📄 Wettekst
21 MAART 2018. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel
Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, inzonderheid op het artikel 40, § 1, gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur;
Gelet op het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/05/2001
pub.
29/06/2001
numac
2001007141
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht
sluiten6 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 november 2015 en 21 januari en 15 december 2016;
Gelet op de adviezen van de Inspecteur van Financiën van 16 juli 2016 en 17 juli 2017;
Gelet op de `gendertest' uitgevoerd op 3 januari 2017 met toepassing van artikel 3, 2° van de ordonnantie van 29 maart 2012 houdende de integratie van de genderdimensie in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
Gelet op de akkoordbevindingen van de Minister van Begroting, gegeven op 1 december 2016 en 16 november 2017;
Gelet op de protocolen nr. 2017/03 van 23 oktober 2017 en nr. 2017/29 van 20 december 2017 van Sector XV;
Gelet op het advies nr. 62.722/4 van de Raad van State, gegeven op 5 februari 2018 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op voorstel van de Minister bevoegd voor Openbaar Ambt;
Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren binnen de Gewestelijke Overheidsdiensten van Brussel.
Telkens wanneer voorliggend besluit verwijst naar de « Gewestelijke Overheidsdienst Brussel », dient dit te worden gelezen als de betrokken Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
Telkens wanneer voorliggend besluit verwijst naar de "directieraad", dient dit te worden gelezen als de directieraad van de betrokken Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
De bevoegdheden door dit besluit toegekend aan de secretaris generaal en de adjunct secretaris generaal, worden, voor deze Gewestelijke Overheidsdiensten Brussel waar de leidende ambtenaren de directeur generaal en adjunct directeur generaal zijn, door deze laatste uitgeoefend.
De bevoegdheden door dit besluit toegekend aan de directeurs generaal worden uitgeoefend door de directeur generaal, desgevallend bijgestaan door de adjunct directeur generaal. Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° De Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;2° de minister : de minister bevoegd voor Openbaar Ambt;3° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan een dienst van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel afhangt in functie van de bevoegdheden die hij uitoefent;4° de administratieve eenheid : onderdeel van het organogram van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;5° de verantwoordelijke van een administratieve eenheid (VAE) : personeelslid dat, ongeacht zijn graad of positie, de activiteiten van een administratieve eenheid beheert, zoals bepaald in het organogram;6° de functionele chef : personeelslid dat de leiding of de dagelijkse controle heeft over het functioneren van een team ingevolge zijn functiebeschrijving;7° de vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in het bevoegde Sectorcomité, in uitvoering van artikel 8, § 1, van de
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de personeelsvakbonden;8° HRM : de dienst binnen de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel belast met het personeelsbeheer;9° De HRM-verantwoordelijke : het personeelslid van minimum rang A3 dat bevoegd is voor het personeelsbeheer;10° budgettair correspondent : het personeelslid dat de coördinatie, centralisatie, verificatie en consolidatie van alle budgettaire informatie verzekert overeenkomstig artikel 42 van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 juli 2006 betreffende de administratieve en begrotingscontrole evenals de begrotingsopmaak;11° getuigschriften van competenties verworven buiten diploma : getuigschriften die werden afgeleverd door de Gemeenschappen of de instellingen erkend door deze laatste.12° wettelijk tweetalige : personeelslid dat bewijst de tweede taal die niet onder zijn taalrol valt te kennen, op de bij artikel 43, § 3, 3e alinea voorgeschreven wijze van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurzaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;13° SELOR : Selectiebureau van de federale overheid.14° Brussel Openbaar ambt : Gewestelijke overheidsdienst Brussel Openbaar ambt § 2.Wanneer dit besluit voorziet in het versturen van een brief of een aangetekend schrijven met of zonder ontvangstbewijs, dan wordt het versturen via een elektronische procedure, die op een aantoonbare wijze en aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de inhoud van de communicatie waarborgt, beschouwd als equivalent. Het gebruik van de elektronische identiteitskaart of de elektronische vreemdelingenkaart kan verplicht worden opgelegd. § 3. Wanneer dit besluit voorziet in een termijn, wordt deze berekend in kalenderdagen tenzij anders voorzien. Kalenderjagen zijn alle dagen van de week, met inbegrip van de zaterdag, zondag en feestdagen bepaald in artikel 193, § 1.
Wanneer dit besluit voorziet in een termijn uitgedrukt in werkdagen, dan omvat deze termijn alle dagen van de week behalve zaterdagen, zondagen en feestdagen bepaald in artikel 193, § 1. § 4. Het gebruik in dit besluit van mannelijke woorden is gemeenslachtig met het oog op het waarborgen van de leesbaarheid van de tekst.
TITEL II. - De organisatie van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel HOOFDSTUK I. - De ambtenaren Art. 3.Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband in de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel tewerkgesteld is.
De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut.
Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn. Art. 4.De ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel worden benoemd in graden. HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten Art. 5.De ambtenaar oefent zijn functies op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit.
Hij dient daartoe : 1° de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe hij behoort, na te leven;2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren. Art. 6.De ambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten.
Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden. Art. 7.§ 1. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering stelt de ambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hiërarchische meerdere van hogere rand of graad op de hoogte van elke onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft. § 2. De ambtenaar kan, buiten de gevallen van valse aangifte die een dienst of persoon schade toebrengen, niet onderworpen worden aan een tuchtstraf of een andere vorm van openlijke of verdoken sanctie, om de enkele reden dat hij onregelmatigheden aangeeft of bekend maakt. Art. 8.De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen.
Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke situatie waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt. Art. 9.De ambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar op basis ervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen.
Dit slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt. Art. 10.De ambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed.
Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte.
In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om daar een einde aan te stellen.
De ambtenaar kan schriftelijk om het advies van de voorzitter van de directieraad of van diens afgevaardigde vragen, betreffende de toestand waarin hij zich bevindt, om te weten of deze de oorzaak is van een belangenconflict. Art. 11.De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt.
Het is hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privéleven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen, evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de mededingingspositie van de instelling waar de ambtenaar werkzaam is, kunnen schaden.
De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd. Art. 12.De ambtenaar heeft recht op informatie betreffende alle aspecten die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn taken.
De ambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling betreffende technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is.
De ambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de openbare dienst. Art. 13.De ambtenaar heeft recht op de opleiding die nuttig is voor zijn functioneren in de organisatie. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan.
Periodes van afwezigheid, gerechtvaardigd door deelname aan voortgezette beroepsopleidingen, worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. Art. 14.Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen en hiervan een kopie te krijgen. HOOFDSTUK III. - De graden Art. 15.De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking uit te oefenen die met deze graad overeenstemt.
De graden worden gerangschikt per niveau en per rang.
Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie overeenkomstig de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend.
De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. Art. 16.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolgd door een cijfer, de letter verwijst naar het niveau, het cijfer naar de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang.
De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus : 1° in niveau A, acht rangen, nl.A1, A2, A3, A4, A4+, A5, A6 et A7. 2° in niveau B, twee rangen, nl.B1 en B2. 3° in niveau C, twee rangen, nl.C1 en C2. 4° in niveau D, twee rangen, nl.D1 en D2.
Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 17.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A7 : secretaris generaal in rang A6 : adjunct secretaris generaal in rang A5 : directeur-generaal of directrice-generaal in rang A4+ : adjunct-directeur-generaal of adjunct-directrice-generaal in rang A4 : directeur-diensthoofd of directrice-diensthoofd in rang A3 : ingenieur-directeur of ingenieur-directrice directeur of directrice in rang A2 : raadgever-deskundige of raadgeefster-deskundige eerste ingenieur eerste attaché in rang A1 : ingenieur attaché in rang B2 : eerste assistent of eerste assistente in rang B1 : assistent of assistente in rang C2 : eerste adjunct in rang C1 : adjunct in rang D2 : eerste klerk in rang D1 : klerk HOOFDSTUK IV. - Het personeelsplan en het organogram Art. 18.Om het werk te organiseren, werkt de directieraad het personeelsplan en organogrammen uit. Het personeelsplan is een plan waarin per bestuur, per niveau, per rang en per graad het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vastgelegd wordt dat noodzakelijk geacht wordt om de opdrachten, toegewezen aan de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, uit te oefenen. Art. 19.§ 1. De directieraad werkt een voorstel van personeelsplan uit op basis van de door de besturen opgestelde ontwerpen in samenspraak met hun voogdijminister. De directieraad bereidt minstens één personeelsplan per begrotingsjaar voor en legt het voor aan de Regering ten laatste op 28 februari van het jaar waarin het plan wordt uitgevoerd .
Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken begrotingsjaar. § 2. De Regering keurt het personeelsplan op voorstel van de directieraad goed. Bij ontstentenis van een voorstel van de directieraad binnen de daartoe vastgestelde termijnen, kan de Regering zelf een personeelsplan opstellen. § 3. Bij gebreke van een vastlegging van het personeelsplan door de Regering, blijft het laatste bepaalde plan van toepassing. § 4. De vaststelling van het personeelsplan door de Regering, houdt de toestemming in van de bezetting van de betrekkingen die door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming worden voorzien. § 5. Het personeelsplan, en alle wijzigingen ervan, worden meegedeeld aan alle personeelsleden en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Art. 20.Het organogram geeft de functionele, organisatorische en hiërarchische verbanden binnen elk bestuur weer.
De directieraad werkt het organogram uit rekening houdend met de hem toevertrouwde opdrachten en met de aanbevelingen van de Regering.
Het organogram, evenals elke wijziging ervan, wordt aan alle personeelsleden meegedeeld. HOOFDSTUK V. - De ambtenaren-generaal Art. 21.Ambtenaren-generaal zijn de ambtenaren die titularis zijn van een graad van ten minste rang A4+. Ze worden aangeduid per mandaat in overeenstemming in de artikelen 437 tot 480. Art. 22.§ 1. De secretaris generaal, bijgestaan door de adjunct secretaris generaal : 1° leidt de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en zorgt voor de goede werking en de coördinatie van het geheel van de besturen;2° oefent het hoge gezag uit over het personeel van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel in navolging van de missies die hem worden toegekend op basis van het huidig statuut en is in het bijzonder belast met de handhaving van tucht en orde.3° leidt, organiseert en coördineert de gemeenschappelijke diensten;4° beslist over de verdeling van de werkingsmiddelen van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;5° leidt en coördineert de uitwerking van de begroting van zijn bestuur en waakt over de uitvoering ervan, bijgestaan door de budgettair correspondent;6° ziet toe op de uitvoering van de regeringsbeslissingen.Dit houdt in : - Als de dossiers en de instructies van de ministers of staatssecretarissen meerdere besturen betreffen, maakt hij ze aan de bevoegde besturen over, samen met de noodzakelijke informatie; - Hij ziet eveneens toe op de door de besturen naar de ministers of staatssecretairssen gezonden dossiers als deze een coördinatie tussen besturen vergen en voegt er zo nodig zijn opmerkingen aan toe. 7° coördineert de transversale dossiers, namelijk de dossiers die de hele Gewestelijke Overheidsdienst Brussel op het gebied van ondersteuning, bijstand en organisatie van de diensten beïnvloeden. § 2. De secretaris generaal en de adjunct secretaris generaal verdelen op billijke en evenwichtige wijze de verantwoordelijkheden; deze verdeling wordt ter goedkeuring aan de Regering voorgelegd. § 3. De adjunct secretaris generaal : - vervangt de secretaris generaal wanneer die verhinderd of afwezig is; - doet uit eigen beweging elk nuttig voorstel aan de minister in verband met de werking van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en brengt deze ter kennis van de secretaris generaal. Art. 23.De directeurs-generaal : 1° behandelen rechtstreeks met de functioneel bevoegde ministers de voor hun bestuur specifieke aangelegenheden;2° leiden, organiseren en coördineren de diensten van hun bestuur;3° oefenen het gezag uit over het personeel van hun bestuur en zien toe op de eerbiediging van orde en tucht;4° kunnen elk voorstel doen aan de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal betreffende de organisatie en de coördinatie van de besturen van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;5° leiden en coördineren de uitwerking van de begroting van hun bestuur en waken over de uitvoering ervan, bijgestaan door de budgettair correspondent; Art. 24.De ambtenaren-generaal kunnen binnen hun bevoegdheden bedoeld in de artikelen 22 en 23, delegatie verlenen aan de ambtenaren van niveau A die zij aanwijzen. HOOFDSTUK VI. - De directieraad Art. 25.De directieraad bestaat uit de secretaris generaal, de adjunct secretaris generaal en de directeurs-generaal.
De directieraad wordt voorgezeten door de secretaris generaal of, bij diens afwezigheid of verhindering, door de adjunct secretaris generaal.
Als er geen secretaris-generaal is, bestaat de de directieraad uit de directeur-generaal, de adjunct directeur-generaal en de ambtenaren van A4; deze kan worden aangevuld door ambtenaren van rang A3 aangewezen door de benoemende overheid. Hij wordt voorgezeten door de Directeur-generaal of, bij diens afwezigheid of verhindering, door de adjunct directeur-generaal.
Zijn beiden verhinderd, wordt de directieraad voorgezeten door zijn oudste lid.
Wanneer het organogram, het personeelsplan of door de Regering gedefinieerde strategische krachtlijnen op de agenda van de directieraad staan, worden de regeringssecretaris en de kabinetsdirecteur van de minister uitgenodigd zonder over stemrecht te beschikken.
Strategische krachtlijnen zijn de agendapunten die een algemeen en onpersoonlijk karakter hebben, en die in het kader van de ontwikkeling van het Gewest van belang zijn. Art. 26.De directieraad stelt zijn huishoudelijk reglement op. Art. 27.De directieraad is belast met de opdrachten die dit statuut hem toekent.
Bij de directieraad kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel aanhangig gemaakt worden voor advies door één van haar leden.
Elk voorstel of elke individuele beslissing, door de directieraad genomen ten opzichte van een personeelslid, gebeurt bij geheime stemming. Minstens één wettelijk tweetalig lid van de directieraad, of een lid van de directieraad van dezelfde taalrol als het personeelslid, is aanwezig. Art. 28.De Directieraad stelt jaarlijks een verslag op ter attentie van de Regering over de vooruitgang van de strategische opdrachten van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
De Secretaris generaal is bevoegd met de de presentatie van het verslag aan de Regering uiterlijk op 28 februari van het volgende jaar. HOOFDSTUK VII - De gewestelijke kamer van beroep Afdeling 1. - Opdracht en samenstelling
van de gewestelijke kamer van beroep. Art. 29.§ 1. Er wordt een regionale kamer van beroep opgericht bevoegd voor de beroepen : 1° inzake stage, evaluatie, afwezigheden, verloven, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en van de instellingen en organismen die onderworpen zijn aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;2° In tuchtaangelegenheden voor ambtenaren van alle niveaus van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel die onderworpen zijn aan de regels van onderhavig besluit, alsook de ambtenaren van alle niveaus van de instellingen en organismen onderworpen aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 3° de evaluatie, afwezigheden en verloven van de contractuele personeelsleden van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel die onderworpen zijn aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 tot bepaling van de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, alsook van de contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut die onderworpen zijn aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 tot bepaling van de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de aangelegenheden bedoeld onder 1° en 3°, heeft de gewestelijke kamer van beroep een beslissingsbevoegdheid. § 2. In afwijking van § 1, is de gewestelijke kamer van beroep niet bevoegd voor wat betreft de evaluatie van de mandaathouders. Art. 30.§ 1. De gewestelijke kamer van beroep is onderverdeeld in een Franstalige en een Nederlandstalige afdeling.
De taalrol of het taalstelsel van het personeelslid bepaalt de afdeling waarvoor hij verschijnt.
Wanneer het dossier de aanwezigheid van personeelsleden vereist die te maken hebben met de zaak of van getuigen van de andere taalrol, dan treedt de kamer in verenigde afdelingen op. § 2. Elk van de twee afdelingen is samengesteld uit : 1° een effectieve en een plaatsvervangende voorzitter : - hetzij magistraten, magistraten op rust of emeritus-magistraten; - hetzij advocaten met minstens tien jaar ervaring inzake administratief recht.
Ze worden door de Regering aangewezen. 2° drie effectieve en zes plaatsvervangende assessoren, gekozen onder de personeelsleden van minstens rang A2 en van dezelfde taalrol als het betrokken personeelslid en benoemd door de Regering, die opgeroepen worden om te zetelen telkens wanneer de gewestelijke kamer van beroep gevat wordt door een vordering of een dossier dat geen betrekking heeft op een ambtenaar-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel of op een leidend ambtenaar van de instellingen en organismen die onderworpen zijn aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.3° drie effectieve en drie plaatsvervangende assessoren van minstens rang A5 of, bij gebreke daaraan, van rang A4+ van dezelfde taalrol als het betrokken personeelslid, en benoemd door de Regering, die worden opgeroepen om te zetelen, telkens wanneer de kamer van beroep gevat wordt door een vordering of een dossier dat betrekking heeft op een ambtenaar-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel of een leidend ambtenaar van de instellingen of organismen die onderworpen zijn aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.4° drie effectieve en negen plaatsvervangende assessoren van dezelfde taalrol als het betrokken personeelslid, aangewezen door de vakorganisaties.5° één effectieve en minstens één plaatsvervangende griffier-verslaggever gekozen binnen de personeelsleden van dezelfde taalrol als het betrokken personeelslid, aangewezen door Brussel Openbaar ambt. § 3. Wanneer de kamer van beroep gevat wordt door een vordering of een dossier met betrekking tot een personeelslid van een instelling onderworpen aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onverminderd § 2, moet minstens één lid, aangewezen door de overheid, tot één van deze instellingen of organismes behoren. § 4. Wanneer de kamer van beroep in tuchtzaken en op gebied van stage zetelt, moeten de leden, aangewezen door de overheid, statutaire medewerkers zijn. § 5. De Minister bepaalt de toelage verleend aan de voorzitter of aan de plaatsvervangende voorzitter. Afdeling 2. - De werking van de gewestelijke kamer van beroep
Art. 31.De voorzitters van de twee afdelingen stellen een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op, na raadpleging van de leden van deze afdelingen, en leggen het ter goedkeuring voor aan de Regering. Dit reglement houdt rekening met de procedure in tuchtzaken zoals beschreven in de artikelen 300 en volgende. Art. 32.Elke afdeling van de gewestelijke kamer van beroep beraadslaagt slechts geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is.
Tijdens de stemming moet het aantal assessoren aangewezen door de Regering en door de vakorganisaties gelijk zijn; desgevallend wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meerdere leden na loting. Art. 33.Behoudens toepassing van artikel 309, lid 4, van dit besluit en van artikel 302, lid 4, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is elk lid van de gewestelijke kamer van beroep, met inbegrip van de voorzitter, met uitzondering van de griffier-verslaggevers stemgerechtigd.
TITEL III. - De werving, de stage en de benoeming HOOFDSTUK I. - De werving en de selectie Afdeling 1. - Algemene bepaling
Art. 34.Voor de aanwerving sluiten de minister en de afgevaardigde bestuurder van SELOR een samenwerkingsprotocol af voor de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en voor de instelligen bedoeld in artikel 1 van het besluit van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
SELOR organiseert de selecties en speelt een beslissende rol in de uitvoering ervan. Afdeling 2. - De benoemings-, toelaatbaarheids-
en wervingsvoorwaarden Art. 35.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende voorwaarden : 1° Voldoen aan de opgelegde toelatingsvoorwaarden van de in te vullen betrekking;2° Slagen voor de voorziene vergelijkende proeven;3° Met goed gevolg de stage volbrengen, behalve in geval van vrijstelling zoals bepaald in artikel 61; Art. 36.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten. 1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen betrekkingen een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties;2° gedrag vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten.4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, of houder zijn van getuigschrift afgeleverd door de Gemeenschappen of de instellingen erkend door deze laatste en die toegang verlenen tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt, overeenkomstig de tabel in bijlage bij onderhavig besluit, of houder zijn van een instapkaart bekomen ten gevolge van proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaan of de kandidaat beschikt over de basisvaardigheden en cognitieve vaardigheden die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachten zijn diploma(`s) of zijn studiegetuigschrift(en) aanspraak op kan maken. In afwijking van de vorige paragraaf wordt de toegang tot niveau A middels aanwerving beperkt tot de kandidaten die minstens houder zijn van een diploma of van een studiegetuigschrift dat toegang geeft tot niveau B, in overeensteemming met de tabel in bijlage bij onderhavig besluit. Art. 37.Voor bepaalde selecties kunnen volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden : 1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt;2° relevante werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;3° het toelaten van studenten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift, wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden te kunnen weerhouden;in welk geval zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen, ook tot dat wervingsexamen worden toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze selecties zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de organisator van de selectie het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen; 4° behalve de in artikel 36, 4° vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad wanneer de vereisten van de uit te oefenen functies dit toelaten : a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;b) diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;5° voor de selectie van bepaalde functies van niveaus D, het bezit van bepaalde diploma's, vormingsattesten of bevoegheidstitels als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies;6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften of competentie titels eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 36, 4°.7° medische geschiktheid voor de uit te oefenen functie, indien de aard van de functie dit vereist;8° andere voorwaarden vereist door de aard van het ambt. Afdeling 3. - Organisatie van de selecties
en samenstelling van de selectiecommissies Art. 38.Op voorstel van het HRM kiest de ambtenaar-generaal van het bestuur waar de betrekking moet worden ingevuld, één of meerdere van de volgende mogelijkheden : - Interne mutatie zoals bepaald in artikel 118; - Intraregionale mobiliteit zoals bepaald in de artikelen 5 tot 13 van het besluit van 27 maart 2014 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - Externe mobiliteit zoals bepaald in de artikelen 23 tot 25 van het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/05/2001
pub.
29/06/2001
numac
2001007141
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht
sluiten6 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - Overgang tot een hoger niveau zoals bepaald in de artikelen 99 en volgende; - Aanwerving. Art. 39.Er kunnen vergelijkende selecties georganiseerd worden voor alle graden, behalve voor de graden die bij mandaat verleend moeten worden. Art. 40.§ 1er. De vergelijkende selectie wordt minstens door middel van publicatie in het Belgisch Staatsblad aankondigd.
Het bericht vermeldt minstens de laatste dag waarop kan worden gesolliciteerd en of er eventueel een wervingsreserve wordt aangelegd van de laureaten. Desgevallend wordt de geldigheidsduur van en het aantal laureaten dat opgenomen wordt in de wervingsreserve vermeld. § 2. Wanneer een vergelijkende selectie wordt georganiseerd, wordt de datum bepaald waarop de kandidaten moeten voldoen aan de diplomavoorwaarden of de voorwaarden met betrekking tot studiegetuigschriften, en in voorkomend geval, de datum waarop de kandidaten een minimumleeftijd bereikt moeten hebben of over specifieke professionele vaardigheden moeten beschikken. § 3. SELOR roept op de kandidaten die toegelaten worden om deel te nemen aan de selectieproeven voorzien door het selectieprogramma. § 4. SELOR controleert de algemene en specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden voor de betrekking waarnaar de kandidaten meedingen.
Vanaf het moment dat vastgesteld wordt dat een kandidaat niet voldoet of niet kan voldoen aan één van de algemene voorwaarden of aan de bijzondere toelatingsvoorwaarden gesteld voor de betrekking waarvoor de kandidaat solliciteert, dan wordt de kandidaat uitgesloten van de vergelijkende selectie en de beslissing en de redenen hiertoe worden hem meegedeeld. HOOFDSTUK II. - Vergelijkende selecties Afdeling 1. - De selectieproeven, over de samenstelling en de
raadpleging van de wervingsreserve en van de wervingsreserve van de andere overheden. Art. 41.§ 1. Een vergelijkende selectie is een selectie die leidt tot een rangschikking van de geslaagden op basis van een functiebeschrijving.
De functiebeschrijving wordt voorafgaandelijk aan de organisatie van de vergelijkende selectie opgesteld door de ambtenaar-generaal verantwoordelijk voor de betrokkene administratieve eenheid op basis van het standaarddocument ontwikkeld door de HRM. De benoemende overheid is gehouden door de rangschikking van de geslaagden. § 2. Een vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige. In dit geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module.
Indien meerdere vergelijkende selecties binnen eenzelfde niveau een module gemeenschappelijk hebben, worden de geslaagden vrijgesteld voor deze module wanneer ze deelnemen aan een andere vergelijkende selectie. De geldigheidsduur van de vrijstelling wordt bepaald bij de betekening van het resultaat. Deze bedraagt minimaal twee jaar.
Een kandidaat die niet geslaagd is voor een module van een vergelijkende selectie wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van het opnieuw afleggen van dezelfde module. § 3. Een bijkomende vergelijkende proef kan worden georganiseerd op beslissing van het HRM, indien de aard van de te betrekken functie dit vereist en op basis van een functiebeschrijving. Deze proef leidt, voor deze functie, tot een aparte rangschikking van de geslaagden.
De deelname aan de bijkomende vergelijkende proef is niet verplicht.
Een maximum aantal deelnemers wordt voor deze proef bepaald, rekening houdend met de rangschikking.
De geslaagden voor deze proef, evenals de kandidaten die niet geslaagd zijn, behouden de rangschikking bedoeld in § 2. § 4. De vergelijkende selecties worden georganiseerd voor de benoeming in de rangen A1 tot A3 en in de niveaus B, C en D. Art. 42.§ 1. Voor de vergelijkende selecties, georganiseerd op basis van artikel 41, kan een reserve van de geslaagden worden aangelegd. § 2. Het aantal geslaagden dat in deze reserve wordt opgenomen, wordt bepaald op basis van het aantal verwachte betrekkingen. § 3. De geldigheidsduur van een wervingsreserve wordt bepaald op maximum twee jaar.
De minister kan de termijn van de aangelegde reserves verlengen, telkens met een periode van maximum een jaar. Art. 43.De geslaagden van een wervingsreserve worden uitgenodigd om deel te nemen aan een complementaire vergelijkende selectie zoals geviseerd door artikel 41 § 3 met het oog op het invullen van een andere betrekking dan degene waarvoor de kandidaten werden gerangschikt. Art. 44.De minister kan voor een aanwerving bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel waarvoor geen wervingsreserve is samengesteld, een beroep doen op de wervingsreserves van een andere overheid, op voorwaarde dat deze overheid daarvoor toestemming verleend heeft. Art. 45.De minister kan een andere instelling toestaan de wervingsreserve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te consulteren. Afdeling 2. - Regels voor de toelating van de geslaagden
Art. 46.§ 1. Elke geslaagde krijgt bericht van zijn resultaat en zijn rangschikking. § 2. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die na deze aanvaarding weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de reserve geschrapt, behalve in een met redenen omkleed geval van overmacht.
Als de geslaagde de betrekking aanvaard heeft, vergewist het HRM zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet. Art. 47.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de volgorde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen.
Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. Afdeling 3. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden
Art. 48.Het HRM roept de geselecteerde kandidaat op tot indiensttreding. Het HRM stelt een maximumtermijn vast voor zijn indiensttreding.
Wanneer de geslaagde nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst houdt het HRM rekening met een eventuele opzegtermijn.
Indien de geslaagde de betrekking niet binnen de gestelde termijn kan invullen, roept het HRM de volgende gerangschikte op. HOOFDSTUK III. - De stage Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 49.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.
De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing : 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° het geldelijk statuut;5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging;6° de gemiddelde maximale arbeidsduur; De stagiair geniet : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het verlof wegens ziekte;5° het bevallingsverlof;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met hem onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;9° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen;10° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en verlof voor loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;11° verlof voor wederoproeping als reservist;12° verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen.13° het verlof wegens opdracht. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 50.Perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg zodra ze, buiten de verloven bedoeld in artikel 49, tweede lid, 1° tot 3° en 7°, vijftien dagen gewettigde afwezigheid overschrijden, verspreid over een of meerdere malen, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is.
Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair.
Hij behoudt zijn hoedanigheid van stagiair eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen. Art. 51.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de Secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal die hem voorlopig aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen. Art. 52.De secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal kan de aanwijzing wijzigen : 1° in het belang van de dienst;2° op vraag van de stagiair. Afdeling 2. - De inhoud van de stage
Art. 53.§ 1er. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn bestuur, in de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en in het gewestelijk openbaar ambt in het algemeen. Daartoe duidt de ambtenaar-generaal van het bestuur waarin de stagiair is aangesteld, in overleg met de functionele chef van de stagiair, het personeelslid aan dat, als hiërarchische meerdere, bevoegd is voor de stagebegeleiding, hierna de `stagebegeleider' genoemd, en dit volgens de taalrol van de stagiair. § 2. Het HRM waakt eveneens over het goede verloop van de stage.
Hiertoe kan zij deelnemen aan alle stagegesprekken.
Als de stagebegeleider meer dan tien werkdagen afwezig is, brengt het HRM de ambtenaar-generaal van het bestuur waaraan de stagiair is toegewezen daarvan op de hoogte opdat hij een "vervangende stagebegeleider" zou aanstellen die de stagebegeleider tijdens diens afwezigheid vervangt. De vervangende stagebegeleider wordt aangeduid conform de daartoe voorziene modaliteiten neergelegd in paragraaf 1.
In dat opzicht beschikt hij over dezelfde bevoegdheden als de stagebegeleider. Afdeling 3. - Het verloop van de stage
Art. 54.Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden : - De verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair; - De opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen; - De andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiair vergroot wordt. Art. 55.Met het oog op de voorbereiding van dit eerste stagegesprek, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM. Art. 56.De stagebegeleider maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 60 § 2, 62 en 64.
De stagebegeleider kan, in overleg met het HRM en de functionele chef, en desgevallend met de vervangende stagebegeleider, beslissen dat bijkomende vormingsactiviteiten vereist zijn.
De HRM-verantwoordelijke legt het model van het stageverslag vast. Art. 57.De stage duurt één jaar voor de stagiairs van de niveaus A en B. Ze duurt 6 maanden voor de stagiairs van de niveaus C en D. Art. 58.De directieraad kan een vormingstraject per functietype vastleggen. Art. 59.Na het eerste gesprek, voorzien in artikel 54, organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks voor de stages van zes maanden en driemaandelijks voor de stages van een jaar, een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden.
Met het oog op de voorbereiding van de stagegesprekken pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM. Art. 60.§ 1 Het gesprek gaat over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen.
Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair. § 2. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM. Bij afwezigheid van de stagebegeleider voert de vervangende stagebegeleider het stagegesprek en stelt hij het stageverslag op. In dat geval hebben het gesprek en het verslag betrekking op de periode waarin de vervangende stagebegeleider de stage heeft opgevolgd. Bij terugkeer van de stagebegeleider moet deze een verslag opstellen over de periode waarin hij de stage effectief opgevolgd heeft.
In geval van toepassing van artikel 53, § 2, tweede lid, vraagt de vervangende stagebegeleider aan de officiële stagebegeleider of aan de hiërarchie de informatie die hij nodig heeft voor het opstellen van zijn stageverslag. Als er geen informatie beschikbaar is, dan geeft de in artikel 53, § 2, tweede lid bedoelde periode aanleiding tot een gunstige beoordeling van de stagiair.
Wanneer de stagebegeleider de dienst hervat, stelt de vervangende stagebegeleider een verslag op over de periode waarin hij de stage opgevolgd heeft. Dit verslag beantwoordt aan de vereisten van § 2 van deze bepaling. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM en aan de stagebegeleider. Laatstgenoemde houdt er rekening mee tijdens het volgende stagegesprek. Afdeling 4. - Vrijstelling van stage
Art. 61.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt vrijgesteld van de stage en onmiddellijk benoemd in de wervingsgraad waarvoor hij geslaagd is indien hij de drie volgende voorwaarden vervult : - door middel van een arbeidsovereenkomst, op ononderbroken wijze gedurende minstens een jaar voltijds of gedurende minstens twee jaar deeltijds op het moment van de publicatie van de vacante betrekking bij dezelfde administratieve eenheid tewerk gesteld zijn; - dezelfde functie sinds minstens één jaar vervullen als die waarvoor hij aangesteld werd in het kader van zijn bovengenoemd arbeidsovereenkomst; - een gunstige evaluatie gekregen hebben bij de laatste evaluatie. Afdeling 5. - Het einde van de stage
Art. 62.De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek, zoals beschreven in artikel 63. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met het HRM en de functionele chef. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 64 aan toe.
Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mee, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 63.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Art. 64.De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal van het bestuur waarbij de stagiair wordt ingedeeld.
Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de directeur-generaal aan de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal voor de benoeming van de stagiair voor te leggen aan de voor de benoeming bevoegde overheid conform artikel 72.
Indien het eindverslag ongunstig is, stelt de directeur-generaal : ofwel een eenmalige verlenging van de stage voor, met een periode die maximaal een derde van de duur van de stage bedraagt. Deze verlenging is niet hernieuwbaar; ofwel aan de voor de benoeming bevoegde overheid, conform artikel 72, voor om over te gaan tot ontslag wegens ongeschiktheid voor een functie bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
De secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal beslist om de verlenging van de stage toe te staan of te weigeren.
Het voorstel tot ontslag wegens ongeschiktheid van een stagiair van niveau A kan enkel met toestemming van de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal geformuleerd worden. Art. 65.Het eindverslag, na verlenging van de stage, wordt aan de secretaris generaal of aan de adjunct secretaris generaal voorgelegd, die desgevallend de in het vorige artikel bedoelde voorstellen doet. Afdeling 6. - Vroegtijdige beëindiging van de stage
Art. 66.Als de stagiair in de loop van de stage een ernstige fout begaat waardoor elke professionele samenwerking tussen de overheid en de stagiair onmiddellijk en definitief onmogelijk wordt, roept de stagebegeleider, of bij afwezigheid van deze laatste de vervangende stagebegeleider, binnen de vijf werkdagen nadat hij kennis genomen heeft van de handeling die een ernstige tekortkoming uitmaakt, de stagiair op om gehoord te worden en zijn verweermiddelen te vernemen.
De oproepingsbrief vermeldt de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd, de normen waartegen deze feiten indruisen, het feit dat er overwogen wordt zijn stage vroegtijdig te beëindigen, het recht om zich door een verdediger naar keuze te laten bijstaan, met uitzondering van de personen die zich moeten uitspreken over de feiten die hem ten laste worden gelegd, en het recht om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen.
Er wordt een proces-verbaal opgesteld en in aanwezigheid der partijen ondertekend.
Na de hoorzitting stelt de stagebegeleider een verslag op. Dat verslag kan de vroegtijdige beëindiging van de stage voorstellen.
Indien het verslag betrekking heeft op een stagiair van niveau A, dan kan het verslag enkel worden opgesteld met de instemming van de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal.
De definitieve beslissing wordt genomen door de benoemende overheid.
Deze laatste doet uitspraak binnen de vijf werkdagen na de hoorzitting. Afdeling 7. - De beroepsprocedure
Art. 67.In de gevallen bedoeld in de artikelen 64, lid 3 en 66, beschikt de stagiair over een termijn van vijftien dagen vanaf de kennisname van het eindverslag of van het ongunstig verslag om per aangetekend schrijven een beroep in te dienen bij de in artikel 29 bedoelde kamer van beroep. Het beroep is schorsend, behalve wanneer het beroep is ingesteld tegen een beslissing genomen met toepassing van artikel 66.
Deze termijn wordt berekend volgens dezelfde regels als deze bedoeld in artikel 297, § 2.
De stagiair ontvangt een ontvangstbewijs van het beroep. Art. 68.De voorzitter van de kamer roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze Art. 69.De stagebegeleider brengt verslag uit over het verloop van de stage.
Hij wordt gehoord. Art. 70.De kamer beslist tot hetzij : 1° de benoeming;2° de eenmalige verlenging van de stage, met een periode die maximaal een derde van de duur van de stage bedraagt;3° ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel. In de hypothese die in artikel 66 beoogd wordt, beslist de kamer van beroep om hetzij de stage voort te zetten, hetzij ze vroegtijdig te beëindigen.
De kamer spreekt zich uit binnen de twee maanden na de verzending van het ontvangstbewijs van het beroep.
De beslissing wordt betekend aan de verzoeker, de secretaris generaal en de adjunct secretaris generaal. Als er beslist wordt de stage voort te zetten, wordt er onmiddellijk na ontvangst van de beslissing een nieuwe stagebegeleider aangeduid, in overeenstemming met artikel 53, § 1. Art. 71.Het ontslag wegens ongeschiktheid wordt betekend door de benoemende overheid.
Bij een ernstige fout wordt de stagiair zonder opzegtermijn of opzegvergoeding ontslagen. Het ontslag wordt definitief wanneer de kamer van beroep het ingestelde beroep door de ontslagen stagiair in overeenstemming met art. 66 verwerpt. HOOFDSTUK IV. - De benoeming Art. 72.De geschikt verklaarde stagiair of de overeenkomstig artikel 61 van de stage vrijgestelde geslaagde, wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.
De minister benoemt de ambtenaren van niveau A, in de graden A1, A2 en A3.
De secretaris generaal of de adjunct secretaris- generaal benoemt de ambtenaren van niveau B, C en D. Art. 73.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen die bepaald zijn door artikel 2 van het
decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/05/2001
pub.
29/06/2001
numac
2001007141
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht
sluiten4.
De ambtenaren van niveau A leggen de eed af in handen van de minister.
De andere ambtenaren leggen de eed af in handen van de secretaris generaal of van de adjunct secretaris generaal. Art. 74.De secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal wijst de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe TITEL IV. - De loopbaan HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 75.Voor een vacant geworden betrekking van rang 2 of 3 bepaalt de ambtenaar-generaal van het bestuur waarin de betrekking ingevuld moet worden op voorstel van het HRM de selectieprocedure.
Er wordt prioritair beroep gedaan op de promotie door verhoging in graad van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel of op de interne mutatie.
Bij gebreke daaraan kan er op volgende procedés een beroep worden gedaan : - Bevordering door verhoging in graad zonder zich te beperken tot de personeelsleden van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel; - Intraregionale mobiliteit; - Externe mobiliteit; - Aanwerving.
Binnen het kader van de twee voorgaande leden, beslist de ambtenaar-generaal van het betrokken bestuur over de bevorderingswijze(n). HOOFDSTUK II. - De hiërarchische loopbaan Afdeling 1. - Bevordering door verhoging in graad.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 76.De in artikelen 85 en 94 bedoelde bevorderingscommissies vergelijken de titels en verdiensten van de kandidaten op basis van het functieprofiel, het cv en de motivatiebrief.
Voor alle bevorderingsbetrekkingen omvat/omvatten de proef/proeven altijd op zijn minst een gesprek met de in de artikelen 85 en 94 bedoelde commissies.
De kandidaten worden vooraf op de hoogte gebracht van de organisatie van de vergelijkende proef/proeven. Art. 77.§ 1. Een vacante betrekking in een graad van de rang A3, A2, B2, C2 en D2, wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel die mogelijks de benoemingsvoorwaarden zouden kunnen vervullen.
De geïnteresseerden brengen voor ontvangst hun visum aan op de dienstnota.
Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs naar zijn woonplaats gezonden. § 2. Wanneer de promotie toegankelijk wordt gemaakt voor kandidaten die niet onder de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel vallen, wordt de openstaande betrekking gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. § 3 De openstaande betrekking bevat : - Het programma van de vergelijkende proef/proeven, zoals bepaald in artikel 76; - De termijn waarbinnen en ter attentie van wie de kandidatuur ingediend dient te worden; - De elementen die het sollicitatiedossier dienen te bevatten; - De coördinaten van de dienst waar een functiebeschrijving van de openstaande betrekking en een standaard cv zoals bedoeld in artikel 78, § 2, bekomen kunnen worden. Art. 78.§ 1. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van twintig dagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar de dienstnota valideerde, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar, ofwel de dag volgend op de publicatie in het Belgisch Staatsblad voor de kandidaten die niet tot de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel behoren. De hier bedoelde termijnen worden geregeld door dezelfde regels als diegene voorzien in artikel 297, § 2. § 2. Kandidaturen die een bevorderingbeogen moeten voorzien zijn van een motivatiebrief, alsook van een uiteenzetting van de titels en verdiensten die de kandidaat laat gelden. De kandidaat maakt gebruik van het standaard cv opgesteld door het HRM. Kandidaturen die niet voldoen aan de instructies betreffende het gebruik van het standaard cv zijn onontvankelijk door het HRM. Art. 79.Het HRM controleert de geldigheid van de kandidaturen.
De ontvankelijkheidsvoorwaarden vervat in de artikelen 81 tot 84 en 91 tot 93 moeten vervuld zijn voor afloop van de termijn die vereist is om de kandidatuur in te dienen.
De kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden worden uitgesloten van de procedure tot bevordering bij gemotiveerde beslissing door de verantwoordelijke van het HRM. Elke uitsluiting van de bevorderingsprocedure wordt aan de betrokken kandidaten bekendgemaakt door een door de HRM-verantwoordelijke gemotiveerde beslissing per aangetekende brief. Art. 80.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend door de voor het niveau bevoegde benoemende overheid.
Onderafdeling 2. - De bevordering tot een graad van rang A3, A2 en tot de betrekking van eerste attaché A2, raadgever deskundige Art. 81.De betrekkingen van directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren, titularissen van de graden van attaché van rang A1 en van eerste attaché en raadgever deskundige van rang A2 die ten minste zes jaar niveau-anciënniteit hebben.
De betrekkingen van ingenieur-directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren, titularissen van de graden van ingenieur van rang A1 en van eerste ingenieur van rang A2 die ten minste zes jaar niveau-anciënniteit hebben. Art. 82.De betrekkingen van raadgever deskundige van rang A2, staan open voor attachés van rang A1, die minstens zes jaar graadanciënniteit hebben, en voor ambtenaren van rang A2 titularissen van de graad van eerste attaché die drie jaar graadanciënniteit hebben.
De betrekkingen van eerste attaché van rang A2 staan open voor ambtenaren, titularissen van de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit hebben.
De betrekkingen van eerste ingenieur van rang A2 staan open voor ambtenaren, titularissen van de graad van ingenieur van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit hebben. Art. 83.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of A3 moet een evaluatie met vermelding "gunstig" hebben en moet zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf.
Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft gekregen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt in overeenstemming met artikel 316. Art. 84.§ 1. Wanneer de betr …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.