beheerders kunnen hierop capaciteit en flexibiliteit kopen.
Vervoersdiensten en dan op de eerste plaats doorvoercapaciteit, werden tot op heden op de secundaire markt verhandeld in onderlinge afspraak tussen gekende partijen, met als gevolg dat de toegang tot vervoersdiensten op de secundaire markt voor nieuwkomers heel moeilijk en de werking ervan allerminst transparant was.
Deze afdeling voert derhalve een vernieuwde organisatie in alsook maatregelen om de transparantie te verhogen en de vraag en het aanbod op elkaar af te stemmen om uiteindelijk de liquiditeit van de secundaire markt voor vervoersdiensten te bevorderen. Ze is gesteund op artikel 5.3 (b) van de gasverordening en artikel 15/1, § 1, 9°bis juncto artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 12° van de gaswet.
Artikel 17 legt de organisatie van de secundaire markt bij de beheerders volgens de in §§ 1 en 2 voorziene principes die onder meer de nodige afspraken behelzen met de aangrenzende beheerders met het oog op de interoperabiliteit.
Artikel 18 verplicht de beheerders tot de oprichting van het Secundair Markt Platform (hierna SMP) voor de verhandeling van vervoersdiensten op de secundaire markt, waarop de anonimiteit van de aanbieder en de koper moet worden verzekerd. Dit SMP moet gebruiksvriendelijk zijn : wie diensten wenst te verhandelen registreert zich als SMP-gebruiker bij de beheerder en kan dan via het SMP vervoersdiensten aan- en verkopen op de secundaire markt. Ook netgebruikers die nog geen vervoersdiensten onderschreven hebben op de primaire markt, kunnen actief zijn op de secundaire markt zolang ze zich hiervoor bij de beheerders geregistreerd hebben.
Artikel 19 laat de gebruikers toe om, behoudens de uitzondering voorzien in artikel 20, § 5, onderling vervoersdiensten te verhandelen, buiten het SMP om, op voorwaarde dat ze dit melden aan de beheerders. Op hun beurt moeten de beheerders de marktspelers minstens op weekbasis informeren over de handel van vervoersdiensten op het SMP en daarbuiten.
Artikel 20 bepaalt dat in geval van congestie het gebruik van het SMP verplicht is voor alle netgebruikers die vervoersdiensten verhandelen op de secundaire markt teneinde de absolute transparantie te garanderen die vereist is om de beheerders in staat te stellen de congestie op te lossen. Afdeling 1.6. - Toegang tot de hubs
Deze afdeling voert artikel 5.2 (b) van de gasverordening en artikel 15/5 undecies, § 1, tweede lid, 13° van de gaswet uit. Toegang tot de hubs wordt door de beheerder aangeboden op niet-discriminerende wijze en is erop gericht de handel in aardgas te bevorderen en de gebruikers in staat te stellen hun balanceringsverplichtingen na te leven en, in het kader daarvan, hun onevenwichten op te vangen. De beheerders werken samen met de dienstenleverancier die de hub beheert om hun dienstenaanbod op elkaar af te stemmen.
Artikel 23 past het verbod op discriminatie door de beheerders, opgelegd in artikel 15/5 undecies, § 1, tweede lid, 5°, van de gaswet specifiek toe op de hubs.
Artikelen 24, 25 en 26 vertalen het bepaalde in artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 1°, 7° en 9° van de gaswet.
Artikelen 27 en 28 behoeven geen bijzondere commentaar. Afdeling 1.7. - Toegangsreglementen
Artikel 29 legt de beheerders de verplichting op een toegangsreglement op te stellen waarin de door de beheerders uitgewerkte regels voor toegang tot het vervoernet, toewijzing van vervoersdiensten, congestiebeheer, secundaire markt en incidentenbeheer gebundeld worden. In navolging van richtsnoer 1.3 in de bijlage bij de gasverordening, legt § 3 de algemene formele plicht op voor de beheerders om de netgebruikers te raadplegen. Deze regel bevestigt en verschaft een wettelijke basis aan de praktijk van de Commissie ten aanzien van de voorstellen geformuleerd door de beheerders.
Na overleg met de netgebruikers leggen de beheerders hun voorstellen van toegangsreglement ter goedkeuring voor aan de Commissie, krachtens artikel 15/14, § 2, tweede lid, 6° van de gaswet.
Aangezien bovenstaande materies onderhevig zijn aan wijzigingen, evoluties en bijsturingen, is het verkieslijk om de technisch gedetailleerde regeling ervoor in een apart document te hernemen en niet in onderhavig koninklijk besluit zelf. Het wijzigen van het toegangsreglement, overeenkomstig de bepalingen van onderhavig koninklijk besluit, valt te verkiezen daar het minder omslachtig is dan het aanpassen van een koninklijk besluit, wat de rechtszekerheid ten goede komt. Afdeling 2. - Netontwikkeling en netbeheer
Afdeling 2.1. - Netontwikkeling
In deze afdeling worden de bepalingen van de artikelen 15/5undecies, § 1, tweede lid 1°, 7° en 9° van de gaswet alsook de algemene doelstellingen van de gasverordening toegepast.
Artikel 30, § 1 verplicht de beheerders zich actief bezig te houden met de analyse van de toestand op hun vervoernet en de ontwikkeling ervan te anticiperen en tijdig te plannen. Hiertoe stellen zij jaarlijks een geactualiseerd investeringsplan op voor de komende tien jaar en leggen ze dit ter kennisgeving voor aan de Commissie. De beheerders laten zich hierbij leiden door objectieve gegevens en principes.
Artikel 31 verwijst in § 1 naar de open season procedure van afdeling 1.2 die van toepassing is op investeringen voor doorvoer, opslag- en terminaldiensten. Voor investeringen in binnenlands vervoer gelden in het algemeen de bepalingen vastgelegd in hoofdstuk 4, afdeling 4.
Wanneer deze investeringen eveneens worden aangewend ter ondersteuning van de investeringsstrategie, onder andere voor het bepalen van de bevoorradingsroutes, vallen deze eveneens onder de open season procedure. Afdeling 2.2. - Netbeheer
Algemeen gesteld vormen artikel 15/5, § 1, 1° juncto artikel 15/5undecies, § 1, 5°, 7° en 9° en de bepalingen van de gasverordening de basis voor de verplichtingen die inzake netbeheer aan de beheerders worden opgelegd.
Artikel 33 verplicht de beheerders om bij de naleving van hun plichten ter zake overleg te plegen met de aangrenzende netbeheerders en te streven naar harmonisatie in het kader van de interoperabiliteit op nationaal en internationaal niveau, via het sluiten van interconnectie-overeenkomsten. Interoperabiliteit is van belang zowel voor wat betreft het aanbod van vervoersdiensten, aardgaskwaliteit, balanceringsregimes als communicatie en uitwisseling van meetgegevens op de interconnectiepunten. Het gebrek aan interoperabiliteit is één van de voornaamste hinderpalen voor de liberalisering van de aardgasmarkt. De aardgasmarkt is per definitie een internationale markt. Het faciliteren van het aardgasvervoer door verschillende landen is bijgevolg een absolute noodzaak.
Artikel 34 bespreekt de centrale taak van de beheerders namelijk alles in het werk stellen om de systeemintegriteit te verzekeren.
Artikel 35 legt de beheerders op om, in het verlengde van artikel 34, in voldoende balanceringsmiddelen te investeren die ze als basisflexibiliteitsdiensten aanbieden aan de netgebruikers.
Artikelen 36 en 37 definiëren de grenzen waarbinnen de beheerders zelf een aantal van de door hen aangeboden vervoersdiensten mogen onderschrijven in het kader van hun taken van netbeheer. Aangezien hierdoor een deel van de beschikbare vervoersdiensten ontnomen worden aan de netgebruikers, moeten de beheerders, net zoals geldt voor de gebruikers, deze vrijgeven zodra ze deze niet effectief gebruiken.
Artikel 38 stelt het principe voorop dat de beheerders speciale middelen moeten gebruiken bij het beheer van incidenten, dat verder geregeld wordt in afdeling 4.3 van hoofdstukken 4, 5 en 6.
Artikelen 39 en 40 zijn verbonden met de bepalingen inzake nominaties en hernominaties die telkens hernomen zijn in afdeling 4.4 en afdeling 5 van hoofdstuk 4, 5 en 6.
De beheerders hebben de taak om binnen redelijke perken de noden van de gebruikers te anticiperen en zodoende zoveel mogelijk hun (her)nominaties te garanderen.
Artikel 41 voorziet een specifieke informatieplicht in hoofde van de beheerders aangaande de onderbreekbare vervoersdiensten die zij aanbieden. Om de gebruikers in staat te stellen zich op passende wijze te organiseren, moeten zij ingelicht worden over de waarschijnlijksgraad van het risico op onderbreking. De beheerders moeten derhalve alle informatie dienaangaande tijdig meedelen en telkens actualiseren wanneer zij over nieuwe informatie beschikken.
Artikelen 42 en 43 werken het principe van artikel 35, § 2 verder uit.
De beheerders moeten de basisflexibiliteitsdiensten die ze aanbieden zo organiseren dat ze een redelijke gebruiker in staat stellen om zijn activiteiten probleemloos te beheren.
Artikel 44 verduidelijkt dat de beheerders voor deze verplichting alle middelen waarover ze beschikken, met inbegrip van de opslagmogelijkheden, optimaal moeten gebruiken.
Artikel 45 verwijst naar het vervoersmodel dat als basis dient voor de wijze waarop de beheerders vervoersdiensten aanbieden en hun vervoernet exploiteren. Dit moet uitgewerkt worden in het dienstenprogramma. Afdeling 3. - Beginselen inzake niet-discriminatie, transparantie en
behandeling van vertrouwelijke informatie Afdeling 3.1. - Algemeen
De algemene wettelijke grondslag ter zake is terug te vinden in de artikelen 15/1, § 1, 5° en 15/5undecies, § 1, tweede lid, 3° van de gaswet.
Artikel 46 legt de beheerders op om een proactief beleid te voeren op dit vlak aan de hand van duidelijke regels en procedures die ze moeten voorzien, het verstrekken van alle relevante informatie op transparante wijze en met respect voor de principes inzake vertrouwelijkheid.
Artikel 47 ligt in het verlengde van de verplichtingen die de beheerders door hun personeel moeten doen naleven zoals bepaald in afdeling 4 van hoofdstuk 2. Om deze plicht tot een goed einde te kunnen brengen, moet het personeel door de beheerders degelijk geïnformeerd en opgeleid worden.
Artikelen 48 en 49 liggen in het verlengde van het algemene verbod, naar Belgisch recht, tot gezamenlijk aanbod. De gebruikers moeten vrij zijn om enkel de vervoersdiensten te onderschrijven die ze wensen of menen nodig te hebben zonder dat hieraan andere dan de hiertoe strikt noodzakelijke diensten worden gekoppeld door de beheerders.
Uitzondering wordt gemaakt voor de in het door de CREG goedgekeurde dienstenprogramma voorziene verbonden vervoersdiensten.
In artikel 49 worden een aantal handelingen in hoofde van de beheerders verboden, teneinde te vermijden dat ze de principes uit deze afdeling te licht zouden toepassen of feitelijk zouden omzeilen. Afdeling 3.2. - Verbintenissenprogramma
Artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 10° van de gaswet vormt de algemene wettelijke basis hiervoor.
Artikel 50 verduidelijkt de maatregelen die in het verbintenissenprogramma moeten worden opgenomen om discriminerend gedrag uit te sluiten door werknemers die vragen en dossiers van netgebruikers en aanvragers behandelen alsook hoe door de beheerders op de naleving daarvan toezicht moet worden uitgeoefend.
Artikel 51 voorziet de aanstelling van een nalevingscoördinator die de uitvoering van het verbintenissenprogramma moet opvolgen en coördineren. Hij voert het door de beheerders uitgewerkte interne auditprogramma uit en leidt de voorziene klachtenprocedure inzake vrijwillige of onvrijwillige inbreuken op het verbintenissenprogramma.
De nalevingscoördinator legt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden voor aan de Commissie, dat door de beheerders eveneens gepubliceerd wordt met toepassing van artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 10°, in fine, van de gaswet. Afdeling 3.3. - Bescherming vertrouwelijke informatie
De definitie van vertrouwelijke informatie werd afgestemd op artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 3°, van de gaswet. In deze afdeling worden de voorzorgsmaatregelen hernomen waartoe de beheerders gehouden zijn om de vertrouwelijkheid van de commerciële gegevens van de gebruikers te beschermen. Voorts vormen artikelen 15/5 undecies, § 1, tweede lid, 9°, 15/5undecies, § 2 en 15/1, § 1, 5° van de gaswet alsook artikel 6.3 van de gasverordening inzake transparantie-eisen de algemene wettelijke basis voor deze afdeling.
De regeling ter zake dient het midden te houden tussen de plicht van de beheerders om alle essentiële informatie te publiceren die de marktspelers nodig hebben en de plicht tot bescherming van gevoelige informatie door deze vertrouwelijk te behandelen, teneinde te beletten dat concurrenten vertrouwelijke informatie zouden kunnen misbruiken om de activiteiten van de netgebruiker waarop ze betrekking heeft, te schaden.
Artikel 52 bevat de geheimhoudingsplicht in hoofde van de beheerders en hun personeel en bepaalt tevens dat het gebruik van vertrouwelijke informatie binnen de beheerder strikt beperkt moet blijven tot het personeel dat betrokken is bij het verlenen van toegang tot het vervoernet aan netgebruikers.
Artikel 53 legt de beheerders de plicht op om zich zodanig te organiseren dat de doelstellingen van artikel 52 worden bereikt.
Artikel 54 bevat de klassieke uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht en duidt de derde partijen aan, wier rol zou worden uitgehold zonder mededeling van alle informatie waarover de beheerders beschikken. Het vertrouwelijkheidsbeginsel moet hier wijken voor een hoger belang.
De beheerders mogen eveneens vertrouwelijke informatie meedelen aan bepaalde van hun adviseurs die beroepsmatig tot dezelfde geheimhoudingsplicht gehouden zijn.
Slechts met voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van diegene van wie de vertrouwelijke informatie uitgaat mag vertrouwelijke informatie meegedeeld worden aan andere derden.
Artikel 55 houdt de toepassing in van artikel 6.6 van de gasverordening.
Artikel 56 vertaalt artikel 6.5 van de gasverordening en artikel 15/5undecies, § 2 van de gaswet. Er kan een spanningsveld ontstaan tussen de verplichtingen van de beheerders tot het vrijgeven van informatie enerzijds en het waarborgen van vertrouwelijkheid van commerciële gegevens van netgebruikers anderzijds. Wanneer de beheerder meent dat hij om redenen van vertrouwelijkheid niet gerechtigd is alle vereiste gegevens te publiceren, vraagt hij aan de Commissie om toestemming om de publicatie met betrekking tot het relevante punt of de punten in kwestie te beperken. Afdeling 4. - Beginselen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid
van het personeel van de beheerders Deze afdeling voert artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 11° van de gaswet uit en bevat de beginselen inzake onafhankelijkheid van het personeel van de beheerders. De leden van het directiecomité van de beheerders worden in de terminologie van de gaswet niet onder het personeel van de beheerders begrepen, gelet op artikel 8/3, § 5, 2° van de gaswet dat immers bepaalt dat het corporate governance comité zich uitspreekt over de gevallen van onverenigbaarheid in hoofde van de directieleden en van de personeelsleden.
De eisen die in deze afdeling worden gesteld aan het personeel van de beheerders brengen met zich mee dat de personeelsleden niet tezelfdertijd voor een leveringsonderneming, producent, tussenpersoon of distributienetbeheerder mogen werken, dat zij daarin geen aan aandelen verbonden rechten mogen bezitten, dat hun bezoldiging niet gebaseerd wordt op de resultaten van deze ondernemingen en dat zij die binnen de beheerder toegang hebben tot vertrouwelijke informatie binnen een periode van zes maanden na het beëindigen van hun prestaties voor de beheerder niet voor één van die ondernemingen kunnen gaan werken.
Verder dient het personeel van de beheerders de motivatie, beschikbaarheid, bekwaamheid en kritische ingesteldheid te bezitten die vereist zijn om de werking van de beheerder te begrijpen en om elk op hun niveau met kennis van zaken en onafhankelijk te beraadslagen en/of beslissingen te nemen. Het moet tevens onpartijdig zijn, d.w.z. over de kwaliteit beschikken om onvooringenomen beslissingen te nemen, zonder dat het zich door persoonlijke belangen, voorkeur of genegenheid bij zijn oordeel laat leiden.
Artikel 62 verduidelijkt artikel 8/3, § 5 van de gaswet en moet ervoor zorgen dat het corporate governance comité van de beheerders het jaarlijks verslag aan de Commissie inzake de naleving door de beheerders van hun verplichtingen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid ten aanzien van de netgebruikers, in volle onafhankelijkheid kan opstellen.
BAfdeling 5. - Minimumvereisten met betrekking tot de juridische en operationele scheiding van de vervoer- en leveringsfuncties van aardgas binnen de geïntegreerde beheerders Artikel 63 voert artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 6°, van de gaswet uit, maar blijft summier, gelet op de problematische bewoordingen van dit artikel, bijvoorbeeld wat precies wordt bedoeld met geïntegreerde beheerders. Uit de bewoordingen van het artikel in kwestie, vloeit het « geïntegreerd » zijn voort uit het feit dat deze beheerders zowel vervoer- als leveringsfuncties uitoefenen, hetgeen in contradictie is met artikel 15/1, § 1, 8°, van de gaswet die de combinatie van beide functies juist verbiedt aan de beheerders. Deze moeten zich onthouden van activiteiten van verkoop van aardgas of van bemiddeling inzake aardgas buiten de verkopen of aankopen die noodzakelijk zijn in het kader van hun verplichtingen om het evenwicht te verzekeren, overeenkomstig onderhavig koninklijk besluit.
Artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 6°, van de gaswet spreekt verder niet van beheerders behorende tot een verticaal geïntegreerde onderneming.
Er lijkt bijgevolg geen rechtsgrond te bestaan om de minimumvereisten inzake operationele scheiding die bestaan in artikel 8/5 voor de beheerder van het aardgasvervoersnet in de gedragscode in te voeren voor de andere beheerders en/of verder uit te werken voor alle beheerders. HOOFDSTUK 3. - Procedures en regels inzake de aanvraag voor toegang tot het vervoernet Afdeling 1. - Toegang tot het vervoernet voor netgebruikers
Deze afdeling voert artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 1° van de gaswet en van artikel 4 van de gasverordening uit. Afdeling 1.1. - Procedures en modaliteiten inzake toegang
Artikel 64 voorziet het algemene principe dat de netgebruiker die toegang wenst te krijgen tot het vervoersnet zich daartoe voorafgaandelijk moet registreren bij de betrokken beheerder. De netgebruiker die vervoersdiensten wil onderschrijven bij de beheerder van het aardgasvervoersnet moet zich als bevrachter registreren, voor opslagdiensten moet hij zich laten registreren als opslaggebruiker bij de beheerder van de opslaginstallatie en als terminalgebruiker bij de beheerder van de LNG-terminal wanneer hij LNG-diensten wenst te onderschrijven. Dergelijke registratie is niet nodig voor netgebruikers die reeds een (vervoers)contract getekend hebben met één van de beheerders. Het bestaande (vervoers)contract geldt in dat geval als registratie van de respectievelijke gebruiker. Na afloop van dit contract, registreren de betrokken netgebruikers zich vanzelfsprekend tevens overeenkomstig afdeling 1.1.
Artikel 65 verduidelijkt welke algemene en specifieke info de netgebruiker moet meedelen aan de respectievelijke beheerder in het kader van zijn registratie als bevrachter (§ 1), opslaggebruiker (§ 2) en terminalgebruiker (§ 3).
Artikel 66 legt aan de respectievelijke beheerder(s) de plicht op om de netgebruiker desgevallend bij te staan bij het indienen en/of vervolledigen van zijn aanvraag, dit om de registratie zo snel en efficiënt mogelijk te laten gebeuren.
Artikel 67 eens de netgebruiker een volledige aanvraag ingediend heeft, stuurt de beheerder het standaard aardgasvervoers-, opslag- en/of LNG-contract ter ondertekening op naar de aanvrager. De netgebruiker heeft 10 werkdagen hiervoor, bij gebreke waarvan de aanvraag vervalt, welke regel voorzien is om enkel serieuze netgebruikers aan te trekken. Van zodra de betrokken beheerder het ondertekende standaardcontract ontvangt is de registratie als bevrachter, opslaggebruiker en/of terminalgebruiker voltrokken.
Artikel 68 bepaalt dat de registratie enkel op schriftelijke wijze kan, wat logisch is gelet op de complexiteit ervan en de lage frequentie. Dit is de eerste fase om toe te treden tot een wettelijk en gereguleerd kader, onder toezicht van de Commissie, waarbinnen effectief vervoersdiensten kunnen onderschreven worden. Voor dit laatste voorziet afdeling 1.2 wel de mogelijkheid voor de elektronische onderschrijving naast de schriftelijke. Afdeling 1.2. - Procedures en modaliteiten voor het onderschrijven van
vervoersdiensten Van zodra de netgebruiker geregistreerd is als gebruiker kan hij overgaan tot het aanvragen van vervoersdiensten en dit zowel op de primaire als op de secundaire markt (via het secundaire markt platform of SMP). Voor het onderschrijven van vervoersdiensten op de primaire markt ontwikkelt de beheerder een elektronisch platform dat de gebruikers toelaat om snel en eenvoudig vervoersdiensten aan te vragen en te onderschrijven. Het Automatisch Reservering Systeem (hierna ARS) kan ook gebruikt worden voor het verstrekken van informatie aan netgebruikers. Beide elektronische platformen, het ARS voor de primaire markt en het SMP voor de secundaire markt, worden op elkaar afgestemd. De gebruikers kunnen tevens indien ze dat wensen schriftelijk vervoersdiensten aanvragen en onderschrijven.
Artikel 69 voor binnen de dag en Day-ahead markt maakt § 2 de onderschrijving verplicht per ARS. Indien de beheerder dit wenst voorziet § 3 in de mogelijkheid gebruik te maken van een tijdsvenster waarbinnen de diensten kunnen worden onderschreven. Dit is onder andere noodzakelijk om telkens wanneer de verwachte vraag naar vervoersdiensten het aanbod zou kunnen overtreffen, op een transparante en niet-discriminerende wijze vervoersdiensten te kunnen aanbieden.
Artikel 70 bevat de algemene plicht van de beheerders ten aanzien van het ontwikkelen en ter beschikking stellen van het ARS. Om het ARS te kunnen gebruiken, volstaat het voor de gebruiker om zijn intentie daartoe mee te delen aan de beheerder die hem hiertoe een inschrijvingscode overmaakt. Dit is nodig om de vertrouwelijkheid van de erin meegedeelde en uitgewisselde gegevens te verzekeren en de veiligheid van het systeem te garanderen.
Artikel 71 voorziet dat de gebruiker die vervoersdiensten onderschrijft een specifieke informatieplicht heeft opdat de beheerder het systeem zou kunnen opereren.
Artikel 72 bepaalt, voor schriftelijke aanvragen, de reactietermijn voor de beheerder om aan de gebruiker mee te delen of zijn aanvraag al dan niet kan worden gehonoreerd afhankelijk van de door de gebruiker gewenste aanvangsdatum. Hoe dichter deze bij de aanvraag ligt, hoe korter de reactietermijn voor de beheerder.
Desgevallend staat de beheerder de gebruiker bij om zijn aanvraag te vervolledigen.
Artikel 73 regelt vooreerst in §§ 1 en 2, zodra de aanvraag volledig is, de verdere afhandeling van aanvragen en de effectieve onderschrijving van de aangevraagde diensten. Zo dit via het ARS is ingediend, wordt dit verder elektronisch behandeld en ingeval van een schriftelijke aanvraag, stuurt de beheerder een dienstenformulier op dat door de gebruiker ondertekend moet worden teruggestuurd binnen de toepasselijke termijn die bepaald wordt door de nabijheid van de aanvangsdatum. § § 3 tot 4 voorzien dat de beheerder, indien hij een aanvraag moet weigeren om redenen van congestie, hij dit omstandig moet motiveren en de Commissie hiervan op de hoogte moet stellen. In dit geval zijn de bepalingen van afdeling 1.4, hoofdstuk 2 van toepassing. Zo zal indien het een fysieke congestie betreft worden onderzocht of er al dan niet moet worden geïnvesteerd in bijkomende infrastructuur waarna, in functie van het resultaat hiervan en op basis van artikel 31, de open season procedure voorzien in hoofdstuk 2, afdeling 1.2 zal worden opgestart.
Artikel 74 legt de beheerder in § 1 op om voor het ARS zo kort mogelijke termijnen aan te bieden en § 2 voorziet dat hij dit ARS tevens als platform moet gebruiken om nuttige informatie aan te bieden. Daar het ARS specifiek voor de primaire markt ontwikkeld is, voorziet § 3 de plicht voor de beheerder om het ARS en het SMP voor de secundaire markt op elkaar af te stemmen. Dit is een van de manieren om de door de gasverordening vooropgestelde verplichting om maximale capaciteit ter beschikking te stellen van de markt te realiseren.
Artikel 75 geeft aan de netgebruiker de mogelijkheid om informatieve en niet-bindende aanvragen in te dienen. Het is belangrijk dit te onderscheiden van de bindende aanvragen daar de beheerder dient te weten waar hij aan toe is teneinde bepaalde diensten voor een beperkte tijd enkel te moeten blokkeren als het een bindende aanvraag betreft.
Artikel 76 voorziet dat de procedure voor registratie en het onderschrijven van diensten perfect gelijktijdig kan gebeuren zo de netgebruiker dit wenst. Gelet op de omvang hiervan, gelden in dit geval telkens de langste termijnen. Afdeling 1.3. - Standaardcontracten voor aardgasvervoer, opslag en LNG
Artikel 4.1 van de gasverordening inzake de verplichting tot geharmoniseerde contracten, ligt mee aan de basis van deze afdeling.
Artikel 77 werkt het algemene principe van artikel 15/14, § 2 van de gaswet uit inzake de goedkeuring door de Commissie van de belangrijkste voorwaarden, waarvan de standaardcontracten deel uitmaken krachtens de definitie in artikel 1, 51° van de gaswet.
Doel is ervoor te zorgen dat alle netgebruikers gelijk behandeld worden en aan dezelfde voorwaarden toegang hebben tot het vervoernet en gebruik kunnen maken van vervoersdiensten. De inhoud van de standaardcontracten voor aardgasvervoer, opslag en LNG wordt verder in detail geregeld in hoofdstukken 4, 5 en 6.
Artikel 78 ziet erop toe dat zowel door de Commissie als door de beheerders kan worden ingespeeld op latere marktevoluties en dat zij hiervoor de nodige aanpassingen kunnen voorstellen en doorvoeren aan de standaardcontracten.
Artikel 79 vormt de noodzakelijke aanvulling op het standaardcontract dat als kader (ofte raam-)overeenkomst dient en de algemene regels bevat die van toepassing zijn op alle partijen die dergelijk standaardco …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.