Koninklijk besluit ter uitvoering van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van pe
Kort samengevat
Dit Koninklijk Besluit is een uitvoeringsbesluit van de wet van 8 december 1992 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens, aangepast aan de Europese richtlijn 95/46/EG. Het doel is om de regelgeving transparanter te maken door vele eerdere uitvoeringsbesluiten te vervangen door één algemeen besluit.
Wat het reguleert
- De uitvoering van de wet van 8 december 1992, die de bescherming van persoonsgegevens regelt.
- De aanpassing van nationale wetgeving aan de Europese richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.
- De opheffing en vervanging van een vijftiental eerdere koninklijke besluiten ter uitvoering van de wet van 8 december 1992.
- De taken die de wet van 8 december 1992 aan de Koning opdraagt met betrekking tot de uitvoering van diverse bepalingen.
Wie het betreft
- Verantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens.
- Natuurlijke personen wiens persoonsgegevens worden verwerkt.
Kernpunten
- De wet van 8 december 1992 is ingrijpend gewijzigd door de wet van 11 december 1998 om de Europese richtlijn 95/46/EG om te zetten.
- Het besluit beoogt de transparantie van de regelgeving te verbeteren door vrijwel alle voorgaande uitvoeringsbesluiten te vervangen door één algemeen besluit.
- Niet alle 35 mogelijke uitvoeringsbepalingen van de wet worden door dit besluit ten uitvoer gelegd; 13 bepalingen blijven (nog) onuitgevoerd.
- De richtlijn 95/46/EG zal vanaf juni 2001 worden geëvalueerd, rekening houdend met ontwikkelingen in informatietechnologie.
Wettekst
13 FEBRUARI 2001. - Koninklijk besluit ter uitvoering van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens VERSLAG AAN DE KONING 1. Inleiding De wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens is door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten aangepast aan de bepalingen van de Europese richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995. De omzetting van deze richtlijn heeft de wet van 8 december 1992 ingrijpend gewijzigd zodat een nieuw uitvoeringsbesluit nodig is. Krachtens artikel 32 van de Europese richtlijn worden de bepalingen van die richtlijn door de lidstaten pas in nationaal recht omgezet wanneer de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking zijn getreden. De termijn voor de omzetting is op 24 oktober 1998 verstreken. Voorafgaand aan de omzetting van de Europese richtlijn door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten zijn een vijftiental koninklijke besluiten uitgevaardigd ter uitvoering van de wet van 8 december 1992. Dit groot aantal uitvoeringsbesluiten heeft de transparantie van de regelgeving in dit verband niet bevorderd. Een belangrijk oogmerk van het besluit dat U thans wordt voorgelegd, bestaat dan ook erin om vrijwel alle koninklijke besluiten uitgevaardigd op grond van de wet van 8 december 1992 op te heffen en in de mate van het mogelijke te vervangen door een enkel algemeen besluit. Er moet worden opgemerkt dat richtlijn 95/46/EG overeenkomstig artikel 33 ervan vanaf juni 2001 zal worden geëvalueerd rekening houdende met de ontwikkelingen van de informatietechnologie en in het licht van de werkzaamheden betreffende de informatiemaatschappij. Het takenpakket dat de wet van 8 december 1992, na de wijziging ervan door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten, aan de Koning opdraagt, is zeer uitgebreid. Niet minder dan 35 bepalingen van de wet moeten of kunnen door de Koning worden uitgevoerd. 1) art.3, § 6 : machtiging voor het Europees Centrum voor vermiste en seksueel uitgebuite kinderen om af te wijken van sommige bepalingen van de wet, daaronder begrepen de duur en de voorwaarden van de machtiging, alsook het statuut van de aangestelde voor de gegevensbescherming; 2) art.4, § 1, 2 : latere verwerking van persoonsgegevens voor wetenschappelijke doeleinden; 3) art.4, § 1, 5° : bewaring van persoonsgegevens voor wetenschappelijke doeleinden; 4) art.5,
- f): toelaatbaarheid van een verwerking van persoonsgegevens op grond van afweging van belangen; de Koning kan de gevallen bepalen waarin van deze rechtvaardigingsgrond geen gebruik mag worden gemaakt; 5) art.6, § 2,
- a): afwijking van het beginsel van toelaatbaarheid van verwerking van gevoelige gegevens op grond van de schriftelijke toestemming van de betrokken persoon; 6) art.6, § 2,
- g): voorwaarden voor de verwerking van gevoelige gegevens voor wetenschappelijke doeleinden; 7) art.6, § 2,
- k): individuele machtiging voor de verwerking van gevoelige gegevens door verenigingen met rechtspersoonlijkheid of instellingen van openbaar nut die als hoofddoel de verdediging van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden hebben; 8) art.6, § 3 : individuele machtiging voor de verwerking van persoonsgegevens die het seksueel leven betreffen door een vereniging met rechtspersoonlijkheid of door een instelling van openbaar nut met als hoofddoel de evaluatie, de begeleiding en de behandeling van personen van wie het seksueel gedrag kan worden omschreven als een misdrijf en die voor de verwezenlijking van dat doel door de bevoegde overheid worden erkend en gesubsidieerd; 9) art.6, § 4 : bijzondere voorwaarden voor de verwerking van gevoelige gegevens; 10) art.7, § 2,
- a): mogelijkheid voor de Koning om te bepalen in welke gevallen het verbod op verwerking van gegevens betreffende de gezondheid niet door de schriftelijke toestemming van de betrokkene kan worden opgeheven; 11) art.7, § 2,
- k): voorwaarden voor de verwerking van gezondheidsgegevens ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek; 12) art.7, § 3 : bijzondere voorwaarden voor de verwerking van gezondheidsgegevens; 13) art.7, § 4, tweede lid : mogelijkheid voor de Koning om te bepalen welke categorieën van personen als beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg in de zin van deze wet worden beschouwd; 14) art.8, § 2,
- e): voorwaarden voor de verwerking van gerechtelijke persoonsgegevens voor wetenschappelijke doeleinden; 15) art.8, § 4 : bijzondere voorwaarden voor de verwerking van gerechtelijke persoonsgegevens; 16) art.9, § 1,
- e): aanvullende informatie die de verantwoordelijke op grond van de specifieke aard van de verwerking moet verstrekken op het tijdstip dat hij de gegevens bij de betrokken persoon verzamelt; 17) art.9, § 2,
- e): aanvullende informatie die de verantwoordelijke op grond van de specifieke aard van de verwerking moet verstrekken wanneer hij de gegevens op een andere wijze dan bij de betrokken persoon zelf verzamelt; 18) art.9, § 2, derde lid : voorwaarden voor vrijstelling van de verplichting tot kennisgeving opgelegd door art. 9, § 2; 19) art.10, § 1, tweede lid : aanwijzing van de personen bij wie het inzagerecht kan worden uitgeoefend; 20) art.10, § 1, vierde lid : mogelijkheid voor de Koning om nadere regels voor de uitoefening van het inzagerecht te bepalen; 21) art.12, § 2 : aanwijzing van de personen bij wie het recht op verbetering en het recht op verzet moeten worden uitgeoefend; 22) art.13, tweede lid : wijze waarop het onrechtstreeks inzagerecht door tussenkomst van de Commissie kan worden uitgeoefend; 23) art.13, vierde lid : informatie die de Commissie aan betrokkene mag meedelen in geval van een verwerking door politiediensten met het oog op identiteitscontrole; 24) art.16, § 4, derde lid : bepaling van aangepaste normen inzake informaticaveiligheid bij de verwerking van persoonsgegevens; 25) art.17, § 8 : vrijstelling van aangifte voor bepaalde categorieën van verwerkingen van persoonsgegevens; 26) art.17, § 9 : vaststelling van de bijdrage die de verantwoordelijke bij de aangifte moet betalen; 27) art.17bis : vaststelling door de Koning van de categorieën van verwerkingen die specifieke risico's inhouden voor de rechten en vrijheden van de betrokken personen en stelt voor deze verwerkingen bijzondere voorwaarden vast om die rechten en vrijheden te waarborgen; 28) art.18, derde lid : wijze van inzage in het openbaar register van de geautomatiseerde verwerkingen; 29) art.21, § 2 : bepaling door de Koning van de categorieën van verwerkingen van persoonsgegevens waarvoor en in welke omstandigheden de doorzending van persoonsgegevens aan landen buiten de Europese Gemeenschap niet is toegestaan; 30) art.22, § 2 : mogelijkheid voor de Koning een doorzending of een geheel van doorzendingen van persoonsgegevens naar een land buiten de Europese Gemeenschap toe te staan dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau biedt indien de verantwoordelijke voor de verwerking voldoende waarborgen biedt; 31) art.32bis, § 1 : met het oog op de toepassing van internationale verdragen kan de Koning de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer aanwijzen om krachtens deze verdragen opdrachten uit te voeren die identiek zijn aan die welke deze wet aan de Commissie toekent; 32) art.32bis, § 2 : de Koning bepaalt de nadere regels van de vertegenwoordiging van de Commissie door bepaalde van haar leden of personeelsleden bij internationale instanties; 33) art.44 : de Koning kan nadere regels stellen voor de toepassing van de bepalingen van deze wet teneinde rekening te houden met de specificiteit van de onderscheiden sectoren; 34) art.45 : de Koning kan de overheden aanwijzen welke in oorlogstijd of in de tijd die overeenkomstig artikel 7 van de wet van 12 mei 1927 op de militaire opeisingen daarmee gelijkstaat, alsmede tijdens de bezetting van het Belgisch grondgebied door de vijand, het bevel geven om de verwerkte gegevens te vernietigen of die zelf belast zijn met de vernietiging van die gegevens. De Koning kan tevens de bedragen vaststellen van de vergoeding voor de vernietigingen bepaald in het vorige lid; 35) art.52 : bepaling van de datums waarop de artikelen van de wet in werking treden en van de termijnen waarbinnen de verantwoordelijken zich naar de bepalingen van de wet moeten schikken. In het besluit dat U thans wordt voorgelegd worden de volgende bepalingen (nog) niet ten uitvoer gelegd : 1) art.3, § 6, 2) art.5, f), 3) art.6, § 2, k), 4) art.6 § 3, 5) art.7, § 4, tweede lid, 6) art.16, § 4, derde lid, 7) art.17bis, 8) art.21, § 2, 9) art.22, § 2, 10) art.32bis, § 1, 11) art.32bis, § 2, 12) art.44, 13) art.45. Zeven van deze nog niet uitgevoerde bepalingen van de wet bieden aan de Koning de mogelijkheid maatregelen uit te vaardigen (« de Koning kan . »). Drie andere hebben betrekking op individuele machtigingen om van de wet af te wijken, al dan niet op verzoek van de betrokken organisaties zelf (Child Focus, Amnesty International, CRASC, . ). Behalve deze individuele machtigingsbesluiten, die overigens in een algemeen uitvoeringsbesluit niet thuishoren, en de « facultatieve » taken die de wet aan de Koning opdraagt, worden slechts drie wetsbepalingen op grond van dit besluit nog niet ten uitvoer gelegd, te weten art. 17bis, art. 21, § 2 en art. 22, § 2. Artikel 17bis, eerste lid, bepaalt dat de Koning de categorieën van verwerkingen vaststelt die bijzondere risico's inhouden teneinde voor deze verwerkingen bijzondere voorwaarden vast te stellen. Deze opdracht kan worden uitgevoerd in specifieke besluiten betreffende de verwerking van persoonsgegevens, bijvoorbeeld in specifieke sectoren. Krachtens artikel 17bis, tweede lid, kan de Koning bepalen dat de verantwoordelijke voor de verwerking een persoon belast met de gegevensbescherming aanstelt die op onafhankelijke wijze de toepassing van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan moet waarborgen. De Raad van State onderstreept in zijn advies 30.495/2 (bladzijde 5 ) het volgende : « De stellers van het ontwerp dienen te onderzoeken of het zinvol is nu reeds artikel 17bis van de wet ten uitvoer te leggen, wat betreft de artikelen 6 tot 8 van de wet bedoelde gegevens ( . ). Doordat de mogelijke verwerkingen van die gevoelige gegevens - inzonderheid de in de artikelen 6 en 8 genoemde gegevens behoren tot de categorie van verwerkingen die een verhoogd risico opleveren wat betreft de rechten en vrijheden van de betrokkenen, dienen immers op korte termijn bijzondere waarborgen te worden ingesteld, zoals bijvoorbeeld de verplichting om een persoon belast met de gegevensbescherming aan te wijzen » (sic). In dit koninklijk besluit is terzake niets bepaald, want de voorkeur is eraan gegeven andere waarborgen voor de verwerking van gevoelige gegevens vast te stellen. De iure legt de wet aan de Koning ter zake in rechte geen verplichtingen op maar biedt Hem de mogelijkheid (de Koning kan). De facto heeft het voorstel om een persoon belast met de gegevensbescherming aan te stellen, dat voortvloeit uit richtlijn 95/46/EG en inzonderheid uit de Duitse praktijk, in België eigenlijk nooit veel weerklank gevonden. Ingeval het toevallig noodzakelijk wordt, moet deze materie bij een specifiek koninklijk besluit worden geregeld. Art 21, § 2 betreft de zogenaamde « zwarte lijst » van landen buiten de Europese Gemeenschap waarnaar doorzending van persoonsgegevens niet is toegestaan. Artikel 21, § 1, van de wet bepaalt dat persoonsgegevens die aan een verwerking worden onderworpen of die bestemd zijn om te worden verwerkt, slechts naar een land buiten de Europese Gemeenschap mogen worden doorgezonden indien dat land een passend beschermingsniveau waarborgt. Op grond van artikel 21, § 2, moet de Koning bepalen voor welke categorieën van verwerkingen van persoonsgegevens en in welke omstandigheden de doorzending van persoonsgegevens naar landen buiten de Europese Gemeenschap niet is toegestaan. Dit koninklijk besluit kan pas worden uitgevaardigd wanneer het overleg daarover tussen de lidstaten en de Europese Commissie verder gevorderd is. Thans wordt dit proces begeleid door het Comité dat op grond van artikel 31 van de Europese richtlijn 95/46/EG is opgericht met vertegenwoordigers van alle lidstaten en onder voorzitterschap van de Europese Commissie. In afwachting van een meer precieze regelgeving ter zake moet elke verantwoordelijke voor een verwerking die persoonsgegevens wil uitvoeren naar een land buiten de Europese Gemeenschap, nagaan of dat land een passend beschermingsniveau waarborgt. Artikel 21, § 1, tweede lid, van de wet voorziet in een aantal criteria als antwoord op die vraag. Indien het risico bestaat dat de doorzending op grond van artikel 21, § 1, van de wet betwist kan worden omdat het land van bestemming geen passend beschermingsniveau biedt, moet de verantwoordelijke nagaan of de doorzending niet valt onder een van de in artikel 22, § 1, bedoelde uitzonderingen. Hij kan bij voorbeeld de uitdrukkelijke toestemming voor de doorzending van de gegevens van de betrokkenen hebben verkregen, de doorzending kan noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van een overeenkomst tussen de verantwoordelijke en de betrokkene of voor het aangaan of uitvoeren van een overeenkomst gesloten in het belang van de betrokkene. In artikel 22, § 2, worden de waarborgen bepaald waarin de verantwoordelijken voor de verwerking moeten voorzien wanneer zij gegevens uitvoeren naar landen buiten de Europese Unie die geen passend beschermingsniveau bieden en de doorzending niet onder de uitzonderingen bedoeld in artikel 22, § 1, van de wet valt. Die waarborgen, die onder meer kunnen voortvloeien uit een overeenkomst, moeten voorzien in een beschermingsniveau dat overeenkomt met het passend beschermingsniveau en dat noch hoger en noch lager is, zoniet wordt discriminatie tussen het gegevensverkeer veroorzaakt. De waarborgen moeten uit dezelfde bestanddelen zijn samengesteld. De bestanddelen van het passend beschermingsniveau worden vastgesteld in het kader van onderhandelingen die de Europese Unie en diverse derde Staten thans voeren. Bijgevolg moet ook in dit geval op het resultaat van die onderhandelingen worden gewacht alvorens de waarborgen te bepalen die de verantwoordelijken voor de verwerking moeten bieden wanneer zij gegevens uitvoeren naar landen buiten de Europese Unie die geen passend beschermingsniveau waarborgen. Dit ontwerp van koninklijk besluit kan worden geraadpleegd op de internetsite van het Ministerie van Justitie teneinde de actoren van de onderscheiden politieke, economische en sociale sectoren de mogelijkheid te bieden om de specifieke problemen kenbaar te maken die de bescherming van gegevens in hun respectieve sectoren meebrengt. Een twintigtal reacties uit het bedrijfsleven, de administratie, onderzoeksinstellingen, NGO's en particulieren zijn aan het ministerie meegedeeld. Die reacties hebben de aandacht gevestigd op een aantal onduidelijkheden in de tekst, evenals op een aantal zwakke punten of moeilijkheden om de tekst in de praktijk om te zetten, die zoveel mogelijk zijn verholpen. De tekst van het koninklijk besluit is overigens twee maal ter fine van advies toegezonden aan de Raad van State (advies 29.159/2 van 21 juni 1999 en 30.495/2 van 8 november 2000) en aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (advies 8/1999 van 8 maart 1999 en 25/1999 van 23 juli 1999). De tekst van het koninklijk besluit is dan ook meermaals gewijzigd en opnieuw genummerd, zulks ingevolge die adviezen en naar aanleiding van de reacties die via internet zijn ontvangen. Bijgevolg stemmen de artikelnummers waaraan in de adviezen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van de Raad van State is gerefereerd, niet langer overeen met de huidige artikelen. De Raad van State drukt in zijn advies 30.495/2, bladzijde 30, de volgende wens uit : « Voor een goed begrip van de adviezen van de Commissie, van het advies van de Raad van State en van het verslag aan de Koning is het wenselijk bij dat verslag een concordantietabel te voegen met de nummers van de artikelen van het besluit in de opeenvolgende versies ervan. » Jammer genoeg kan met de wens van de Raad van State geen rekening worden gehouden aangezien de oorspronkelijke tekst van het besluit is opgesteld door de vorige regering die niet alle versies aan de huidige regering heeft bezorgd. Teneinde aan de wens van de Raad van State tegemoet te komen, zijn de opmerkingen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van de Raad van State zo volledig mogelijk overgenomen in de passages van het verslag aan de Koning betreffende die artikelen. 2. Artikelsgewijze bespreking HOOFDSTUK I.- Definities Artikel 1 De term « gecodeerde persoonsgegevens » bedoeld in punt 3° heeft betrekking op persoonsgegevens die geen element bevatten op grond waarvan de persoon kan worden geïdentificeerd en waaraan een code is toegekend als enig middel om het gegeven met de betrokken persoon in verband te brengen. Met de term « niet-gecodeerde persoonsgegevens » bedoeld in punt 4° wordt verwezen naar een restcategorie van persoonsgegevens, te weten alle gegevens die niet gecodeerd zijn in de zin van dit besluit. Oorspronkelijk is in de tekst van het voorontwerp van koninklijk besluit « identificerende persoonsgegevens » gebruikt. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft in haar advies 8/99 (blz. 2) evenwel geoordeeld dat die term een te beperkte draagwijdte had. » Krachtens de voorgestelde definitie zijn hieronder immers enkel de persoonsgegevens begrepen die de betrokkene op zich identificeren. De Commissie is van oordeel dat hieronder evenwel ook de persoonsgegevens dienen te worden begrepen die op zich niet de betrokkene identificeren, maar die door de verantwoordelijke voor de verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden toch in verband kunnen worden gebracht met een door hem geïdentificeerd of identificeerbaar persoon. De Commissie stelt dan ook voor de uitdrukking « niet-gecodeerde persoonsgegevens » te gebruiken. In dit besluit wordt voornoemd voorstel gevolgd. Met de term « anonieme gegevens » bedoeld in punt 5° wordt verwezen naar gegevens die niet met een betrokken persoon in verband kunnen worden gebracht en derhalve geen (of niet langer) persoonsgegevens zijn. Zoals in de memorie van toelichting bij aanbeveling 97
- bedoelde maatregelen getroffen zijn. In artikel 10.1 van de aanbeveling is bepaald dat identificatiegegevens die voor statistische doeleinden worden verzameld en verwerkt, moeten worden gescheiden en afzonderlijk van de andere persoonsgegevens bewaard. Artikel 5 Indien het onmogelijk blijkt het onderzoek met gecodeerde persoonsgegevens voort te zetten, kan de onderzoeker niet-gecodeerde persoonsgegevens aanwenden. In dat geval voorziet afdeling 3 van dit hoofdstuk in striktere waarborgen. Zoals de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in haar adviezen 8/99 en 25/99 stelt, moet de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens voor dergelijke doeleinden aan de bevoegde instanties het bewijs ervan leveren dat hij de doeleinden onmogelijk kan verwezenlijken aan de hand van de verwerking van anonieme en/of gecodeerde gegevens. Overeenkomstig de adviezen van de Commissie is in de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit bepaald dat de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens voor historische, statistische of Krachtens artikel 17, § 3, van de wet moet een verantwoordelijke voor de latere verwerking van gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden bovendien aangifte doen van het doel van de verwerking, te weten het doel van het onderzoek, alsook van de oorsprong van de gegevens, te weten de identiteit van de verantwoordelijke voor de oorspronkelijke verwerking of van de intermediaire organisatie die de gegevens heeft meegedeeld. Het is niet de bedoeling dat van elk onderzoeksproject aangifte wordt gedaan. De aangifte moet hoofdzakelijk betrekking hebben op een geheel van soortgelijke projecten. Aldus is de aangifte niet strijdig met een mogelijke noodzaak tot discretie betreffende concrete onderzoeksplannen. Artikel 6 Onderzoekers mogen vanzelfsprekend niet pogen de anonimiteit van de gegevens op te heffen. Op voorstel van de Commissie voorziet hetzelfde artikel ook in een verbod om gecodeerde persoonsgegevens om te zetten in niet-gecodeerde persoonsgegevens. De onderzoeker mag niets ondernemen om te proberen de code te « ontcijferen », hetgeen krachtens artikel 39 van de wet strafbaar wordt gesteld. Krachtens artikel 39 van de wet wordt de verantwoordelijke voor de verwerking die gegevens verwerkt met overtreding van artikel 4, § 1 van de wet immers gestraft. Deze maatregel geldt voor het bepaalde in dit besluit ter uitvoering van artikel 4, §
- Afdeling II. - Verwerking van gecodeerde persoonsgegevens In artikel 7 wordt bepaald volgens welk algemeen beginsel de gegevens moeten worden gecodeerd alvorens later voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden te worden verwerkt. Voorts voorziet afdeling 2 in drie gevallen : - ofwel wenst de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens verzameld voor bepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden deze gegevens zelf later te hergebruiken voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden; - ofwel deelt de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens verzameld voor bepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden gegevens mee aan een derde die deze gegevens later verwerkt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden; - ofwel delen verscheidene verantwoordelijken voor verwerkingen van gegevens verzameld voor bepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden deze gegevens mee aan een of meer derden die ze later verwerken voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden; Deze drie gevallen brengen andere problemen mee op het stuk van de gegevensbescherming en vereisen derhalve andere regelingen, die respectievelijk in de artikelen 8, 9 en 10 zijn bepaald. Artikel 7 Indien een onderzoeker aantoont dat het onderzoek onmogelijk aan de hand van anonieme gegevens kan worden verricht, mag hij met gecodeerde gegevens werken. Zoals gedefinieerd in artikel 1 3°, bestaat de codering erin dat de persoonsgegevens ontdaan worden van alle elementen die de mogelijkheid bieden de betrokkene te identificeren. In de plaats van die elementen komt een code. De relatie tussen de code en de identificatie van de betrokkene, met andere woorden de « sleutel », wordt niet meegedeeld aan de ontvanger van de persoonsgegevens. De codering van de gegevens moet ertoe leiden dat de ontvanger de betrokken persoon redelijkerwijs niet kan identificeren aan de hand van de meegedeelde persoonsgegevens. De gegevens moeten worden gecodeerd alvorens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden te worden verwerkt. De Raad van State heeft in zijn advies 30.495/2 van 8 november 2000, blz. 57 de volgende lezing voor artikel 7 voorgesteld : « Niet-gecodeerde persoonsgegevens worden, voor elke latere verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, gecodeerd opdat ze alleen door middel van een code met een geïdentificeerd of identificeerbaar persoon in verband kunnen worden gebracht ». De huidige lezing stemt niet overeen met het voorstel van de Raad van State. Aangezien in artikel 1, 3° de gecodeerde persoonsgegevens worden omschreven als « persoonsgegevens die slechts door middel van een code in verband kunnen worden gebracht met een geïdentificeerd of identificeerbaar persoon », is het overbodig dat begrip in artikel 7 opnieuw te omschrijven. Artikel 8 Artikel 8 heeft betrekking op het geval waarin de verantwoordelijke voor de verwerking gegevens verzamelt voor zijn gewone activiteiten en ze opnieuw wenst te gebruiken voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden of die verwerking later aan een verwerker wenst toe te vertrouwen. De Commissie stelt in haar advies 8/99 (blz. 3) de vraag « of ook geen passende waarborgen moeten worden vastgelegd op grond waarvan een verantwoordelijke voor een verwerking van een aantal principes kan afwijken indien hij persoonsgegevens waarover hij beschikt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden wenst te verwerken op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor de betrokken persoonsgegevens zijn verzameld. » De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer geeft evenwel geen aanwijzing betreffende mogelijke passende waarborgen. Op grond van het koninklijk besluit moet de verantwoordelijke voor de verwerking, de verwerker of de intermediaire organisatie de gegevens coderen. Het eerste geval waarin de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens verzameld voor andere dan historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden de gegevens zelf codeert, heeft bij voorbeeld betrekking op een overheidsdienst die persoonsgegevens aan een studiedienst bezorgt met het oog op een verwerking voor wetenschappelijke doeleinden of op een academisch ziekenhuis dat persoonsgegevens aan de onderzoekers van de faculteit geneeskunde van dezelfde universiteit bezorgt. In dit geval moet het ziekenhuis niet noodzakelijk een beroep doen op een externe intermediaire organisatie. De codering van persoonsgegevens en het beheer van identificatieslutels kan door het ziekenhuis zelf worden verricht. Niettemin moet de verantwoordelijke voor de verwerking op grond van artikel 12 technische en organisatorische maatregelen nemen om te voorkomen dat de onderzoekers toegang krijgen tot de sleutel van de code. Het tweede geval heeft betrekking op het geval waarin de verantwoordelijke voor de verwerking de latere verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden toevertrouwt aan een verwerker, bij voorbeeld wanneer een handelsvennootschap een statistisch onderzoek aan de hand van klantenbestanden toevertrouwt aan een gespecialiseerde onderneming. In dit geval codeert de verwerker de gegevens alvorens ze voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden te verwerken. Indien de verwerker eigen of elders verzamelde bestanden bij het hem toevertrouwde klantenbestand voegt om een meer gericht statistisch resultaat te kunnen bereiken of om enige andere reden, wordt hij niet langer beschouwd als een verwerker maar als de verantwoordelijke voor een nieuwe verwerking. Een derde mogelijkheid is het geval waarin de verantwoordelijke voor de verwerking de codering van gegevens aan een intermediaire organisatie toevertrouwt om deze gegevens later opnieuw zelf voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden te kunnen gebruiken. In dit geval treedt de intermediaire organisatie op als verwerker. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is in haar advies 8/99 (blz. 2) immers van oordeel dat wanneer een intermediaire organisatie slechts de gegevens van een enkele gegevensverstrekker codeert, te weten de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens verzameld voor een bepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doeleinde, zij het best steeds zou optreden als verwerker van persoonsgegevens voor rekening van de gegevensverstrekker zodat zij niet als afzonderlijke verantwoordelijke voor een verwerking van persoonsgegevens wordt beschouwd en onderworpen wordt aan het toezicht van de gegevensverstrekker overeenkomstig artikel 16 van de wet. In dit geval wordt op grond van artikel 16 van de wet een overeenkomst gesloten tussen de verantwoordelijke voor de verwerking en de verwerker. In deze overeenkomst wordt bepaald dat de verwerker alleen handelt in opdracht van de verantwoordelijke voor de verwerking. De intermediaire organisatie moet voldoende waarborgen bieden met betrekking tot de maatregelen inzake technische beveiliging en organisatie, en de verantwoordelijke voor de verwerking aangewezen door deze intermediaire organisatie moet erop toezien dat zij worden nageleefd. Artikel 9 Artikel 9 heeft betrekking op het geval waarin de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens verzameld voor bepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden deze gegevens aan een derde bezorgt die ze later voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden verwerkt. Op grond van het voorontwerp van koninklijk besluit moet de verantwoordelijke van de verwerking of de intermediaire organisatie de gegevens coderen. Om dezelfde redenen als vermeld in het vorige artikel treedt die organisatie op als verwerker. Artikel 10 Artikel 10 betreft het geval waarin verschillende verantwoordelijken voor de verwerking van gegevens verzameld voor bepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden deze gegevens aan een of meer derden meedelen, die ze voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden verwerken. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is in haar adviezen 8/
- (blz. 3) en 25/99 (blz. 2) van oordeel dat de gegevensbescherming bijzonder in het gedrang komt aangezien persoonsgegevens van verschillende gegevensverstrekkers worden samengevoegd alvorens te worden gecodeerd. De Commissie meent dan ook in haar adviezen 8/99 (blz. 3) en 25/99 (blz. 2) dat « dergelijke intermediaire organisaties passende waarborgen moeten bieden en dat het wenselijk is dat zij worden gemachtigd die taak door of krachtens de wet te vervullen. » Zij onderstreept bovendien in haar advies 25/99 dat de intermediaire organisatie zodoende een eigen verantwoordelijkheid heeft en dus niet kan worden beschouwd als een verwerker die optreedt voor rekening van de onderscheiden gegevensverstrekkers. Vervolgens oordeelt de Commissie ook in haar adviezen 8/99 (blz. 7) en 25/99 (blz. 5) dat aangezien haar voorstel is aanvaard om intermediaire organisaties die gegevens van verscheidene gegevensverstrekkers verzamelen of coderen, te beschouwen als een afzonderlijke verantwoordelijke voor de verwerking, de vrijstelling van de verplichting tot kennisgeving moet worden uitgebreid tot intermediaire organisaties die persoonsgegevens alleen verwerken met het doel ze te coderen. Zoniet is het gevaar groot dat weinig instanties bereid worden gevonden als intermediaire organisatie op te treden. Op grond van het koninklijk besluit wordt de intermediaire organisatie die gegevens van verschillende verantwoordelijken voor de verwerking codeert als de verantwoordelijke voor een nieuwe verwerking beschouwd, die de algemene verplichtingen van de verantwoordelijke voor de verwerking moet nakomen, waarbij hij onder meer - moet nagaan of de verwerkte gegevens relevant zijn; - aan de betrokken persoon kennis moet geven; - aangifte moet doen van de verwerking bij de Commissie voor de persoonlijke levenssfeer, waarbij onder meer opgave moet worden gedaan van de categorie van verwerkte gegevens, van de categorie van ontvangers aan wie zij worden verstrekt, van de waarborgen bij mededeling aan derden, alsook een beschrijving moet worden gegeven van de veiligheidsmaatregelen, te weten de wijze waarop de gegevens worden gecodeerd en de technische en organisatorische maatregelen genomen om te voorkomen dat de verantwoordelijke voor de verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden toegang krijgt tot de sleutel van de code. Met betrekking tot het voorstel van de Commissie om de intermediaire organisaties vrij te stellen van de verplichting tot kennisgeving volgt het voorontwerp van koninklijk besluit richtlijn 95/46/EG : krachtens artikel 11.2 ervan geldt voornoemde vrijstelling alleen wanneer de kennisgeving onmogelijk is, onevenredig veel moeite kost of wanneer de wet uitdrukkelijk in de mededeling of de registratie van de gegevens voorziet. Dat probleem wordt geregeld in de artikelen 15, 20 en 29 van dit besluit. Het voorstel van de Commissie om de intermediaire organisaties bij of krachtens de wet te machtigen wordt in het voorontwerp van koninklijk besluit daarentegen niet overgenomen : zulks zou tot gevolg hebben dat de rol van intermediaire organisatie alleen kan worden gespeeld door openbare of semi-openbare organisaties en alle private ondernemingen worden uitgesloten. De term verwerking voor statistische of wetenschappelijke doeleinden heeft evenwel ook betrekking op statistische verwerkingen die ondernemingen verrichten aan de hand van hun eigen verwerkingen (verwerkingen inzake klanten, goederen, personele middelen, . - zie in dit verband blz. 15 e.v. van deze memorie). Artikel 11 De intermediaire organisatie moet onafhankelijk zijn van de verantwoordelijke van de latere verwerking van persoonsgegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. Deze onafhankelijkheid moet aan de intermediaire organisatie in ieder geval de mogelijkheid bieden te weigeren de sleutel van de code mee te delen aan de ontvanger van de gegevens. Artikel 12 De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer acht het in haar advies 8/99 (blz. 4) wenselijk dat de gegevensverstrekker of de intermediaire organisatie worden verplicht te voorzien in een bijzondere beveiliging van de sleutels voor de omzetting van gecodeerde naar identificerende gegevens. Deze beveiliging is immers cruciaal om te voorkomen dat de gecodeerde gegevens niet opnieuw in niet-gecodeerde persoonsgegevens worden omgezet. Artikel 12 komt aan deze opmerking tegemoet. Technische maatregelen moeten onder andere ertoe leiden dat de code de personen op wie de persoonsgegevens betrekking hebben, kenbaar kan maken. De toegang bij voorbeeld tot een conversietabel waardoor gecodeerde persoonsgegevens in niet gecodeerde persoonsgegevens kunnen worden omgezet, moet op passende wijze worden beveiligd. Met « gegevensverstrekker » bedoelt de Commissie echter blijkbaar alleen de gevallen waarin de verantwoordelijke voor de verwerking de gegevens aan een derde meedeelt met het oog op een latere verwerking ervan voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. Krachtens artikel 12 moet de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens voor andere dan statistische doeleinden ook waarborgen bieden wanneer hij gegevens codeert teneinde ze zelf te hergebruiken voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. Hij moet maatregelen nemen opdat de personen die de gegevens later voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden verwerken, geen toegang krijgen tot de sleutel van de code. De onderzoeksinstelling moet de personeelsleden die de gegevens verzamelen scheiden van de medewerkers die aan de hand van die gegevens een onderzoek verrichten. Er moet aan worden herinnerd dat de verantwoordelijke voor de verwerking, alsook zijn aangestelde of gemachtigde die persoonsgegevens verwerkt met overtreding van de voorwaarden gesteld in artikel 4, § 1, krachtens artikel 39 van de wet wordt gestraft met een geldboete. Artikel 13 De verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens en de intermediaire organisatie kunnen gegevens slechts meedelen met het oog op de latere verwerking ervan voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden indien de verantwoordelijke voor de latere verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden het ontvangbewijs overlegt dat de Commissie uitreikt binnen drie werkdagen te rekenen van de ontvangst van de aangifte van de verwerking overeenkomstig artikel 17, § 2, van de wet. Een onderzoeker die aan een intermediaire organisatie of aan een verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens voor andere dan historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden gecodeerde persoonsgegevens vraagt, moet bewijzen dat hij de aangifte heeft verricht. Zoniet mogen de gecodeerde persoonsgegevens niet worden meegedeeld. Deze regel geldt eveneens wanneer de verantwoordelijke voor de verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden geen derde is ten aanzien van de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens verzameld voor oorspronkelijke doeleinden (bij voorbeeld wanneer een ziekenhuis aan zijn artsen gegevens betreffende de gezondheid meedeelt met het oog op een later wetenschappelijk onderzoek). Deze bepaling moet worden beschouwd samen met artikel 4 van dit besluit in, naar luid waarvan de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden in zijn aangifte moet vermelden waarom het onderzoek gecodeerde gegevens vereist. De Raad van State heeft in zijn advies 30.495/2 voorgesteld in de oorspronkelijke lezing van het artikel de woorden « uitgereikt door de Commissie op grond van artikel 17, § 2, van de wet » te vervangen door de woorden « een volledige afgifte, uitgereikt door de Commissie op grond van artikel 17, § 2, van de wet. » Bijgevolg is de lezing van het artikel gewijzigd. Artikel 14 Dit artikel strekt ertoe aanvullende waarborgen te bepalen voor gevoelige, gerechtelijke gegevens en gegevens betreffende de gezondheid, die later voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden hergebruikt. Aanvankelijk voorzag het voorontwerp van koninklijk besluit erin dat dergelijke verwerkingen vooraf positief moesten worden beoordeeld door een ethisch comité ingericht door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De Commissie is in haar advies 8/99 echter van oordeel dat het noch haar taak, noch die van een door haar aangewezen ethische commissie is om met het oog van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een advies uit te brengen omtrent de historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden van een verwerking. Zulks kan immers worden geïnterpreteerd als een mogelijkheid tot inhoudelijke censuur. De Commissie stelt derhalve voor dit artikel te schrappen. Indien de auteurs van het ontwerp van oordeel zijn dat ethische commissies een rol moeten vervullen met betrekking tot bepaalde vormen van historisch, statistisch of wetenschappelijk onderzoek, moet zulks afzonderlijk worden geregeld op grond van een maatschappelijk debat. Het koninklijk besluit voorziet als waarborg dan ook erin dat de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens verzameld voor bepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden of de intermediaire organisatie de betrokken persoon voor de codering van de gegevens in kennis moet stellen van de historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, van de oorsprong van de gegevens, alsook van zijn recht van toegang, verbetering en verzet. De betrokkene beschikt over een recht van verzet. In de kennisgeving aan de betrokken persoon wordt onder meer de oorsprong van de gegevens vermeld teneinde hem bewust ervan te maken dat de codeurs de gegevens koppelen. Ter herinnering, de verplichting tot kennisgeving en tot toegang op grond van artikel 3, § 5 van de wet is niet van toepassing op de verwerking van gegevens beheerd door de openbare overheden voor doeleinden die betrekking hebben op gerechtelijke en bestuurlijke politie en op de inlichtingendiensten. Deze verplichting tot kennisgeving berust bij de persoon die de gegevens codeert, te weten de verantwoordelijke voor de gegevens verzameld voor een oorspronkelijk doeleinde of de intermediaire organisatie : aangezien de verantwoordelijke voor de latere verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden slechts gecodeerde gegevens verwerkt, kan hij de betrokken persoon onmogelijk op de hoogte brengen. Artikel 15 Artikel 11.2 van richtlijn 95/46/EG bepaalt dat de verplichting tot kennisgeving niet van toepassing is « indien inzonderheid voor statistische doeleinden of voor historisch of wetenschappelijk onderzoek, verstrekking van informatie aan de betrokkene onmogelijk blijkt of onevenredig veelmoeite kost of indien de registratie of verstrekking bij wet is voorgeschreven. In deze gevallen zorgen de Lid-staten voor passende waarborgen ». Op die wijze voorziet artikel 11.2 in twee categorieën uitzonderingen op de verplichting tot kennisgeving : de eerste heeft betrekking op het geval waarin voornoemde verplichting de facto niet kan worden nagekomen, de tweede op gevallen waarin zij de iure niet kan worden opgelegd omdat de registratie en de mededeling van de gegevens door de wet wordt geregeld. In artikel 15 worden de twee categorieën uitzonderingen bedoeld in artikel 11.2 van de richtlijn overgenomen. In artikel 15, eerste lid, is bepaald dat de verantwoordelijke voor de verwerking, ongeacht of het gaat om de verantwoordelijke voor de verwerking van oorspronkelijke gegevens of om de intermediaire organisatie die overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit als verantwoordelijke voor de verwerking handelt, aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan vragen van die verplichting te worden vrijgesteld ingeval hij van oordeel is dat de verplichte kennisgeving bedoeld in artikel 14 onmogelijk blijkt of onevenredig veel inspanningen vergt. Wanneer hij de aanvraag formuleert, moet hij in een dergelijk geval aan de Commissie de feiten voorleggen waaruit blijkt dat de verplichting tot kennisgeving niet kan worden nagekomen. Op grond van het onderzoek van die elementen doet de Commissie een aanbeveling aan de verantwoordelijke voor de verwerking. Zoals in artikel 16 nader is bepaald, vermeldt die aanbeveling eventueel de bijkomende waarborgen die de verantwoordelijke voor de verwerking in acht moet nemen. Naar luid van de oorspronkelijke tekst van het artikel, had de Commissie terzake beslissingsbevoegdheid. De Raad van State maakt in zijn advies 30.495/2, blz. 39, de volgende opmerking : « De wet van 8 december 1992 kent aan de Commissie geen bevoegdheid toe om vrijstelling te verlenen van de verplichting tot kennisgeving en machtigt de Koning evenmin om die Commissie een dergelijke bevoegdheid te verlenen. In het eerste lid van dit artikel van het ontwerp mag dus geen gewag worden gemaakt van een door de Commissie genomen beslissing tot vrijstelling, maar hooguit van een procedure waarbij een aanbeveling gedaan wordt ». De huidige tekst stemt overeen met het advies van de Raad van State. De aanbevelingen van de Commissie zijn niet van dwingende aard. Zoals de Commissie in haar activiteitenverslag 1992-1993, blz. 12, zelf heeft gesteld, bieden de aanbevelingen aan de Commissie enkel de mogelijkheid haar standpunt te kennen te geven. Maar die aanbevelingen vormen eveneens beoordelingselementen ingeval een betrokken persoon klacht indient bij de Commissie of bij de hoven en rechtbanken of ingeval de Commissie bij de procureur des Konings aangifte doet van een misdrijf of aan de rechtbank van eerste aanleg een geschil voorlegt. Artikel 15, tweede lid, voorziet in de invoering in Belgisch recht van de tweede categorie uitzonderingen bedoeld in artikel 11.2 van de richtlijn, te weten de vrijstelling van de verplichting tot kennisgeving ingeval de mededeling of de registratie door de wet is voorgeschreven. In het artikel is bepaald dat wanneer de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens verzameld voor bepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden of de intermediaire organisatie een administratieve overheid is die door of krachtens de wet de uitdrukkelijke opdracht heeft persoonsgegevens samen te brengen en te coderen teneinde ze mee te delen aan een verantwoordelijke voor de verwerking voor historische en wetenschappelijke doeleinden, hij vrijgesteld wordt van de verplichting tot kennisgeving aan de betrokken persoon. In het koninklijk besluit worden derhalve de adviezen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer overgenomen, waarin wordt onderstreept dat de intermediaire organisaties de nodige waarborgen moeten bieden (adviezen 8/99, blz. 3, en 25/99, blz. 2) en tevens wordt voorgesteld de intermediaire organisaties die gegevens verwerken met als enig doel ze te coderen, van de verplichting tot kennisgeving worden vrijgesteld (adviezen 8/99, blz. 7 en 25/99, blz. 5). Artikel 16 In artikel 16 wordt gesteld dat de verantwoordelijke voor de verwerking in de aangifte van de verwerking bedoeld in artikel 17 van de wet, aan de Commissie een reeks bijkomende gegevens verstrekt die haar de mogelijkheid moeten bieden met kennis van zaken te oordelen over de schending van de persoonlijke levenssfeer door de verwerking evenals over de onmogelijkheid tot kennisgeving of over de onevenredige inspanningen die zulks vergt. Op grond van die gegevens doet de Commissie haar aanbeveling. Die aanbeveling bevat eventueel bijkomende voorwaarden die bij de latere verwerking van persoonsgegevens moeten worden nageleefd. De Commissie deelt binnen vijfenveertig werkdagen te rekenen van de ontvangst van de aangifte aan de verantwoordelijke voor de verwerking haar met redenen omklede aanbeveling mee. Die termijn kan eenmaal met vijfenveertig dagen worden verlengd. Indien de Commissie haar aanbeveling na afloop van die termijn niet heeft meegedeeld, wordt het verzoek onvoorwaardelijk als aanvaard beschouwd. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wijst in haar advies 8/99 (blz. 5) erop dat zij zich met dit lid niet akkoord kan verklaren : « Aangezien een vrijstelling van de verplichting tot kennisgeving en de noodzaak tot het verkrijgen van de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene de uitzondering is, mag een ontbreken van een beslissing vanwege de Commissie binnen de gestelde termijnen geenszins beschouwd worden als een door haar toegestane afwijking. Zij stelt daarom voor het ontbreken van een beslissing binnen de gestelde termijnen te beschouwen als een afwijzing van de afwijking. » In het koninklijk besluit wordt het advies van de Commissie niet gevolgd om twee redenen : overeenkomstig hetgeen de Raad van State heeft onderstreept, wordt in de wet aan de Commissie terzake geen beslissingsbevoegdheid toegekend. Zelfs ingeval bovendien de iure ervan wordt uitgegaan dat de commissie terzake slechts bevoegd is om aanbevelingen te doen, betekent het gegeven dat de toepassing van een verwerking onderworpen wordt aan een aanbeveling van de Commissie dat aan de Commissie de facto een beslissingsbevoegdheid wordt toegekend. Overigens onderstreept de Raad van State in zijn advies 30.495/2, blz. 41, de noodzaak de aanbevelingen bekend te maken in het openbaar register van de verwerkingen « om te voorkomen dat er te veel tijd verloopt tussen het ogenblik waarop aangifte wordt gedaan bij de Commissie en dat waarop de Commissie haar aanbevelingen openbaar maakt ». In het koninklijk besluit wordt het advies van de Raad van State terzake gevolgd. Om die reden is dit artikel met een vijfde lid aangevuld. Voor het overige wordt in het koninklijk besluit alle voorgestelde lezingen gevolgd vermeld in het advies 30.495/2, blz. 42 van de Raad van State. Artikel 17 In artikel 17 is gesteld dat de verantwoordelijke voor de verwerking aan de Commissie elke wijziging in de voordien meegedeelde gegevens moet melden. De Raad van State stelt in zijn advies 30.495/2 voor dat de verantwoordelijke voor de verwerking « de wijzigingen slechts toepast nadat de Commissie hem een nieuwe aanbeveling heeft toegezonden ». Dat voorstel is niet gevolgd : de toepassing van de wijzigingen in de verwerking onderwerpen aan een nieuwe aanbeveling van de Commissie betekent dat aan de Commissie de facto een beslissingsbevoegdheid wordt toegekend, hetgeen de Raad van State haar de iure verbiedt. Afdeling III. - Verwerking van niet-gecodeerde persoonsgegevens De latere verwerking van niet-gecodeerde persoonsgegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden wordt strikt geregeld. De latere verwerking van gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, met andere woorden de secundaire verzameling van gegevens, biedt aan de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden een aantal voordelen ten opzichte van de primaire verzameling van gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden : er kan sneller worden gewerkt aangezien de verzameling reeds gedeeltelijk is verricht en er kan voordeel worden gehaald uit de controles van de eerste verantwoordelijke voor de gegevens, hetgeen de gegevens betrouwbaarder maakt. Voor de betrokken persoon houdt dit evenwel meer risico's in dan de primaire verzameling van gegevens. De primaire verzameling van gegevens biedt de betrokken persoon een zekere controle over de verzameling van de gegevens aangezien hij kan weigeren bepaalde gegevens kenbaar te maken. Bij de secundaire verzameling van gegevens of anders gesteld de latere verwerking van gegevens verliest de betrokken persoon deze controle. Gegevens verzameld voor zeer onderscheiden doeleinden worden gekoppeld waardoor nieuwe gegevens betreffende die persoon ontstaan zonder dat hij controle heeft over dit proces. Om die reden is de latere verwerking van niet-gecodeerde gegevens aan striktere voorwaarden onderworpen dan de oorspronkelijke gegevensverwerking. In de regeling omschreven in afdeling III van hoofdstuk II is bepaald dat aan de betrokken persoon precieze gegevens moeten worden meegedeeld, alsook dat hij uitdrukkelijk in de verwerking moet toestemmen. Vrijstelling van de verplichting tot kennisgeving en van de verkrijging van de toestemming is evenwel mogelijk. Artikel 18 In dit artikel wordt nader bepaald welke gegevens aan de betrokkene vooraf moeten worden verstrekt, onder meer meer een precieze omschrijving van de historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. Daarmee wordt een korte beschrijving van het concrete onderzoeksproject bedoeld. De gegevens moeten aan de betrokkene worden verstrekt door de verantwoordelijke die de persoonsgegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden verwerkt. Hoewel zulks niet uitdrukkelijk is vereist, wordt de kennisgeving meestal verricht in een geschrift waarin aan de betrokkene tevens wordt gevraagd zijn toestemming te geven. Artikel 19 De betrokken persoon moet uitdrukkelijk toestemming geven. Een impliciete toestemming, bij voorbeeld « zwijgen is toestemmen », volstaat in dit geval niet. Indien de uitdrukkelijke toestemming om praktische redenen niet kan worden verkregen, moet worden nagegaan of artikel 20 kan worden toegepast. Bij betwisting moet de verantwoordelijke voor de verwerking bewijzen dat de toestemming van de betrokkene verkregen is alvorens de verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden is aangevat. De Raad van State stelt in zijn advies 30.495/2, blz. 42, het volgende : « Om het bewijs te verkrijgen dat toestemming is verleend, is het verkieslijk te stellen dat de betrokkene » schriftelijk zijn toestemming moet geven « in plaats van dat » uitdrukkelijk « te moeten doen ». In het koninklijk besluit wordt het advies van de Raad van State ter zake niet gevolgd : zowel in de wet als in richtlijn 95/46/EEG wordt de iure niet de schriftelijke toestemming geëist maar wel adequate waarborgen. Een schriftelijke toestemming eisen betekent de facto dat de verantwoordelijke voor de verwerking een brief moet zenden en wachten tot de betrokken persoon een brief terugzendt. Die persoon zal waarschijnlijk nooit antwoorden aangezien hij geen enkel belang erbij heeft. Artikel 20 Van het vereiste van toestemming met kennis van zaken van de betrokkene kan in twee gevallen worden afgeweken. De eerste afwijking betreft onderzoek met niet-gecodeerde persoonsgegevens die « publiek » zijn. Die uitzondering is onder meer belangrijk voor het historisch onderzoek aan de hand van archiefmateriaal. De uitdrukking persoonsgegevens die kennelijk door betrokkene zelf publiek zijn gemaakt of die in nauw verband staan met het publiek karakter van betrokkene of van de feiten waarbij deze laatste betrokken is of is geweest, is ontleend aan art. 3, § 3, a), van de wet. In de memorie van toelichting (Gedr. St., Kamer, 1566/1-97/98, blz. 21 en volgende) wordt dit begrip verduidelijkt. De tweede afwijking is gegrond op artikel 11.2 van richtlijn 95/46/EG dat bepaalt dat de verplichting tot kennisgeving niet van toepassing is indien inzonderheid voor statistische doeleinden of voor historisch of wetenschappelijk onderzoek verstrekking van informatie aan de betrokkene onmogelijk blijkt of onevenredig veel inspanningen vergt. Zulks is noodzakelijk voor de verwerking van grote hoeveelheden niet-gecodeerde persoonsgegevens in een niet-geautomatiseerde omgeving. Het is immers niet mogelijk de persoonsgegevens te coderen. Naar luid van artikel 11.2 van de richtlijn moeten de Lid-Staten in dat geval voor passende waarborgen zorgen. In het koninklijk besluit wordt dan ook bepaald dat de verantwoordelijke voor de verwerking aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer om een aanbeveling terzake verzoekt. In de volgende artikelen wordt de procedure bepaald op grond waarvan deze aanbeveling kan worden verkregen. In de oorspronkelijke tekst van het koninklijk besluit is gewag gemaakt van een beslissing van de Commissie, maar de Raad van State heeft in zijn advies 30.495, blz. 42, eraan herinnerd dat in de wet aan de Commissie terzake geen beslissingsbevoegheid wordt toegekend. De oorspronkelijke tekst van het voorontwerp van koninklijk besluit voorzag overigens in een andere uitzondering op de verplichtingen bedoeld in de artikelen 14 en 15 van dit besluit met betrekking tot de steekproef. Om een steekproef te kunnen verrichten, moeten de onderzoeksinstellingen een aantal criteria aan de databank van de openbare instelling meedelen op grond waarvan het dan zelf de steekproef verricht. De uitslag van deze streekproef wordt vervolgens meedegedeeld aan de onderzoeksinstelling. Het resultaat, dat aan de onderzoeksinstelling wordt bezorgd, heeft betrekking op een veelvoud van het aantal onderzochte personen. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is in haar advies 8/99 (blz. 5) van oordeel dat deze afwijking niet verantwoord is en dus moet worden geschrapt. Bij een steekproef heeft de verantwoordelijke voor de verwerking immers alleen gegevens nodig betreffende de personen op wie zij betrekking heeft. Het is dan ook niet verantwoord om voor de verrichting van een steekproef aan de verantwoordelijke voor de verwerking niet-gecodeerde persoonsgegevens betreffende de gehele bevolking te bezorgen. Zij kan immers even goed worden gedaan door de verstrekker van de gegevens of door een intermediaire organisatie op grond van de criteria meegedeeld door de verantwoordelijke voor de verwerking. Het koninklijk besluit volgt het advies van de Commissie. Bij een steekproef deelt de « verstrekker van de gegevens », te weten de verantwoordelijke voor de verwerking van bepaalde uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden, alleen de gegevens van de proef mee aan de verantwoordelijke voor de verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. De verantwoordelijke voor de latere verwerking voor wetenschappelijke doeleinden moet krachtens artikel 15 dan ook alleen kennis geven aan de personen van wie hij de gegevens heeft ontvangen en verwerkt, te weten de personen uit de steekproef, en niet aan de gehele bevolkingsgroep waarop de steekproef betrekking heeft. Artikel 21 In dit artikel wordt de procedure nader bepaald die gevolgd moet worden ingeval een verantwoordelijke voor een latere verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden van de Commissie een aanbeveling wenst te verkrijgen. De procedure lijkt op het eerste gezicht vrij zwaar maar er moet rekening mee worden gehouden dat hier toch afgeweken wordt van een belangrijk beginsel van de wet, te weten dat geen persoonsgegevens mogen worden verwerkt zonder dat de betrokken persoon daarvan in kennis wordt gesteld. In de praktijk moet de aanbeveling aan de Commissie worden gevraagd bij de aangifte van de verwerking. De Commissie deelt binnen vijfenveertig werkdagen te rekenen van de ontvangst van de aangifte aan de verantwoordelijke voor de verwerking haar met redenen omklede aanbeveling mee. Die termijn kan eenmaal met vijfenveertig werkdagen worden verlengd. Indien de Commissie haar aanbeveling na afloop van die termijn niet heeft meegedeeld, wordt het verzoek als aanvaard beschouwd. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wijst in haar advies 8/99 (blz. 5) erop dat zij zich met dit lid niet akkoord kan verklaren : « Aangezien een vrijstelling van de verplichting tot kennisgeving en de noodzaak tot het verkrijgen van de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene de uitzondering is, mag een ontbreken van een beslissing vanwege de Commissie binnen de gestelde termijnen geenszins beschouwd worden als een door haar toegestane afwijking. Zij stelt daarom voor het ontbreken van een beslissing binnen de gestelde termijnen te beschouwen als een afwijzing van de afwijking. » Het voorontwerp van koninklijk besluit volgt in dit verband het advies van de Commissie niet : de tenuitvoerlegging van een verwerking onderwerpen aan een aanbeveling van de Commissie betekent dat aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de facto beslissingsbevoegdheid wordt toegekend, terwijl de Raad van State de iure aantoont dat de wet aan de Commissie terzake geen beslissingsbevoegdheid verleent. Bovendien moet rekening worden gehouden met de eventuele schadelijke economische gevolgen bij gebrek aan een aanbeveling van de Commissie. Artikel 22 Er kan verwezen worden naar het commentaar bij artikel
- Afdeling IV. - Bekendmaking van de resultaten van de verwerking Artikel 23 In dit artikel worden de maatregelen bepaald die nodig zijn voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de bekendmaking van de resultaten van een verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. De resultaten mogen niet worden bekendgemaakt in een vorm die identificatie mogelijk maakt, tenzij de betrokken persoon daartoe zijn toestemming heeft gegeven of indien het « publieke » gegevens betreft. Voor meer uitleg betreffende dit begrip kan worden verwezen naar het commentaar in de memorie van toelichting inzake artikel 3, § 3, a) van de wet. Deze bepaling strekt ertoe het koninklijk besluit in overeenstemming te brengen met voornoemde aanbeveling R
- a)van de wet bepaalt dat de verwerking van zogenaamde gevoelige persoonsgegevens is toegestaan wanneer de betrokkene daarmee schriftelijk heeft ingestemd, met dien verstande dat deze toestemming te allen tijde door de betrokkene kan worden ingetrokken. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bepalen in welke gevallen het verbod om de in dit artikel bedoelde gegevens te verwerken niet door de toestemming van de betrokkene ongedaan kan worden gemaakt. De bevoegdheid die in dit artikel aan de Koning wordt gegeven, is uiteraard bedoeld om situaties te regelen waarin de schriftelijke toestemming van de betrokkene wegens de ongelijke machtsverhoudingen tussen de partijen niet als een echte toestemming kan worden beschouwd. De situatie waaraan meestal wordt gedacht is die van de sollicitant of de werknemer ten overstaan van zijn werkgever. In het licht daarvan voorziet dit artikel erin dat de werkgever gevoelige persoonsgegevens slechts mag verwerken indien hij daarvoor de schriftelijke toestemming heeft van de betrokkene, tenzij de verwerking erop is gericht aan deze laatste een voordeel te verschaffen, zoals de uitbetaling van een vakbondsuitkering, of indien de werkgever een bepaalde categorie van zijn werknemers die een bepaalde godsdienst belijden, specifieke faciliteiten in dat verband wenst te verlenen. Het is evident dat de werkgever voor de verwerking van gevoelige persoonsgegevens meestal niet de schriftelijke toestemming van de betrokken persoon nodig heeft. Artikel 6, § 2, b), van de wet bepaalt immers dat hij deze gegevens ook mag verwerken als zulks noodzakelijk is met het oog op zijn specifieke rechten en plichten op het stuk van het arbeidsrecht. Indien de verwerking op die grond is gesteund, is dit artikel van het besluit niet van toepassing. Hetzelfde geldt wanneer de werkgever zich beroept op een van de andere gronden omschreven in artikel 6, § 2, van de wet, zoals de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid, de preventieve geneeskunde en het vitaal belang van de betrokkenen. In advies 8/99 (blz. 6) is de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van oordeel dat voornoemde bepaling niet voldoende rekening houdt met het zelfbeschikkingsrecht van personen. Het absolute verbod op de verwerking van deze gegevens, zelfs met schriftelijke toestemming van de betrokkene, lijkt te verregaand. De belangen van personen die zich onder het gezag van een ander persoon bevinden, kunnen naar het oordeel van de Commissie ook op een andere wijze worden beschermd. Er kan met name worden vereist dat in deze gevallen een bijzondere schriftelijke toestemming wordt gegeven, waarbij aan de betrokkene vooraf de redenen van de verwerking van de gevoelige gegevens worden meegedeeld. Volgens de Commissie biedt een dergelijke toestemming met kennis van zaken de mogelijkheid het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene voldoende te beschermen. In advies 25/99 (blz. 5) herhaalt de Commissie die opmerkingen en stelt zij de opheffing van het artikel voor. Haar opmerkingen lijken in tegenspraak met artikel 2
- h)van richtlijn 95/46/EG naar luid waarvan de toestemming als een vrije wilsuiting wordt omschreven. Deze vrije wilsuiting ontbreekt vrij vaak in de relatie tussen werkgever en werknemer. HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden voor de vrijstelling van de verplichting tot kennisgeving bedoeld in artikel 9, § 2, van de wet Artikel 28 Dit artikel moet worden beschouwd samen met hoofdstuk II van dit besluit aangezien het uitsluitend handelt over de verwerking van persoonsgegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. Indien voor deze doeleinden persoonsgegevens op een andere wijze worden verkregen dan bij de betrokkene zelf, moet normaliter artikel 9, § 2, van de wet worden toegepast op grond waarvan de betrokken persoon in kennis moet worden gesteld. Dit artikel van het besluit voorziet met betrekking tot deze verplichting in een uitzondering ten aanzien van de verantwoordelijke die gecodeerde persoonsgegevens verwerkt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden. De vrijstelling geldt alleen indien de gecodeerde persoonsgegevens worden verwerkt overeenkomstig de voorwaarden gesteld in afdeling 2 van hoofdstuk II van het besluit. Zij is inzonderheid van toepassing op het geval omschreven in artikel 8 waarin de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens voor oorspronkelijke doeleinden en de verantwoordelijke voor de latere verwerking voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden dezelfde persoon zijn. Ingeval krachtens dit artikel de verantwoordelijke voor een verwerking van persoonsgegevens verzameld voor andere dan historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden die gegevens later verwerkt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, moet hij de betrokken persoon daarvan niet in kennis stellen, behalve in het geval bedoeld in artikel 14, te weten de verwerking van gevoelige gegevens. Artikel 29 In artikel 11.2 van richtlijn 95/46EG is bepaald dat de verplichting tot kennisgeving niet geldt wanneer de wet uitdrukkelijk in de mededeling of de registratie van de gegevens voorziet. De lidstaten moeten in dat geval de nodige waarborgen bieden. De Commissie stelt in haar adviezen 8/99 (blz. 7) en 25/99 (blz. 5) voor de vrijstelling van de verplichting tot kennisgeving uit te breiden tot intermediaire organisaties die persoonsgegevens alleen verwerken met het doel ze te coderen. Door die twee beginselen te combineren stelt artikel 29 de administratieve overheden die door of krachtens de wet ermee zijn belast de gegevens mee te delen en die daarbij als intermediaire organisatie optreden, vrij van de verplichting tot kennisgeving. Artikel 30 Artikel 9, § 2, tweede lid, a), van de wet bepaalt dat indien de gegevens niet bij de betrokkene zelf zijn verzameld, de verantwoordelijke voor de verwerking is vrijgesteld van kennisgeving aan de betrokkene wanneer zulks, inzonderheid in het kader van een verwerking voor statistische doeleinden of voor historisch of wetenschappelijk onderzoek, onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost. Vaak is van een dergelijke onmogelijkheid of onevenredige moeite ook sprake als de verwerking van de persoonsgegevens betrekking heeft op een zeer groot aantal betrokkenen met wie de verantwoordelijke voor de verwerking in principe nooit in contact treedt. Zulks is bij voorbeeld het geval voor bedrijven gespecialiseerd in het leveren van adressen voor direct marketing. Personen die bij deze bedrijven adressen verkrijgen met het oog op een mailing, verwerken uiteraard persoonsgegevens die niet bij de betrokkene zelf zijn verkregen. Indien deze gegevens worden geregistreerd, moet de betrokkene daarvan overeenkomstig artikel 9, § 2, eerste lid, van de wet in kennis worden gesteld. Dit artikel bepaalt dat de verantwoordelijke voor de verwerking in dat geval de kennisgeving moet verrichten wanneer hij voor de eerste keer met de betrokkene in contact treedt. Zoals dat het geval is bij adresfirma's, worden de persoonsgegevens niet door de firma geregistreerd maar rechtstreeks door de gegevensverstrekker meegedeeld aan de gebruiker die de mailing wil verrichten. Laatstgenoemde moet de betrokken persoon daarvan in kennis stellen wanneer hij voor de eerste keer met hem in contact treedt. In advies 25/99 (blz. 5) is de Commissie van oordeel dat deze bepaling alleen kan slaan op het geval waarin niet-gecodeerde persoonsgegevens worden verwerkt voor statistische doeleinden of voor historisch of wetenschappelijk onderzoek, of voor bevolkingsonderzoek en de kennisgeving aan de betrokkene onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost. De voorbeelden die in het verslag aan de Koning worden aangehaald in verband met direct marketing, passen niet in de context van de vrijstellingen op grond van artikel 9, § 2, tweede lid, van de wet en geven de indruk dat de Koning aan dat artikel een meer algemene draagwijdte wil toekennen, hetgeen uiteraard niet kan. Inzake direct marketing of adresfirma's kan op grond van het koninklijk besluit geen vrijstelling van de verplichting tot kennisgeving worden verleend. Het koninklijk besluit volgt in dit verband het advies van de Commissie niet. Aangezien in artikel 9, § 2, van de wet is bepaald dat van de verplichting tot kennisgeving kan worden vrijgesteld, inzonderheid in het kader van verwerkingen voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, is die vrijstelling niet beperkt tot dergelijke verwerkingen. Artikel 31 Dit artikel heeft betrekking op het geval waarin de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens de betrokken persoon nooit ervan in kennis kan stellen omdat zulks onmogelijk is of onevenredig veel moeite kost. In dit geval moet hij in de overeenkomstig artikel 17 van de wet vereiste aangifte van de verwerking uitdrukkelijk de redenen daarvan vermelden. Deze procedure biedt een zekere doorzichtigheid aangezien eenieder in het openbaar register van verwerkingen gehouden bij de Commissie de verantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens kan nagaan zelfs indien laatstgenoemden de betrokken personen daarvan nooit in kennis hebben gesteld. In dit artikel wordt de tekst overgenomen die de Raad van State in zijn advies 30.495/2, blz. 49, heeft voorgesteld. HOOFDSTUK V. - Uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 10 en 12 van de wet Artikel 32 In dit artikel wordt artikel 1 overgenomen van koninklijk besluit nr. 3 van 7 september 1993 tot aanwijzing van de personen bij wie het verzoek om mededeling van persoonsgegevens gegrond op artikel 10 van de wet moet worden ingediend (Belgisch Staatsblad, 25 september 1993). De procedure wordt evenwel versoepeld, onder meer door schrapping van de eis dat de betrokkene zijn verzoek bij aangetekend schrijven moet opsturen en door invoering van de mogelijkheid het verzoek toe te zenden via een telecommunicatiemiddel. Daarbij wordt uiteraard vooral aan elektronische post gedacht. In advies 8/99 (blz. 8) stelt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer alleen vast dat het vereiste inzake ondertekening van het verzoek tot gevolg heeft dat het niet via een telecommunicatiemiddel kan worden verzonden zolang er geen juridisch geldige elektronische handtekening bestaat. De Raad van State maakt in zijn advies 30.495/2, blz. 49, dezelfde opmerking. In die bepaling wordt voorzien door de wet van 20 oktober 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/10/2000 pub. 22/12/2000 numac 2000010017 bron ministerie van justitie Wet tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure sluiten tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van elektronische handtekening in de gerechtelike en de buitengerechtelijke procedure (Belgisch Staatsblad, 22 december 2000, blz. 42.698), waarvan artikel 2 artikel 1322 van het Burgerlijk Wetboek met het volgende lid aanvult : « Kan, voor de toepassing van dit artikel, voldoen aan de vereiste van een handtekening, een geheel van elektronische gegevens dat aan een bepaalde persoon kan worden toegerekend en het behoud van de integriteit van de inhoud van de akte aantoont. » Artikel 33 In dit artikel wordt mutatis mutandis artikel 1 overgenomen van koninklijk besluit nr. 5 van 7 september 1993 tot aanwijzing van de personen bij wie de verzoeken tot verbetering, verwijdering of verbod op de aanwending van persoonsgegevens gegrond op artikel 10 van de wet moet worden ingediend (Belgisch Staatsblad, 25 september 1993). Artikel 34 In deze artikelen worden de wijzen van uitoefening van het recht van verzet vastgesteld. De wettelijke grondslag van de bepaling is echter niet alleen artikel 12, § 2, maar ook artikel 9, § 1, e), en § 2, e), van de wet. Het doel hierbij is een verbetering van de doeltreffendheid van de nieuwe wetsbepalingen op grond waarvan aan de betrokkene het recht wordt gegeven zich te verzetten tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens met het oog op direct marketing. Thans voorziet artikel 9 van de wet erin dat de verantwoordelijke voor de verwerking de betrokkene in kennis moet stellen van het bestaan van het recht om zich op verzoek kosteloos tegen een voorgenomen verwerking van hem betreffende persoonsgegevens te verzetten indien zij wordt verricht met het oog op direct marketing, en wel ongeacht of de persoonsgegevens bij de betrokkene zelf of bij derden worden verzameld. Deze loutere kennisgeving biedt de betrokkene evenwel niet de mogelijkheid na te gaan op welke wijze hij zijn recht van verzet kan uitoefenen. In artikel 34 van het besluit wordt een onderscheid gemaakt tussen drie gevallen. Het eerste geval betreft persoonsgegevens die schriftelijk bij de betrokken persoon zijn verzameld, hetzij aan de hand van een antwoordcoupon gepubliceerd in een krant of in een tijdschrift, hetzij door middel van een formulier ingevuld naar aanleiding van een bestelling of een inschrijving voor een abonnement, hetzij zelfs via Internet. In voornoemde gevallen moet de betrokken persoon zijn recht van verzet kunnen uitoefenen op het document waarin hij de hem betreffende persoonsgegevens meedeelt. De meest voor de hand liggende manier is op het formulier waarin de betrokken persoon wordt gevraagd persoonsgegevens mee te delen, volgende tekst aan te brengen : « Verzet u zich tegen het gebruik van deze persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden ? Ja/Neen (Schrappen wat niet past) ». Tal van andere opties zijn uiteraard mogelijk (bij voorbeeld een vakje aankruisen, een positieve of negatieve vraag, . ). Het tweede geval heeft betrekking op persoonsgegevens die bij de betrokken persoon op een andere dan schriftelijke wijze zijn verkregen. De betrokken persoon kan via de telefoon een aanbod krijgen en in dat verband persoonsgegevens meedelen die later worden gebruikt om contact te houden of een bestelling te leveren. De betrokkene kan ook persoonsgegevens meedelen aan de hand van een magneetkaart of een chipkaart waarop bepaalde persoonsgegevens voorkomen. Indien de verantwoordelijke de persoonsgegevens later voor direct marketingdoeleinden verwerkt, moet hij met de betrokken persoon schriftelijk contact opnemen binnen twee maanden te rekenen van de verkrijging van de persoonsgegevens. Het volstaat dat de verantwoordelijke aan de betrokken persoon een document bezorgt waarin deze laatste gemakkelijk zijn verzet tegen een latere verwerking voor direct marketingdoeleinden kan te kennen geven en dat hij aan de verantwoordelijke kan terugbezorgen. Artikel 35 De derde mogelijkheid waarin artikel 35 voorziet, heeft betrekking op het geval waarin de persoonsgegevens niet bij de betrokken persoon worden verkregen. Dan neemt de verantwoordelijke voor de verwerking contact op met de betrokken persoon teneinde hem de door artikel 9, § 2, van de wet vereiste informatie mee te delen. Bij dat contact wordt de betrokken persoon overeenkomstig artikel 9, § 2, in kennis gesteld van zijn recht om zich tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden te verzetten. De betrokkene moet zijn verzet op hetzelfde document kunnen doen en daartoe door de verantwoordelijke de mogelijkheid worden geboden aan de hand van een duidelijke, gemakkelijk te beantwoorden vraag. De verantwoordelijke die op grond van artikel 9, § 2, van de wet van de kennisgeving is vrijgesteld, is uiteraard ook van deze kennisgeving vrijgesteld. HOOFDSTUK VI. - Uitoefening van het recht bedoeld in artikel 13 van de wet Artikel 36 Hoofdstuk VI van het besluit regelt de toegang van de betrokken personen tot de geregistreerde gegevens in de verwerkingen van persoonsgegevens beheerd door de openbare overheden voor doeleinden die betrekking hebben op de inlichtingendiensten en op gerechtelijke en bestuurlijke politie. De materie bedoeld in artikel 13 van de wet wordt in het internationale recht geregeld door twee teksten van de Raad van Europa, te weten Verdrag nr. 108 en Aanbeveling R
- De uitoefening van het recht van toegang, verbetering en verwijdering mag slechts worden beperkt voor zover die beperking onontbeerlijk is voor de uitoefening van de wettelijke taak van de politie »; « 6.
- Weigering of beperking van deze rechten dient schriftelijk met redenen te worden omkleed. Weigering redenen op te geven is slechts toegestaan voor zover dit onontbeerlijk is voor de uitoefening van de wettelijke politietaak ». Voorts bepaalt artikel 109 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 het volgende : « Het recht van eenieder om van de hem betreffende in het Schengen-informatiesysteem opgenomen gegevens kennis te nemen, wordt uitgeoefend overeenkomstig het recht van de Overeenkomstsluitende Partij bij welke de kennisneming wordt verlangd. Voor zover het nationale recht daarin voorziet, beslist de nationale controleautoriteit of en op welke wijze kennisneming kan worden verleend. Een Overeenkomstsluitende Partij die de signalering niet zelf heeft aangeleverd, mag slechts kennisneming van gegevens toestaan, voor zover zij de signalerende Overeenkomstsluitende Partij vooraf de gelegenheid heeft geboden dienaangaande een standpunt te bepalen. » Artikel 114, tweede lid, van dezelfde overeenkomst bepaalt het volgende : « Eenieder heeft het recht bij de controleautoriteiten een verzoek in te dienen ter toetsing van de hem betreffende in het Schengen-informatiesysteem opgenomen gegevens, alsmede van het gebruik daarvan. Dit recht wordt uitgeoefend overeenkomstig het nationale recht van de Overeenkomstsluitende Partij bij welke het verzoek is ingediend. Wanneer de gegevens door een andere Overeenkomstsluitende Partij zijn aangeleverd, geschiedt de controle in nauw overleg met de controleautoriteit van die Overeenkomstsluitende Partij. » Overeenkomstig deze bepalingen van het internationale recht wordt krachtens artikel 3, § 5, van de wet aan personen van wie gegevens in het bestand zijn opgenomen, het recht van rechtstreekse toegang en verbetering voor bepaalde verwerkingen van gegevens geweigerd. Het betreft verwerkingen van persoonsgegevens : door de Veiligheid van de Staat, door de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht, door de Veiligheidsautoriteit, door de veiligheidsofficieren en door het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten en de Dienst Enquêtes ervan, indien die verwerkingen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun opdrachten; - beheerd door openbare overheden met het oog op de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke politie; - beheerd door de politiediensten bedoeld in artikel 3 van de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, met het oog op de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie; - beheerd met het oog op de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie, door andere openbare overheden die aangewezen zijn bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; - die noodzakelijk zijn geworden ten gevolge van de toepassing van de wet van 11 januari 1993Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/01/1993 pub. 27/06/2012 numac 2012000391 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 11/01/1993 pub. 29/07/2013 numac 2013000488 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld; - beheerd door het Vast Comité van toezicht op de politiediensten en de dienst Enquêtes ervan met het oog op de uitoefening van hun wettelijke opdrachten. De politiediensten bedoeld in artikel 3 van de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten zijn "naast de gemeentepolitie, de gerechtelijke politie bij de parketten en de rijkswacht, de diensten die ressorteren onder openbare overheden en instellingen van openbaar nut, waarvan de leden met de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie zijn bekleed". Het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 ter uitvoering van het vroegere artikel 11, 4°, van de wet van 8 december 1992 heeft betrekking op de sociale inspecteurs (deze bepaling is door de wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 11/12/1998 pub. 03/02/1999 numac 1999009051 bron ministerie van justitie Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens sluiten overgebracht naar art. 3, § 5, 3°, van de wet) In de memorie van toelichting bij de wet van 8 december 1992 wordt gesteld dat ingevolge de bijzondere taken van die diensten, er geen sprake van kan zijn aan een ieder een rechtstreeks recht van toegang te verlenen tot de geregistreerde gegevens die op hen betrekking hebben. Ten einde een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de gewettigde rechten van iedere persoon en de niet minder gewettigde noodzaak van opsporing en vervolging van de overtredingen, alsmede van het voorkomen van inbreuken op de veiligheid van de Staat, voorziet artikel 13 van de wet van 8 december 1992 erin dat voor die verwerkingen de uitoefening van het recht van toegang en verbetering van de betrokken persoon wordt uitgeoefend door tussenkomst van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Gedr. St., Kamer, nr. 1610/1, 90-91, p. 19). In artikel 13 is het volgende bepaald : « Eenieder die zijn identiteit bewijst, is gerechtigd zich kosteloos tot de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te wenden, teneinde de in de artikelen 10 en 12 bedoelde rechten uit te oefenen ten aanzien van de verwerkingen van persoonsgegevens bedoeld in artikel 3, paragrafen 4, 5 en
- De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bij een in Ministerraad overlegd besluit, de wijze waarop deze rechten worden uitgeoefend. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer deelt uitsluitend aan de betrokkene mede dat de nodige verificaties werden verricht. Evenwel bepaalt de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bij een in Ministerraad overlegd besluit, welke informatie de Commissie aan de betrokkene mag meedelen indien het verzoek van de betrokkene een verwerking van persoonsgegevens betreft door politiediensten met het oog op identiteitscontrole. » Hoofdstuk VI van het besluit beoogt de tenuitvoerlegging van het tweede en vierde lid van artikel
- In advies nr. 11/95 betreffende artikel 13 dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op 9 mei 1995 op eigen initiatief heeft uitgebracht, is gesteld dat "het te nemen Koninklijk Besluit zich moet beperken tot het vastleggen van de modaliteiten van onrechtstreekse controle naar de burger toe". In verband met de procedure die de Commissie moet volgen ten aanzien van de betrokken diensten wordt in advies nr. 11/95 bepaald dat de wijze waarop de controle door de Commissie bij de onderscheiden instanties wordt verricht, door de betrokken partijen best in onderling overleg wordt vastgesteld. De diensten kunnen immers verschillen vertonen op het stuk van technische modaliteiten, behoeften van de dienst, organisatorische aspecten, enz. In advies 8/99 (blz. 8) is de Commissie ook van oordeel dat de procedure voor de uitoefening van het recht bedoeld in artikel 13 van de wet beter wordt geregeld in het Reglement van orde van de Commissie dan in het uitvoeringsbesluit. Zodoende kan de Commissie de procedure indien nodig aanpassen aan de behoeften. De Commissie dringt dan ook erop aan de artikelen 23 en 25 tot 30 te vervangen door een bepaling die erin voorziet dat de procedure wordt geregeld in het Reglement van orde van de Commissie, dat in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd moet worden. Aldus wordt voorkomen dat de Commissie wordt bedolven onder administratieve beslommeringen. Bovendien doet zulks geen afbreuk aan de rechten van de betrokkenen. In advies 25/99 (blz. 6) neemt de Commissie een ander standpunt in en stelt zij het volgende : « Het ware wellicht dan toch wenselijk om de essentiële elementen van de procedure in het koninklijk besluit op te nemen, zoals het feit dat de betrokkene zich schriftelijk tot de Commissie kan richten om zijn recht bedoeld in artikel 13 van de wet uit te oefenen; het feit dat het verzoek alle relevante elementen moet bevatten waarover de betrokkene beschikt; het feit dat het verzoek van de betrokkene slechts ontvankelijk is indien het wordt ingediend na verloop van een termijn van zes maanden te rekenen van de verzendingsdatum van het vorige antwoord van de Commissie betreffende dezelfde gegevens en dezelfde dienst; het feit dat de betrokkene de Commissie kan verzoeken om gehoord te worden en het feit dat de controle verricht wordt door de Voorzitter van de Commissie of door een of meer leden die door hem worden aangewezen. » Aangezien de uitoefening van het recht bedoeld in artikel 13 van de wet een fundamenteel burgerrecht is dat beter niet bij een huishoudelijk reglement wordt geregeld, wordt in het koninklijk besluit advies 25/99 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gevolgd. Artikel 37 In dit artikel is bepaald dat de betrokkene het verzoek bij de Commissie indient aan de hand van een gedagtekend en ondertekend schrijven. In de vorige lezing van dit artikel was bepaald dat het verzoek alle relevante elementen betreffende de betwiste gegevens, zoals de aard ervan, de omstandigheden of de aanleiding van de kennisneming moest bevatten. In advies 8/99 (blz. 10) is de Commissie van oordeel dat hierdoor aan de betrokkene een al te zware verplichting tot kennisgeving wordt opgelegd. Zij stelt daarom voor nader te bepalen dat het verzoek alleen de relevante elementen moet bevatten waarover de betrokkene beschikt. Dat advies wordt in het koninklijk besluit gevolgd. De vorige lezing van dit artikel bevatte ook regels betreffende verzoeken ingediend door vertegenwoordigers van onbekwamen. In advies 8/99 is de Commissie van oordeel dat niet moet worden voorzien in een bepaling inzake vertegenwoordiging. Dat advies wordt in het koninklijk besluit gevolgd. Artikel 38 In dit artikel is bepaald dat de Commissie aan de betrokken persoon bijkomende inlichtingen kan vragen indien zij zulks nuttig acht. Artikel 39 In dit artikel is bepaald dat indien de gegevens bedoeld in de vorige artikelen niet worden meegedeeld, het verzoek als niet-ontvankelijk kan worden beschouwd. In de vorige lezing van dit artikel was het volgende bepaald : « Ingeval de betrokkene weigert de bijkomende inlichtingen te verstrekken en het op grond van de reeds verstrekte inlichtingen niet mogelijk is te bepalen om welke verwerking van gegevens het gaat, kan de Commissie het verzoek niet-ontvankelijk verklaren. » De Commissie is in haar advies 8/99 (blz. 10) van oordeel dat het woord « weigert » beter wor