← België

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen

Kort samengevat

Dit besluit regelt het administratief statuut en de bezoldigingsregeling voor ambtenaren die werkzaam zijn bij specifieke instellingen van openbaar nut in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het legt de rechten en plichten van deze ambtenaren vast.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
21 MAART 2018. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op de instellingen van openbaar nut, artikel 11, § 1, gewijzigd door de wet van 24 december 2002; Gelet op de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, artikel 8, tweede lid; Gelet op de ordonnantie van 3 december 1992 betreffende de exploitatie en de ontwikkeling van het kanaal, de haven, de voorhaven en de aanhorigheden ervan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, artikel 17,gewijzigd bij de ordonnanties van 29 maart 2001 en 6 november 2003; Gelet op de ordonnantie van 18 januari 2001 houdende organisatie en werking van Actiris, de artikelen 23, lid 3 en 34; Gelet op de ordonnantie van 26 juni 2003 houdende oprichting van het Instituut ter Bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel, artikel 9; Gelet op artikel 40 van de ordonnantie van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingcode, toegevoegd door de ordonnantie van 1 april 2004; Gelet op de ordonnantie van 28 mei 2015 tot oprichting van een instelling van openbaar nut waarin het beheer van het preventie- en veiligheidsbeleid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is samengebracht, de artikelen 6, § 2, en 9, eerste lid ; Gelet op de ordonnantie van 29 juli 2015 houdende oprichting van het Brussels Planningsbureau, artikel 10; Gelet op het Koninklijk Besluit van 8 maart 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten3 houdende de oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, artikel 1 § 2, bekrachtigd bij artikel 41 van de wet van 16 juni 1989 houdende diverse institutionele hervormingen; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten7 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 november 2015 en 21 januari en 25 februari 2016; Gelet op de adviezen van de Inspecteur van Financiën van 18 juli 2016 en 17 juli 2017; Gelet op de `gendertest' uitgevoerd op 3 januari 2017 met toepassing van artikel 3, 2° van de ordonnantie van 29 maart 2012 houdende de integratie van de genderdimensie in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Gelet op de akkoordbevindingen van de Minister van Begroting, gegeven op 1 december 2016 en 16 november 2017; Gelet op de protocollen nr. 2017/04 van 23 oktober 2017 en nr. 2017/30 van 20 december 2017 van Sector XV; Gelet op de adviezen van het beheerscomité van Actiris van 23 maart 2017 en 25 januari 2018; Gelet op de adviezen van de raad van bestuur van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij van 9 maart 2017 en 21 december 2017; Gelet op de adviezen van het beheerscomité van de Gewestelijke Vennootschap van de Haven van Brussel van 28 april 2017 et 26 janvier 2018; Gelet op het advies nr 62.721/4 van de Raad van State, gegeven op12 februari 2018 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op voorstel van de Minister bevoegd voor Openbaar Ambt; Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.§ 1. Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van de volgende instellingen : 1° Instellingen van categorie A : - Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest; - Brussels Instituut voor Milieubeheer; - Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp; - Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel. - Brussels Planningsbureau 2° Instellingen van categorie B : - Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij; - Actiris; - Gewestelijke vennootschap van de Haven van Brussel. 3° de volgende instelling sui generis: Brussel-Preventie en Veilligheid. § 2. Voor wat betreft de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, is dit besluit enkel van toepassing op de ambtenaren titularis van een van de graden bepaald door dit besluit. Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° de instellingen : de instellingen van openbaar nut van catégorie A en van categorie B van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de instelling sui generis Brussel-Preventie en Veilligheid;a) de instellingen van categorie A : de instellingen behorende tot categorie A volgens de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut;b) de instellingen van categorie B : de instellingen behorende tot categorie B volgens dezelfde wet;c) de volgende instelling sui generis : Brussel-Preventie en Veiligheid.2° De Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° de minister: de minister bevoegd voor Openbaar Ambt;4° de functioneel bevoegde minister: de minister of staatssecretaris waarvan een dienst van de instelling afhangt in functie van de bevoegdheden die hij uitoefent;5° de benoemende overheid is: 1) in de instellingen van categorie A en in de instelling sui generis Brussel-Preventie en Veilligheid : a) de functioneel bevoegde minister voor de graden van niveau A b) de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor de andere graden.2) in de instellingen van categorie B, de overheid die bepaald is in de oprichtingsordonnatie van de betreffende instelling.6° Administratieve eenheid: onderdeel van het organogram van de betrokken instelling ;7° Verantwoordelijke van een administratieve eenheid (VAE): personeelslid dat, ongeacht zijn graad of positie, de activiteiten van de administratieve eenheid beheert, zoals bepaald in het organogram ;8° de functionele chef: personeelslid dat de leiding of de dagelijkse controle heeft over het functioneren van een team ingevolge zijn functiebeschrijving;9° Vakorganisaties: de representatieve vakorganisaties die zetelen in het bevoegde Sectorcomité, in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de personeelsvakbonden.10° HRM: de dienst binnen de instelling belast met het personeelsbeheer;11° De HRM-verantwoordelijke: het personeelslid van minimum rang A3 dat bevoegd is voor het personeelsbeheer;12° getuigschriften van competenties verworven buiten diploma: getuigschriften die werden afgeleverd door de gemeenschappen of de instellingen erkend door deze laatste.13° wettelijk tweetalige: personeelslid dat bewijst de tweede taal die niet onder zijn taalrol valt te kennen, op de bij artikel 43, § 3, derde lid, voorgeschreven wijze van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurzaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;14° SELOR : Selectiebureau van de federale overheid.15° Brussel Openbaar ambt : Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Openbaar ambt. § 2. Wanneer dit besluit voorziet in het versturen van een brief of een aangetekend schrijven met of zonder ontvangstbewijs, dan wordt het versturen via een elektronische procedure, die op een aantoonbare wijze en aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de inhoud van de communicatie waarborgt, beschouwd als equivalent. Het gebruik van de elektronische identiteitskaart of de elektronische vreemdelingenkaart kan verplicht worden opgelegd. § 3. Wanneer dit besluit voorziet in een termijn, wordt deze berekend in kalenderdagen tenzij anders voorzien. Kalenderjagen zijn alle dagen van de week, met inbegrip van de zaterdag, zondag en feestdagen bepaald in artikel 186, § 1. Wanneer dit besluit voorziet in een termijn uitgedrukt in werkdagen, dan omvat deze termijn alle dagen van de week behalve zaterdagen, zondagen en feestdagen bepaald in artikel 186, § 1. § 4. Het gebruik in dit besluit van mannelijke woorden is gemeenslachtig met het oog op het waarborgen van de leesbaarheid van de tekst. TITEL II. - DE ORGANISATIE VAN DE INSTELLINGEN VAN OPENBAAR NUT HOOFDSTUK I. - De ambtenaren Art. 3.Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband is in een instelling. De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut. Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn. Art. 4.De ambtenaren van instellingen worden benoemd in graden. HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten Art. 5.De ambtenaar oefent zijn functies op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit. Hij dient daartoe: 1° de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe hij behoort, na te leven;2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren. Art. 6.De ambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten. Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden. Art. 7.§ 1. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering stelt de ambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hiërarchische meerdere van hogere rand of graad op de hoogte van elke onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft. § 2. De ambtenaar kan, buiten de gevallen van valse aangifte die een dienst of persoon schade toebrengen, niet onderworpen worden aan een tuchtstraf of een andere vorm van openlijke of verdoken sanctie, om de enkele reden dat hij onregelmatigheden aangeeft of bekend maakt. Art. 8.De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen. Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke situatie waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt. Art. 9.De ambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar op basis ervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Dit slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt. Art. 10.De ambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed. Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte. In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om daar een einde aan te stellen. De ambtenaar kan schriftelijk om het advies van de voorzitter van de directieraad of van diens afgevaardigde vragen, betreffende de toestand waarin hij zich bevindt, om te weten of deze de oorzaak is van een belangenconflict. Art. 11.De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt. Het is hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privéleven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen, evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de mededingingspositie van de instelling waar de ambtenaar werkzaam is, kunnen schaden. De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd. Art. 12.De ambtenaar heeft recht op informatie betreffende alle aspecten die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn taken. De ambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling betreffende technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. De ambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de openbare dienst. Art. 13.De ambtenaar heeft recht op de opleiding die nuttig is voor zijn functioneren in de organisatie. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan. Periodes van afwezigheid, gerechtvaardigd door deelname aan voortgezette beroepsopleidingen, worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. Art. 14.Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen en hiervan een kopie te krijgen. HOOFDSTUK III. - De graden Art. 15.De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking uit te oefenen die met deze graad overeenstemt. De graden worden gerangschikt per niveau en per rang. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie overeenkomstig de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. Art. 16.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolgd door een cijfer, de letter verwijst naar het niveau, het cijfer naar de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang. De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus: 1° in niveau A, zes rangen, nl.A1, A2, A3, A4, A4 + en A5. 2° in niveau B, twee rangen, nl.B1 en B2. 3° in niveau C, twee rangen, nl.C1 en C2. 4° in niveau D, twee rangen, nl.D1 en D2. Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 17.De volgende graden worden gecreëerd: in rang A5: directeur-generaal of directrice-generaal in rang A4+ : adjunct-directeur-generaal of adjunct-directrice-generaal in rang A4: directeur-diensthoofd of directrice-diensthoofd in rang A3: ingenieur-directeur of ingenieur-directrice directeur of directrice wetenschappelijk directeur of wetenschappelijke directrice in rang A2: raadgever-deskundige of raadgeefster-deskundige eerste ingenieur eerste attaché eerste wetenschappelijk attaché havenkapitein in rang A1: ingenieur attaché wetenschappelijk attaché geneesheer in rang B2: eerste assistent of eerste assistente in rang B1: assistent of assistente in rang C2: eerste adjunct in rang C1: adjunct in rang D2: eerste klerk in rang D1: klerk HOOFDSTUK IV. - Het personeelsplan en het organogram Art. 18.Om het werk te organiseren, werkt de directieraad het personeelsplan en organogrammen uit. Het personeelsplan is een plan waarin per activiteitsdomein, per niveau, per rang en per graad het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vastgelegd wordt dat noodzakelijk geacht wordt om de opdrachten, toegewezen aan de instelling uit te oefenen. Art. 19.§ 1. In de instellingen van categorie A, werkt de directieraad een voorstel van personeelsplan uit. De directieraad bereidt minstens één personeelsplan per begrotingsjaar voor en legt het voor aan de Regering ten laatste op 28 februari van het jaar waarin het plan wordt uitgevoerd. Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken begrotingsjaar. De Regering keurt het personeelsplan van de directieraad goed. Bij gebrek van een voorstel van de directieraad binnen de daartoe vastgestelde termijnen kan de Regering zelf een personeelsplan opstellen. § 2. In de instellingen van catergorie B, werkt de directieraad een voorstel van personeelsplan uit. De directieraad bereidt minstens één personeelsplan per begrotingsjaar voor en legt het voor ten laatste op 28 februari van het jaar waarin het plan wordt uitgevoerd. Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken begrotingsjaar. Het beheerscomité of de raad van bestuur keurt het personeelsplan goed mits de regeringscommissarissen een gunstig advies gegeven hebben met betrekking tot de conformiteit van het plan met de wettelijke en reglementaire bepalingen alsook met de bepalingen van de beheersovereenkomst. Bij ontstentenis van dit advies binnen de maand volgend op de overbrenging naar de regeringscommissarissen, wordt dit advies geacht gunstig te zijn. Bij gebrek aan een gunstig advies van een of van de regeringscommissarissen, kan de functioneel bevoegde minister het personeelsplan goedkeuren mits de ministers bevoegd voor Begroting en Openbaar Ambt hiermee instemmen. Indien een van deze laatsten zich niet akkoord verklaart, legt de voogdijminister het plan ter goedkeuring voor aan de Regering. § 3. Bij gebrek van een vastlegging van het personeelsplan, blijft het laatste bepaalde plan van toepassing. § 4. De vaststelling van het personeelsplan houdt de toestemming in van de bezetting van de betrekkingen die door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming worden voorzien. § 5. Het personeelsplan, en alle wijzigingen ervan, worden meegedeeld aan alle personeelsleden en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Art. 20.Het organogram geeft de functionele, organisatorische en hiërarchische verbanden binnen elke instelling weer. De directieraad stelt het organogram vast. Het organogram, evenals elke wijziging ervan, wordt aan alle personeelsleden meegedeeld. HOOFDSTUK V. - De leidende ambtenaren Art. 21.De leidende ambtenaren zijn de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. Ze worden aangeduid per mandaat in overeenstemming met de bepalingen van artikelen 430 tot 473. Art. 22.De leidende ambtenaren kunnen binnen de perken van hun bevoegdheden voor de instellingen van categorie A of binnen de perken van hun organieke bepalingen voor de instellingen van categorie B, hun bevoegdheden geheel of gedeeltelijk delegeren aan de ambtenaren van niveau A en B die zij aanwijzen. HOOFDSTUK VI. - De directieraad Art. 23.De directieraad bestaat uit de leidende ambtenaren en de ambtenaren van rang A4; deze kan worden aangevuld door ambtenaren van rang A3 aangewezen door de benoemende overheid. De directieraad wordt voorgezeten door de directeur-generaal of, bij afwezigheid of verhindering, door de adjunct-directeur-generaal. Indien beiden afwezig of verhinderd zijn, wordt de directieraad voorgezeten door het lid aangewezen door de directeur-generaal of door de adjunct-directeur-generaal. Art. 24.De directieraad stelt zijn huishoudelijk reglement op. Art. 25.De directieraad is belast met de opdrachten die dit statuut hem toekent. Bij de directieraad kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van de instelling aanhangig gemaakt worden voor advies door één van haar leden. Elk voorstel of elke individuele beslissing, door de directieraad genomen ten opzichte van een personeelslid, gebeurt bij geheime stemming. Minstens één wettelijk tweetalig lid van de directieraad, of een lid van de directieraad van dezelfde taalrol als het personeelslid, is aanwezig. HOOFDSTUK VII. - De gewestelijke kamer van beroep Art. 26.De gewestelijke kamer van beroep geviseerd door artikel 29 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 mars 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel is bevoegd voor de instellingen. TITEL III. - DE WERVING, DE STAGE EN DE BENOEMING HOOFDSTUK I. - De werving en de selectie Afdeling 1. - Algemene bepaling Art. 27.Voor de aanwerving en de selectie, is artikel 34 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van toepassing. Afdeling 2. - De benoemings-, toelaatbaarheids- en wervingsvoorwaarden Art. 28.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende voorwaarden: 1° Voldoen aan de opgelegde toelatingsvoorwaarden van de in te vullen betrekking;2° Slagen voor de voorziene vergelijkende proeven;3° met goed gevolg de stage volbrengen, behalve in geval van vrijstelling zoals bepaald in artikel 54. Art. 29.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten. 1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen betrekkingen een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of functies omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties;2° gedrag vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten.4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, houder zijn van getuigschrift afgeleverd door de Gemeenschappen of de instellingen erkend door deze laatste en die toegang verlenen tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt, overeenkomstig de tabel in bijlage bij onderhavig besluit, of houder zijn van een instapkaart bekomen ten gevolge van proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaan of de kandidaat beschikt over de basisvaardigheden en cognitieve vaardigheden die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachten zijn diploma(`s) of zijn studiegetuigschrift(en) aanspraak op kan maken. In afwijking van de vorige paragraaf wordt de toegang tot niveau A middels aanwerving beperkt tot de kandidaten die minstens houder zijn van een diploma of van een studiegetuigschrift dat toegang geeft tot niveau B, in overeensteemming met de tabel in bijlage bij onderhavig besluit. Art. 30.Voor een bepaalde selectie kunnen volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden: 1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt;2° relevante werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;3° het toelaten van studenten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift, wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden te kunnen weerhouden;in welk geval zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen, ook tot dat wervingsexamen worden toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze selecties zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de organisator van de selectie het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen; 4° behalve de in artikel 29, 4° vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad wanneer de vereisten van de uit te oefenen functies dit toelaten: a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;b) diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;5° voor de selectie van bepaalde functies van niveaus D, het bezit van bepaalde diploma's, vormingsattesten of bevoegheidstitels als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies ;6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften of competentie titels eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 29, 4°.7° medische geschiktheid voor de uit te oefenen functie, indien de aard van de functie dit vereist;8° andere voorwaarden vereist door de aard van de functie. Afdeling 3. - Organisatie van de selecties en samenstelling van de selectiecommissies Art. 31.Op voorstel van het HRM kiest de directeur generaal of de adjunct directeur generaal, één of meerdere van de volgende mogelijkheden: - Interne mutatie zoals bepaald in artikel 111; - Intraregionale mobiliteit zoals bepaald in de artikelen 5 tot 13 van het besluit van 27 maart 2014 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - Externe mobiliteit zoals bepaald in de artikelen 23 tot 25 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten7 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; - Overgang tot een hoger niveau zoals bepaald in de artikelen 92 en volgende; - Aanwerving. Art. 32.Er kunnen vergelijkende selecties georganiseerd worden voor alle graden, behalve voor de graden die bij mandaat verleend moeten worden. Art. 33.§ 1. De vergelijkende selectie wordt minstens door middel van publicatie in het Belgisch Staatsblad aankondigd. Het bericht vermeldt minstens de laatste dag waarop kan worden gesolliciteerd en of er eventueel een wervingsreserve wordt aangelegd van de geslaagden. Desgevallend wordt de geldigheidsduur van en het aantal geslaagden dat opgenomen wordt in de wervingsreserve vermeld. § 2. Wanneer een vergelijkende selectie wordt georganiseerd, wordt de datum bepaald waarop de kandidaten moeten voldoen aan de diplomavoorwaarden of de voorwaarden met betrekking tot studiegetuigschriften, en in voorkomend geval, de datum waarop de kandidaten een minimumleeftijd bereikt moeten hebben of over specifieke professionele vaardigheden moeten beschikken. § 3. SELOR roept op de kandidaten die toegelaten worden om deel te nemen aan de selectieproeven voorzien door het selectieprogramma. § 4. SELOR controleert de algemene en specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden voor de betrekking waarnaar de kandidaten meedingen. Vanaf het moment dat vastgesteld wordt dat een kandidaat niet voldoet of niet kan voldoen aan één van de algemene voorwaarden of aan de bijzondere toelatingsvoorwaarden gesteld voor de betrekking waarvoor de kandidaat solliciteert, dan wordt de kandidaat uitgesloten van de vergelijkende selectie en de beslissing en de redenen hiertoe worden hem meegedeeld. HOOFDSTUK II. - Vergelijkende selecties Afdeling 1. - De selectieproeven, over de samenstelling en de raadpleging van de wervingsreserve en van de wervingsreserve van de andere overheden Art. 34.§ 1. Een vergelijkende selectie is een selectie die leidt tot een rangschikking van de geslaagden op basis van een functiebeschrijving. De functiebeschrijving wordt voorafgaandelijk aan de organisatie van de vergelijkende selectie opgesteld door de ambtenaar-generaal verantwoordelijk voor de betrokkene administratieve eenheid op basis van het generieke document ontwikkeld door de HRM. De benoemende overheid is gebonden door de rangschikking van de geslaagden. § 2. Een vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige module. In dit geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module. Indien meerdere vergelijkende selecties binnen eenzelfde niveau een module gemeenschappelijk hebben, worden de geslaagden vrijgesteld voor deze module wanneer ze deelnemen aan een andere vergelijkende selectie. De geldigheidsduur van de vrijstelling wordt bepaald bij de betekening van het resultaat. Deze bedraagt minimaal twee jaar. Een kandidaat die niet geslaagd is voor een module van een vergelijkende selectie wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van het opnieuw afleggen van dezelfde module. § 3. Een bijkomende vergelijkende proef kan worden georganiseerd op beslissing van HRM, indien de aard van de te betrekken functie dit vereist en op basis van een functiebeschrijving. Deze proef leidt, voor deze functie, tot een aparte rangschikking van de geslaagden. De deelname aan de bijkomende vergelijkende proef is niet verplicht. Een maximum aantal deelnemers wordt voor deze proef bepaald, rekening houdend met de rangschikking. De geslaagden voor deze proef, evenals de kandidaten die niet geslaagd zijn, behouden de rangschikking bedoeld in § 2. § 4. De vergelijkende selecties worden georganiseerd voor de benoeming in de rangen A1 tot A3 en in de niveaus B, C en D. Art. 35.§ 1. Voor de vergelijkende selecties, georganiseerd op basis van artikel 34, kan een reserve van de geslaagden worden aangelegd. § 2.- Het aantal geslaagden dat in deze reserve wordt opgenomen, wordt bepaald op basis van het aantal verwachte betrekkingen, § 3. De geldigheidsduur van een wervingsreserve wordt bepaald op maximum twee jaar. De minister kan de termijn van de aangelegde reserves verlengen, telkens met een periode van maximum een jaar. Art. 36.De geslaagden van een wervingsreserve worden uitgenodigd om deel te nemen aan een bijkomende vergelijkende selectie zoals geviseerd door artikel 34, § 3, met het oog op het invullen van een andere betrekking dan degene waarvoor de kandidaten werden gerangschikt. Art. 37.De minister kan voor een aanwerving bij de instelling waarvoor geen wervingsreserve is samengesteld, een beroep doen op de wervingsreserves van een andere overheid, op voorwaarde dat deze overheid daarvoor toestemming verleend heeft. Art. 38.De minister kan een andere instelling toestaan de wervingsreserve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te consulteren. Afdeling 2. - Regels voor de toelating van de geslaagden Art. 39.§ 1. Elke geslaagde krijgt bericht van zijn resultaat en zijn rangschikking. § 2. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die na deze aanvaarding weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de reserve geschrapt, behalve in een met redenen omkleed geval van overmacht. Als de geslaagde de betrekking aanvaard heeft, vergewist het HRM zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet. Art. 40.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de volgorde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen. Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. Afdeling 3. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden Art. 41.Het HRM roept de geselecteerde kandidaat op tot indiensttreding. Het stelt een maximumtermijn vast voor zijn indiensttreding. Wanneer de geslaagde nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst houdt het HRM rekening met een eventuele opzegtermijn. Indien de geslaagde de betrekking niet binnen de gestelde termijn kan invullen, roep het HRM de volgende gerangschikte op. HOOFDSTUK III. - De stage Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 42.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit. De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing: 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° het geldelijk statuut;5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging;6° de gemiddelde maximale arbeidsduur; De stagiair geniet: 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het verlof wegens ziekte;5° het bevallingsverlof;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met hem onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;9° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen;10° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en verlof voor loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;11° verlof voor wederoproeping als reservist;12° verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen.13° het verlof wegens opdracht. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 43.Perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg zodra ze, buiten de verloven bedoeld in artikel 42, tweede lid, 1° tot 3° en 7°, vijftien dagen gewettigde afwezigheid overschrijden, verspreid over een of meerdere malen, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt zijn hoedanigheid van stagiair eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen. Art. 44.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal die hem voorlopig aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen. Art. 45.De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal kan de aanwijzing wijzigen: 1° in het belang van de dienst;2° op vraag van de stagiair. Afdeling 2. - De inhoud van de stage Art. 46.§ 1er. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn dienst, in de instelling en in het gewestelijk openbaar ambt in het algemeen. Daartoe duidt de directeur generaal of de adjunct directeur generaal, in overleg met de functionele chef van de stagiair, het personeelslid aan dat, als hiërarchische meerdere, bevoegd is voor de stagebegeleiding, hierna de `stagebegeleider' genoemd, en dit volgens de taalrol van de stagiair. § 2. Het HRM waakt eveneens over het goede verloop van de stage. Hiertoe kan zij deelnemen aan alle stagegesprekken. Als de stagebegeleider meer dan tien werkdagen afwezig is, brengt het HRM de directeur generaal of de adjunct directeur generaal daarvan op de hoogte opdat hij een "vervangende stagebegeleider" zou aanstellen die de stagebegeleider tijdens diens afwezigheid vervangt. De vervangende stagebegeleider wordt aangeduid conform de daartoe voorziene modaliteiten neergelegd in paragraaf 1. In dat opzicht beschikt hij over dezelfde bevoegdheden als de stagebegeleider. Afdeling 3. - Het verloop van de stage Art. 47.Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden : - De verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair; - De opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen; - De andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiair vergroot wordt. Art. 48.Met het oog op de voorbereiding van dit eerste stagegesprek, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM. Art. 49.De stagebegeleider maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 53, § 2, 55, en 57. De stagebegeleider kan, in overleg met het HRM en de functionele chef, en desgevallend met de vervangende stagebegeleider, beslissen dat bijkomende vormingsactiviteiten vereist zijn. De HRM-verantwoordelijke legt het model van het stageverslag vast. Art. 50.De stage duurt één jaar voor de stagiairs van de niveaus A en B. Ze duurt 6 maanden voor de stagiairs van de niveaus C en D. Art. 51.De directieraad kan een vormingstraject per functietype vastleggen. Art. 52.Na het eerste gesprek, voorzien in artikel 47, organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks voor de stages van zes maanden en driemaandelijks voor de stages van een jaar, een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden. Met het oog op de voorbereiding van de stagegesprekken pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM. Art. 53.§ 1 Het gesprek gaat over: 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair. § 2. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM. Bij afwezigheid van de stagebegeleider voert de vervangende stagebegeleider het stagegesprek en stelt hij het stageverslag op. In dat geval hebben het gesprek en het verslag betrekking op de periode waarin de vervangende stagebegeleider de stage heeft opgevolgd. Bij terugkeer van de stagebegeleider moet deze een verslag opstellen over de periode waarin hij de stage effectief opgevolgd heeft. In geval van toepassing van artikel 46, § 2, tweede lid, vraagt de vervangende stagebegeleider aan de officiële stagebegeleider of aan de hiërarchie de informatie die hij nodig heeft voor het opstellen van zijn stageverslag. Als er geen informatie beschikbaar is, dan geeft de in artikel 46, § 2, tweede lid bedoelde periode aanleiding tot een gunstige beoordeling van de stagiair. Wanneer de stagebegeleider de dienst hervat, stelt de vervangende stagebegeleider een verslag op over de periode waarin hij de stage opgevolgd heeft. Dit verslag beantwoordt aan de vereisten van § 2 van deze bepaling. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM en aan de stagebegeleider. Laatstgenoemde houdt er rekening mee tijdens het volgende stagegesprek. Afdeling 4. - Vrijstelling van stage Art. 54.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt vrijgesteld van de stage en onmiddellijk benoemd in de wervingsgraad waarvoor hij geslaagd is indien hij de drie volgende voorwaarden vervult: - door middel van arbeidsovereenkomst, op ononderbroken wijze gedurende minstens een jaar voltijds of gedurende minstens twee jaar deeltijds op het moment van de publicatie van de vacante betrekking bij dezelfde administratieve eenheid tewerk gesteld zijn; - dezelfde functie sinds minstens één jaar vervullen als die waarvoor hij aangesteld werd in het kader van zijn bovengenoemd arbeidsovereenkomst; - een gunstige evaluatie gekregen hebben bij de laatste evaluatie. Afdeling 5. - Het einde van de stage Art. 55.De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek, zoals beschreven in artikel 53. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met het HRM en de functionele chef. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 57 aan toe. Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mee, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 56.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Art. 57.De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de directeur generaal of de adjunct directeur generaal. Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor de benoeming van de stagiair voor te leggen aan de benoemende overheid conform artikel 65. Indien het eindverslag ongunstig is, stelt de directeur-generaal of de adjunct-generaal: o hetzij een eenmalige verlenging van de stage voor, met een periode die maximaal een derde van de duur van de stage bedraagt. Deze verlenging is niet hernieuwbaar. o hetzij aan de benoemende overheid, conform artikel 65, voor om over te gaan tot ontslag wegens ongeschiktheid voor een functie bij de instelling. De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal beslist om de verlenging van de stage toe te staan of te weigeren. Het voorstel tot ontslag wegens ongeschiktheid van een stagiair van niveau A kan enkel met toestemming van de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal geformuleerd worden. Art. 58.Het eindverslag, na verlenging van de stage, wordt aan directeur-generaal of aan de adjunct-directeur-generaal voorgelegd, die desgevallend de in het vorige artikel bedoelde voorstellen doet. Afdeling 6. - Vroegtijdige beëindiging van de stage Art. 59.Als de stagiair in de loop van de stage een ernstige fout begaat waardoor elke professionele samenwerking tussen de overheid en de stagiair onmiddellijk en definitief onmogelijk wordt, roept de stagebegeleider, of bij afwezigheid van deze laatste de vervangede stagebegeleider, binnen de vijf werkdagen nadat hij kennis genomen heeft van de handeling die een ernstige tekortkoming uitmaakt, de stagiair op om gehoord te worden en zijn verweermiddelen te vernemen. De oproepingsbrief vermeldt de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd, de normen waartegen deze feiten indruisen, het feit dat er overwogen wordt zijn stage vroegtijdig te beëindigen, het recht om zich door een verdediger naar keuze te laten bijstaan, met uitzondering van de personen die zich moeten uitspreken over de feiten die hem ten laste worden gelegd, en het recht om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen. Er wordt een proces-verbaal opgesteld en in aanwezigheid der partijen ondertekend. Na de hoorzitting stelt de stagebegeleider een verslag op. Dat verslag kan de vroegtijdige beëindiging van de stage voorstellen. Indien het verslag betrekking heeft op een stagiair van niveau A, dan kan het verslag enkel worden opgesteld met de instemming van de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal. De definitieve beslissing wordt genomen door de benoemende overheid. Deze laatste doet uitspraak binnen de vijf werkdagen na de hoorzitting. Afdeling 7. - De beroepsprocedure Art. 60.In de gevallen bedoeld in de artikelen 57, derde lid en 59, beschikt de stagiair over een termijn van vijftien dagen vanaf de kennisname van het eindverslag of van het ongunstig verslag om per aangetekend schrijven een beroep in te dienen bij de in artikel 26 bedoelde kamer van beroep. Het beroep is schorsend, behalve wanneer het beroep is ingesteld tegen een beslissing genomen met toepassing van artikel 59. Deze termijn wordt berekend volgens dezelfde regels als deze bedoeld in artikel 290, § 2. De stagiair ontvangt een ontvangstbewijs van het beroep. Art. 61.De voorzitter van de kamer roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 62.De stagebegeleider brengt verslag uit over het verloop van de stage. Hij wordt gehoord. Art. 63.De kamer beslist tot hetzij: 1° de benoeming;2° de eenmalige verlenging van de stage, met een periode die maximaal een derde van de duur van de stage bedraagt;3° ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de instelling. In de hypothese die in artikel 59 beoogd wordt, beslist de kamer van beroep om hetzij de stage voort te zetten, hetzij ze vroegtijdig te beëindigen. De kamer spreekt zich uit binnen de twee maanden na de verzending van het ontvangstbewijs van het beroep. De beslissing wordt betekend aan de verzoeker, de directeur-generaal en aan de adjunct-directeur-generaal. Als er beslist wordt de stage voort te zetten, wordt er onmiddellijk na ontvangst van de beslissing een nieuwe stagebegeleider aangeduid, in overeenstemming met artikel 46, § 1. Art. 64.Het ontslag wegens professionele ongeschiktheid wordt betekend door de benoemende overheid. Bij een ernstige fout wordt de stagiair zonder opzegtermijn of opzegvergoeding ontslagen. Het ontslag wordt definitief wanneer de kamer van beroep het ingestelde beroep door de ontslagen stagiair in overeenstemming met artikel 59 verwerpt. HOOFDSTUK IV. - De benoeming Art. 65.De geschikt verklaarde stagiair of de overeenkomstig artikel 54 van de stage vrijgestelde geslaagde, wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. De minister benoemt de ambtenaren van niveau A, in de graden A1, A2 en A3. De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal benoemt de ambtenaren van niveau B, C en D. Art. 66.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen die bepaald zijn door artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2001 pub. 29/06/2001 numac 2001007141 bron ministerie van landsverdediging Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht sluiten5. De ambtenaren van niveau A leggen de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister. De andere ambtenaren leggen de eed af in handen van de directeur-generaal of van de adjunct-directeur-generaal. Art. 67.De directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal wijst de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe. TITEL IV. - DE LOOPBAAN HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 68.Voor een vacant geworden betrekking van rang 2 of 3 bepaalt de leidende ambtenaaar van de instelling waarin de betrekking ingevuld moet worden op voorstel van het HRM de selectieprocedure. Er wordt prioritair beroep gedaan op de promotie door verhoging in graad van de ambtenaren van de instelling of op de interne mutatie. Bij gebreke daaraan kan er op volgende procedés een beroep worden gedaan: - Bevordering door verhoging in graad zonder zich te beperken tot de personeelsleden van de instelling; - Intraregionale mobiliteit; - Externe mobiliteit; - Aanwerving. Binnen het kader van de twee voorgaande leden, beslist de directeur generaal of de adjunct directeur generaal over de bevorderingswijze(n). HOOFDSTUK II. - De hiërarchische loopbaan Afdeling 1. - Bevordering door verhoging in graad Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 69.De in artikelen 78 en 87 bedoelde bevorderingscommissies vergelijken de titels en verdiensten van de kandidaten op basis van het functieprofiel, het cv en de motivatiebrief. Voor alle bevorderingsbetrekkingen omvat/omvatten de proef/proeven altijd op zijn minst een gesprek met de in de artikelen 78 en 87 bedoelde commissies. De kandidaten worden vooraf op de hoogte gebracht van de organisatie van de vergelijkende proef/proeven. Art. 70.§ 1. Een vacante betrekking in een graad van de rang A3, A2, B2, C2 en D2, wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de ambtenaren van de instelling die mogelijks de benoemingsvoorwaarden zouden kunnen vervullen. De geïnteresseerden brengen voor ontvangst hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs naar zijn woonplaats gezonden. § 2. Wanneer de promotie toegankelijk wordt gemaakt voor kandidaten die niet onder de instelling vallen, wordt de openstaande betrekking gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. § 3 De openstaande betrekking bevat: - Het programma van de vergelijkende proef/proeven, zoals bepaald in artikel 69; - De termijn waarbinnen en ter attentie van wie de kandidatuur ingediend dient te worden; - De elementen die het sollicitatiedossier dienen te bevatten; - De coördinaten van de dienst waar een functiebeschrijving van de openstaande betrekking en een standaard cv zoals bedoeld in artikel 71, § 2, bekomen kunnen worden. Art. 71.§ 1. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van twintig dagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar de dienstnota valideerde, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar, ofwel de dag volgend op de publicatie in het Belgisch Staatsblad voor de kandidaten die niet tot de instelling behoren. De hier bedoelde termijnen worden geregeld door dezelfde regels als diegene voorzien in artikel 290, § 2. § 2. Kandidaturen die een bevordering beogen moeten voorzien zijn van een motivatiebrief, alsook van een uiteenzetting van de titels en verdiensten die de kandidaat laat gelden. De kandidaat maakt gebruik van het standaard cv opgesteld door het HRM. Kandidaturen die niet voldoen aan de instructies betreffende het gebruik van het standaard cv zijn onontvankelijk door HRM. Art. 72.Het HRM controleert de geldigheid van de kandidaturen. De ontvankelijkheidsvoorwaarden vervat in de artikelen 74 tot 77 en 84 tot 86 moeten vervuld zijn voor afloop van de termijn die vereist is om de kandidatuur in te dienen. De kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden worden uitgesloten van de procedure tot bevordering bij gemotiveerde beslissing door de verantwoordelijke van het HRM. Elke uitsluiting van de bevorderingsprocedure wordt aan de betrokken kandidaten bekendgemaakt door een door de HRM-verantwoordelijke gemotiveerde beslissing per ter post aangetekende brief. Art. 73.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend door de voor het niveau bevoegde benoemende overheid. Onderafdeling 2. - De bevordering tot een graad van rang A3, A2 en tot de betrekking van eerste attaché A2, raadgever deskundige Art. 74.De betrekkingen van directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren titularissen van de graden van attaché van rang A1, van eerste attaché van rang A2, van havenkapitein van rang A2 en van raadgever-deskundige van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. De betrekkingen van ingenieur-directeur van rang A3 staan open voor ambtenaren titularissen van de graden van ingenieur van rang A1 en van eerste ingenieur van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. De betrekkingen van wetenschappelijk directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren titularissen van de graden van wetenschapelijk attaché van rang A1 en van eerste wetenschapelik attaché van rang A2 die ten minste zes jaar niveauanciënniteit hebben. Art. 75.De betrekkingen van raadgever deskundige van rang A2, staan open voor attachés van rang A1, die minstens zes jaar graadanciënniteit hebben, en voor ambtenaren van rang A2 titularissen van de graad van eerste attaché die drie jaar graadanciënniteit hebben. De betrekkingen van eerste attaché van rang A2 staan open voor ambtenaren titularissen van de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste wetenschappelijk attaché van rang A2 staan open voor ambtenaren titularissen van de graad van wetenschappelijk attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Art. 76.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of A3 moet een evaluatie met vermelding "gunstig" hebben en moet zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft gekregen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt in overeenstemming met artikel 309. Art. 77.§ 1. Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig artikel 68, tweede en derde leden, streepjes 1 en 2, wordt van de ambtenaren van een andere instelling vereist te voldoen aan bevorderingsvoorwaarden die equivalent zijn met diegene bedoeld in de artikelen 74 tot 76. § 2. Wanneer externe kandidaten kunnen deelnemen aan een selectie wordt van hen een nuttige ervaring voor de functie geëist van zes jaar voor rang A3 en van drie jaar voor rang A2. Voor de betrekking van raadgever-deskundige van rang A2 wordt een nuttige ervaring van zes jaar voor de functie geëist. Art. 78.§ 1. Voor elke bevordering stelt de Directieraad een bevorderingscommissie samen. Die commissie bestaat uit maximaal drie leden, met inbegrip van de persoon bedoeld in het tweede lid van paragraaf 2 van dit artikel. § 2. Voor de betrekkingen van rang A3 of A2 bestaat de commissie uit: 1° een personeelslid van minstens rang A3;2° een personeelslid van minstens rang A2;3° de HRM-verantwoordelijke of diens afgevaardigde van minstens rang A1. Het commissielid van rang A3 mag vervangen worden door een personeelslid van rang A3 afkomstig uit een andere instelling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. § 3. Wanneer een betrekking vacant wordt verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient één lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966. § 4. Ten hoogste twee derden van de leden van de commissie behoren tot hetzelfde geslacht. Geen lid van de commissie mag zetelen wanneer hij zich in een situatie bevindt die ertoe kan leiden dat zijn onpartijdigheid in het gedrang komt. Art. 79.§ 1. De commissie is bevoegd om de geschiktheden van de kandidaten om de bevorderingsgraad uit te oefenen, te evalueren op basis van het competentieprofiel van de in te vullen betrekking. § 2. Zij neemt in overweging: 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de titels en verdiensten die de kandidaat doet gelden ten aanzien van de vacante betrekking;3° de mate waarin de kandidaat geschikt is, rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken. § 3. De commissie organiseert een gesprek met elke kandidaat. Art. 80.§ 1. Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen bepaald in artikel 79. § 2. De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A " geschikt ", hetzij in de groep B " niet geschikt ". In de groep A worden de kandidaten gerangschikt rekening houdend met de criteria vermeld in artikel 79, § 2. § 3. Deze rangschikking wordt voorgelegd aan de directieraad. Art. 81.De directieraad werkt het definitieve voorstel tot rangschikking van de kandidaten van groep A uit. Indien het voorstel niet overeenkomt met de rangschikking opgesteld door de bevorderingscommissie, dient de directieraad haar beslissing omstandig te motiveren. Art. 82.Het voorstel wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten die solliciteerden voor de desbetreffende betrekking. De betrokkenen ondertekenen de dientsnota voor kennisname. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk niet op de dienst is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats verzonden. De kandidaat die zich benadeeld acht, kan binnen tien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens dezelfde bepalingen als bedoeld in artikel 290 § 2. De kandidaat wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 83.§ 1. Het definitieve voorstel van rangschikking wordt voorgelegd aan de benoemende overheid. § 2. De benoemende overheid volgt de definitieve klassering die eenparig wordt uitgebracht. Indien het voorstel van klassement niet eenparig wordt uitgebracht en de benoemende overheid een andere kandidaat benoemt dan de persoon aan het hoofd van het rangschikkingsvoorstel, dan moet zij haar beslissing omstandig motiveren. § 3. Bij gelijkwaardige kandidaturen wordt achtereenvolgens de voorkeur gegeven aan: 1° de kandidaat die behoort tot het geslacht dat het minst vertegenwoordigd is in deze bevorderingsrang binnen de instelling;2° de kandidaat die over de hoogste graadanciënniteit beschikt. § 4. Er wordt afgeweken van de voorgaande paragraaf wanneer, door de toepassing van de wetten op het taalgebruik in bestuurzaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, het onmogelijk is om over te gaan tot de benoeming van deze kandidaat. Onderafdeling 3. - De bevordering tot een graad van rang B2, C2 en D2 Art. 84.De betrekkingen van rang B2, C2, en D2 staan open voor ambtenaren van respectievelijk rang B1, C1 en D1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Art. 85.Om bevorderd te worden, moet de kandidaat over een evaluatie "gunstig" beschikken en zich in een administratieve positie bevinden waar hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden. Hij mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt, in overeenstemming met artikel 309. Art. 86.§ 1. Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig artikel 68, lid 2 et 3, streepjes 1 en 2, wordt van de ambtenaren van een andere instelling vereist te voldoen aan bevorderingsvoorwaarden gelijkwaardig aan deze neergelegd in de artikelen 84 en 85. § 2 Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig de regels inzake aanwerving wordt van de kandidaten een nuttige ervaring van drie jaar geëist. Art. 87.Voor elke bevordering stelt de directieraad een bevorderingscommissie samen. Deze commissie is samengesteld uit drie personen: 1° de HRM-verantwoordelijke of diens afgevaardigde van minstens rang C1;2° twee leden die behoren tot de instelling waarin de betrekking moet worden ingevuld en die beschikken over een kwalificatie en professionele ervaring aangaande deze in te vullen betrekking of over een expertise beschikt met betrekking tot de materies die tot de in te vullen betrekking behoren. De personeelsleden die worden aangeduid voor elk van de commissies hebben een rang die minimaal gelijk is aan de rang van de betrekking die ingevuld moet worden. Ten hoogste twee derden van de leden behoren tot het hetzelfde geslacht. Wanneer een bevorderingsbettreking vacant wordt verklaard voor kandidaten van de twee taalrollen, dient één lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wette …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.