📄 Wettekst
19 JANUARI 2022. - Wet houdende boek 2, titel 3, "Relatievermogensrecht" en boek 4 "Nalatenschappen, schenkingen en testamenten" van het Burgerlijk Wetboek (1)
FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Inhoud van boek 2, titel 3, "Relatievermogensrecht" van het Burgerlijk Wetboek Art. 2.Boek 2, titel 3, van het Burgerlijk Wetboek ingevoerd bij artikel 2 van de
wet van 13 april 2019Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/05/1900
pub.
09/10/2009
numac
2009000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten1 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van boek 8 "Bewijs" in dat Wetboek, bevat de volgende bepalingen: "Boek 2. Personen, familie en relatievermogensrecht Titel 3. Relatievermogensrecht Ondertitel 1. Huwelijksvermogensrecht Hoofdstuk 1. Huwelijksovereenkomsten Art. 2.3.1. Contractsvrijheid De echtgenoten kiezen of wijzigen vrij hun huwelijksstelsel in een contract dat "huwelijksovereenkomst" wordt benoemd, voor zover zij niets bedingen dat strijdig is met een dwingende regel of met de openbare orde, of met het vereiste van coherentie van hun huwelijksstelsel.
Art. 2.3.2. Toegelaten erfovereenkomst Indien een van de echtgenoten een of meer afstammelingen heeft die voortkomen uit een andere relatie van voor hun huwelijk of die geadopteerd werden voor hun huwelijk, of afstammelingen van de geadopteerden, kunnen de echtgenoten, in hun huwelijksovereenkomst, geheel of ten dele, zelfs zonder wederkerigheid, een regeling treffen over de rechten die de ene in de nalatenschap van de andere kan uitoefenen.
Deze regeling doet geen afbreuk aan het recht van de ene, om bij testament of bij akte onder de levenden te beschikken ten gunste van de andere.
Ze kan in geen geval aan de langstlevende het recht van bewoning ontnemen van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende het gezin tot voornaamste woning diende en het onoverdraagbare recht van vruchtgebruik van het daarin aanwezige huisraad voor een periode van zes maanden vanaf de dag van het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende.
De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op deze regeling.
Art. 2.3.3. Algemeen verwoorde keuze De echtgenoten mogen geen huwelijksstelsel kiezen door eenvoudige verwijzing naar een opgeheven wetgeving.
Zij kunnen verklaren een van de stelsels aan te nemen, waarin deze ondertitel voorziet.
Art. 2.3.4. Minderjarigen Indien de familierechtbank het leeftijdsvereiste voor het aangaan van het huwelijk heeft opgeheven, mag de minderjarige ook een huwelijksstelsel kiezen of die keuze nog voor het sluiten van zijn huwelijk wijzigen, voor zover hij wordt bijgestaan door zijn ouders, door een van hen, of, bij ontstentenis daarvan, met de toestemming van de familierechtbank.
Met deze bijstand of die toestemming mag een minderjarige ook tijdens het huwelijk zijn huwelijksstelsel wijzigen.
Art. 2.3.5. Beschermde meerderjarigen De beschermde persoon die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werd verklaard om zijn huwelijksstelsel te kiezen of te wijzigen, kan dit alsnog doen na hiertoe, op zijn verzoek, te zijn gemachtigd door de vrederechter, op basis van het door de notaris opgestelde ontwerp.
In bijzondere gevallen kan de vrederechter de bewindvoerder machtigen alleen op te treden of hem toestaan de beschermde persoon bij te staan. Bij het verzoekschrift wordt een kopie gevoegd van de notariële ontwerpakte.
Art. 2.3.6. Vormvereiste Alle huwelijksovereenkomsten, ongeacht of ze voor of tijdens het huwelijk worden gesloten, worden, op straffe van nietigheid, bij notariële akte vastgesteld.
Art. 2.3.7. Wijziging vóór het huwelijk Indien de toekomstige echtgenoten hun huwelijksstelsel willen wijzigen vooraleer hun huwelijk voltrokken is, zijn de aanwezigheid en de gelijktijdige toestemming vereist van alle personen die bij hun eerdere huwelijksovereenkomst partij zijn geweest.
Art. 2.3.8. Wijziging tijdens het huwelijk § 1. De echtgenoten kunnen tijdens het huwelijk hun huwelijksvermogensstelsel wijzigen naar goeddunken en zelfs een ander stelsel aannemen. § 2. Een voorafgaande boedelbeschrijving van alle roerende en onroerende goederen en van de schulden van de echtgenoten is vereist indien de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel de vereffening van het vorige stelsel tot gevolg heeft.
Deze boedelbeschrijving wordt vastgesteld bij notariële akte. § 3. Indien de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel de vereffening van het vorige stelsel niet tot gevolg heeft, wordt de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel door een boedelbeschrijving voorafgegaan indien één van de echtgenoten erom verzoekt.
In dat geval kan de boedelbeschrijving worden opgemaakt op grond van verklaringen, voor zover beide echtgenoten hiermee akkoord gaan.
Art. 2.3.9. Bekendmaking De notaris voor wie een huwelijksovereenkomst is verleden, schrijft deze akte in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in.
Een buitenlandse akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel kan, indien zij voldoet aan de voorwaarden voor de erkenning ervan in België, worden vermeld op de kant van een akte die door een Belgische notaris is opgesteld en bij die akte worden gevoegd. Deze formaliteit wordt verricht met het oog op de bekendmaking van de wijziging en heeft niet tot gevolg dat deze aan derden kan worden tegengeworpen.
Art. 2.3.10. Gevolgen voor de echtgenoten De huwelijksovereenkomst die voor de voltrekking van het huwelijk is gesloten, heeft tussen de echtgenoten uitwerking vanaf de voltrekking van het huwelijk, niettegenstaande enige andersluidende overeenkomst.
De huwelijksovereenkomst die tijdens het huwelijk is gesloten, heeft tussen de echtgenoten uitwerking vanaf de datum van de akte.
Art. 2.3.11. Gevolgen voor derden De huwelijksovereenkomst die voor de voltrekking van het huwelijk is gesloten, heeft tegenover derden uitwerking vanaf de voltrekking van het huwelijk, voor zover ze is ingeschreven in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten. Bij gebrek aan deze inschrijving kunnen de van het wettelijk stelsel afwijkende bepalingen niet worden tegengeworpen aan derden die, onbekend met de huwelijksovereenkomst, overeenkomsten met de echtgenoten hebben aangegaan.
De huwelijksovereenkomst die tijdens het huwelijk is gesloten, heeft tegenover derden uitwerking vanaf de inschrijving ervan in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten, behoudens indien de echtgenoten hen van de wijzigingen op de hoogte hebben gebracht, in de overeenkomsten die ze met hen sloten.
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen Art. 2.3.12. Wettelijk stelsel als gemeen recht Behoudens bijzondere overeenkomsten vormen de regels van het wettelijk stelsel, bepaald in hoofdstuk 3 van deze ondertitel, het gemeen recht.
Indien de echtgenoten vooraf geen huwelijksstelsel hebben gekozen, heeft het wettelijk stelsel uitwerking vanaf de voltrekking van het huwelijk, niettegenstaande enige andersluidende overeenkomst.
Art. 2.3.13. Preferentiële toewijzing bij overlijden Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door het overlijden van een van de echtgenoten, kan de langstlevende, tegen opleg indien daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen, voor zover deze behoren tot het gemeenschappelijk vermogen of tot het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is: 1° een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient;2° het aldaar aanwezige huisraad;3° de goederen die hij aanwendt voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf. Art. 2.3.14. Preferentiële toewijzing bij echtscheiding § 1. Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door echtscheiding op grond van artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek, door de scheiding van tafel en bed of door de gerechtelijke scheiding van goederen, kan elk van de echtgenoten binnen de vereffeningsprocedure aan de familierechtbank te zijnen voordele toepassing van artikel 2.3.13 vragen. § 2. De rechtbank beslist met inachtneming van de belangen die ieder van de echtgenoten kan laten gelden en rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die de opleg desgevallend zal moeten betalen.
Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5 en 422bis van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 375, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van hetzelfde Wetboek, indien de andere echtgenoot door in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden.
Art. 2.3.15. Heling De echtgenoot die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de gemeenschap, van de tussen echtgenoten bestaande onverdeeldheden, of, in geval van een stelsel van scheiding van goederen met beding van verrekening, van de verrekenmassa, om hieruit voor zichzelf, ten nadele van de andere echtgenoot, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling.
De echtgenoot die schuldig is aan heling verliest zijn aandeel in de geheelde goederen of waarden of wordt, desgevallend, gesanctioneerd ten belope van de geheelde goederen of waarden bij de berekening van de verrekenvordering.
Deze sanctie kan niet worden opgelegd aan de echtgenoot die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet.
Hoofdstuk 3. Wettelijk stelsel Afdeling 1. Eigen vermogens en gemeenschappelijk vermogen
Onderafdeling 1. Algemene bepaling Art. 2.3.16. Drie vermogens Het wettelijk stelsel berust op het bestaan van drie vermogens: het eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten, zoals die worden omschreven in dit hoofdstuk.
Onderafdeling 2. Baten van de eigen vermogens Art. 2.3.17. Voorhuwelijkse goederen, nalatenschappen en giften Eigen zijn de goederen en schuldvorderingen die aan elk van beide echtgenoten toebehoren op de dag van het huwelijk en die welke ieder van hen tijdens het stelsel verkrijgt door een nalatenschap of een gift.
Art. 2.3.18. Eigen met vergoedingsplicht Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging en behoudens vergoeding indien daartoe aanleiding bestaat: 1° het toebehoren van eigen goederen of rechten;2° de goederen aan een van de echtgenoten overgedragen door een van zijn verwanten in de opgaande lijn, hetzij om te voldoen wat hij hem verschuldigd is, hetzij onder verplichting een schuld van die verwant aan een derde te betalen;3° het aandeel door een van de echtgenoten verkregen in een goed waarvan hij reeds mede-eigenaar is;4° de goederen en rechten die ten gevolge van zaakvervanging in de plaats treden van eigen goederen, alsook de goederen verkregen uit belegging of wederbelegging;5° de vorderbare netto-afkoopwaarde, op het moment van de ontbinding van het stelsel, verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten, indien de verzekeringsprestatie niet verschuldigd is bij de ontbinding van het stelsel;6° de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten, en die bij de ontbinding van het stelsel ten voordele van die echtgenoot verschuldigd is. Art. 2.3.19. Eigen ten persoonlijke titel § 1. Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging: 1° de klederen en voorwerpen voor persoonlijk gebruik;2° het literaire, artistieke of industriële eigendomsrecht;3° het recht op een pensioen, lijfrente of soortgelijke uitkering, dat een van de echtgenoten alleen bezit;4° het recht op herstel van persoonlijke lichamelijke of morele schade;5° de lidmaatschapsrechten verbonden aan vennootschapsaandelen die met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen en op naam van één echtgenoot zijn ingeschreven, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze aandelen te handelen, voor zover het gaat, hetzij om een vennootschap die onderworpen is aan wettelijke of statutaire regels, of overeenkomsten tussen vennoten, die de overdracht van aandelen beperken, hetzij om een vennootschap waarin enkel die echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent;6° het recht op goederen die een echtgenoot exclusief voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf aanwendt, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze beroepsgoederen te handelen, tenzij de echtgenoten samen dat beroep uitoefenen of dat bedrijf uitbaten;7° het recht op cliënteel, met inbegrip van het recht om als eigenaar van het cliënteel te handelen, tenzij het cliënteel is opgebouwd of verworven binnen een beroep dat de echtgenoten samen uitoefenen of een bedrijf dat ze samen uitbaten. § 2. Eveneens eigen zijn: 1° de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover deze vergoeding strekt tot herstel van zijn persoonlijke ongeschiktheid, die betrekking heeft op de niet economisch waardeerbare gevolgen van de aantasting van de fysieke en psychische integriteit in zijn dagelijks leven;2° de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het stelsel gesloten is, indien ze bij de ontbinding van het stelsel ten voordele van de andere echtgenoot verschuldigd is. Onderafdeling 3. Bewijs en wederbelegging Art. 2.3.20. Bewijs Ten aanzien van derden wordt het eigendomsrecht van elk van de echtgenoten op een goed dat niet van persoonlijke aard is, bij gebreke van boedelbeschrijving of tegen een bezit volgens de bepalingen van artikel 3.21, bewezen aan de hand van titels met vaste dagtekening, van bescheiden van een openbare dienst of vermeldingen in regelmatig gehouden of opgemaakte registers, bescheiden of borderellen door de wet opgelegd of door het gebruik bekrachtigd.
Tussen de echtgenoten onderling mag het bewijs van eigendom van dezelfde goederen of van schuldvorderingen geleverd worden door alle bewijsmiddelen.
Art. 2.3.21. Wederbelegging Wederbelegging wordt geacht te zijn gedaan ten aanzien van een van de echtgenoten, wanneer deze bij de aankoop van een onroerend goed verklaard heeft dat de aankoop geschiedt om hem tot wederbelegging te dienen en voor meer dan de helft betaald is uit de opbrengst van de vervreemding van een eigen onroerend goed of uit gelden waarvan het eigen karakter behoorlijk is aangetoond.
De echtgenoot die een onroerend goed verkrijgt door middel van gemeenschappelijke gelden, kan in de akte een verklaring van vervroegde wederbelegging doen. Voor zover de echtgenoot binnen twee jaar na de datum van de akte meer dan de helft terugbetaalt van het bedrag dat uit het gemeenschappelijk vermogen is opgenomen, wordt het verkregen goed een eigen goed te rekenen van de terugbetaling.
Wederbelegging wordt geacht te zijn gedaan ten aanzien van een echtgenoot wanneer komt vast te staan dat de verkrijging van roerende goederen voor meer dan de helft betaald is uit gelden of uit de opbrengst van de vervreemding van andere goederen waarvan het karakter van eigen goed is aangetoond overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2.3.17 tot 2.3.20.
Onderafdeling 4. Baten van het gemeenschappelijk vermogen Art. 2.3.22. Gemeenschappelijke goederen § 1. Gemeenschappelijk zijn: 1° de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk van de echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten;de opzeggingsvergoeding en andere uitkeringen waarop een echtgenoot wegens beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst gerechtigd is, voor het deel daarvan dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die tijdens het stelsel loopt; 2° de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen goederen;3° de goederen geschonken of vermaakt aan de twee echtgenoten samen of aan een van hen onder beding dat die goederen gemeenschappelijk zullen zijn;4° de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover deze vergoeding strekt tot herstel van zijn huishoudelijke of economische ongeschiktheid tijdens het stelsel; 5° de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 2.3.19, § 1, 5° ; 6° de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 6° ; 7° de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd of verworven, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 7°. § 2. Eveneens gemeenschappelijk is de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten en tijdens het stelsel aan een van hen verschuldigd is. Indien de prestatie als kapitaal wordt uitbetaald, is het volledige bedrag ervan gemeenschappelijk. Indien de prestatie als rente wordt uitbetaald, zijn zowel de rentebedragen die tijdens het stelsel zijn uitbetaald als de reserve die overeenstemt met de na de ontbinding van het stelsel nog verschuldigde rentes, gemeenschappelijk. § 3. Zijn ten slotte ook gemeenschappelijk, alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een van de echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.
Onderafdeling 5. Lasten van de eigen vermogens en van het gemeenschappelijk vermogen Art. 2.3.23. Eerder aangegane schulden en schulden ten laste van nalatenschappen en giften De schulden van de echtgenoten die dateren van vóór het stelsel en de schulden ten laste van nalatenschappen en giften die hun toevallen tijdens het stelsel, blijven eigen schulden.
Art. 2.3.24. Overige eigen schulden Eigen zijn: 1° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan in het uitsluitend belang van zijn eigen vermogen;2° de schulden ontstaan uit een persoonlijke of zakelijke zekerheid door een van de echtgenoten gesteld in een ander belang dan dat van het gemeenschappelijk vermogen;3° de schulden behorende tot een door een van de echtgenoten uitgeoefend beroep dat hem verboden is krachtens artikel 216 van het oud Burgerlijk Wetboek, of ontstaan uit handelingen die een van de echtgenoten niet mocht verrichten zonder de medewerking van de andere echtgenoot of zonder rechterlijke machtiging;4° de schulden ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling of uit een onrechtmatige daad begaan door een van de echtgenoten. Art. 2.3.25. Gemeenschappelijke schulden § 1. Gemeenschappelijk zijn: 1° de schulden aangegaan door beide echtgenoten, gezamenlijk of hoofdelijk;2° de schulden aangegaan door een van de echtgenoten ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen;3° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan in het belang van het gemeenschappelijk vermogen;4° de schulden ten laste van giften, aan de twee echtgenoten gezamenlijk of aan een van hen gedaan onder beding dat de gegeven of vermaakte goederen gemeenschappelijk zullen zijn;5° de interest van de eigen schulden van een van de echtgenoten;6° de onderhoudsschulden jegens afstammelingen van een van de echtgenoten. § 2. Zijn eveneens gemeenschappelijk, de schulden waarvan niet bewezen is dat zij aan een van de echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling. Afdeling 2. Rechten van de schuldeisers
Art. 2.3.26. Eigen schulden § 1. Met behoud van de toepassing van de paragrafen 2 tot 4, kan een eigen schuld van een van de echtgenoten slechts verhaald worden op diens eigen vermogen en inkomsten. § 2. De schulden die krachtens artikel 2.3.23 eigen zijn aan een van de echtgenoten, kunnen worden verhaald op het gemeenschappelijk vermogen, in zoverre het verrijkt is door opneming van eigen goederen van de schuldenaar.
Het bewijs van de verrijking, dat rust op de schuldeiser, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen. § 3. Schulden behorende tot een door een van de echtgenoten uitgeoefend beroep dat hem verboden is met toepassing van artikel 216 van het oud Burgerlijk Wetboek, of ontstaan uit handelingen die een van de echtgenoten niet mocht verrichten zonder de medewerking van de andere echtgenoot of zonder rechterlijke machtiging, kunnen op het gemeenschappelijk vermogen niet worden verhaald dan in zoverre het uit dat beroep of die handelingen voordeel heeft getrokken.
Het bewijs van het voordeel, dat rust op de schuldeiser, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen. § 4. Dezelfde regels gelden voor de schulden ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling van een van de echtgenoten of uit een onrechtmatige daad door hem begaan.
Indien het eigen vermogen van de echtgenoot-schuldenaar ontoereikend is, kunnen deze schulden bovendien op het gemeenschappelijk vermogen worden verhaald ten belope van de helft van zijn netto-baten.
Art. 2.3.27. Gezamenlijk aangegane schulden Een schuld aangegaan door de twee echtgenoten, zelfs in verschillende hoedanigheid, kan zowel verhaald worden op het eigen vermogen van ieder van hen als op het gemeenschappelijk vermogen.
Art. 2.3.28. Gemeenschappelijke schulden Gemeenschappelijke schulden kunnen zowel verhaald worden op het eigen vermogen van elk van de echtgenoten als op het gemeenschappelijk vermogen.
Op het eigen vermogen van de niet-contracterende echtgenoot mogen echter niet worden verhaald: 1° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen, wanneer zij lasten meebrengen die, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, buitensporig zijn;2° de interest van de eigen schulden van een van de echtgenoten;3° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan bij de uitoefening van zijn beroep;4° de onderhoudsschulden jegens afstammelingen van een van de echtgenoten. Afdeling 3. Bestuur van het gemeenschappelijk vermogen
Art. 2.3.29. Algemene bepaling Het bestuur omvat alle bevoegdheden van beheer, genot en beschikking.
De echtgenoten besturen het gemeenschappelijk vermogen in het belang van het gezin, naar de regels vervat in deze afdeling.
Art. 2.3.30. Afzonderlijk uit te oefenen bevoegdheden Het gemeenschappelijk vermogen wordt bestuurd door de ene of door de andere echtgenoot die de bestuursbevoegdheden alleen kan uitoefenen, onder verplichting voor ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen.
Art. 2.3.31. Beroepsuitoefening De echtgenoot die een beroep uitoefent, verricht alle bestuurshandelingen die voor deze uitoefening verantwoord zijn alleen.
Wanneer beide echtgenoten samen een zelfde beroep uitoefenen, is beider medewerking vereist voor alle handelingen behalve die van beheer.
Art. 2.3.32. Gezamenlijk uit te oefenen bevoegdheden Met behoud van de toepassing van het bepaalde in artikel 2.3.31, is de toestemming van beide echtgenoten vereist om: 1° voor hypotheek vatbare goederen te verkrijgen, te vervreemden of met zakelijke rechten te bezwaren;2° een handelszaak of enig bedrijf te verkrijgen, over te dragen of in pand te geven;3° een huurovereenkomst voor langer dan negen jaar te sluiten, te vernieuwen of op te zeggen en een handelshuur of pachtovereenkomst toe te staan;4° een hypothecaire schuldvordering over te dragen of in pand te geven;5° de prijs van een vervreemd onroerend goed of de terugbetaling van een hypothecaire schuldvordering in ontvangst te nemen en opheffing te verlenen van hypothecaire inschrijvingen;6° een legaat of een schenking te aanvaarden of te verwerpen, wanneer bedongen is dat de vermaakte of geschonken goederen gemeenschappelijk zullen zijn;7° een lening aan te gaan;8° een consumentenkrediet aan te gaan, behalve wanneer dit krediet noodzakelijk is voor de huishouding of de opvoeding van de kinderen. Art. 2.3.33. Schenking De ene echtgenoot kan zonder de toestemming van de andere niet onder de levenden beschikken om niet over goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen.
Art. 2.3.34. Weigering of onmogelijkheid tot wilsuiting Indien een echtgenoot zonder wettige reden weigert toestemming te geven of indien hij in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven, kan de andere echtgenoot zich door de familierechtbank laten machtigen om een van de handelingen genoemd in de artikelen 2.3.31, tweede lid, 2.3.32 en 2.3.33, alleen te verrichten.
Art. 2.3.35. Verbod of machtiging als beschermingsmaatregel Iedere echtgenoot kan aan de familierechtbank vragen dat aan de andere echtgenoot verbod wordt opgelegd om enige bestuurshandeling te verrichten die hem nadeel kan berokkenen of de belangen van het gezin kan schaden.
De rechtbank kan machtiging verlenen tot het verrichten van die daad of aan haar machtiging bepaalde voorwaarden verbinden.
Art. 2.3.36. Nietigheid als handhavingsmaatregel Op verzoek van een van de echtgenoten die bewijst dat hij een wettig belang heeft en zonder afbreuk te doen aan de rechten van de te goeder trouw zijnde derden, kan de familierechtbank elke handeling nietig verklaren, die de andere echtgenoot heeft verricht: 1° in strijd met de bepalingen van de artikelen 2.3.31, tweede lid, 2.3.32 en 2.3.33; de nietigverklaring van de handelingen genoemd in artikel 2.3.32, 4° tot 8°, vereist bovendien een benadeling; 2° in strijd met een verbod of met de voorwaarden die de rechter heeft gesteld;3° met bedrieglijke benadeling van de rechten van de eiser. Het bewijs van goede trouw moet worden geleverd door de contracterende derde.
Art. 2.3.37. Vordering tot nietigverklaring De vordering tot nietigverklaring moet op straffe van verval worden ingesteld binnen een jaar na de dag waarop de handeling van de andere echtgenoot ter kennis is gekomen van de eiser, en uiterlijk voor de definitieve vereffening van het stelsel.
Indien de echtgenoot overlijdt voordat het verval is ingetreden, beschikken zijn erfgenamen vanaf het overlijden over een nieuwe termijn van een jaar.
Art. 2.3.38. Legaten De legaten die een van de echtgenoten maakt van het geheel of een deel van het gemeenschappelijk vermogen, mogen zijn aandeel in dat vermogen niet te boven gaan.
Heeft het legaat betrekking op bepaalde goederen, dan kan de legataris ze alleen dan in natura opeisen wanneer die goederen, ten gevolge van de verdeling, toevallen aan de erfgenamen van de erflater; in het tegenovergestelde geval heeft de legataris ten laste van de nalatenschap van de erflater recht op de waarde van de vermaakte goederen, behoudens inkorting in beide gevallen indien daartoe grond bestaat. Afdeling 4. Bestuur van het eigen vermogen
Art. 2.3.39. Alleenbestuur Iedere echtgenoot bestuurt zijn eigen vermogen alleen, met behoud van de toepassing van het bepaalde in artikel 215, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek. Afdeling 5. Gemeenschappelijke bepaling met betrekking tot het bestuur
van de eigen vermogens en het gemeenschappelijk vermogen Art. 2.3.40. Ontnemen van bestuursbevoegdheid § 1. Indien een van de echtgenoten blijk geeft van ongeschiktheid in het bestuur van het gemeenschappelijk vermogen zowel als van zijn eigen vermogen of de belangen van het gezin in gevaar brengt, kan de andere echtgenoot vorderen dat de bestuursbevoegdheden hem geheel of gedeeltelijk worden ontnomen.
De familierechtbank kan dat bestuur opdragen, hetzij aan de eiser, hetzij aan een derde, die zij aanwijst.
Die beslissing kan worden herroepen, indien de redenen waarop zij gegrond was, komen te vervallen. § 2. De griffier van het rechtscollege dat een rechterlijke beslissing heeft uitgesproken waarbij aan een van de echtgenoten zijn bestuursbevoegdheden worden ontnomen of teruggegeven, stelt, wanneer deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, het centraal register voor huwelijksovereenkomsten hiervan in kennis. § 3. Indien de echtgenoot aan wie het bestuur onttrokken of teruggegeven wordt, zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent waarvoor hij in de Kruispuntbank van Ondernemingen moet ingeschreven zijn, geeft de griffier daarvan kennis aan die Kruispuntbank. § 4. Artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek is mede van toepassing. Afdeling 6. Ontbinding van het wettelijk stelsel
Onderafdeling 1. Algemene bepalingen Art. 2.3.41. Oorzaken van ontbinding Het wettelijk stelsel wordt ontbonden door: 1° het overlijden van een van de echtgenoten;2° de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed;3° de gerechtelijke scheiding van goederen;4° de overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel. Art. 2.3.42. Boedelbeschrijving In geval van ontbinding van het wettelijk stelsel door het overlijden van een van de echtgenoten, door gerechtelijke scheiding van goederen, door echtscheiding of scheiding van tafel en bed op een van de gronden vermeld in artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek, zijn de echtgenoten of is de langstlevende echtgenoot gehouden een boedelbeschrijving op te maken van de gemeenschappelijke roerende goederen en schulden.
Deze boedelbeschrijving, waarvan de inhoud geregeld wordt bij de artikelen 1175 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, mag onderhands geschieden, wanneer alle belanghebbende meerderjarige partijen daarmee instemmen en ingeval er minderjarigen of beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om goederen te vervreemden, wanneer de vrederechter aangezocht bij verzoekschrift daarmee instemt.
Zij moet opgemaakt worden binnen drie maanden na het overlijden, na de melding van de echtscheiding of van de scheiding van tafel en bed op de huwelijksakte, of de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het uittreksel uit de beslissing die de scheiding van goederen uitspreekt.
Bij gebreke van een boedelbeschrijving binnen die termijn kan elke belanghebbende partij de omvang van het gemeenschappelijk vermogen bewijzen door alle bewijsmiddelen.
Art. 2.3.43. Gevolgen van de ontbinding § 1. De ontbinding van het stelsel heeft vereffening en verdeling ten gevolge.
Vooraf wordt voor elke echtgenoot een rekening opgemaakt van de vergoedingen tussen het gemeenschappelijk vermogen en zijn eigen vermogen.
Vervolgens wordt overgegaan tot de verrekening van de lasten, de verrekening van de vergoedingen en de verdeling van de netto-baten. § 2. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verdeling en veiling en die van het Burgerlijk Wetboek betreffende de verdeling van nalatenschappen zijn van overeenkomstige toepassing. § 3. Voor de volgende goederen wordt in de te verdelen boedel de waarde op het tijdstip van ontbinding van het stelsel, en niet op het tijdstip van verdeling opgenomen: 1° de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 2.3.19, § 1, 5° ; 2° de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 6° ; 3° de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd of verworven, als het recht op dat cliënteel eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 7°. § 4. De erfgenamen van de echtgenoten hebben dezelfde rechten en dezelfde verplichtingen als de echtgenoot die zij vertegenwoordigen.
Onderafdeling 2. Vergoedingsrekeningen Art. 2.3.44. Vergoedingen aan het gemeenschappelijk vermogen Elk van de echtgenoten is vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.
De echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem eigen zijn, is aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd voor de netto beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen die vennootschap was uitgeoefend.
Aan het gemeenschappelijk vermogen is eveneens vergoeding verschuldigd ten belope van de schade die het heeft geleden wegens een van de handelingen bedoeld in artikel 2.3.36, indien die schade niet geheel is hersteld door de nietigverklaring van de handeling of indien de nietigverklaring niet is gevraagd of verkregen.
Art. 2.3.45. Vergoedingen aan het eigen vermogen Het gemeenschappelijk vermogen is vergoeding verschuldigd ten belope van de eigen of uit vervreemding van een eigen goed voortkomende gelden die in dat vermogen zijn gevallen en niet zijn belegd of wederbelegd, alsook, in het algemeen, telkens als het voordeel heeft getrokken uit de eigen goederen van een van de echtgenoten.
Art. 2.3.46. Omvang en bewijs van de vergoedingen De vergoeding mag niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.
Het recht op vergoeding kan door alle bewijsmiddelen worden bewezen.
De vergoedingen brengen van rechtswege interest op vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel.
Art. 2.3.47. Saldering van de vergoedingsrekeningen De vergoedingen door een van de echtgenoten verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen en de vergoedingen die het gemeenschappelijk vermogen hem verschuldigd is, doen elkaar teniet ten belope van het kleinste bedrag.
Indien beide echtgenoten vergoedingen te vorderen hebben of verschuldigd zijn, doen hun wederzijdse vorderingen en schulden elkaar teniet ten belope van het kleinste bedrag.
Alleen de echtgenoot die de grootste vordering of schuld heeft, zal nog een vergoeding te vorderen of te voldoen hebben ten belope van het verschil tussen de wederzijdse vorderingen of schulden.
Onderafdeling 3. Verrekening van de lasten Art. 2.3.48. Betaling van gemeenschappelijke schulden Zonder afbreuk te doen aan de rechten van de hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, moeten de gemeenschappelijke schulden die overeenkomstig artikel 2.3.28 verhaalbaar zijn op de drie vermogens, worden voldaan vóór de schulden die alleen verhaalbaar zijn op het gemeenschappelijk vermogen en op het vermogen van een van de echtgenoten.
Onderafdeling 4. Verrekening van de vergoedingen Art. 2.3.49. Voldoening van de vergoedingsschuld § 1. De echtgenoot die nog vergoeding verschuldigd is, voldoet die, hetzij door mindere ontvangst, hetzij door betaling, aan de te verdelen boedel, van de waarde van de vergoedingsschuld.
De voldoening door mindere ontvangst gebeurt, hetzij door verrekening op het aandeel van de echtgenoot-schuldenaar, hetzij door vooruitneming door de andere echtgenoot. § 2. De echtgenoot die nog vergoeding te vorderen heeft, neemt ter voldoening hiervan goederen van een gelijke waarde uit de te verdelen boedel vooraf. § 3. Indien de echtgenoten het niet eens worden over de toepassing van paragraaf 1 of paragraaf 2, en met name over de aanwijzing van de vooruit te nemen goederen, wordt het geschil binnen de procedure van gerechtelijke verdeling opgelost.
Behoudens het akkoord van de echtgenoten mag de vooruitneming geen afbreuk doen aan de rechten van toewijzing die de andere echtgenoot bezit op grond van de artikelen 2.3.13 en 2.3.14. § 4. De echtgenoot die zijn vergoeding niet geheel heeft kunnen verhalen op de boedel, wordt schuldeiser van de andere echtgenoot ten belope van de helft van hetgeen hij niet ontvangen heeft.
Onderafdeling 5. Verdeling Art. 2.3.50. Netto-verdeling § 1. Indien er een batig saldo is, wordt dit bij helften verdeeld. § 2. Elk van de echtgenoten staat met al zijn goederen in voor de gemeenschappelijke schulden die overblijven na de verdeling.
Evenwel zal iedere echtgenoot, voor de gemeenschappelijke schulden die tijdens het stelsel niet verhaalbaar waren op zijn eigen vermogen, slechts instaan ten belope van hetgeen hij ontvangen heeft bij de verdeling. § 3. Voor zover in de akte van verdeling niet anders is bepaald, kan de echtgenoot die na de verdeling een gemeenschappelijke schuld betaalt, de helft van hetgeen hij betaald heeft, op de andere echtgenoot verhalen. § 4. Tenzij anders is bedongen, draagt iedere echtgenoot voor de helft bij in de kosten van vereffening en verdeling.
Onderafdeling 6. Schulden tussen echtgenoten Art. 2.3.51. Betaling en interest Schuldvorderingen van de ene echtgenoot op de andere kunnen tijdens het wettelijk stelsel alleen verhaald worden op de eigen goederen van de schuldenaar.
Deze schuldvorderingen brengen van rechtswege interest op, te rekenen van de dag van de ontbinding van het stelsel.
Hoofdstuk 4. Overeenkomsten die het wettelijk stelsel kunnen wijzigen Afdeling 1. Algemene bepaling
Art. 2.3.52. Toegelaten afwijkingen Echtgenoten die een stelsel van gemeenschap van goederen hebben aangenomen, mogen niet afwijken van de regels van het wettelijk stelsel die betrekking hebben op het bestuur over het eigen en het gemeenschappelijk vermogen. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 2.3.1 tot 2.3.3, kunnen zij bij huwelijksovereenkomst elke andere wijziging aanbrengen in het wettelijk stelsel.
Zij kunnen met name overeenkomen: 1° dat het gemeenschappelijk vermogen al hun tegenwoordige en toekomstige goederen of een deel ervan zal omvatten;2° dat er tussen hen algehele gemeenschap zal zijn;3° dat een van de echtgenoten recht zal hebben op een vooruitmaking;4° dat in geval van ontbinding van het huwelijk door het overlijden van een van de echtgenoten, het gemeenschappelijk vermogen in ongelijke delen zal worden verdeeld of geheel aan een van de echtgenoten zal verblijven. Zij blijven onderworpen aan de regels van het wettelijk stelsel waarvan hun huwelijksovereenkomst niet afwijkt. Afdeling 2. Uitbreiding van het gemeenschappelijk vermogen
Art. 2.3.53. Inbreng § 1. Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de tegenwoordige en toekomstige roerende of onroerende goederen, bedoeld in artikel 2.3.17, geheel of ten dele tot het gemeenschappelijk vermogen zullen behoren. § 2. Toekomstige echtgenoten die, voor het aangaan van het huwelijk, de volle eigendom van een onroerend goed verkrijgen, kunnen, voor zover zij ten gevolge van die verkrijging exclusief en ten belope van gelijke delen onverdeelde eigenaren zijn van dit goed, in de akte van eigendomsverkrijging een verklaring van anticipatieve inbreng opnemen.
Door het louter feit van hun huwelijk, zal dit onroerend goed dan tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, alsof ze de inbreng in hun huwelijksovereenkomst hadden bedongen.
De echtgenoten kunnen in hun huwelijksovereenkomst afwijken van het eerste lid.
De notaris schrijft de verklaring van anticipatieve inbreng, bedoeld in het eerste lid, in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in. § 3. De schulden die open staan op het ogenblik van de inbreng en die door de echtgenoot inbrenger werden aangegaan om de ingebrachte goederen te verkrijgen, te verbeteren of in stand te houden, komen ten laste van het gemeenschappelijk vermogen, behoudens andersluidende overeenkomst in de huwelijksovereenkomst of in de verklaring bedoeld in paragraaf 2. § 4. De echtgenoot die bepaalde goederen in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht, kan bij de verdeling de nog in natura aanwezige goederen terugnemen, mits hij ze op zijn aandeel toerekent naar hun waarde ten tijde van de verdeling. Deze bepaling is niet van toepassing op goederen die door beide echtgenoten gezamenlijk zijn ingebracht. § 5. Een echtgenoot die een bepaald goed in het gemeenschappelijk vermogen brengt, waarvan de waarde in de huwelijksovereenkomst wordt vermeld, kan zijn inbreng beperken tot een vastgesteld bedrag.
Tenzij in de huwelijksovereenkomst anders is bedongen, is het gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het stelsel, hem een vergoeding verschuldigd gelijk aan het verschil tussen de waarde van het ingebrachte goed en het bedrag ten belope waarvan het is ingebracht.
Deze vergoeding zal worden geherwaardeerd volgens de waarde van het ingebrachte goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel, indien het zich op dat tijdstip nog in het gemeenschappelijk vermogen bevindt, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.
Art. 2.3.54. Algehele gemeenschap Komen de echtgenoten overeen dat er tussen hen algehele gemeenschap zal zijn, dan brengen zij al hun tegenwoordige en toekomstige goederen in het gemeenschappelijk vermogen, met uitzondering van die welke van persoonlijke aard zijn en van de rechten die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn.
De algehele gemeenschap is in dat geval ook gehouden tot de schulden van de echtgenoten die dateren van voor het stelsel en de schulden ten laste van nalatenschappen en giften die hun tijdens het stelsel toevallen. Afdeling 3. Bedingen tot afwijking van de wijze van vereffening of van
verdeling Art. 2.3.55. Vooruitmaking § 1. Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de langstlevende of een van hen indien die het langst leeft, het recht zal hebben om vóór de verdeling, hetzij een bepaalde geldsom, hetzij bepaalde goederen in natura, hetzij een hoeveelheid of een percentage van een bepaalde categorie van goederen vooraf te nemen uit het gemeenschappelijk vermogen.
De toegekende voordelen worden echter als een schenking beschouwd ten belope van de helft, indien zij tegenwoordige of toekomstige goederen tot voorwerp hebben die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in de huwelijksovereenkomst. § 2. Vooruitgemaakte goederen kunnen in beslag worden genomen voor de betaling van gemeenschappelijke schulden, behoudens verhaal van de begunstigde echtgenoot, wanneer het goederen in natura betreft, op de rest van het gemeenschappelijk vermogen.
Zodanig verhaal is eveneens mogelijk in geval van vervreemding door een van de echtgenoten van een goed dat in natura vooruitgemaakt is.
Art. 2.3.56. Niet gelijke verdeling en verblijvingsbeding Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de langstlevende of een van hen indien hij het langst leeft, bij de verdeling een ander deel dan de helft, of zelfs het gehele vermogen, zal ontvangen.
Indien de echtgenoten bij de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen ongelijke aandelen verkrijgen, zijn zij tot de betaling van de gemeenschappelijke schulden gehouden naar evenredigheid van hun aandeel in de baten, met behoud van de toepassing van artikel 2.3.50, § 2.
Indien de akte van verdeling niet anders bepaalt, kan de echtgenoot die na de verdeling een gemeenschappelijke schuld betaalt boven het aandeel dat hij krachtens het tweede lid moet dragen, het meerdere op de andere echtgenoot verhalen.
Art. 2.3.57. Regel ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen Indien er gemeenschappelijke kinderen zijn, wordt een huwelijksovereenkomst die een voordeel toekent dat uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kan worden verkregen, ten aanzien van hen als een schenking beschouwd voor het aandeel boven de helft dat aan de langstlevende echtgenoot wordt toegewezen in de waarde, op de dag van de toekenning ervan, van de tegenwoordige of toekomstige goederen die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in de huwelijksovereenkomst.
Een kind van een van de echtgenoten dat gewoon of ten volle is geadopteerd door de andere echtgenoot, wordt beschouwd als een gemeenschappelijk kind.
Art. 2.3.58. Regel ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen Ingeval er kinderen zijn die niet gemeenschappelijk zijn, wordt enkel de gelijke verdeling van hetgeen is gespaard op de wederzijdse inkomsten van de echtgenoten, al zijn die ongelijk, aan de toepassing van de regels van de schenkingen onttrokken.
Elke huwelijksovereenkomst die een ruimer voordeel toekent dat een echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen, wordt, ten aanzien van hen, als een schenking beschouwd.
Art. 2.3.59. Verval bij onwaardigheid Elk beding van de huwelijksovereenkomst die een voordeel toekent dat de langstlevende echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen, vervalt indien deze echtgenoot onwaardig is om van de overleden echtgenoot te erven.
De bepalingen inzake onwaardigheid om te erven zijn van overeenkomstige toepassing op de onwaardigheid om voordelen te verkrijgen of te behouden die de langstlevende echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen. Dit is eveneens het geval indien de langstlevende echtgenoot uit de nalatenschap van de overleden echtgenoot gesloten is, hetzij door een ontervend beding, hetzij door een beslissing tot uitsluiting of tot verval van zijn erfrecht.
Art. 2.3.60. Verval bij ontbinding anders dan door overlijden of echtscheiding Met behoud van de toepassing van artikel 4.237, § 4, leidt de ontbinding van het huwelijksstelsel door de overgang naar een gerechtelijke scheiding van goederen of door de conventionele overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel, tot verval van de voordelen die een echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen en die als overlevingsrechten zijn toegekend.
Hoofdstuk 5. Scheiding van goederen Afdeling 1. Conventionele scheiding van goederen
Art. 2.3.61. Scheiding van vermogens Wanneer de echtgenoten bij huwelijksovereenkomst bedingen dat zij gescheiden van goederen zullen zijn, bezit ieder van hen de bevoegdheid van beheer, genot en beschikking alleen, met behoud van de toepassing van de bepalingen betreffende hun wederzijdse rechten en verplichtingen.
De inkomsten en besparingen van ieder van de echtgenoten blijven eigen goed.
Art. 2.3.62. Bewijs van eigendom Het bewijs van de eigendom van een goed of een schuldvordering wordt tussen echtgenoten zowel als ten aanzien van derden geleverd volgens de regels van artikel 2.3.20.
Roerende goederen waarvan niet kan worden bewezen dat ze eigendom zijn van een van de echtgenoten, worden beschouwd als onverdeeld tussen de echtgenoten.
Art. 2.3.63. Onverdeeldheid Met behoud van de toepassing van artikel 215, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek, en onder voorbehoud van andersluidende overeenkomsten, kan elk van de echtgenoten te allen tijde verdeling vorderen van al hun onverdeelde goederen of een deel ervan.
Art. 2.3.64. Toegelaten toevoegingen § 1. Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen kunnen aan dit stelsel alle bedingen toevoegen die met dat stelsel verenigbaar zijn.
Zij kunnen onder meer bedingen toevoegen met betrekking tot de bewijsvoering, tussen hen, van exclusief eigendomsrecht, met betrekking tot het bewijs van vorderingen die de ene tegen de andere kan inroepen, en bedingen ter nadere regeling van enige onverdeeldheid of doelvermogen die tussen hen zou bestaan.
Zij kunnen ook bedingen opnemen die ertoe strekken een verrekening tussen hun vermogens te verwezenlijken, met name door toevoeging van een beding van verrekening van aanwinsten.
De artikelen 2.3.57 tot 2.3.60 zijn van overeenkomstige toepassing. § 2. Echtgenoten die een beding van verrekening van aanwinsten hebben opgenomen, zijn onderworpen aan de artikelen 2.3.65 tot 2.3.77 Het aanvangsvermogen, het eindvermogen, de verrekenvordering en de betaling daarvan worden overeenkomstig die artikelen bepaald.
Echtgenoten kunnen bij huwelijksovereenkomst afwijken van het bepaalde in het eerste lid en zelf de verrekenmassa, verrekensleutel, het verrekentijdstip en de verrekenmodaliteiten overeenkomen. § 3. De notaris vermeldt uitdrukkelijk in de huwelijksovereenkomst dat hij ieder van de echtgenoten heeft gewezen op de juridische gevolgen van het opnemen of niet opnemen van een beding van verrekening van aanwinsten.
Art. 2.3.65. Verrekening van aanwinsten In een stelsel van scheiding van goederen met verrekening van aanwinsten worden de aanwinsten gevormd door het verschil tussen het eindvermogen van een echtgenoot en zijn aanvangsvermogen.
Bij de ontbinding van het huwelijksstelsel blijkt de verrekenvordering uit de vergelijking tussen de aanwinsten van beide echtgenoten.
Art. 2.3.66. Samenstelling van het aanvangsvermogen § 1. Het aanvangsvermogen is het vermogen van ieder van de echtgenoten op de datum waarop het huwelijksstelsel uitwerking krijgt. De schulden worden in het aanvangsvermogen in aanmerking genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van het actief. § 2. De goederen en rechten die ieder van de echtgenoten later verkrijgt door gift of nalatenschap en deze bedoeld in artikel 2.3.19, § 1, 1°, en § 2, worden in het aanvangsvermogen opgenomen. De schulden bedoeld in de artikelen 2.3.23 en 2.3.24 worden in het aanvangsvermogen in aanmerking genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van het actief. § 3. Tot het aanvangsvermogen worden niet gerekend: 1° de vruchten van de goederen die tot dat vermogen behoren;2° de goederen van het aanvangsvermogen die een echtgenoot tijdens het huwelijksstelsel aan één van zijn verwanten in rechte lijn heeft gegeven. § 4. Bij het sluiten van de huwelijksovereenkomst maken de echtgenoten een beschrijving op van hun respectieve aanvangsvermogen. Indien die beschrijving door beide echtgenoten is ondertekend, wordt zij geacht juist te zijn. § 5. Indien geen beschrijving werd opgemaakt, wordt het aanvangsvermogen geacht nul te zijn.
Art. 2.3.67. Waardering van het aanvangsvermogen § 1. Het aanvangsvermogen wordt als volgt geschat: 1° de op datum waarop het huwelijksstelsel in werking treedt bestaande goederen worden op die datum geschat; 2° de goederen die na de datum waarop het huwelijksstelsel in werking treedt, worden verkregen en die, krachtens artikel 2.3.66, § 2, tot het aanvangsvermogen behoren, worden op de datum van hun verkrijging geschat. § 2. De onroerende goederen en de onroerende zakelijke rechten van het aanvangsvermogen, andere dan vruchtgebruik, worden op de datum van de ontbinding van het stelsel geschat. Indien die goederen tijdens het huwelijk zijn overgedragen of vervangen, wordt de waarde in aanmerking genomen op de datum van overdracht of vervanging.
De tijdens het huwelijk ondernomen wijzigingen aan de toestand van die goederen, worden niet in aanmerking genomen voor de raming van het aanvangsvermogen. § 3. Indien de goederen worden geraamd op een datum die de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel voorafgaat, dan wordt hun overeenkomstig paragrafen 1 en 2 bepaalde waarde, aangepast volgens de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen. § 4. De paragrafen 1 en 3 zijn ook van toepassing op de schatting van schulden.
Art. 2.3.68. Samenstelling van het eindvermogen § 1. Het eindvermogen is samengesteld uit de goederen die de echtgenoot op de datum van ontbinding van het stelsel toebehoren. De schulden worden in aanmerking genomen, zelfs als zij het bedrag van het actief overschrijden. § 2. Aan dat eindvermogen wordt de waarde toegevoegd van de goederen die een echtgenoot: 1° heeft geschonken, behalve indien: a) de schenking niet overdreven was, gelet op de levenswijze van de echtgenoten of;b) de schenking betrekking heeft op een goed van het aanvangsvermogen dat aan verwanten in rechte lijn werd geschonken.De meerwaarde ten gevolge van de verbeteringen die tijdens de duur van het huwelijksstelsel werd aangebracht, met gelden die niet van het aanvangsvermogen afhangen, wordt echter aan het eindvermogen toegevoegd; 2° heeft overgedragen met oogmerk om de andere echtgenoot te benadelen of;3° heeft verkwist. Die bepalingen zijn niet van toepassing indien de schenking, de bedrieglijke vervreemding of de verkwisting meer dan tien jaar voor de ontbinding van het huwelijksstelsel plaatsvond, of indien de andere echtgenoot ermee heeft ingestemd.
Art. 2.3.69. Waardering van het eindvermogen Het eindvermogen wordt zowel voor het actief als voor het passief geschat op de datum van ontbinding van het huwelijksstelsel.
De waarde van de goederen bedoeld in artikel 2.3.68, § 2, wordt bepaald op de datum van de schenking, van de bedrieglijke vervreemding of van de verkwisting. De meerwaarde bedoeld in artikel 2.3.68, § 2, eerste lid, 1°, b), wordt geschat op de datum van de schenking van het goed.
De in het tweede lid vermelde waarden worden aangepast volgens de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen.
Art. 2.3.70. Vaststelling van de verrekenvordering Indien bij ontbinding van het huwelijksstelsel de aanwinsten van een van de echtgenoten die van de andere overschrijden, dan kan deze laatste tegen zijn echtgenoot een verrekenvordering gelijk aan de helft van dat verschil doen gelden.
De verrekenvordering wordt in geld betaald. De rechtbank kan echter op verzoek van de ene of van de andere echtgenoot beslissen dat, met het oog op die betaling, goederen van de schuldenaar aan de schuldeiser worden overgedragen, indien dit met het billijkheidsbeginsel overeenstemt.
Na de ontbinding van het huwelijksstelsel is de verrekenvordering wegens overlijden vererfbaar en onder levenden overdraagbaar.
Art. 2.3.71. Waardering van de verrekenvordering Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, of indien het huwelijksstelsel door een andere gerechtelijke beslissing is ontbonden, wordt de verrekenvordering bepaald volgens de samenstelling en de waarde van het vermogen van de echtgenoten op het tijdstip waarop de vordering in rechte is ingediend.
Art. 2.3.72. Maximumbedrag van de verrekenvordering De verrekenvordering is beperkt tot de helft van de waarde van de aanwinsten van de schuldplichtige echtgenoot, zoals ze na aftrek van de schulden bestaan, op de datum die voor de bepaling van het bedrag ervan in aanmerking komt.
De beperking van de verrekenvordering wordt verhoogd met de helft van het bedrag dat aan het eindvermogen wordt toegevoegd overeenkomstig artikel 2.3.68, § 2, met uitzondering van het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, b), van diezelfde paragraaf.
Art. 2.3.73. Verjaring Het recht op de verrekenvordering verjaart na drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de echtgenoot kennis heeft van de ontbinding van het huwelijksstelsel, en uiterlijk tien jaar na de ontbinding van het stelsel.
Art. 2.3.74. Informatieplicht Na de ontbinding van het huwelijksstelsel moet iedere echtgenoot aan de andere alle informatie verschaffen over de samenstelling van zijn aanvangs- en eindvermogen. Hij moet op verzoek bewijsstukken overleggen. Ieder van de echtgenoten kan eisen dat een volledige en waarheidsgetrouwe beschrijving wordt opgemaakt. Op zijn verzoek moet hij voor die beschrijving worden opgeroepen. Hij mag bovendien eisen dat die beschrijving op zijn kosten door een notaris wordt opgemaakt.
Het eerste lid is eveneens van toepassing wanneer een van de echtgenoten de ontbinding van het huwelijk of de vervroegde uitbetaling van de verrekenvordering heeft geëist.
Art. 2.3.75. Uitstel van betaling Indien de onmiddellijke betaling van de verrekenvordering voor de schuldenaar onredelijk bezwarend is, met name als hij verplicht zou worden een goed af te staan dat hij nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien, kan de rechtbank hem, op zijn verzoek, uitstel voor die betaling verlenen.
De vordering waarvan de betaling wordt uitgesteld, brengt intrest op.
De rechtbank kan, op verzoek van de schuldeiser, de schuldenaar verplichten zekerheden te stellen, waarvan hij de aard en het bedrag naar billijkheid bepaalt.
Art. 2.3.76. Vervroegde uitkering Indien een echtgenoot door het bestuur van zijn vermogen de rechten van de andere met betrekking tot de berekening van de verrekenvordering in gevaar brengt, kan deze laatste de vervroegde uitkering van de verrekenvordering eisen. Dat is met name zo in de gevallen die leiden tot de fictieve toevoeging bedoeld in artikel 2.3.68, § 2.
Vanaf de definitieve beslissing die de vraag inwilligt, zijn de echtgenoten aan het stelsel van scheiding van goederen onderworpen.
Art. 2.3.77. Beschrijving De beschrijving bedoeld in de artikelen 2.3.66 en 2.3.74 kan voor de notaris of onderhands worden opgemaakt. De notariële beschrijving kan worden opgemaakt op grond van verklaringen, voor zover beide echtgenoten hiermee akkoord gaan. Afdeling 2. Gerechtelijke scheiding van goederen
Art. 2.3.78. Vordering § 1. Een van de echtgenoten of zijn wettelijke vertegenwoordiger kan scheiding van goederen in rechte vorderen, wanneer uit de wanorde in de zaken van de andere echtgenoot, zijn slecht beheer of de verkwisting van zijn inkomsten blijkt dat de instandhouding van het stelsel de belangen van de eisende echtgenoot in gevaar brengt. § 2. De schuldeisers van een van beide echtgenoten kunnen geen scheiding van goederen vorderen.
Zij kunnen tussenkomen in het geding.
Art. 2.3.79. Gevolgen § 1. De gerechtelijke scheiding van goederen werkt terug, wat haar gevolgen betreft, tot op de dag van de eis, zowel tussen echtgenoten als ten aanzien van derden. § 2. De beslissing waarbij de scheiding van goederen wordt uitgesproken, blijft zonder gevolg indien de staat van vereffening van het vorige stelsel niet bij authentieke akte is opgemaakt binnen een jaar na de inschrijving van die beslissing in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten.
De termijn kan op verzoekschrift worden verlengd door de rechter die de scheiding van goederen heeft uitgesproken.
Art. 2.3.80. Verzet schuldeisers De schuldeisers van de echtgenoten kunnen verzet doen tegen vereffening buiten hun aanwezigheid en daarin op hun kosten tussenkomen.
Bovendien kunnen zij, binnen een termijn van zes maanden te rekenen van het verstrijken van de termijn gesteld in het artikel 2.3.79, § 2, opkomen tegen de vereffening, wanneer deze met bedrieglijke benadeling van hun rechten is geschied. Afdeling 3. Rechterlijke billijkheidscorrectie
Art. 2.3.81. Facultatieve rechterlijke billijkheidscorrectie § 1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, kan de familierechtbank, wanneer het huwelijk ontbonden is door echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk tussen de echtgenoten, aan de benadeelde echtgenoot, op zijn verzoek, een vergoeding ten laste van de andere echtgenoot toekennen op voorwaarde dat de omstandigheden sedert het sluiten van de huwelijksovereenkomst van scheiding van goederen of sedert de dag van de eis tot gerechtelijke scheiding van goederen onvoorzien en ongunstig gewijzigd zijn, waardoor het gekozen stelsel, rekening houdend met de vermogensrechtelijke situatie van beide echtgenoten, tot manifest onbillijke gevolgen ten nadele van de verzoekende echtgenoot zou leiden.
De toe te kennen vergoeding remedieert deze manifest onbillijke gevolgen en kan niet hoger liggen dan één derde van de nettowaarde van de samengevoegde aanwinsten van de echtgenoten op het tijdstip van ontbinding van hun huwelijk, waarvan vervolgens de nettowaarde van de pe …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.