📄 Wettekst
30 AUGUSTUS 2013. - Wet houdende de Spoorcodex (1)
FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Algemeen Artikel 1.Deze Spoorcodex regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, met uitzondering van titel 7/1 die een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet regelt.
Deze Spoorcodex voorziet in de omzetting van : 1° de Richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap;2° de Richtlijn 95/18/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen;3° de Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001, inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering;4° de Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering;5° de Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen;6° de Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap. Deze Spoorcodex voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte. HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied Art. 2.§ 1. Deze Spoorcodex is niet van toepassing op : 1° spoorweginfrastructuur in particuliere eigendom en enkel op deze infrastructuur gebruikte voertuigen die uitsluitend door hun eigenaar voor eigen goederenvervoer worden gebruikt;2° spoorwegnetwerken die functioneel gescheiden zijn van de rest van het spoorwegsysteem en uitsluitend bestemd zijn voor de exploitatie van lokale, stedelijke of voorstedelijke diensten voor reizigers- en goederenvervoer;3° spoorwegen met een patrimoniaal, museum- en toeristisch karakter die over hun eigen spoorwegnetwerken beschikken, met inbegrip van de werkplaatsen, de voertuigen en het personeel waarvan de activiteiten beperkt zijn tot deze netwerken en lijnen;4° voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor patrimoniale, museum- en toeristische doeleinden en die gebruik maken van het nationale spoorwegnetwerk.Niettemin zijn de regels vastgesteld overeenkomstig de artikelen 27, derde lid, 46, vierde lid, 68 § 2, derde en vijfde lid, en 70, alsmede titel 7 van toepassing op deze voertuigen; 5° met uitzondering van de artikelen 74, 12° en 82, op metro- en tramsystemen en andere systemen voor stadsvervoer en regionaal spoorwegvervoer door middel van light rail of andere spoorgebonden modi, voor zover die systemen geen gebruik maken van het Belgische spoorwegnetwerk. § 2. Titel 5 is niet van toepassing op treinbestuurders die uitsluitend tewerkgesteld zijn op baanvakken die tijdelijk gesloten zijn voor het normale verkeer, ten behoeve van het onderhoud, de vernieuwing of de herinrichting van het spoorwegsysteem. HOOFDSTUK 3. - Definities Art. 3.Voor de toepassing van deze Codex wordt verstaan onder : 1° « Ongeval » : ongewenste of onbedoelde plotse gebeurtenis of reeks gebeurtenissen met schadelijke gevolgen;ongevallen worden in de volgende categorieën onderverdeeld : botsingen, ontsporingen, ongevallen op spoorwegovergangen, persoonlijke ongevallen veroorzaakt door rollend materieel in beweging, branden en andere ongevallen; 2° « Ernstig ongeval » : botsing of ontsporing van treinen waarbij ten minste één persoon omkomt of vijf of meer personen ernstig gewond raken of grote schade aan het rollend materieel, de infrastructuur of het milieu veroorzaakt, dan wel een soortgelijk ongeval dat duidelijk consequenties heeft voor de regelgeving op het gebied van de veiligheid op het spoor of het veiligheidsbeheer;onder « grote schade » wordt schade verstaan waarvan de totale kosten onmiddellijk door de onderzoekende instantie op ten minste 2 miljoen euro kunnen worden geraamd; 3° « Kaderovereenkomst » : een overeenkomst die de rechten en verplichtingen van een kandidaat en van de spoorweginfrastructuurbeheerder vastlegt en die betrekking heeft op de toe te wijzen spoorweginfrastructuurcapaciteit en de toe te passen tarifering voor een periode die langer is dan de geldigheidsduur van één dienstregelingstijdvak;4° « Bestuur » : het bestuur belast met het spoorwegvervoer;5° « Bureau » : het Europees Spoorwegbureau opgericht bij Verordening (EG) nr.881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004; 6° « Veiligheidsvergunning » : de vergunning die door de veiligheidsinstantie aan een spoorweginfrastructuurbeheerder wordt verleend;7° « Bevoegdheidsbewijs » : het geharmoniseerde aanvullende bevoegdheidsbewijs waarin de infrastructuur en het rollend materieel worden genoemd waar of waarmee de treinbestuurder mag rijden;8° « Toelating tot indienststelling » : handeling waardoor een vergunning wordt toegekend voor het gebruik van een subsysteem op het Belgische spoorwegnetwerk;9° « Veiligheidsinstantie » : de overheid belast met de taken inzake veiligheid en interoperabiliteit op het spoor;10° « Ander treinpersoneel dat voor de exploitatieveiligheid cruciale taken verricht » : treinpersoneel dat geen treinbestuurder is, maar dat bijdraagt tot het waarborgen van de veiligheid van de trein, de passagiers en de vervoerde goederen.In het kader van deze Codex en zijn uitvoeringsbesluiten wordt dit personeel aangeduid met het woord « begeleiders van reizigerstreinen ». Dit personeel omvat niet het personeel van Securail; 11° « Kandidaat » : elke spoorwegonderneming of andere natuurlijke of rechtspersonen of entiteiten, zoals de bevoegde overheidsinstanties in de zin van de Verordening (EG) nr.1370/2007 en verladers, expediteurs en operatoren van gecombineerd vervoer, die om redenen van openbare dienst of om commerciële redenen belang hebben bij de verwerving van infrastructuurcapaciteit; 12° « Spoorweginfrastructuurcapaciteit » : het vermogen om voor een bepaalde periode de voor een spoorweginfrastructuurelement gevraagde treinpaden te plannen;13° « Specifiek geval » : elk deel van het spoorwegsysteem waarvoor om geografische of topografische redenen of omwille van het stadsmilieu en de samenhang van het bestaande systeem, bijzondere tijdelijke of definitieve bepalingen in de TSI's moeten worden opgenomen.Dergelijke gevallen zijn bijvoorbeeld spoorweglijnen en -netwerken die niet verbonden zijn met het netwerk in de rest van de Europese Unie, het profiel, de spoorwijdte of de spoorafstand, alsmede voertuigen die bestemd zijn voor strikt lokaal, regionaal of historisch gebruik en voertuigen met een plaats van vertrek of bestemming in derde landen; 14° « Oorzaken » : de handelingen, verzuimen, gebeurtenissen of omstandigheden, of een combinatie daarvan, die tot het ongeval of het incident hebben geleid;15° « Opleidingscentrum » : een entiteit die door de veiligheidsinstantie is erkend voor het geven van opleidingscursussen;16° « Veiligheidscertificaat » : het document dat door de veiligheidsinstantie wordt verleend met als doel te gelden als bewijs dat de spoorwegonderneming een veiligheidsbeheersysteem tot stand heeft gebracht en kan voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in de TSI's en andere toepasselijke Europese wetgeving en in veiligheidsvoorschriften teneinde risico's te beheersen en op een veilige manier vervoerdiensten op het netwerk te kunnen aanbieden;17° « Certificering van het treinpersoneel » : het nagaan of een kandidaat beschikt over de vereiste psychologische, medische en vakbekwaamheid;18° « Treinbestuurder » : een persoon die in staat en gemachtigd is tot het zelfstandig, verantwoordelijk en veilig besturen van treinen, daaronder begrepen locomotieven, rangeerlocomotieven, werktreinen, onderhoudsspoorwagens, hulptreinen of treinen voor het vervoer van reizigers of goederen;19° « Interoperabiliteitsonderdeel » : elke basiscomponent, groep componenten, deel van een samenstel of volledig samenstel van materieel, deel uitmakend of bestemd om deel uit te maken van een subsysteem, en waarvan de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem rechtstreeks of onrechtstreeks afhankelijk is.Het begrip « onderdeel « bevat materiële en ook immateriële zaken, zoals programmatuur; 20° « Coördinatie » : de procedure die door de spoorweginfrastructuurbeheerder wordt gevolgd om een oplossing te vinden in geval van concurrerende aanvragen om spoorweginfrastructuurcapaciteit te reserveren;21° « Houder » : de persoon of entiteit die eigenaar is van het voertuig of het recht heeft het te gebruiken, die dat voertuig exploiteert als vervoermiddel en die als zodanig is ingeschreven in het Nationaal Voertuigenregister (NVR);22° « Netverklaring » : de verklaring waarin op gedetailleerde wijze de beschrijving van het netwerk, de algemene verkeersregels, de termijnen, de procedures en criteria betreffende de regelingen voor de heffing van gebruiksrechten en de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit zijn vastgelegd;dit document bevat verder alle andere gegevens die nodig zijn om de aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit in te dienen; 23° « Onderzoek » : een procedure die erop gericht is ongevallen en incidenten te voorkomen en die bestaat uit de verzameling en analyse van informatie, het trekken van conclusies, met inbegrip van het bepalen van de oorzaken en, in voorkomend geval, het formuleren van veiligheidsaanbevelingen;24° « Hoofdonderzoeker » : de persoon die is belast met de organisatie en de uitvoering van en het toezicht op een onderzoek;25° « Aanbestedende dienst » : elke openbare of privaatrechtelijke entiteit die opdracht geeft voor het ontwerp en/of de bouw, de vernieuwing of de verbetering van een subsysteem.Deze entiteit kan ofwel een spoorwegonderneming, een infrastructuurbeheerder of een houder zijn, ofwel een concessionaris die belast is met de uitvoering van een project; 26° « Met het onderhoud belaste entiteit » : een entiteit die belast is met het onderhoud van een voertuig en als zodanig ingeschreven is in het Nationaal Voertuigenregister;27° « Spoorwegonderneming » : iedere publiek- of privaatrechtelijke onderneming die in het bezit is van een vergunning overeenkomstig de toepasselijke Europese regelgeving en waarvan de voornaamste activiteit bestaat in het verlenen van spoorwegvervoerdiensten voor goederen en/of voor reizigers, waarbij die onderneming voor de tractie moet zorgen;hiertoe behoren ook ondernemingen die uitsluitend tractie leveren; 28° « Essentiële eisen » : het geheel van de in bijlage 16 omschreven voorwaarden waaraan het spoorwegsysteem, de subsystemen en de interoperabiliteitsonderdelen, met inbegrip van de interfaces, moeten voldoen;29° « Spoorweginfrastructuurbeheerder » : elke instantie of onderneming die in het bijzonder voor de totstandbrenging en het onderhoud van de spoorweginfrastructuur verantwoordelijk is.Dit kan tevens het beheer omvatten van de systemen voor controle en veiligheid van de infrastructuur. De functies van de infrastructuurbeheerder van een netwerk of deel van een netwerk kunnen aan verschillende instanties of ondernemingen worden toegewezen; 30° « Dienstregeling » : de gegevens over alle geprogrammeerde bewegingen van treinen en rollend materieel die gedurende de periode dat de dienstregeling geldt op de betreffende spoorweginfrastructuur zullen worden uitgevoerd;31° « Incident » : elk voorval, ander dan een ongeval of een ernstig ongeval dat verband houdt met de exploitatie van treinen en dat de exploitatieveiligheid aantast;32° « Spoorweginfrastructuur » : het geheel van de elementen bedoeld in bijlage I, deel A, van Verordening (EG) nr.851/2006 van de Commissie van 9 juni 2006 betreffende de vaststelling van de inhoud van de verschillende posten van de boekhoudkundige schema's bedoeld in bijlage I bij de verordening (EEG) nr. 1108/70 van de Raad van 4 juni 1970; 33° « Overbelaste infrastructuur » : het gedeelte van de spoorweginfrastructuur waarvoor gedurende bepaalde tijdvakken, zelfs na coördinatie van de verschillende capaciteitsaanvragen, niet volledig aan de infrastructuurcapaciteitaanvraag kan worden voldaan;34° « Interoperabiliteit » : de geschiktheid van een spoorwegsysteem voor een veilig en ononderbroken treinverkeer waarbij de voor de betrokken lijnen vereiste prestaties worden verricht.Deze geschiktheid hangt af van het geheel van wettelijke, technische en operationele voorwaarden die moeten vervuld worden om aan de essentiële eisen te voldoen; 35° « Vergunning » : de vergunning waardoor een onderneming door een bevoegde overheid van een lidstaat van de Europese Unie wordt erkend als spoorwegonderneming voor de verlening van de spoorwegvervoerdiensten die erop vermeld zijn;36° « Vergunning van treinbestuurder » : de vergunning afgegeven aan een treinbestuurder door de veiligheidsinstantie die attesteert dat de treinbestuurder voldoet aan de minimumvoorwaarden voor wat betreft medische eisen, psychologische eisen, basisscholing en algemene vakbekwaamheid;37° « Gemeenschappelijke veiligheidsmethoden (GVM) » : de methoden die worden ontwikkeld om te beschrijven hoe de veiligheidsniveaus, het bereiken van de veiligheidsdoelen en de conformiteit met andere veiligheidsvoorschriften worden beoordeeld;38° « Minister » : de minister die bevoegd is voor de regulering van het spoorwegvervoer;39° « Ingebruikname » : alle handelingen waardoor het gebruik van een subsysteem of van een verzameling van subsystemen wordt toegelaten op het Belgische spoorwegnetwerk, hieronder begrepen de bijgewerkte veiligheidsvergunning en de veiligheidscertificaten;40° « Indienststelling » : alle handelingen door middel waarvan een subsysteem of een voertuig in zijn nominale werkingstoestand wordt gebracht;41° « Geharmoniseerde norm » : elke Europese norm die is opgesteld door één van de Europese normalisatie-instellingen die vermeld worden in bijlage I bij Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, en die alleen of samen met andere normen een oplossing vormt voor het probleem van de naleving van een wetgevingsbepaling;42° « Gemeenschappelijke veiligheidsdoelen (GVD) » : de veiligheidsniveaus die ten minste moeten worden gehaald door de verschillende onderdelen van het spoorwegsysteem (zoals het conventionele spoorwegsysteem, het hogesnelheidsspoorwegsysteem, lange spoorwegtunnels of lijnen die uitsluitend voor goederenvervoer worden gebruikt) en door het systeem als geheel in de vorm van criteria voor risicoacceptatie;43° « Toezichthoudende orgaan » : de overheid bevoegd voor de economische regulering van het spoorwegvervoer;44° « Onderzoeksorgaan » : het orgaan belast met het uitvoeren van onderzoeken naar ongevallen en incidenten;45° « Aangewezen instanties » : de instanties die belast zijn met het onderzoek ten behoeve van de keuringsprocedure van de subsystemen aan de hand van de nationale technische voorschriften bij afwezigheid van TSI's of ingeval van afwijking ervan;46° « Aangemelde instanties » : de instanties die belast zijn met het onderzoek ten behoeve van de keuringsprocedure « EG » van de subsystemen aan de hand van de van toepassing zijnde veiligheidsvoorschriften;47° « Fundamentele parameter » : elke reglementaire, technische of operationele voorwaarde die essentieel is voor de interoperabiliteit en die nader bepaald wordt door de relevante TSI's;48° « Belanghebbende partij » : de spoorwegonderneming die een aanvraag voor spoorweginfrastructuurcapaciteit heeft ingediend, evenals de andere partijen die bemerkingen willen maken over de weerslag die de dienstregeling zou kunnen hebben op de mogelijkheid tot het verlenen van spoorwegdiensten tijdens de geldigheidsperiode van de dienstregeling;49° « Treinpersoneel » : het personeel samengesteld uit, enerzijds, treinbestuurders en, anderzijds, ander treinpersoneel dat voor de veiligheid cruciale taken verricht;50° « Capaciteitsvergrotingsplan » : een maatregel of een reeks van maatregelen met een tijdschema voor de uitvoering daarvan die wordt voorgesteld om de capaciteitsbeperkingen te verminderen die ertoe leiden dat een infrastructuurgedeelte tot « overbelaste spoorweginfrastructuur » wordt verklaard;51° « Project in een vergevorderd stadium van ontwikkeling » : elk project waarvan de planning/aanlegfase zodanig is gevorderd dat een wijziging van de technische specificaties onaanvaardbaar zou zijn voor de betrokken lidstaat.Dit beletsel kan van juridische, contractuele, economische, financiële of sociale aard zijn of verband houden met milieuredenen en moet voldoende gemotiveerd worden; 52° « Verbetering » : belangrijke werkzaamheden waarbij een subsysteem of een deel van een subsysteem wordt gewijzigd en die een verbetering van de algemene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben;53° « Nationaal voertuigenregister (NVR) » : het register van voertuigen waarmee het is toegestaan om te rijden op het Belgische spoorwegnetwerk;54° « Nationale technische voorschriften » : de veiligheidsvoorschriften bedoeld in artikel 171 van deze Spoorcodex;55° « Veiligheidsvoorschriften » : alle voorschriften die eisen betreffende de veiligheid op het spoor bevatten die van toepassing zijn op het Belgische netwerk van welke instantie de regelgeving ook uitgaat;56° « Nationale veiligheidsvoorschriften » : alle voorschriften die eisen betreffende de veiligheid op het spoor bevatten die opgelegd worden aan het Belgische netwerk en die van toepassing zijn op meer dan één spoorwegonderneming, ongeacht welke instantie ze uitvaardigt;57° « Vernieuwing van de spoorweginfrastructuur » : belangrijke vervangingswerkzaamheden waarbij een subsysteem of deel van een subsysteem wordt gewijzigd en die geen wijziging van de algemene prestaties van het subsysteem tot gevolg hebben;58° « Toewijzing » : de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit door de spoorweginfrastructuurbeheerder;59° « Netwerk » : de lijnen, stations, terminals en alle soorten vaste uitrusting die nodig zijn voor een veilige en continue uitbating van het spoorwegsysteem;60° « Serie » : een aantal identieke voertuigen van hetzelfde type-ontwerp;61° « Internationale goederenvervoerdienst » : een spoorwegvervoerdienst van goederen waarbij de trein ten minste één keer de grens van een lidstaat overschrijdt;de trein kan worden samengesteld en/of gesplitst en de verschillende delen ervan kunnen een verschillende herkomst en bestemming hebben, zolang alle wagons ten minste één grens overschrijden; 62° « Internationale reizigersvervoerdienst » : een reizigersvervoerdienst in het kader waarvan de trein ten minste eenmaal de grens van een lidstaat oversteekt en die in hoofdzaak bedoeld is om reizigers tussen stations in verschillende lidstaten te vervoeren;de trein kan worden gesplitst of samengesteld en gesplitst en de samenstellende delen kunnen een verschillende herkomst en bestemming hebben, op voorwaarde dat alle rijtuigen ten minste één grens oversteken; 63° « Spoorwegvervoerdienst » : elk nationaal of internationaal vervoer van reizigers of van goederen of elk nationaal of internationaal gecombineerd vervoer van goederen;64° « Treinpad » : de spoorweginfrastructuurcapaciteit die nodig is om een trein in een bepaald tijdvak tussen twee plaatsen te laten rijden;65° « Subsystemen » : het resultaat van de onderverdeling van het spoorwegsysteem zoals omschreven in bijlage 15 waarvoor essentiële eisen moeten worden gedefinieerd.Deze subsystemen zijn van structurele of functionele aard; 66° « Europese specificatie » : een gemeenschappelijke technische specificatie, een Europese technische goedkeuring of een nationale norm waarin een Europese norm is omgezet, zoals gedefinieerd in artikel 67bis van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten in de sectoren van water, energie, vervoer en postdiensten;67° « Technische specificatie interoperabiliteit (TSI) » : de specificaties die voor elk subsysteem of gedeelte van een subsysteem gelden, ten einde aan de essentiële eisen te voldoen en de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem te verzekeren;68° « Vervanging in het kader van een onderhoud » : vervanging van onderdelen door onderdelen met een identieke functie en identieke prestaties in het kader van preventief onderhoud of herstelwerkzaamheden;69° « Veiligheidsbeheersysteem » : de organisatie en de regelingen die door de spoorweginfrastructuurbeheerder of een spoorwegonderneming tot stand zijn gebracht om hun activiteiten veilig te laten verlopen;70° « Spoorwegsysteem » : het systeem van de spoorweginfrastructuur, bestaande uit de lijnen en vaste installaties van het spoorwegnetwerk en het rollend materieel, ongeacht categorie of herkomst, dat gebruik maakt van deze infrastructuur;71° « Trans-Europese spoorwegsysteem » : de in bijlage 14 beschreven trans-Europese conventionele spoorwegsystemen en trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsystemen;72° « Voertuigtype » : een voertuigtype dat beantwoordt aan de fundamentele ontwerpkenmerken van het voertuig aangegeven in een enkele verklaring van « EG » -typeonderzoek zoals omschreven in module B van bijlage II van het besluit nr.768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van besluit 93/465/EEG van de Raad; 73° « Voertuig » : een spoorvoertuig dat op eigen wielen voortbeweegt op spoorlijnen, met of zonder tractie.Een voertuig bestaat uit één of meer structurele en functionele subsystemen of onderdelen van dergelijke subsystemen.
TITEL 2. - Scheiding tussen de spoorwegvervoersactiviteit en het spoorweginfrastructuurbeheer enerzijds, en tussen het uitvoeren van reizigersvervoerdiensten in opdracht van openbare dienst en activiteiten met betrekking tot andere vervoerdiensten of andere bedrijfsactiviteiten anderzijds Art. 4.§ 1. Ondernemingen, die zowel spoorwegvervoerdiensten als activiteiten met betrekking tot beheer van spoorweginfrastructuur verrichten, houden in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen aan, enerzijds, voor de activiteit met betrekking tot het verlenen van spoorwegvervoerdiensten en, anderzijds, voor het beheer van spoorweginfrastructuur. De toelichting bij hun jaarrekening bevat afzonderlijke balansen, resultatenrekeningen en kasstroomoverzichten voor de activiteiten met betrekking tot de levering van spoorwegvervoerdiensten enerzijds, en voor de activiteiten betreffende het beheer van de spoorweginfrastructuur anderzijds.
Overheidsmiddelen die hetzij voor het verrichten van spoorwegvervoerdiensten, hetzij voor het beheer van spoorweginfrastructuur worden verstrekt, mogen niet worden overgedragen naar de andere activiteit.
Dit verbod moet terug te vinden zijn in de wijze waarop elke onderneming de boekhouding van deze twee activiteiten voert. § 2. Spoorwegondernemingen houden in hun interne boekhouding afzonderlijke rekeningen aan met betrekking tot de activiteit van goederenvervoer per spoor. De toelichting bij hun jaarrekening bevat een afzonderlijke balans, resultatenrekening en kasstroomoverzicht met betrekking tot de activiteit van goederenvervoer per spoor.
Financiële middelen voor het uitvoeren van reizigersvervoerdiensten in opdracht van openbare dienst, moeten afzonderlijk in de desbetreffende rekeningen worden weergegeven en mogen niet worden overgedragen naar de activiteit met betrekking tot andere vervoerdiensten of andere bedrijfsactiviteiten.
TITEL 3. - Gebruik van de spoorweginfrastructuur HOOFDSTUK 1. - Toegang tot de spoorweginfrastructuur Afdeling 1. - Toegangs- en doorvoerrecht
Art. 5.Hebben toegang tot de spoorweginfrastructuur : 1° De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen voor de exploitatie van al haar vervoersactiviteiten;2° Elke spoorwegonderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie voor de exploitatie van elk type van goederenvervoerdiensten;3° Elke spoorwegonderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie, voor de exploitatie van internationale reizigersvervoerdiensten;4° Elke toeristische onderneming die ritten verricht voor toeristische doeleinden met historisch materieel en daartoe erkend is. Art. 6.Bij een internationale reizigersvervoerdienst heeft de spoorwegonderneming het recht op het internationale traject reizigers te laten opstappen in elk station en ze te laten uitstappen in een ander station, ook voor het vervoer van reizigers op gedeelten van dat traject die tussen twee Belgische stations liggen. Art. 7.Elke spoorwegonderneming die spoorwegvervoerdiensten wil verrichten en toegang wil hebben tot de spoorweginfrastructuur moet in het bezit zijn van : 1° een vergunning die bestemd is voor het type diensten dat ze aanbiedt, afgeleverd door de bevoegde overheid van een lidstaat van de Europese Unie;2° een spoorwegveiligheidscertificaat;3° beschikbare spoorweginfrastructuurcapaciteiten toegekend door de spoorweginfrastructuurbeheerder. Art. 8.De spoorweginfrastructuurbeheerder verplaatst zich vrij op zijn netwerk, met het oog op het onderhoud, het beheer, de vernieuwing en de uitbreiding van de spoorweginfrastructuur, met naleving van de veiligheidsmaatregelen die aan elke gebruiker van de spoorweginfrastructuur worden opgelegd.
De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt de spoorweginfrastructuur ter beschikking van de aangemelde en aangewezen instanties alsook van de spoorwegondernemingen, teneinde tests te verrichten in overeenstemming met de bepalingen van titel 6 en mits naleving van de veiligheidsvoorschriften.
Voor het verrichten van testen bedoeld in het tweede lid, moet de kandidaat een testretributie betalen aan de infrastructuurbeheerder die betrekking heeft op de voertuigen waarmee de testen worden verricht en die de kosten van de infrastructuurbeheerder dekt. De Koning bepaalt de wijze van berekening en de betalingswijzen van deze testretributie. Afdeling 2. - Diensten die aan de spoorwegondernemingen moeten worden
geleverd Art. 9.§ 1. De toegang via het spoor tot diensten in verband met spoorwegactiviteiten overeenkomstig artikel 5, alsmede de verlening van deze diensten in terminals en havens waarbij meer dan één eindgebruiker wordt bediend of kan worden bediend, worden toegestaan aan alle spoorwegondernemingen op niet-discriminerende en transparante wijze en verzoeken van spoorwegondernemingen kunnen alleen onderworpen worden aan beperkingen indien er haalbare spoorwegalternatieven onder marktvoorwaarden voorhanden zijn. § 2. Een spoorwegonderneming heeft op een niet-discriminerende basis recht op het minimum toegangspakket bedoeld in punt 1 van de bijlage 1 en op de toegang via het spoor tot voorzieningen, als omschreven in bijlage 1. De in het punt 2 van bijlage 1 bedoelde diensten worden op een niet-discriminerende wijze verleend; verzoeken van spoorwegondernemingen om de in punt 2 van bijlage 1 bedoelde diensten mogen slechts worden afgewezen als er, onder marktvoorwaarden, haalbare alternatieven bestaan. § 3. Aanvullende diensten, bedoeld in bijlage 1, punt 3, kunnen op vraag van een spoorwegonderneming door de spoorweginfrastructuurbeheerder worden verleend. In dat geval moeten zij op niet-discriminerende wijze verleend worden aan elke kandidaat die erom vraagt. § 4. De spoorwegonderneming kan aan de spoorweginfrastructuurbeheerder of aan andere leveranciers vragen de ondersteunende diensten bedoeld in bijlage 1, punt 4, te verlenen. De spoorweginfrastructuurbeheerder is niet verplicht deze diensten te verlenen. Afdeling 3. - Vergunningen
Art. 10.Onverminderd andersluidende bepalingen worden de vergunningen met betrekking tot de installaties van de verkrijgers en tot de bouw van kunstwerken boven en onder de spoorweg afgegeven door de spoorweginfrastructuurbeheerder. Hij maakt een inventaris op en houdt deze bij.
De installaties die een potentieel gevaar voor de bevolking of voor het milieu kunnen inhouden worden duidelijk aangegeven en gelokaliseerd ten opzichte van het spoorwegnetwerk. HOOFDSTUK 2. - Vergunning van spoorwegonderneming Afdeling 1. - Principes
Art. 11.Elke onderneming die een exploitatiezetel in België heeft, heeft het recht een vergunning bij de minister aan te vragen die haar toelaat om als spoorwegonderneming erkend te worden. Art. 12.De vergunning is onoverdraagbaar en beschrijft de typediensten waarvoor ze geldig is. Ze is op het gehele grondgebied van de Europese Unie geldig. Afdeling 2. - Voorwaarden voor de afgifte van de vergunning
Art. 13.§ 1. Om een vergunning te verkrijgen levert de vergunningaanvrager het bewijs dat hij op elk moment en bij het begin van zijn activiteiten kan of zal kunnen voldoen aan de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad vastgelegde voorwaarden inzake financiële draagkracht, beroepsbekwaamheid, dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid en eerbaarheid. § 2. Om aan § 1 te voldoen moet elke onderneming die een vergunning aanvraagt alle nuttige inlichtingen verstrekken. § 3. De Koning bepaalt de nadere regels voor het indienen van een aanvraag en voor de afgifte van de vergunning. § 4. De Koning bepaalt de minimumbedragen voor de dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid. Afdeling 3. - Geldigheid van de vergunning
Art. 14.De vergunning blijft geldig zolang de onderneming de voorwaarden, gesteld in artikel 13, naleeft.
De vergunning wordt aan een nieuw onderzoek onderworpen : 1° met regelmatige door de Koning bepaalde tussenpozen, ten minste om de vijf jaar;2° indien de spoorwegonderneming plant om haar activiteiten ingrijpend te wijzigen of uit te breiden, 3° bij ernstige twijfel over de naleving door de spoorwegonderneming van de eisen opgesomd in artikel 13. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels van dit nieuwe onderzoek. Afdeling 4. - Intrekking en schorsing van de vergunning
Art. 15.De faillissementsuitspraak brengt van rechtswege de intrekking van de vergunning met zich mee. Art. 16.Wanneer de minister vaststelt dat er een ernstige twijfel bestaat over de naleving van de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk of in zijn uitvoeringsbesluiten door een spoorwegonderneming aan dewelke een vergunning werd afgegeven door de overheid van een andere lidstaat, licht hij dadelijk die overheid in. Art. 17.De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de gevallen en de nadere regels voor het schorsen en het intrekken van vergunningen, het indienen van de nieuwe aanvragen, het afleveren van een tijdelijke vergunning en de specifieke bepalingen voor de schorsing of de intrekking, die in de vergunning kunnen worden vermeld. Art. 18.Alle beslissingen inzake vergunningen worden meegedeeld aan de Europese Commissie. Afdeling 5. - Jaarlijkse retributie voor een vergunning
Art. 19.§ 1. De houder van een vergunning van spoorwegonderneming dient als deelneming in de kosten voor administratie, controle en toezicht, een jaarlijks geïndexeerde retributie te storten. § 2. Deze retributie moet worden betaald bij de afgifte van de vergunning en vervolgens vóór 1 januari van elk jaar. § 3. Deze retributie wordt niet teruggestort bij schorsing of intrekking van de vergunning of bij stopzetting van de activiteiten die door de vergunning gedekt worden. Wanneer de vergunning is ingetrokken of geschorst kan de retributie niet langer voor het volgend jaar worden geëist. § 4. Bij niet-betaling kan de vergunning worden geschorst. § 5. De Koning bepaalt het bedrag, de betalingswijze en het indexeringsmechanisme van de retributie. HOOFDSTUK 3. - De betrekkingen tussen de spoorweginfrastructuur- beheerder en de spoorwegondernemingen Afdeling 1. - Netverklaring
Art. 20.De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt de netverklaring op en zorgt voor de bekendmaking ervan, na raadpleging van het toezichthoudende orgaan, de kandidaten en de spoorwegondernemingen die het netwerk gebruiken. Art. 21.De netverklaring omvat de kenmerken van de spoorweginfrastructuur die ter beschikking van de spoorwegondernemingen wordt gesteld. Zij bevat de informatie die vereist is om toegang tot deze infrastructuur te krijgen in uitvoering van deze Spoorcodex en bepaald in bijlage 2. De netverklaring wordt bijgehouden en in voorkomend geval aangepast. Art. 22.De netverklaring wordt bekendgemaakt uiterlijk vier maanden vóór de uiterste datum die de spoorweginfrastructuurbeheerder vastlegt voor het indienen van aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit.
Haar bekendmaking wordt aangekondigd door een bericht in het Belgisch Staatsblad.
Zij kan elektronisch worden geraadpleegd of worden verkregen bij de spoorweginfrastructuurbeheerder tegen betaling van een retributie die hij vaststelt. Deze retributie is niet hoger dan de kosten van zijn bekendmaking. Afdeling 2. - Overeenkomsten
Art. 23.Elk gebruik van de spoorweginfrastructuur door de houder van een treinpad wordt voorafgegaan door het afsluiten van een overeenkomst tussen de spoorweginfrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming die spoorwegvervoerdiensten verricht en waarin de respectieve rechten en verplichtingen van elke partij worden vastgelegd. De bepalingen van deze overeenkomst zijn niet-discriminerend, transparant en in overeenstemming met de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen.
Deze overeenkomst bepaalt onder meer de nadere regels van de tenuitvoerlegging van de veiligheidsvoorschriften.
Deze overeenkomst bevat eveneens een prestatieregeling die tariferingssystemen voor het gebruik van de infrastructuur toepast om de spoorwegonderneming en de spoorweginfrastructuurbeheerder ertoe aan te zetten om tekortkomingen zo gering mogelijk te houden en de prestaties van het spoorwegnetwerk te verbeteren.
Deze regeling is voor het gehele netwerk van toepassing en kan boetes inhouden voor handelingen die de exploitatie van het netwerk hinderen, compensatie voor ondernemingen die onder tekortkomingen te lijden hebben, en premies ter beloning van prestaties die de ramingen overtreffen die gebaseerd zijn op het systeem van de optimalisering van de prestaties.
Na advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder bepaalt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de regels voor de berekening en betalingswijze van de heffingen die voortvloeien uit de toepassing van de prestatieregeling.
De partijen kunnen het toezichthoudende orgaan om advies vragen over de verenigbaarheid van deze overeenkomst met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten. Art. 24.§ 1. De spoorweginfrastructuurbeheerder en de kandidaat kunnen een kaderovereenkomst sluiten die hun rechten en verplichtingen vaststelt met betrekking tot de toe te wijzen infrastructuurcapaciteit en de tarifering voor een periode die langer is dan de geldigheidsduur van één dienstregelingstijdvak.
In deze kaderovereenkomst worden de kenmerken opgenomen van de infrastructuurcapaciteit die door de kandidaat wordt aangevraagd en de infrastructuurcapaciteiten aangeboden voor een termijn van meer dan één dienstregelingsperiode. De kaderovereenkomst behelst geen gedetailleerde beschrijving van een treinpad, maar is zo opgesteld dat aan de gewettigde commerciële behoeften van de aanvrager wordt tegemoet gekomen.
De kaderovereenkomst mag geen belemmering vormen voor het gebruik van de infrastructuur door andere kandidaten of diensten.
Een kaderovereenkomst kan gewijzigd worden om een beter gebruik van de spoorweginfrastructuur mogelijk te maken.
De kaderovereenkomst kan maatregelen bevatten die gedragingen sanctioneren die tot gevolg hebben dat de overeenkomst wordt gewijzigd of beëindigd.
Mits eerbiediging van de vertrouwelijkheid worden de algemene bepalingen van elke kaderovereenkomst openbaar gemaakt aan alle partijen die in aanmerking komen voor het gebruiken van dezelfde capaciteiten.
De kaderovereenkomst heeft in beginsel een looptijd van vijf jaar, en kan worden verlengd met periodes die gelijk zijn aan haar oorspronkelijke looptijd. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan in bijzondere gevallen met een kortere of langere looptijd instemmen. Een looptijd van meer dan vijf jaar wordt gerechtvaardigd door het bestaan van commerciële overeenkomsten, specifieke investeringen of risico's.
Wanneer bijzondere gevallen dit noodzaken, inzonderheid als er sprake is van omvangrijke investeringen op lange termijn, kan de looptijd tien jaar overschrijden.
De partijen kunnen het toezichthoudende orgaan om advies vragen over de verenigbaarheid van de beoogde overeenkomst met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten.
De spoorweginfrastructuurbeheerder werkt het model van de kaderovereenkomst uit dat deel uitmaakt van de netverklaring. § 2. In afwijking van artikel 24, § 1, zevende lid, kan voor diensten waarbij gebruik wordt gemaakt van infrastructuur die overeenkomstig artikel 38, tweede lid, is aangewezen en die een door de aanvrager naar behoren gemotiveerde aanzienlijke en langdurige investering vereist, de looptijd van de kaderovereenkomst vijftien jaar bedragen.
Een looptijd van meer dan vijftien jaar is alleen in uitzonderingsgevallen mogelijk, met name bij aanzienlijke en langdurige investeringen, wanneer deze het voorwerp uitmaken van contractuele verplichtingen waaronder een meerjarenplan voor de afschrijving van deze investeringen.
De aanvrager kan in dit geval om een gedetailleerde omschrijving van de capaciteitskenmerken verzoeken, meer bepaald de frequentie, het volume en de kwaliteit van treinpaden die hem voor de looptijd van de kaderovereenkomst ter beschikking worden gesteld. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan de gereserveerde capaciteit verlagen indien deze voor een periode van ten minste één maand minder is gebruikt dan de drempelwaarde bedoeld in artikel 41, § 4.
Een eerste kaderovereenkomst kan voor een periode van vijf jaar worden opgesteld, die met vijf jaar verlengd kan worden, op basis van de capaciteitskenmerken die worden gebruikt door aanvragers die vóór 1 januari 2010 diensten exploiteren, ten einde rekening te houden met specifieke investeringen of met het bestaan van commerciële overeenkomsten. Het toezichthoudende orgaan is belast met het verlenen van toestemming voor de inwerkingtreding van een dergelijke overeenkomst. Afdeling 3. - Verstoringen, ongevallen en incidenten
Art. 25.Bij verstoring van het spoorwegverkeer door een technisch defect, een ongeval of een ernstig incident, neemt de spoorweginfrastructuurbeheerder de nodige maatregelen om de normale toestand te herstellen.
Zonder afbreuk te doen aan artikel 93 en hoofdstuk 6 van titel 4 stelt hij een interventieplan op dat een lijst bevat van de verschillende te waarschuwen betrokken instanties in geval van ongeval of bestendige verstoringen van het verkeer. Afdeling 4. - Vertrouwelijkheid
Art. 26.De infrastructuurbeheerder eerbiedigt de vertrouwelijkheid uit commercieel oogpunt van de hem door de kandidaten verstrekte gegevens. HOOFDSTUK 4. - Toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteit Afdeling 1. - Algemeenheden
Art. 27.De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt de specifieke toewijzingsregels voor de spoorweginfrastructuurcapaciteit op, op basis van de bepalingen van dit hoofdstuk, en maakt ze in de netverklaring bekend.
De spoorweginfrastructuurbeheerder kan het advies van het toezichthoudende orgaan inwinnen over de verenigbaarheid van deze specifieke toewijzingsregels met de bepalingen van deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten.
In afwijking van het eerste lid, kan de Koning nadere toewijzingsregels bepalen met betrekking tot de voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor patrimoniale, historische of toeristische doeleinden. Afdeling 2. - Beginselen van de toewijzing van de
spoorweginfrastructuurcapaciteit Art. 28.De spoorweginfrastructuurbeheerder wijst de beschikbare capaciteiten op een werkzame en optimale manier toe, zowel voor de nationale als voor de internationale spoorwegdiensten, op een billijke en niet-discriminerende basis.
De spoorweginfrastructuurbeheerder is voortdurend in staat om aan elke belanghebbende partij de nog beschikbare capaciteit mee te delen. Art. 29.De beschikbare spoorweginfrastructuurcapaciteit die aan een kandidaat is toegewezen, mag niet aan een andere kandidaat of aan een andere dienst worden overgedragen.
Het gebruik van capaciteit door een spoorwegonderneming die de activiteiten uitoefent van een kandidaat die zelf geen spoorwegonderneming is, wordt niet als een overdracht beschouwd.
Elke handel in infrastructuurcapaciteit is verboden en heeft uitsluiting van capaciteitstoewijzing voor de geldende dienstregeling tot gevolg. Art. 30.§ 1. Het recht om een bepaalde capaciteit van de spoorweginfrastructuur te gebruiken onder de vorm van treinpaden, wordt aan een kandidaat toegewezen voor een maximale periode die overeenstemt met één enkele geldigheidsperiode van de dienstregeling. § 2. De spoorweginfrastructuurbeheerder en de kandidaat kunnen evenwel een kaderovereenkomst overeenkomstig artikel 24, § 1, sluiten, voor het capaciteitsgebruik op de betrokken spoorweginfrastructuur voor een periode langer dan één enkele geldigheidsperiode van de dienstregeling. § 3. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan van de kandidaat verlangen dat hij de administratieve kosten betaalt die verbonden zijn aan de behandeling van zijn aanvraag, ongeacht of hem al dan niet een treinpad wordt toegewezen. Art. 31.Wanneer een kandidaat voornemens is infrastructuurcapaciteit aan te vragen met het oog op het exploiteren van een internationale reizigersvervoersdienst met halten die vervoerdiensten tussen twee in België gelegen stations mogelijk maken, stelt hij de betrokken infrastructuurbeheerder en het toezichthoudende orgaan daarvan in kennis.
Om de beoordeling mogelijk te maken van het doel van een internationale reizigersvervoerdienst, zorgt het toezichthoudende orgaan ervoor dat de minister, alsook de minister die een in een openbare dienstcontract omschreven reizigersvervoerdienst per spoor heeft gegund en elke spoorwegonderneming die het openbare dienstcontract uitvoert op het traject van deze internationale reizigersvervoerdienst, op de hoogte worden gebracht. Afdeling 3. - Toewijzingsprocedures
Onderafdeling 1. - Aanvragen Art. 32.De aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit worden ingediend : 1° hetzij door de kandidaten bedoeld bij artikel 5, houder van een vergunning en een veiligheidscertificaat, 2° hetzij door de toewijzende instantie voor spoorweginfrastructuurcapaciteit van een andere lidstaat van de Europese Unie voor het traject op Belgisch grondgebied. Zij worden tot de Belgische spoorweginfrastructuurbeheerder gericht wanneer het vertrek van de dienst op Belgisch grondgebied is gelegen. Art. 33.§ 1. De aanvragen voor geregelde diensten worden ingediend en behandeld met naleving van het tijdschema opgenomen in bijlage 3 en volgens de nadere regels vermeld in de netverklaring. § 2. De aanvragen die passen in een kaderovereenkomst worden volgens die overeenkomst behandeld. § 3. De aanvragen die na de einddatum voor de indiening van de capaciteitsaanvragen werden ingediend, kunnen slechts worden toegekend uit de beschikbare capaciteit van het netwerk na toewijzing van de treinpaden of uit de gereserveerde capaciteit. § 4. De aanvragen voor treinpaden die werden ingediend na de bekendmaking van de dienstregeling maar die betrekking hebben op deze dienstregeling, kunnen slechts worden toegekend voor de nog overblijvende duur van de lopende dienstregeling en uit de beschikbare capaciteit van het netwerk na toewijzing van de treinpaden of uit de gereserveerde capaciteit. Art. 34.De aanvragen die op meer dan één netwerk betrekking hebben, waaronder het Belgische netwerk, kunnen worden gericht aan de Belgische spoorweginfrastructuurbeheerder. Deze treedt dan op bij de andere betrokken spoorweginfrastructuurbeheerders voor rekening van de kandidaat als aanvrager om capaciteit.
De internationale treinpaden zoals overeengekomen door de verschillende spoorweginfrastructuurbeheerders worden in de ontwerpdienstregeling geïntegreerd vóór het begin van de geplande raadplegingen. Art. 35.Vanaf de einddatum voor het indienen van de aanvragen, beschikt de spoorweginfrastructuurbeheerder over vier maanden om een ontwerp-dienstregeling op te stellen.
Dit ontwerp wordt opgesteld rekening houdend met de voorlopige internationale treinpaden die werden opgemaakt in de volgens de procedure bedoeld in artikel 34 georganiseerde samenwerking; de spoorweginfrastructuurbeheerder vergewist zich ervan dat die treinpaden in de loop van de procedure zoveel mogelijk worden behouden.
Wanneer de ontwerp-dienstregeling is opgesteld, raadpleegt de spoorweginfrastructuurbeheerder de betrokken partijen en geeft hij hen één maand om hun opmerkingen voor te leggen.
De dienstregeling treedt uiterlijk twaalf maanden na de einddatum voor indiening van de aanvragen in werking. Art. 36.Op punctuele aanvragen voor treinpaden antwoordt de spoorweginfrastructuurbeheerder ten laatste binnen een termijn van vijf werkdagen. In geval van aanvragen bedoeld in artikel 33, §§ 3 en 4, antwoordt de spoorweginfrastructuurbeheerder binnen een termijn van ten hoogste één maand. De spoorweginfrastructuurbeheerder licht de kandidaten in over de niet-gebruikte en beschikbare capaciteit die zij zouden willen gebruiken. Art. 37.Het geprogrammeerde onderhoud van de spoorweginfrastructuur neemt de vorm aan van een capaciteitsaanvraag die werd ingediend als reservering tijdens de voorbereiding van de dienstregeling. De spoorweginfrastructuurbeheerder houdt rekening met zijn invloed op de capaciteitsaanvragen van de kandidaten.
Onderafdeling 2. - Programmerings- en coördinatieprocedures Art. 38.De infrastructuurcapaciteit wordt beschikbaar geacht voor alle types van diensten die beantwoorden aan de karakteristieken nodig om het betreffende treinpad te kunnen gebruiken.
De spoorweginfrastructuurbeheerder kan echter bepaalde specifieke spoorweginfrastructuren aanwijzen voor bepaalde types van spoorwegdiensten wanneer er vervangende reiswegen voorhanden zijn. Dit wordt in de netverklaring vermeld. Deze aanwijzing verhindert niet dat deze spoorweginfrastructuren voor andere types van spoorwegdiensten worden gebruikt, wanneer capaciteit beschikbaar is en het rollend materieel de vereiste technische karakteristieken bezit om de betreffende spoorweginfrastructuur te gebruiken.
Deze aanduiding gebeurt na raadpleging van de betrokken partijen en na overleg met het bestuur. Art. 39.De spoorweginfrastructuurbeheerder spant zich in om aan alle aanvragen om spoorweginfrastructuurcapaciteit te voldoen; hij houdt rekening met de moeilijkheden waaraan de kandidaten het hoofd moeten bieden, zoals de economische weerslag op hun activiteiten en leeft de specifieke regels bedoeld in deze Spoorcodex na inzake concurrerende aanvragen, overbelasting, punctuele aanvragen, specificiteit van de spoorweginfrastructuur en onderhoudsaanvragen. Art. 40.§ 1. Bij concurrerende aanvragen, betracht de spoorweginfrastructuurbeheerder een zo groot mogelijke onderlinge gelijkwaardigheid van de aanvragen door deze aanvragen te coördineren. § 2. Hierbij kan hij andere spoorweginfrastructuurcapaciteiten voorstellen dan deze die werden aangevraagd en in geval van conflict raadpleegt de spoorweginfrastructuurbeheerder de betrokken kandidaten.
De beginselen die de coördinatieprocedure leiden worden in de netverklaring vastgelegd. Zij weerspiegelen in het bijzonder de moeilijkheid om internationale treinpaden aan te leggen en de weerslag die elke wijziging bij andere spoorweginfrastructuurbeheerders kan veroorzaken. Art. 41.§ 1. Indien het na coördinatie van de aangevraagde treinpaden en na overleg met de kandidaten niet mogelijk is gebleken de aanvragen voor spoorweginfrastructuurcapaciteit van alle betrokkenen af te handelen of indien de spoorweginfrastructuur naar verwachting in de nabije toekomst met dezelfde schaarste zal te kampen hebben, verklaart de spoorweginfrastructuurbeheerder het betrokken spoorweginfrastructuurelement onverwijld tot « overbelaste infrastructuur ». § 2. De spoorweginfrastructuurbeheerder verricht binnen de zes maanden na de verklaring tot overbelasting een capaciteitsanalyse, tenzij al een ontwerp van vergrotingsplan overeenkomstig § 3 werd goedgekeurd.
De capaciteitsanalyse stelt de beperkingen van de spoorweginfrastructuurcapaciteit en de redenen van deze overbelasting vast, waardoor niet op gepaste wijze aan de capaciteitsaanvragen kan worden voldaan en stelt methoden en maatregelen voor om te kunnen voldoen aan bijkomende aanvragen die zouden kunnen genomen worden op korte of middellange termijn om daaraan te verhelpen.
De Koning bepaalt de inhoud van de analyse. § 3. Binnen zes maanden na de opmaak van de capaciteitsanalyse legt de spoorweginfrastructuurbeheerder een ontwerp van capaciteitsvergrotingsplan voor, na raadpleging van de gebruikers van de betrokken overbelaste spoorweginfrastructuur. Het ontwerp vermeldt de redenen voor de overbelasting, de vermoedelijke ontwikkeling van het verkeer, de beperkingen die wegen op de ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur, de mogelijke oplossingen en hun kostprijs. Aan de hand van een kosten-batenanalyse van de mogelijke maatregelen wordt bepaald welke maatregelen zullen worden genomen om de capaciteit te vergroten, alsmede het tijdschema voor hun uitvoering.
Het ontwerp wordt binnen drie maanden goedgekeurd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. § 4. De spoorweginfrastructuurbeheerder legt op om afstand te doen van een treinpad waarvan het gebruik over een periode van ten minste één maand lager ligt dan een bepaalde drempelwaarde die opgenomen is in de netverklaring, tenzij dit te lage gebruik het gevolg zou zijn van andere dan economische redenen en waarover de betreffende spoorwegonderneming geen controle heeft. Art. 42.§ 1. De spoorweginfrastructuurbeheerder heft niet langer de retributie bedoeld in artikel 50, § 2, voor de betrokken overbelaste spoorweginfrastructuur, indien : 1° hij geen capaciteitsvergrotingsplan voorlegt binnen de termijn gesteld bij artikel 41, § 3, of 2° hij het actieplan niet uitvoert dat is vastgelegd in het capaciteitsvergrotingsplan binnen de drie maanden volgend op de goedkeuring van dit plan. § 2. Onder voorbehoud van de goedkeuring door het toezichthoudende orgaan, mag de spoorweginfrastructuurbeheerder deze retributie echter blijven ontvangen indien : 1° het capaciteitsvergrotingsplan niet kan worden uitgevoerd door omstandigheden onafhankelijk van zijn wil of 2° de beschikbare mogelijkheden economisch of financieel niet haalbaar zijn. Art. 43.Wanneer een spoorweginfrastructuur overbelast verklaard is en de retributies bedoeld in artikel 50, § 2, niet zijn geïnd of onvoldoende resultaten hebben opgeleverd, past de spoorweginfrastructuurbeheerder de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde prioriteiten toe afhankelijk van : 1° openbare dienstverplichtingen;2° de noodzakelijke ontwikkeling van goederenvervoerdiensten, in het bijzonder van internationale goederenvervoerdiensten. Mits eerbiediging van de in het eerste lid bedoelde criteria kan de spoorweginfrastructuurbeheerder eveneens prioriteitscriteria vastleggen welke hij in de netverklaring vermeldt, teneinde het gebruik van de spoorweginfrastructuur te optimaliseren of om economische redenen. Bij de bepaling van de prioriteitscriteria houdt hij rekening met de vroegere gebruiksniveaus van de treinpaden. Art. 44.Bij hoogdringendheid of ingeval van absolute noodzaak wegens storingen die de spoorweginfrastructuur tijdelijk onbruikbaar maken, kunnen de toegekende treinpaden afgeschaft worden zonder voorafgaande kennisgeving en dit voor de duur nodig om de installatie opnieuw in werking te stellen.
Indien hij het noodzakelijk acht, kan de spoorweginfrastructuurbeheerder van de spoorwegondernemingen eisen, hem tegen een redelijke vergoeding de middelen ter beschikking te stellen die hij het meest geschikt acht om de normale toestand zo snel mogelijk te herstellen.
Onderafdeling 3. - Samenwerking met andere spoorweginfrastructuurbeheerders Art. 45.De spoorweginfrastructuurbeheerder werkt samen met de infrastructuurbeheerders van de andere lidstaten van de Europese Unie, om spoorweginfrastructuurcapaciteit die verscheidene netwerken beslaat op een efficiënte wijze te ontwerpen en toe te wijzen. In het raam van deze samenwerking ontwerpt de spoorweginfrastructuurbeheerder internationale treinpaden en werkt de noodzakelijke procedures hiervoor uit.
Wanneer de Belgische spoorweginfrastructuurbeheerder het initiatief neemt voor deze samenwerking, meldt hij dit aan de Europese Commissie en nodigt hij haar als waarnemer uit. Hij licht tevens het publiek op gepaste wijze in. HOOFDSTUK 5. - Retributies voor het gebruik van de infrastructuur Afdeling 1. - Algemeenheden
Art. 46.De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder, de wijze van berekening en de betalingswijzen van de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur.
Hij kan na advies van de spoorweginfrastructuurbeheerder eveneens de specifieke tariferingsvoorschriften bepalen. Bij ontstentenis hiervan worden die voorschriften door de spoorweginfrastructuurbeheerder vastgesteld.
Het tariferingssysteem en de schalen worden in de netverklaring opgenomen.
In afwijking van het eerste lid, kan de Koning nadere regels bepalen voor de wijze van berekening van de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur met betrekking tot voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor patrimoniale, historische of toeristische doeleinden. Art. 47.§ 1. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de gepaste voorwaarden, met inbegrip van eventuele voorschotten, om ervoor te zorgen dat, onder normale zakelijke omstandigheden en over een redelijk tijdsverloop, uit de boeken van de spoorweginfrastructuurbeheerder ten minste een evenwicht blijkt tussen de inkomsten uit de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur, in voorkomend geval overschotten uit andere commerciële activiteiten en overheidsfinanciering, enerzijds, en tussen spoorweginfrastructuuruitgaven, anderzijds. § 2. De spoorweginfrastructuurbeheerder wordt met inachtneming van de eisen inzake veiligheid en de verbetering van de kwaliteit van de spoorweginfrastructuurdienst aangemoedigd om de kosten van de terbeschikkingstelling van spoorweginfrastructuur alsmede de hoogte van retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur te verminderen. § 3. Ingeval de spoorweginfrastructuurbeheerder een autonoom overheidsbedrijf is, wordt de bepaling van § 2 verwezenlijkt via het beheerscontract met de Belgische staat. Ingeval de spoorweginfrastructuurbeheerder geen autonoom overheidsbedrijf is, stelt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bepalingen met betrekking tot de uitvoering van § 2 vast. Art. 48.De spoorweginfrastructuurbeheerder stelt een methode voor de aanrekening van de kosten op. Deze methode en haar eventuele aanpassingen aan de beste internationale praktijk zijn onderworpen aan de goedkeuring van het toezichthoudende orgaan uiterlijk vóór het begin van de eerste dienstregeling ingaande na de inwerkingtreding van deze Spoorcodex. Afdeling 2. - Beginselen voor de tarifering van het gebruik van de
spoorweginfrastructuur Art. 49.De spoorweginfrastructuurbeheerder bepaalt en int de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur overeenkomstig deze Spoorcodex en zijn uitvoeringsbesluiten. Hij bestemt ze voor zijn bedrijfsactiviteiten. Art. 50.§ 1. De retributies geheven voor het minimumtoegangspakket en voor de toegang via het spoor tot de voorzieningen bedoeld in punten 1 en 2 van de bijlage 1, zijn gelijk aan de rechtstreeks aan de spoorwegdienst toewijsbare kosten. § 2. De retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur kan een retributie omvatten voor het capaciteitsgebrek van een welbepaald segment van de spoorweginfrastructuur tijdens periodes van overbelasting. § 3. De retributie voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur kan worden gewijzigd om rekening te houden met de kosten van milieu-effecten van de treinexploitatie. Dergelijke wijziging waarbij rekening gehouden wordt met milieukosten waaruit een verhoging van de totale inkomsten van de spoorweginfrastructuurbeheerder resulteert, wordt echter uitsluitend toegestaan als deze bij concurrerende vervoersmodi van vergelijkbare omvang is. Bij ontstentenis van zo een vergelijkbaar heffingsniveau, mag dergelijke wijziging geen gevolgen hebben voor de totale inkomsten van de spoorweginfrastructuurbeheerder. § 4. Om buitensporige schommelingen te voorkomen, mogen de retributies, bedoeld in §§ 1 tot 3, worden uitgedrukt als gemiddelden, berekend over een voldoende aantal in de punten 1 en 2 van bijlage 1 bedoelde spoorwegdiensten en perioden. § 5. In tegenstelling tot de retributie voor de toegang tot de diensten bedoeld in bijlage 1, punt 2, wordt de prijs van deze diensten zelf vastgesteld, rekening houdend met de concurrentiepositie van de spoorwegen. Art. 51.Indien de aanvullende of ondersteunende diensten bedoeld in bijlage 1, punten 3 en 4, slechts door één leverancier worden aangeboden, moeten de voor dergelijke diensten geheven retributies gerelateerd zijn aan de kosten die nodig zijn om de diensten te verschaffen, berekend op basis van het werkelijke gebruiksniveau. Art. 52.Voor capaciteit die voor spoorweginfrastructuuronderhoud wordt gebruikt, kunnen retributies geïnd worden. Deze retributies mogen niet hoger zijn dan het als gevolg van het onderhoud door de spoorweginfrastructuurbeheerder geleden netto-inkomstenverlies. Art. 53.De spoorweginfrastructuurbeheerder moet altijd kunnen aantonen dat de retributies voor het daadwerkelijk gefactureerd gebruik van de spoorweginfrastructuur in overeenstemming zijn met de methode, de reglementering en de schalen opgenomen in de netverklaring. Art. 54.De spoorweginfrastructuurbeheerder kan een aangepaste retributie innen voor toegekende maar niet gebruikte capaciteit. Dit recht moedigt een doeltreffend gebruik van de capaciteit aan. Art. 55.§ 1. De spoorweginfrastructuurbeheerder kan kandidaten een financiële waarborg opleggen om de betaling van de retributies zeker te stellen. Deze staat in verhouding tot de voorgenomen activiteiten. § 2. Deze waarborg is transparant en niet-discriminerend. Hij wordt in de netverklaring bekendgemaakt en de Europese Commissie wordt hiervan in kennis gesteld. Afdeling 3. - Uitzonderingen op de beginselen voor tarifering
Art. 56.§ 1. In afwijking van afdeling 2 kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, besluiten tot een verhoging van de retributies voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur om de volledige dekking van de door de spoorweginfrastructuurbeheerder gemaakte kosten te verkrijgen.
De beslissing houdt inzonderheid rekening met de mogelijkheid van de spoorwegmarkt om deze verhogingen te dragen en met de mededinging in de vervoersector.
De beslissing sluit het gebruik van de spoorweginfrastructuur niet uit door marktsegmente …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.