← België

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie

Kort samengevat

Dit besluit regelt de administratieve status en de bezoldiging van ambtenaren die werkzaam zijn bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en bepaalt hun rechten en plichten. Het legt de basis voor hun tewerkstelling en de organisatie van het ministerie.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
27 MAART 2014. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, inzonderheid op het artikel 40, § 1; Gelet op het Koninklijk Besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve toestand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden. Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten5 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Gelet op het besluit van de Brussels Hoofdstedelijke Regering van 26 april 2007 ten einde de voorwaarden te bepalen waaronder de mandatarissen bij het ministerie worden aangewezen, ter uitvoering van artikel 30bis van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten5 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels hoofdstedelijk gewest; Gelet op de Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie; Gelet op de Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 19 maart 2013; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 27 maart 2014; Gelet op de akkoordbevinding van de federale Minister van Pensioenen van 5 december 2013; Gelet op het protocol nr. 2013/11 van Sector XV van 18 december 2013; Gelet op het advies nr. 54.917/2 van de Raad van State, gegeven op 5 maart 2014 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Minister bevoegd voor Openbaar Ambt; Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.§ 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° De Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;2° het ministerie : het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° de minister : de minister bevoegd voor Openbaar Ambt;4° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan een dienst van het ministerie afhangt in functie van de bevoegdheden die hij uitoefent;5° het diensthoofd : de ambtenaar titularis van de graad van directeur-diensthoofd van rang A4;6° de functionele chef : personeelslid die de leiding over en/of de dagelijkse controle heeft over het functioneren van een team ingevolge diens functiebeschrijving;7° Vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in het bevoegde Sectorcomité in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.8° bestuursovereenkomst : geschreven document waarin de akkoorden staan die tussen de regering en het Ministerie gesloten zijn.Die akkoorden houden strategische doelstellingen in teneinde de opdrachten van het Ministerie, de elementen uit de regeringsverklaring alsook de grote richtlijnen bepaald door de Regering te realiseren. 9° HRM : dienst binnen de instelling belast met het personeelsbeheer;10° De HRM-verantwoordelijke : het personeelslid van minimum rang A3 die bevoegd is voor het personeelsbeheer;11° budgettaire correspondent : het personeelslid die de coördinatie, centralisatie, verificatie en consolidatie van alle budgettaire informatie verzekert overeenkomstig het artikel 42 van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 juli 2006 betreffende de administratieve en begrotingscontrole evenals de begrotingsopmaak;12° getuigschrift van generieke competenties verworven buiten diploma : getuigschrift met als doel de bekwaamheid die de persoon via formele of niet-formele opleiding verworven heeft, te bekrachtigen en te bewijzen met het oog op de uitoefening van een functie binnen het Ministerie.13° wettelijk tweetalige : personeelslid die de kennis bewijst van een tweede taal die niet onder zijn taalrol valt op de bij artikel 43, § 3, 3e alinea voorgeschreven wijze van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurzaken, gecoördineerd op 18 juli 1966; § 2. Wanneer dit besluit voorziet in het versturen van een brief of een aangetekend schrijven met of zonder een ontvangstbewijs, dan wordt het versturen via een elektronische procedure, die op een aantoonbare wijze en aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de inhoud van de communicatie waarborgt, beschouwd als equivalent. Het gebruik van de elektronische identiteitskaart of de elektronische vreemdelingenkaart kan verplicht worden opgelegd. § 3. Wanneer dit besluit voorziet in een termijn wordt deze berekend in kalenderdagen, tenzij anders voorzien. § 4. Het gebruik in dit besluit van mannelijke woorden is gemeenslachtig met het oog op het waarborgen van de leesbaarheid van de tekst. TITEL II. - De organisatie van het ministerie HOOFDSTUK I. - De ambtenaren Art. 2.Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband in het Ministerie tewerkgesteld is. De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut. Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn. Art. 3.De ambtenaren van het Ministerie worden benoemd in graden. HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten Art. 4.De ambtenaar oefent zijn functies op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit. Hij dient daartoe : 1° de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe hij behoort, na te leven;2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren. Art. 5.De ambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten. Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden. Art. 6.§ 1. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering stelt de ambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van elke onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft. § 2. De ambtenaar kan, buiten de gevallen van valse aangifte die een dienst of persoon schade toebrengen, niet onderworpen zijn aan een tuchtstraf of een andere vorm van openlijke of verdoken sanctie, om de enkele reden dat hij onregelmatigheden aangeeft of bekend maakt. Art. 7.De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen. Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke toestand waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt. Art. 8.De ambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar op basis ervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Dit slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt. Art. 9.De ambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed. Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte. In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om er een einde aan te stellen. De ambtenaar kan schriftelijk om het advies van de voorzitter van de directieraad of van diens afgevaardigde, vragen over een toestand waarin hij zich bevindt, dit om te weten of deze de oorzaak is van een belangenconflict. Art. 10.De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt. Het is hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privéleven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de mededingingspositie van de instelling waarin de ambtenaar is tewerkgesteld, kunnen schaden. De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd. Art. 11.De ambtenaar heeft recht op informatie wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn taken. De ambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. De ambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de openbare dienst. Art. 12.De ambtenaar heeft recht op de opleiding die nuttig is voor zijn functioneren in de organisatie. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan. Periodes van afwezigheid gerechtvaardigd door deelname aan voortgezette beroepsopleidingen worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. Art. 13.Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen en hiervan een kopie te krijgen. HOOFDSTUK III. - De graden Art. 14.De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking in te nemen die met deze graad overeenstemt. De graden worden gerangschikt per niveau en per rang. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. Art. 15.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolgd door een cijfer, de letter verwijst naar het niveau, het cijfer plaatst de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang. De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus : 1° in niveau A, zeven rangen gerangschikt van rang A1 tot rang A7.2° in niveau B, twee rangen, nl.rang B1 en rang B2. 3° in niveau C, twee rangen, nl.rang C1 en rang C2. 4° in niveau D, twee rangen, nl.rang D1 en rang D2. 5° in niveau E, twee rangen, nl.rang E1 en rang E2. Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 16.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A7 : secretaris-generaal in rang A6 : adjunct-secretaris-generaal in rang A5 : directeur-generaal of directrice-generaal in rang A4 : directeur-diensthoofd of directrice-diensthoofd in rang A3 : ingenieur-directeur of ingenieur- directrice directeur of directrice in rang A2 : eerste ingenieur eerste attaché in rang A1 : ingenieur attaché in rang B2 : eerste assistent of eerste assistente in rang B1 : assistent of assistente in rang C2 : eerste adjunct in rang C1 : adjunct in rang D2 : eerste klerk in rang D1 : klerk in rang E2 : eerste beambte in rang E1 : beambte HOOFDSTUK IV. - Het personeelsplan, generieke functiebeschrijvingen en het organogram Art. 17.Om het werk te organiseren, werkt de directieraad de personeelsplannen en organogrammen uit. Het personeelsplan is een plan waarin per activiteitsdomein, per niveau, per rang en per graad, het aantal statutaire en contractuele personeelsleden, uitgedrukt in voltijds equivalenten, vastgelegd wordt die noodzakelijk geacht worden om de opdrachten toegewezen aan het ministerie uit te oefenen. Art. 18.§ 1. De directieraad werkt het personeelsplan uit op basis van voorstellen uitgewerkt door de besturen en legt het voor ter goedkeuring aan de Regering. Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de bepalingen van de bestuursovereenkomst bedoeld in artikel 479. § 2. De directieraad bereidt elk begrotingsjaar minstens één personeelsplan voor. Het wordt uitgewerkt op basis van de ontwerpen die opgesteld worden door de besturen in samenspraak met hun voogdijminister(s). Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken begrotingsjaar. Uiterlijk op 31 december van het jaar dat aan hier vermeld plan voorafgaat, legt de directieraad het personeelsplan ter goedkeuring voor aan de Regering. Bij ontstentenis van een voorstel van de directieraad binnen de toegestane termijn, mag de Regering een personeelsplan opmaken. § 3. Bij gebrek aan een bepaling of akkoord over het personeelsplan door de Regering, blijft het laatst bepaalde of goedgekeurde plan van toepassing. § 4. De vaststelling of het akkoord door de Regering over het personeelsplan houdt de toestemming in van de bezetting van de betrekkingen die door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming erin voorzien worden. § 5 Het personeelsplan, en alle wijzigingen ervan, worden meegedeeld aan alle personeelsleden en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Art. 19.Het HRM stelt de generieke functiebeschrijvingen op en legt ze ter goedkeuring voor aan de directieraad. Aan iedere functiebeschrijving worden de kwalificaties toegevoegd. Er dient onder kwalificaties te worden verstaan het geheel van kennis en vaardigheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen. Art. 20.Het organogram geeft de functionele, organisatorische en hiërarchische verbanden binnen elk bestuur weer. De directieraad werkt het organogram uit waarbij rekening gehouden wordt met de toevertrouwde opdrachten, met de strategische doelstellingen die hem werden toegewezen en, desgevallend, met de aanbevelingen van de Regering. Het organogram, evenals elke wijziging die er wordt aan aangebracht, wordt aan alle personeelsleden meegedeeld. HOOFDSTUK V. - De ambtenaren-generaal Art. 21.Ambtenaren-generaal zijn de ambtenaren die titularis zijn van een graad van ten minste rang A5. Ze worden aangeduid per mandaat in overeenstemming met de bepalingen van Boek IV. Art. 22.§ 1. De secretaris-generaal, bijgestaan door de adjunct-secretaris-generaal : 1° leidt het Ministerie en zorgt voor de goede werking en de coördinatie van het geheel van de besturen;2° oefent het hoogste gezag uit over het personeel van zijn bestuur en is in het bijzonder belast met de handhaving van de tucht en de orde;3° oefent het hoogste gezag uit over het personeel van het Ministerie volgens de missies die het huidige statuut hem toekent.4° leidt, organiseert en coördineert de gemeenschappelijke diensten;5° beslist over de verdeling van de werkingsmiddelen van het ministerie;6° leidt en coördineert de uitwerking van de begroting van zijn bestuur en waakt over de uitvoering, bijgestaan door de budgettaire correspondent;7° ziet toe op de uitvoering van de regeringsbeslissingen.Hiertoe : Als de dossiers en de instructies van de ministers meerdere besturen betreffen, maakt hij ze aan de bevoegde besturen over, samen met de noodzakelijke informatie. Hij viseert ook de door de besturen naar de minister gezonden dossiers als deze een coördinatie tussen besturen vergen en voegt er zo nodig zijn opmerkingen aan toe. § 2. De secretaris-generaal en de adjunct-secretaris-generaal werken een billijke en evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheden uit; deze verdeling wordt ter goedkeuring aan de Regering voorgelegd. § 3. De adjunct-secretaris-generaal : - vervangt de secretaris-generaal tijdens diens afwezigheid; - doet aan de minister uit eigen beweging elk nuttig voorstel in verband met de werking van het ministerie en brengt deze ter kennis van de secretaris-generaal. Art. 23.De directeurs-generaal : 1° behandelen rechtstreeks met de functioneel bevoegde ministers de aangelegenheden eigen aan hun bestuur;2° leiden, organiseren en coördineren de diensten van hun bestuur;3° oefenen het hoog gezag uit over het personeel van hun bestuur en zien toe op de eerbiediging van orde en tucht;4° kunnen elk voorstel doen aan de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal betreffende de organisatie en de coördinatie van de besturen van het Ministerie;5° leidt en coördineert de uitwerking van de begroting van zijn bestuur en waakt over de uitvoering, bijgestaan door de budgettaire correspondent; Art. 24.De ambtenaren-generaal kunnen binnen hun bevoegdheden bedoeld in de artikelen 22 en 23, delegatie verlenen aan de ambtenaren van niveau A die zij aanwijzen. HOOFDSTUK VI. - De directieraad Art. 25.De directieraad bestaat uit de secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal en de directeurs-generaal. De directieraad wordt voorgezeten door de secretaris-generaal of, bij afwezigheid of verhindering, door de adjunct-secretaris-generaal . Indien beiden afwezig of verhinderd zijn, wordt de directieraad voorgezeten door de ambtenaar-generaal aangewezen door de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal. Wanneer het organogram, de bestuursovereenkomst, het personeelsplan of strategische door de Regering gedefinieerde oriëntaties op de dagorde van de directieraad staan, worden de secretaris van de Regering en de kabinetsdirecteur van de Minister uitgenodigd zonder over stemrecht te beschikken. Strategische oriëntaties zijn de agendapunten die een algemeen en onpersoonlijk karakter hebben, en die in het kader van de ontwikkeling van het Gewest een belang vertonen. Art. 26.De directieraad stelt zijn huishoudelijk reglement op. Art. 27.De directieraad is belast met de opdrachten die dit statuut hem toekent. Bij de directieraad kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van het ministerie aanhangig gemaakt worden voor advies door één van haar leden. HOOFDSTUK VII. - De commissie van beroep inzake ambtenarenzaken Afdeling 1. - Opdracht en samenstelling van de commissie Art. 28.Er wordt een commissie van beroep opgericht bevoegd voor de beroepen inzake stage, evaluatie, afwezigheden, verloven, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid. Art. 29.De commissie bestaat uit : 1° een effectieve en een plaatsvervangende voorzitter, magistraten of op rust gestelde magistraten, aangewezen door de Regering;2° per taalrol, drie leden gekozen onder de ambtenaren van ten minste rang A2, aangewezen door de Regering;3° per taalrol, drie leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen, door deze aangewezen. De plaatsvervangende leden worden op dezelfde wijze aangewezen : per taalrol zes ambtenaren van ten minste rang A2 en zes vertegenwoordigers van de vakorganisaties. De minister bepaalt de toelage toegekend aan de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter van de commissie bedoeld in artikel 28. Afdeling 2. - De werking van de commissie Art. 30.De commissie vergadert in afdelingen per taalrol. De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal wijst onder de ambtenaren van het ministerie een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan voor elke afdeling. Art. 31.De verenigde afdelingen stellen een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op. Art. 32.Elke afdeling van de commissie beraadslaagt slechts geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is. Tijdens de stemming moet het aantal leden aangewezen door de Regering en aangewezen door de vakorganisaties gelijk zijn; in voorkomend geval, wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meerdere leden, na loting. Art. 33.Elk lid van de commissie, met inbegrip van de voorzitter, is stemgerechtigd. TITEL III. - De werving, de stage en de benoeming HOOFDSTUK I. - De werving en de selectie Afdeling 1. - Algemene bepaling Art. 34.Voor de aanwerving en de overgang tot een hoger niveau, sluiten de minister en de gedelegeerd bestuurder van SELOR een samenwerkingsprotocol af voor het Ministerie en voor de instellingen bedoeld in artikel 2 van het besluit houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 27 maart 2014. De Minister pleegt voorafgaandelijk overleg met de leidende ambtenaren van het Ministerie en van de voormelde instellingen. Het samenwerkingsprotocol duidt de partijen bevoegd voor de organisatie van de selecties aan, hierna bedoeld door « organisator van de selectie », en bevat bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke overdracht van de organisatie van de selecties, onder toezicht van SELOR. Afdeling 2. - De toelaatbaarheids- en wervingsvoorwaarden Art. 35.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten : 1° overeenkomstig artikel 2 van de ordonnantie van 11 juli 2002 tot verruiming van de nationaliteitsvoorwaarden voor de toegang tot betrekkingen in het gewestelijk openbaar ambt, Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties;2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten.4° slagen voor de voorziene selectie;5° met goed gevolg de stage volbrengen, behalve in geval van vrijstelling zoals bepaald in artikel 68;6° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, volgens de bij dit besluit gevoegde tabel, of houder zijn van getuigschrift voor vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn en die toegang verlenen tot het niveau van de graad tot welke de functie behoort waarvoor de selectie georganiseerd wordt of slagen voor de instapkaartmodule. In uitzondering op de vorige alinea wordt de toegang tot het niveau A via aanwerving beperkt tot de kandidaten die bovendien minstens beschikken over een diploma of studiegetuigschrift dat minstens overeenkomt met het niveau B, volgens de bij dit besluit toegevoegde tabel. Art. 36.Voor een bepaalde selectie kunnen er de volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden : 1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot het ambt waarvoor de selectie georganiseerd wordt;2° pertinente werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;3° de studenten toelaten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden op te leveren;in dat geval worden zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen ook tot dat wervingsexamen toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze selecties zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de organisator van de selectie het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen; 4° behalve de in artikel 35, 6°, vermelde diploma's en getuigschriften de volgende, diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad en wanneer de vereisten van de uit te oefenen ambten dit toelaten : a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;b) diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;5° voor de selectie van bepaalde functies van niveaus D en E het bezit van bepaalde vormingsattesten als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten;6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 35, 6°.7° medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt, indien de aard van het ambt dit vereist;8° andere voorwaarden vereist door de aard van het ambt. Afdeling 3. - Organisatie van de selecties en samenstelling van de selectiecommissies Art. 37.Voorafgaandelijk aan de organisatie van elke selectie wordt de herplaatsing bedoeld in artikel 136 onderzocht. Art. 38.Voor elke vacante betrekking, die niet wordt ingevuld door herplaatsing, wordt een selectie georganiseerd. Op voorstel van het HRM, doet de ambtenaar-generaal van het bestuur waarin de betrekking moet ingevuld worden beroep op één of gelijktijdig meerdere van de volgende mogelijkheden : - Interne mobiliteit zoals bepaald in artikel 130; - Intraregionale mobiliteit zoals bepaald in de artikelen 5 tot 13 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - Externe mobiliteit zoals bepaald in de artikelen 23 tot 25 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - Overgang tot een hoger niveau zoals bepaald in de artikelen 106 en volgende; - Aanwerving. Art. 39.Er kunnen selecties georganiseerd worden voor alle graden, behalve voor de graden die bij mandaat verleend moeten worden. Art. 40.De selecties waarbij externe kandidaten opgeroepen worden die niet behoren tot het personeel van het Ministerie, worden minstens in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, met inachtneming van een redelijke termijn tussen de publicatie van de vacature en de uiterste datum van indiening van de kandidaatstelling. Wanneer enkel de mogelijkheden van herplaatsing of interne mobiliteit gekozen worden, organiseert het ministerie zelf de selectie. Art. 41.§ 1. Voor elke selectie stelt de organisator een selectiecommissie samen. De selectiecommissies bestaan uit de voorzitter, zijnde de HRM-verantwoordelijke of zijn vertegenwoordiger, en ten minste twee assessoren of hun plaatsvervangers. De beslissingen worden genomen bij consensus. § 2 Volgende personen kunnen deel uitmaken van de selectiecommissie op voorwaarde dat zij minstens dezelfde rang hebben dan die van de in te vullen betrekking : 1° Personeelsleden die beschikken over een professionele kwalificatie en ervaring die verband houden met het profiel van de te verlenen betrekking;2° personen die, wegens hun bevoegdheid bijzonder geschikt zijn. § 3. Een vergoeding kan worden toegekend aan de leden van de commissie bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, indien zij geen deel uitmaken van het personeelsbestand van het Ministerie of van een instelling van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De minister bepaalt het bedrag van deze vergoeding. § 4. Bij afwijking van voorgaande paragrafen, wordt de selectiecommissie voor de in te vullen betrekkingen van rang 2 en 3 samengesteld overeenkomstig de bepalingen zoals beschreven in hoofdstuk II, afdeling 1 van titel IV van dit boek. Afdeling 4. - Functiebeschrijving, programma en organisatie van de selectie Art. 42.Op basis van de generieke functiebeschrijvingen die goedgekeurd zijn door de directieraad overeenkomstig artikel 19, bepaalt de functionele chef van de eenheid waar een betrekking vacant is en het HRM de functiebeschrijving van de in te vullen betrekking, die eveneens de voor deze betrekking vereiste competenties en kwalificaties omvat. De ambtenaar-generaal van het bestuur waarin de betrekking wordt ingevuld of diens vertegenwoordiger keurt de specifieke functiebeschrijving goed. Art. 43.Op basis van de functiebeschrijving die opgesteld werd overeenkomstig het voorgaande artikel, legt de organisator van de selectie, het programma van de selectie vast en bepaalt hierin : 1° voor zover de aard van de betrekking het vereist, de bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden, zoals omschreven in artikel 36;2° het selectieprogramma, vastgesteld overeenkomstig afdeling 5;3° het aantal punten dat aan de volledige selectie, aan iedere proef en desgevallend aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend;4° het minimaal aantal punten dat voor het slagen van de selectie wordt vereist;5° de uiterste datum waarop de kandidaten geslaagd moeten zijn voor de instapkaartmodule om te mogen deelnemen aan de generieke module;6° de datum waarop de kandidaten geslaagd moeten zijn voor de generieke module om te mogen deelnemen aan de specifieke module;7° de datum waarop aan de toelatingsvoorwaarden moet worden voldaan.8° het aantal toelaatbare kandidaten voor de specifieke module van de selectie indien een tussenmodule wordt georganiseerd. Art. 44.De organisator van de selectie bepaalt de kandidatenlijst en verzekert zich ervan dat zij de vereiste algemene en specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden vervullen voor de functie waarnaar hij meedingt. Van zodra de organisator van de selectie constateert dat een kandidaat een van de hoger vermelde algemene of specifieke voorwaarden niet vervult, sluit hij deze van de selectie uit en brengt hem hiervan op de hoogte. De organisator van de selectie roept de kandidaten op die zijn toegelaten tot de modules van selectieproeven, zoals voorzien in het selectieprogramma dat volgens de modaliteiten van artikel 43 is bepaald. Afdeling 5. - De selectieproeven Onderafdeling 1. - Algemene bepaling Art. 45.De selectie kan bestaan uit meerdere opeenvolgende modules van selectieproeven waartoe de kandidaat slechts is toegelaten onder voorbehoud van slagen in of vrijstelling van de voorafgaande module. Een selectie bestaat minimaal uit een specifieke module. De rangschikking wordt enkel op basis van de resultaten van de specifieke module opgemaakt. Onderafdeling 2. - De instapkaartmodule en de generieke module Art. 46.De instapkaartmodule is een module met proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaat of de kandidaat over de basisvaardigheden en cognitieve vaardigheden die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachtens zijn graad, zijn diploma('s) of zijn studiegetuigschrift(en) aanspraak op kan maken. Het slagen geldt als getuigschrift voor vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn en die toegang verlenen tot het niveau van de graad tot welke de functie behoort waarvoor de selectie georganiseerd wordt. De geldigheidsduur van dit getuigschrift wordt bepaald door de leidende ambtenaar van SELOR. Het certificaat voor vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn, kan eveneens behaald worden bij een door de Minister erkende instelling, na advies van het Beheerscomité van Actiris. Dit certificaat heeft een gelijke waarde als de instapkaartmodule. Art. 47.De generieke module van de selectie omvat de proeven die dienen om een eerste kwalitatieve selectie te maken van de kandidaten op basis van de generieke vaardigheden die verbonden zijn aan een functieniveau. Indien meerdere selecties binnen eenzelfde niveau een generieke module gemeenschappelijk hebben, geeft de organisator van de selectie de geslaagden een vrijstelling voor de generieke module wanneer ze deelnemen aan een andere selectie. De leidend ambtenaar van SELOR bepaalt de geldigheidsduur van de vrijstelling bij de betekening van het resultaat. Art. 48.De kandidaat die niet slaagt voor de instapkaartmodule of voor de generieke module van de vergelijkende selectie mag gedurende een periode van zes maanden geen proeven van dezelfde module afleggen. Deze periode van zes maanden wordt berekend vanaf de datum waarop de resultaten van de proef worden betekend. Onderafdeling 3. - Specifieke module - Evaluatie van de specifieke vaardigheden die verbonden zijn aan de vacante betrekking Art. 49.Indien het aantal kandidaten voor een betrekking die geslaagd zijn voor de generieke module van de selectie, of hiervoor zijn vrijgesteld, en die naar de betrekking in kwestie solliciteren dit rechtvaardigt of als de complexiteit van het aan te werven profiel dit vereist, kan tussen de generieke en de specifieke module, een eliminatiemodule met een bijkomende proef/bijkomende proeven georganiseerd worden. De organisator van de selectie bepaalt, desgevallend in overleg met het HRM, de aard van de proef en de vaardigheden waarop deze tussenmodule betrekking zal hebben. Art. 50.De specifieke module van de selectie omvat de proef of de opeenvolgende proeven die dient/dienen om een kwalitatieve selectie te maken van de kandidaten op basis van de specifieke functievereisten van de vacante betrekking. Onder specifieke vereisten, verstaat men minstens : - de motivatie om de functie te bekleden; - de technische vaardigheden; - de essentiële specifieke vaardigheden. De proef/proeven wordt/worden georganiseerd door het HRM. De specifieke module bestaat minstens uit een gesprek met de commissie bedoeld in artikel 41. Dit gesprek kan aangevuld worden met een praktische proef ter evaluatie van de vaardigheden en/of kennis die vereist zijn voor de functie van de vacante betrekking. Art. 51.De kandidaten voor de specifieke module worden minstens acht dagen voor de proef opgeroepen door het HRM. De afwezige kandidaten worden uitgesloten. Art. 52.De geslaagden van de specifieke module die door de jury geschikt worden bevonden voor de uit te oefenen functie worden opgenomen in een rangschikking. De secretaris-generaal kan een andere instelling toelaten om dit klassement te gebruiken als een reserve van geslaagden op voorwaarde dat de gezochte functie gelijkaardig is aan deze van het betreffende klassement. Afdeling 6. - Regels voor de toelating van de geslaagden Art. 53.§ 1. De organisator van de selectie stelt het proces-verbaal op met de rangschikking van de kandidaten, op basis van de resultaten van de specifieke module zoals beschreven in artikel 52. Hij bepaalt de geldigheidsduur ervan. Elke geslaagde krijgt kennisgeving van zijn resultaat en zijn klassement. § 2. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die, na deze aanvaarding, weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de rangschikking geschrapt. Indien de geslaagde de betrekking heeft aanvaard, dan verzekert het HRM zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet. Indien het HRM vaststelt dat een aanvullend onderzoek noodzakelijk is om te beoordelen of een kandidaat voldoet aan het gedrag dat noodzakelijk is voor de functie die moet worden toegewezen, dan wordt deze laatste tijdelijk uit het klassement geschorst gedurende de tijd die nodig is om het onderzoek te voeren. De kandidaat wordt hiervan op de hoogte gesteld. Art. 54.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de orde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen. Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. Afdeling 7. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden Art. 55.Het HRM roept de geselecteerde kandidaat in dienst. Het stelt een maximumtermijn vast voor zijn indiensttreding. Wanneer de geslaagde nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur houdt het HRM rekening met een eventuele opzegtermijn. Indien de geslaagde de functie niet binnen de gestelde termijn kan invullen, kan het HRM de volgende gerangschikte oproepen. HOOFDSTUK II. - De stage Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 56.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit. De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing : 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° het geldelijk statuut;5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging;6° de gemiddelde maximale arbeidsduur. De stagiair geniet : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het verlof wegens ziekte;5° het bevallingsverlof;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met hem onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;9° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen;10° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en verlof voor loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;11° verlof voor wederoproeping als reservist;12° verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 57.Perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg, zodra ze, buiten de verloven bedoeld in artikel 56, derde lid, 1° tot 3°, 7° en 8°, vijftien dagen gewettigde afwezigheid overschrijden, verspreid over een of meerdere malen, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt deze eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen. Art. 58.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal die hem voorlopig aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen. Art. 59.De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal kan de aanwijzing veranderen 1° in het belang van de dienst;2° op aanvraag van de stagiair. De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal kan de stagiair toestaan zijn stage te vervullen in een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. De stagiair die zijn stage vervult in een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is onderworpen aan de regels van dit besluit inzake stage. Het verlof van de stagiair voor detachering in een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling 2. - De inhoud van de stage Art. 60.§ 1. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn bestuur, in het Ministerie en in het gewestelijk openbaar ambt in het algemeen. Daarom duidt de ambtenaar-generaal van de administratie waarin de stagiair is aangesteld, in overleg met de functionele chef van de stagiair, het personeelslid aan bevoegd voor de stagebegeleiding, hierna de `stagebegeleider' genaamd, en dit volgens de taalrol van de stagiair. § 2. Het HRM waakt eveneens over het goede verloop van de stage. Hiertoe kan zij deelnemen aan alle stagegesprekken. § 3. In afwijking van § 1, wijst de minister die de stagiair, die zijn stage vervult in een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, onder zijn gezag heeft, het personeelslid van zijn kabinet aan, dat belast wordt met de begeleiding van de stage, overeenkomstig de taalrol van de stagiair. Dit personeelslid heeft dezelfde prerogatieven als die uitgeoefend door de stagebegeleider. Afdeling 3. - Het verloop van de stage Art. 61.Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden : - De verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair; - De opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen; - De andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiar vergroot wordt. Art. 62.Met het oog op de voorbereiding van dit eerste stagegesprek, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met de dienst HRM. In afwijking van de voorgaande alinea is het personeelslid belast met de begeleiding van de stage verantwoordelijk voor het integratietraject van de stagiair die zijn stage vervult in een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Hij zorgt voor de vorming betreffende de in het kabinet behandelde materies en werkt samen met het HRM van het ministerie. Deze laatste licht de stagiair in over de dienstactiviteiten van het ministerie en bepaalt de vormingsactiviteiten waaraan de stagiair moet deelnemen. Het ministerie zorgt enkel voor de vormingen in verband met het onthaal van de stagiair. Art. 63.De stagebegeleider maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 67 4de lid, 69 en 71 op. De stagebegeleider kan, in overleg met het HRM en de functionele chef, beslissen dat bijkomende vormingsactiviteiten vereist zijn. De HRM-verantwoordelijke legt het model van het stageverslag vast. Art. 64.De stage duurt één jaar voor de stagiairs van niveaus A en B. Ze duurt 6 maanden voor de stagiairs van niveaus C, D en E. Art. 65.De directieraad kan een vormingstraject per functietype vastleggen. Art. 66.Na het eerste gesprek, voorzien in afdeling 2, organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden. De stagebegeleider brengt de dienst HRM op de hoogte van de gesprekken. Met het oog op de voorbereiding van de stagegesprekken, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met de dienst HRM. Art. 67.Het gesprek gaat over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM. Afdeling 4. - Vrijstelling van stage Art. 68.De geslaagde, die in dienst wordt geroepen, wordt vrijgesteld van de stage en onmiddellijk benoemd in de wervingsgraad waarvoor hij geslaagd is indien hij de drie volgende voorwaarden vervult : - door middel van een voltijds arbeidscontract, op ononderbroken wijze gedurende minstens een jaar op het moment van de publicatie van de vacante functie bij dezelfde administratieve eenheid tewerk gesteld zijn; - dezelfde functie sinds minstens één jaar vervullen als die waarvoor hij aangesteld werd in het kader van zijn bovengenoemd arbeidscontract; - minstens een gunstige evaluatie gekregen hebben bij de laatste evaluatie. Afdeling 5. - Het einde van de stage Art. 69.De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek, zoals beschreven in artikel 66. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met het HRM en de functionele chef. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 71 aan toe. Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mede, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 70.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Art. 71.De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal van het bestuur waarbij de stagiair wordt ingedeeld. Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de directeur-generaal aan de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal voor de benoeming van de stagiair voor te leggen aan de overheid bevoegd voor de benoeming, bedoeld in artikel 79. Indien het eindverslag ongunstig is, stelt de directeur-generaal met instemming van de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie voor aan de overheid bevoegd voor de benoeming, bedoeld in artikel 79. Art. 72.Het eindverslag wordt in de diensten van de secretaris-generaal voorgelegd aan de secretaris-generaal of aan de adjunct-secretaris-generaal die, desgevallend, de in het vorige artikel bedoelde voorstellen doen. Art. 73.Indien de stagiair in de loop van de stage een ernstige fout begaat die een dringende reden uitmaakt waardoor elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk wordt of wanneer de stagiair blijk geeft van een negatieve houding of niet voldoet aan de vereiste vaardigheden die inherent zijn aan de functie en ondanks waarschuwingen van de stagebegeleider geen blijk geeft van verbetering of ontwikkeling van deze vaardigheden, legt deze laatste een gemotiveerd ongunstig verslag voor aan de ambtenaren bedoeld in artikel 71 of 72. Deze stellen het ontslag van de stagiair voor, wegens ongeschiktheid voor de uitoefening van de functie. Afdeling 6. - De beroepsprocedure Art. 74.In de gevallen bedoeld in de artikelen 71, derde lid, 72 en 73, beschikt de stagiair over een termijn van vijftien dagen vanaf de kennisname van het eindverslag of van het ongunstig verslag om per aangetekend schrijven een beroep in te dienen bij de in het artikel 28 bedoelde commissie. Het beroep is schorsend. Deze termijn wordt berekend volgens dezelfde regels als deze bedoeld in artikel 303, § 2. De ambtenaar ontvangt een ontvangstbewijs van het beroep. Art. 75.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 76.De stagebegeleider brengt verslag uit over het verloop van de stage. Hij wordt gehoord. Art. 77.De commissie kan aan de benoemende overheid voorstellen : 1° de benoeming;2° het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie. De commissie spreekt zich uit binnen de twee maanden na de verzending van het ontvangstbewijs van het beroep. Bij ontstentenis van een voorstel wordt het dossier aan de benoemende overheid bezorgd. Art. 78.De beslissing tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid wordt door de overheid, bevoegd voor de benoeming genomen. Bij een ernstige fout wordt hij echter zonder opzegtermijn of opzegvergoeding ontslagen. HOOFDSTUK III. - De benoeming Art. 79.De geschikt verklaarde stagiair of de overeenkomstig artikel 68 van de stage vrijgestelde geslaagde, wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. De Regering benoemt de stagiairs en de vrijgestelde laureaten van niveau A, de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal die van niveau B, C, D en E. Art. 80.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de volgende termen : « Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk. » De ambtenaren van niveau A leggen de eed af in handen van de minister. De anderen leggen de eed af in handen van de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal. Art. 81.De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal wijst de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe. TITEL IV. - De loopbaan HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 82.§ 1. De ambtenaar-generaal van het bestuur waarin de betrekking moet ingevuld worden bepaalt, op voorstel van het HRM, voor een vacant geworden betrekking in een graad van de rang 2 of 3 de selectieprocedure. Er kan op volgende procedés een beroep worden gedaan : - Hetzij enkel op bevordering door verhoging in graad voor de personeelsleden van het Ministerie; - Hetzij gelijktijdig op mobiliteit en op bevordering door verhoging in graad, enkel voor de personeelsleden van het Ministerie; - Hetzij gelijktijdig op mobiliteit en op bevordering door verhoging in graad, zonder zich te beperken tot de personeelsleden van het Ministerie. § 2 Wanneer er voor wordt gekozen om de betrekking open te stellen zonder zich te beperken tot de personeelsleden van het Ministerie, kan de ambtenaar-generaal van het bestuur waarin de betrekking moet ingevuld worden ook tegelijk een beroep doen op aanwerving. HOOFDSTUK II. - De hiërarchische loopbaan Afdeling 1. - Bevordering door verhoging in graad. Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 83.De directieraad bepaalt de aard van de vergelijkende proef of proeven bestemd om te evalueren in hoeverre de kandidaat over de capaciteit beschikt om in de bedoelde functie te functioneren. Die proef/proeven vormt/vormen, voor de betrekkingen van rang 2 en 3, de specifieke selectiemodule bedoeld in artikel 50. Voor de betrekkingen van de rang A3 en A2 omvat/omvatten de proef/proeven steeds minstens een gesprek met de commissie, zoals bedoeld in artikel 92. De kandidaten worden vooraf op de hoogte gebracht van de organisatie van de vergelijkende proef/proeven. De kandidaten die aangesloten zijn bij een van de instellingen, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Regering van 27 maart 2014 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, krijgen slechts toegang tot die vergelijkende proef/proeven als ze slagen of vrijgesteld worden van de module bedoeld in artikel 47. Art. 84.§ 1. Een vacante betrekking in een graad van de rang A3, A2, B2, C2, D2 en E2, wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de ambtenaren van het ministerie die de benoemingsvoorwaarden kunnen vervullen. De geïnteresseerden brengen hun visum voor ontvangst aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs naar zijn woonplaats gezonden. § 2. Wanneer de promotie toegankelijk wordt gemaakt aan kandidaten die niet onder het Ministerie vallen, wordt de openstaande betrekking gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. § 3 De openstaande betrekking bevat : - Het programma van de vergelijkende proef/proeven, zoals bepaald overeenkomstig artikel 83; - De termijn waarbinnen, en ter attentie van wie de kandidatuur ingediend dient te worden; - De elementen die het kandidaatstellingsdossier dient te bevatten; - De adresgegevens van de dienst waar een functiebeschrijving van de te begeven betrekking en desgevallend de omschrijving van de doeleinden bedoeld in artikel 85, § 3, en het gestandaardiseerd CV bedoeld in artikel 85, § 2, bekomen kunnen worden. Art. 85.§ 1. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de ambtenaren van het ministerie die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van twintig dagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar, ofwel de dag volgend op de publicatie in het Belgisch Staatsblad voor de kandidaten die niet tot het Ministerie behoren. De hier bedoelde termijnen worden geregeld door dezelfde regels als diegene voorzien in artikel 303, § 2. § 2. Elke kandidatuur voor een bevorderingsbetrekking dient een motivatiebrief te bevatten alsook een uiteenzetting van de aanspraken en ervaring die de kandidaat laat gelden om voor de betrekking te kandideren door gebruik te maken van een gestandaardiseerde CV opgesteld door de dienst HRM. § 3. De kandidaten voor een betrekking van rang A3 leggen eveneens een voorstel van directieplan voor, waarin zij uiteenzetten op welke wijze zij de aangegeven doelstellingen zullen verwezenlijken. Het betreft de doelstellingen die zijn vastgelegd door de hiërarchische meerdere van de in te vullen betrekking. Art. 86.§ 1. Het HRM controleert de geldigheid van de kandidaturen. De toegangsvoorwaarden bedoeld in artikelen 88 tot 91 en 98 tot 100 moeten vervuld zijn voor de afloop van de termijn die vereist is om de kandidatuur in te dienen. De kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden worden uitgesloten van de procedure tot bevordering bij gemotiveerde beslissing door de verantwoordelijke van het HRM. Elke uitsluiting van de bevorderingsprocedure wordt bij de betrokken kandidaten bekendgemaakt door een door de HRM-verantwoordelijke gemotiveerde beslissing per aangetekende brief. § 2. Binnen de tien dagen die volgen op deze kennisgeving, kan elke kandidaat per aangetekend schrijven een bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad en kan hij vragen gehoord te worden door de directieraad. De kandidaat kan zich laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze. Na onderzoek van het bezwaar, neemt de directieraad een definitief besluit over de ontvankelijkheid en geeft hij zijn beslissing te kennen per aangetekend schrijven. Art. 87.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend door de voor het niveau bevoegde benoemende overheid. Onderafdeling 2. - De bevordering tot een graad van rang A3 en A2 Art. 88.De betrekkingen van directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren, titularissen van de graden van attaché van rang A1 en van eerste attaché van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. De betrekkingen van ingenieur-directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren, titularissen van de graden van ingenieur van rang A1 en van eerste ingenieur van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. Art. 89.De betrekkingen van eerste attaché van rang A2 staan open voor ambtenaren, titularissen van de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste ingenieur van rang A2 staan open voor ambtenaren, titularissen van de graad van ingenieur van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Art. 90.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of A3 moet een evaluatie « gunstig » of « zeer gunstig » hebben en moet zich in een administratieve positie bevinden waar hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is doorgehaald. Art. 91.§ 1. Wanneer de functie wordt toegekend overeenkomstig artikel 82 § 1, 3de gedachtenstreep, wordt van de ambtenaren van een andere instelling vereist te voldoen aan bevorderingsvoorwaarden die equivalent zijn met diegene bedoeld in de artikelen 88, 89 et 90. § 2. Wanneer externe kandidaten kunnen deelnemen aan een selectie wordt van hen een nuttige professionele ervaring voor de functie geëist van zes jaar voor de rang A3 en van drie jaar voor rang A2. Art. 92.§ 1. Voor iedere bevordering wordt er een bevorderingscommissie ingesteld door de directieraad. § 2. Voor de betrekkingen van rang A3 is de commissie samengesteld uit : 1° een ambtenaar van rang A3 van de administratie waarin de betrekking moet ingevuld worden;2° een ambtenaar van minstens rang A4 die behoort tot de administratie waarin de betrekking ingevuld moet worden;3° een HRM-verantwoordelijke of zijn afgevaardigde van minstens rang A1. De commissie kan ook een ambtenaar van rang A3 bevatten die beschikt over een graadanciënniteit van drie jaar ten minste en die afkomstig is uit een andere instelling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of een persoon die over expertise beschikt die verband houdt met de materies die behandeld worden door de in te vullen betrekking. § 3. Voor de betrekkingen van rang A2 is de commissie samengesteld uit : 1° een HRM-verantwoordelijke of zijn afgevaardigde van minstens rang A1;2° twee personeelsleden van minstens rang A2 die behoren tot de administratie waarin de betrekking moet worden ingevuld en die beschikken over een kwalificatie en professionele ervaring aangaande deze in te vullen betrekking. § 4. Wanneer een betrekking wordt vacant verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient een lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966. § 5. Ten hoogste twee derden van de leden van de commissie behoren tot hetzelfde geslacht. Geen lid van de commissie mag zetelen wanneer hij zich in een situatie bevindt die ertoe kan leiden dat zijn onpartijdigheid in gevaar wordt gebracht. Art. 93.§ 1. De commissie wordt belast met de evaluatie van de geschiktheden van de kandidaten om de betrekking uit te oefenen die beantwoordt aan de promotiegraad op basis van het vaardigheidsprofiel van de in te vullen betrekking. § 2. Zij neemt in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de professionele ervaring die de kandidaat doet gelden om een bevordering in de vacante betrekking te verkrijgen;3° het voorstel tot directieplan voor de betrekkingen van rang A3;4° de adequaatheid van het profiel van de kandidaat rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken. § 3. De commissie organiseert een gesprek met elke kandidaat Tijdens dat gesprek stellen de kandidaten voor een betrekking van rang A3 hun directieplan voor. Art. 94.§ 1. Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen bepaald in artikel 93. § 2. De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A « geschikt », hetzij in de groep B « niet geschikt ». In de groep A worden de …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.