Koninklijk besluit betreffende de gedragscode inzake de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 juni 2001 betreffende de algemene…
Waar gaat deze regeling over?
Dit Koninklijk Besluit regelt de toegang tot het aardgasvervoersnet, opslaginstallaties en LNG-installaties door middel van een gedragscode, en wijzigt een eerder Koninklijk Besluit betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas. Het doel is om de organisatie van de gasmarkt te verbeteren en te zorgen voor niet-discriminerende toegang.
Voor wie: Beheerders van het aardgasvervoersnet, opslaginstallaties voor aardgas en LNG-installaties; Netgebruikers van de aardgasvervoersdiensten, opslag en LNG.
In één oogopslag
- Land
- België
- Rechtsgebied
- Droit de l'énergie et des industries de réseau
- Artikelen
- 205
- Bron
- etaamb.openjustice.be
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De gedragscode voor toegang tot het aardgasvervoersnet, opslaginstallaties en LNG-installaties.
- De wijziging van het Koninklijk Besluit van 12 juni 2001 betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas.
- De verplichtingen voor beheerders met betrekking tot derdentoegangsdiensten, capaciteitsallocatie, congestiebeheer, transparantie, balancering en het verhandelen van capaciteitsrechten.
- De juridische en operationele scheiding van vervoers- en leveringsfuncties binnen geïntegreerde beheerders.
Voor wie geldt deze regeling?
- Beheerders van het aardgasvervoersnet, opslaginstallaties voor aardgas en LNG-installaties.
- Netgebruikers van de aardgasvervoersdiensten, opslag en LNG.
Wat zijn de kernpunten?
- De gedragscode is van openbare orde en is onmiddellijk van toepassing op bestaande vervoerscontracten.
- De gedragscode heeft betrekking op beheerders, niet langer op vervoersondernemingen.
- De gedragscode moet eisen bevatten inzake de onafhankelijkheid van het personeel van de beheerders ten opzichte van producenten, distributeurs, leveranciers en tussenpersonen.
- Beheerders moeten standaardcontracten, toegangsreglementen en dienstenprogramma's opstellen en ter goedkeuring aan de Commissie voorleggen.
Droit de l'énergie et des industries de réseau
Droit de l'énergie et des industries de réseau
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (205)
- Artikel 15 /5undecies, § 1, tweede lid, 10° van de gaswet vormt de algemene wette
- Artikel 83
- Artikel 169
- Artikel 201
- Artikel 1
- Artikel 31
- Art. 2
- Art. 3
- Art. 4
- Art. 5
- Art. 6
- Art. 7
- Art. 8
- Art. 9
- Art. 10
- Art. 11
- Art. 12
- Art. 13
- Art. 14
- Art. 15
- Art. 16
- Art. 17
- Art. 18
- Art. 19
- Art. 20
- Art. 21
- Art. 23
- Art. 24 De toegang tot een hub is mogelijk vanuit de totale bruikbare capacite
- Art. 25
- Art. 26
- Art. 27
- Art. 28
- Art. 29
- Art. 30
- Art. 31
- Art. 32
- Art. 33
- Art. 35
- Art. 36
- Art. 37
- Art. 38
- Art. 39
- Art. 40
- Art. 41
- Art. 42
- Art. 43
- Art. 44
- Art. 45
- Art. 46
- Art. 47
- Art. 48
- Art. 49
- Art. 50
- Art. 51
- Art. 52
- Art. 53
- Art. 54
- Art. 55
- Art. 56
- Art. 58
- Art. 59
- Art. 60
- Art. 61
- Art. 62
- Art. 64
- Art. 65
- Art. 66
- Art. 67
- Art. 68
- Art. 70
- Art. 71
- Art. 72
- Art. 73
- Art. 79
- Art. 80
- Art. 81
- Art. 83
- Art. 84
- Art. 85
- Art. 86
- Art. 87
- Art. 88 Bij het einde van het vervoerscontract en telkens de netgebruiker het
- Art. 89
- Art. 90
- Art. 91
- Art. 92
- Art. 93
- Art. 96
- Art. 97
- Art. 98 Het standaard aansluitingscontract blijft bestaan ongeacht of de einda
- Art. 99
- Art. 100
- Art. 101
- Art. 102
- Art. 103
- Art. 104
- Art. 105
- Art. 109
- Art. 110
- Art. 111
- Art. 112
- Art. 113
- Art. 114
- Art. 115
- Art. 116
- Art. 117
- Art. 118
- Art. 119
- Art. 120
- Art. 121
- Art. 124
- Art. 125
- Art. 126
- Art. 127
- Art. 128
- Art. 129
- Art. 130
- Art. 131
- Art. 132
- Art. 133
- Art. 134
- Art. 135
- Art. 136
- Art. 137
- Art. 138
- Art. 139
- Art. 140
- Art. 141
- Art. 142
- Art. 143
- Art. 144
- Art. 145
- Art. 146
- Art. 147
- Art. 148
- Art. 149
- Art. 151
- Art. 152
- Art. 153
- Art. 154
- Art. 155
- Art. 156
- Art. 157
- Art. 158
- Art. 159
- Art. 160
- Art. 161
- Art. 162
- Art. 163
- Art. 164
- Art. 166
- Art. 167
- Art. 169
- Art. 170
- Art. 171
- Art. 172
- Art. 173
- Art. 174
- Art. 175
- Art. 176
- Art. 177
- Art. 178
- Art. 179
- Art. 180
- Art. 181
- Art. 182
- Art. 183
- Art. 184
- Art. 185
- Art. 186
- Art. 187
- Art. 188
- Art. 192
- Art. 193
- Art. 194
- Art. 195
- Art. 198
- Art. 199
- Art. 201
- Art. 202
- Art. 203
- Art. 204
- Art. 205
- Art. 206
- Art. 207
- Art. 208
- Art. 212
- Art. 213
- Art. 214
- Art. 215
- Art. 216
- Art. 217
- Art. 218
- Art. 219
- Art. 220
- Art. 221
- Art. 225
- Art. 226
- Art. 227
- Art. 228
- Art. 231
- Art. 232
- Art. 233
- Art. 239
- Art. 240
23 DECEMBER 2010. - Koninklijk besluit betreffende de gedragscode inzake de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 juni 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.
12/06/2001 pub.
05/07/2001 numac 2001011258 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas sluiten betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas VERSLAG AAN DE KONING Sire, 1 Hoofdlijnen 1.1 Onderhavig koninklijk besluit heeft vooreerst tot voorwerp de gedragscode inzake de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie (verder : de gedragscode). Het voorstel hiertoe werd uitgewerkt door de Commissie krachtens artikel 15/5undecies, § 1 (1), van de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom.
12/04/1965 pub.
08/03/2007 numac 2007000126 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers sluiten betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (hierna : de gaswet). 1.2 Voorts heeft onderhavig koninklijk besluit tot voorwerp de wijziging van het koninklijk besluit van 12 juni 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.
12/06/2001 pub.
05/07/2001 numac 2001011258 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas sluiten betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas. Dit voorstel werd op eigen initiatief geformuleerd door de Commissie, met toepassing van artikel 15/4 juncto artikel 15/14, § 2, derde lid, van de gaswet en behelst de invoering van een nieuw artikel 22bis. 1.3 Het Directiecomité van de CREG heeft op 9 oktober 2008 het voorstel van onderhavig koninklijk besluit goedgekeurd en overgemaakt aan de federale Minister bevoegd voor Energie. Een aangepast voorstel werd door het Directiecomité van de CREG goedgekeurd op 5 maart 2009 en opnieuw overgemaakt aan de federale Minister bevoegd voor Energie. 2. Volgende wettelijke bepalingen bieden het kader of de rechtsgrond voor de gedragscode : 2.1 Verordening (EG) nr. 1775/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot de aardgastransmissienetten (verder : de gasverordening). De gasverordening behoeft als supranationale rechtsnorm geen omzetting in het recht van de lidstaten van de Europese Unie en door haar rechtstreekse werking moet onderhavig koninklijk besluit conform ermee zijn voor de erin geregelde materies zoals : derdentoegangsdiensten, principes voor capaciteitsallocatiemechanismen, congestiebeheer, transparantie-eisen, balancering en het verhandelen van capaciteitsrechten.
Ook voorziet artikel 12 van de gasverordening dat lidstaten meer gedetailleerde bepalingen kunnen voorzien. Op basis hiervan bevat onderhavig koninklijk besluit een reeks aanvullende verplichtingen voor de beheerders voor wat betreft de door de gasverordening geregelde materies. 2.2 Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (hierna : de tweede gasrichtlijn), die naar Belgisch recht werd omgezet door voormelde wet van 1 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom.
01/06/2005 pub.
14/06/2005 numac 2005011251 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen type wet prom.
01/06/2005 pub.
14/06/2005 numac 2005011250 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.
01/06/2005 pub.
22/08/2005 numac 2005000438 bron federaal agentschap voor nucleaire controle Wet betreffende de toepassing van het Aanvullend Protocol van 22 september 1998 bij de Internationale Overeenkomst van 5 april 1973 ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens sluiten tot wijziging van de gaswet. 2.3 De gaswet : vooreerst artikel 15/5undecies, § 1 van de gaswet, dat de eigenlijke rechtsgrond inzake de gedragscode vormt. Het eerste lid stelt duidelijk dat de gedragscode van toepassing is op de toegang tot het aardgasvervoersnet, de opslaginstallatie voor aardgas en de LNG-installatie. Het tweede lid bevat de gedetailleerde lijst van de specifieke thema's die in de gedragscode moeten worden uitgewerkt.
De daarnaast direct relevante artikelen uit de gaswet zijn in elk geval de artikelen 2 en 15/1 van de gaswet. 2.4 Zonder dat het om afdwingbare wettelijke bepalingen gaat, werd zoveel als relevant rekening gehouden met belangrijke standpunten en richtlijnen geformuleerd door de Europese Commissie, de CEER, ERGEG en het Madrid Forum. 3 Bepaalde aspecten van het wettelijk kader van de gedragscode worden hieronder kort toegelicht. 3.1 De gedragscode is van openbare orde aangezien zij de fundamentele regels bevat met betrekking tot de organisatie van de gasmarkt. Dit houdt niet de ontbinding van bestaande vervoerscontracten in, doch wel de onmiddellijke toepasbaarheid van de gedragscode daarop die, te rekenen vanaf de inwerkingtreding, conform de gedragscode moeten worden toegepast. 3.2 De definitie van aardgasvervoer in artikel 1, § 2, 72° van de gedragscode bepaalt duidelijk dat zowel binnenlands vervoer als doorvoer hieronder vallen.
De tweede gasrichtlijn en de wet van 1 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom.
01/06/2005 pub.
14/06/2005 numac 2005011251 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen type wet prom.
01/06/2005 pub.
14/06/2005 numac 2005011250 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.
01/06/2005 pub.
22/08/2005 numac 2005000438 bron federaal agentschap voor nucleaire controle Wet betreffende de toepassing van het Aanvullend Protocol van 22 september 1998 bij de Internationale Overeenkomst van 5 april 1973 ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens sluiten tot omzetting ervan, behandelen binnenlands vervoer en doorvoer op dezelfde manier. In beide gevallen gaat het om transmissie waartussen er enkel een operationeel verschil bestaat qua uitgangspunt. Ook de gasverordening bevat in artikel 2.1 een definitie van transmissie in dezelfde zin.
De gedragscode behandelt binnenlands vervoer en doorvoer eveneens op dezelfde manier. Uiteraard zal het toegangsreglement een aantal operationele bepalingen bevatten die specifiek zijn voor doorvoer en zal het aardgasvervoersprogramma een aantal vervoersdiensten bevatten die specifiek zijn voor binnenlands vervoer. 3.3 Artikel 15/5undecies, § 1 verschilt op volgende punten van het oude artikel 15/5, § 3 van de gaswet : 3.3.1 De gedragscode heeft niet langer betrekking op de vervoersondernemingen, doch op de beheerders; 3.3.2 De minimumvereisten bedoeld in artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 6° van de gaswet dienen thans betrekking te hebben op de juridische en operationele scheiding van de vervoers- en leveringsfuncties van aardgas binnen de geïntegreerde beheerders in plaats van op de administratieve en operationele scheiding ervan (zie hoofdstuk 2, afdeling 5); 3.3.3 In de basisbeginselen vervat in artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 7° van de gaswet met betrekking tot de rechten en verplichtingen inzake het gebruik van het vervoernet werd toegevoegd dat de onderhandelingen over de toegang tot vervoer (hoofdstuk 2, afdeling 1), het congestiebeheer (hoofdstuk 2, afdeling 1.4) en de publicatie van informatie (afdeling 4.4 van hoofdstukken 4, 5 en 6) hieronder vallen; 3.3.4 Overeenkomstig artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 10° en 11° van de gaswet moet de gedragscode voortaan ook de vereisten bevatten inzake onafhankelijkheid van het personeel van de beheerders ten opzichte van de producenten, distributeurs, leveranciers en tussenpersonen (hoofdstuk 2, afdeling 4) alsook de maatregelen die in het verbintenissenprogramma moeten worden opgenomen (hoofdstuk 2, afdeling 3.2) om te waarborgen dat ieder discriminerend gedrag is uitgesloten.
Ook moet worden voorzien in een adequaat toezicht op de naleving ervan. 3.3.5 Artikel 15/5, § 3 van de gaswet werd opgeheven door de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 15/5undecies, § 1. Sindsdien heeft dit laatste artikel dus de facto de wettelijke basis uitgemaakt voor de vorige gedragscode die door de Commissie conform deze nieuwe rechtsgrond werd toegepast tot afkondiging van onderhavig koninklijk besluit. 3.4 De gedragscode legt de beheerders op om standaardcontracten, toegangsreglementen en dienstenprogramma's op te stellen en ter goedkeuring aan de Commissie voor te leggen. Enkel het begrip belangrijkste voorwaarden uit de vorige gedragscode werd behouden, weliswaar in de nieuwe definitie van artikel 1, 51° van de gaswet (2) die enerzijds de standaardcontracten voor de toegang tot het vervoernet omvat en anderzijds de daarmee verbonden operationele regels, die in onderhavig besluit in de toegangsreglementen gegroepeerd werden.
Het indicatief vervoersprogramma werd omgevormd tot het dienstenprogramma en de netwerkcode werd in het toegangsreglement geïntegreerd. 4 De procedure die gevolgd werd om tot het voorstel van onderhavig koninklijk besluit te komen, kan als volgt samengevat worden : 4.1 De Commissie heeft eind 2005 de marktspelers geraadpleegd om te achterhalen hoe zij de eerste fase van de liberalisering van de interne gasmarkt beoordeelden. De marktspelers hadden hierbij kritiek op (1) de te strikte « matchingregel » tussen ingangs- en uitgangscapaciteit (2) het gebrek aan transparantie op de primaire en secundaire markt, met te summiere, onvolledige en/of afwezigheid van informatie omtrent toegewezen en beschikbare capaciteit, aardgasstromen, onderbrekingen (3) het systeem van dagbalancering, de hoge boetes in geval van overschrijding van de evenwichtsdrempels, afwezigheid van een markt om onevenwichten uit te wisselen (4) de toegang tot opslag die prioritair wordt toegekend aan de vervoersnetgebruikers die de distributiemarkt beleveren (5) toewijzing van aardgas op distributieniveau (6) moeilijke en ondoorzichtige toegang tot doorvoercapaciteit en onduidelijkheid inzake de respectieve rollen van Distrigas, Distrigas & C° en Fluxys;
Bespreking Inleiding Onderhavig koninklijk besluit is opgebouwd rond volgende tweedelige structuur : « Deel I - Algemene bepalingen » zet vooreerst de hoofdlijnen uiteen van de materies die in de gedragscode uitgewerkt worden en bundelt de bepalingen die van toepassing zijn op alle beheerders.Hoofdstuk 1 vult de definities uit de gaswet aan met specifieke definities, hoofdstuk 2 zet de basisregels uiteen die de beheerders moeten naleven alsook deze die de relatie tussen de beheerders en de Commissie bepalen en hoofdstuk 3 bevat alle bepalingen inzake de toegang tot het vervoersnet en regelt de relatie tussen alle beheerders en netgebruikers. « Deel II - Specifieke bepalingen » werkt « Deel I - Algemene bepalingen » verder uit en omvat de specifieke rechten en plichten van elk van de beheerders en de respectieve netgebruikers van de afzonderlijke vervoersdiensten.
Hoofdstuk 4 bevat de specifieke bepalingen voor aardgasvervoer, hoofdstuk 5 deze voor opslag en hoofdstuk 6 deze voor LNG. Indien krachtens artikel 8, § 8 van de gaswet een gecombineerde netbeheerder zou worden aangeduid, spreekt het voor zich dat hij de specifieke regels voor de betrokken installaties of netten waarvan hij met het beheer belast is, samen zal moeten naleven. Hoofdstuk 7 voorziet de strafbepalingen die van toepassing zijn ingeval van inbreuk op specifieke bepalingen, hoofdstuk 8 de bepaling die wordt ingevoerd in het koninklijk besluit van 12 juni 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom.
12/06/2001 pub.
05/07/2001 numac 2001011258 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas sluiten betreffende de algemene voorwaarden voor de levering van aardgas en de toekenningsvoorwaarden van de leveringsvergunningen voor aardgas, hoofdstuk 9 de opheffingsbepalingen, hoofdstuk 10 de overgangsbepalingen en hoofdstuk 11 de uitvoeringsbepaling.
DEEL 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Definities Artikel 1 voorziet in § 2 een reeks bijkomende definities die de definities uit de gaswet, die krachtens § 1 in onderhavig koninklijk besluit hernomen worden, aanvullen of verduidelijken voor de toepassing van onderhavig koninklijk besluit. Hieronder worden de definities, vertrekkende van de definitie met het hoogste nummer, gebundeld in thematische clusters met verwijzing naar de afdelingen in onderhavig koninklijk besluit waar ze gebruikt worden - sommige definities komen in meerdere clusters voor.
Aangrenzende netbeheerders (definitie 32°), interconnectiepunt (definitie 47°), interoperabiliteit (definitie 36°) en toeleverende vervoersonderneming (definitie 26°) hebben betrekking op de plicht voor de beheerders om voor de maatregelen die zij nemen inzake netbeheer en netontwikkeling rekening te houden met aangrenzende netwerken, met het oog op de interoperabiliteit (hoofdstuk 2 - afdelingen 1.1 en 1.2, alsook afdeling 4.8 van hoofdstukken 4, 5 en 6).
De definities aansluitingscontract (definitie 16°), aansluiting (definitie 52°), aansluitingspunt (definitie 49°), aardgasontvangststation (definitie 69°), distributienetbeheerder (definitie 31°), DNB-aansluitingscontract (definitie 17°), ingangshoofdafsluiter (definitie 78°) en SLP-afnemer (definitie 13°) hebben betrekking op de toegang van de eindafnemer tot het aardgasvervoersnet (hoofdstuk 3, afdeling 2).
De noties aanvraag (definitie 21°) en aanvrager (definitie 22°) spelen een rol in het kader van de registratie door de netgebruikers als gebruikers (definitie 76°) : als gebruikers worden zowel de bevrachter (definitie 1°), de opslaggebruiker (definitie 74°) als de terminalgebruiker beschouwd (definitie 75°) (hoofdstuk 3, afdeling 1.1). Na dergelijke registratie, heeft de gebruiker het ARS (definitie 68°) en dienstenformulier (definitie 28°) ter beschikking voor respectievelijk het elektronisch of schriftelijk onderschrijven van vervoersdiensten. Zo komt het vervoerscontract (definitie 18°) met de respectievelijke beheerder (hoofdstuk 3, afdeling 1.2) tot stand.
De gaswet bevat definities van gasvervoer in artikel 1, 7° en van doorvoer in artikel 1, 7bis. Gasvervoer omvat aardgasvervoer, LNG en opslag van aardgas. Voor de toepassing van de nieuwe gedragscode moet het gasvervoer daarom onderscheiden worden van het aardgasvervoer (definitie 72°). Aardgasvervoer omvat op zijn beurt binnenlands vervoer (definitie 73°) en doorvoer. Het aardgasvervoer van en naar de hubs vormt al naargelang het geval binnenlands vervoer of doorvoer.
De aardgasvervoersdiensten (definitie 63°) maken deel uit van de vervoersdiensten (definitie 60°) en kunnen door de bevrachter (definitie 1°) onderschreven worden. Afnamepunt (definitie 48°) en toevoerpatroon (definitie 50°) zijn hieraan gelinkt.
De noties aardgas voor eigen gebruik (definitie 30°), operationele akkoorden (definitie 20°) operationele reserve (definitie 56°) zijn middelen ter beschikking van de beheerder om zijn verplichtingen inzake netbeheer en netevenwicht uit te voeren, ook wanneer er zich een incident (definitie 33°) voordoet op het vervoernet (hoofdstuk 2, afdeling 2).
De definities systeemintegriteit en balanceringsperiode in artikel 2.9 en 2.10 van de gasverordening worden aangevuld met de volgende definities : afnamepatroon (definitie 51°), balanceringsperiode (definitie 44°), basisflexibiliteitsdienst (definitie 58°) en benuttingsgraad (definitie 71°), flexibiliteitsdienst (definitie 57°), netevenwicht (definitie 27°), netonevenwicht (definitie 24°) en onevenwicht (definitie 23°), systeemintegriteit (definitie 35°) (hoofdstuk 2, afdeling 2.2) en tolerantiewaarden (definitie 77°).
Verwante begrippen zijn : hernominatie (definitie 55°) en nominatie (definitie 43°) die betrekking hebben op de uitoefening door de gebruikers van hun rechten en plichten (hoofdstukken 4, 5 en 6, telkens afdeling 4.4). Nadien wordt door de beheerder de nodige metingen uitgevoerd op basis waarvan het toegewezen aardgas (definitie 29°) wordt bepaald.
Dag (definitie 37°) en werkdag (definitie 38°) dienen voor de berekening van de termijnen bepaald in hoofdstuk 3, afdelingen 1.1, 1.2 en 3.
De beschikbare capaciteit (definitie 8°), bruikbare capaciteit (definitie 12°), capaciteit (definitie 2°), onderbreekbare capaciteit (definitie 10°), vaste capaciteit (definitie 9°) vertalen de algemene definities uit de gasverordening. Toegepast op elk van de activiteiten die deel uitmaken van het in de gaswet gedefinieerde gasvervoer spreekt men van beschikbare operationele capaciteit (definitie 11°), bruikbaar LNG-volume (definitie 80°), bruikbaar opslagvolume (definitie 79°), injectiecapaciteit (definitie 5°), reservecapaciteit (definitie 6°), toegewezen capaciteit (definitie 3°) en uitzendcapaciteit (definitie 4°).
Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen contractuele congestie (definitie 14°) en fysieke congestie (definitie 15°) en voor elk type gelden aparte regels. De regeling voor congestie houdt eveneens verband met de werking van de secundaire markt (definitie 42°), het daartoe ontwikkelde SMP (definitie 45°) en de toegewezen vervoersdiensten (definitie 61°).
Day-ahead markt (definitie 40°) als onderdeel van de primaire markt (definitie 41°) die onderscheiden moet worden van de secundaire markt (definitie 42°) en het voor de werking van deze laatste ontwikkelde secundaire markt platform (SMP) (definitie 45°).
De gasverordening (definitie 54°) en de gaswet (definitie 39°) bieden respectievelijk het kader en de rechtsgrond voor onderhavig koninklijk besluit. Dit koninklijk besluit moet vanzelfsprekend uitgelegd worden overeenkomstig de gaswet en de gasverordening.
De begrippen LNG-diensten (definitie 67°), terminalgebruiker (definitie 75°) en bruikbaar LNG-volume (definitie 80°) hebben betrekking op de LNG-activiteiten die in hoofdstuk 6 geregeld worden.
Opslag (definitie 70°), opslagcapaciteit (definitie 7°), opslagdiensten (definitie 59°), opslaggebruiker (definitie 74°) bruikbaar opslagvolume (definitie 79°), injectiecapaciteit (definitie 5°) en uitzendcapaciteit (definitie 4°) betreffen de opslaginstallatie (zie hoofdstuk 5).
Standaardcontract(en) (definitie 19°) en toegangsreglement (definitie 53°) zijn met elkaar verbonden via de definitie van belangrijkste voorwaarden voorzien in artikel 1, 51° van de gaswet (hoofdstuk 3, afdeling 1.3).
De verschillende standaardcontracten die in onderhavig koninklijk besluit geregeld worden omvatten het geheel van standaard rechten en verplichtingen van de respectieve beheerder en netgebruiker voor de toegang tot het vervoersnet.
Met toepassing van artikel 15/6 van de gaswet hebben de eindafnemers aangesloten op het aardgasvervoersnet (1/4c) evenals de distributieondernemingen vanaf 1 juli 2004 recht op toegang tot het vervoersnet (zie ook artikel 15/5 van de gaswet).
Het standaard aansluitingscontract vormt dan ook het standaardcontract voor de toegang van de afnemer tot het aardgasvervoersnet, met inbegrip van de fysische aansluiting. De fysische aansluiting is een noodzakelijke voorwaarde voor de eindafnemer om toegang te hebben tot het aardgasvervoersnet en vormt er één geheel mee.
Door de ondertekening van de standaardcontracten voor aardgasvervoer, LNG en opslag wordt de netgebruiker geregistreerd als gebruiker en kan hij (zonder hiertoe verplicht te zijn) als bevrachter, opslaggebruiker of terminalgebruiker optreden en respectievelijk aardgasvervoer-, opslag- of LNG-diensten onderschrijven.
Het vervoerscontract (definitie 18°) behelst daarentegen het door partijen ondertekend standaardcontract samen met de specifieke vervoersdiensten waarbij de beheerder zich ertoe verbindt deze te leveren en de gebruiker om deze af te nemen (en te betalen) aan de voorwaarden vervat in het standaardcontract. Deze kunnen worden afgesloten voor de verschillende duurtijden voorzien in de dienstenprogramma's. Zowel lange termijn verbintenissen (definitie 43°) als korte termijn verbintenissen zijn mogelijk.
Toegewezen capaciteit (definitie 3°), toegewezen vervoersdiensten (definitie 61°) en vervoerscontract (definitie 18°) zijn gerelateerd aan de onderschrijving door de gebruiker en toewijzing door de beheerders van de vervoersdiensten (definitie 60°), krachtens hoofdstuk 3, afdeling 1.2. Vaste vervoersdiensten (definitie 64°) en voorwaardelijke vervoersdiensten (definitie 62°) zijn subcategorieën hiervan. Het verbod voor de beheerders om niet in het door de CREG goedgekeurde dienstenprogramma voorziene verbonden vervoersdiensten (definitie 66°) aan te bieden, dient hier tevens vermeld (hoofdstuk 2, afdeling 3.1).
Vertrouwelijke informatie (definitie 34°) is de enige stand alone definitie (zie hoofdstuk 2, afdeling 3). HOOFDSTUK 2. - Algemene regels voor de beheerders inzake toegang tot het vervoernet, netbeheer, netontwikkeling en onafhankelijkheid Afdeling 1.1. - Derdentoegangsdiensten Deze afdeling bouwt verder op de principes uiteengezet in artikel 4 en 9.1 van de gasverordening en artikel 15/5undecies, § 1 tweede lid van de gaswet.
Artikel 2 herneemt in § 1 de procedures en regels inzake de aanvraag van toegang tot het net en een aantal essentiële algemene principes uit de gaswet, met name artikel 15/1, § 1, 1° voor de wijze van uitbating en onderhoud van de vervoerinstallaties door de beheerders en artikel 15/1, § 1, 5° inzake het verbod op discriminatie.
De in § 1, 2° voorziene belangrijkste voorwaarden zijn essentieel voor een efficiënte en transparante marktwerking. De voorstellen ervan worden door de beheerder opgesteld en zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Commissie met toepassing van artikel 15/14, § 2, tweede lid, 6° van de gaswet. De Commissie controleert naderhand de toepassing ervan door de beheerders in hun respectieve netten.
Niettegenstaande de gaswet niet expliciet bepaalt dat de beheerders de belangrijkste voorwaarden opstellen, is dit de enige nuttige interpretatie die ter zake aan de gaswet kan worden gegeven - in die zin werd overigens de vorige gedragscode toegepast ten aanzien van de vervoersondernemingen (beheerders sinds de wet van 1 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom.
01/06/2005 pub.
14/06/2005 numac 2005011251 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen type wet prom.
01/06/2005 pub.
14/06/2005 numac 2005011250 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt type wet prom.
01/06/2005 pub.
22/08/2005 numac 2005000438 bron federaal agentschap voor nucleaire controle Wet betreffende de toepassing van het Aanvullend Protocol van 22 september 1998 bij de Internationale Overeenkomst van 5 april 1973 ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens sluiten). § 2 vermeldt de dienstenprogramma's aan de hand waarvan de beheerders de netgebruikers omstandig informeren omtrent de diensten die ze aanbieden, aan welke voorwaarden en hoe de netgebruikers deze kunnen onderschrijven. Deze worden in detail geregeld in hoofdstuk 3, afdeling 1.4.
Artikel 3 somt vooreerst de verschillende standaardcontracten op die deel uitmaken van de belangrijkste voorwaarden en verder uitvoerig geregeld worden in afdeling 2 van hoofdstuk 3 (standaard (DNB-) aansluitingscontract) en afdeling 1 van hoofdstukken 4, 5 en 6 voor respectievelijk het standaard aardgasvervoerscontract, het standaard opslagcontract en het standaard LNG-contract. Tevens worden de toegangsreglementen vermeld waarin de voor het standaardcontract voor aardgasvervoer, opslag en LNG toepasselijke operationele regels gebundeld worden, die door de respectievelijke beheerder moeten uitgewerkt worden (afdeling 2 van hoofdstukken 4, 5 en 6). De goedkeuring door de Commissie wijzigt de aard van de belangrijkste voorwaarden niet. De standaardcontracten blijven contractueel van aard; de regels gebundeld in het toegangsreglement blijven reglementair van aard.
Artikel 4 vult de bepalingen van de gasverordening aan mede met toepassing van artikel 15/5 undecies, § 1, tweede lid en bevat 7 essentiële verplichtingen die de beheerders moeten naleven om de toegang tot, de werking en het gebruik van het vervoernet en de vervoersdiensten te optimaliseren. Afdeling 1.2. - Open season procedure De ter zake door ERGEG ontwikkelde richtlijnen (3) werden in aanmerking genomen bij de uitwerking van deze afdeling.
Artikel 5 verwijst naar het investeringsplan dat door de beheerders wordt opgesteld in het kader van artikel 15/13 van de gaswet. Het initiatief voor het opstarten van een open season procedure wordt hierbij gelaten aan de beheerders met een injunctierecht aan de Commissie indien de beheerders ter zake tekort zouden schieten.
Artikel 6 regelt de verschillende stadia van de open season procedure die tot doel heeft de markt op een transparante en niet-discriminerende wijze te bevragen en op basis van de bekomen informatie de beheerders in staat te stellen op gerichte wijze te investeren in de uitbreiding en ontwikkeling van het vervoernet.
Hierbij wordt krachtens artikel 15/14, § 2, 3° van de gaswet een belangrijke rol toebedeeld aan de Commissie inzake overleg met de beheerders, de aangrenzende beheerders en naburige regulatoren, sturing van de informatie die door de beheerders moet worden meegedeeld, goedkeuring van de relevante documenten, toezicht op het verloop van de open season procedure en rechtzetting ingeval van niet-naleving ervan. De wijze waarop de open season verloopt en de timing worden vastgelegd in het toegangsreglement (zie verder in afdeling 1.7). Afdeling 1.3. - Toewijzingsregels Artikel 7 geeft de functie hiervan aan door te verwijzen naar de dienstenprogramma's (hoofdstuk 3, afdeling 1.4). De beheerders moeten passende toewijzingsregels uitwerken teneinde zoveel mogelijk vervoersdiensten te kunnen aanbieden aan de netgebruikers en zodoende noch de toetreding tot de markt noch de werking ervan te belemmeren en rekening te houden met de interoperabiliteit. De toewijzingsregels sluiten algemeen aan bij de bepalingen van artikel 3 van de gasverordening en artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid van de gaswet.
Artikel 8 zet een aantal duidelijke doelstellingen voorop die de beheerders voor ogen moeten houden bij de uitwerking van de toewijzingsregels.
Artikel 9 legt de verplichting op om de toewijzingsregels in het toegangsreglement op te nemen wat het belang ervan onderstreept en hen een reglementair karakter verleent. Afdeling 1.4. - Congestiebeleid Deze afdeling zet de krachtlijnen en doelstellingen uiteen van een doeltreffend congestiebeleid, dat zowel contractuele als fysieke congestie moet voorkomen zodat de beschikbare capaciteiten maximaal benut worden en desgevallend de investeringsagenda optimaal wordt aangestuurd. Ze voert artikelen 3.3, 3.4 en 3.5 van de gasverordening en artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 9° van de gaswet uit.
Artikel 10 verplicht de beheerders een proactief congestiebeleid te voeren daar zij op basis van alle relevante informatie waarover zij beschikken de situatie kunnen opvolgen en de meest aangewezen partij zijn. § 1 somt de doelstellingen op die worden nagestreefd en § 2 bevat een lijst van algemene maatregelen die deel moeten uitmaken van het congestiebeleid van de beheerders. Het sluitstuk voorzien in § 3 houdt in dat de beheerders het resultaat van hun congestiebeleid moeten vertalen naar hun investeringsplan.
Artikel 11, § 1 voorziet de rol die wordt toebedeeld aan de gebruikers en die noodzakelijk is om het congestiebeleid van de beheerders in de praktijk effectief te maken. Zo wordt het hen verboden om meer vaste vervoersdiensten te onderschrijven dan zij nodig hebben voor de uitvoering van hun bevoorradings- en leveringscontracten. § 2 verplicht de gebruikers om de toegewezen doch ongebruikte vervoersdiensten op een redelijke en marktconforme wijze aan te bieden op de secundaire markt. Het essentiële karakter van deze verplichting valt onder meer af te leiden uit het feit dat op het niet-naleven ervan de strafsancties van artikel 234 staan.
Artikel 12 ligt in het verlengde van artikel 11, § 2 en bepaalt dat vervoersdiensten die niet genomineerd worden door de gebruikers, door de beheerder aangeboden worden op de primaire markt onder onderbreekbare vorm. De gebruiker kan dus te allen tijde zijn toegewezen vervoersdiensten hernomineren.
Artikel 13 regelt de toezicht- en opvolgingsfunctie van de beheerders inzake het effectieve gebruik van de toegewezen vervoersdiensten door de gebruikers. Het in hun toegangsreglementen voorziene elektronische register dat ze hiervan krachtens § 2 bijhouden, dient tevens als instrument voor de Commissie om haar controlefunctie uit te oefenen.
Door het effectieve gebruik te registreren, kunnen de beheerders de omvang van ongebruikte vervoersdiensten bepalen met toepassing van § 3 waarbij ze rekening moeten houden met de uitzonderingen voorzien in § 4. De opvolging door de beheerders heeft slechts zin indien zij de gebruikers hieromtrent regelmatig informeren, zoals bepaald in § 5. Artikel 14 voorziet wat er dient te gebeuren zo er zich congestie voordoet. De beheerder moet dit voorval, alle relevante informatie dienaangaande en de door hem voorgestelde maatregelen om de congestie weg te werken meedelen aan de Commissie, aan de betrokken netgebruikers en aan de marktspelers. De beheerder deelt tevens mee of het gaat over contractuele of fysieke congestie. In geval van contractuele congestie moeten de gebruikers die beschikken over ongebruikte vervoersdiensten deze krachtens § 3 op de secundaire markt ter beschikking stellen. Om misbruiken te voorkomen wordt bij contractuele congestie de prijs van de verhandelde vervoersdiensten op de secundaire markt beperkt tot het gereguleerd tarief. In geval van fysieke congestie geldt deze prijsbeperking niet. Op het niet-naleven van deze essentiële verplichting staan de strafsancties hernomen in artikel 234.
Artikel 15 legt de netgebruikers ingeval van congestie de bewijslast op om aan te tonen dat ze hun vervoersdiensten effectief zullen gebruiken. De termijn waarbinnen en de vormen waaronder dit moet geleverd worden, zijn eveneens bepaald. De Commissie houdt hierop toezicht op basis van de informatie die de beheerders verplicht zijn haar te verschaffen.
De CREG kan de niet naleving van de verplichtingen rustend op de beheerder en de gebruiker sanctioneren met de middelen die haar ter beschikking staan. Gedacht wordt onder meer aan de mogelijkheid voor de CREG om administratieve geldboeten op te leggen met toepassing van artikel 20/2 van de gaswet. De toekenning en het behoud van elke vervoers- of leveringsvergunning zijn bovendien met toepassing van artikel 15/5undecies, § 1, in fine, van de gaswet onderworpen aan het naleven van de gedragscode.
Artikel 16 geeft aan de Commissie inzage in de gebruiksregisters om zodoende de nodige informatie te kunnen verwerven om zich inzake congestie ten volle van haar taken te kunnen kwijten. Afdeling 1.5. - Secundaire markt De secundaire markt is de markt waarop de netgebruikers onderling capaciteit en flexibiliteit aanbieden en verhandelen. Ook de beheerders kunnen hierop capaciteit en flexibiliteit kopen.
Vervoersdiensten en dan op de eerste plaats doorvoercapaciteit, werden tot op heden op de secundaire markt verhandeld in onderlinge afspraak tussen gekende partijen, met als gevolg dat de toegang tot vervoersdiensten op de secundaire markt voor nieuwkomers heel moeilijk en de werking ervan allerminst transparant was.
Deze afdeling voert derhalve een vernieuwde organisatie in alsook maatregelen om de transparantie te verhogen en de vraag en het aanbod op elkaar af te stemmen om uiteindelijk de liquiditeit van de secundaire markt voor vervoersdiensten te bevorderen. Ze is gesteund op artikel 5.3 (b) van de gasverordening en artikel 15/1, § 1, 9°bis juncto artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 12° van de gaswet.
Artikel 17 legt de organisatie van de secundaire markt bij de beheerders volgens de in §§ 1 en 2 voorziene principes die onder meer de nodige afspraken behelzen met de aangrenzende beheerders met het oog op de interoperabiliteit.
Artikel 18 verplicht de beheerders tot de oprichting van het Secundair Markt Platform (hierna SMP) voor de verhandeling van vervoersdiensten op de secundaire markt, waarop de anonimiteit van de aanbieder en de koper moet worden verzekerd. Dit SMP moet gebruiksvriendelijk zijn : wie diensten wenst te verhandelen registreert zich als SMP-gebruiker bij de beheerder en kan dan via het SMP vervoersdiensten aan- en verkopen op de secundaire markt. Ook netgebruikers die nog geen vervoersdiensten onderschreven hebben op de primaire markt, kunnen actief zijn op de secundaire markt zolang ze zich hiervoor bij de beheerders geregistreerd hebben.
Artikel 19 laat de gebruikers toe om, behoudens de uitzondering voorzien in artikel 20, § 5, onderling vervoersdiensten te verhandelen, buiten het SMP om, op voorwaarde dat ze dit melden aan de beheerders. Op hun beurt moeten de beheerders de marktspelers minstens op weekbasis informeren over de handel van vervoersdiensten op het SMP en daarbuiten.
Artikel 20 bepaalt dat in geval van congestie het gebruik van het SMP verplicht is voor alle netgebruikers die vervoersdiensten verhandelen op de secundaire markt teneinde de absolute transparantie te garanderen die vereist is om de beheerders in staat te stellen de congestie op te lossen. Afdeling 1.6. - Toegang tot de hubs Deze afdeling voert artikel 5.2 (b) van de gasverordening en artikel 15/5 undecies, § 1, tweede lid, 13° van de gaswet uit. Toegang tot de hubs wordt door de beheerder aangeboden op niet-discriminerende wijze en is erop gericht de handel in aardgas te bevorderen en de gebruikers in staat te stellen hun balanceringsverplichtingen na te leven en, in het kader daarvan, hun onevenwichten op te vangen. De beheerders werken samen met de dienstenleverancier die de hub beheert om hun dienstenaanbod op elkaar af te stemmen.
Artikel 23 past het verbod op discriminatie door de beheerders, opgelegd in artikel 15/5 undecies, § 1, tweede lid, 5°, van de gaswet specifiek toe op de hubs.
Artikelen 24, 25 en 26 vertalen het bepaalde in artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 1°, 7° en 9° van de gaswet.
Artikelen 27 en 28 behoeven geen bijzondere commentaar. Afdeling 1.7. - Toegangsreglementen Artikel 29 legt de beheerders de verplichting op een toegangsreglement op te stellen waarin de door de beheerders uitgewerkte regels voor toegang tot het vervoernet, toewijzing van vervoersdiensten, congestiebeheer, secundaire markt en incidentenbeheer gebundeld worden. In navolging van richtsnoer 1.3 in de bijlage bij de gasverordening, legt § 3 de algemene formele plicht op voor de beheerders om de netgebruikers te raadplegen. Deze regel bevestigt en verschaft een wettelijke basis aan de praktijk van de Commissie ten aanzien van de voorstellen geformuleerd door de beheerders.
Na overleg met de netgebruikers leggen de beheerders hun voorstellen van toegangsreglement ter goedkeuring voor aan de Commissie, krachtens artikel 15/14, § 2, tweede lid, 6° van de gaswet.
Aangezien bovenstaande materies onderhevig zijn aan wijzigingen, evoluties en bijsturingen, is het verkieslijk om de technisch gedetailleerde regeling ervoor in een apart document te hernemen en niet in onderhavig koninklijk besluit zelf. Het wijzigen van het toegangsreglement, overeenkomstig de bepalingen van onderhavig koninklijk besluit, valt te verkiezen daar het minder omslachtig is dan het aanpassen van een koninklijk besluit, wat de rechtszekerheid ten goede komt. Afdeling 2. - Netontwikkeling en netbeheer
Afdeling 2.1. - Netontwikkeling
In deze afdeling worden de bepalingen van de artikelen 15/5undecies, § 1, tweede lid 1°, 7° en 9° van de gaswet alsook de algemene doelstellingen van de gasverordening toegepast.
Artikel 30, § 1 verplicht de beheerders zich actief bezig te houden met de analyse van de toestand op hun vervoernet en de ontwikkeling ervan te anticiperen en tijdig te plannen. Hiertoe stellen zij jaarlijks een geactualiseerd investeringsplan op voor de komende tien jaar en leggen ze dit ter kennisgeving voor aan de Commissie. De beheerders laten zich hierbij leiden door objectieve gegevens en principes.
Artikel 31 verwijst in § 1 naar de open season procedure van afdeling 1.2 die van toepassing is op investeringen voor doorvoer, opslag- en terminaldiensten. Voor investeringen in binnenlands vervoer gelden in het algemeen de bepalingen vastgelegd in hoofdstuk 4, afdeling 4.
Wanneer deze investeringen eveneens worden aangewend ter ondersteuning van de investeringsstrategie, onder andere voor het bepalen van de bevoorradingsroutes, vallen deze eveneens onder de open season procedure. Afdeling 2.2. - Netbeheer Algemeen gesteld vormen artikel 15/5, § 1, 1° juncto artikel 15/5undecies, § 1, 5°, 7° en 9° en de bepalingen van de gasverordening de basis voor de verplichtingen die inzake netbeheer aan de beheerders worden opgelegd.
Artikel 33 verplicht de beheerders om bij de naleving van hun plichten ter zake overleg te plegen met de aangrenzende netbeheerders en te streven naar harmonisatie in het kader van de interoperabiliteit op nationaal en internationaal niveau, via het sluiten van interconnectie-overeenkomsten. Interoperabiliteit is van belang zowel voor wat betreft het aanbod van vervoersdiensten, aardgaskwaliteit, balanceringsregimes als communicatie en uitwisseling van meetgegevens op de interconnectiepunten. Het gebrek aan interoperabiliteit is één van de voornaamste hinderpalen voor de liberalisering van de aardgasmarkt. De aardgasmarkt is per definitie een internationale markt. Het faciliteren van het aardgasvervoer door verschillende landen is bijgevolg een absolute noodzaak.
Artikel 34 bespreekt de centrale taak van de beheerders namelijk alles in het werk stellen om de systeemintegriteit te verzekeren.
Artikel 35 legt de beheerders op om, in het verlengde van artikel 34, in voldoende balanceringsmiddelen te investeren die ze als basisflexibiliteitsdiensten aanbieden aan de netgebruikers.
Artikelen 36 en 37 definiëren de grenzen waarbinnen de beheerders zelf een aantal van de door hen aangeboden vervoersdiensten mogen onderschrijven in het kader van hun taken van netbeheer. Aangezien hierdoor een deel van de beschikbare vervoersdiensten ontnomen worden aan de netgebruikers, moeten de beheerders, net zoals geldt voor de gebruikers, deze vrijgeven zodra ze deze niet effectief gebruiken.
Artikel 38 stelt het principe voorop dat de beheerders speciale middelen moeten gebruiken bij het beheer van incidenten, dat verder geregeld wordt in afdeling 4.3 van hoofdstukken 4, 5 en 6.
Artikelen 39 en 40 zijn verbonden met de bepalingen inzake nominaties en hernominaties die telkens hernomen zijn in afdeling 4.4 en afdeling 5 van hoofdstuk 4, 5 en 6.
De beheerders hebben de taak om binnen redelijke perken de noden van de gebruikers te anticiperen en zodoende zoveel mogelijk hun (her)nominaties te garanderen.
Artikel 41 voorziet een specifieke informatieplicht in hoofde van de beheerders aangaande de onderbreekbare vervoersdiensten die zij aanbieden. Om de gebruikers in staat te stellen zich op passende wijze te organiseren, moeten zij ingelicht worden over de waarschijnlijksgraad van het risico op onderbreking. De beheerders moeten derhalve alle informatie dienaangaande tijdig meedelen en telkens actualiseren wanneer zij over nieuwe informatie beschikken.
Artikelen 42 en 43 werken het principe van artikel 35, § 2 verder uit.
De beheerders moeten de basisflexibiliteitsdiensten die ze aanbieden zo organiseren dat ze een redelijke gebruiker in staat stellen om zijn activiteiten probleemloos te beheren.
Artikel 44 verduidelijkt dat de beheerders voor deze verplichting alle middelen waarover ze beschikken, met inbegrip van de opslagmogelijkheden, optimaal moeten gebruiken.
Artikel 45 verwijst naar het vervoersmodel dat als basis dient voor de wijze waarop de beheerders vervoersdiensten aanbieden en hun vervoernet exploiteren. Dit moet uitgewerkt worden in het dienstenprogramma. Afdeling 3. - Beginselen inzake niet-discriminatie, transparantie en behandeling van vertrouwelijke informatie Afdeling 3.1. - Algemeen De algemene wettelijke grondslag ter zake is terug te vinden in de artikelen 15/1, § 1, 5° en 15/5undecies, § 1, tweede lid, 3° van de gaswet.
Artikel 46 legt de beheerders op om een proactief beleid te voeren op dit vlak aan de hand van duidelijke regels en procedures die ze moeten voorzien, het verstrekken van alle relevante informatie op transparante wijze en met respect voor de principes inzake vertrouwelijkheid.
Artikel 47 ligt in het verlengde van de verplichtingen die de beheerders door hun personeel moeten doen naleven zoals bepaald in afdeling 4 van hoofdstuk 2. Om deze plicht tot een goed einde te kunnen brengen, moet het personeel door de beheerders degelijk geïnformeerd en opgeleid worden.
Artikelen 48 en 49 liggen in het verlengde van het algemene verbod, naar Belgisch recht, tot gezamenlijk aanbod. De gebruikers moeten vrij zijn om enkel de vervoersdiensten te onderschrijven die ze wensen of menen nodig te hebben zonder dat hieraan andere dan de hiertoe strikt noodzakelijke diensten worden gekoppeld door de beheerders.
Uitzondering wordt gemaakt voor de in het door de CREG goedgekeurde dienstenprogramma voorziene verbonden vervoersdiensten.
In artikel 49 worden een aantal handelingen in hoofde van de beheerders verboden, teneinde te vermijden dat ze de principes uit deze afdeling te licht zouden toepassen of feitelijk zouden omzeilen. Afdeling 3.2. - Verbintenissenprogramma
Artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 10° van de gaswet vormt de algemene wettelijke basis hiervoor
Artikel 50 verduidelijkt de maatregelen die in het verbintenissenprogramma moeten worden opgenomen om discriminerend gedrag uit te sluiten door werknemers die vragen en dossiers van netgebruikers en aanvragers behandelen alsook hoe door de beheerders op de naleving daarvan toezicht moet worden uitgeoefend.
Artikel 51 voorziet de aanstelling van een nalevingscoördinator die de uitvoering van het verbintenissenprogramma moet opvolgen en coördineren. Hij voert het door de beheerders uitgewerkte interne auditprogramma uit en leidt de voorziene klachtenprocedure inzake vrijwillige of onvrijwillige inbreuken op het verbintenissenprogramma.
De nalevingscoördinator legt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden voor aan de Commissie, dat door de beheerders eveneens gepubliceerd wordt met toepassing van artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 10°, in fine, van de gaswet. Afdeling 3.3. - Bescherming vertrouwelijke informatie De definitie van vertrouwelijke informatie werd afgestemd op artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 3°, van de gaswet. In deze afdeling worden de voorzorgsmaatregelen hernomen waartoe de beheerders gehouden zijn om de vertrouwelijkheid van de commerciële gegevens van de gebruikers te beschermen. Voorts vormen artikelen 15/5 undecies, § 1, tweede lid, 9°, 15/5undecies, § 2 en 15/1, § 1, 5° van de gaswet alsook artikel 6.3 van de gasverordening inzake transparantie-eisen de algemene wettelijke basis voor deze afdeling.
De regeling ter zake dient het midden te houden tussen de plicht van de beheerders om alle essentiële informatie te publiceren die de marktspelers nodig hebben en de plicht tot bescherming van gevoelige informatie door deze vertrouwelijk te behandelen, teneinde te beletten dat concurrenten vertrouwelijke informatie zouden kunnen misbruiken om de activiteiten van de netgebruiker waarop ze betrekking heeft, te schaden.
Artikel 52 bevat de geheimhoudingsplicht in hoofde van de beheerders en hun personeel en bepaalt tevens dat het gebruik van vertrouwelijke informatie binnen de beheerder strikt beperkt moet blijven tot het personeel dat betrokken is bij het verlenen van toegang tot het vervoernet aan netgebruikers.
Artikel 53 legt de beheerders de plicht op om zich zodanig te organiseren dat de doelstellingen van artikel 52 worden bereikt.
Artikel 54 bevat de klassieke uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht en duidt de derde partijen aan, wier rol zou worden uitgehold zonder mededeling van alle informatie waarover de beheerders beschikken. Het vertrouwelijkheidsbeginsel moet hier wijken voor een hoger belang.
De beheerders mogen eveneens vertrouwelijke informatie meedelen aan bepaalde van hun adviseurs die beroepsmatig tot dezelfde geheimhoudingsplicht gehouden zijn.
Slechts met voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van diegene van wie de vertrouwelijke informatie uitgaat mag vertrouwelijke informatie meegedeeld worden aan andere derden.
Artikel 55 houdt de toepassing in van artikel 6.6 van de gasverordening.
Artikel 56 vertaalt artikel 6.5 van de gasverordening en artikel 15/5undecies, § 2 van de gaswet. Er kan een spanningsveld ontstaan tussen de verplichtingen van de beheerders tot het vrijgeven van informatie enerzijds en het waarborgen van vertrouwelijkheid van commerciële gegevens van netgebruikers anderzijds. Wanneer de beheerder meent dat hij om redenen van vertrouwelijkheid niet gerechtigd is alle vereiste gegevens te publiceren, vraagt hij aan de Commissie om toestemming om de publicatie met betrekking tot het relevante punt of de punten in kwestie te beperken. Afdeling 4. - Beginselen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het personeel van de beheerders Deze afdeling voert artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 11° van de gaswet uit en bevat de beginselen inzake onafhankelijkheid van het personeel van de beheerders. De leden van het directiecomité van de beheerders worden in de terminologie van de gaswet niet onder het personeel van de beheerders begrepen, gelet op artikel 8/3, § 5, 2° van de gaswet dat immers bepaalt dat het corporate governance comité zich uitspreekt over de gevallen van onverenigbaarheid in hoofde van de directieleden en van de personeelsleden.
De eisen die in deze afdeling worden gesteld aan het personeel van de beheerders brengen met zich mee dat de personeelsleden niet tezelfdertijd voor een leveringsonderneming, producent, tussenpersoon of distributienetbeheerder mogen werken, dat zij daarin geen aan aandelen verbonden rechten mogen bezitten, dat hun bezoldiging niet gebaseerd wordt op de resultaten van deze ondernemingen en dat zij die binnen de beheerder toegang hebben tot vertrouwelijke informatie binnen een periode van zes maanden na het beëindigen van hun prestaties voor de beheerder niet voor één van die ondernemingen kunnen gaan werken.
Verder dient het personeel van de beheerders de motivatie, beschikbaarheid, bekwaamheid en kritische ingesteldheid te bezitten die vereist zijn om de werking van de beheerder te begrijpen en om elk op hun niveau met kennis van zaken en onafhankelijk te beraadslagen en/of beslissingen te nemen. Het moet tevens onpartijdig zijn, d.w.z. over de kwaliteit beschikken om onvooringenomen beslissingen te nemen, zonder dat het zich door persoonlijke belangen, voorkeur of genegenheid bij zijn oordeel laat leiden.
Artikel 62 verduidelijkt artikel 8/3, § 5 van de gaswet en moet ervoor zorgen dat het corporate governance comité van de beheerders het jaarlijks verslag aan de Commissie inzake de naleving door de beheerders van hun verplichtingen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid ten aanzien van de netgebruikers, in volle onafhankelijkheid kan opstellen.
BAfdeling 5. - Minimumvereisten met betrekking tot de juridische en operationele scheiding van de vervoer- en leveringsfuncties van aardgas binnen de geïntegreerde beheerders Artikel 63 voert artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 6°, van de gaswet uit, maar blijft summier, gelet op de problematische bewoordingen van dit artikel, bijvoorbeeld wat precies wordt bedoeld met geïntegreerde beheerders. Uit de bewoordingen van het artikel in kwestie, vloeit het « geïntegreerd » zijn voort uit het feit dat deze beheerders zowel vervoer- als leveringsfuncties uitoefenen, hetgeen in contradictie is met artikel 15/1, § 1, 8°, van de gaswet die de combinatie van beide functies juist verbiedt aan de beheerders. Deze moeten zich onthouden van activiteiten van verkoop van aardgas of van bemiddeling inzake aardgas buiten de verkopen of aankopen die noodzakelijk zijn in het kader van hun verplichtingen om het evenwicht te verzekeren, overeenkomstig onderhavig koninklijk besluit.
Artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 6°, van de gaswet spreekt verder niet van beheerders behorende tot een verticaal geïntegreerde onderneming
Er lijkt bijgevolg geen rechtsgrond te bestaan om de minimumvereisten inzake operationele scheiding die bestaan in artikel 8/5 voor de beheerder van het aardgasvervoersnet in de gedragscode in te voeren voor de andere beheerders en/of verder uit te werken voor alle beheerders. HOOFDSTUK 3. - Procedures en regels inzake de aanvraag voor toegang tot het vervoernet Afdeling 1. - Toegang tot het vervoernet voor netgebruikers Deze afdeling voert artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 1° van de gaswet en van artikel 4 van de gasverordening uit. Afdeling 1.1. - Procedures en modaliteiten inzake toegang Artikel 64 voorziet het algemene principe dat de netgebruiker die toegang wenst te krijgen tot het vervoersnet zich daartoe voorafgaandelijk moet registreren bij de betrokken beheerder. De netgebruiker die vervoersdiensten wil onderschrijven bij de beheerder van het aardgasvervoersnet moet zich als bevrachter registreren, voor opslagdiensten moet hij zich laten registreren als opslaggebruiker bij de beheerder van de opslaginstallatie en als terminalgebruiker bij de beheerder van de LNG-terminal wanneer hij LNG-diensten wenst te onderschrijven. Dergelijke registratie is niet nodig voor netgebruikers die reeds een (vervoers)contract getekend hebben met één van de beheerders. Het bestaande (vervoers)contract geldt in dat geval als registratie van de respectievelijke gebruiker. Na afloop van dit contract, registreren de betrokken netgebruikers zich vanzelfsprekend tevens overeenkomstig afdeling 1.1.
Artikel 65 verduidelijkt welke algemene en specifieke info de netgebruiker moet meedelen aan de respectievelijke beheerder in het kader van zijn registratie als bevrachter (§ 1), opslaggebruiker (§ 2) en terminalgebruiker (§ 3).
Artikel 66 legt aan de respectievelijke beheerder(s) de plicht op om de netgebruiker desgevallend bij te staan bij het indienen en/of vervolledigen van zijn aanvraag, dit om de registratie zo snel en efficiënt mogelijk te laten gebeuren.
Artikel 67 eens de netgebruiker een volledige aanvraag ingediend heeft, stuurt de beheerder het standaard aardgasvervoers-, opslag- en/of LNG-contract ter ondertekening op naar de aanvrager. De netgebruiker heeft 10 werkdagen hiervoor, bij gebreke waarvan de aanvraag vervalt, welke regel voorzien is om enkel serieuze netgebruikers aan te trekken. Van zodra de betrokken beheerder het ondertekende standaardcontract ontvangt is de registratie als bevrachter, opslaggebruiker en/of terminalgebruiker voltrokken.
Artikel 68 bepaalt dat de registratie enkel op schriftelijke wijze kan, wat logisch is gelet op de complexiteit ervan en de lage frequentie. Dit is de eerste fase om toe te treden tot een wettelijk en gereguleerd kader, onder toezicht van de Commissie, waarbinnen effectief vervoersdiensten kunnen onderschreven worden. Voor dit laatste voorziet afdeling 1.2 wel de mogelijkheid voor de elektronische onderschrijving naast de schriftelijke. Afdeling 1.2. - Procedures en modaliteiten voor het onderschrijven van vervoersdiensten Van zodra de netgebruiker geregistreerd is als gebruiker kan hij overgaan tot het aanvragen van vervoersdiensten en dit zowel op de primaire als op de secundaire markt (via het secundaire markt platform of SMP). Voor het onderschrijven van vervoersdiensten op de primaire markt ontwikkelt de beheerder een elektronisch platform dat de gebruikers toelaat om snel en eenvoudig vervoersdiensten aan te vragen en te onderschrijven. Het Automatisch Reservering Systeem (hierna ARS) kan ook gebruikt worden voor het verstrekken van informatie aan netgebruikers. Beide elektronische platformen, het ARS voor de primaire markt en het SMP voor de secundaire markt, worden op elkaar afgestemd. De gebruikers kunnen tevens indien ze dat wensen schriftelijk vervoersdiensten aanvragen en onderschrijven.
Artikel 69 voor binnen de dag en Day-ahead markt maakt § 2 de onderschrijving verplicht per ARS. Indien de beheerder dit wenst voorziet § 3 in de mogelijkheid gebruik te maken van een tijdsvenster waarbinnen de diensten kunnen worden onderschreven. Dit is onder andere noodzakelijk om telkens wanneer de verwachte vraag naar vervoersdiensten het aanbod zou kunnen overtreffen, op een transparante en niet-discriminerende wijze vervoersdiensten te kunnen aanbieden.
Artikel 70 bevat de algemene plicht van de beheerders ten aanzien van het ontwikkelen en ter beschikking stellen van het ARS. Om het ARS te kunnen gebruiken, volstaat het voor de gebruiker om zijn intentie daartoe mee te delen aan de beheerder die hem hiertoe een inschrijvingscode overmaakt. Dit is nodig om de vertrouwelijkheid van de erin meegedeelde en uitgewisselde gegevens te verzekeren en de veiligheid van het systeem te garanderen.
Artikel 71 voorziet dat de gebruiker die vervoersdiensten onderschrijft een specifieke informatieplicht heeft opdat de beheerder het systeem zou kunnen opereren.
Artikel 72 bepaalt, voor schriftelijke aanvragen, de reactietermijn voor de beheerder om aan de gebruiker mee te delen of zijn aanvraag al dan niet kan worden gehonoreerd afhankelijk van de door de gebruiker gewenste aanvangsdatum. Hoe dichter deze bij de aanvraag ligt, hoe korter de reactietermijn voor de beheerder.
Desgevallend staat de beheerder de gebruiker bij om zijn aanvraag te vervolledigen.
Artikel 73 regelt vooreerst in §§ 1 en 2, zodra de aanvraag volledig is, de verdere afhandeling van aanvragen en de effectieve onderschrijving van de aangevraagde diensten. Zo dit via het ARS is ingediend, wordt dit verder elektronisch behandeld en ingeval van een schriftelijke aanvraag, stuurt de beheerder een dienstenformulier op dat door de gebruiker ondertekend moet worden teruggestuurd binnen de toepasselijke termijn die bepaald wordt door de nabijheid van de aanvangsdatum. § § 3 tot 4 voorzien dat de beheerder, indien hij een aanvraag moet weigeren om redenen van congestie, hij dit omstandig moet motiveren en de Commissie hiervan op de hoogte moet stellen. In dit geval zijn de bepalingen van afdeling 1.4, hoofdstuk 2 van toepassing. Zo zal indien het een fysieke congestie betreft worden onderzocht of er al dan niet moet worden geïnvesteerd in bijkomende infrastructuur waarna, in functie van het resultaat hiervan en op basis van artikel 31, de open season procedure voorzien in hoofdstuk 2, afdeling 1.2 zal worden opgestart.
Artikel 74 legt de beheerder in § 1 op om voor het ARS zo kort mogelijke termijnen aan te bieden en § 2 voorziet dat hij dit ARS tevens als platform moet gebruiken om nuttige informatie aan te bieden. Daar het ARS specifiek voor de primaire markt ontwikkeld is, voorziet § 3 de plicht voor de beheerder om het ARS en het SMP voor de secundaire markt op elkaar af te stemmen. Dit is een van de manieren om de door de gasverordening vooropgestelde verplichting om maximale capaciteit ter beschikking te stellen van de markt te realiseren.
Artikel 75 geeft aan de netgebruiker de mogelijkheid om informatieve en niet-bindende aanvragen in te dienen. Het is belangrijk dit te onderscheiden van de bindende aanvragen daar de beheerder dient te weten waar hij aan toe is teneinde bepaalde diensten voor een beperkte tijd enkel te moeten blokkeren als het een bindende aanvraag betreft.
Artikel 76 voorziet dat de procedure voor registratie en het onderschrijven van diensten perfect gelijktijdig kan gebeuren zo de netgebruiker dit wenst. Gelet op de omvang hiervan, gelden in dit geval telkens de langste termijnen. Afdeling 1.3. - Standaardcontracten voor aardgasvervoer, opslag en LNG Artikel 4.1 van de gasverordening inzake de verplichting tot geharmoniseerde contracten, ligt mee aan de basis van deze afdeling.
Artikel 77 werkt het algemene principe van artikel 15/14, § 2 van de gaswet uit inzake de goedkeuring door de Commissie van de belangrijkste voorwaarden, waarvan de standaardcontracten deel uitmaken krachtens de definitie in artikel 1, 51° van de gaswet.
Doel is ervoor te zorgen dat alle netgebruikers gelijk behandeld worden en aan dezelfde voorwaarden toegang hebben tot het vervoernet en gebruik kunnen maken van vervoersdiensten. De inhoud van de standaardcontracten voor aardgasvervoer, opslag en LNG wordt verder in detail geregeld in hoofdstukken 4, 5 en 6.
Artikel 78 ziet erop toe dat zowel door de Commissie als door de beheerders kan worden ingespeeld op latere marktevoluties en dat zij hiervoor de nodige aanpassingen kunnen voorstellen en doorvoeren aan de standaardcontracten.
Artikel 79 vormt de noodzakelijke aanvulling op het standaardcontract dat als kader (ofte raam-)overeenkomst dient en de algemene regels bevat die van toepassing zijn op alle partijen die dergelijk standaardcontract ondertekenen. Elk dienstenformulier bevat dan de beschrijving van de respectieve onderschreven vervoersdienst.
Artikel 80 regelt het principe dat de beheerder de vrije verhandeling van onderschreven vervoersdiensten niet mag hinderen of afhankelijk stellen van onredelijke voorwaarden, teneinde discriminatie en belemmering van de marktwerking te vermijden. Afhankelijk van het type overdracht gelden er min of meer strikte regels, waarbij het criterium van al dan niet bevrijding van de overdrager bepalend is. Afdeling 1.4. - Dienstenprogramma's Het dienstenprogramma vervangt in grote mate het indicatief vervoersprogramma uit de vorige gedragscode. Het vertegenwoordigt een soort catalogus van de vervoersdiensten die de beheerders aanbieden en biedt een overzicht van wat deze precies behelzen. Dit sluit aan bij de transparantie-eisen die in artikel 6.3 van de gasverordening opgelegd worden.
Artikel 81 zet de algemene verplichting uiteen voor elk van de beheerders om in een dienstenprogramma de door hen aangeboden diensten te omschrijven. De beheerder van het aardgasvervoersnet stelt een aardgasvervoersprogramma op, de beheerder van de opslaginstallatie een opslagprogramma en de beheerder van de LNG-terminal een terminalprogramma. Meer gedetailleerde regels ter zake worden aangegeven in hoofdstukken 4, 5 en 6 van onderhavig koninklijk besluit.
Artikel 82 voorziet net zoals voor het vroegere indicatief vervoersprogramma, de goedkeuring van de dienstenprogramma's door de Commissie. Het dienstenprogramma geldt voor de regulatoire periode.
Het is de bedoeling dat de indiening ervan simultaan met de indiening van het meerjarentariefvoorstel van de beheerder verloopt. Tijdens de regulatoire periode zijn nieuwe tarieven nodig in geval van nieuwe vervoersdiensten en aangepaste tarieven in geval van de aanpassing van bestaande vervoersdiensten. Afdeling 1.5. - Verplichtingen gebruikers De reeks algemene verplichtingen die hierin aan de gebruikers worden opgelegd met betrekking tot de netwerkintegriteit sluiten aan bij de verplichtingen van de beheerders teneinde het systeem sluitend te maken en de optimale werking ervan te garanderen.
Artikel 83
§§ 1 en 2 bevatten regels voor de te onderschrijven vervoersdiensten. Onrechtstreeks legt dit ook aan de gebruiker het verbod op om meer capaciteit te onderschrijven dan nodig met als doel om hoarding van capaciteit te vermijden Aangezien het onderschrijven van capaciteit vertrekt vanuit bepaalde assumpties en geen exacte wetenschap is, voorziet § 3 de plicht om basisflexibiliteitsdiensten te onderschrijven.
Artikel 84 voorziet het naleven van de druk- en kwaliteitseisen in hoofde van de gebruikers dat essentieel is om de netwerkintegriteit te verzekeren.
Artikel 85 legt de gebruikers de primaire balanceringsplicht op.
Hiertoe dienen de gebruikers zich te houden aan de in hoofdstukken 4, 5 en 6 ter zake gestelde regels.
Artikel 86 bevat een verbod om bewust onevenwichten te creëren, wat gebruikers die de markt zouden willen verstoren om zichzelf een concurrentieel voordeel te verschaffen of de concurrentie te schaden, op andere gedachten moet brengen.
Teneinde de gebruikers ertoe aan te zetten deze verplichtingen na te leven, worden er tarieftoeslagen aangerekend wanneer ze deze regels overtreden. Afdeling 1.6. - Principes inzake facturatie Deze afdeling voert artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 8° uit.
Artikel 87 verduidelijkt welke informatie de beheerders verplicht moeten opnemen in de facturen die ze aan de netgebruikers uitschrijven, en deze laatste zodoende het nodige overzicht te verschaffen en in staat te stellen om te controleren of en in welke mate de beheerders hun plichten zijn nagekomen.
Artikel 88 ligt in het verlengde van artikel 87.
Artikel 89 legt beide partijen informatieverplichtingen op teneinde deze afdeling werkzaam te maken. Dit wordt voor elke beheerder en netgebruiker verder uitgewerkt in de meer specifieke bepalingen van hoofdstukken 4, 5 en 6.
Artikel 90 is een toepassing van artikel 4.3 van de gasverordening dat bepaalt dat passende garanties gevraagd mogen worden inzake de kredietwaardigheid van de gebruikers juncto het niet-discriminatie beginsel vervat in artikel 15/5undecies, § 1, tweede lid, 5° en artikel 15/1, § 1, 5° van de gaswet. Afdeling 2. - Toegang tot het aardgasvervoersnet voor afnemers Er worden twee soorten afnemers onderscheiden met name de eindafnemer en de distributienetbeheerder. In deze afdeling wordt voor de aansluitingen op het aardgasvervoersnet van elk van deze twee categorieën afnemers een gedetailleerde regeling voorzien. Aangezien de aansluiting op het aardgasvervoersnet een conditio sine qua non uitmaakt voor de toegang tot het aardgasvervoersnet door de afnemers, vormt dit het laatste sluitstuk om de relaties te regelen tussen de beheerder van het aardgasvervoersnet en alle bij het aardgasvervoer betrokken partijen. Afdeling 2.1. - Aansluitingsprocedure
Afdeling 2.1.1. - Eindafnemer
Artikel 91 bepaalt vooreerst het toepassingsgebied van deze onderafdeling. Onverminderd de gaswet, worden hier de basisverplichtingen geregeld die gelden in hoofde van de beheerder van het aardgasvervoersnet ten aanzien van eindafnemers met een jaarlijks verbruik van minstens één miljoen m3. De beheerder is ertoe gehouden een voorstel van aansluiting op te stellen alsook desgevallend een voorstel van wijziging van bestaande aansluitingen. § 5 bepaalt de criteria waarmee de beheerder van het aardgasvervoersnet rekening moet houden bij het opstellen van het voorstel voor aansluiting of het voorstel tot wijziging ervan.
Artikel 92 stimuleert de transparantie door de beheerder te verplichten om een aansluitingsprocedure op te stellen alsook tot wijziging ervan. Afdeling 2.1.2. - Distributienetbeheerder (DNB) De relatie tussen de beheerder van het aardgasvervoersnet en de distributienetbeheerder wordt eveneens geregeld door de regionale wetgeving. In het licht hiervan moeten ten aanzien van de distributienetbeheerder slechts enkele specifieke elementen hernomen worden.
Artikel 93 geeft de distributienetbeheerder bepaalde prerogatieven om aan de beheerder van het aardgasvervoersnet te vragen om te worden aangesloten op het aardgasvervoersnet.
Artikel 94, § 3 legt een derde criterium op aan de beheerder voor de beoordeling van een aanvraag door de distributienetbeheerder, bovenop de criteria die in artikel 91, § 5 hernomen zijn ten aanzien van de eindafnemer. De beheerder moet in elk geval ook rekening houden met de invloed van het investeringsproject op de gereguleerde tarieven die van toepassing zijn op de vervoersdiensten. Afdeling 2.2. - Standaard (DNB-) aansluitingscontract
Afdeling 2.2.1. - Standaard aansluitingscontract
Artikel 96 voert een standaard aansluitingscontract (standaardcontract voor de toegang van de eindafnemer tot het aardgasvervoersnet) in dat door de Commissie moet worden goedgekeurd.
Artikel 97 voorziet dat de beheerder van het aardgasvervoersnet op het aansluitingspunt aardgas ter beschikking moet stellen dat voldoet aan de in het aansluitingscontract vermelde eisen inzake maximale capaciteit, druk en kwaliteit, behalve wanneer hij met toepassing van de gaswet en/of het aansluitingscontract gerechtigd is de gastoevoer te reduceren of te onderbreken.
Artikel 98 verduidelijkt dat de eindafnemer niet verplicht is voortdurend aardgas af te nemen om zijn aansluitingscontract te behouden. Indien hij geen aardgas afneemt, blijven niettemin de toepasselijke regelgeving en de bepalingen van het aansluitingscontract van toepassing gelet op de fysische connectie die tussen hun installaties blijft bestaan.
Artikel 99 verduidelijkt een aantal plichten voor de eindafnemer als tegenhanger voor de plichten van de beheerder. Ultieme doel is de veilige en efficiënte werking van het vervoernet en de systeemintegriteit. De verplichting tot samenwerking inzake vergunningen vloeit voort uit de speciale band tussen de partijen doordat hun eigendommen fysisch met elkaar verbonden zijn.
Artikel 100 voorziet het algemene prerogatief van de beheerder om het aardgasvervoer naar de installatie van de afnemer effectief af te sluiten ingeval dit vereist is om de netwerkintegriteit te verzekeren of te herstellen.
Artikel 101 bevat de essentiële verplichting voor de eindafnemer om het aardgasvervoer te regelen of te laten regelen met betrekking tot zijn afname op de site. In de praktijk is het zo dat de eindafnemer het aardgasvervoer geregeld overlaat aan een derde (bevrachter of leverancier die op zijn beurt een bevrachter belast) wegens de professionele kennis ter zake van deze derde.
Artikel 102 legt een algemene verplichting op aan de beheerder om een toewijzingsovereenkomst te sluiten met elke eindafnemer per bevrachter waarop naast de toewijzing van capaciteit de duur van deze overeenkomst wordt aangegeven. Deze informatie interesseert de eindafnemer, aangezien hij daaruit kan afleiden dat minstens tot die einddatum afnamecapaciteit voor hem werd onderschreven op het afnamepunt. § 2 juncto artikel 104 bepalen dat de eindafnemer zijn aardgasafname moet staken indien geen aardgasvervoersdienst voor afnamecapaciteit voor of door hem werd onderschreven. § 2 voorziet in een verwittigingsplicht voor de beheerder van het aardgasvervoersnet ten aanzien van de eindafnemer indien het einde van de in uitvoering zijnde vervoersdienst voor afnamecapaciteit nadert en geen nieuwe vervoersdienst voor afnamecapaciteit voor de toekomstige afname van de betrokken eindafnemer werd onderschreven voor of door de eindafnemer. Aangezien de eindafnemer vaak zelf geen partij is bij het vervoerscontract, voorziet de gedragscode in mechanismen (waaronder artikelen 102 en 235) om de eindafnemer toe te laten op de hoogte te zijn van het bestaan van een vervoerscontract m.b.t. zijn afname.
Artikel 103 juncto artikel 104 voorzien in een systeem van verwittiging van de eindafnemer door de beheerder indien de vervoersdienst voor afnamecapaciteit met betrekking tot zijn aardgasafname wordt opgezegd/opgeschort door de bevrachter. De eindafnemer moet na verloop van een redelijke termijn zijn aardgasafname staken. Uit zorg voor de systeemintegriteit en het netevenwicht kan niet worden gedoogd dat eindafnemers aardgas afnemen indien geen afnamecapaciteit werd gereserveerd bij de beheerder van het aardgasvervoersnet. De eindafnemer wordt hiermee geenszins verantwoordelijk voor het onvoldoende onderschrijven van vervoersdiensten. Dit blijft de integrale verantwoordelijkheid van de bevrachter (die in sommige gevallen wel de eindafnemer kan zijn).
Een uitzondering op dit verbod geldt wanneer de beheerder de eindafnemer hiertoe tijdelijk de toelating geeft, wat enkel mogelijk zal zijn als er geen gevaar bestaat voor de netwerkintegriteit. Daar het een uitzondering betreft, moet ze strikt worden toegepast en geïnterpreteerd. Afdeling 2.2.2. - Standaard DNB-aansluitingscontract Artikel 105 voorziet in het opstellen door de beheerder van het aardgasvervoersnet van een standaard DNB-aansluitingscontract dat de rechten en plichten bevat m.b.t. de toegang van de distributienetbeheerder tot het aardgasvervoersnet. Dit standaardcontract is eveneens onderworpen aan de goedkeuring van de CREG. Afdeling 3. - Kennisgevingen, inwerkingtreding van goedgekeurde standaardcontracten, toegangsreglementen, dienstenprogramma's en wijzigingen ervan en raadpleging netgebruikers Artikel 107 moet ervoor zorgen dat de beheerders de door de Commissie goedgekeurde documenten effectief toepassen en kent daarom het prerogatief toe aan de Commissie om in haar beslissing tot goedkeuring de datum van inwerkingtreding te bepalen. Voorts worden de beheerders verplicht om de goedgekeurde documenten onverwijld bekend te maken op hun website teneinde de marktspelers op transparante wijze in kennis te stellen van hun rechten en plichten ten aanzien van de beheerders.
Artikel 108 verplicht de beheerders om de netgebruikers te raadplegen alvorens de voorstellen van standaardcontracten, dienstenprogramma's, toegangsreglementen en wijzigingen ervan op te stellen. Dit komt neer op de oprichting van een overlegstructuur voor de aardgassector op grond van richtsnoer 1.3 in de bijlage bij de gasverordening, naar analogie met de User's Group die sedert geruime tijd bestaat in de elektriciteitssector, in uitvoering van het federaal technisch reglement en binnen dewelke overleg wordt gepleegd over de materies die de marktoperatoren aanbelangen. Eenzelfde informele structuur, de Hub Focus Group en het Hub Forum, werd in het leven geroepen door de leverancier van de hubdiensten voor overleg met de hubgebruikers.
DEEL 2. - Specifieke bepalingen Tenzij anders aangegeven, moeten hoofdstukken, afdelingen en artikelen waarnaar in dit verslag verwezen wordt, begrepen worden als hoofdstukken, afdelingen en artikelen van onderhavig koninklijk besluit. HOOFDSTUK 4. - Aardgasvervoer Dit hoofdstuk werkt de bepalingen van « Deel 1 - Algemene bepalingen » verder uit en past deze specifiek toe op aardgasvervoer. Teneinde dit verslag niet nodeloos te verzwaren, worden de daarin besproken wettelijke grondslagen hier niet herhaald maar als impliciet hernomen beschouwd. Waar nodig, zullen bijkomende wettelijke bepalingen besproken worden. Afdeling 1. - Standaard aardgasvervoerscontracten Artikel 109 past de algemene principes en bepalingen van artikel 2 en hoofdstuk 3, afdeling 1.3 toe op aardgasvervoer en somt de 20 elementen op die het standaard aardgasvervoerscontract minstens moet bevatten. Deze stemmen overeen met de bepalingen die in de praktijk in dergelijke contracten gewoonlijk voorkomen.
Artikel 110 geeft de beheerder van het aardgasvervoersnet de mogelijkheid om voor doorvoer een standaard aardgasvervoerscontract te voorzien dat verschilt van dat voor binnenlands vervoer, onder de strikte voorwaarde dat dit nuttig of nodig is om rekening te houden met de operationele verschillen tussen beide soorten aardgasvervoer.
Dergelijk afzonderlijk standaard aardgasvervoerscontract voor doorvoer mag evenwel geen enkele relevante verplichting uit onderhavig koninklijk besluit uitsluiten en moet bovendien conform zijn met de gaswet en de gasverordening. Ook is de beheerder ertoe gehouden deze aparte aardgasvervoerscontracten zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen en maximale synergieën na te streven. De Commissie ziet hierop toe via de goedkeuring van elk van de afzonderlijke voorstellen van standaard aardgasvervoerscontract, met toepassing van artikel 15/14, § 2, tweede lid, 6°, van de gaswet en hoofdstuk 3, afdeling 1.3. Afdeling 2. - Toegangsreglement voor aardgasvervoer Artikel 111 vult specifiek voor aardgasvervoer de regels van artikel 29 aan met 9 punten van operationele regels die de beheerder van het aardgasvervoersnet in zijn voorstel van toegangsreglement voor aardgasvervoer moet uitwerken en laten goedkeuren door de Commissie. Afdeling 3. - Aardgasvervoersprogramma Artikel 112 past artikelen 2, 81 en 82 toe en regelt de inhoud van het dienstenprogramma voor aardgasvervoer. Teneinde de dienstenprogramma's van elkaar te kunnen onderscheiden, werd hieraan per activiteit telkens een andere naam gegeven en voor aardgasvervoer spreekt men van het aardgasvervoersprogramma.
Het aardgasvervoersprogramma moet opgevat worden als een catalogus naar de netgebruikers toe. Hierin zet de beheerder van het aardgasvervoersnet het aardgasvervoersmodel uiteen en geeft hij een overzicht van alle aardgasvervoersdiensten die hij op basis hiervan aanbiedt. De facto maakt artikel 112, 6°, een samenvatting uit van de essentiële bepalingen uit het toegangsreglement voor aardgasvervoer.
Doel is een gebruiksvriendelijke beschrijving te geven van een aantal belangrijke regels inzake toegang zodat de netgebruiker zich op eenvoudige wijze een goed beeld zou kunnen vormen van de werking van en de toegang tot het aardgasvervoersnet. De Commissie ziet toe op de naleving hiervan via het voorstel dat haar ter goedkeuring wordt voorgelegd door de beheerder van het aardgasvervoersnet.
Artikel 113 verplicht de beheerder van het aardgasvervoersnet om zijn aardgasvervoermodel zo te ontwerpen en het, via de nodige wijzigingen en investeringen, te laten evolueren teneinde een maximale synergie tussen binnenlands vervoer en doorvoer te bereiken, een onafhankelijke reservatie van vervoersdiensten op ingangs- en afnamepunten te realiseren en het gebruik van één balanceringszone te bewerkstelligen naast het bevorderen van de liquiditeit zowel voor wat betreft vervoersdienten (secundaire markt) als voor wat betreft de aardgasmarkt. Afdeling 4. - Rechten en plichten van de beheerder van het aardgasvervoersnet Afdeling 4.1. - Algemeen De beheerder staat in voor het netevenwicht, de veilige en betrouwbare werking van het aardgasvervoersnet en de handhaving van de systeemintegriteit. De beheerder investeert daartoe in voldoende balanceermiddelen die hij als basisflexibiliteitsdiensten aanbiedt aan de netgebruikers. De beheerder beheert het aardgasvervoersnet rekening houdend met en gebruik makend van mogelijkheden die de interoperabiliteit op nationaal en internationaal niveau bieden. Alle marktspelers hebben tijdens de consultatierondes georganiseerd door de Commissie het uitzonderlijk belang hiervan onderstreept voor de vrijmaking van de energiemarkt en de gasmarkt in het bijzonder.
Interoperabiliteit is van belang zowel voor wat betreft het aanbod van vervoersdiensten, aardgaskwaliteit, balanceerregimes als communicatie en uitwisseling van meetgegevens op de interconnectiepunten. Afdeling 4.1.1. - Investeringsplanning In deze afdeling worden de artikelen 30 en 31 in meer detail uitgewerkt.
Artikel 114 legt de beheerder van het aardgasvervoersnet op om te zorgen voor voldoende vervoerscapaciteit, basisflexibiliteit, reserve ingangscapaciteit en middelen voor de balancering van zijn aardgasvervoersnet. Hij doet dit op basis van afnamevooruitzichten en scenario's voor gebruik op de ingangspunten gebruik makend van informatie afkomstig van de gebruikers, distributienetbeheerders en eindafnemers en realiseert hierbij maximale synergie tussen investeringen voor binnenlands vervoer en doorvoer.
Artikel 115 ligt in het verlengde van de overlegstructuur ingevoerd door artikel 108. De eindafnemers en bevrachters moeten aan de beheerder van het aardgasvervoersnet hun respectievelijke behoeften inzake levering en capaciteit voor binnenlands vervoer meedelen, de DNB's hun investeringsplannen. Op basis hiervan werkt de beheerder van het aardgasvervoersnet een zo optimaal mogelijk aanbod uit van vervoerscapaciteit voor binnenlands vervoer.
Artikel 116 belast de beheerder met het permanent opvolgen van de nationale capaciteitsbalans en verplicht hem zoveel mogelijk te anticiperen of te reageren zo zich hierop een onevenwicht voordoet of dreigt voor te doen, in welk geval hij eventueel bijkomende investeringen moet inschrijven in zijn investeringsplan met toepassing van de voorziene procedures.
Artikel 117 regelt de invulling van de in artikel 113 voorziene evolutie van het aardgasvervoersmodel en de synergie tussen binnenlands vervoer en doorvoer. Wanneer hij investeert in doorvoercapaciteit moet de beheerder van het aardgasvervoersnet er steeds voor zorgen dat dergelijke investeringen een minimale bijdrage leveren aan het binnenlands vervoer via het cumulatief vervullen van de volgende voorwaarden 1) het voorzien van een fysische interconnectie tussen de infrastructuur voor doorvoer en voor binnenlands vervoer, 2) de investering in vervoerscapaciteit voor doorvoer dermate concipiëren dat zij geen beperkingen inhoudt inzake het operationeel en/of commercieel beheer van het aardgasvervoersnet en 3) de investering in vervoerscapaciteit voor doorvoer dermate concipiëren dat ze geen belemmeringen inhoudt voor bevrachters om in België gevestigde afnemers te bevoorraden. Afdeling 4.1.2. - Investeren in balanceermiddelen In deze afdeling worden onder andere de ERGEG-richtlijnen inzake balancering verwerkt. (4) Artikel 118 verplicht de beheerder van het aardgasvervoersnet om zowel voor zijn eigen verplichtingen inzake balancering als deze van de bevrachters voldoende balanceermiddelen te voorzien en zo te helpen bij de naleving van deze wederkerige verplichtingen en zodoende de in hoofdstuk 2, afdeling 2.2 vooropgestelde systeemintegriteit en het netevenwicht effectief te bereiken.
Artikel 119 verduidelijkt het technische criterium aan de hand waarvan de beheerder van het aardgasvervoersnet de balanceermiddelen moet ontwerpen teneinde zo goed mogelijk de werkelijke situatie van het aardgasvervoersnet te kunnen opvangen. Gelet op de evolutie waaraan het aardgasvervoersnet onderhevig is, moeten deze middelen hernomen worden in het investeringsplan voorzien in artikel 5.
Artikel 120 vult artikel 118 aan en voorziet de mogelijkheid voor de beheerder om bijkomende balanceermiddelen aan te bieden wanneer de begrote balanceermiddelen ontoereikend zijn. Hiertoe kan hij, zoals bepaald in artikel 34, bijstandscontracten afsluiten met netgebruikers die dan een bepaalde hoeveelheid aardgas leveren aan het aardgasvervoersnet gedurende een bepaalde periode. Dit valt binnen de in artikel 37 voorziene uitzonderingen op de algemene regel die de beheerder verbiedt om aardgas te kopen en te verkopen. De beheerder moet zijn voorstellen ter zake op voorhand laten goedkeuren door de Commissie en haar nadien de bijstandscontracten meedelen zodat zij toezicht kan houden op de concrete toepassing ervan. Afdeling 4.1.3. - Reserve-ingangscapaciteit Deze afdeling ligt in het verlengde van artikel 5.1 van de gasverordening en beoogt de optimale exploitatie van de (per definitie beperkte) mogelijkheden van het aardgasvervoersnet door de beheerder van het aardgasvervoersnet te verplichten extra flexibiliteitsmiddelen te voorzien.
Artikelen 121 tot en met 123 bepalen dat de beheerder van het aardgasvervoersnet informatie met betrekking tot de investeringen in reservecapaciteit in het investeringsplan opneemt. Tenslotte is de beheerder van het aardgasvervoersnet verplicht om deze extra capaciteit niet alleen te ontwikkelen maar ook voor effectief gebruik aan te bieden aan de marktspelers. Afdeling 4.1.4. - Netvermazing Artikel 124 verplicht de beheerder van het aardgasvervoersnet om te investeren in de verdere vertakking en uitbreiding van het aardgasvervoersnet teneinde zoals opgelegd door artikel 113, § 1, 2° en 3°, het aantal balanceringszones te beperken en op termijn naar een entry-exit systeem te evolueren. Afdeling 4.2. - Netbeheer Hier worden de principes van hoofdstuk 2, afdeling 2 verder uitgewerkt ten aanzien van de beheerder van het aardgasvervoersnet. De veilige en efficiënte werking en de systeemintegriteit van het aardgasvervoersnet waarvoor de beheerder van het aardgasvervoersnet verantwoordelijk is, wordt bemoeilijkt doordat men bijna altijd kan uitgaan van een verschil tussen de door de bevrachters geïnjecteerde aardgasvolumes op de ingangspunten en de door hun afnemers afgenomen hoeveelheden op de afnamepunten. De bevrachters beschikken over eigen flexibiliteitsmiddelen die evenwel niet altijd toereikend zijn (zowel in volume als wat betreft de reactiesnelheid) om onevenwichten op te vangen. Om dit tekort aan flexibiliteit op te vangen, biedt de beheerder van het aardgasvervoersnet aan de bevrachters basisflexibiliteitsdiensten aan zodat ze binnen bepaalde tolerantiewaarden zouden kunnen afwijken van het energie-evenwicht binnen en/of op het einde van de balanceringsperiode.
Artikel 125 zet de algemene principes voorop die ter zake gelden in normale operationele omstandigheden, wanneer het netevenwicht en de systeemintegriteit bereikt zijn.
Artikelen 126 en 127 sporen de beheerder van het aardgasvervoersnet aan al het redelijke te doen om zoveel mogelijk vaste aardgasvervoersdiensten aan te bieden, zodat de inhoud ervan en het nut voor de bevrachters verhoogd wordt. Hierin kunnen naast operationele akkoorden en overboeking, de secundaire markt, geregeld in hoofdstuk 2, afdeling 1.5 een belangrijke rol spelen.
Artikelen 128 en 129 verplichten de beheerder van het aardgasvervoersnet om een onderscheid te maken tussen basisflexibiliteit en capaciteit en voor de basisflexibiliteit specifieke toewijzingsregels op te stellen die rekening houden met de verbruiksprofielen van de eindafnemers die bevoorraad worden door de bevrachters.
Artikel 130 geeft aan de beheerder van het aardgasvervoersnet het prerogatief om het balanceringsmodel te bepalen. Dit moet uiteraard aangepast zijn aan het eigen karakter van zijn aardgasvervoersnet en aansluiten bij het door hem ontwikkelde vervoersmodel dat zoveel mogelijk rekening houdt met de vraag van de markt.
Artikel 131 verplicht zowel de beheerder van het aardgasvervoersnet als de bevrachters een proactieve rol te spelen in de opvolging van de injectie- en afnamepatronen. Zij zijn dienaangaande gehouden om de nodige informatie te vergaren om tijdig en doeltreffend in te grijpen.
Artikel 132 bepaalt wanneer de beheerder van het aardgasvervoersnet de aardgasvervoersdiensten mag onderbreken of reduceren. Het prerogatief van de beheerder van het aardgasvervoersnet om zijn aardgasvervoersdiensten te reduceren of te onderbreken is aan strikte voorwaarden en procedures onderworpen en mag slechts het laatste redmiddel zijn wanneer de betrokken bevrachter(s) en de door hen bevoorrade afnemer(s) geen gevolg geven aan de verwittiging en ingebrekestelling van de beheerder om bepaalde maatregelen uit te voeren om het netevenwicht te herstellen. De beheerder van het aardgasvervoersnet verschaft daartoe de nodige informatie aan de bevrachters en zal conform artikel 152, § 3, de bevrachters informeren van zodra het netonevenwicht van die aard is dat de systeemintegriteit in het gedrang komt. Bovendien wordt er de bevrachters, conform artikel 86, § 2, gereguleerde toeslagen aangerekend op de gereguleerde tarieven, op basis van de daartoe in het vervoerscontract voorziene modaliteiten, om te vermijden dat ze in de verleiding zouden komen om voor puur commerciële redenen in onevenwicht te gaan.
Zo het onevenwicht hierna nog steeds niet opgevangen is, schakelt de beheerder van het aardgasvervoersnet over op het plan voor incidentenbeheer, zoals bepaald in afdeling 4.3 van dit hoofdstuk.
Artikel 133 verplicht de beheerder van het aardgasvervoersnet om in overleg met de naburige beheerders een zorgsysteem te ontwikkelen dat waakt over de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de werking van zijn vervoersnet en de geleverde aardgasvervoersdiensten. Dit ligt in het verlengde van artikel 2, § 1, 1° inzake de planning en uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden. Afdeling 4.3. - Incidentenbeheer en noodsituaties
Afdeling 4.3.1. - Incidentenbeheer
Artikel 134 legt de verplichting op aan de beheerder van het aardgasvervoersnet om een plan inzake incidentenbeheer in het toegangsreglement op te nemen, na overleg met alle relevante instanties en marktpartijen en onder toezicht van en goedkeuring door de Commissie.
Het plan moet zo flexibel mogelijk zijn en een maximum effect nastreven met een minimale impact op de vervoersdiensten. Het mag ook enkel aangewend worden om echte incidenten te bestrijden en moet dus op niet-discriminerende en transparante wijze toegepast worden. Het moet tevens een heropbouwplan bevatten dat na het oplossen van het incident de overgang naar normale exploitatie begeleidt.
Met toepassing van artikel 135 stelt de beheerder van het aardgasvervoersnet op een kostefficiënte manier een portefeuille van middelen samen die hij zal aanwenden voor het incidentenbeheer. In geval van incident op het aardgasvervoersnet is het oplossen hiervan prioritair. De beheerder van het aardgasvervoersnet moet zich terdege voorbereiden en de middelen die hij hiertoe zal aanwenden zoveel als mogelijk ter beschikking stellen van de markt op onderbreekbare basis..
Artikel 136 regelt het afschakelen van eindafnemers door de beheerder van het aardgasvervoersnet als ultieme redmiddel om een incident op te vangen. De procedures hiervoor moeten in detail geregeld worden en zo strikt en omzichtig mogelijk worden toegepast op een niet-discriminerende en pro-rata basis.
Artikel 137 bepaalt dat de beheerder van het aardgasvervoersnet het plan voor incidentenbeheer moet inschakelen van zodra hij over informatie beschikt op basis waarvan hij kan anticiperen dat er zich een incident voordoet of zou kunnen voordoen. Tevens moet hij hierover de Commissie en alle netgebruikers omstandig inlichten en zal hij onderbrekingen en/of reducties doorvoeren overeenkomstig de daartoe voorziene procedures in het afschakelplan.
Artikelen 138, 139 en 140 voorzien de plichten van de bevrachters en de maatregelen die zij zelf en ten aanzien van hun afnemers moeten nemen ingeval er zich incident voordoet.
Artikel 141 voorziet dat tijdens een incident bevrachters voor hun binnenlands vervoer kunnen nomineren naar andere ingangspunten zonder daartoe eerst capaciteit te moeten onderschrijven. Dit is nodig om in geval van incident niet nodeloos tijd te verliezen.
Artikel 142 regelt het in artikel 134 voorziene heropbouwplan dat inwerking moet treden na de beheersing van een incident. Dit moet duidelijke, transparante en niet-discriminatoire procedures bevatten. Afdeling 4.3.2. - Noodsituaties Artikel 143 voorziet dat wanneer hij een noodsituatie anticipeert, op basis van elementen waarover hij beschikt, of zo er zich effectief een noodsituatie voordoet, de beheerder van het aardgasvervoersnet over verregaande prerogatieven beschikt om krachtdadig op te treden teneinde de netwerkintegriteit te kunnen herstellen. Er wordt hierbij expliciet maar zonder beperking verwezen naar het afschakelplan vervat in het plan voor incidentenbeheer, met de nodige flexibiliteit om de maatregelen te wijzigen in functie van de noden.
Artikel 144 omschrijft op exhaustieve wijze de situaties die het optreden van de beheerder krachtens artikel 143 verantwoorden en waartoe dergelijke drastische interventie beperkt moet worden. In artikel 144, 2, worden de situaties bedoeld die hoewel ze geen overmacht uitmaken (doch daar nauw bij aansluiten) zo uitzonderlijk en ernstig zijn dat ze een dringend en gericht optreden van de beheerder vereisen om de veilige en betrouwbare werking van het aardgasvervoersnet of de openbare veiligheid te vrijwaren of te herstellen.
Artikel 145 regelt de informatieplicht die de beheerder van het aardgasvervoersnet heeft ten aanzien van de Commissie en de netgebruikers ingeval van een noodsituatie.
Artikel 146 verwijst naar de regeling voorzien in artikel 23 van de gaswet en impliceert dat met deze maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan de bevoegdheid voor de Koning om, via een in Ministerraad overlegd besluit, beschermingsmaatregelen te nemen onder meer in geval van dreigende crisis of van plotse crisis op de energiemarkt, die zelfs tijdelijke afwijkingen van de gaswet kunnen inhouden. Afdeling 4.4. - Informatie verschaffen aan de netgebruikers De verdere modaliteiten van de informatieplicht van de beheerder van het aardgasvervoersnet vastgelegd in hoofdstuk 2, afdeling 2, worden hier uitgewerkt.
Artikel 147 beschrijft welke informatie de beheerder aan alle stakeholders via elektronische weg kenbaar moet maken inzake de aardgasvervoersdiensten die hij aanbiedt. Het gebruik van de website zorgt voor een snelle en efficiënte communicatie ervan en garandeert dat alle netgebruikers op transparante wijze en tezelfdertijd over dezelfde informatie kunnen beschikken. Het elektronisch instrument voor simulaties dat hij krachtens § 5 moet voorzien geeft de netgebruikers de mogelijkheid om concreet na te gaan welk prijskaartje er hangt aan de vervoersdiensten die ze overwegen te onderschrijven bij de beheerder.
Artikel 148 bepaalt welke informatie de beheerder van het aardgasvervoersnet moet meedelen inzake de relevante punten die hij krachtens artikel 6.3 van de gasverordening en onder toezicht van de Commissie moet bepalen, de draagwijdte van bedoelde informatie en de plicht tot actualisering ervan op voortschrijdende basis.
Artikel 149 moet ervoor zorgen dat de netgebruikers alle relevante en pertinente informatie krijgen van de beheerder van het aardgasvervoersnet inzake de beschikbaarheid van kortetermijndiensten.
De verplichting tot publicatie van de geaggregeerde nominaties moet de netgebruikers de nodige informatie verschaffen om het werkelijke gebruik van de vervoersdiensten op elk relevant punt in te schatten.
Deze informatie geeft eveneens een goede indicatie van het risico op congestie en/of onderbreking van de onderbreekbare vervoersdiensten.
Zodoende kunnen de netgebruikers hun portfolio optimaal beheren en inspelen op de evolutie van de markt en de opportuniteiten die zich hierop aanbieden, wat uiteindelijk leidt tot een betere marktwerking en dus een liquide(re) markt.
Artikel 150 regelt de plichten van de beheerder van het aardgasvervoersnet inzake het verschaffen van historische informatie, die relevant is voor nieuwe (net)gebruikers.
Artikel 151 bevat de verplichtingen inzake het plannen van en berichten over onderhoudswerkzaamheden door de beheerder van het aardgasvervoersnet, en ligt in het verlengde van artikel 133.
Artikel 152 verwijst naar het aardgasvervoerscontract en de informatie die in het kader van de toepassing ervan verschaft moet worden. De bevrachters moeten de nodige informatie krijgen om hun vervoersdiensten te kunnen gebruiken overeenkomstig hun reglementaire en contractuele verplichtingen (b.v. inzake netevenwicht en balancering). Afdeling 4.5. - Nominaties en hernominaties Deze afdeling geeft een aantal principiële regels aan die verder uitgewerkt worden in het toegangsreglement voor aardgasvervoer. Deze weerspiegelen de internationale afspraken op dit punt (5).
Artikelen 153 en 154 bepalen de essentiële rol die (her) nominaties spelen in het kader van het beheer van het aardgasvervoersnet, wat verklaart dat de verdere uitwerking ervan voorzien wordt in het toegangsreglement voor aardgasvervoer.
Artikelen 155 en 156 regelen de modaliteiten van de controle die de beheerder van het aardgasvervoersnet uitoefent op de (her)nominaties door de bevrachters en de aftoetsing ervan met de aangrenzende netbeheerders, evenals de uitwisseling van informatie dienaangaande en de plicht tot correctie of aanvulling ervan in hoofde van de bevrachters. Afdeling 4.6. - Toewijzing van aardgas Het in artikel 102, § 1 uiteengezette principe wordt hier verder uitgewerkt.
Artikel 157 regelt de principes voor de toewijzing door de beheerder van het aardgasvervoersnet van de totale aardgasstroom tussen de bevrachters actief op een welbepaald afnamepunt, krachtens de toewijzingsovereenkomsten die hij hiertoe afsluit met de respectieve bevrachters. Om redenen van vertrouwelijkheid wordt er een toewijzingsovereenkomst per bevrachter opgesteld. Op de ingangspunten van het aardgasvervoersnet (doorvoer) wordt de toewijzing met de aangrenzende beheerders vastgelegd in de krachtens artikel 166 voorziene interconnectie-overeenkomst.
Artikel 158 bepaalt dat de toewijzing plaatsvindt aan de hand van de krachtens afdeling 4.7 van dit hoofdstuk uitgevoerde metingen op het aardgasvervoersnet en de afspraken vastgelegd in de toewijzingsovereenkomst.
Artikel 159 verwijst naar de regeling betreffende de interconnectie-overeenkomst hernomen in artikel 166.
Artikel 160 legt de informatieplicht vast inzake de aardgasstromen in hoofde van de beheerder van het aardgasvervoersnet ten aanzien van de bevrachters. Afdeling 4.7. - Metingen op het aardgasvervoersnet De plaatsen waar de beheerder van het aardgasvervoersnet de samenstelling en kwaliteit van het aardgas meet, moeten zodanig worden gekozen dat deze gegevens voor elk afnamepunt eenduidig kunnen worden vastgelegd.
Artikelen 161 en 162 omschrijven de verschillende parameters die het voorwerp uitmaken van de metingen, waarvan aardgaskwaliteit één van de belangrijkste parameters uitmaakt gelet op de rol die hij speelt inzake interoperabiliteit. De beheerder van het aardgasvervoersnet moet zorgen voor de juistheid van de metingen door meetapparatuur te gebruiken die aan bepaalde kwaliteitsnormen beantwoordt. De metingen moeten gevalideerd worden en, last but not least, ter beschikking van de bevrachters worden gesteld.
Artikel 163 legt inzake metingen een reeks verplichtingen op aan de afnemers.
Artikel 164 verduidelijkt artikel 161 en bevat een specifieke toepassing van de metingen namelijk het bepalen van de aardgaskwaliteit die essentieel is voor de integriteit van het aardgasvervoersnet en de installaties van de afnemers alsook de interoperabiliteit.
Artikel 165 geeft aan de bevrachter en/of de afnemer de nodige middelen om de metingen door de beheerder van het aardgasvervoersnet te controleren onder meer door het recht op verificatie en ijking van de apparatuur, volgens de vastgelegde principes. Afdeling 4.8. - Interconnectie-overeenkomst Artikel 166 past de principes van artikel 33 en van hoofdstuk 2, afdeling 2 toe en verwerkt eveneens de relevante elementen uit het overleg aangaande interoperabiliteit op het Madrid Forum. (6) Afdeling 5. - Rechten en plichten van de bevrachter Artikel 167 verplicht de bevrachters om de nodige systemen te voorzien die compatibel zijn met deze van de beheerder van het aardgasvervoersnet, om de uitvoering van het vervoerscontract mogelijk te maken ondermeer op het vlak van uitwisseling van informatie en desgevallend het elektronisch onderschrijven van vervoersdiensten via het ARS. Artikel 168 verplicht de bevrachter tot het stellen van handelingen ten aanzien van de beheerder van het aardgasvervoersnet en van zijn afnemers en tot het ter beschikking stellen aan de beheerder van het aardgasvervoersnet van informatie dienaangaande. HOOFDSTUK 5. - Opslag Dit hoofdstuk werkt de bepalingen van « Deel 1 - Algemene bepalingen » verder uit en past deze specifiek toe op de opslaginstallatie(s) van aardgas. Teneinde dit verslag niet nodeloos te verzwaren, worden de daarin besproken wettelijke grondslagen hier als impliciet hernomen beschouwd. Enkel bijkomende wettelijke bepalingen zullen zonodig besproken worden.
Tevens worden de ERGEG-richtlijnen voor goed beheer van opslaginstallaties door beheerders van opslaginstallaties aardgas verwerkt. (7) De uitwerking van de regels inzake de opslaginstallatie(s) houdt rekening met volgend essentieel element. Ten gevolge van de geologische en/of geografische situatie in België is relatief weinig opslagcapaciteit voorhanden en zijn de mogelijkheden om deze uit te breiden beperkt. Krachtens artikel 15/11, 2° van de gaswet wordt de opslagcapaciteit dan ook prioritair toegewezen aan de leveranciers/afnemers die openbare dienstverplichtingen vervullen, gelet op de hiermee verbonden bijzondere verplichtingen die deze leveranciers/afnemers moeten naleven. Afdeling 1. - Standaard opslagcontract
Artikel 169
§ 1 houdt de toepassing in van de algemene principes en bepalingen van artikel 2 en hoofdstuk 3, afdeling 1.3 op de opslaginstallatie voor aardgas en somt de 19 elementen op die het standaard opslagcontract minstens moet bevatten en die weergeven wat men gebruikelijk terugvindt in dergelijke contracten in de praktijk In § 2 wordt de mogelijkheid gegeven aan de beheerder van het aardgasvervoersnet om een afzonderlijk standaard opslagcontract op te stellen voor elk van zijn opslaginstallaties.
Dergelijk afzonderlijk standaard opslagcontract moet uiteraard alle relevante verplichtingen uit onderhavig koninklijk besluit naleven en conform zijn met de gaswet en de gasverordening. Het kan enkel dienen om de operationele verschillen tussen de verschillende opslaginstallaties beter te vertalen. Afdeling 2. - Toegangsreglement voor opslag Artikel 170 vult specifiek voor opslag de regels van artikel 29 aan met 11 punten van operationele regels die de beheerder van de opslaginstallatie in zijn voorstel van toegangsreglement voor opslag moet uitwerken en laten goedkeuren door de Commissie. Afdeling 3. - Opslagprogramma Artikel 171 regelt het dienstenprogramma waarin de specifieke bepalingen van artikelen 2, 81 en 82 inzake opslag worden uitgewerkt en wordt aangeduid als opslagprogramma.
De beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas stelt voor elke opslaginstallatie een apart opslagprogramma op dat naar de netgebruikers toe als catalogus dient. Dit bevat het opslagmodel en geeft een overzicht van alle opslagdiensten die op basis hiervan aangeboden worden. De facto houdt § 1, 5° een samenvatting in van de sleutelbepalingen uit het toegangsreglement voor opslag. Doel is een gebruiksvriendelijke beschrijving te geven van een aantal belangrijke regels inzake toegang zodat de netgebruiker zich op eenvoudige wijze een goed beeld zou kunnen vormen van de werking van en de toegang tot de opslaginstallaties.
De Commissie ziet toe op de naleving hiervan via het voorstel dat haar ter goedkeuring wordt voorgelegd door de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas. Afdeling 4. - Rechten en plichten van de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas Afdeling 4.1. - Algemeen Artikel 172 legt de verplichtingen vast van de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas om, ondanks de specifieke technische beperking die inzake opslagcapaciteit geldt, zoveel als mogelijk het aanbod aan opslagdiensten met de vraag ernaar te laten overeenstemmen.
Hiertoe moet hij de markt raadplegen, specifieke capaciteitstoewijzingsregels opstellen en met de beheerder van het aardgasvervoersnet, die zijn rechtstreekse buur is aangezien hun installaties op elkaar aangesloten zijn, de in artikel 198 voorziene interconnectie-overeenkomst afsluiten.
Artikel 173 regelt de notie van rekening aardgas op voorraad die de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas moet bijhouden voor elke opslaggebruiker. Dit is specifiek voor een opslaginstallatie die volgens twee seizoenen werkt waarbij hetzij aardgas geïnjecteerd of uitgezonden wordt - de twee kunnen niet tegelijk plaatsvinden in tegenstelling tot het aardgasvervoersnet waar de injectie en afname simultaan plaatsvinden. De opslaggebruiker moet dus eerst aardgas injecteren tijdens het injectieseizoen om tijdens het emissieseizoen aardgas te kunnen uitzenden, ten belope van de geïnjecteerde hoeveelheid min de operationele verliezen. Zijn rekening aardgas op voorraad staat op 100 % na het injectieseizoen en wordt tijdens het emissieseizoen progressief naar 0 % herleid. § 3 geeft aan de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas een krachtig prerogatief om in te grijpen daar het netevenwicht en de systeemintegriteit van dergelijke installatie nog gevoeliger ligt, zodat relatief snel een toestand van incident of noodsituatie kan ontstaan.
Artikel 174 verplicht de beheerder van de opslaginstallatie om de jaarlijkse onderhoudswerken zo te plannen en af te stemmen op de periodes waarin opslaggebruikers en aangrenzende beheerders zelf onderhoudswerken voorzien, teneinde een minimale impact te veroorzaken op de opslagdiensten. Afdeling 4.2. - Incidentenbeheer en noodsituaties De voor de beheerder van de opslaginstallatie en de opslaggebruikers relevante bepalingen van hoofdstuk 4, afdelingen 4.3.1 en 4.3.2 worden hier onder een aangepaste vorm samengevat.
Artikel 175 specificeert de vorm, inhoud en totstandkoming van het plan voor incidentenbeheer.
Artikelen 176 en 177 herhalen de centrale doelstelling van het beheer van de opslaginstallatie namelijk de veilige en efficiënte werking en de systeemintegriteit ervan. Wanneer deze bedreigd worden, heeft de beheerder van de opslaginstallatie de plicht om deze te herstellen door de middelen waarover hij het prerogatief heeft, zoals de onderbreking of reductie, te gebruiken.
Het initiatief voor het inschakelen van het plan voor incidentenbeheer ligt bij de beheerder van de opslaginstallatie. De tijdelijke reductie of onderbreking van de opslagdiensten moet pro rata toegepast worden op alle opslagdiensten zonder onderscheid.
Artikel 178 kent de beheerder van de opslaginstallatie verregaande bevoegdheden toe wat maatregelen betreft om een voorziene of reële noodsituatie op te lossen. Dit kan maar moet niet beperkt blijven tot het inschakelen van het plan voor incidentenbeheer. De beheerder van de opslaginstallatie houdt de Commissie op de hoogte tijdens de uitvoering van de maatregelen en brengt nadien verslag uit over zijn tussenkomst aan de Commissie en de Minister.
Artikelen 179 en 180 behelzen de wederkerige informatieplichten van de beheerder van de opslaginstallatie en de opslaggebruikers. Zo moet de beheerder van de opslaginstallatie de Commissie en de opslaggebruikers meedelen wat de oorzaken, voorziene duur en impact op de opslagdiensten zijn van de reductie of onderbreking van de opslagdiensten met toepassing van artikel 176. De beheerder vermeldt dit in het speciale register dat hij hiervan moet bijhouden.
De opslaggebruikers moeten de beheerder verwittigen indien en zodra ze getroffen worden door een gebeurtenis met mogelijke impact op hun aardgasinjectie in de opslaginstallatie.
Artikel 181 verwijst naar de regeling voorzien in artikel 23 van de gaswet en impliceert dat met deze maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan de bevoegdheid voor de Koning om, via een in Ministerraad overlegd besluit, onder meer in geval van dreigende crisis of van plotse crisis op de energiemarkt beschermingsmaatregelen te nemen, die zelfs tijdelijke afwijkingen van de gaswet kunnen inhouden. Afdeling 4.3. - Informatie verschaffen aan de netgebruikers Artikel 182 regelt de algemene informatie die de beheerder van de opslaginstallatie moet publiceren.
Artikel 183 herneemt, mutatis mutandis, de voorschriften voor publicatie van informatie van artikel 148, aangepast aan de opslaginstallatie.
Artikel 184 bevat een gelijkaardige informatieplicht als deze voorzien in artikel 149, evenwel aan een lagere frequentie gelet op de modus operandi van een opslaginstallatie die verschilt van deze van het aardgasvervoersnet.
Artikel 185 regelt de plichten van de beheerder van de opslaginstallatie voor aardgas qua publiceren van historische informatie. Dit helpt de Commissie om het nodige toezicht uit te oefenen, stelt de bestaande (net)gebruikers in staat om hun vervoersdiensten beter af te stemmen op de mogelijkheden van de opslaginstallatie en nieuwe (net)gebruikers om zich een beeld te vormen over verschillende aan de opslagdiensten gerelateerde aspecten.
Artikel 186 zet de concrete modaliteiten uit voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de opslaginstallatie, in het verlengde van artikel 174.
Artikel 187 verschaft een reglementair karakter aan de plicht van de beheerder van de opslaginstallatie om informatie mee te delen aan de opslaggebruikers in het kader van de uitvoering van het opslagcontract bovenop het contractuele karakter ervan. Krachtens het opslagcontract is de beheerder van de opslaginstallatie hiertoe reeds gehouden. Afdeling 4.4. - Nominaties en hernominaties Artikelen 188 en189 bepalen de essentiële rol die (her) nominaties spelen voor het beheer van de opslaginstallatie hetgeen verklaart waarom de verdere uitwerking ervan voorzien wordt in het toegangsreglement voor opslag.
Artikelen 190 en 191 regelen de modaliteiten van de controle die de beheerder van de opslaginstallatie uitvoert op de (her)nominaties door de opslaggebruikers mede op basis van informatie die hij van de aangrenzende netbeheerders ontvangt, evenals de uitwisseling van informatie dienaangaande en de plicht tot correctie of aanvulling ervan in hoofde van de opslaggebruikers. Afdeling 4.5. - Toewijzing van aardgas Gelet op de wijze waarop een opslaginstallatie opereert, zal het tijdens het injectieseizoen de toewijzing van geïnjecteerd aardgas betreffen en tijdens het emissieseizoen de uitgezonden hoeveelheden aardgas.
Artikel 192 bepaalt het principe dat de toewijzing gebeurt aan de hand van de nominaties en de (meet)gegevens verstrekt door de beheerder van het aardgasvervoersnet. Verdere regeling hiervan moet in het opslagcontract uitgewerkt worden.
Artikel 193 preciseert welke informatie (injectie- of emissiehoeveelheden en status van de rekening gas op voorraad) de beheerder van de opslaginstallatie minimaal aan de opslaggebruikers moet meedelen en onder welke vorm (als bijlage bij de factuur of via elektronisch platform). De mogelijkheid wordt hem geboden om ter zake bijkomende diensten te ontwikkelen en op te nemen in het opslagprogramma, met toepassing van artikel 171. Afdeling 4.6. - Congestiebeheer Artikel 194 past de bepalingen inzake congestiebeheer aan de sui generis situatie waarmee men in België inzake opslagcapaciteit geconfronteerd is, die strikt genomen permanent in een toestand van fysieke congestie verkeert. De in dit artikel voorziene maatregelen moeten ervoor zorgen dat de beperkte opslagcapaciteit en beschikbare opslagdiensten maximaal benut en zoveel mogelijk geoptimaliseerd worden. Afdeling 4.7. - Metingen op de opslaginstallatie voor aardgas Artikel 195 zet de basisverplichting uiteen van de beheerder van de opslaginstallatie ter zake.
Artikel 196 geeft aan de beheerder van de opslaginstallatie het prerogatief om de frequentie van de metingen te bepalen en verplicht hem de metingen te controleren en te valideren.
Artikel 197 herneemt de bepalingen die ter zake gelden voor metingen op het aardgasvervoersnet, gelet op de aansluiting van de opslaginstallatie hierop. Afdeling 4.8. - Interconnectie-overeenkomst Artikel 198 past de principes toe uiteengezet in artikel 33 en hoofdstuk 2, afdeling 2 en voert tevens artikel 172, 4° uit. Tevens werden de relevante elementen uit de discussie aangaande interoperabiliteit op het Madrid Forum verwerkt. (8) Afdeling 5. - Rechten en plichten van de opslaggebruiker De artikelen 199 en 200 leggen bijkomende rechten en plichten op aan de opslaggebruikers inzake het gebruik van hun opslagdiensten. De meer stringente eisen vloeien voort uit het specifieke gegeven dat opslagcapaciteit voor aardgas in België vrij beperkt is. HOOFDSTUK 6. - LNG Dit specifieke hoofdstuk inzake LNG verwerkt vooreerst de ERGEG- richtlijnen ter zake. (9) Dit hoofdstuk werkt de bepalingen van « Deel 1 - Algemene bepalingen » verder uit en past deze specifiek toe op de LNG-installatie. Teneinde dit verslag niet nodeloos te verzwaren, worden de daarin besproken wettelijke grondslagen hier als impliciet hernomen beschouwd. Enkel bijkomende wettelijke bepalingen zullen zonodig besproken worden.
Net zoals het geval is voor opslagcapaciteit, is LNG-capaciteit beperkt wat zorgt voor specifieke regels. Afdeling 1. - Standaard LNG-contract
Artikel 201
§ 1 houdt de toepassing in op de LNG-installatie van de algemene principes en bepalingen van artikel 2 en hoofdstuk 3, afdeling 1.3 en somt de 21 bepalingen op die het standaard LNG-contract minstens moet bevatten. Deze komen overeen met de bepalingen die men in de praktijk gewoonlijk in LNG-contracten terugvindt. § § 2 en 3 geven aan de beheerder van de LNG-installatie de mogelijkheid om afzonderlijke standaard LNG-contracten op te stellen voor de aangegeven LNG-diensten om zo rekening te kunnen houden met de bijzondere kenmerken hiervan. Deze moeten uiteraard alle relevante verplichtingen uit onderhavig koninklijk besluit naleven en conform zijn met de gaswet en de gasverordening. Afdeling 2. - Toegangsreglement voor LNG Artikel 202 vult specifiek voor LNG de regels van artikel 29 aan met 17 punten van operationele regels die de beheerder van de LNG-installatie in zijn voorstel van toegangsreglement voor LNG moet uitwerken en laten goedkeuren door de Commissie. Afdeling 3. - LNG-programma Artikel 203 werkt het dienstenprogramma uit met de specifieke regels die van toepassing zijn op de LNG-activiteit, in uitvoering van artikel 2 en hoofdstuk 3, afdeling 1.4.
De beheerder van de LNG-installatie stelt een LNG-programma op waarin hij het LNG-model uiteenzet en aan de netgebruikers een overzicht geeft van alle LNG-diensten die hij op basis hiervan aanbiedt. De facto houdt artikel 203, 5°, een samenvatting in van de sleutelbepalingen uit het toegangsreglement voor LNG. Doel is een gebruiksvriendelijke beschrijving te geven van een aantal belangrijke regels inzake toegang zodat de netgebruiker zich op eenvoudige wijze een goed beeld zou kunnen vormen van de werking van en de toegang tot de LNG-installatie.
De Commissie ziet toe op de naleving hiervan via het voorstel dat haar ter goedkeuring wordt voorgelegd door de beheerder van de LNG-installatie. Afdeling 4. - Rechten en plichten van de beheerder van het aardgasvervoersnet Afdeling 4.1. - Algemeen Artikel 204 voorziet de richtlijnen voor en de wijze waarop de beheerder van de LNG-installatie zijn aanbod van LNG-diensten moet uitwerken.
Artikel 205 verplicht de beheerder van de LNG-installatie om per terminalgebruiker een rekening gas op voorraad bij te houden, op uurbasis, die van cruciaal belang is voor de werking van de LNG-installatie gelet op de operationele mechanismen die hierbij gelden, zoals uitgewerkt in het toegangsreglement. (10) Artikel 206 geeft de beheerder van de LNG-installatie prerogatieven tot weigering van een LNG-tanker teneinde de systeemintegriteit en het netevenwicht van de LNG-installatie in stand te houden. Dit vloeit voort uit de specifieke manier waarop de LNG-installatie werkt en de constitutieve bestanddelen die de LNG-diensten uitmaken. Het centrale slotmechanisme maakt hierbij de drijvende factor uit. (11) Artikel 207 verplicht de beheerder van de LNG-installatie om de jaarlijkse onderhoudswerken zo te plannen en af te stemmen op de periodes waarin terminalgebruikers en aangrenzende beheerders zelf onderhoudswerken voorzien, teneinde een minimale impact te veroorzaken op de LNG-diensten. Afdeling 4.2. - Incidentenbeheer en noodsituaties Hier kan verwezen worden naar de bespreking van hoofdstuk 5, afdeling 4.2. Gelet op hun vergelijkbare situatie met betrekking tot hun inherente beperking qua beschikbaarheid van capaciteit, bestaan er bepaalde parallellen tussen opslag- en LNG-installaties.
De bespreking van de artikelen 175 tot en met 181 kan met andere woorden, mutatis mutandis voor de specifieke onderdelen die eigen zijn aan de werking van de LNG-installatie en het gebruik van de LNG-diensten, ten aanzien van de artikelen 208 tot en met 214 herhaald worden. Afdeling 4.3. - Informatie verschaffen aan de netgebruikers De bespreking van de artikelen 182 tot en met 187 kan, mutatis mutandis voor de specifieke onderdelen die eigen zijn aan de werking van de LNG-installatie en het gebruik van de LNG-diensten, ten aanzien van de artikelen 215 tot en met 220 herhaald worden. Afdeling 4.4. - Nominaties en hernominaties Artikel 221 stelt de vereiste van nominaties voor de drie constitutieve bestanddelen van de LNG-diensten nl. het lossen van LNG-tankers, de opslag van LNG en de hervergassing en uitzending van aardgas.
Artikel 222 verwijst voor de concrete uitwerking van de procedures inzake (her)nominaties naar het toegangsreglement.
Artikel 223 geeft aan dat de beheerder van de LNG-installatie voor de controle van de nominaties door de terminalgebruikers bepaalde informatie (zie b.v. artikel 230 inzake metingen) van de beheerder van het aardgasvervoersnet nodig heeft. In de verplichte interconnectie-overeenkomst (afdeling 4.8) die beide beheerders moeten afsluiten, worden onder meer de modaliteiten voor dergelijke informatie-uitwisseling geregeld.
Artikel 224 regelt de concrete gevolgen van de controle uitgevoerd krachtens artikel 223. Afdeling 4.5. - Toewijzing van LNG en aardgas Artikel 225 reflecteert de eigenheid en complexiteit van de LNG-installatie. In de verschillende fasen moet de beheerder van de LNG-installatie het LNG of aardgas kunnen toewijzen. Dit verklaart mede waarom de nodige regeling getroffen moet worden in het LNG-contract, waarbij het van groot belang is dat ten aanzien van alle terminalgebruikers dezelfde regels gelden.
Artikel 226 past, mutatis mutandis, artikel 193 toe op de LNG-installatie. Afdeling 4.6. - Congestiebeheer Artikel 227 is onderhevig aan dezelfde commentaar geformuleerd ten aanzien van artikel 194. Afdeling 4.7. - Metingen op de LNG-installatie De bespreking van de artikelen 195 tot en met 197 kan hier, mutatis mutandis wat betreft de specifieke onderdelen die eigen zijn aan LNG-diensten en niet of in een andere vorm voorkomen bij opslagdiensten, ten aanzien van de artikelen 228 tot en met 230 herhaald worden. Afdeling 4.8. - Interconnectie-overeenkomst Artikel 231 past de principes van artikel 33 en van hoofdstuk 2, afdeling 2 toe en verwerkt eveneens de relevante elementen uit de discussie aangaande interoperabiliteit die gevoerd werd op het Madrid Forum. (12) Afdeling 5. - Rechten en plichten van de terminalgebruiker Artikelen 232 en 233 bevatten aanvullende verplichtingen in hoofde van de terminalgebruiker bovenop deze voorzien hoofdstuk 3, afdeling 1.5.
Zo moet hij aangepaste communicatiesystemen voorzien voor uitwisseling van de nodige informatie met de beheerder van de LNG-installatie en wordt de wijze geregeld waarop de terminalgebruiker zijn LNG-diensten mag en moet gebruiken. HOOFDSTUK 7. - Strafbepalingen Artikel 234 legt strafsancties op voor inbreuken op sommige bepalingen. Bovenop het karakter van openbare orde dat voor alle bepalingen van onderhavig koninklijk besluit geldt, zijn de opgesomde bepalingen dermate cruciaal voor een goede marktwerking dat hun niet-naleving eveneens strafrechtelijk dient te worden gesanctioneerd. HOOFDSTUK 8. - Wijzigingsbepalingen Artikel 235 bevat de wijziging van het KB aardgaslevering (13) dat naast de gedragscode eveneens het voorwerp uitmaakt van onderhavig koninklijk besluit. Deze nieuwe bepaling legt de gangbare praktijk vast dat de afnemer zelf in de meerderheid van de gevallen geen vervoersdiensten onderschrijft bij de beheerder van het aardgasvervoersnet maar daartoe opdracht geeft aan zijn leverancier van aardgas.
Voor de toepassing van de hiermee verbonden artikelen 103 en 104 is het essentieel de leveringsonderneming ertoe te verplichten om onverwijld aan de afnemer het bestaan en de duurtijd van de toegewezen vervoersdiensten te bevestigen en, zo de afnemer hierom verzoekt, hem alle andere nuttige informatie te bezorgen met betrekking tot het vervoerscontract dat voor zijn aardgasbehoeften op het afnamepunt werd afgesloten.
Deze verplichtingen worden idealiter in het KB aardgaslevering opgenomen ter aanvulling van het erin reeds vervatte hoofdstuk « verplichtingen voor leveringsondernemingen ». HOOFDSTUK 9. - Opheffingsbepalingen Artikel 236 heft derhalve de vorige gedragscode op als gevolg van de keuze om voor onderhavig koninklijk besluit te vertrekken van een volledig nieuwe tekst met een andere en meer gedetailleerde structuur.
Artikel 237 heft de vernoemde bepalingen op die voortaan geregeld worden in onderhavig koninklijk besluit waar ze thuishoren. HOOFDSTUK 1 0. - Overgangsbepalingen In dit hoofdstuk wordt de brug gelegd naar de vorige gedragscode, die krachtens artikel 236 werd opgeheven. Overgangsbepalingen zorgen ervoor dat de bestaande reglementaire context op vloeiende wijze geïntegreerd wordt in de nieuwe teneinde een maximale rechtszekerheid te bieden en te vermijden dat er een juridisch vacuüm zou ontstaan.
Vandaar dat in artikel 238, § 1 wordt bepaald dat de belangrijkste voorwaarden zoals de Commissie ze heeft goedgekeurd voor de datum van inwerkingtreding van artikel 63 van de wet van 27 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom.
27/12/2006 pub.
01/02/2013 numac 2013000041 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende diverse bepalingen type wet prom.
27/12/2006 pub.
28/12/2006 numac 2006021363 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) type wet prom.
27/12/2006 pub.
28/12/2006 numac 2006021365 bron