← België

Besluit van de Vlaamse regering houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het persone

Kort samengevat

Dit besluit regelt de organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de rechtspositie van haar personeel. Het beschrijft hoe het ministerie is opgebouwd en welke regels gelden voor de medewerkers.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP 15 JULI 2002. - Besluit van de Vlaamse regering houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel De Vlaamse regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 87, § 1, en § 3, vervangen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988; Gelet op het decreet van 29 april 1991 tot instelling van een Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en tot vaststelling van de algemene regelen inzake de erkenning en subsidiëring van de milieu- en natuurverenigingen, inzonderheid op artikel 9, tweede lid; Gelet op het decreet van 15 december 1993 tot oprichting van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, inzonderheid op artikel 10, eerste lid; Gelet op het decreet van 2 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/03/1999 pub. 08/04/1999 numac 1999035415 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende het beleid en het beheer van de zeehavens sluiten houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, inzonderheid op artikel 23, § 1; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling en de rechtspositie van het personeel, zoals tot op heden gewijzigd; Gelet op het advies van de afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid; Gelet op het advies van het college van secretarissen-generaal, gegeven op 14 september 2000; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 18 oktober 2000; Gelet op het akkoord van de Minister, bevoegd voor pensioenen, gegeven op 29 augustus 2001; Gelet op het protocol nr. 167.491 van 10 juli 2001 en het protocol nr. 180.540 van 15 juli 2002 van het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest; Gelet op advies 32.130/3 van de Raad van State, gegeven op 26 maart 2002; Overwegende dat uitvoering moet worden gegeven aan de richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof; Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken; Na beraadslaging, Besluit : DEEL I. - TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied Artikel I 1. Dit besluit is van toepassing op het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en op het personeel ervan, tenzij anders bepaald in dit besluit. HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen Art. I 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° ministerie : het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;2° diensten van de Vlaamse regering : het ministerie en de Vlaamse wetenschappelijke instellingen;3° personeelsleden : de ambtenaren, de stagiairs en de contractuele personeelsleden van het ministerie.Bij verwijzing naar een personeelslid wordt hierna de mannelijke vorm gebruikt; 4° ambtenaar : elk personeelslid dat in vast dienstverband benoemd is;5° stagiair : elk personeelslid dat toegelaten is tot een proeftijd met het oog op een vaste benoeming;6° contractueel personeelslid : elk personeelslid dat in dienst genomen is bij arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten;7° secretaris-generaal : de ambtenaar die belast is met de leiding van een departement;8° leidend ambtenaar : - de ambtenaar die belast is met de leiding van een administratie; - de secretaris-generaal voor de bovenbouw van zijn departement behalve indien aan het hoofd van een onderdeel van deze bovenbouw een ambtenaar van rang A3 staat, die in dat geval leidend ambtenaar is van dat onderdeel; 9° afdelingshoofd : elke ambtenaar die belast is met de leiding van een afdeling;10° lijnmanager : secretaris-generaal, leidend ambtenaar, afdelingshoofd, contractbeheerder, strategiebeheerder, coördinator IT-relatiebeheer, beheerder interne IT-dienstverlening, preventieadviseur-coördinator, secretaris van de Vlaamse Raad voor wetenschapsbeleid, ambtenaar van de rang A1 met een diensthoofdentoelage, het contractuele personeelslid dat leiding geeft over een entiteit vermeld in een van de organigrammen in bijlage 1 bij dit besluit, manager-auditor, directeur van secretariaat van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen;11° benoemende overheid : voor de ambtenaar van de rang A3 en A4 de Vlaamse regering, en voor de ambtenaar van de rang A2 en lager de secretaris-generaal;12° de functioneel bevoegde Vlaamse minister : het lid van de Vlaamse regering dat overeenkomstig de bevoegdheidsverdeling binnen deze regering bevoegd is voor een aantal materies die krachtens de Grondwet en de bijzondere wetten tot hervorming der instellingen toevertrouwd zijn aan de Vlaamse Gemeenschap en/of het Vlaamse Gewest;13° Vlaamse openbare instelling met een vergelijkbaar personeelsstatuut : de Vlaamse Openbare Instellingen die onder het stambesluit VOI vallen;14° raadgever : een personeelslid, in actieve dienst of gepensioneerd, een advocaat of een afgevaardigde van een vakorganisatie. Art. I 3. § 1. Wat de regeling van de rechtspositie van het personeel betreft, worden als een administratieve eenheid beschouwd : 1° de diensten van de Vlaamse regering, met uitzondering van het wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke instellingen, voor : a) de bevorderingen via examen voor verhoging in graad of bekwaamheidsproef;b) de bevordering in rang A3;c) de aanwijzing in een mandaatgraad in niveau A;d) de interne arbeidsmarkt voor ambtenaren tot en met rang A2;e) de tijdelijke aanstelling tot preventieadviseur, junior auditor en senior auditor;2° het ministerie voor : a) de aanwerving;b) de bevordering in rang A4;c) de interne arbeidsmarkt voor ambtenaren van rang A3 en A4;d) de interdepartementale wijziging van dienstaanwijzing van ambtenaren van rang A2;e) de tijdelijke aanstelling tot opdrachthouder, projectleider, staflid en expert;3° de diensten van de Vlaamse regering, met uitzondering van het wetenschappelijk personeel van de Vlaamse wetenschappelijke instellingen, en de Vlaamse openbare instellingen met een vergelijkbaar personeelsstatuut voor de bevordering van de geslaagden voor de vergelijkende overgangsexamens en voor de toepassing van de verruimde arbeidsmarkt;4° de departementen en de verzelfstandigde entiteiten, in alle andere gevallen. § 2. Voor de toepassing van dit besluit op de personeelsleden bij de provinciale afdelingen van de administratie Binnenlandse Aangelegenheden, worden deze provinciale afdelingen gelijkgesteld met departementen en worden de bevoegdheden van de secretaris-generaal en van de leidend ambtenaar uitgeoefend door de provinciegouverneur, met uitzondering van de bevoegdheden bepaald in de artikelen II 28, III 6, § 2, IV 21, VI 1, § 2 en § 3, VIII 39, VIII 48, VIII 50, VIII 51 en VIII 64, § 3. Art. I 4. Alle bij dit besluit aan een personeelslid toegewezen bevoegdheden kunnen door dit personeelslid worden gedelegeerd aan de onder zijn gezag staande : a) ambtenaren;b) contractuele personeelsleden met hiërarchische bevoegdheid overeenkomstig artikel XIV 13, behalve de bevoegdheden vermeld in delen IX en X van dit besluit. Art. I 5. § 1. Aan de personeelsbehoeften van het ministerie wordt voldaan door ambtenaren en stagiairs. Uitzonderlijk en enkel om de redenen opgesomd in artikel XIV 2 kunnen contractuele personeelsleden worden ingezet. § 2. De invullingen van de vacatures gebeuren op basis van personeelsplannen. § 3. Een personeelsplan is een overzicht, uitgedrukt in functies en indien mogelijk in graden, van het aantal personeelsleden, nodig om in een bepaalde entiteit via welomschreven processen en met behulp van informatietechnische hulpmiddelen een vooropgesteld doel te bereiken. Art. I 6. § 1. Na beëindiging van een mandaat, opdracht of tijdelijke aanstelling krijgt de ambtenaar een gepaste dienstaanwijzing binnen of buiten het departement, indien zijn betrekking tijdens het mandaat, de opdracht of de tijdelijke aanstelling werd vacant verklaard. Tijdens het mandaat, de opdracht of de tijdelijke aanstelling behoudt de ambtenaar zijn loopbaanmogelijkheden binnen het departement van oorsprong. § 2. In afwijking op § 1, eerste lid is er wel een recht op terugkeer naar de oorspronkelijke betrekking voor de ambtenaren die een ambt uitoefenen op een kabinet. Art. I 7. § 1. Wanneer op verschillende wijzen in een vacante betrekking kan worden voorzien en er geen bepaling is die een bepaalde wijze voorschrijft, kiest de benoemende overheid hoe zij deze betrekking in het ministerie opvult. § 2. Onverminderd de bepalingen van dit besluit, bepaalt bijlage 4 bij dit besluit voor alle graden of zij via aanwerving en/of bevordering kunnen worden begeven met eventuele aanduiding van de aanvullende en bijzondere voorwaarden inzake beroepskwalificatie, alsmede voor elke bevorderingsgraad de lijst van graden die er toegang toe verlenen. Art. I 8. In het ministerie geldt een standaardwerktijdregeling met onderscheid tussen stamtijden, glijtijden en bereikbaarheid van de dienst. In afwijking van deze standaardwerktijdregeling kan de secretaris-generaal voor specifieke organisatorische eenheden en/of werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling vaststellen. Art. I 9. Het persoonlijk dossier van de ambtenaar omvat uitsluitend administratieve stukken. Aanbevelingen waaruit een levensbeschouwelijke, ideologische of politieke overtuiging blijkt, mogen niet voorkomen in het persoonlijk dossier. DEEL II. - ORGANISATIE EN WERKING VAN HET MINISTERIE TITEL 1. - De structuur van het ministerie Artikel II 1. Het ministerie is ingedeeld in departementen waarvan het organigram is vastgesteld in bijlage 1 bij dit besluit. TITEL 2. - De directieraden HOOFDSTUK 1. - Samenstelling Artikel II 2. In het ministerie functioneren de hiernavolgende directieraden : 1° het college van secretarissen-generaal : voor het ministerie;2° de departementale directieraad : voor elk departement;3° het college van afdelingshoofden : voor elke administratie en voor de bovenbouw van elk departement;4° de afdelingsraad : voor elke provinciale afdeling van de administratie Binnenlandse Aangelegenheden. Art. II 3. Het college van secretarissen-generaal is samengesteld uit de secretarissen-generaal en wordt voorgezeten door de secretaris-generaal van het departement Coördinatie, die tevens secretaris is van de Vlaamse regering. Art. II 4. De departementale directieraden zijn samengesteld uit de secretaris-generaal en de leidend ambtenaren en worden voorgezeten door de secretaris-generaal. Art. II 5. De colleges van afdelingshoofden zijn samengesteld uit de leidend ambtenaar en de betrokken afdelingshoofden en worden voorgezeten door de leidend ambtenaar. Art. II 6. De afdelingsraden zijn samengesteld uit de provinciegouverneur, het afdelingshoofd en de ambtenaren die door de provinciegouverneur worden uitgenodigd, en worden voorgezeten door de provinciegouverneur. HOOFDSTUK 2. - Werking Art. II 7. Elke directieraad stelt een huishoudelijk reglement op dat ten minste bepaalt : 1° de frequentie van de vergaderingen;2° het vereiste quorum en de vereiste meerderheid voor de geldigheid van zijn beslissingen;3° de wijze van stemmen. Art. II 8. Elke individuele beslissing betreffende personeelsleden wordt genomen bij geheime stemming over het gemotiveerd voorstel van de voorzitter, dat geformuleerd wordt na beraadslaging in de betrokken directieraad. HOOFDSTUK 3. - Bevoegdheden Art. II 9. § 1. Onverminderd zijn bevoegdheden voortvloeiend uit de regeling van de rechtspositie, is het college van secretarissen-generaal belast met het bestuur van het ministerie en met de beleidscoördinatie tussen de departementen. § 2. Het college kan administraties met een horizontale opdracht en/of de staf Centrale Coördinatie belasten met de voorbereiding van een dossier en met de leiding over of de medewerking aan een door het college samengesteld projectteam van ambtenaren uit de betrokken departementen. Art. II 10. Onverminderd zijn bevoegdheden voortvloeiend uit de regeling van de rechtspositie, is de departementale directieraad belast met het bestuur van het departement. In die zin beraadslaagt hij over de algemene werking en de organisatie van het departement, met inbegrip van het functioneren van de matrix-organisatiestructuur. Art. II 11. Onverminderd zijn bevoegdheden voortvloeiend uit de regeling van de rechtspositie, is het college van afdelingshoofden belast met het bestuur van de administratie. In die zin beraadslaagt het college van afdelingshoofden over de algemene werking en de organisatie van de administratie. Art. II 12. Onverminderd zijn bevoegdheden voortvloeiend uit de regeling van de rechtspositie, is de provinciale afdelingsraad, vermeld in artikel II 2, 4°, bevoegd voor : - de bespreking van het beleid in het kader van de afspraken die tussen de Vlaamse provinciegouverneurs gemaakt zijn; - de bespreking van de vergaderingen van het college van afdelingshoofden, met inbegrip van de rapportering over de beslissingen van het college van secretarissen-generaal en van de departementale directieraad; - de vastlegging van het beleid en van de interne organisatie van de afdeling en van de afdelingsspecifieke doelstellingen; - het formuleren, ten behoeve van het college van afdelingshoofden, van voorstellen inzake de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van het beleid; - het formuleren van voorstellen inzake toekenning van functioneringstoelagen en beslissingen tot loopbaanvertraging en inzake bevorderingen door verhoging in graad binnen de niveaus B, C en D van de ambtenaren van de provinciale afdeling. HOOFDSTUK 4. - Bijzondere bepalingen Art. II 13. Voor de toepassing van dit besluit op de personeelsleden van de entiteit Sturing en Controle Informatica worden de bevoegdheden van de departementale directieraad en van het college van afdelingshoofden gezamenlijk uitgeoefend door de ICT-manager, de contractbeheerder, de strategiebeheerder en de coördinator IT-relatiebeheer. De bevoegde directieraad voor deze laatsten is het college van secretarissen-generaal. Art. II 14. Voor de toepassing van dit besluit op de personeelsleden van de entiteit Interne Audit worden de bevoegdheden van de departementale directieraad en van het college van afdelingshoofden uitgeoefend door het hoofd van de entiteit Interne Audit samen met de manager-auditors, en bij ontstentenis van deze laatsten samen met de voorzitter van het college van secretarissen-generaal. Voor de manager-auditors worden deze bevoegdheden uitgeoefend door de Vlaamse regering, die tevens als bevoegde directieraad optreedt voor het hoofd van de entiteit Interne Audit. TITEL 3. - De raad van beroep Art. II 15. § 1. Bij de diensten van de Vlaamse regering wordt een raad van beroep opgericht die bestaat uit drie kamers. De eerste kamer neemt kennis van elk beroep dat de ambtenaar of de stagiair instelt tegen de uitspraak van een tuchtstraf of van de schorsing in het belang van de dienst. De tweede kamer neemt kennis van elk beroep dat de stagiair instelt tegen een voorstel tot negatief eindverslag over de stage, en dat de ambtenaar instelt tegen : 1° de evaluatie onvoldoende;2° een vormgebrek tijdens de evaluatieprocedure;3° de beslissing tot loopbaanvertraging. De derde kamer neemt kennis van elk beroep dat de ambtenaar instelt tegen de weigering van het verlof voor deeltijdse prestaties en van het gecontingenteerd verlof. § 2. De raad van beroep heeft een adviserende bevoegdheid. Art. II 16. § 1. Elke kamer van de raad van beroep wordt voorgezeten door een magistraat of magistraat in ruste, benoemd door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ambtenarenzaken, en is verder samengesteld uit assessoren, aangewezen voor de ene helft door de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken, en voor de andere helft door de representatieve vakbonden vertegenwoordigd in het sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest. Elk van de representatieve vakbonden heeft recht op één assessor. De assessoren aangewezen door de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken, behoren tot het niveau A en zijn titularis van een gelijke of een hogere rang dan de verzoeker. § 2. De voorzitter of plaatsvervangend voorzitter is stemgerechtigd in de eerste kamer doch niet in de tweede en de derde kamer. Voor elke kamer wordt door de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken een ambtenaar aangesteld als secretaris en plaatsvervangend secretaris; deze zijn niet stemgerechtigd. § 3. Bij de effectieve samenstelling van de raad van beroep per zaak mag ten hoogste 4/7 van de leden van hetzelfde geslacht zijn. § 4. De raad van beroep is per zaak effectief samengesteld uit een voorzitter, één assessor namens elke representatieve vakorganisatie en evenveel assessoren namens de overheid. § 5. De raad van beroep beraadslaagt geldig indien per zaak alle leden vermeld in § 4 aanwezig zijn. Indien nochtans na de eerste oproeping de raad niet voltallig aanwezig is, vergadert hij een tweede maal geldig ongeacht het aantal aanwezigen. In dit geval is § 3 niet van toepassing. Art. II 17. Het huishoudelijk reglement van de raad van beroep wordt vastgesteld tijdens een door de voorzitter samengeroepen vergadering waarop afvaardigingen van de overheid en de vakorganisaties worden uitgenodigd. Het reglement is rechtsgeldig vastgesteld indien de meerderheid van de opgeroepen leden aanwezig is op deze vergadering; bij de stemming over het reglement wordt zo nodig de pariteit door loting hersteld. Het huishoudelijk reglement wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de ambtenarenzaken, en wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad . Art. II 18. In elke zaak wijst de secretaris-generaal van het departement of het hoofd van de wetenschappelijke instelling waaronder de belanghebbende ambtenaar ressorteert een ambtenaar aan om het betwiste voorstel van de overheid te verdedigen. Wat de ambtenaar van rang A4 of het hoofd van de wetenschappelijke instelling betreft wijst de Vlaamse minister bevoegd voor individueel personeelsbeheer of de functioneel bevoegde Vlaamse minister die de tuchtstraf voorstelt een advocaat aan om het voorstel van de overheid te verdedigen. Art. II 19. Kunnen niet optreden als lid van de raad van beroep : 1° de verzoeker zelf en zijn raadgever, de advocaat en de ambtenaar die het voorstel van de overheid verdedigt;het advies vermeldt de naleving van het verbod. 2° een ambtenaar die betrokken is bij de afwikkeling van de procedure voorafgaand aan of volgend op het advies van de raad, of diens bloed- en aanverwant tot de tweede graad. Bovendien kan de verzoeker zonder opgave van reden tot uiterlijk twee werkdagen vóór de datum van de zitting de assessoren aangeduid door de vakorganisaties of de assessoren aangewezen door de leidend ambtenaar administratie Ambtenarenzaken, wraken. Indien evenwel de werking van de raad van beroep verhinderd wordt door een algemene wraking of indien ten gevolge van een meervoudige wraking de termijn verstrijkt waarbinnen de raad van beroep zijn advies moet uitbrengen, wordt dit advies automatisch geacht negatief te zijn. Art. II 20. § 1. De raad van beroep hoort de stagiair of ambtenaar alvorens een gemotiveerd advies te formuleren. Behalve bij gewettigde verhindering verschijnt de verzoeker persoonlijk; hij mag zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een raadgever of bij gewettigde verhindering zich door die raadgever laten vertegenwoordigen. § 2. Indien de stagiair of ambtenaar, ofschoon volgens de voorschriften opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, of zich niet laat vertegenwoordigen bij gewettigde afwezigheid, wordt de stagiair of ambtenaar geacht af te zien van zijn beroep. De uitspraak of beslissing vóór het beroep wordt in dit geval de definitieve uitspraak of beslissing. Art. II 21. De raad van beroep stuurt onverwijld haar gemotiveerd advies toe aan de verzoeker, bij aangetekend schrijven, en aan de voor de beslissing bevoegde overheid. Art. II 22. § 1. Aan de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de drie kamers in de raad van beroep wordt een presentiegeld van 100 euro (aan 100 %) per zitting van een halve dag toegekend. Dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel XIII 8. § 2. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de assessoren ontvangen een vergoeding voor verblijf- en reiskosten overeenkomstig de regeling die van toepassing is op de ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. TITEL 4. - De secretarissen-generaal, de leidend ambtenaren en de afdelingshoofden HOOFDSTUK 1. - Bevoegdheden van algemene aard Art. II 23. De secretaris-generaal is belast met het hoog toezicht over de administraties en de afdelingen van zijn departement. Hij coördineert de werkzaamheden en zorgt voor de eenheid van het bestuur ervan. Hij draagt zorg voor de coördinatie en de integratie van het beleid binnen zijn departement en voor de relatie tussen de ambtenaren enerzijds en de Vlaamse regering en de bevoegde leden ervan anderzijds. Hij zit de departementale directieraad voor, oefent gezag uit over het personeel van zijn departement en zorgt voor de tucht, de orde en de organisatie van de afdelingen. Hij neemt de voor zijn departement bestemde zendingen in ontvangst en ondertekent de briefwisseling inzake het functioneren van zijn departement die de Vlaamse regering of het bevoegde lid ervan niet bindt. Art. II 24. Onverminderd artikel II 23 en bij ontstentenis van bijzondere bepalingen die door de Vlaamse regering vastgesteld zijn met betrekking tot een welbepaald departement of een welbepaalde administratie, is de leidend ambtenaar voor zijn sector de hoogste ambtelijke autoriteit t.a.v. het bevoegde lid of de bevoegde leden van de Vlaamse regering. Hij is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur in zijn afdelingen en signaleert elk probleem met betrekking tot het personeel, het functioneren, de organisatie of de huisvesting van die afdelingen aan zijn secretaris-generaal. Hij rapporteert periodiek aan zijn secretaris-generaal over het gebruik van de aan hem gedelegeerde bevoegdheden. Art. II 25. Onverminderd de artikelen II 23 en II 24 is het afdelingshoofd verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur in zijn afdeling en draagt hij, onder meer via zijn deelname aan het college van afdelingshoofden, bij tot de voorbereiding van beleidsbeslissingen. Hij rapporteert periodiek aan zijn leidend ambtenaar over het gebruik van de hem gedelegeerde bevoegdheden. HOOFDSTUK 2. - Specifieke bevoegdheden van de secretaris-generaal inzake algemene werking en de organisatie van zijn departement Art. II 26. § 1. De secretaris-generaal treedt voor zijn departement op als ordonnateur met betrekking tot de in het bestaansmiddelenprogramma van de administratieve begroting opgenomen basisallocaties waarover departementaal kan worden beslist. De secretaris-generaal van een departement met horizontale bevoegdheden treedt, wat de tot zijn departement behorende bevoegdheden betreft, op als ordonnateur met betrekking tot de in het bestaansmiddelenprogramma van de administratieve begroting opgenomen basisallocaties waarover interdepartementaal moet worden beslist. § 2. Elke secretaris-generaal verstrekt, wat hem betreft, jaarlijks aan de Vlaamse regering een beleidsrapport over de besteding van de bestaansmiddelenbegroting, over de verwachte evoluties en over de voorgestelde beleidsmaatregelen. Art. II 27. § 1. De secretaris-generaal is bevoegd om, in het kader van de algemene werking van zijn departement, bestekken voor werken, leveringen of diensten of de bescheiden die ze vervangen goed te keuren, de wijze te kiezen waarop de opdrachten worden gegund, opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten te gunnen en in te staan voor de uitvoering ervan. Deze machtiging geldt slechts binnen de perken van de geopende kredieten en van de volgende ramingen of bedragen (exclusief BTW) : 1° indien de opdracht gegund wordt bij middel van een openbare of beperkte aanbesteding : a) voor een opdracht van werken of van leveringen : 500.000 euro; b) voor een opdracht van diensten : 250.000 euro; 2° indien de opdracht gegund wordt bij middel van een algemene of beperkte offerteaanvraag : a) voor een opdracht van werken of van leveringen : 150.000 euro; b) voor een opdracht van diensten : 75.000 euro; 3° indien de opdracht gegund wordt bij middel van een onderhandelingsprocedure met bekendmaking : a) voor een opdracht van werken of van leveringen : 150.000 euro; b) voor een opdracht van diensten : 75.000 euro; 4° indien de opdracht gegund wordt bij middel van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking : 65.000 euro Hij is tevens bevoegd om : 1° met betrekking tot de in het eerste lid vermelde opdrachten : a) gemotiveerde afwijkingen toe te staan op de essentiële bepalingen en voorwaarden, overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken;b) boeten kwijt te schelden;c) prijsherzieningen, voortvloeiend uit de betrokken overeenkomsten, goed te keuren zonder beperking van bedrag; d) verrekeningen, andere dan voormelde herzieningen, goed te keuren in zover hieruit geen bijkomende uitgaven van meer dan 25 % voortvloeien en ze 33.500 euro niet overschrijden; 2° uitgaven voor het functioneren van zijn departement goed te keuren, die buiten de toepassing vallen van de wetgeving op de overheidsopdrachten : onbeperkt voor portkosten, telefoonrekeningen en voor de levering van water, gas en electriciteit;beperkt tot een bedrag van maximum 27.000 euro per beslissing in andere gevallen. Deze bevoegdheid geldt niet voor uitgaven die voortvloeien uit vonnissen of arresten, dadingen of schulderkenningen. De in de vorige leden vermelde bedragen zijn exclusief de belasting over de toegevoegde waarde. § 2. De bepalingen van § 1 zijn slechts van toepassing in zover ze betrekking hebben op uitgaven op het interdepartementaal bestaansmiddelenprogramma van de administratieve begroting waarover, overeenkomstig artikel II 26, § 1, eerste lid, departementaal kan worden beslist. Zij zijn evenwel eveneens van toepassing op de in het tweede lid van hetzelfde artikel bedoelde secretarissen-generaal, ieder wat hem betreft, inzake basisallocaties waarover interdepartementaal moet worden beslist. § 3. De secretaris-generaal is bevoegd om : 1° de verkoopprijs vast te stellen van publicaties die uitgaan van zijn departement en waarvoor kredieten op de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap werden uitgetrokken, onverminderd de regels van de begrotingscontrole;2° zendingen toe te staan aan de personeelsleden van zijn departement;3° het totaal bedrag aan kilometerkrediet en de verdeling ervan binnen zijn departement vast te stellen, binnen het voor zijn departement vastgestelde bedrag voor de betaling van reis- en verblijfkosten;4° personeelsleden van zijn departement toestemming te geven gebruik te maken van een eigen voertuig;5° de besluiten te nemen inzake de vaststelling van het salaris en de toekenning van vergoedingen en toelagen aan de ambtenaren van zijn departement;6° aan derden die namens het ministerie optreden, alle onkosten die uit de dienstreis voortvloeien te vergoeden;7° aan de representatieve vakorganisaties de toelating te verlenen om vergaderingen te beleggen in de lokalen van de administratie. HOOFDSTUK 3. - De tijdelijke vervanging Art. II 28. § 1. De secretaris-generaal die tijdelijk afwezig of verhinderd is, kan een leidend ambtenaar van zijn departement aanwijzen om hem te vervangen. § 2. De leidend ambtenaar die tijdelijk afwezig of verhinderd is, kan een afdelingshoofd, behorend tot zijn administratie, aanwijzen om hem te vervangen, of bij ontstentenis een personeelslid van niveau A. HOOFDSTUK 4. - Bijzondere bepalingen Art. II 29. Voor de toepassing van dit besluit op de personeelsleden van de entiteit Sturing en Controle Informatica oefent de ICT-manager de bevoegdheden uit die in dit besluit worden toegewezen aan de secretaris-generaal, de leidend ambtenaar en het afdelingshoofd. Art. II 30. Voor de toepassing van dit besluit op de personeelsleden van de entiteit Interne Audit oefent het hoofd van de entiteit Interne Audit de bevoegdheden uit die in dit besluit worden toegewezen aan de secretaris-generaal, de leidend ambtenaar en het afdelingshoofd. DEEL III. Rechten en plichten HOOFDSTUK 1. - Deontologische rechten en plichten Artikel III 1. § 1. De ambtenaar oefent zijn ambt op een loyale en correcte wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen. De ambtenaar zet zich op een actieve en constructieve wijze in voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van het ministerie. § 2. In de omgang met anderen en in de contacten met het publiek respecteert de ambtenaar de persoonlijke waardigheid. Art. III 2. § 1. De ambtenaar heeft recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt. Onverminderd de reglementering inzake openbaarheid van bestuur, is het hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op : 1° de veiligheid van het land;2° de bescherming van de openbare orde;3° de financiële belangen van de overheid;4° het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten;5° het medisch geheim;6° het vertrouwelijke karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens;7° het interne beraad, zolang in de betrokken aangelegenheid geen eindbeslissing is genomen. Het is hem ook verboden feiten bekend te maken waarvan de bekendmaking de concurrentiepositie van de organisatie waarin hij werkt kunnen schaden of waarvan de bekendmaking een inbreuk is op de rechten en de vrijheden van de burger, in het bijzonder op het privé-leven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om op haar of hem betrekking hebbende gegevens openbaar te maken. Deze paragraaf geldt eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd. § 2. De ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt nalatigheden, misbruiken of misdrijven vaststelt, brengt zijn hiërarchische meerdere hiervan onmiddellijk op de hoogte. Indien hij op basis van gegronde redenen vermoedt of vaststelt dat zijn hiërarchische meerdere hem zal verbieden of verhinderen om deze onregelmatigheden bekend te maken, brengt hij rechtstreeks de entiteit Interne Audit en, in geval van misdrijven, de procureur des Konings van deze onregelmatigheden op de hoogte. De ambtenaar kan, buiten de gevallen van kwade trouw, persoonlijk voordeel, foutieve of valse aangifte die een dienst of persoon schade toebrengen, niet onderworpen zijn aan een tuchtstraf of een andere vorm van openlijke of verdoken sanctie, om de enkele reden dat hij nalatigheden, misbruiken of misdrijven aangeeft of bekend maakt Art. III 3. De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn dienst welwillend en zonder enige discriminatie. De ambtenaar mag, zelfs buiten het ambt, rechtstreeks noch via een tussenpersoon, giften, beloningen of enig ander voordeel die verband houden met het ambt, vragen, eisen of aannemen. Art. III 4. De hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar met elke activiteit die de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor ofwel : 1° de ambtsplichten niet kunnen worden vervuld;2° de waardigheid van het ambt in het gedrang komt;3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast;4° een conflict tussen tegenstrijdige belangen ontstaat. Art. III 5. § 1. De ambtenaar heeft recht op informatie en voortgezette vorming zowel wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de functie-uitoefening als om te kunnen voldoen aan de bevorderingsvereisten. De vorming moet worden verstrekt wanneer ze een bevorderingsvoorwaarde is of onderdeel van de functiebeschrijving. De ambtenaar heeft recht op vorming voor persoonlijke vervolmaking voorzover dit past in de globale organisatorische doelstellingen van zijn afdeling. § 2. De ambtenaar houdt zich op de hoogte van de evolutie van de technieken, reglementeringen en navorsingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. § 3. De vorming is een plicht wanneer zij noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een afdeling, of wanneer zij een onderdeel uitmaakt van een herstructurering of reorganisatie van een afdeling of een implementatie van nieuwe technieken en infrastructuur. Voor de ambtenaar van niveau A kan deze vorming plaatsvinden buiten en bovenop de normale arbeidsprestaties, eventueel zonder compensatie. De onkosten die inherent zijn aan de deelname aan deze vormingsactiviteiten worden gedragen door het ministerie. Art. III 6. § 1. De rechten en de plichten worden nader toegelicht in een deontologische code die, bij wijze van omzendbrief, wordt vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ambtenarenzaken. § 2. Elke secretaris-generaal kan, onverminderd de deontologische code bedoeld in § 1, voor specifieke problemen in het eigen departement een aanvullende code vaststellen. Elke aanvullende code wordt aan het college van secretarissen-generaal ter kennisgeving voorgelegd. HOOFDSTUK 2. - Intellectuele eigendomsrechten Art. III 7. § 1. De ambtenaar draagt aan de Vlaamse Gemeenschap het geheel van de vermogensrechten over op de werken waarvan hij de (mede)auteur is en die hij ter uitvoering van zijn ambt tot stand brengt. Deze overdracht betreft de auteursrechten op computerprogramma's, met inbegrip van het begeleidend en voorbereiden materiaal, en op alle andere werken die de ambtenaar ter uitvoering van zijn ambt tot stand brengt. § 2. De vergoeding voor deze overdracht van rechten is begrepen in het salaris, zoals bepaald in deel XIII van dit besluit. § 3. De ambtenaar verleent aan de Vlaamse Gemeenschap de toelating om de werken, bedoeld in § 1, onder de naam van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan het publiek mee te delen en onder die naam te exploiteren. Deze toelating geldt voor een duur van 20 jaar vanaf de datum van creatie van het werk. Art. III 8. § 1. Alle uitvindingen die door de ambtenaar ter uitvoering van zijn ambt worden gedaan of die verkregen worden door middelen die door het ministerie ter zijner beschikking worden gesteld, zijn het exclusieve eigendom van de Vlaamse Gemeenschap, zonder dat de ambtenaar een recht op vergoeding kan doen gelden. § 2. In afwijking van § 1 wordt voor de overdracht van vermogensrechten op de in § 1 bedoelde uitvindingen die niet ter uitvoering van het ambt worden gedaan aan de ambtenaar een financiële tegemoetkoming toegekend, waarvan het bedrag bepaald wordt door de Vlaamse minister bevoegd voor de ambtenarenzaken en de functioneel bevoegde Vlaamse minister(s). Om de hoogte van de tegemoetkoming te bepalen worden volgende criteria gebruikt : - de industriële of commerciële waarde van de uitvinding; - het belang van de bijdrage van de respectieve partijen bij de totstandkoming van de uitvinding. HOOFDSTUK 3. - Cumulatie van beroepsactiviteiten Art. III 9. § 1. De ambtenaar mag zonder toestemming geen beroepsactiviteiten cumuleren binnen de diensturen. § 2. De toestemming tot cumulatie wordt gegeven door de Vlaamse regering voor de ambtenaren van rang A4, door de functioneel bevoegde Vlaamse minister(s) voor de ambtenaren van rang A3 en door de secretaris-generaal voor de ambtenaren van rang A2A en lager. HOOFDSTUK 4. - Gemeenschappelijke bepaling Art. III 10. De bepalingen van dit deel zijn eveneens van toepassing op de stagiair. DEEL IV. - MOBILITEIT TITEL 1. - De interne arbeidsmarkt HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Artikel IV 1. Voor de toepassing van deze titel wordt onder « interne arbeidsmarkt » verstaan : de overplaatsing van een ambtenaar naar een ander departement, administratie, afdeling of andere organisatorische eenheid binnen het ministerie, of naar een betrekking van het niet-wetenschappelijk personeel in een Vlaamse wetenschappelijke instelling, zonder dat er een verandering van graad of een verhoging in graad mee gepaard gaat. Art. IV 2. De ambtenaar krijgt toegang tot de interne arbeidsmarkt : 1° hetzij door een gerichte kandidaatstelling naar aanleiding van een bekendmaking van een vacature;2° hetzij door een spontane kandidaatstelling;3° hetzij na aanmelding door de leidinggevende. Art. IV 3. § 1. De toegang tot de interne arbeidsmarkt na aanmelding is van toepassing op de ambtenaar die om organisatorische, functionele of medische redenen overgeplaatst moet worden. § 2. De overplaatsing van een ambtenaar om medische redenen kan, in afwijking van artikel IV 1, ook gebeuren in een betrekking van een graad van een lagere rang. Deze betrekking kan zich ook situeren binnen de afdeling waar de ambtenaar is tewerkgesteld. Behalve wanneer de ambtenaar het slachtoffer was van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, houdt de overplaatsing in dit geval de benoeming in de nieuwe graad in en wordt de ambtenaar ingeschaald in de nieuwe salarisschaal overeenkomstig artikel XIII 3, § 2 van dit besluit. Art. IV 4. § 1. In afwijking van artikel IV 1 kan de ambtenaar van niveau B, C of D om persoonlijke of functionele redenen, op eigen verzoek ook worden overgeplaatst in een betrekking van een andere graad van dezelfde rang dan deze die hij bekleedt. Deze betrekking kan zich ook situeren binnen de afdeling waar de ambtenaar is tewerkgesteld. De ambtenaar wordt benoemd in deze nieuwe graad en ingeschaald in de daaraan verbonden salarisschaal. § 2. De ambtenaar die wordt overgeplaatst in een betrekking van een andere graad van dezelfde rang dan deze die hij bekleedt behoudt de verworven anciënniteiten. In voorkomend geval wordt de betrokken ambtenaar ingeschaald op de overeenkomstige trap van de functionele loopbaan van de nieuwe graad. Art. IV 5. Een ambtenaar komt slechts voor overplaatsing in aanmerking indien hij : 1° zich in de administratieve toestand "dienstactiviteit" bevindt;2° voldoet aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om de te begeven functie uit te oefenen. HOOFDSTUK 2. - De procedure Art. IV 6. Indien een vacante betrekking via de interne arbeidsmarkt opgevuld wordt, zijn er twee mogelijkheden : 1° ofwel wordt er nagegaan of er zich reeds geschikte kandidaten hebben aangediend na aanmelding;is dit niet het geval, dan wordt de vacature bekendgemaakt; 2° ofwel wordt de vacature onmiddellijk bekendgemaakt en worden de gerichte en de spontane kandidaatstellingen en de aanmeldingen onderling vergeleken. Deze procedure kan zowel departementaal als interdepartementaal verlopen, met inbegrip van het niet-wetenschappelijk personeel van de Vlaamse wetenschappelijke instellingen. Art. IV 7. § 1. De leidinggevende van de ontvangende entiteit kiest op zorgvuldige wijze de meest geschikte ambtenaar voor een bepaalde functie. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met : 1° de kandidaatstelling of de aanmelding;2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;3° de functioneringsevaluatie;4° de beoordeling van de eventuele selectietest(en). § 2. Als een betrekking via de interne arbeidsmarkt en terzelfder tijd bij bevordering wordt begeven, gebeurt de selectie overeenkomstig de procedure voor bevordering. De kandidaten worden onderling gerangschikt op één lijst. § 3. De geselecteerde ambtenaar dient binnen de drie maanden na de selectiebeslissing zijn nieuwe functie op te nemen. Art. IV 8. De ambtenaar kan een aangeboden betrekking weigeren. De ambtenaar die overeenkomstig artikel IV 3 werd aangemeld, mag dit echter slechts tweemaal; bij de derde weigering wordt hij ambtshalve overgeplaatst. Art. IV 9. Ingeval van overplaatsing wordt het besluit houdende wijziging van dienstaanwijzing en eventueel van verandering van graad ambtshalve ondertekend door de benoemende overheid. In geval van overplaatsing naar een ander departement van een ambtenaar van de rang A2 en lager wordt dit besluit ambtshalve ondertekend door de secretaris-generaal van het uitsturende en van het ontvangende departement. In geval van overplaatsing van of naar een Vlaamse wetenschappelijke instelling van een ambtenaar van de rang A2 en lager wordt dit besluit ambtshalve ondertekend door de secretaris-generaal van het departement en de algemeen directeur van de wetenschappelijke instelling, die uitstuurt of ontvangt. HOOFDSTUK 3. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. IV 10. Deze titel is tevens van toepassing op de stagiair. TITEL 2. - De verruimde arbeidsmarkt Art. IV 11. Voor de toepassing van deze titel wordt onder verruimde arbeidsmarkt verstaan : 1° de overplaatsing van een ambtenaar van de diensten van de Vlaamse regering, met uitzondering van het wetenschappelijk personeel van de Vlaamse wetenschappelijke instellingen, naar een Vlaamse openbare instelling met een vergelijkbaar personeelsstatuut, zonder dat de betrokken ambtenaar in graad verhoogd wordt;2° de overplaatsing van een ambtenaar van een Vlaamse openbare instelling met een vergelijkbaar personeelsstatuut naar de diensten van de Vlaamse regering, uitgezonderd de betrekkingen van het wetenschappelijk personeel van de Vlaamse wetenschappelijke instellingen, zonder dat de betrokken ambtenaar in graad verhoogd wordt. Art. IV 12. § 1. De ambtenaar krijgt toegang tot de verruimde arbeidsmarkt : 1° hetzij door een gerichte kandidaatstelling naar aanleiding van een bekendmaking van een vacature;2° hetzij door een spontane kandidaatstelling;3° hetzij na aanmelding door de leidinggevende. § 2. De ambtenaar krijgt toegang tot de verruimde arbeidsmarkt na aanmelding als hij om organisatorische, functionele of medische redenen overgeplaatst moet worden. Art. IV 13. Een ambtenaar komt slechts voor overplaatsing in aanmerking indien hij : 1° zich in de administratieve toestand van dienstactiviteit bevindt;2° voldoet aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om de te begeven functie uit te oefenen. Art. IV 14. Indien een vacante betrekking via de verruimde arbeidsmarkt wordt opgevuld, wordt de vacature bekendgemaakt en worden de gerichte en spontane kandidaatstellingen en de aanmeldingen onderling vergeleken. Art. IV 15. § 1. De leidinggevende van de ontvangende entiteit kiest op zorgvuldige wijze de meest geschikte ambtenaar voor een bepaalde functie. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met : 1° de kandidaatstelling of de aanmelding;2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;3° de functioneringsevaluatie;4° de beoordeling van de eventuele selectietest(s). In de procedure van overplaatsing van afdelingshoofden kan onder 4° de mondelinge toelichting van de beleidsvisie worden begrepen. § 2. De geselecteerde ambtenaar dient binnen de drie maanden na de selectiebeslissing zijn nieuwe functie op te nemen. § 3. De ambtenaar kan een aangeboden betrekking weigeren. De ambtenaar die werd aangemeld mag dit echter slechts tweemaal; bij een derde weigering wordt hij ambtshalve overgeplaatst. Art. IV 16. In geval van overplaatsing van een ambtenaar van rang A2 en lager van of naar een Vlaamse openbare instelling met een vergelijkbaar personeelsstatuut ondertekenen de secretaris-generaal van het departement en de benoemende overheid bij de Vlaamse openbare instelling, die uitsturen of ontvangen, het overplaatsingsbesluit ambtshalve. In geval van overplaatsing van een ambtenaar van rang A3 van of naar een Vlaamse openbare instelling met een vergelijkbaar personeelsstatuut ondertekent de benoemende overheid, die uitstuurt of ontvangt, het overplaatsingsbesluit ambtshalve. Art IV 17. § 1. De overgeplaatste ambtenaren worden ingeschakeld in de rechtspositieregeling van het personeel van de ontvangende entiteit. § 2. De overgeplaatste ambtenaren behouden hun hoedanigheid, hun graad of een gelijkwaardige graad. Ze behouden ten minste de graad-, niveau-, dienst- en schaalanciënniteit waarop zij recht hadden volgens de bestaande reglementering op het ogenblik van hun overplaatsing. § 3. De ambtenaren behouden ten minste het salaris dat zij genoten op het ogenblik van hun overplaatsing. Ze behouden de rechten, die hen voorheen reglementair werden toegekend, voor zover ze nog van toepassing zijn in de entiteit waar ze terechtkomen. § 4. Voor de ambtenaren die belast zijn met de uitoefening van het hoger ambt, wordt voor de overdracht alleen rekening gehouden met hun statutaire graad. § 5. De ambtenaren die voor hun overdracht geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau of voor verhoging in graad, behouden de aanspraken die zij door het slagen van één van die examens hebben verworven. Art IV 18. Artikel IV 11 tot en met IV 17 zijn van toepassing op de stagiair. De stagiair wordt geacht de graad te bekleden, die verbonden is aan de betrekking waarin hij tot de stage is toegelaten. Art. IV 19. § 1. De graad van preventieadviseur-coördinator kan begeven worden door overplaatsing volgens de procedure van de verruimde arbeidsmarkt. De secretaris-generaal van het bevoegde departement neemt deze beslissing. § 2. Een preventieadviseur-coördinator die wordt overgeplaatst vanuit of naar een Vlaamse openbare instelling met een vergelijkbaar personeelsstatuut, verkrijgt tevens de graad waarin hij vast benoemd is. § 3. De secretaris-generaal van het bevoegde departement en de leidend ambtenaar van de instelling, die uitsturen of ontvangen, ondertekenen het overplaatsingsbesluit ambtshalve. Het vermeldt de termijn waarbinnen de preventieadviseur-coördinator zijn nieuwe functie opneemt. § 4. Artikel VIII 70 is van toepassing op de overgeplaatste preventieadviseur-coördinator. Art. IV 20. § 1. De graad van afdelingshoofd kan begeven worden door overplaatsing volgens de procedure van de verruimde arbeidsmarkt. De betrokken leidend ambtenaar neemt deze beslissing. § 2. Voor overplaatsing volgens de procedure van de verruimde arbeidsmarkt komen de afdelingshoofden bij de diensten van de Vlaamse regering en de Vlaamse openbare instellingen met een vergelijkbaar personeelsstatuut in aanmerking. § 3. Een afdelingshoofd, dat wordt overgeplaatst vanuit of naar een Vlaamse openbare instelling met een vergelijkbaar personeelsstatuut, verkrijgt tevens de graad waarin hij vast benoemd is. § 4. De functioneel bevoegde Vlaamse minister(s) en bij overplaatsing vanuit of naar een Vlaamse openbare instelling tevens de voorzitter van de raad van bestuur van de instelling of de minister belast met het beheer van de instelling ondertekenen het overplaatsingsbesluit ambtshalve. Het vermeldt de termijn waarbinnen het afdelingshoofd zijn nieuwe functie opneemt. § 5. Artikel VIII 41, VIII 42 en VIII 43 zijn van toepassing op het overgeplaatste afdelingshoofd. TITEL 3. - Wijziging van dienstaanwijzing en/of standplaatsbepaling Art. IV 21. § 1. De administratieve standplaats is de gemeente waar de ambtenaar hoofdzakelijk zijn ambt uitoefent of een zo centraal mogelijk bepaalde gemeente in zijn ambtsgebied. § 2. Voor de ambtenaren met een rang tot en met A1 kan de bevoegde directeur-generaal of het daartoe gemachtigd afdelingshoofd, de standplaats : - wijzigen; - vaststellen, wanneer ze om dienstredenen niet samenvalt met de gemeente waar de centrale administratie of de buitendienst gevestigd is. § 3. Voor de ambtenaren van rang A2 en hoger wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de secretaris-generaal. » Art. IV 22. § 1. Het college van secretarissen-generaal kan beslissen tot een interdepartementale wijziging van dienstaanwijzing van een ambtenaar van de rang A2. § 2. Iedere secretaris-generaal kan binnen zijn departement, na advies van de departementale directieraad, de dienstaanwijzing wijzigen van ambtenaren van de rang A2 en lager. § 3. Iedere leidend ambtenaar kan binnen zijn administratie, na advies van het college van afdelingshoofden, de dienstaanwijzing wijzigen van ambtenaren van de rang A1 en lager. § 4. Het daartoe door de leidend ambtenaar gemachtigde afdelingshoofd kan binnen zijn afdeling de dienstaanwijzing wijzigen van de ambtenaren van de rang A1 en lager. TITEL 4. - Overgangsbepalingen Art. IV 23. De ambtenaar die complementair is ingezet om IT-taken uit te voeren in samenwerking met de externe IT-dienstverlener, bekleedt een betrekking op het personeelsplan van de entiteit Sturing en Controle Informatica. Voor de toepassing van dit besluit op de ambtenaar die complementair is ingezet, kan het advies van de externe IT-dienstverlener worden ingewonnen. Art. IV 24. § 1. De in artikel IV 23 bedoelde ambtenaar heeft een eenmalig recht op een nieuwe dienstaanwijzing binnen het ministerie tot 1 september 2002. De informaticus, de directeur-informaticus, de programmeur of de hoofdprogrammeur die op dit recht een beroep doet, wordt aangesteld in een graad van gelijke of gelijkwaardige rang en krijgt de aan de nieuwe graad verbonden salarisschaal. Hij behoudt in zijn nieuwe graad evenwel - het salaris dat hij genoot vóór zijn nieuwe benoeming tot hij op basis van de nieuwe salarisschaal een salaris krijgt dat ten minste daaraan gelijk is; - de schaalanciënniteit die hij had verworven in de functionele loopbaan verbonden aan zijn vroegere graad. § 2. De ICT-manager kan, in overleg met de contractbeheerder, de ambtenaar die zich op het recht vermeld in § 1 beroept, verplichten IT-taken uit te voeren gedurende maximaal één jaar na de datum van de aanvraag, inzoverre dit functioneel verantwoord wordt. Indien de in artikel IV 23 bedoelde ambtenaar door de overheid zelf wordt aangewezen voor een andere betrekking binnen het ministerie, wordt in overleg met de externe IT-dienstverlener de datum bepaald waarop deze ambtenaar de andere betrekking kan opnemen. Dit kan tot maximaal 6 maanden na datum van uitwerking van de nieuwe dienstaanwijzing zijn. Art. IV 25. De ambtenaar die zich op 30 juni 2002 in niveau E bevindt, kan om persoonlijke of functionele redenen, op eigen verzoek, worden overgeplaatst naar een betrekking van een andere graad van dezelfde rang dan deze die hij bekleedt. DEEL V. - DE AANWERVING HOOFDSTUK 1. - De toelatings- en aanwervingsvoorwaarden Artikel V 1. § 1. Voor de toegang tot een ambt in het ministerie gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden : 1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldoen;4° de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt. § 2. De ambten waarvoor in de functiebeschrijving en het profiel bepaald wordt dat zij een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden of die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Vlaamse Gemeenschap worden voorbehouden voor Belgen. Art. V 2. § 1. Als ambtenaar kan enkel worden aangeworven wie aan de volgende aanwervingsvoorwaarden voldoet : 1° in het bezit zijn van een diploma of studiegetuigschrift, dat overeenstemt met het niveau van de te verlenen graad volgens bijlage 2 van dit besluit, behalve de uitzonderingen bepaald in overeenstemming met het Selectiebureau van de Federale Overheid;2° slagen voor een vergelijkend aanwervingsexamen georganiseerd door het Selectiebureau van de Federale Overheid. § 2. Houders van een diploma of getuigschrift dat toegang verleent tot een bepaald niveau worden uitgesloten van inschrijving voor een wervingsexamen voor een lager niveau. De voorwaarde dat men geen hoger diploma of getuigschrift mag bezitten, geldt niet voor : 1° de deelname aan een examen dat toegang geeft tot het niveau dat net lager ligt dan het niveau dat overeenstemt met het behaalde diploma;2° de diploma's of getuigschriften die behaald werden na de inschrijving voor het wervingsexamen;3° de toegang tot niveau D waarvoor bepaalde diploma's of getuigschriften wel in aanmerking worden genomen indien dat wordt vereist in de functiebeschrijving of het examenreglement. In afwijking van § 1, 1°, kunnen ook de laatstejaarsscholieren tot het vergelijkend aanwervingsexamen toegelaten worden. § 3. Omwille van de aard van het ambt en op basis van de functiebeschrijving en het competentieprofiel kunnen, na overleg met het Selectiebureau van de Federale Overheid, bijzondere eisen inzake diploma of getuigschrift, beroepsbekwaamheid, lichamelijke geschiktheid of een minimumleeftijd worden opgelegd. Art. V 3. Het Selectiebureau van de Federale Overheid staat in voor de controle van de toelatings- en aanwervingsvoorwaarden. De Sociaal-Medische Rijksdienst controleert de vereiste lichamelijke geschiktheid op aanvraag van de personeelsdienst van het departement dat het personeelslid zal tewerkstellen. De kosten aangerekend door de Sociaal-Medische Rijksdienst aan de ambtenaar voor het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid worden gedragen door de Vlaamse Gemeenschap. HOOFDSTUK 2. - De vergelijkende aanwervingsexamens Art. V 4. Het Selectiebureau van de Federale Overheid organiseert de vergelijkende aanwervingsexamens op aanvraag van de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken. Art. V 5. Het Selectiebureau van de Federale Overheid bepaalt de samenstelling van de examencommissies en de nadere bepalingen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsexamens in overleg met de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken. Art. V 6. § 1. De leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken stelt de programma's van de vergelijkende aanwervingsexamens vast in overleg met het betrokken departement en met het Selectiebureau van de Federale Overheid. § 2. Indien de mogelijkheid in het examenreglement is voorzien, kan de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken na het afsluiten van de inschrijvingen, wanneer hij oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten dat rechtvaardigt, aan het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen een voorselectie toevoegen. Art. V 7. Het Selectiebureau van de Federale Overheid stelt de lijst van de geslaagden vast met de vermelding van hun rangschikking. Art. V 8. Indien voor een bepaalde betrekking bijzondere bijkomende vereisten worden gesteld, kunnen de in een bestaande reserve opgenomen kandidaten onderworpen worden aan een bijkomende selectietest. De geslaagden voor deze test worden voor deze betrekking opgenomen in een bijkomende afzonderlijke rangschikking in volgorde van de door hen behaalde resultaten. Art. V 9. De toelaatbaar verklaarde geslaagde die zijn voorkeur voor één of meer betrekkingen laat kennen, verbindt zich er toe de betrekking die hem wordt toegewezen te aanvaarden. Hij die, na behoorlijk te zijn opgeroepen, zich zonder geldige reden en uiterlijk drie maanden na de datum van oproeping niet aanmeldt voor de betrekking waarvoor hij is aangewezen, of die weigert in dienst te treden, wordt van de lijst bedoeld in artikel V 7 geschrapt. Diegene die meer dan tweemaal weigert zijn voorkeur voor één of meer betrekkingen uit te drukken, wordt van de lijst bedoeld in artikel V 7 geschrapt. Art. V 10. Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende aanwervingsexamens, wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal het vroegst is afgesloten. HOOFDSTUK 3. - De aanwerving van personen met een handicap Art. V 11. Binnen het niveau D wordt 2 % van het aantal betrekkingen voorbehouden voor personen met een handicap die ingeschreven zijn bij het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap. In afwijking van artikel V 2, § 1, 2°, worden deze personen met een handicap vrijgesteld van het vergelijkend aanwervingsexamen. De leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken beslist in overleg met het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap en het Selectiebureau van de Federale Overheid welke personen met een handicap in aanmerking komen voor een vacature. Indien het Selectiebureau van de Federale Overheid zijn standpunt niet binnen de 15 kalenderdagen heeft meegedeeld, mag de procedure worden verder gezet. HOOFDSTUK 4. - De aanwerving van personeel belast met wetenschapsbeleid en van personeel van de academies Art. V 12. § 1. In afwijking van artikel V 2, § 1, 2°, worden de volgende personen aangeworven op advies van een commissie : 1° de eerste opdrachthouder en de navorsers van het departement Wetenschap, Innovatie en Media en het departement Onderwijs;2° de attachés die ter beschikking gesteld worden van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten, de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde en de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België. § 2. De commissie bedoeld in § 1 is samengesteld voor de helft uit experten uit het vakgebied en voor de helft uit ambtenaren. Het Selectiebureau van de Federale Overheid duidt op voorstel van de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken nominatief de personen aan die deel uitmaken van deze commissie. § 3. Voormelde commissie brengt bij de benoemende overheid een gemotiveerd advies uit over iedere kandidaat. § 4. Het Selectiebureau van de Federale Overheid kan op voorstel van de leidend ambtenaar van de administratie Ambtenarenzaken de kandidaten onderwerpen aan een voorselectie. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor de voorselectie worden beoordeeld door de commissie. HOOFDSTUK 5. - Overgangsbepaling Art. V 13. De voorwaarde bepaald in artikel V 2, § 2, geldt niet voor : - de geslaagden van de aanwervingsexamens die werden aangevangen vóór 1 juli 1997; - de geslaagden van het aanwervingsexamen van technicus (functie bos- en natuurwachter) met nummer ANV 98003, die houder zijn van het bekwaamheidsgetuigschrift in de bosbouwkunde. Art. V 14. De geldigheidsduur van de wervingsreserves van examens die specifiek voor het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap werden georganiseerd en waarvan het nummer hierna wordt vermeld, wordt verlengd tot een jaar na de goedkeuring van de betrokken personeelsplannen : - AN 90052 A/C - AN 90053 A/C. Art. V 15. De bestaande wervingsreserves in niveau E worden met ingang van 1 januari 2002 in aanmerking genomen voor de toegang tot niveau D. DEEL VI. - DE STAGE EN DE BENOEMING TOT AMBTENAAR HOOFDSTUK 1. - De stage Artikel VI 1. § 1. De geslaagden voor een vergelijkend aanwervingsexamen of een vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau, die voldoen aan de gestelde eisen, zijn in volgorde van hun rangschikking, toelaatbaar tot de stage. § 2. De secretaris-generaal van het departement waaraan de stagiair werd toegewezen : 1° laat de toelaatbaar verklaarde geslaagde voor een vergelijkend aanwervingsexamen tot de stage toe;2° laat de geslaagde voor een vergelijkend examen voor overgang naar het andere niveau tot de stage toe;3° geeft de stagiair een voorlopige dienstaanwijzing. § 3. De secretaris-generaal kan departementaal en de betrokken secretarissen-generaal kunnen interdepartementaal, op eigen initiatief of op voorstel van de leidend ambtenaar van de administratie Personeelsontwikkeling voor de stagiair van niveau A en op voostel van de departementale vormingsverantwoordelijke voor de stagiair van de niveaus B, C en D, de dienstaanwijzing tijdens de stage wijzigen. § 4. De stagiair valt onder het toepassingsgebied van de interne arbeidsmarkt, zoals omschreven in deel IV, titel 1. Art. VI 2. § 1. De stagiair legt, wanneer h …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.