Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Wet houdende boek 2, titel 3, "Relatievermogensrecht" en boek 4 "Nalatenschappen, schenkingen en testamenten" van het Burgerlijk Wetboek

In het kort

Deze wet regelt het relatievermogensrecht en het erfrecht, schenkingen en testamenten binnen het Burgerlijk Wetboek. Het gaat over hoe het vermogen van echtgenoten wordt beheerd en verdeeld, zowel tijdens als na het huwelijk, en hoe nalatenschappen worden geregeld.

Wat het regelt

  • De keuze en wijziging van huwelijksvermogensstelsels door echtgenoten.
  • De gevolgen van huwelijksovereenkomsten voor echtgenoten en derden.
  • De regels voor eigen vermogens en het gemeenschappelijk vermogen binnen het wettelijk stelsel.
  • Specifieke bepalingen over erfovereenkomsten en preferentiële toewijzing bij overlijden of echtscheiding.

Wie het betreft

  • Echtgenoten die een huwelijksvermogensstelsel kiezen of wijzigen.
  • Minderjarigen en beschermde meerderjarigen die willen huwen of hun huwelijksstelsel willen aanpassen.
  • Derden die overeenkomsten aangaan met echtgenoten.

Kernpunten

  • Echtgenoten kunnen vrij hun huwelijksstelsel kiezen of wijzigen via een "huwelijksovereenkomst", mits dit niet strijdig is met dwingende regels of de openbare orde.
  • Alle huwelijksovereenkomsten moeten, op straffe van nietigheid, bij notariële akte worden vastgesteld.
  • Een huwelijksovereenkomst moet worden ingeschreven in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten om tegenover derden uitwerking te hebben.
  • Het wettelijk stelsel, met drie vermogens (eigen vermogen van elke echtgenoot en een gemeenschappelijk vermogen), geldt als gemeen recht indien echtgenoten geen ander stelsel kiezen.
Wettekst
Wettekst

Wet houdende boek 2, titel 3, "Relatievermogensrecht" en boek 4 "Nalatenschappen, schenkingen en testamenten" van het Burgerlijk Wetboek (1) FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna w

Art. 2.3.12.

Wettelijk stelsel als gemeen recht Behoudens bijzondere overeenkomsten vormen de regels van het wettelijk stelsel, bepaald in hoofdstuk 3 van deze ondertitel, het gemeen recht. Indien de echtgenoten vooraf geen huwelijksstelsel hebben gekozen, heeft het wettelijk stelsel uitwerking vanaf de voltrekking van het huwelijk, niettegenstaande enige andersluidende overeenkomst. Art. 2.3.

  1. Preferentiële toewijzing bij overlijden Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door het overlijden van een van de echtgenoten, kan de langstlevende, tegen opleg indien daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen, voor zover deze behoren tot het gemeenschappelijk vermogen of tot het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is: 1° een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient;2° het aldaar aanwezige huisraad;3° de goederen die hij aanwendt voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf. Art. 2.3.
  2. Preferentiële toewijzing bij echtscheiding §
  3. Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door echtscheiding op grond van artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek, door de scheiding van tafel en bed of door de gerechtelijke scheiding van goederen, kan elk van de echtgenoten binnen de vereffeningsprocedure aan de familierechtbank te zijnen voordele toepassing van artikel 2.3.13 vragen. §
  4. De rechtbank beslist met inachtneming van de belangen die ieder van de echtgenoten kan laten gelden en rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die de opleg desgevallend zal moeten betalen. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5 en 422bis van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 375, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van hetzelfde Wetboek, indien de andere echtgenoot door in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden. Art. 2.3.
  5. Heling De echtgenoot die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de gemeenschap, van de tussen echtgenoten bestaande onverdeeldheden, of, in geval van een stelsel van scheiding van goederen met beding van verrekening, van de verrekenmassa, om hieruit voor zichzelf, ten nadele van de andere echtgenoot, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling. De echtgenoot die schuldig is aan heling verliest zijn aandeel in de geheelde goederen of waarden of wordt, desgevallend, gesanctioneerd ten belope van de geheelde goederen of waarden bij de berekening van de verrekenvordering. Deze sanctie kan niet worden opgelegd aan de echtgenoot die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet. Hoofdstuk
  6. Wettelijk stelsel Afdeling
  7. Eigen vermogens en gemeenschappelijk vermogen Onderafdeling
  8. Algemene bepaling Art. 2.3.
  9. Drie vermogens Het wettelijk stelsel berust op het bestaan van drie vermogens: het eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten, zoals die worden omschreven in dit hoofdstuk. Onderafdeling
  10. Baten van de eigen vermogens Art. 2.3.
  11. Voorhuwelijkse goederen, nalatenschappen en giften Eigen zijn de goederen en schuldvorderingen die aan elk van beide echtgenoten toebehoren op de dag van het huwelijk en die welke ieder van hen tijdens het stelsel verkrijgt door een nalatenschap of een gift. Art. 2.3.
  12. Eigen met vergoedingsplicht Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging en behoudens vergoeding indien daartoe aanleiding bestaat: 1° het toebehoren van eigen goederen of rechten;2° de goederen aan een van de echtgenoten overgedragen door een van zijn verwanten in de opgaande lijn, hetzij om te voldoen wat hij hem verschuldigd is, hetzij onder verplichting een schuld van die verwant aan een derde te betalen;3° het aandeel door een van de echtgenoten verkregen in een goed waarvan hij reeds mede-eigenaar is;4° de goederen en rechten die ten gevolge van zaakvervanging in de plaats treden van eigen goederen, alsook de goederen verkregen uit belegging of wederbelegging;5° de vorderbare netto-afkoopwaarde, op het moment van de ontbinding van het stelsel, verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten, indien de verzekeringsprestatie niet verschuldigd is bij de ontbinding van het stelsel;6° de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten, en die bij de ontbinding van het stelsel ten voordele van die echtgenoot verschuldigd is. Art. 2.3.
  13. Eigen ten persoonlijke titel §
  14. Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging: 1° de klederen en voorwerpen voor persoonlijk gebruik;2° het literaire, artistieke of industriële eigendomsrecht;3° het recht op een pensioen, lijfrente of soortgelijke uitkering, dat een van de echtgenoten alleen bezit;4° het recht op herstel van persoonlijke lichamelijke of morele schade;5° de lidmaatschapsrechten verbonden aan vennootschapsaandelen die met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen en op naam van één echtgenoot zijn ingeschreven, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze aandelen te handelen, voor zover het gaat, hetzij om een vennootschap die onderworpen is aan wettelijke of statutaire regels, of overeenkomsten tussen vennoten, die de overdracht van aandelen beperken, hetzij om een vennootschap waarin enkel die echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent;6° het recht op goederen die een echtgenoot exclusief voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf aanwendt, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze beroepsgoederen te handelen, tenzij de echtgenoten samen dat beroep uitoefenen of dat bedrijf uitbaten;7° het recht op cliënteel, met inbegrip van het recht om als eigenaar van het cliënteel te handelen, tenzij het cliënteel is opgebouwd of verworven binnen een beroep dat de echtgenoten samen uitoefenen of een bedrijf dat ze samen uitbaten. §
  15. Eveneens eigen zijn: 1° de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover deze vergoeding strekt tot herstel van zijn persoonlijke ongeschiktheid, die betrekking heeft op de niet economisch waardeerbare gevolgen van de aantasting van de fysieke en psychische integriteit in zijn dagelijks leven;2° de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het stelsel gesloten is, indien ze bij de ontbinding van het stelsel ten voordele van de andere echtgenoot verschuldigd is. Onderafdeling
  16. Bewijs en wederbelegging Art. 2.3.
  17. Bewijs Ten aanzien van derden wordt het eigendomsrecht van elk van de echtgenoten op een goed dat niet van persoonlijke aard is, bij gebreke van boedelbeschrijving of tegen een bezit volgens de bepalingen van artikel 3.21, bewezen aan de hand van titels met vaste dagtekening, van bescheiden van een openbare dienst of vermeldingen in regelmatig gehouden of opgemaakte registers, bescheiden of borderellen door de wet opgelegd of door het gebruik bekrachtigd. Tussen de echtgenoten onderling mag het bewijs van eigendom van dezelfde goederen of van schuldvorderingen geleverd worden door alle bewijsmiddelen. Art. 2.3.
  18. Wederbelegging Wederbelegging wordt geacht te zijn gedaan ten aanzien van een van de echtgenoten, wanneer deze bij de aankoop van een onroerend goed verklaard heeft dat de aankoop geschiedt om hem tot wederbelegging te dienen en voor meer dan de helft betaald is uit de opbrengst van de vervreemding van een eigen onroerend goed of uit gelden waarvan het eigen karakter behoorlijk is aangetoond. De echtgenoot die een onroerend goed verkrijgt door middel van gemeenschappelijke gelden, kan in de akte een verklaring van vervroegde wederbelegging doen. Voor zover de echtgenoot binnen twee jaar na de datum van de akte meer dan de helft terugbetaalt van het bedrag dat uit het gemeenschappelijk vermogen is opgenomen, wordt het verkregen goed een eigen goed te rekenen van de terugbetaling. Wederbelegging wordt geacht te zijn gedaan ten aanzien van een echtgenoot wanneer komt vast te staan dat de verkrijging van roerende goederen voor meer dan de helft betaald is uit gelden of uit de opbrengst van de vervreemding van andere goederen waarvan het karakter van eigen goed is aangetoond overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2.3.17 tot 2.3.
  19. Onderafdeling
  20. Baten van het gemeenschappelijk vermogen Art. 2.3.
  21. Gemeenschappelijke goederen §
  22. Gemeenschappelijk zijn: 1° de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk van de echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten;de opzeggingsvergoeding en andere uitkeringen waarop een echtgenoot wegens beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst gerechtigd is, voor het deel daarvan dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die tijdens het stelsel loopt; 2° de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen goederen;3° de goederen geschonken of vermaakt aan de twee echtgenoten samen of aan een van hen onder beding dat die goederen gemeenschappelijk zullen zijn;4° de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover deze vergoeding strekt tot herstel van zijn huishoudelijke of economische ongeschiktheid tijdens het stelsel; 5° de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 2.3.19, § 1, 5° ; 6° de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 6° ; 7° de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd of verworven, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 7°. §
  23. Eveneens gemeenschappelijk is de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten en tijdens het stelsel aan een van hen verschuldigd is. Indien de prestatie als kapitaal wordt uitbetaald, is het volledige bedrag ervan gemeenschappelijk. Indien de prestatie als rente wordt uitbetaald, zijn zowel de rentebedragen die tijdens het stelsel zijn uitbetaald als de reserve die overeenstemt met de na de ontbinding van het stelsel nog verschuldigde rentes, gemeenschappelijk. §
  24. Zijn ten slotte ook gemeenschappelijk, alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een van de echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling. Onderafdeling
  25. Lasten van de eigen vermogens en van het gemeenschappelijk vermogen Art. 2.3.
  26. Eerder aangegane schulden en schulden ten laste van nalatenschappen en giften De schulden van de echtgenoten die dateren van vóór het stelsel en de schulden ten laste van nalatenschappen en giften die hun toevallen tijdens het stelsel, blijven eigen schulden. Art. 2.3.
  27. Overige eigen schulden Eigen zijn: 1° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan in het uitsluitend belang van zijn eigen vermogen;2° de schulden ontstaan uit een persoonlijke of zakelijke zekerheid door een van de echtgenoten gesteld in een ander belang dan dat van het gemeenschappelijk vermogen;3° de schulden behorende tot een door een van de echtgenoten uitgeoefend beroep dat hem verboden is krachtens artikel 216 van het oud Burgerlijk Wetboek, of ontstaan uit handelingen die een van de echtgenoten niet mocht verrichten zonder de medewerking van de andere echtgenoot of zonder rechterlijke machtiging;4° de schulden ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling of uit een onrechtmatige daad begaan door een van de echtgenoten. Art. 2.3.
  28. Gemeenschappelijke schulden §
  29. Gemeenschappelijk zijn: 1° de schulden aangegaan door beide echtgenoten, gezamenlijk of hoofdelijk;2° de schulden aangegaan door een van de echtgenoten ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen;3° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan in het belang van het gemeenschappelijk vermogen;4° de schulden ten laste van giften, aan de twee echtgenoten gezamenlijk of aan een van hen gedaan onder beding dat de gegeven of vermaakte goederen gemeenschappelijk zullen zijn;5° de interest van de eigen schulden van een van de echtgenoten;6° de onderhoudsschulden jegens afstammelingen van een van de echtgenoten. §
  30. Zijn eveneens gemeenschappelijk, de schulden waarvan niet bewezen is dat zij aan een van de echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling. Afdeling
  31. Rechten van de schuldeisers Art. 2.3.
  32. Eigen schulden §
  33. Met behoud van de toepassing van de paragrafen 2 tot 4, kan een eigen schuld van een van de echtgenoten slechts verhaald worden op diens eigen vermogen en inkomsten. §
  34. De schulden die krachtens artikel 2.3.23 eigen zijn aan een van de echtgenoten, kunnen worden verhaald op het gemeenschappelijk vermogen, in zoverre het verrijkt is door opneming van eigen goederen van de schuldenaar. Het bewijs van de verrijking, dat rust op de schuldeiser, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen. §
  35. Schulden behorende tot een door een van de echtgenoten uitgeoefend beroep dat hem verboden is met toepassing van artikel 216 van het oud Burgerlijk Wetboek, of ontstaan uit handelingen die een van de echtgenoten niet mocht verrichten zonder de medewerking van de andere echtgenoot of zonder rechterlijke machtiging, kunnen op het gemeenschappelijk vermogen niet worden verhaald dan in zoverre het uit dat beroep of die handelingen voordeel heeft getrokken. Het bewijs van het voordeel, dat rust op de schuldeiser, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen. §
  36. Dezelfde regels gelden voor de schulden ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling van een van de echtgenoten of uit een onrechtmatige daad door hem begaan. Indien het eigen vermogen van de echtgenoot-schuldenaar ontoereikend is, kunnen deze schulden bovendien op het gemeenschappelijk vermogen worden verhaald ten belope van de helft van zijn netto-baten. Art. 2.3.
  37. Gezamenlijk aangegane schulden Een schuld aangegaan door de twee echtgenoten, zelfs in verschillende hoedanigheid, kan zowel verhaald worden op het eigen vermogen van ieder van hen als op het gemeenschappelijk vermogen. Art. 2.3.
  38. Gemeenschappelijke schulden Gemeenschappelijke schulden kunnen zowel verhaald worden op het eigen vermogen van elk van de echtgenoten als op het gemeenschappelijk vermogen. Op het eigen vermogen van de niet-contracterende echtgenoot mogen echter niet worden verhaald: 1° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen, wanneer zij lasten meebrengen die, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, buitensporig zijn;2° de interest van de eigen schulden van een van de echtgenoten;3° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan bij de uitoefening van zijn beroep;4° de onderhoudsschulden jegens afstammelingen van een van de echtgenoten. Afdeling
  39. Bestuur van het gemeenschappelijk vermogen Art. 2.3.
  40. Algemene bepaling Het bestuur omvat alle bevoegdheden van beheer, genot en beschikking. De echtgenoten besturen het gemeenschappelijk vermogen in het belang van het gezin, naar de regels vervat in deze afdeling. Art. 2.3.
  41. Afzonderlijk uit te oefenen bevoegdheden Het gemeenschappelijk vermogen wordt bestuurd door de ene of door de andere echtgenoot die de bestuursbevoegdheden alleen kan uitoefenen, onder verplichting voor ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen. Art. 2.3.
  42. Beroepsuitoefening De echtgenoot die een beroep uitoefent, verricht alle bestuurshandelingen die voor deze uitoefening verantwoord zijn alleen. Wanneer beide echtgenoten samen een zelfde beroep uitoefenen, is beider medewerking vereist voor alle handelingen behalve die van beheer. Art. 2.3.
  43. Gezamenlijk uit te oefenen bevoegdheden Met behoud van de toepassing van het bepaalde in artikel 2.3.31, is de toestemming van beide echtgenoten vereist om: 1° voor hypotheek vatbare goederen te verkrijgen, te vervreemden of met zakelijke rechten te bezwaren;2° een handelszaak of enig bedrijf te verkrijgen, over te dragen of in pand te geven;3° een huurovereenkomst voor langer dan negen jaar te sluiten, te vernieuwen of op te zeggen en een handelshuur of pachtovereenkomst toe te staan;4° een hypothecaire schuldvordering over te dragen of in pand te geven;5° de prijs van een vervreemd onroerend goed of de terugbetaling van een hypothecaire schuldvordering in ontvangst te nemen en opheffing te verlenen van hypothecaire inschrijvingen;6° een legaat of een schenking te aanvaarden of te verwerpen, wanneer bedongen is dat de vermaakte of geschonken goederen gemeenschappelijk zullen zijn;7° een lening aan te gaan;8° een consumentenkrediet aan te gaan, behalve wanneer dit krediet noodzakelijk is voor de huishouding of de opvoeding van de kinderen. Art. 2.3.
  44. Schenking De ene echtgenoot kan zonder de toestemming van de andere niet onder de levenden beschikken om niet over goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen. Art. 2.3.
  45. Weigering of onmogelijkheid tot wilsuiting Indien een echtgenoot zonder wettige reden weigert toestemming te geven of indien hij in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven, kan de andere echtgenoot zich door de familierechtbank laten machtigen om een van de handelingen genoemd in de artikelen 2.3.31, tweede lid, 2.3.32 en 2.3.33, alleen te verrichten. Art. 2.3.
  46. Verbod of machtiging als beschermingsmaatregel Iedere echtgenoot kan aan de familierechtbank vragen dat aan de andere echtgenoot verbod wordt opgelegd om enige bestuurshandeling te verrichten die hem nadeel kan berokkenen of de belangen van het gezin kan schaden. De rechtbank kan machtiging verlenen tot het verrichten van die daad of aan haar machtiging bepaalde voorwaarden verbinden. Art. 2.3.
  47. Nietigheid als handhavingsmaatregel Op verzoek van een van de echtgenoten die bewijst dat hij een wettig belang heeft en zonder afbreuk te doen aan de rechten van de te goeder trouw zijnde derden, kan de familierechtbank elke handeling nietig verklaren, die de andere echtgenoot heeft verricht: 1° in strijd met de bepalingen van de artikelen 2.3.31, tweede lid, 2.3.32 en 2.3.33; de nietigverklaring van de handelingen genoemd in artikel 2.3.32, 4° tot 8°, vereist bovendien een benadeling; 2° in strijd met een verbod of met de voorwaarden die de rechter heeft gesteld;3° met bedrieglijke benadeling van de rechten van de eiser. Het bewijs van goede trouw moet worden geleverd door de contracterende derde. Art. 2.3.
  48. Vordering tot nietigverklaring De vordering tot nietigverklaring moet op straffe van verval worden ingesteld binnen een jaar na de dag waarop de handeling van de andere echtgenoot ter kennis is gekomen van de eiser, en uiterlijk voor de definitieve vereffening van het stelsel. Indien de echtgenoot overlijdt voordat het verval is ingetreden, beschikken zijn erfgenamen vanaf het overlijden over een nieuwe termijn van een jaar. Art. 2.3.
  49. Legaten De legaten die een van de echtgenoten maakt van het geheel of een deel van het gemeenschappelijk vermogen, mogen zijn aandeel in dat vermogen niet te boven gaan. Heeft het legaat betrekking op bepaalde goederen, dan kan de legataris ze alleen dan in natura opeisen wanneer die goederen, ten gevolge van de verdeling, toevallen aan de erfgenamen van de erflater; in het tegenovergestelde geval heeft de legataris ten laste van de nalatenschap van de erflater recht op de waarde van de vermaakte goederen, behoudens inkorting in beide gevallen indien daartoe grond bestaat. Afdeling
  50. Bestuur van het eigen vermogen Art. 2.3.
  51. Alleenbestuur Iedere echtgenoot bestuurt zijn eigen vermogen alleen, met behoud van de toepassing van het bepaalde in artikel 215, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek. Afdeling
  52. Gemeenschappelijke bepaling met betrekking tot het bestuur van de eigen vermogens en het gemeenschappelijk vermogen Art. 2.3.
  53. Ontnemen van bestuursbevoegdheid §
  54. Indien een van de echtgenoten blijk geeft van ongeschiktheid in het bestuur van het gemeenschappelijk vermogen zowel als van zijn eigen vermogen of de belangen van het gezin in gevaar brengt, kan de andere echtgenoot vorderen dat de bestuursbevoegdheden hem geheel of gedeeltelijk worden ontnomen. De familierechtbank kan dat bestuur opdragen, hetzij aan de eiser, hetzij aan een derde, die zij aanwijst. Die beslissing kan worden herroepen, indien de redenen waarop zij gegrond was, komen te vervallen. §
  55. De griffier van het rechtscollege dat een rechterlijke beslissing heeft uitgesproken waarbij aan een van de echtgenoten zijn bestuursbevoegdheden worden ontnomen of teruggegeven, stelt, wanneer deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, het centraal register voor huwelijksovereenkomsten hiervan in kennis. §
  56. Indien de echtgenoot aan wie het bestuur onttrokken of teruggegeven wordt, zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent waarvoor hij in de Kruispuntbank van Ondernemingen moet ingeschreven zijn, geeft de griffier daarvan kennis aan die Kruispuntbank. §
  57. Artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek is mede van toepassing. Afdeling
  58. Ontbinding van het wettelijk stelsel Onderafdeling 1.

Art. 2.3.41.

Oorzaken van ontbinding Het wettelijk stelsel wordt ontbonden door: 1° het overlijden van een van de echtgenoten;2° de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed;3° de gerechtelijke scheiding van goederen;4° de overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel. Art. 2.3.42. Boedelbeschrijving In geval van ontbinding van het wettelijk stelsel door het overlijden van een van de echtgenoten, door gerechtelijke scheiding van goederen, door echtscheiding of scheiding van tafel en bed op een van de gronden vermeld in artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek, zijn de echtgenoten of is de langstlevende echtgenoot gehouden een boedelbeschrijving op te maken van de gemeenschappelijke roerende goederen en schulden. Deze boedelbeschrijving, waarvan de inhoud geregeld wordt bij de artikelen 1175 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, mag onderhands geschieden, wanneer alle belanghebbende meerderjarige partijen daarmee instemmen en ingeval er minderjarigen of beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om goederen te vervreemden, wanneer de vrederechter aangezocht bij verzoekschrift daarmee instemt. Zij moet opgemaakt worden binnen drie maanden na het overlijden, na de melding van de echtscheiding of van de scheiding van tafel en bed op de huwelijksakte, of de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het uittreksel uit de beslissing die de scheiding van goederen uitspreekt. Bij gebreke van een boedelbeschrijving binnen die termijn kan elke belanghebbende partij de omvang van het gemeenschappelijk vermogen bewijzen door alle bewijsmiddelen. Art. 2.3.43. Gevolgen van de ontbinding § 1. De ontbinding van het stelsel heeft vereffening en verdeling ten gevolge. Vooraf wordt voor elke echtgenoot een rekening opgemaakt van de vergoedingen tussen het gemeenschappelijk vermogen en zijn eigen vermogen. Vervolgens wordt overgegaan tot de verrekening van de lasten, de verrekening van de vergoedingen en de verdeling van de netto-baten. § 2. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verdeling en veiling en die van het Burgerlijk Wetboek betreffende de verdeling van nalatenschappen zijn van overeenkomstige toepassing. § 3. Voor de volgende goederen wordt in de te verdelen boedel de waarde op het tijdstip van ontbinding van het stelsel, en niet op het tijdstip van verdeling opgenomen: 1° de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 2.3.19, § 1, 5° ; 2° de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 6° ; 3° de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd of verworven, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 7°. § 4. De erfgenamen van de echtgenoten hebben dezelfde rechten en dezelfde verplichtingen als de echtgenoot die zij vertegenwoordigen. Onderafdeling 2. Vergoedingsrekeningen Art. 2.3.44. Vergoedingen aan het gemeenschappelijk vermogen Elk van de echtgenoten is vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen. De echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem eigen zijn, is aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd voor de netto beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen die vennootschap was uitgeoefend. Aan het gemeenschappelijk vermogen is eveneens vergoeding verschuldigd ten belope van de schade die het heeft geleden wegens een van de handelingen bedoeld in artikel 2.3.36, indien die schade niet geheel is hersteld door de nietigverklaring van de handeling of indien de nietigverklaring niet is gevraagd of verkregen. Art. 2.3.45. Vergoedingen aan het eigen vermogen Het gemeenschappelijk vermogen is vergoeding verschuldigd ten belope van de eigen of uit vervreemding van een eigen goed voortkomende gelden die in dat vermogen zijn gevallen en niet zijn belegd of wederbelegd, alsook, in het algemeen, telkens als het voordeel heeft getrokken uit de eigen goederen van een van de echtgenoten. Art. 2.3.46. Omvang en bewijs van de vergoedingen De vergoeding mag niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed. Het recht op vergoeding kan door alle bewijsmiddelen worden bewezen. De vergoedingen brengen van rechtswege interest op vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel. Art. 2.3.47. Saldering van de vergoedingsrekeningen De vergoedingen door een van de echtgenoten verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen en de vergoedingen die het gemeenschappelijk vermogen hem verschuldigd is, doen elkaar teniet ten belope van het kleinste bedrag. Indien beide echtgenoten vergoedingen te vorderen hebben of verschuldigd zijn, doen hun wederzijdse vorderingen en schulden elkaar teniet ten belope van het kleinste bedrag. Alleen de echtgenoot die de grootste vordering of schuld heeft, zal nog een vergoeding te vorderen of te voldoen hebben ten belope van het verschil tussen de wederzijdse vorderingen of schulden. Onderafdeling 3. Verrekening van de lasten Art. 2.3.48. Betaling van gemeenschappelijke schulden Zonder afbreuk te doen aan de rechten van de hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, moeten de gemeenschappelijke schulden die overeenkomstig artikel 2.3.28 verhaalbaar zijn op de drie vermogens, worden voldaan vóór de schulden die alleen verhaalbaar zijn op het gemeenschappelijk vermogen en op het vermogen van een van de echtgenoten. Onderafdeling 4. Verrekening van de vergoedingen Art. 2.3.49. Voldoening van de vergoedingsschuld § 1. De echtgenoot die nog vergoeding verschuldigd is, voldoet die, hetzij door mindere ontvangst, hetzij door betaling, aan de te verdelen boedel, van de waarde van de vergoedingsschuld. De voldoening door mindere ontvangst gebeurt, hetzij door verrekening op het aandeel van de echtgenoot-schuldenaar, hetzij door vooruitneming door de andere echtgenoot. § 2. De echtgenoot die nog vergoeding te vorderen heeft, neemt ter voldoening hiervan goederen van een gelijke waarde uit de te verdelen boedel vooraf. § 3. Indien de echtgenoten het niet eens worden over de toepassing van paragraaf 1 of paragraaf 2, en met name over de aanwijzing van de vooruit te nemen goederen, wordt het geschil binnen de procedure van gerechtelijke verdeling opgelost. Behoudens het akkoord van de echtgenoten mag de vooruitneming geen afbreuk doen aan de rechten van toewijzing die de andere echtgenoot bezit op grond van de artikelen 2.3.13 en 2.3.14. § 4. De echtgenoot die zijn vergoeding niet geheel heeft kunnen verhalen op de boedel, wordt schuldeiser van de andere echtgenoot ten belope van de helft van hetgeen hij niet ontvangen heeft. Onderafdeling 5. Verdeling Art. 2.3.50. Netto-verdeling § 1. Indien er een batig saldo is, wordt dit bij helften verdeeld. § 2. Elk van de echtgenoten staat met al zijn goederen in voor de gemeenschappelijke schulden die overblijven na de verdeling. Evenwel zal iedere echtgenoot, voor de gemeenschappelijke schulden die tijdens het stelsel niet verhaalbaar waren op zijn eigen vermogen, slechts instaan ten belope van hetgeen hij ontvangen heeft bij de verdeling. § 3. Voor zover in de akte van verdeling niet anders is bepaald, kan de echtgenoot die na de verdeling een gemeenschappelijke schuld betaalt, de helft van hetgeen hij betaald heeft, op de andere echtgenoot verhalen. § 4. Tenzij anders is bedongen, draagt iedere echtgenoot voor de helft bij in de kosten van vereffening en verdeling. Onderafdeling 6. Schulden tussen echtgenoten Art. 2.3.51. Betaling en interest Schuldvorderingen van de ene echtgenoot op de andere kunnen tijdens het wettelijk stelsel alleen verhaald worden op de eigen goederen van de schuldenaar. Deze schuldvorderingen brengen van rechtswege interest op, te rekenen van de dag van de ontbinding van het stelsel. Hoofdstuk 4. Overeenkomsten die het wettelijk stelsel kunnen wijzigen Afdeling 1. Algemene bepaling Art. 2.3.52. Toegelaten afwijkingen Echtgenoten die een stelsel van gemeenschap van goederen hebben aangenomen, mogen niet afwijken van de regels van het wettelijk stelsel die betrekking hebben op het bestuur over het eigen en het gemeenschappelijk vermogen. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 2.3.1 tot 2.3.3, kunnen zij bij huwelijksovereenkomst elke andere wijziging aanbrengen in het wettelijk stelsel. Zij kunnen met name overeenkomen: 1° dat het gemeenschappelijk vermogen al hun tegenwoordige en toekomstige goederen of een deel ervan zal omvatten;2° dat er tussen hen algehele gemeenschap zal zijn;3° dat een van de echtgenoten recht zal hebben op een vooruitmaking;4° dat in geval van ontbinding van het huwelijk door het overlijden van een van de echtgenoten, het gemeenschappelijk vermogen in ongelijke delen zal worden verdeeld of geheel aan een van de echtgenoten zal verblijven. Zij blijven onderworpen aan de regels van het wettelijk stelsel waarvan hun huwelijksovereenkomst niet afwijkt. Afdeling 2. Uitbreiding van het gemeenschappelijk vermogen Art. 2.3.53. Inbreng § 1. Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de tegenwoordige en toekomstige roerende of onroerende goederen, bedoeld in artikel 2.3.17, geheel of ten dele tot het gemeenschappelijk vermogen zullen behoren. § 2. Toekomstige echtgenoten die, voor het aangaan van het huwelijk, de volle eigendom van een onroerend goed verkrijgen, kunnen, voor zover zij ten gevolge van die verkrijging exclusief en ten belope van gelijke delen onverdeelde eigenaren zijn van dit goed, in de akte van eigendomsverkrijging een verklaring van anticipatieve inbreng opnemen. Door het louter feit van hun huwelijk, zal dit onroerend goed dan tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, alsof ze de inbreng in hun huwelijksovereenkomst hadden bedongen. De echtgenoten kunnen in hun huwelijksovereenkomst afwijken van het eerste lid. De notaris schrijft de verklaring van anticipatieve inbreng, bedoeld in het eerste lid, in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in. § 3. De schulden die open staan op het ogenblik van de inbreng en die door de echtgenoot inbrenger werden aangegaan om de ingebrachte goederen te verkrijgen, te verbeteren of in stand te houden, komen ten laste van het gemeenschappelijk vermogen, behoudens andersluidende overeenkomst in de huwelijksovereenkomst of in de verklaring bedoeld in paragraaf 2. § 4. De echtgenoot die bepaalde goederen in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht, kan bij de verdeling de nog in natura aanwezige goederen terugnemen, mits hij ze op zijn aandeel toerekent naar hun waarde ten tijde van de verdeling. Deze bepaling is niet van toepassing op goederen die door beide echtgenoten gezamenlijk zijn ingebracht. § 5. Een echtgenoot die een bepaald goed in het gemeenschappelijk vermogen brengt, waarvan de waarde in de huwelijksovereenkomst wordt vermeld, kan zijn inbreng beperken tot een vastgesteld bedrag. Tenzij in de huwelijksovereenkomst anders is bedongen, is het gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het stelsel, hem een vergoeding verschuldigd gelijk aan het verschil tussen de waarde van het ingebrachte goed en het bedrag ten belope waarvan het is ingebracht. Deze vergoeding zal worden geherwaardeerd volgens de waarde van het ingebrachte goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel, indien het zich op dat tijdstip nog in het gemeenschappelijk vermogen bevindt, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed. Art. 2.3.54. Algehele gemeenschap Komen de echtgenoten overeen dat er tussen hen algehele gemeenschap zal zijn, dan brengen zij al hun tegenwoordige en toekomstige goederen in het gemeenschappelijk vermogen, met uitzondering van die welke van persoonlijke aard zijn en van de rechten die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn. De algehele gemeenschap is in dat geval ook gehouden tot de schulden van de echtgenoten die dateren van voor het stelsel en de schulden ten laste van nalatenschappen en giften die hun tijdens het stelsel toevallen. Afdeling 3. Bedingen tot afwijking van de wijze van vereffening of van verdeling Art. 2.3.55. Vooruitmaking § 1. Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de langstlevende of een van hen indien die het langst leeft, het recht zal hebben om vóór de verdeling, hetzij een bepaalde geldsom, hetzij bepaalde goederen in natura, hetzij een hoeveelheid of een percentage van een bepaalde categorie van goederen vooraf te nemen uit het gemeenschappelijk vermogen. De toegekende voordelen worden echter als een schenking beschouwd ten belope van de helft, indien zij tegenwoordige of toekomstige goederen tot voorwerp hebben die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in de huwelijksovereenkomst. § 2. Vooruitgemaakte goederen kunnen in beslag worden genomen voor de betaling van gemeenschappelijke schulden, behoudens verhaal van de begunstigde echtgenoot, wanneer het goederen in natura betreft, op de rest van het gemeenschappelijk vermogen. Zodanig verhaal is eveneens mogelijk in geval van vervreemding door een van de echtgenoten van een goed dat in natura vooruitgemaakt is. Art. 2.3.56. Niet gelijke verdeling en verblijvingsbeding Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de langstlevende of een van hen indien hij het langst leeft, bij de verdeling een ander deel dan de helft, of zelfs het gehele vermogen, zal ontvangen. Indien de echtgenoten bij de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen ongelijke aandelen verkrijgen, zijn zij tot de betaling van de gemeenschappelijke schulden gehouden naar evenredigheid van hun aandeel in de baten, met behoud van de toepassing van artikel 2.3.50, § 2. Indien de akte van verdeling niet anders bepaalt, kan de echtgenoot die na de verdeling een gemeenschappelijke schuld betaalt boven het aandeel dat hij krachtens het tweede lid moet dragen, het meerdere op de andere echtgenoot verhalen. Art. 2.3.57. Regel ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen Indien er gemeenschappelijke kinderen zijn, wordt een huwelijksovereenkomst die een voordeel toekent dat uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kan worden verkregen, ten aanzien van hen als een schenking beschouwd voor het aandeel boven de helft dat aan de langstlevende echtgenoot wordt toegewezen in de waarde, op de dag van de toekenning ervan, van de tegenwoordige of toekomstige goederen die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in de huwelijksovereenkomst. Een kind van een van de echtgenoten dat gewoon of ten volle is geadopteerd door de andere echtgenoot, wordt beschouwd als een gemeenschappelijk kind. Art. 2.3.58. Regel ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen Ingeval er kinderen zijn die niet gemeenschappelijk zijn, wordt enkel de gelijke verdeling van hetgeen is gespaard op de wederzijdse inkomsten van de echtgenoten, al zijn die ongelijk, aan de toepassing van de regels van de schenkingen onttrokken. Elke huwelijksovereenkomst die een ruimer voordeel toekent dat een echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen, wordt, ten aanzien van hen, als een schenking beschouwd. Art. 2.3.59. Verval bij onwaardigheid Elk beding van de huwelijksovereenkomst die een voordeel toekent dat de langstlevende echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen, vervalt indien deze echtgenoot onwaardig is om van de overleden echtgenoot te erven. De bepalingen inzake onwaardigheid om te erven zijn van overeenkomstige toepassing op de onwaardigheid om voordelen te verkrijgen of te behouden die de langstlevende echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen. Dit is eveneens het geval indien de langstlevende echtgenoot uit de nalatenschap van de overleden echtgenoot gesloten is, hetzij door een ontervend beding, hetzij door een beslissing tot uitsluiting of tot verval van zijn erfrecht. Art. 2.3.60. Verval bij ontbinding anders dan door overlijden of echtscheiding Met behoud van de toepassing van artikel 4.237, § 4, leidt de ontbinding van het huwelijksstelsel door de overgang naar een gerechtelijke scheiding van goederen of door de conventionele overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel, tot verval van de voordelen die een echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen en die als overlevingsrechten zijn toegekend. Hoofdstuk 5. Scheiding van goederen Afdeling 1. Conventionele scheiding van goederen Art. 2.3.61. Scheiding van vermogens Wanneer de echtgenoten bij huwelijksovereenkomst bedingen dat zij gescheiden van goederen zullen zijn, bezit ieder van hen de bevoegdheid van beheer, genot en beschikking alleen, met behoud van de toepassing van de bepalingen betreffende hun wederzijdse rechten en verplichtingen. De inkomsten en besparingen van ieder van de echtgenoten blijven eigen goed. Art. 2.3.62. Bewijs van eigendom Het bewijs van de eigendom van een goed of een schuldvordering wordt tussen echtgenoten zowel als ten aanzien van derden geleverd volgens de regels van artikel 2.3.20. Roerende goederen waarvan niet kan worden bewezen dat ze eigendom zijn van een van de echtgenoten, worden beschouwd als onverdeeld tussen de echtgenoten. Art. 2.3.63. Onverdeeldheid Met behoud van de toepassing van artikel 215, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek, en onder voorbehoud van andersluidende overeenkomsten, kan elk van de echtgenoten te allen tijde verdeling vorderen van al hun onverdeelde goederen of een deel ervan. Art. 2.3.64. Toegelaten toevoegingen § 1. Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen kunnen aan dit stelsel alle bedingen toevoegen die met dat stelsel verenigbaar zijn. Zij kunnen onder meer bedingen toevoegen met betrekking tot de bewijsvoering, tussen hen, van exclusief eigendomsrecht, met betrekking tot het bewijs van vorderingen die de ene tegen de andere kan inroepen, en bedingen ter nadere regeling van enige onverdeeldheid of doelvermogen die tussen hen zou bestaan. Zij kunnen ook bedingen opnemen die ertoe strekken een verrekening tussen hun vermogens te verwezenlijken, met name door toevoeging van een beding van verrekening van aanwinsten. De artikelen 2.3.57 tot 2.3.60 zijn van overeenkomstige toepassing. § 2. Echtgenoten die een beding van verrekening van aanwinsten hebben opgenomen, zijn onderworpen aan de artikelen 2.3.65 tot 2.3.77 Het aanvangsvermogen, het eindvermogen, de verrekenvordering en de betaling daarvan worden overeenkomstig die artikelen bepaald. Echtgenoten kunnen bij huwelijksovereenkomst afwijken van het bepaalde in het eerste lid en zelf de verrekenmassa, verrekensleutel, het verrekentijdstip en de verrekenmodaliteiten overeenkomen. § 3. De notaris vermeldt uitdrukkelijk in de huwelijksovereenkomst dat hij ieder van de echtgenoten heeft gewezen op de juridische gevolgen van het opnemen of niet opnemen van een beding van verrekening van aanwinsten. Art. 2.3.65. Verrekening van aanwinsten In een stelsel van scheiding van goederen met verrekening van aanwinsten worden de aanwinsten gevormd door het verschil tussen het eindvermogen van een echtgenoot en zijn aanvangsvermogen. Bij de ontbinding van het huwelijksstelsel blijkt de verrekenvordering uit de vergelijking tussen de aanwinsten van beide echtgenoten. Art. 2.3.66. Samenstelling van het aanvangsvermogen § 1. Het aanvangsvermogen is het vermogen van ieder van de echtgenoten op de datum waarop het huwelijksstelsel uitwerking krijgt. De schulden worden in het aanvangsvermogen in aanmerking genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van het actief. § 2. De goederen en rechten die ieder van de echtgenoten later verkrijgt door gift of nalatenschap en deze bedoeld in artikel 2.3.19, § 1, 1°, en § 2, worden in het aanvangsvermogen opgenomen. De schulden bedoeld in de artikelen 2.3.23 en 2.3.24 worden in het aanvangsvermogen in aanmerking genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van het actief. § 3. Tot het aanvangsvermogen worden niet gerekend: 1° de vruchten van de goederen die tot dat vermogen behoren;2° de goederen van het aanvangsvermogen die een echtgenoot tijdens het huwelijksstelsel aan één van zijn verwanten in rechte lijn heeft gegeven. § 4. Bij het sluiten van de huwelijksovereenkomst maken de echtgenoten een beschrijving op van hun respectieve aanvangsvermogen. Indien die beschrijving door beide echtgenoten is ondertekend, wordt zij geacht juist te zijn. § 5. Indien geen beschrijving werd opgemaakt, wordt het aanvangsvermogen geacht nul te zijn. Art. 2.3.67. Waardering van het aanvangsvermogen § 1. Het aanvangsvermogen wordt als volgt geschat: 1° de op datum waarop het huwelijksstelsel in werking treedt bestaande goederen worden op die datum geschat; 2° de goederen die na de datum waarop het huwelijksstelsel in werking treedt, worden verkregen en die, krachtens artikel 2.3.66, § 2, tot het aanvangsvermogen behoren, worden op de datum van hun verkrijging geschat. § 2. De onroerende goederen en de onroerende zakelijke rechten van het aanvangsvermogen, andere dan vruchtgebruik, worden op de datum van de ontbinding van het stelsel geschat. Indien die goederen tijdens het huwelijk zijn overgedragen of vervangen, wordt de waarde in aanmerking genomen op de datum van overdracht of vervanging. De tijdens het huwelijk ondernomen wijzigingen aan de toestand van die goederen, worden niet in aanmerking genomen voor de raming van het aanvangsvermogen. § 3. Indien de goederen worden geraamd op een datum die de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel voorafgaat, dan wordt hun overeenkomstig paragrafen 1 en 2 bepaalde waarde, aangepast volgens de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen. § 4. De paragrafen 1 en 3 zijn ook van toepassing op de schatting van schulden. Art. 2.3.68. Samenstelling van het eindvermogen § 1. Het eindvermogen is samengesteld uit de goederen die de echtgenoot op de datum van ontbinding van het stelsel toebehoren. De schulden worden in aanmerking genomen, zelfs als zij het bedrag van het actief overschrijden. § 2. Aan dat eindvermogen wordt de waarde toegevoegd van de goederen die een echtgenoot: 1° heeft geschonken, behalve indien:

  1. a)de schenking niet overdreven was, gelet op de levenswijze van de echtgenoten of;
  2. b)de schenking betrekking heeft op een goed van het aanvangsvermogen dat aan verwanten in rechte lijn werd geschonken.De meerwaarde ten gevolge van de verbeteringen die tijdens de duur van het huwelijksstelsel werd aangebracht, met gelden die niet van het aanvangsvermogen afhangen, wordt echter aan het eindvermogen toegevoegd; 2° heeft overgedragen met oogmerk om de andere echtgenoot te benadelen of;3° heeft verkwist. Die bepalingen zijn niet van toepassing indien de schenking, de bedrieglijke vervreemding of de verkwisting meer dan tien jaar voor de ontbinding van het huwelijksstelsel plaatsvond, of indien de andere echtgenoot ermee heeft ingestemd. Art. 2.3.69. Waardering van het eindvermogen Het eindvermogen wordt zowel voor het actief als voor het passief geschat op de datum van ontbinding van het huwelijksstelsel. De waarde van de goederen bedoeld in artikel 2.3.68, § 2, wordt bepaald op de datum van de schenking, van de bedrieglijke vervreemding of van de verkwisting. De meerwaarde bedoeld in artikel 2.3.68, § 2, eerste lid, 1°, b), wordt geschat op de datum van de schenking van het goed. De in het tweede lid vermelde waarden worden aangepast volgens de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen. Art. 2.3.70. Vaststelling van de verrekenvordering Indien bij ontbinding van het huwelijksstelsel de aanwinsten van een van de echtgenoten die van de andere overschrijden, dan kan deze laatste tegen zijn echtgenoot een verrekenvordering gelijk aan de helft van dat verschil doen gelden. De verrekenvordering wordt in geld betaald. De rechtbank kan echter op verzoek van de ene of van de andere echtgenoot beslissen dat, met het oog op die betaling, goederen van de schuldenaar aan de schuldeiser worden overgedragen, indien dit met het billijkheidsbeginsel overeenstemt. Na de ontbinding van het huwelijksstelsel is de verrekenvordering wegens overlijden vererfbaar en onder levenden overdraagbaar. Art. 2.3.71. Waardering van de verrekenvordering Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, of indien het huwelijksstelsel door een andere gerechtelijke beslissing is ontbonden, wordt de verrekenvordering bepaald volgens de samenstelling en de waarde van het vermogen van de echtgenoten op het tijdstip waarop de vordering in rechte is ingediend. Art. 2.3.72. Maximumbedrag van de verrekenvordering De verrekenvordering is beperkt tot de helft van de waarde van de aanwinsten van de schuldplichtige echtgenoot, zoals ze na aftrek van de schulden bestaan, op de datum die voor de bepaling van het bedrag ervan in aanmerking komt. De beperking van de verrekenvordering wordt verhoogd met de helft van het bedrag dat aan het eindvermogen wordt toegevoegd overeenkomstig artikel 2.3.68, § 2, met uitzondering van het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, b), van diezelfde paragraaf. Art. 2.3.73. Verjaring Het recht op de verrekenvordering verjaart na drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de echtgenoot kennis heeft van de ontbinding van het huwelijksstelsel, en uiterlijk tien jaar na de ontbinding van het stelsel. Art. 2.3.74. Informatieplicht Na de ontbinding van het huwelijksstelsel moet iedere echtgenoot aan de andere alle informatie verschaffen over de samenstelling van zijn aanvangs- en eindvermogen. Hij moet op verzoek bewijsstukken overleggen. Ieder van de echtgenoten kan eisen dat een volledige en waarheidsgetrouwe beschrijving wordt opgemaakt. Op zijn verzoek moet hij voor die beschrijving worden opgeroepen. Hij mag bovendien eisen dat die beschrijving op zijn kosten door een notaris wordt opgemaakt. Het eerste lid is eveneens van toepassing wanneer een van de echtgenoten de ontbinding van het huwelijk of de vervroegde uitbetaling van de verrekenvordering heeft geëist. Art. 2.3.75. Uitstel van betaling Indien de onmiddellijke betaling van de verrekenvordering voor de schuldenaar onredelijk bezwarend is, met name als hij verplicht zou worden een goed af te staan dat hij nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien, kan de rechtbank hem, op zijn verzoek, uitstel voor die betaling verlenen. De vordering waarvan de betaling wordt uitgesteld, brengt intrest op. De rechtbank kan, op verzoek van de schuldeiser, de schuldenaar verplichten zekerheden te stellen, waarvan hij de aard en het bedrag naar billijkheid bepaalt. Art. 2.3.76. Vervroegde uitkering Indien een echtgenoot door het bestuur van zijn vermogen de rechten van de andere met betrekking tot de berekening van de verrekenvordering in gevaar brengt, kan deze laatste de vervroegde uitkering van de verrekenvordering eisen. Dat is met name zo in de gevallen die leiden tot de fictieve toevoeging bedoeld in artikel 2.3.68, § 2. Vanaf de definitieve beslissing die de vraag inwilligt, zijn de echtgenoten aan het stelsel van scheiding van goederen onderworpen. Art. 2.3.77. Beschrijving De beschrijving bedoeld in de artikelen 2.3.66 en 2.3.74 kan voor de notaris of onderhands worden opgemaakt. De notariële beschrijving kan worden opgemaakt op grond van verklaringen, voor zover beide echtgenoten hiermee akkoord gaan. Afdeling 2. Gerechtelijke scheiding van goederen Art. 2.3.78. Vordering § 1. Een van de echtgenoten of zijn wettelijke vertegenwoordiger kan scheiding van goederen in rechte vorderen, wanneer uit de wanorde in de zaken van de andere echtgenoot, zijn slecht beheer of de verkwisting van zijn inkomsten blijkt dat de instandhouding van het stelsel de belangen van de eisende echtgenoot in gevaar brengt. § 2. De schuldeisers van een van beide echtgenoten kunnen geen scheiding van goederen vorderen. Zij kunnen tussenkomen in het geding. Art. 2.3.79. Gevolgen § 1. De gerechtelijke scheiding van goederen werkt terug, wat haar gevolgen betreft, tot op de dag van de eis, zowel tussen echtgenoten als ten aanzien van derden. § 2. De beslissing waarbij de scheiding van goederen wordt uitgesproken, blijft zonder gevolg indien de staat van vereffening van het vorige stelsel niet bij authentieke akte is opgemaakt binnen een jaar na de inschrijving van die beslissing in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten. De termijn kan op verzoekschrift worden verlengd door de rechter die de scheiding van goederen heeft uitgesproken. Art. 2.3.80. Verzet schuldeisers De schuldeisers van de echtgenoten kunnen verzet doen tegen vereffening buiten hun aanwezigheid en daarin op hun kosten tussenkomen. Bovendien kunnen zij, binnen een termijn van zes maanden te rekenen van het verstrijken van de termijn gesteld in het artikel 2.3.79, § 2, opkomen tegen de vereffening, wanneer deze met bedrieglijke benadeling van hun rechten is geschied. Afdeling 3. Rechterlijke billijkheidscorrectie Art. 2.3.81. Facultatieve rechterlijke billijkheidscorrectie § 1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, kan de familierechtbank, wanneer het huwelijk ontbonden is door echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk tussen de echtgenoten, aan de benadeelde echtgenoot, op zijn verzoek, een vergoeding ten laste van de andere echtgenoot toekennen op voorwaarde dat de omstandigheden sedert het sluiten van de huwelijksovereenkomst van scheiding van goederen of sedert de dag van de eis tot gerechtelijke scheiding van goederen onvoorzien en ongunstig gewijzigd zijn, waardoor het gekozen stelsel, rekening houdend met de vermogensrechtelijke situatie van beide echtgenoten, tot manifest onbillijke gevolgen ten nadele van de verzoekende echtgenoot zou leiden. De toe te kennen vergoeding remedieert deze manifest onbillijke gevolgen en kan niet hoger liggen dan één derde van de nettowaarde van de samengevoegde aanwinsten van de echtgenoten op het tijdstip van ontbinding van hun huwelijk, waarvan vervolgens de nettowaarde van de persoonlijke aanwinsten van de verzoekende echtgenoot moet worden afgetrokken. De aanwinsten van de echtgenoten in de zin van dit lid worden bepaald bij toepassing van de artikelen 2.3.65 tot 2.3.69. De vordering tot vergoeding wordt behandeld binnen de procedure van vereffening van het huwelijksstelsel. § 2. Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen, stellen in hun huwelijksovereenkomst hun akkoord vast over het al dan niet opnemen van dat recht op vergoeding, al of niet met afwijkende modaliteiten. De notaris wijst de echtgenoten op de in het eerste lid bepaalde verplichting en op de juridische gevolgen van hun keuze om het recht op vergoeding op te nemen, al of niet met afwijkende modaliteiten. Op straffe van aansprakelijkheid, vermeldt de notaris de keuze van de echtgenoten uitdrukkelijk in hun huwelijksovereenkomst. Ondertitel 2. Centraal register voor huwelijksovereenkomsten Art. 2.3.82. Doeleinden Het centraal register voor huwelijksovereenkomsten is een geïnformatiseerde gegevensbank met als doeleinde: 1° de huwelijksovereenkomsten tegenwerpelijk te maken aan derden en, binnen de perken van de bepalingen van deze ondertitel, de raadpleging en de mededeling aan derden van informatie over de huwelijksovereenkomsten van gehuwde personen, daarin begrepen de verklaringen van anticipatieve inbreng, evenals over de vermogensrechtelijke overeenkomsten van wettelijk samenwonenden, op elektronische wijze of, in voorkomend geval, per post, mogelijk te maken;2° binnen de perken bepaald door Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, de verwerking van de in het centraal register geregistreerde gegevens mogelijk te maken met het oog op het algemeen belang en in het bijzonder statistische en wetenschappelijke doeleinden, of teneinde de kwaliteit van het register te verbeteren. Art. 2.3.83. Op te nemen akten § 1. In het centraal register voor huwelijksovereenkomsten worden opgenomen: 1° de huwelijksovereenkomsten, ongeacht of ze voor of tijdens het huwelijk worden gesloten; 2° de verklaringen van anticipatieve inbreng opgenomen in een akte van eigendomsverkrijging van een onroerend goed overeenkomstig artikel 2.3.53, § 2; 3° de in artikel 1478 van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde overeenkomsten; 4° de vorderingen tot scheiding van goederen, alsook de vonnissen en arresten waarbij de gerechtelijke scheiding van goederen als bedoeld in artikel 2.3.78 wordt uitgesproken; 5° de vonnissen en arresten waarbij aan een gehuwd persoon de bestuursbevoegdheid wordt ontnomen of een dergelijke ontneming wordt herroepen, in de zin van artikel 2.3.40, § 2; 6° de vonnissen en arresten waarin uitspraak wordt gedaan over de geldigheid, de toepassing of de interpretatie van een huwelijksovereenkomst. § 2. De notaris schrijft de akten bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 3° in. § 3. De griffier van het rechtscollege waarbij ze werden neergelegd, stelt het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in kennis van de vorderingen tot scheiding van goederen bedoeld in paragraaf 1, 4°, zodra ze op de rol zijn gebracht. De griffier van het rechtscollege dat ze heeft uitgesproken, stelt het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in kennis van de in paragraaf 1, 4°, 5° en 6°, bedoelde vonnissen of arresten. De griffier van het rechtscollege dat het in paragraaf 1, 4°, bedoelde vonnis of arrest heeft uitgesproken, stelt het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in kennis van elk verzet, elk hoger beroep of elke voorziening tegen dit vonnis of arrest. De griffier van het rechtscollege dat ze heeft uitgesproken stelt het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in kennis van de rechterlijke beslissingen waarbij een in paragraaf 1, 4°, 5° en 6°, bedoeld vonnis of arrest wordt vernietigd of hervormd. Art. 2.3.84. In te schrijven gegevens § 1. Het centraal register voor huwelijksovereenkomsten bevat de volgende gegevens geldend op het ogenblik van de inschrijving: 1° voor elk van de echtgenoten die partij zijn bij een akte, verklaring of rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 2.3.83, § 1, 1°, 2°, 4°, 5° of 6°, en voor elk van de wettelijk samenwonenden die partij zijn bij de in artikel 2.3.83, § 1, 3°, bedoelde overeenkomst:
  3. a)de naam en voorna(a)m(en);
  4. b)het rijksregisternummer;
  5. c)de geboortedatum en -plaats;
  6. d)de woonplaats of de gewone verblijfplaats; 2° in de gevallen bedoeld in artikel 2.3.83, § 1, 1°, 2° en 3°, de aard en de datum van de akte; 3° in de gevallen bedoeld in artikel 2.3.83, § 1, 1°, het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel; 4° in de gevallen bedoeld in artikel 2.3.83, § 1, 4°, 5° en 6°, het voorwerp en de datum van het vonnis of arrest; 5° in de gevallen bedoeld in artikel 2.3.83, § 1, 4°, 5° en 6°, de aanduiding van elk verzet, elk hoger beroep of elke voorziening tegen een vonnis of arrest; 6° de identificatie van de notaris, of de met openbaar gezag beklede autoriteit of persoon die de akte heeft verleden of in bewaring heeft genomen, of het rechtscollege dat het vonnis of arrest heeft uitgesproken;7° in voorkomend geval, de NABAN-referentie van de akte, zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 16 maart 1803Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1803 pub. 28/10/2009 numac 2009000678 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het notarisambt Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van het notarisambt, en, bij gebrek, het repertoriumnummer;8° in voorkomend geval, de referentie van het vonnis of arrest volgens de ECLI-standaard (European Case Law Identifier), of, bij gebrek, het algemeen rolnummer van het vonnis of arrest;9° in voorkomend geval, de plaats en datum van overlijden van een van deze partijen. § 2. Het centraal register voor huwelijksovereenkomsten geldt als authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn opgenomen. Art. 2.3.85. Inschrijvingskosten De Koning bepaalt het tarief van de kosten van de inschrijving in het register. Art. 2.3.86. Verwerkingsverantwoordelijke § 1. De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, hierna "de beheerder" genoemd, is belast met het beheer en de organisatie van het centraal register voor huwelijksovereenkomsten. De beheerder wordt, met betrekking tot het centraal register voor huwelijksovereenkomsten, beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG. § 2. De beheerder stelt een functionaris voor de gegevensbescherming aan. Deze is meer bepaald belast met: 1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens verwerkt over zijn verplichtingen binnen het kader van deze wet en binnen het algemeen kader van de gegevensbescherming en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;4° het vormen van het contactpunt voor de Gegevensbeschermingsautoriteit;5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de functionaris voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt hij rechtstreeks verslag uit aan de beheerder. De Koning kan, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere regels bepalen volgens dewelke de functionaris voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert. Art. 2.3.87. Bewaartermijn De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bewaart de gegevens van de inschrijving, met vermelding van de datum van inschrijving, tot dertig jaar na het overlijden van de persoon wiens gegevens bewaard werden, of, indien de datum van overlijden niet gekend is, tot op het ogenblik dat hij de leeftijd van 145 jaar zou hebben bereikt. De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bewaart de gegevens met betrekking tot de raadplegingen van het register, met name de identificatiegegevens van de persoon die het register heeft geraadpleegd, de identificatiegegevens van de persoon over wie een raadpleging werd gedaan, het ogenblik van de raadpleging en de reden van de raadpleging. De gegevens worden tot tien jaar na de raadpleging bewaard. In geval van betwisting wordt deze termijn geschorst tot alle beroepsmogelijkheden zijn uitgeput. Art. 2.3.88. Raadpleging § 1. De gegevens opgenomen in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten zijn toegankelijk voor: 1° de notarissen, de Belgische diplomatieke zendingen en consulaire posten in het buitenland, de gerechtsdeurwaarders en de griffiers en magistraten bij de rechtscolleges, in functie van de uitoefening van hun ambt;2° de openbare overheden, de instellingen van openbaar nut en instellingen van algemeen belang indien de kennisneming van de huwelijksovereenkomst van een persoon noodzakelijk is voor de uitvoering van hun wettelijke opdrachten;3° de partijen zelf;4° eenieder die een actueel en rechtmatig belang kan aantonen.Het belang van de verzoeker is actueel en rechtmatig wanneer zijn actuele rechten en verplichtingen worden of kunnen worden getroffen door het huwelijksvermogensstelsel of door de overeenkomst bedoeld in artikel 1478 van het oud Burgerlijk Wetboek van de persoon over wie een raadpleging wordt gedaan; het actueel en rechtmatig belang wordt vermeld in het verzoek tot raadpleging. § 2. Het is de beheerder verboden de in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten opgenomen gegevens mee te delen aan andere personen dan zij die toegang ertoe hebben zoals bepaald in paragraaf 1. Met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen ter bescherming van de persoonsgegevens moet hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 2.3.84 bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing. § 3. De toegang tot de gegevens van het centraal register voor huwelijksovereenkomsten is kosteloos. De beheerder is gemachtigd om online raadpleging mogelijk te maken voor de in paragraaf 1 bedoelde belanghebbenden die daarom verzoeken, binnen de grenzen van hun consultatierecht. De vergoeding voor de daaruit voortvloeiende bijkomende taken en investeringen ten laste van de beheerder, wordt aangerekend aan deze raadplegers.". HOOFDSTUK 3. - Inhoud van boek 4 "Nalatenschappen, schenkingen en testamenten" van het Burgerlijk Wetboek Art. 3.Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 13 april 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/1900 pub. 09/10/2009 numac 2009000663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van boek 8 "Bewijs" in dat Wetboek, bevat de volgende bepalingen: "Boek 4. Nalatenschappen, schenkingen en testamenten Titel 1. Nalatenschappen en wettelijke erfopvolging Ondertitel 1.

Art. 4.1.

Openvallen van de nalatenschap Nalatenschappen vallen open door het overlijden. Art. 4.

  1. Erfgerechtigden en erfgenamen Erfgerechtigden hebben roeping tot de nalatenschap krachtens de wet, of hebben een algemene roeping of een roeping onder algemene titel tot de nalatenschap door de wil van de erflater. Door de aanvaarding van de nalatenschap neemt de erfgerechtigde de hoedanigheid aan van erfgenaam, of erfopvolger. Art. 4.
  2. Bezit van de erfgenamen De door de wet aangeduide erfgenamen treden van rechtswege in het bezit van de goederen, rechten en rechtsvorderingen van de erflater, onder verplichting om alle lasten van de nalatenschap te voldoen. Ondertitel
  3. Hoedanigheden vereist om te erven Art. 4.
  4. Bestaansvoorwaarde Om erfgerechtigd te zijn moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt. Zijn dus niet erfgerechtigd: 1° het kind dat nog niet verwekt is;2° het kind dat niet levensvatbaar geboren is. Art. 4.
  5. Overlevingsvoorwaarde Om erfgerechtigd te zijn moet men de erflater overleven. Wanneer de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet kan worden bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te zijn overleden. Indien een belanghebbende ten gevolge van omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij het bewijs van de volgorde van overlijden, kan de rechter hem een of meer malen uitstel verlenen, voor zover redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het bewijs binnen de termijn van het uitstel kan worden geleverd. Ondertitel
  6. Onwaardigheid om te erven Art. 4.
  7. Onwaardigheid §
  8. Onwaardig om krachtens de wet tot de nalatenschap te komen, en dus van de nalatenschap uitgesloten is: 1° hij die als dader, mededader of medeplichtige schuldig is bevonden om op de persoon van de erflater een feit te hebben gepleegd dat zijn dood heeft veroorzaakt, als bedoeld in de artikelen 376, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van het Strafwetboek;zo ook hij die schuldig is bevonden aan de poging om een dergelijk feit te plegen; 2° hij die onwaardig is verklaard omdat hij een in de bepaling onder 1° bedoeld feit heeft gepleegd, of gepoogd heeft te plegen, maar die, omdat hij ondertussen overleden is, voor dat feit niet werd veroordeeld;3° hij die onwaardig is verklaard omdat hij als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden om op de persoon van de erflater een feit te hebben gepleegd als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5, en 422bis van het Strafwetboek. §
  9. De in paragraaf 1, 1°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke sanctie die uitwerking heeft door het louter feit dat de erfgerechtigde schuldig werd bevonden. De in paragraaf 1, 2°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke sanctie die door de rechtbank wordt uitgesproken op vordering van de procureur des Konings. De in paragraaf 1, 3°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke sanctie die kan worden uitgesproken door de strafrechter die de erfgerechtigde schuldig bevindt aan een van de daarin vermelde feiten. De strafrechter kan deze burgerlijke sanctie ook uitspreken ten aanzien van hem die schuldig bevonden is wegens de poging om een dergelijk feit te plegen. Art. 4.
  10. Vergiffenis Er is geen onwaardigheid indien de erflater, in de in artikel 4.6, § 1, 3°, bedoelde gevallen de dader, mededader of medeplichtige, de feiten heeft vergeven. Vergiffenis kan enkel worden geschonken in een geschrift dat van de erflater uitgaat, en dat na de feiten is opgemaakt in de vorm die voor een testamentaire beschikking is vereist. Art. 4.
  11. Gevolgen van de onwaardigheid De wegens onwaardigheid van de nalatenschap uitgesloten erfgerechtigde wordt geacht nooit enig recht in de nalatenschap te hebben gehad, zonder evenwel afbreuk te doen aan de rechten van derden die te goeder trouw handelden. De onwaardige is gehouden tot teruggave van alle vruchten en inkomsten die hij sinds het openvallen van de nalatenschap genoten heeft. Het aandeel van de onwaardige komt ten goede aan zijn afstammelingen, indien plaatsvervulling plaatsvindt. Zo niet, komt zijn aandeel door aanwas ten goede aan de andere erfgerechtigden in dezelfde graad. Indien de onwaardige alleen is in zijn graad, vervalt het aan de overige erfgerechtigden die tot deze nalatenschap geroepen zijn. Art. 4.
  12. Kinderen van de onwaardige De kinderen van de onwaardige zijn niet van de nalatenschap uitgesloten wegens de schuld van hun ouder. Ze kunnen bij plaatsvervulling tot de nalatenschap komen. De onwaardige heeft geen wettelijk genot op de goederen die zijn kinderen ten gevolge van zijn onwaardigheid vererven, en kan deze goederen noch rechtstreeks noch onrechtstreeks van deze kinderen vererven. Wanneer de door een kind van de onwaardige aldus vererfde goederen bij overlijden van dit kind nog in natura in zijn nalatenschap aanwezig zijn, is de onwaardige voor deze goederen van de nalatenschap van het kind uitgesloten. Zijn deze goederen niet meer in natura aanwezig, dan is de onwaardige uit de nalatenschap gesloten ten belope van de waarde ervan, tenzij en in de mate deze goederen zijn verbruikt en dus ook hun tegenwaarde niet meer in de nalatenschap aanwezig is. De waarde van die goederen wordt bepaald op het ogenblik waarop het kind ze verkregen heeft. Ondertitel
  13. Wettelijke erfopvolging Hoofdstuk 1.

Art. 4.10.

Erfrechtelijke roeping §

  1. De nalatenschappen komen toe aan de kinderen en afstammelingen van de erflater, aan zijn noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden echtgenoot, aan zijn verwanten in de opgaande lijn, aan zijn verwanten in de zijlijn, en aan zijn wettelijk samenwonende binnen de grenzen van de rechten die hem zijn toegekend, overeenkomstig de regels die hierna worden bepaald. §
  2. De erfrechtelijke roeping wordt vastgesteld volgens de eventuele aanwezigheid van een langstlevende echtgenoot of langstlevende wettelijk samenwonende, en van een van de vier mekaar opvolgende erfrechtelijke situaties, in de hierna vermelde volgorde: 1° aanwezigheid van afstammelingen die de eerste erfrechtelijke orde vormen;2° afwezigheid van afstammelingen, en aanwezigheid van nauwe zijverwanten, in voorkomend geval samen met vader en moeder, die de tweede erfrechtelijke orde vormen;3° afwezigheid van afstammelingen en van nauwe zijverwanten, en aanwezigheid van ascendenten die de derde erfrechtelijke orde vormen, met toepassing, in voorkomend geval, van de regels van de kloving; 4° afwezigheid van afstammelingen, van nauwe zijverwanten en van ascendenten, en aanwezigheid van gewone zijverwanten die de vierde erfrechtelijke orde vormen, met toepassing van de regels van de kloving, en met behoud van de toepassing van artikel 4.30, eerste lid. Art. 4.
  3. Lijnen en graden §
  4. De erfopvolging is in rechte lijn wanneer ze plaatsvindt tussen personen die van elkaar afstammen. Men onderscheidt in die lijn de rechte neerdalende lijn en de rechte opgaande lijn. De eerste verbindt de stamouder met de personen die van hem afstammen; de laatste verbindt een persoon met degenen van wie hij afstamt. §
  5. De erfopvolging is in de zijlijn, wanneer ze plaats vindt tussen personen die niet van elkaar, maar van een gemene stamouder afstammen. Broers en zussen en hun afstammelingen worden ook de nauwe zijverwanten genoemd. De overige verwanten in de zijlijn worden de gewone zijverwanten genoemd. §
  6. De afstand in verwantschap wordt bepaald door het aantal generaties. Elke generatie wordt een graad genoemd. §
  7. In de rechte lijn zijn er zoveel graden als er generaties zijn tussen de personen in die lijn. Zo staat het kind in de eerste graad tegenover zijn vader of zijn moeder, en staat het kleinkind in de tweede graad. Dit geldt ook wederkerig voor de vader of de moeder tegenover hun kind, en voor de grootvader of de grootmoeder tegenover hun kleinkinderen. §
  8. In de zijlijn worden de graden bepaald door het aantal generaties, te rekenen van een van de verwanten tot aan de gemene stamouder, en vervolgens van deze stamouder tot aan de andere verwant. Zo staan broer en zus tegenover elkaar in de tweede graad; oom of tante tegenover neef of nicht, in de derde graad; volle neven en nichten onderling, in de vierde graad; en zo verder. §
  9. Verwanten van verder dan de vierde graad erven niet, behalve indien zij bij plaatsvervulling geroepen worden. Art. 4.
  10. Erfrechtelijke roeping na gewone adoptie In geval van gewone adoptie behouden de geadopteerde en zijn afstammelingen al hun erfrecht in hun oorspronkelijke familie. Ze verkrijgen op de nalatenschap van de adoptant of adoptanten dezelfde rechten als een kind of zijn afstammelingen daarop zouden hebben. Ze verkrijgen geen enkel recht op de nalatenschap van de verwanten van de adoptant of adoptanten. Hoofdstuk
  11. Plaatsvervulling Art. 4.
  12. Principe van de plaatsvervulling §
  13. Door plaatsvervulling nemen de afstammelingen van een erfgerechtigde zijn plaats in en worden zij in zijn graad tot de nalatenschap geroepen. Plaatsvervulling heeft, volgens de hierna vermelde regels, plaats in geval van vooroverlijden, van gelijktijdig overlijden, van verwerping en van onwaardigheid van een erfgerechtigde. §
  14. Men kan de plaats vervullen van hem wiens nalatenschap men verworpen heeft. Art. 4.
  15. Toepassingen In de rechte neerdalende lijn is er plaatsvervulling tot in het oneindige. In de rechte opgaande lijn is er geen plaatsvervulling; de naaste in elk van beide lijnen sluit altijd de verdere uit. In de zijlijn is er plaatsvervulling ten voordele van de afstammelingen van broers en zussen, ooms en tantes van de erflater. Plaatsvervulling is er niet ten voordele van de afstammelingen van de echtgenoot of van de wettelijk samenwonende. Art. 4.
  16. Graden en staken bij plaatsvervulling Er is ook plaatsvervulling wanneer geen van de erfgerechtigden in dezelfde graad tot de nalatenschap komen, hetzij omdat ze voor of gelijktijdig met de erflater overleden zijn, dan wel de nalatenschap verworpen hebben of onwaardig zijn. Ze heeft plaats ongeacht of de afstammelingen onder elkaar in gelijke of in ongelijke graden staan. In alle gevallen van plaatsvervulling geschiedt de verdeling bij staken. Indien een zelfde staak verscheidene takken heeft voortgebracht, geschiedt de onderverdeling in elke tak eveneens bij staken en delen de leden van dezelfde tak onder elkaar per hoofd. Hoofdstuk
  17. Aanwezigheid van afstammelingen Art. 4.
  18. Rechte neerdalende lijn De kinderen of hun afstammelingen erven van hun ouders, grootouders of verdere verwanten in de opgaande lijn, ook al hebben zij niet dezelfde ouders, en ongeacht de wijze waarop hun afstamming is vastgesteld. De nalatenschap komt toe aan de afstammelingen die de naaste in graad zijn. Zij erven voor gelijke delen en per hoofd, wanneer zij allen in de eerste graad staan en uit eigen hoofde geroepen worden. Zij erven bij staken, wanneer zij allen of een gedeelte van hen bij plaatsvervulling opkomen. Hoofdstuk
  19. Erfrechtelijke roeping van de echtgenoot en de wettelijk samenwonende Afdeling
  20. De langstlevende echtgenoot Art. 4.
  21. Erfrecht van de langstlevende echtgenoot §
  22. Wanneer de erflater afstammelingen, geadopteerde kinderen of afstammelingen van deze achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap. §
  23. Wanneer de erflater verwanten in de opgaande lijn of nauwe zijverwanten achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot: 1° de volle eigendom van het deel van de eerststervende in het gemeenschappelijk vermogen en in het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is, en 2° het vruchtgebruik van de overige goederen van diens eigen vermogen. 3° het vruchtgebruik op de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer waarvan sprake in artikel 4.24 of in artikel 4.25, tenzij in de akte van schenking of in het testament anders is bepaald. §
  24. Wanneer de erflater andere erfgenamen of geen erfgenamen achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot de volle eigendom van de gehele nalatenschap. Art. 4.
  25. Vruchtgebruik op geschonken goederen Bij overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt het vruchtgebruik van de goederen die de schenker heeft geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, op voorwaarde dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid heeft en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden. Bij het overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de schenker zich bij de schenking van die goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking met de schenker wettelijk samenwoonde en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden. De echtgenoot kan afstand doen van dat vruchtgebruik. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op die afstand wanneer hij plaatsvindt bij leven van de schenker. Art. 4.
  26. Uitoefening van erfrechtelijk vruchtgebruik Wanneer de langstlevende echtgenoot recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap, wordt dat vruchtgebruik vastgesteld zoals bepaald in de volgende leden. Het vruchtgebruik zoals bedoeld in het eerste lid bezwaart de goederen die op de dag van het overlijden aanwezig waren, na aftrek van de legaten. Het bezwaart eveneens: 1° onder de voorwaarden bepaald in artikel 4.18, de goederen die door de erflater zijn geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik had voorbehouden; 2° onder de voorwaarden en overeenkomstig de modaliteiten bepaald in titel 2, ondertitel 3, hoofdstuk 2, en in afwijking van het tweede lid, de door de erflater gelegateerde goederen voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten;3° onder de voorwaarden en overeenkomstig de nadere regels bepaald in titel 2, ondertitel 3, hoofdstuk 2, de door de erflater geschonken goederen voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten. Art. 4.
  27. Recht op huur De langstlevende echtgenoot verkrijgt als enige, met uitsluiting van alle andere erfgenamen, het recht op de huur van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de erflater het gezin tot voornaamste woning diende. Art. 4.
  28. Boedelbeschrijving en belegging Niettegenstaande enig andersluidend beding kan ieder die de blote eigendom verkrijgt, eisen dat voor alle met vruchtgebruik belaste goederen een boedelbeschrijving van de roerende en een staat van de onroerende worden opgemaakt, en dat de geldsommen worden belegd. Art. 4.
  29. Uitsluiting of verval §
  30. De langstlevende echtgenoot kan van zijn erfrecht geheel of gedeeltelijk worden uitgesloten of daarvan vervallen worden verklaard indien hij geheel of gedeeltelijk is ontzet uit het ouderlijk gezag over de kinderen geboren uit zijn huwelijk met de erflater. §
  31. De rechtsvordering wordt door de afstammelingen ingesteld binnen een jaar te rekenen hetzij van het openvallen van de nalatenschap, hetzij van de ontzetting uit het ouderlijk gezag. Het vonnis heeft gevolg met ingang van de datum waarop de vordering is ingesteld. §
  32. Indien het vruchtgebruik reeds is omgezet in de volle eigendom van een goed of in een geldsom, of indien de blote eigendom van de goederen bedoeld in art. 4.61, § 7, reeds is overgedragen, levert de uitsluiting of de vervallenverklaring grond op tot vergoeding. Die vergoeding wordt vastgesteld door de rechtbank en stemt overeen met de waarde van het vruchtgebruik, mede gelet op de vermoedelijke levensduur van de vruchtgebruiker bij het instellen van de rechtsvordering. Is het vruchtgebruik omgezet in een lijfrente, dan werkt het vonnis terug tot hetzelfde tijdstip. Afdeling
  33. De langstlevende wettelijk samenwonende Art. 4.
  34. Erfrecht en recht op huur van de langstlevende wettelijk samenwonende §
  35. De langstlevende wettelijk samenwonende verkrijgt, met welke erfgenamen hij ook tot de nalatenschap komt, het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de erflater het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad. Dit recht oefent de langstlevende wettelijk samenwonende ook uit indien de in het eerste lid vermelde goederen voorwerp zijn van een recht van wettelijke terugkeer waarvan sprake in artikel 4.24 of in artikel 4.
  36. §
  37. De langstlevende wettelijk samenwonende die tot de nalatenschap komt ontvangt bij overlijden van de schenker het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad, indien de schenker zich bij de schenking van deze goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, en op voorwaarde dat de wettelijk samenwonende op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid had en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden. De wettelijk samenwonende kan afstand doen van het in het eerste lid bedoelde vruchtgebruik. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op die afstand wanneer hij plaatsvindt bij leven van de schenker. §
  38. De langstlevende wettelijk samenwonende verkrijgt als enige, met uitsluiting van alle andere erfgenamen, het recht op de huur van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de vooroverleden wettelijk samenwonende het gezin tot voornaamste woning diende, en verkrijgt het vruchtgebruik van het daarin aanwezige huisraad. §
  39. De voorgaande bepalingen zijn niet van toepassing wanneer de langstlevende wettelijk samenwonende een afstammeling is van de vooroverleden wettelijk samenwonende. §
  40. Niettegenstaande enig andersluidend beding kan ieder die de blote eigendom verkrijgt, eisen dat een boedelbeschrijving van het huisraad en een staat van het onroerend goed dat het gezin tot voornaamste woning diende wordt opgemaakt. §
  41. De regels inzake het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot die zijn opgenomen in de artikelen 4.22 en 4.60 tot 4.64 zijn van overeenkomstige toepassing op het vruchtgebruik van de langstlevende wettelijk samenwonende. Hoofdstuk
  42. Recht van wettelijke terugkeer Art. 4.
  43. Recht van wettelijke terugkeer ten voordele van ascendenten §
  44. De verwanten in de opgaande lijn erven, met uitsluiting van alle anderen, de goederen door hen geschonken aan hun kinderen of afstammelingen die zelf overleden zijn zonder afstammelingen achter te laten, wanneer de geschonken goederen nog in natura aanwezig zijn in de nalatenschap, onder verplichting om in de schulden bij te dragen en onder voorbehoud van de verkregen rechten van derden. §
  45. Wanneer de goederen verkocht zijn, wordt dit recht uitgeoefend op de prijs, indien de prijs nog niet betaald is of er nog geen vermenging plaats vond in het vermogen van de begiftigde. Zij erven ook de vordering tot terugneming die de begiftigde mocht hebben. Art. 4.
  46. Recht van terugkeer na gewone adoptie §
  47. In geval van gewone adoptie geldt artikel 4.24 niet. De goederen die door de verwanten in de opgaande lijn van de geadopteerde of door de adoptanten geschonken dan wel uit hun nalatenschap verkregen zijn en nog in natura aanwezig zijn in de nalatenschap van de geadopteerde die overleden is zonder afstammelingen na te laten, keren terug naar die verwanten in de opgaande lijn of adoptanten of naar hun afstammelingen, onder verplichting om in de schulden bij te dragen en onder voorbehoud van de verkregen rechten van derden. §
  48. Wanneer de goederen verkocht zijn, wordt dit recht uitgeoefend op de prijs, indien deze nog niet is betaald of er nog geen vermenging in het vermogen van de geadopteerde plaats vond. De verwanten in opgaande lijn van de geadopteerde en de adoptanten verkrijgen ook de rechtsvordering tot terugneming die de geadopteerde mocht hebben. Hoofdstuk
  49. Afwezigheid van afstammelingen en aanwezigheid van nauwe zijverwanten Art. 4.
  50. Nauwe zijverwanten, eventueel samen met vader en moeder Indien de erflater geen afstammelingen heeft achtergelaten, worden zijn nauwe zijverwanten tot de nalatenschap geroepen, in voorkomend geval samen met zijn vader en moeder, volgens de regels bepaald in de volgende paragrafen. Indien de erflater, in het geval vermeld in het eerste lid, een langstlevende echtgenoot achterlaat, zijn de rechten van de nauwe zijverwanten, en in voorkomend geval die van vader en moeder, evenwel beperkt tot de blote eigendom van de overige goederen van het eigen vermogen van de erflater zoals in artikel 4.17, § 2, 2°, omschreven. Indien beide ouders van een persoon die zonder afstammelingen overleden is, hem hebben overleefd, en hij broers en zussen of hun afstammelingen achtergelaten heeft, wordt de nalatenschap in twee helften gesplitst, waarvan een helft aan de ouders toekomt, die ze onder elkaar gelijk verdelen. De andere helft komt toe aan de nauwe zijverwanten. Indien enkel de vader of moeder van een persoon die zonder afstammelingen overleden is, vooroverleden is, wordt het gedeelte dat hem of haar, overeenkomstig het derde lid, zou zijn te beurt gevallen, gevoegd bij de helft die toekomt aan de nauwe zijverwanten. In geval van vooroverlijden van vader en moeder van een persoon die zonder afstammelingen overleden is, komt de nalatenschap uitsluitend toe aan de nauwe zijverwanten met uitsluiting van de overige ascendenten en van de overige zijverwanten. Art. 4.
  51. Rechten van de nauwe zijverwanten onderling Nauwe zijverwanten erven, ofwel uit eigen hoofde, ofwel bij plaatsvervulling, overeenkomstig hetgeen in hoofdstuk 2 is bepaald. Indien broers en zussen dezelfde ouders hebben, erven zij in gelijke delen. Indien zij niet dezelfde ouders hebben, wordt een onderscheid gemaakt tussen de vaderlijke en de moederlijke lijn van de erflater. Het gedeelte van de nalatenschap dat toekomt aan de nauwe zijverwanten wordt voor de helft aan elke lijn toegewezen. Volle broers en zussen erven in beide lijnen; halfbroers en halfzussen van vaderszijde erven slechts in de vaderlijke lijn; halfbroers en halfzussen van moederszijde erven slechts in de moederlijke lijn. Zijn er enkel broers of zussen van één zijde, dan erven ze alles, met uitsluiting van alle andere verwanten van de andere lijn. Hoofdstuk
  52. Afwezigheid van afstammelingen en van nauwe zijverwanten Art. 4.
  53. Kloving Indien de erflater geen afstammelingen, en geen nauwe zijverwanten heeft achtergelaten, wordt de nalatenschap, als gevolg van kloving, in twee helften gesplitst tussen de verwanten in de vaderlijke lijn en de verwanten in de moederlijke lijn. Binnen elke lijn wordt ze toegewezen volgens de in dit hoofdstuk bepaalde regels. Is deze eerste splitsing tussen de vaderlijke en de moederlijke lijn gedaan, dan heeft geen verdere splitsing plaats tussen de verschillende takken. Zijn er in de ene lijn geen verwanten in erfelijke graad, dan erven de verwanten van de andere lijn de gehele nalatenschap. Art. 4.
  54. Verwanten in rechte opgaande lijn §
  55. Wanneer er na kloving, zoals bepaald in artikel 4.28, in beide lijnen verwanten in de opgaande lijn bestaan, dan erft in elke lijn de naaste verwant in graad, ook als de erflater een langstlevende echtgenoot achterlaat. In elke lijn erven verwanten in opgaande lijn in gelijke graad, per hoofd. §
  56. Indien er slechts in één lijn verwanten in opgaande lijn bestaan, en de erflater een langstlevende echtgenoot achterlaat, vindt evenwel geen kloving plaats. Alleen de verwanten in opgaande lijn komen in dat geval tot de nalatenschap. In die lijn komt de naaste in graad tot de nalatenschap en erven de verwanten in opgaande lijn in gelijke graad per hoofd. §
  57. In het geval bepaald in paragraaf 1, indien de erflater ook een langstlevende echtgenoot nalaat, en in het geval bepaald in paragraaf 2, worden de rechten van de verwanten in opgaande lijn, beperkt tot de blote eigendom van de overige goederen van het eigen vermogen van de erflater zoals in artikel 4.17, § 2, 2°, omschreven. §
  58. Indien er in een van beide lijnen geen verwanten in opgaande lijn bestaan, en de erflater geen langstlevende echtgenoot achterlaat, dan is er wel kloving, en komen in die lijn de gewone zijverwanten tot de nalatenschap, volgens de regels bepaald in artikel 4.
  59. In dat geval heeft de overlevende vader of moeder het vruchtgebruik van het derde gedeelte van de goederen die hij of zij niet in eigendom erft. Art. 4.
  60. Gewone zijverwanten Gewone zijverwanten worden niet tot de nalatenschap geroepen indien de erflater een langstlevende echtgenoot nalaat. Indien er slechts in één lijn verwanten in de opgaande lijn zijn, wordt de andere helft toegewezen aan de gewone zijverwanten van de andere lijn, en in die lijn aan de naaste in graad. Indien er in geen van beide lijnen verwanten in de opgaande lijn zijn, wordt de nalatenschap toegewezen aan de gewone zijverwanten, in iedere lijn aan de naaste in graad. Indien er, in één lijn, verschillende gewone zijverwanten van dezelfde graad samen opkomen, delen zij per hoofd, behalve indien zij bij plaatsvervulling geroepen worden, voor zover plaatsvervulling toegelaten is. Hoofdstuk
  61. Nalatenschap van de kinderloos overleden geadopteerde Art. 4.
  62. Kloving in de nalatenschap van de geadopteerde In geval van gewone adoptie worden, na uitoefening van het recht van terugkeer zoals bepaald in artikel 4.25 de overige goederen van de geadopteerde die overleden is zonder afstammelingen na te laten, in twee gelijke helften gesplitst tussen de oorspronkelijke en de adoptieve familie. In de oorspronkelijke familie is die ene helft van de nalatenschap onderworpen aan de regels van artikelen 4.10 tot 4.
  63. In de adoptieve familie komt de andere helft van de nalatenschap uitsluitend toe aan de adoptant of bij helften aan ieder van de adoptanten of aan hun afstammelingen, zonder afbreuk te doen aan de rechten van de overlevende echtgenoot of van de langstlevende wettelijk samenwonende. Indien een van de adoptanten overleden is zonder afstammelingen achter te laten, erven de andere adoptant of zijn afstammelingen deze helft van de nalatenschap. Indien in een van deze families niemand tot de helft van de nalatenschap geroepen is, of de erfgenamen allen de nalatenschap verwerpen, vallen alle overige goederen van de geadopteerde aan de andere familie toe. Artikel 4.24 is niet van toepassing, ten aanzien van de oorspronkelijke familie van de geadopteerde, op de nalatenschap van zijn kinderen die na hem overleden zijn zonder afstammelingen achter te laten. Het aandeel van de nalatenschap van de langstlevende van die kinderen, dat volgens artikel 4.29 wordt toegekend aan de verwanten in de opgaande lijn van de geadopteerde, wordt verdeeld overeenkomstig het eerste tot het vierde lid. Ondertitel
  64. Rechten van de Staat Art. 4.
  65. Erfloze nalatenschap Bij gebreke van erfgenamen vervalt de nalatenschap aan de Staat, zonder afbreuk te doen aan de rechten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Art. 4.
  66. Formaliteiten Wanneer de Staat aanspraak maakt op de nalatenschap, moet hij de zegels doen leggen en een boedelbeschrijving doen opmaken in de vorm die is voorgeschreven voor de aanvaarding van nalatenschappen onder voorrecht van boedelbeschrijving. De Staat moet de inbezitstelling vragen bij de familierechtbank van het rechtsgebied waarbinnen de nalatenschap is opengevallen. De rechtbank kan over de eis geen uitspraak doen dan na drie bekendmakingen en aanplakkingen in de gebruikelijke vorm, en na de procureur des Konings te hebben gehoord. Indien de Staat de voorgeschreven formaliteiten niet heeft vervuld, kan hij worden veroordeeld tot schadevergoeding aan de erfgenamen die zich zouden aanmelden. Ondertitel
  67. Erfkeuze Hoofdstuk 1.

Art. 4.34.

Vrije keuze Een nalatenschap kan of zuiver, of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard worden. Niemand is gehouden een hem opgekomen nalatenschap te aanvaarden. Art. 4.35. Overgang van erfkeuze Wanneer hij aan wie een nalatenschap is opgekomen, overleden is zonder zijn erfkeuze te hebben uitgeoefend, gaat deze erfkeuze op zijn erfgenamen over. Indien deze erfgenamen omtrent deze erfkeuze van mening verschillen, moet de nalatenschap worden aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving. Art. 4.36. Tijdstip voor de uitoefening van de erfkeuze Men kan omtrent de nalatenschap van een persoon die nog in leven is, geen erfkeuze maken, tenzij de wet anders bepaalt. Het recht om een erfkeuze te maken verjaart door verloop van dertig jaar, te rekenen van de dag waarop de nalatenschap is opengevallen. Art. 4.37. Opschortende exceptie van boedelbeschrijving en beraad § 1. Gedurende de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad, kan een erfgerechtigde niet worden genoodzaakt de hoedanigheid van erfgenaam aan te nemen, en kan tegen hem geen veroordeling worden verkregen. § 2. De termijn voor het opmaken van de boedelbeschrijving is drie maanden, te rekenen van de dag waarop de nalatenschap is opengevallen. De termijn om zich omtrent de erfkeuze te beraden, is veertig dagen, te rekenen van de dag dat de voor het opmaken van de boedelbeschrijving verleende drie maanden verstreken zijn, of van de dag van het sluiten van de boedelbeschrijving, indien deze vóór het verstrijken van de drie maanden is beëindigd. § 3. Na verloop van de hierboven bepaalde termijnen, kan de erfgerechtigde, indien tegen hem een vervolging wordt ingesteld, een nieuwe termijn aanvragen, die door de familierechtbank waarvoor het geschil aanhangig is, naar gelang van de omstandigheden wordt toegestaan of geweigerd. § 4 De kosten van de vervolging, in het geval van paragraaf 3, komen ten laste van de nalatenschap, indien de erfgerechtigde bewijst dat hij van het overlijden geen kennis heeft gedragen, of dat de termijnen onvoldoende zijn geweest, hetzij wegens de ligging van de goederen, hetzij wegens de gerezen geschillen; indien hij daarvan het bewijs niet levert, blijven de kosten te zijnen laste. De kosten van opneming en andere waarschuwingen blijven ten laste van de nalatenschap als gerechtskosten. Art. 4.38. Erfkeuze na verloop van de toegestane termijnen Na verloop van de bij artikel 4.37, § 2, verleende, en zelfs van de door de rechter overeenkomstig artikel 4.37, § 3, toegestane termijnen, behoudt de erfgerechtigde niettemin het recht om de boedelbeschrijving alsnog te doen opmaken, en zijn erfkeuze uit te oefenen, tenzij hij reeds een daad van erfgenaam verricht heeft, of tegen hem een vonnis bestaat dat in kracht van gewijsde is gegaan en hem als zuiver erfgenaam veroordeelt. Indien de erfgerechtigde de nalatenschap verwerpt, nadat de termijnen zijn verstreken of vroeger, komen de kosten, door hem tot dan toe wettig gemaakt, ten laste van de nalatenschap. Art. 4.39. Gevolgen van de gemaakte erfkeuze De erfkeuze werkt terug tot op de dag waarop de nalatenschap is opengevallen. De erfgerechtigde die de nalatenschap verwerpt, wordt geacht nooit erfgerechtigde te zijn geweest. Art. 4.40. Minderjarigen en beschermde meerderjarigen § 1. Omtrent nalatenschappen die aan minderjarigen toekomen, kan de erfkeuze slechts rechtsgeldig worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van artikel 410, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek. § 2. De fondsen en waarden die zij verkrijgen, worden geplaatst op een rekening geopend op hun naam en worden onbeschikbaar gemaakt tot de meerderjarigheid, zonder afbreuk te doen aan het recht op wettelijk genot, en met behoud van de toepassing van het bepaalde in artikel 410, § 1, 14°, van het oud Burgerlijk Wetboek. § 3. Ingeval minderjarigen of personen die overeenkomstig artikel 492/1, § 2, derde lid, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om een nalatenschap te verwerpen, tot een nalatenschap bedoeld in artikel 4.44, derde lid, geroepen zijn, ook indien dit slechts in ondergeschikte graad of orde is, kan de vrederechter, voor het geheel of een deel van deze personen, worden verzocht om een gezamenlijke machtiging om deze nalatenschap te verwerpen. Het verzoek kan gezamenlijk worden ingediend door de respectievelijke wettelijke vertegenwoordigers, overeenkomstig artikel 1185 van het Gerechtelijk Wetboek. Hoofdstuk 2. Zuivere aanvaarding van de nalatenschap Art. 4.41. Uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding § 1. De zuivere aanvaarding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. § 2. Zij geschiedt uitdrukkelijk, wanneer de erfgerechtigde in een authentieke of een onderhandse akte de titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt. § 3. Zij geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgerechtigde een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten. § 4. Daden die alleen dienen tot bewaring, toezicht of voorlopig beheer, zijn geen daden van aanvaarding van de nalatenschap, indien daarbij de titel of de hoedanigheid van erfgenaam niet is aangenomen. Indien echter in de nalatenschap zaken aanwezig zijn die kunnen bederven, of waarvan de bewaring grote kosten vergt, kan de erfgerechtigde zonder dat men daaruit een aanvaarding van zijn zijde mag afleiden, zich door de rechter doen machtigen om die zaken te verkopen. De bepalingen van boek IV, hoofdstuk V, van het Gerechtelijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing. Art. 4.42. Overdracht die aanvaarding inhoudt De schenking, de verkoop of de overdracht van zijn erfrecht door een van de erfgenamen gedaan, hetzij aan een vreemde persoon, hetzij aan al zijn mede-erfgenamen, hetzij aan enkelen onder hen, heeft voor hem aanvaarding van de nalatenschap ten gevolge. Hetzelfde geldt: 1° voor de verwerping, zelfs om niet, door een van de erfgenamen gedaan ten voordele van een of meer van zijn mede-erfgenamen;2° voor de verwerping door hem gedaan, zelfs ten voordele van al zijn mede-erfgenamen zonder onderscheid, wanneer hij voor de verwerping een prijs ontvangt. Art. 4.43. Bedrog of benadeling bij aanvaarding Een meerderjarige kan tegen de door hem uitdrukkelijk of stilzwijgend gedane aanvaarding van een nalatenschap slechts opkomen ingeval die aanvaarding het gevolg mocht zijn geweest van een jegens hem gepleegd bedrog. Hij kan er nooit tegen opkomen onder voorwendsel van benadeling, tenzij de nalatenschap mocht zijn teniet gedaan of met meer dan de helft verminderd, door de ontdekking van een testament dat op het ogenblik van de aanvaarding onbekend was. Hoofdstuk 3. Verwerping van de nalatenschap Art. 4.44. Uitdrukkelijke keuze vereist De verwerping van een nalatenschap wordt niet vermoed: zij moet worden gedaan door middel van een verklaring afgelegd ten overstaan van een notaris, in een authentieke akte. Binnen vijftien dagen volgend op de authentieke akte, wordt de verwerping, door toedoen van de notaris en op kosten van de verwerpende erfgerechtigde, ingeschreven in het centraal erfrechtregister. Ingeval de verwerper of verwerpers op eer verklaren in de akte dat volgens hun kennis het netto actief van de nalatenschap niet meer bedraagt dan 5 000 euro, wordt de verklaring van verwerping bedoeld in het eerste lid, kosteloos verleden en geregistreerd en wordt zij vrijgesteld van de betaling van recht op geschriften en bekendmakingskosten. Elke drie jaar, op 1 augustus, wordt het bedrag van 5 000 euro van rechtswege aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand die aan de aanpassing voorafgaat. Het aanvangsindexcijfer is het indexcijfer van de maand juli 2017. Art. 4.45. Gevolgen van de verwerping Het aandeel van hem die de nalatenschap verwerpt, komt ten goede aan zijn afstammelingen, indien plaatsvervulling plaatsvindt. Zo niet, komt zijn aandeel door aanwas ten goede aan de andere erfgerechtigden in dezelfde graad. Indien de verwerper alleen is in zijn graad, vervalt het aan de overige erfgerechtigden die tot deze nalatenschap geroepen zijn. Art. 4.46. Schuldeisers De schuldeisers van hem die met benadeling van hun rechten een nalatenschap verwerpt, kunnen zich door de rechter doen machtigen om de nalatenschap uit hoofde van hun schuldenaar in zijn plaats te aanvaarden. In dit geval is de verwerping alleen ten voordele van de schuldeisers en slechts tot het bedrag van hun schuldvorderingen vernietigd. Zij is het niet ten voordele van de erfgerechtigde die de nalatenschap verworpen heeft. Art. 4.47. Intrekking van de verwerping Zolang tegen erfgerechtigden die een nalatenschap verworpen hebben, geen verjaring is verkregen van het recht om te aanvaarden, blijven zij bevoegd om de nalatenschap alsnog te aanvaarden, indien deze niet reeds door andere erfgenamen is aanvaard; zonder evenwel afbreuk te doen aan de rechten die door derden op de goederen van de nalatenschap mochten zijn verkregen, hetzij door verjaring, hetzij door handelingen die wettig verricht zijn met de curator van de onbeheerde nalatenschap. Art. 4.48. Heling en verval van het recht op verwerping De erfgenaam of de erfgerechtigde die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de nalatenschap, om hieruit voor zichzelf, ten nadele van zijn mede-erfgenamen of van de schuldeisers van de nalatenschap, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling. De erfgenaam of de erfgerechtigde die schuldig is aan heling verliest de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen. Ook al zou hij die willen verwerpen, toch blijft hij zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de geheelde goederen of waarden aanspraak te kunnen maken. Deze sanctie kan niet worden ingeroepen tegen de erfgenaam of de erfgerechtigde die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet. Hoofdstuk 4. Aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving Art. 4.49. Uitdrukkelijke keuze vereist § 1. De verklaring waarbij een erfgerechtigde te kennen geeft dat hij de hoedanigheid van erfgenaam slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving aanneemt, moet worden afgelegd ten overstaan van een notaris, in een authentieke akte. § 2. Binnen vijftien dagen volgend op de authentieke akte, wordt de verklaring van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, door toedoen van de notaris en op kosten van de erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, ingeschreven in het centraal erfrechtregister. § 3. Bij aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving wegens onbekwaamheid van de erfgerechtigde, wordt de verklaring afgelegd door de vader en de moeder of door degene van hen die het ouderlijk gezag uitoefent, door de ontvoogde minderjarige, door de voogd of door de bewindvoerder met vertegenwoordigingsopdracht. Er wordt vervolgens gehandeld overeenkomstig paragraaf 2. De vrederechter ziet toe op de inachtneming van deze vormen. In geval van belangentegenstelling tussen de onbekwame en zijn wettelijke vertegenwoordiger, wordt door de vrederechter, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende, hetzij ambtshalve, een voogd ad hoc of een bewindvoerder ad hoc aangewezen. § 4. Een uittreksel uit de verklaring van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving wordt bekendgemaakt door een mededeling in het Belgisch Staatsblad, door toedoen van de notaris en op kosten van de erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, met verzoek aan de schuldeisers en legatarissen om, bij aangetekende zending, hun rechten te doen kennen binnen drie maanden te rekenen van de datum van die bekendmaking. Dat uittreksel vermeldt enkel de volgende gegevens met betrekking tot de erflater:

  1. a)de naam en voorna(a)m(en);
  2. b)het rijksregisternummer;
  3. c)de geboorteplaats en -datum;
  4. d)de woonplaats of de gewone verblijfplaats;
  5. e)de plaats en de datum van overlijden;
  6. f)de gekozen woonplaats voor de verzending van de aangetekende zending vermeld in het eerste lid. De identiteit van de aangever wordt niet vermeld in dat uittreksel. Behoudens later bewijs van de werkelijkheid van hun schuldvorderingen, maken de schuldeisers en legatarissen zich bekend bij aangetekende zending, gericht aan de woonplaats die de erfgenaam gekozen heeft en die in de opgenomen verklaring is vermeld. Art. 4.50. Boedelbeschrijving vereist De verklaring waarbij een erfgerechtigde aanvaardt onder voorrecht van boedelbeschrijving, heeft slechts kracht voor zover zij is voorafgegaan of gevolgd door een getrouwe en nauwkeurige boedelbeschrijving van de goederen van de nalatenschap, in de vorm door het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven. Art. 4.51. Verval van het voorrecht Het voorrecht van boedelbeschrijving vervalt voor de erfgenaam die schuldig is aan heling, of die, wetens en willens en te kwader trouw, verzuimd heeft goederen van de nalatenschap in de boedelbeschrijving te doen opnemen. Art. 4.52. Gevolgen van het voorrecht Ingevolge het voorrecht van boedelbeschrijving wordt de vermenging van de boedels verhinderd ten aanzien van de erfgenaam zowel als ten aanzien van de schuldeisers en de legatarissen. De erfgenaam behoudt tegen de nalatenschap de rechten die hij had tegen de erflater. Hij is tot de betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap slechts gehouden op de goederen die hij verkrijgt. De schuldeisers van de nalatenschap en de legatarissen worden uit die goederen betaald bij voorkeur boven de persoonlijke schuldeisers van de erfgenaam. Art. 4.53. Beheer en vereffening door de erfgenaam De erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard, is belast met het beheer en de vereffening van de goederen van de nalatenschap. Hij moet van zijn beheer rekening en verantwoording doen aan de schuldeisers en de legatarissen. Hij kan geen dading treffen, geen compromis aangaan, noch de goederen met hypotheken of andere zakelijke lasten bezwaren, zonder machtiging van de rechter. Hij kan in zijn persoonlijke goederen niet verder worden aangesproken dan tot het bedrag dat hij als overschot heeft ontvangen. Art. 4.54. Beheer en vereffening door een beheerder § 1. De erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, kan zich ontheffen van de zorg om de nalatenschap te beheren en te vereffenen. Hij moet vooraf, onder indiening van een verzoekschrift, bij beschikking van de familierechtbank, een beheerder doen benoemen, aan wie hij alle goederen van de nalatenschap overgeeft onder verplichting om ze met inachtneming van de hierna bepaalde regels te vereffenen. § 2. Ingeval de belangen van de schuldeisers van de nalatenschap of van de legatarissen in het gedrang kunnen komen wegens nalatigheid van de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam of wegens zijn vermogenstoestand, kan iedere belanghebbende vorderen dat deze wordt vervangen door een beheerder die de nalatenschap moet vereffenen. Die beheerder wordt benoemd bij een beschikking in kort geding, de erfgenaam gehoord of vooraf opgeroepen. § 3. De beschikking tot aanwijzing van een beheerder in toepassing van de paragrafen 1 en 2 wordt binnen de vijftien dagen opgenomen in het centraal erfrechtregister. § 4. De beheerder, benoemd ingevolge de paragrafen 1 en 2, heeft dezelfde macht als die waarover de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam zelf beschikte. Hij heeft dezelfde verplichtingen als de erfgenaam. Hij is ontslagen van borgstelling. Art. 4.55. Vereffeningsverrichtingen § 1. De verkoop van de roerende of onroerende goederen geschiedt in de vorm, door het Gerechtelijk Wetboek bepaald. Indien de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam deze goederen niet verkoopt, is hij slechts verantwoordelijk voor de waardevermindering of de beschadiging door zijn nalatigheid veroorzaakt. § 2. De onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam is verplicht, indien de schuldeisers of andere belanghebbenden het vorderen, een solvabele borg te stellen voor de waarde van de in de boedelbeschrijving begrepen roerende goederen en voor het gedeelte van de prijs van de onroerende goederen dat niet aan de hypothecaire schuldeisers is overgewezen, met behoud van de toepassing van artikel 4.54, § 2. Indien hij in gebreke blijft een zodanige borg te stellen, worden de roerende goederen verkocht en wordt de prijs daarvan, evenals het niet overgewezen gedeelte van de prijs van de onroerende goederen, in bewaring gesteld, om tot voldoening van de lasten van de nalatenschap te dienen. § 3. Bij vrijwillige aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, mag de erfgenaam geen niet-bevoorrechte schuldeiser of legataris betalen vóór het verstrijken van de termijn, gesteld in artikel 4.49, § 4, eerste lid. Hij mag evenwel de schuldvorderingen vermeld in artikel 19 van de wet van 16 december 1851, betalen volgens hun rang. § 4. Na het verstrijken van die termijn kan de betaling, indien niet alle bekende schuldeisers het eens zijn om een minnelijke schikking te treffen, alleen geschieden in de volgorde en op de wijze, door de rechter bepaald. § 5. De kosten van de verzegeling, indien zegels zijn gelegd, van de boedelbeschrijving en van het opmaken van de rekening, komen ten laste van de nalatenschap. Art. 4.56. Schuldeisers die zich later melden Schuldeisers die ten tijde van een eerste betaling niet bekend waren maar zich achteraf aanmelden, hebben verhaal op de betaalde legatarissen gedurende een termijn van drie jaar te rekenen van de dag dat de rekening is aangezuiverd en het overschot betaald. Zij hebben geen verhaal tegen de reeds betaalde schuldeisers, maar zijn gerechtigd van het nog niet verdeelde actief het uit te keren bedrag af te nemen dat bij de eerste verdelingen aan hun schuldvorderingen toekwam. Art. 4.57. Vereffening bij niet eenstemmige keuze Aanvaarden sommige erfgenamen de nalatenschap zuiver en andere onder voorrecht van boedelbeschrijving, dan gelden de regelen inzake voorrecht van boedelbeschrijving die op de vorm van vereffening of op het vervolgingsrecht van de schuldeisers betrekking hebben voor de gehele nalatenschap tot bij de verdeling. In dat geval kan de rechtbank de vereffening van de gehele nalatenschap opdragen aan een erfgenaam naar haar keuze, onder verplichting, voor deze erfgenaam, die in het vonnis bepaalde zekerheid te stellen. Tijdens de vereffening kan geen erfgenaam in zijn persoonlijke goederen aangesproken worden. Na de verdeling blijven de gevolgen van de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving alleen bestaan ten aanzien van de erfgenamen die in deze vorm hebben aanvaard. Hoofdstuk 5. Onbeheerde nalatenschappen Art. 4.58. Vereffening van een onbeheerde nalatenschap § 1. Wanneer, na het verstrijken van de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad, zich niemand aanmeldt om een nalatenschap op te vorderen, geen erfgenaam bekend is of de bekende erfgerechtigden de nalatenschap hebben verworpen, wordt deze als onbeheerd beschouwd. § 2. De door de familierechtbank, overeenkomstig artikel 1228 van het Gerechtelijk Wetboek aangewezen curator is gehouden de staat van nalatenschap door een boedelbeschrijving te doen vaststellen. Hij beheert de nalatenschap. De bepalingen van hoofdstuk 4 betreffende de tegeldemaking van het actief en de betaling van het passief door de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam, zijn van toepassing. Hoofdstuk 6. Bewijs van erfgenaamschap Art. 4.59. Akten of attesten van erfopvolging § 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, geeft een schuldenaar te goeder trouw bevrijdend tegoeden van een erflater vrij, indien dit gebeurt, ofwel aan of op instructie van de personen aangewezen in een attest of een akte van erfopvolging, ofwel aan of op instructie van een gerechtsmandataris, na voorlegging:
  7. a)van een attest van erfopvolging opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie;of
  8. b)van een attest of akte van erfopvolging opgesteld door een notaris. Het attest of de akte van erfopvolging wordt op verzoek van een belanghebbende afgeleverd met het oog op de in het eerste lid bedoelde vrijgave van tegoeden. § 2. De afgeleverde akte of het afgeleverde

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.