← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning

Kort samengevat

Dit besluit regelt de procedurele aspecten voor de uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, met als doel een geïntegreerde en efficiënte vergunningsprocedure te creëren. Het integreert stedenbouwkundige en milieuaspecten in één vergunning, vaak voor onbepaalde duur.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

27 NOVEMBER 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten7 betreffende de omgevingsvergunning Verslag aan de leden van de Vlaamse Regering 1 INLEIDING 1.1 Totstandkoming van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten7 betreffende de omgevingsvergunning Op 23 april 2014 werd het decreet betreffende de omgevingsvergunning goedgekeurd in het Vlaams Parlement en vervolgens op 25 april 2014 bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse Regering (Belgisch Staatsblad 23 oktober 2014). 1.2 Krachtlijnen van het decreet Het decreet is in wezen een procedureel kaderdecreet voor een geïntegreerde vergunningsprocedure waarin zowel de stedenbouwkundige als de milieuaspecten van een voorgenomen project beoordeeld worden volgens een geïntegreerde vergunnings-procedure. 1.2.1 Geïntegreerde vergunningverlening. Het decreet integreert de stedenbouwkundige handelingen en de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten in een omgevingsvergunning. Ook verkavelingen worden met dezelfde procedure behandeld. Een volwaardige geïntegreerde beoordeling laat toe om samenhangende zaken in hun geheel te bekijken, is efficiënter, leidt tot betere beslissingen en kwalitatief betere vergunningen en vermijdt tegenstrijdige beslissingen. De overheid zal zich in de toekomst met één stem uitspreken over zowel de toelaatbaarheid van zowel de stedenbouwkundige als de milieuaspecten van een project. De door het decreet voorziene geïntegreerde vergunningverlening kan voor gemengde projecten dan ook resulteren in een substantiële tijdswinst doordat slechts één procedure gevolgd moet worden. Om de beoogde tijdswinst te verzekeren, voorziet het decreet duidelijk afgebakende proceduretermijnen. Er wordt hierbij zoveel als mogelijk ingezet op vervaltermijnen, aangezien deze de rechtszekerheid ten goede komen. Voor wat de beslissingstermijnen betreft, is de sanctie afhankelijk van de aanleg waarin het dossier wordt beslist. Wordt in eerste administratieve aanleg geen beslissing genomen, dan is de vergunning geweigerd. Wordt in tweede administratieve aanleg geen beslissing genomen, heeft dat tot gevolg dat het beroep is afgewezen en de beslissing uit eerste administratieve aanleg herleeft. Samen met het invoeren van de geïntegreerde vergunningverlening wordt ook de behandeling en beoordeling van een project-MER en een omgevingsveiligheidsrapport in de vergunningverlening geïntegreerd. De aanvrager moet dus niet meer beschikken over een project-MER of omgevingsveiligheidsrapport dat voorafgaand aan de vergunningsaanvraag is goedgekeurd. Deze inhoudelijke integratie zal voor bepaalde projecten naast een vergroot draagvlak eveneens bijdragen tot een aanzienlijke tijdswinst. Een geïntegreerde vergunningverlening biedt ook een oplossing voor de juridische problemen door de wederzijdse koppeling tussen de milieu- en stedenbouwkundige vergunning. 1.2.2 Veralgemening van een (omgevings-)vergunning van onbepaalde duur. Een stedenbouwkundige vergunning wordt vandaag in principe toegekend voor onbepaalde duur, een milieuvergunning slechts voor maximaal 20 jaar. Na deze termijn moet een hernieuwing van de milieuvergunning gevraagd worden. Het decreet voert een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur in. Alleen in uitzonderlijke gevallen, die limitatief in het decreet worden opgesomd, kan een omgevingsvergunning van bepaalde duur worden verleend. Om te garanderen dat geen afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van de mens en het leefmilieu en aan de inspraak van de bevolking over de exploitatie, voorziet het decreet een aantal flankerende maatregelen : 1. de exploitatie wordt aan evaluaties onderworpen (de algemene evaluatie en de specifieke evaluatie);2. het betrokken publiek, de leidend ambtenaar van de adviesinstanties en de bevoegde vergunningverlenende overheid krijgen op het einde van elke exploitatieperiode van 20 jaar de kans om gemotiveerde opmerkingen te formuleren over de verdere exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.Deze opmerkingen kunnen tot gevolg hebben dat er een procedure wordt opgestart over het bijstellen van de omgevingsvergunning (wijziging van de milieuvoorwaarden, het beperken van het voorwerp of het beperken van de duur van de exploitatie). 1.2.3 Overleg, wijzigingen aan de vergunningsaanvraag en administratieve lus. Ook zonder het decreet is facultatief vooroverleg mogelijk tussen de initiatiefnemer van het project en de overheid. Een (beperkt) geformaliseerd overleg is de projectvergadering. Met dit overleg kan vóór aanvang van de vergunningsprocedure duidelijkheid worden verschaft over de haalbaarheid van het project. Aldus kan een initiatiefnemer voor aanvang van de vergunningsprocedure het project nog fundamenteel bijsturen, wat de slaagkansen van het project tijdens de vergunningsprocedures doet toe nemen. De vergunningsaanvrager kan -onder bepaalde voorwaarden- na het openbaar onderzoek of tijdens de beroepsprocedure wijzigingen aan de vergunningsaanvraag aanbrengen. Wijzigingen die : 1. geen afbreuk doen aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening, en 2.tegemoet komen aan opmerkingen van adviesinstanties of aan standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend, én 3. kennelijk geen schending van de rechten van derden met zich meebrengen, moeten niet opnieuw aan het openbaar onderzoek worden onderworpen.Andere wijzigingen, als men deze wil doorvoeren, uiteraard wel. In zoverre een nieuw openbaar onderzoek plaatsvindt, wordt de beslissingstermijn automatisch verlengd. Als de in eerste of laatste administratieve aanleg bevoegde overheid vaststelt dat er een onregelmatigheid is begaan, die kan leiden tot een vernietiging van de beslissing, kan de overheid deze verhelpen. 1.2.4 Kwalitatieve vergunningverlening. Het decreet betreffende de omgevingsvergunning voorziet dat de provinciale en gewestelijke omgevingsvergunningscommissies bepaalde aanvragen adviseren. De geïntegreerde beoordeling van zowel stedenbouwkundige als milieuaspecten maakt een globale beoordeling mogelijk, en vermijdt tegenstrijdige beslissingen. 1.2.5 Administratieve vereenvoudiging. Het decreet reduceert het aantal vergunningsprocedures tot twee, met name een `gewone vergunningsprocedure' en een `vereenvoudigde vergunningsprocedure'. De eerste vergunningsprocedure omvat een openbaar onderzoek, de tweede procedure niet. Het decreet bevat tevens de meldingsprocedure voor louter meldingsplichtige projecten en doet geen afbreuk aan de vrijstelling van vergunningsplicht voor bepaalde projecten. 2 BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING TOT UITVOERING VAN HET DECREET VAN 25 APRIL 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten7 BETREFFENDE DE OMGEVINGSVERGUNNING 2.1 In eerste instantie een procedureel besluit Voorliggend besluit is in eerste instantie een procedureel besluit. Hierin worden de nadere procedureregels bepaald voor de geïntegreerde vergunningverlening, zowel de gewone als de vereenvoudigde vergunningsprocedure. Deze procedurele bepalingen betreffen o.a. de vergunningsaanvraag, de adviesverlening (en de instanties die adviezen moeten geven), de regels met betrekking tot het openbaar onderzoek, deze voor de wijziging van een omgevingsvergunning, ed. Deze regels gelden zowel voor procedures in eerste als in laatste administratieve aanleg. De inhoudelijke elementen, waaronder begrepen de beoordelingscriteria die gehanteerd worden bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning, blijven vervat in de sectorregelgeving. In dit kader wordt evenwel opgemerkt dat titel I van het VLAREM wordt opgeheven en de inhoudelijke milieubepalingen via de wijzigingsbepalingen van dit besluit aan titel II van het VLAREM worden toegevoegd. 2.2 Integratie met zo veel mogelijk aansluiting bij huidige regelgeving De geïntegreerde vergunningsprocedure krijgt nadere invulling voor projecten die één of meerdere van volgende aspecten omvatten : stedenbouwkundige handelingen, het verkavelen van gronden, en de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten. Het besluit vormt echter geen volledige stijlbreuk met de voorheen bestaande procedurele sectorregelgeving. Immers, een aantal aspecten uit de bestaande procedures zijn gelijkaardig : zo wordt zowel bij de stedenbouwkundige als bij de milieuvergunningsprocedure gewerkt met : - het indienen van een vergunningsaanvraag; - een volledigheids- en ontvankelijkheidsonderzoek en beslissing; - de mogelijkheid van inspraak via een openbaar onderzoek; - advisering van het aangevraagde door aangewezen instanties; - het nemen van een beslissing inzake de vergunning - en een bekendmaking van deze beslissing; - de mogelijkheid van beroep tegen deze beslissing (behoudens in het geval een beslissing door de Vlaamse Regering werd genomen). Bij het concretiseren van de nadere regels rond de omgevingsvergunning, wordt er steeds van de bestaande situatie uitgegaan. Aldus werden de respectievelijke bepalingen van milieuregelgeving (VLAREM I) en ruimtelijke-ordeningsregelgeving (diverse uitvoeringsbesluiten) naast elkaar gelegd om de gemeenschappelijke deler te kunnen distilleren. Bepaalde procedurele instrumenten die in het verleden reeds hun waarde bewezen hebben (zoals de vergunning op proef) worden behouden. 2.3 Eenvoud en transparantie Dit slaat enerzijds op het vereenvoudigen van de bestaande regelgeving. Zo is bij het vergelijken van en aansluiten bij de sectorale regelgeving, telkens gekeken welke regelgeving het meest `gebruiksvriendelijk' is, zowel naar burger als naar bedrijven, instanties als overheden toe. Vanzelfsprekend werd hierbij rekening gehouden met de garanties naar inspraak en betrokkenheid toe. Anderzijds slaat dit ook op eenvoud en transparantie bij de nieuwe regels die nu voorzien worden. Als voorbeeld kunnen de omgevingsvergunningscommissies genomen worden, waarvan de werking en samenstelling gespiegeld is aan deze van de milieuvergunningscommissies. 2.4 Beperking van de administratieve lasten De invoering van de omgevingsvergunning gaat gepaard met een doorgedreven digitalisering. Aanvragen, verzoeken en meldingen kunnen zowel digitaal als analoog (in een papieren versie) worden ingediend. Voor de verdere behandeling ervan tussen de betrokken overheden wordt uitsluitend voor een digitaal spoor met een digitaal uitwisselingsplatform gekozen. Door de digitale indiening, behandeling en verdere opvolging van de dossiers kan niet alleen tijd maar ook kosten gespaard worden. Hier kan onder meer gedacht worden aan het wegvallen van de verplichting om verschillende exemplaren van de aanvraag met inbegrip van plannen en andere bijlagen aan de bevoegde overheid te bezorgen en van de ene naar de andere overheid door te sturen. 3 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING TITEL 1. - ALGEMENE BEPALINGEN Hoofdstuk 1. - Europees kader Artikel 1.Dit artikel geeft aan welke Europese richtlijnen worden omgezet. Hoofdstuk 2. - Definities Art. 2.Dit artikel bevat een aantal definities. Het tweede lid van artikel 24, 42 en 59 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning bepaalt telkens dat het advies van het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft, of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar altijd wordt ingewonnen als de deputatie of de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is tenzij : 1. voor wat betreft eerste aanleg : - de aanvraag ingediend is door het betrokken college; - de aanvraag louter betrekking heeft op mobiele of verplaatsbare ingedeelde inrichtingen of activiteiten; 2. voor wat betreft beroep : - het beroep ingesteld is door het betrokken college. Door te spreken van het "adviserend schepencollege" (punt 1° ) moet niet steeds een opsomming gemaakt worden van de situaties waarin het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar advies dient te verlenen. Punten 7° en 8° maken het onderscheid duidelijk tussen de afdelingen bevoegd voor de omgevingsvergunning binnen het Departement LNE en het Departement RWO. Dit hangt samen met het feit dat er louter sprake is van een procedurele integratie en vooralsnog niet van een inhoudelijke integratie. Punt 7° komt overeen met de bestaande afdeling, bevoegd voor Milieuvergunningen binnen het departement LNE. In punt 8° wordt de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning bewust in het meervoud gedefinieerd als de afdelingen binnen het Departement RWO die bevoegd zijn voor de omgevingsvergunning. Thans zijn er twee afdelingen die hieromtrent taken vervullen : de afdeling Participeren Lokaal en de afdeling Gebieden en Projecten. Op deze wijze kan het Departement Ruimte Vlaanderen de taakverdeling tussen beide afdelingen intern organiseren (en wijzigen) zonder dat hiervoor legistieke wijzigingen nodig zijn. Op het ogenblik dat het Departement LNE en het Departement RV fuseren, kan deze regeling herzien worden. Punt 10° van het besluit geeft nadere invulling aan artikel 2,2°,

  1. c)van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning. Naast een aangetekend schrijven en een afgifte tegen ontvangstbewijs wordt voortaan ook een zending via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform als een beveiligde zending beschouwd, op voorwaarde dat de elektronische gegevensuitwisseling gebeurt overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. Bij een elektronische gegevensuitwisseling via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform wordt steeds de datum van de gegevensuitwisseling geregistreerd. Artikel 15 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning bevat een afzonderlijke bevoegdheidsregeling voor wat betreft projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer provincies (in eerste administratieve aanleg is de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd) of projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten als vermeld in artikel 5.1.1, 10°, van het DABM over twee of meer gemeenten in hun provincie (bevoegdheid van de deputatie). Om niet steeds te moeten verwijzen naar deze projecten, worden deze gedefinieerd als bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten (punt 13° ). De definities die zijn opgenomen in de VCRO, het DABM of titel II van het VLAREM worden van toepassing verklaard, tenzij dit besluit een andere definitie voorziet. Hoofdstuk 3. - Omgevingsfonds en dossiertaks Het Decreet voorziet dat er een dossiertaks verschuldigd is in een aantal gevallen. Deze taks wordt, voor wat betreft aanvragen of beroepen bij de Vlaamse Regering, gestort op rekening van het Omgevingsfonds, een overkoepelend fonds waarvan de middelen aangewend zullen worden voor beleidskosten die verband houden met de voorbereiding, organisatie en uitvoering van de regelgeving rond de omgevingsvergunning (zoals de ondersteuning van lokale besturen, de organisatie van opleidingen en permanente vormingen, de digitalisering van het vergunningsproces,... ). Ook voor aanvragen ingediend in eerste aanleg kunnen gemeenten en provincies dossiertaksen vragen. Het decreet regelt deze echter niet maar laat daar de lokale autonomie gelden. Het besluit bepaalt er dan ook niets over. Art. 3.Dit artikel bepaalt welke personen aangesteld worden of kunnen worden als inhoudelijk ordonnateur van het Omgevingsfonds. De genoemde ambtenaren zijn gelijkwaardig en volwaardig ordonnateur. Er is geen eis van gezamenlijke handtekening. Art. 4.Dit artikel bevat nadere regelen inzake de periodiciteit van het opstellen van een staat van ontvangsten en een staat van uitgaven van het Omgevingsfonds. Het regelt tevens de wijze waarop deze staten voorgelegd worden aan het Rekenhof. De instantie die de verantwoordingsstukken opmaakt, bewaart deze stukken. Art. 5.De personen die aangesteld worden of kunnen worden als beheerder van het Omgevingsfonds worden hier aangeduid. Er wordt eveneens uiteengezet over welke bevoegdheden deze personen beschikken bij het uitoefenen van hun functie. TITEL 2. - VOOROVERLEG EN PROJECTVERGADERING Artikel 8 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning bepaalt dat een initiatiefnemer ter voorbereiding van een vergunningsaanvraag de bevoegde overheid kan verzoeken een projectvergadering te organiseren met de adviesinstanties, eens een realistische projectstudie beschikbaar is. De bevoegde overheid is in dit geval de overheid die de latere vergunningsaanvraag zal behandelen. De projectvergadering beoogt de procedurele afstemming tussen de betrokken overheden en administraties en de bespreking van de eventueel nodig of nuttig geachte projectbijsturingen. De bevoegde overheid kan op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer, derde belanghebbenden uitnodigen op een projectvergadering. Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning neemt grotendeels de regeling van de projectvergadering, vermeld in artikel 5.3.2 van de VCRO, over. Zoals de memorie bij het Decreet betreffende de omgevingsvergunning reeds stelt, zijn de raadgevingen die de deelnemende overheidsinstanties tijdens het vooroverleg verstrekken, niet geheel vrijblijvend. Deze instanties kunnen zich in dit stadium echter niet verbinden voor het advies en de beoordeling ten gronde die ze later tijdens de vergunningsprocedure zullen formuleren. Op het moment van het vooroverleg beschikken ze immers nog niet over alle gegevens. Het getuigt echter van onbehoorlijk bestuur als terug gekomen wordt op afspraken gemaakt op de projectvergadering, als hier geen concrete aanleiding toe is, zoals nieuwe gegevens, bezwaren tijdens het openbaar onderzoek, en dergelijke. Art. 6.Dit artikel verduidelijkt in welke gevallen een initiatiefnemer een projectvergadering kan vragen. Dit is meer bepaald het geval voor projecten of voor veranderingen aan projecten waarover de POVC of de GOVC een advies dient uit te brengen in de latere vergunningsprocedure. Uitzondering op dit principe zijn de projecten of veranderingen aan projecten waarvoor het advies van de POVC enkel vereist is omdat de projecten of veranderingen betrekking hebben op een indelingsrubriek aangeduid met de letter A. De gevallen waarin de POVC of de GOVC advies uitbrengt, worden verder in het besluit opgesomd. Deze beperking van het toepassingsgebied van de projectvergadering is ingegeven door de vaststelling dat een projectvergadering slechts relevant is als het voorgenomen project een zekere complexiteit heeft, er verschillende belangen mee zijn gemoeid en/of er diverse partijen bij zijn betrokken. Er wordt afgestapt van een ingewikkelde opsomming van criteria zoals het geval is in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 maart 2010Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 14/12/2007 pub. 15/07/2010 numac 2010035467 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit houdende vaststelling van richtsnoeren voor het opstellen en wijzigen van het « monitoringplan » voor de handelsperiode 2008-2012 sluiten3 betreffende stedenbouwkundige attesten, projectvergaderingen en stedenbouwkundige inlichtingen (besluit dat door voorliggend besluit opgeheven wordt). Naast de projectvergadering heeft de initiatiefnemer steeds de mogelijkheid om een informeel vooroverleg te beleggen met de bevoegde overheid. Om de bevoegde overheid en de initiatiefnemer hier de ruimst mogelijke vrijheid te geven, worden rond dit informeel overleg geen regels opgenomen. Art. 7.Dit artikel regelt de wijze waarop een verzoek voor een projectvergadering moet geformuleerd worden. Tevens worden hierin nadere regels opgenomen over de projectstudie die bij het verzoek moet gevoegd worden. De initiatiefnemer richt een verzoek aan de bevoegde overheid. Dit verzoek gebeurt via een aangetekend schrijven, een afgifte tegen ontvangstbewijs of via het omgevingsloket (i.e. met een digitale zending). Paragraaf twee legt vast dat de projectstudie, waarvan sprake in artikel 8 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning, bij de aanvraag voor een projectvergadering moet worden gevoegd. Ook worden de gegevens opgesomd die deze projectstudie minstens moet bevatten. Het gaat hier om een minimum. Niets verhindert dat de initiatiefnemer meer gegevens overmaakt bij zijn verzoek voor een projectvergadering. Zo kan het bijvoorbeeld aangewezen zijn om mee te delen welke onderzoeken en studies al uitgevoerd werden en welke nog gepland zijn. Hoe meer gegevens worden aangereikt, hoe concreter de bevoegde overheid en de betrokken adviesinstanties zich doorgaans zullen kunnen uitspreken over eventueel nodig of nuttig geachte projectbijsturingen, en hoe kleiner de kans dat bij de eigenlijke aanvraag de gemaakte afspraken niet gehonoreerd kunnen worden. Als de initiatiefnemer het wenselijk acht dat bepaalde derden-belanghebbenden op de projectvergadering worden uitgenodigd, moet hij dit in zijn verzoek om een projectvergadering duidelijk aangeven. Het is aan de bevoegde overheid om te bepalen of zij derden-belanghebbenden uitnodigt op de projectvergadering. Art. 8.Dit artikel werkt de praktische organisatie van een projectvergadering verder uit. Het bevoegde bestuur is belast met de organisatie van de projectvergadering met alle adviesinstanties en het schepencollege. Elk bestuursniveau is dus verantwoordelijk voor het organiseren van de projectvergadering voor dossiers die in een latere vergunningsprocedure bij dat betrokken bestuursniveau ingediend zullen worden. De afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, zal op de projectvergadering uitgenodigd worden als het gaat over een project, vermeld in bijlage I of II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/05/1999 pub. 10/07/1999 numac 1999012359 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor preventie en bescherming op het werk type koninklijk besluit prom. 03/05/1999 pub. 10/07/1999 numac 1999012360 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk sluiten6 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, en ook bij een OVR-plichtig project. Er is echter geen verplichting om de afdeling uit te nodigen voor projecten die enkel MER-screeningsplichtig zijn (bijlage III). De vergadering vindt plaats binnen zestig dagen na het verzenden van de uitnodiging. Op basis van de elementen die zijn opgenomen in de projectstudie, kunnen de adviesinstanties opmerkingen op het geplande project formuleren alsook eventueel nodig of nuttig geachte projectbijsturingen. Zij geven deze opmerkingen uiterlijk op het moment van de projectvergadering. Ze vooraf schriftelijk indienen kan dus ook. Deze opmerkingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het aanduiden : 1. welke van de in de projectstudie behandelde onderdelen en varianten naar hun oordeel passen in de regelgeving en hun beleid of adviespraktijk;2. welke onderdelen en varianten bedenkingen oproepen;3. welke aanpassingen en aanvullingen zich redelijkerwijs opdringen met het oog op een vlotte administratieve afhandeling van de vergunningsaanvraag en adviesaanvragen. Een verzoek voor een projectvergadering kan zowel analoog (in papieren versie) als digitaal ingediend worden. Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning voorziet de mogelijkheid voor de bevoegde overheid om op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer, derde-belanghebbenden uit te nodigen op een projectvergadering. Deze derde-belanghebbenden worden gehoord, maar zijn niet aanwezig bij de bespreking van het dossier en nemen dus niet deel aan de beraadslagingen. Van de projectvergadering wordt een verslag opgesteld. Dit verslag wordt bezorgd aan de initiatiefnemer, de adviesinstanties, het adviserend schepencollege, de op de projectvergadering aanwezige derde-belanghebbenden en, in voorkomend geval, de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, dit binnen een ordetermijn van dertig dagen na de projectvergadering. Alleen de personen en instanties die effectief aanwezig waren op de projectvergadering, kunnen binnen veertien dagen op het verslag reageren. Het verslag is gebaseerd op de overgemaakte projectstudie en eventueel aanvullende informatie, ter beschikking gesteld door de initiatiefnemer. De eventuele randvoorwaarden of modaliteiten waaronder het project vergunbaar wordt geacht, worden weergegeven in het verslag. Het verslag noch de uitgebrachte standpunten zijn een voorafname van eender welke beslissing. De beoordeling ten gronde van of een advies over een aanvraag zal alleen tijdens de vergunningsprocedure kunnen plaatsvinden, op het moment dat men over alle gegevens kan beschikken en er een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden. TITEL 3. - DE VERGUNNINGVERLENING Hoofdstuk 1. - De bevoegde overheid Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning brengt onvermijdelijk een verschuiving van bevoegdheden tussen bestuursniveaus met zich mee. Hierbij werd de behandeling van vergunningsaanvragen toegewezen aan het bestuursniveau dat het meest geschikt is voor die bepaalde aanvraag. De overheden van drie betrokken bestuursniveaus die uitspraak doen over een vergunningsaanvraag zijn de Vlaamse Regering, de deputatie en het college van burgemeester en schepenen. De sleuteldocumenten hierbij zijn : 1) de door de Vlaamse Regering vastgestelde limitatieve lijsten met de Vlaamse en de provinciale projecten : zie hiervoor het besluit van 13 februari 2015 tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten7 betreffende de omgevingsvergunning;2) de indelingslijst.Net als in het huidige milieuvergunningensysteem zal de Vlaamse Regering de inrichtingen of activiteiten die ernstige risico's of hinder voor de mens en het leefmilieu inhouden, indelen in klassen. Ingedeeld in de eerste klasse zijn de inrichtingen of activiteiten met de grootste risico's. Art. 9.Dit artikel herhaalt dat artikel 15 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning de bevoegdheidsverdeling regelt. Hoofdstuk 2. - Projecten waarvoor de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd is om in eerste of laatste administratieve aanleg een beslissing te nemen Art. 10.Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 15, tweede lid, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning en bepaalt in welke gevallen de gewestelijke omgevingsambtenaar bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over een vergunningsaanvraag. Er is voor gekozen om de gewestelijke omgevingsambtenaar in eerste administratieve aanleg bevoegd te maken voor de aanvragen op Vlaams niveau die in toepassing van dit besluit behandeld worden volgens de vereenvoudigde vergunningsprocedure. Ook wordt hij bevoegd om te beslissen over aanvragen op Vlaams niveau met betrekking tot telecommunicatie, zelfs als ze behandeld worden overeenkomstig de gewone procedure. Dit is het punt 21° van de lijst van Vlaamse projecten, vastgesteld bij het hogervermelde besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten25. Deze keuze wordt gemaakt omdat deze aanvragen in vergelijking met de andere projecten op de Vlaamse lijst, vrij kleinschalig zijn. Toch staan ze op de Vlaamse lijst omwille van het gemeentegrens en zelfs provinciegrens-overschrijdende karakter van het netwerk. De gewestelijke omgevingsambtenaar kan niet autonoom beslissen in tweede administratieve aanleg. Hoofdstuk 3. - Toepassingsgebied van de gewone en de vereenvoudigde procedure Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning vermindert het aantal vergunnings-procedures tot twee, met name een gewone en een vereenvoudigde vergunnings-procedure. De grootste verschillen tussen deze procedures zijn de doorlooptijd en het openbaar onderzoek dat niet georganiseerd moet worden tijdens de vereenvoudigde vergunningsprocedure, en wel tijdens de gewone vergunningsprocedure. Art. 11.Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied van de vereenvoudigde procedure. Punt 1° geeft aan welke projecten volgens de vereenvoudigde vergunningsprocedure behandeld worden in het geval de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op de vergunningsplichtige exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit. De vergunningsaanvragen, vermeld in
  2. a)tot en met c), betreft de drie eerste projecten, opgesomd in artikel 17, § 2, eerste lid, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning, punt
  3. d)betreft een verandering door wijziging of uitbreiding van een vergunningsplichtige ingedeelde inrichting of activiteit waarbij de aangevraagde verandering uitsluitend betrekking heeft op een indelingsrubriek van de derde klasse. Punt 2° verwijst naar het artikel dat de ruimtelijke-ordeningsprojecten opsomt die volgens de vereenvoudigde vergunningsprocedure behandeld worden. Punt 3° betreft ten slotte de "gemengde" projecten en verwijst naar het artikel waarin deze projecten weergegeven zijn. Dit artikel vermeldt uitdrukkelijk dat artikel 17, § 3, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning blijft gelden. Dat artikel bepaalt dat de vereenvoudigde vergunningsprocedure nooit van toepassing is voor aanvragen die minstens een van volgende bijlagen omvatten : 1. een project-MER;2. een omgevingsveiligheidsrapport (OVR);3. een passende beoordeling. Art. 12.Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 17, § 2, laatste lid, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning en geeft aan wanneer een verandering beschouwd wordt als een 'beperkte verandering' van een project in de zin van artikel 17, § 2, 1°, van het Decreet. Algemeen kan gesteld worden dat er voor geopteerd is om het begrip 'beperkte verandering' grotendeels te laten aansluiten bij de veranderingen die nu reeds binnen het toepassingsgebied van de procedure mededeling kleine verandering vallen overeenkomstig het huidige artikel 6bis VLAREM I. Het eerste lid van dit artikel verduidelijkt dat er enkel sprake van zijn van een beperkte verandering van een vergund project wanneer de verandering geen betekenisvol bijkomend risico inhoudt voor de mens of het milieu en de bestaande hinder niet significant vergroot. Dit betekenisvol bijkomend risico wordt pragmatisch toegepast. In het tweede lid van dit artikel wordt gewerkt met een a contrario redenering. Met name worden een aantal veranderingen opgesomd die steeds geacht worden een betekenisvol bijkomend risico voor de mens of het milieu in te houden of de hinder significant te vergroten. Bijgevolg zijn het veranderingen die geenszins kunnen vallen onder de vereenvoudigde procedure. Met uitzondering van punt 1° gaat het om criteria die de dag van vandaag ook reeds toegepast worden om het toepassingsgebied van de mededeling kleine verandering te bepalen. De vermelding in 1° dat de verandering (door wijziging of uitbreiding) die de toepassing van een nieuwe rubriek van de eerste of tweede klasse van de indelingslijst met zich mee brengt, steeds geacht wordt een bijkomend risico voor de mens of het milieu in te houden of de bestaande hinder te vergroten, is nieuw ten opzichte van de huidige VLAREM-regelgeving, maar logisch. De verandering die een uitbreiding van een vergunde ingedeelde inrichting of activiteit met meer dan 50% inhoudt, wordt geacht geen beperkte verandering te zijn. De procentuele stijging van 50% wordt bepaald ten opzichte van de ingedeelde inrichting of activiteit die is vergund na het doorlopen van een procedure met een openbaar onderzoek. Dit betekent dat twee opeenvolgende beperkte veranderingen met elk een 20% uitbreiding mogelijk zijn via de vereenvoudigde procedure. Maar dat als eerst een uitbreiding van 30% via beperkte verandering wordt gerealiseerd, en men daarna nog een uitbreiding van 30% wil realiseren, dit laatste via de gewone vergunningsprocedure (en dus met openbaar onderzoek) zal moeten gebeuren. Art. 13.Dit artikel geeft samen met het erop volgende artikel uitvoering aan artikel 17, § 2, 4°, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning : ze lijsten de types projecten op die overeenkomstig de vereenvoudigde vergunningsprocedure behandeld worden. In dit artikel gaat het allemaal om gevallen binnen de sfeer van de ruimtelijke ordening. Punt 1° zet de voorwaarde(
  4. n)uiteen waaraan een project met stedenbouwkundige handelingen, moet voldoen om behandeld te worden overeenkomstig de vereenvoudigde procedure. Onder het begrip "palend aan" in het eerste lid, 1°, b), 7) wordt het effectief aan elkaar grenzen van de betrokken percelen begrepen. Punt 2° geeft de voorwaarden waaraan een aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden of de bijstelling hiervan moet voldoen om behandeld te worden overeenkomstig de vereenvoudigde procedure. Punt 3° voorziet een specifieke regeling voor bepaalde aanvragen die uitgaan van de militaire overheid. De voorwaarden in dit artikel vinden hun oorsprong in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsaanvragen en aanvragen tot verkavelingswijziging. Voorliggend besluit heft het besluit van 5 mei 2000 dan ook op. Er worden echter in punt 1 ook een aantal wijzigingen aan de huidige regeling rond de stedenbouwkundige openbare onderzoeken aangebracht, omwille van de ermee opgedane ervaring. Deze worden hieronder besproken : - artikel 12, 1°, b), 1) komt inhoudelijk volledig overeen met artikel 3, § 3, 1° van het huidige besluit; - in 2) wordt de lengte van infrastructuurwerken echter van 200 meter op 500 meter gebracht, alvorens een openbaar onderzoek (en dus de gewone vergunningsprocedure) verplicht te stellen. Dit omdat de ervaring ons leert dat de handelingen die enkel omwille van deze bepaling aan een openbaar onderzoek onderworpen worden, een geringe stedenbouwkundige impact hebben. Het gaat immers niet om nieuwe wegen. Stel dat men een nieuwe weg met een breedte van 5 meter aanlegt, dan is deze immers reeds vanaf een lengte van 100 meter aan een openbaar onderzoek onderworpen (punt 3) : constructies met een bruto grondoppervlakte van 500 vierkante meter). Het gaat doorgaans om ondergrondse lijninfrastructuur, waar de meerwaarde van een openbaar onderzoek bij kleine lengtes (onder 500 meter) beperkt is. - Zoals hierboven reeds gesteld zorgt de bepaling in 3) ervoor dat gebouwen en constructies (dus ook verhardingen) met een grondoppervlakte van 500 vierkante meter aan een openbaar onderzoek onderworpen worden (behalve in industriegebied). Deze verplichting komt inhoudelijk overeen met 3° van het huidige besluit; - De norm in 4) van het nieuwe besluit komt overeen met deze in punt 4° van het huidige besluit.Enkel werd de inhoudsmaat van 2000 m3 op 3000 m3 gebracht omdat ervaring ons leert dat 2000 m3 (wat overeenkomt met twee doorsnee woningen), vrij klein is waardoor te veel onnodige openbare onderzoeken werden gehouden; - In 5) werd de oppervlaktemaat voor openbare onderzoeken van sommige terreinaanlegwerken van 500 m2 op 1000 m2 gebracht. Vijf are (20 op 25 meter!) is immers vrij klein, zodat ook kleine handelingen aan een onnodig openbaar onderzoek moesten worden onderworpen, wat tijd en geld kost; - Punt 6) komt inhoudelijk overeen met punt 6° van het huidige besluit; - Idem voor 7); - We voeren een openbaar onderzoek in in de beschermde archeologische sites; - Over punt 9) moet het volgende worden opgemerkt. Het huidige besluit verplicht een openbaar onderzoek over alle aanvragen die betrekking hebben op zonevreemde woningen. Het decretale vergunningskader is echter duidelijk vastgelegd in de VCRO. Bovendien gaat het om basisrechten, waar niet vaak afbreuk aan gedaan wordt. Ook blijkt uit de opgedane ervaring dat het vaak aanvragen betreft op ruime landelijke percelen, waar omwonenden (als deze er al zijn) weinig of geen hinder ondervinden van de aangevraagde handelingen en dus niet vaak een bezwaar indienen. Bijgevolg is deze verplichting uit punt 8° van het huidige besluit geschrapt. De overige verplichtingen zijn wel behouden. - Punt 12° van het huidige besluit is niet overgenomen aangezien het artikel 20 van het KB van 28/12/1972, waarnaar verwezen wordt, in het Vlaamse gewest niet meer van toepassing is. - Punten 13° en 14° van het huidige besluit (speciaal openbaar onderzoek bij scheimuren en afsluitingen) zijn ondervangen door de regeling in artikel 52, 71 en 86 van dit besluit, en moesten hier dus niet opgenomen worden. Art. 14.Dit artikel bevat een specifieke regeling voor toepassing van de vereenvoudigde procedure op de 'gemengde projecten'. Deze procedure is van toepassing als de vereenvoudigde procedure van toepassing is op zowel de vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen als de vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten. De vereenvoudigde procedure zal dus enkel toepassing vinden als zowel het milieuluik als het stedenbouwkundig luik behandeld wordt overeenkomstig de vereenvoudigde procedure. Als een van beide luiken niet behandeld kan worden volgens deze procedure, vindt de gewone vergunningsprocedure toepassing en dit voor wat betreft de totaliteit van de aanvraag. Voor het milieuluik geldt bovendien dat het gaat over vergunningsaanvragen voor : - een beperkte verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit (artikel 11, 1°,
  5. a)van het besluit), - een ingedeelde inrichting of activiteit die uitsluitend tijdelijke inrichtingen of activiteiten omvat als vermeld in artikel 5.1.1, 11°, van het DABM, of de veranderingen daaraan (artikel 11, 1°,
  6. b)van het besluit) en - een verandering door wijziging of uitbreiding van een vergunningsplichtige ingedeelde inrichting of activiteit waarbij de aangevraagde verandering uitsluitend een indelingsrubriek van de derde klasse omvat (artikel 11, 1°,
  7. d)van het besluit). De gevallen, vermeld in artikel 11, 1,
  8. c)zijn situaties waarin ten gevolge van een wijziging van de indelingslijst (voortaan bijlage van titel II van het VLAREM) een `reeds bestaande exploitatie' van een ingedeelde inrichting of activiteit vergunningsplichtig wordt. Er moet dan enkel een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van die ingedeelde inrichting worden aangevraagd. Een gecombineerde aanvraag voor zowel stedenbouwkundige handelingen als voor de exploitatie van ingdeelde inrichting kan nooit het gevolg zijn van een wijziging van de indelingslijst zodat in dit artikel een verwijzing naar punt 11, 1°, c° niet aan de orde is. Hoofdstuk 4. - De samenstelling van een aanvraag Art. 15.Een vergunningsaanvraag moet bij beveiligde zending ingediend worden, bij de bevoegde overheid. De vergunningsaanvrager gebruikt hiervoor het formulier, dat bij dit besluit gevoegd is. Dit formulier zal - afhankelijk van het aangevraagde - bijkomende informatie opvragen, aan de hand van addenda. Er wordt voorzien in een addenda-bibliotheek, een verzameling waarin alle addenda opgenomen zijn. Het formulier kan dan naar een addendum, opgenomen in deze bibliotheek verwijzen. Dit heeft als voordeel dat er bij meerdere formulieren beroep gedaan kan worden op dezelfde addenda uit de addenda-bibliotheek. Zo verwijst het formulier "aanvraag" bijvoorbeeld naar addendum A1. Maar ook het formulier "verkaveling" verwijst naar hetzelfde addendum A1. Dit addendum A1 zit maar 1 keer in de addenda-bibliotheek. Zonder dergelijke `bibliotheek' moet eenzelfde addendum bij meerdere formulieren bijgevoegd worden, met kans op kleine verschillen tussen de addenda. Men kan ook digitaal een vergunningsaanvraag indienen. In dat geval wordt de digitale indiening via het omgevingsloket gelijkgesteld met het gebruiken van de formulieren en addenda. (zie titel 8, hoofdstuk 2, afdeling 2) Bovendien moet de vergunningsaanvraag de gegevens omvatten die de formulieren en de addenda voorschrijven als verplicht in te vullen of bij te voegen. Paragraaf 1 geeft dit aan voor de vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of de vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvatten; paragraaf 2 voor de vergunningsaanvragen voor projecten die strekken tot het verkavelen van gronden. Bijkomend geeft dit artikel delegatie aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, om samen de aanvraagformulieren, de addenda-bibliotheek en de dossiersamenstelling te wijzigen, waarbij het besluit evenwel een minimale inhoud vastlegt. Hoofdstuk 5. - Het openbaar onderzoek De gewone vergunningsprocedure gaat altijd gepaard met een openbaar onderzoek, dit in tegenstelling tot de vereenvoudigde procedure, waar nooit een openbaar onderzoek georganiseerd wordt. Overeenkomstig artikel 23 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning behandelt het openbaar onderzoek de vergunningsaanvraag, maar ook de nog niet goedgekeurde project-MER of het nog niet goedgekeurde omgevingsveiligheidsrapport, het `OVR', als de vergunningsaanvraag deze rapporten omvat. Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 16.Dit artikel geeft de algemene regels over de organisatie van het openbaar onderzoek weer. Het eerste en tweede lid verduidelijken het aanvangspunt van het openbaar onderzoek en de duur van het openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek duurt steeds dertig dagen. De huidige regeling bij RO waarbij een zeer beperkt aantal openbare onderzoeken 60 dagen duurden, wordt verlaten wegens te complex (en dus te veel kans op procedurefouten). De dertig dagen beginnen binnen tien dagen na : 1. de datum van de ontvankelijkheids- en volledigverklaring, of bij gebrek aan een ontvankelijk- en volledigverklaring, de veertigste dag na de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend, 2.de datum van de beslissing van de bevoegde overheid tot het organiseren van een (tweede) openbaar onderzoek naar aanleiding van de toepassing van de administratieve lus of van wijzigingen aan het voorwerp van de aanvraag. De overheid die in punt 2° bedoeld wordt, is de overheid die over de vergunningsaanvraag beslist, met andere woorden de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 (eerste aanleg) of artikel 52 (beroep) van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten7. Het derde lid somt de verschillende wijzen van bekendmaking van de vergunningsaanvraag op. De bekendmaking kan verschillen naargelang het project waarop de aanvraag betrekking heeft. Een aantal bekendmakingswijzen vindt altijd toepassing op alle projecten die de gewone vergunningsprocedure volgen behalve bij mobiele of verplaatsbare inrichtingen. Het betreft : - de aanplakking van een affiche, - de publicatie op de website van de gemeente, en - de terinzagelegging in het gemeentehuis waar het voorwerp van de aanvraag uitgevoerd zal worden. Andere bekendmakingswijzen zijn slechts op bepaalde projecten van toepassing. Hier betreft het : - de publicatie in een dag- of weekblad, - de individuele kennisgeving, en - de organisatie van een informatievergadering. Naargelang de inhoud van de aanvraag zal de bekendmaking van de vergunningsaanvraag immers uitgebreider zijn. Dit is vandaag de dag ook reeds het geval, zowel bij milieuvergunningen als bij stedenbouwkundige vergunningen. Het vierde lid bevat een afwijkende regeling voor aanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvatten (bv. mobiele betoncentrale). Vanwege hun aard kunnen deze projecten op verschillende locaties worden ingezet. Er is dus geen 1-op-1 verhouding tussen de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit en de plaats van exploitatie. De meer plaatsgebonden wijzen van bekendmaking van de vergunningsaanvraag zijn dan ook niet van toepassing (de aanplakking van een affiche op de plaats van de exploitatie, een individuele kennisgeving). De andere wijzen van bekendmaking blijven wel onverkort van toepassing. Voor deze projecten wordt voorzien in een meer pragmatische regeling voor de terinzagelegging en de publicatie op de website. Het is immers niet de bedoeling dat de aanvraag voor (of verandering aan) een uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichting of activiteit die bijvoorbeeld het volledige grondgebied van het Vlaamse Gewest bestrijkt, in elke van de 308 Vlaamse gemeenten ter inzage moet gelegd worden. Aldus wordt bepaald dat de aanvraag voor een project dat uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvat die zich uitstrekken over twee of meer gemeenten in een provincie ter inzage wordt gelegd in het provinciehuis van de betrokken provincie. Strekt dergelijk project zich uit over meerdere provincies, wordt de aanvraag in het provinciehuis van de betrokken provincies ter inzage gelegd. Aanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten omvat die beperkt zijn tot het grondgebied van een gemeente moeten alleen in het gemeentehuis van de betrokken gemeente ter inzage worden gelegd. De publicatie moet op zijn beurt slechts gebeuren op de website van de bevoegde overheid en (in bepaalde gevallen) in een dagblad. Ook hier kan het zijn dat een informatievergadering georganiseerd moet worden. De concrete modaliteiten van de verschillende wijzen van bekendmaking worden geregeld in artikel 18 en volgende van het besluit. Bij de uitwerking van deze modaliteiten werd in het bijzonder rekening gehouden met de voordelen van een doorgedreven digitalisering. Art. 17.Het is mogelijk dat een project uitgevoerd zal worden over meerdere gemeenten. Dit is bijvoorbeeld het geval voor nutsvoorzieningen. De initiatiefnemer zal voor een dergelijk project één project-MER / OVR opmaken, waarbij de alternatieven zich over meerdere gemeenten uitstrekken. De initiatiefnemer kan echter beslissen om de vergunningen, nodig voor dit project, in delen aan te vragen. Stel dat een watermaatschappij overweegt om een waterleiding aan te leggen over 3 gemeenten. De alternatieven, onderzocht in het project-MER / OVR, zullen zich dan over deze 3 gemeenten uitstrekken. Vervolgens vraagt de watermaatschappij eerst de vergunning aan in gemeente 1. Ze wil pas overgaan tot het aanvragen van de vergunning in gemeente 2 als de aanleg van de leiding in gemeente 1 bijna voltooid is. Idem voor gemeente 3. Het ontwerp van project-MER/OVR zal bij de eerste vergunningsaanvraag in openbaar onderzoek worden gelegd, zodat burgers en organisaties hierop kunnen reageren. Tijdens deze vergunningsprocedure zal de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage beslissen over de goedkeuring of afkeuring van het project-MER respectievelijk het OVR. In de volgende vergunningsprocedures zal het goedgekeurde project-MER / OVR ter inzage liggen in het openbaar onderzoek. Het is echter denkbaar dat burgers of organisaties uit gemeeente 2 en 3 opmerkingen hebben op het project-MER/OVR, waarvan de alternatieven zich immers ook op hun gemeente uitstrekken. Om deze personen en instanties deze kans te bieden, wordt voorzien dat als een vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER/OVR bevat dat alternatieven over meerdere gemeenten heeft, deze gemeenten een mededeling opnemen op hun website. Hierdoor worden deze personen en instanties op de hoogte gesteld van hun mogelijkheid om te reageren op het nog niet goedgekeurde project-MER/OVR. Art. 18.De tekst die gebruikt moet worden voor de bekendmaking van de vergunningsaanvraag wordt digitaal gegenereerd via het omgevingsloket. Dit artikel regelt de minimale inhoud van deze tekst. Art. 19.Het is mogelijk dat er betwistingen rijzen over het openbaar onderzoek. Dit kan gaan om een betwisting over de begin- of einddatum van het openbaar onderzoek en/of een betwisting over de naleving van bepaalde concrete modaliteiten. Als het bevoegde bestuur zich geconfronteerd ziet met dergelijke betwistingen, kan zij de gemeente of de vergunningsaanvrager verzoeken om verklaringen of bewijsstukken ter beschikking te stellen, zodat het bevoegd bestuur na kan gaan of de betwisting terecht is. Dergelijke verklaringen of bewijsstukken kunnen bestaan uit : 1. een beveiligde zending van de vergunningsaanvrager of de gemeente;2. processen-verbaal van vaststelling door een gerechtsdeurwaarder;3. e-mails of andere correspondentie over de bekendmaking in kwestie;4. visuele vaststellingen met datumvermelding;5. vaststellingen door de gemeentelijke omgevingsambtenaar of andere ambtenaren;6. verklaringen op erewoord. Verklaringen op erewoord kunnen uitgaan van zowel de gemeentelijke omgevingsambtenaar, de vergunningsaanvrager als van het publiek en worden steeds ondertekend. Verklaringen op erewoord zijn instrumenten die reeds frequent gebruikt worden in de praktijk. Het bewust afleggen van een onjuiste verklaring kan aanleiding geven tot strafrechtelijke sancties wegens valsheid in geschrifte. Als de bevoegde overheid op basis van de verklaringen of bewijsstukken vaststelt dat een onregelmatigheid werd begaan bij het openbaar onderzoek, kan zij beslissen om ambtshalve een nieuw openbaar onderzoek te organiseren door toepassing van een administratieve lus (vermeld in artikel 13 van het Decreet). Afdeling 2. - Aanplakking van een affiche Art. 20.Dit artikel bevat de nadere regels die moeten worden nageleefd bij de aanplakking van een affiche. Dit artikel is van toepassing op alle openbare onderzoeken behalve voor openbare onderzoeken voor projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen bevatten. In dat geval moet het openbaar onderzoek niet aangekondigd worden door aanplakking van een affiche, aangezien dat praktisch niet mogelijk zou zijn. Paragraaf 1 bepaalt hoe de affiche er uit moet zien. De tekst die het omgevingsloket heeft gegenereerd, moet met zwarte letters op een gele affiche van minimaal A2-formaat afgedrukt worden. Aan deze vereiste wordt eveneens voldaan wanneer de aanvrager de tekst afdrukt op A3-formaat en deze tekst vervolgens aanbrengt op een gele affiche van A2-formaat. Wat ruimtelijke ordening betreft, werd met het besluit van 4 april 2014 houdende de digitalisering van het ruimtelijke vergunningenbeleid reeds het minimaal A2-formaat ingevoerd. Door voorliggend besluit komt deze afmeting nu ook in de plaats van de voorwaarde dat de bekendmaking ten minste 35 vierkante decimeter groot moet zijn die thans nog voorzien is in milieuregelgeving. Uit de praktijk blijkt immers dat het eenvoudiger is te werken met de gestandaardiseerde A3- en A2-formaten. Bovenaan de gele affiche moet steeds het opschrift vermeld worden dat overeenstemt met de concrete aanleiding voor de organisatie van een openbaar onderzoek. Paragraaf 2 zet verder uiteen dat de affiche uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek aangeplakt moet zijn en dat deze aangeplakt moet blijven tot op de laatste dag van het openbaar onderzoek. De start- en einddatum van de aanplakking moeten in het omgevingsloket ingevoerd worden. Het tweede lid van paragraaf 2 herneemt de huidige regelgeving inzake ruimtelijke ordening waarin is voorzien dat een aanplakking dient te gebeuren op de plaats waar het onroerend goed paalt aan een openbare weg, of als dit aan verschillende openbare wegen paalt, aan elk van die openbare wegen. De huidige sectorale regelgeving inzake de milieuvergunning voorziet dit laatste niet. In het derde lid wordt vervolgens bepaald dat als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het openbaar domein, de aanplakking moet gebeuren aan elke zijde waar men van op de openbare weg de grens van het voorwerp van de vergunningsaanvraag bereikt. Lid vier verduidelijkt dat de vergunningsaanvrager instaat voor de aanplakking en dat deze aanplakking moet gebeuren op een schutting, op een muur of op een aan een paal bevestigd bord, op de grens tussen het terrein of de toegang tot het terrein en de openbare weg. Met de bewoordingen 'toegang tot het terrein' wordt gedoeld op terreinen die niet aan de openbare weg gelegen zijn, maar wel beschikken over een private toegangsweg tot de openbare weg en dit ongeacht het zakelijk of persoonlijk recht op basis waarvan deze toegang verkregen is. Ook als het voorwerp van de vergunningsaanvraag uitgevoerd wordt op een perceel dat niet aan een openbare weg gelegen is, moet de aanvrager overgaan tot een aanplakking op de plaats waar de private toegangsweg uitkomt op de openbare weg. De affiche moet gedurende de duur van de aanplakking steeds goed leesbaar zijn vanaf de openbare weg. Binnen de huidige sectorale regelgeving inzake de milieuvergunning bestaat momenteel de verplichting voor de burgemeester om een attest op te maken in geval van een milieuvergunningsaanvraag, waarin hij de aanplakking bevestigt. Binnen de regelgeving inzake ruimtelijke ordening is een verplichting voorzien waarbij de vergunningsaanvrager een dubbel van de aangeplakte bekendmaking naar de bevoegde overheid moet zenden. Geen van deze twee verplichtingen wordt behouden. Deze verplichtingen worden vervangen door de regeling van artikel 19 van het besluit, rond het ter beschikking stellen van verklaringen of bewijsstukken in geval van betwistingen over het openbaar onderzoek. Evenmin wordt de analoge bekendmaking, de aanplakking van een affiche, op een daartoe geëigende plaats van de gemeente zoals deze voorzien is in de huidige sectorale regelgeving inzake de milieuvergunning en ruimtelijke ordening weerhouden. Er wordt ten volle ingezet op de mogelijkheden die het digitale tijdperk met zich meebrengt. In redelijkheid kan gesteld worden dat de aanplakking aan het gemeentehuis een bekendmakingswijze is die in de praktijk alle belang heeft verloren. Niets belet gemeenten echter om uit eigen beweging het openbaar onderzoek op die manier aan te kondigen. Afdeling 3. - Publicatie op de website Art. 21.Dit artikel bevat de nadere regels over de publicatie van de aanvraag op de website van de bevoegde overheid (voor de bovengemeentelijke mobiele en verplaatsbare projecten) of de gemeente (in alle andere gevallen). De publicatie gebeurt op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op de website. Dit hoeft niet op de startpagina van de bevoegde overheid of de gemeente waar het voorwerp van de aanvraag uitgevoerd zal worden. Op de startpagina zou bijvoorbeeld een link naar het thema "omgeving" kunnen worden aangebracht, waarna op de pagina "omgeving" een rechtstreekse link naar de pagina met de aankondigingen van de lopende openbare onderzoeken wordt voorzien. De tekst die gebruikt moet worden, wordt gegenereerd door het omgevingsloket. Deze gegevens zijn echter een minimum. Als de gemeente of de bevoegde overheid dit nuttig acht, kan zij meer gegevens publiceren op haar website. Deze publicatie gebeurt uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek en duurt minstens tot de laatste dag van het openbaar onderzoek. Deze vorm van bekendmaking komt in de plaats van de aanplakking van een affiche, op de daartoe geëigende plaatsen van de gemeente. Afdeling 4. - Publicatie in een dag- of weekblad Art. 22.Dit artikel bevat de nadere regels over de publicatie van de tekst die gegenereerd wordt via het omgevingsloket in ten minste één dag- of weekblad met minstens regionaal karakter. Hiermee wordt bijvoorbeeld bedoeld dat de tekst in de plaatselijke editie van de krant gepubliceerd wordt, als deze krant over verschillende regionale edities beschikt. Een publicatie in alle regionale edities is niet vereist, maar kan uiteraard altijd. Een publicatie in een gemeentelijk infoblad dat slechts tweewekelijks of maandelijks verschijnt, beantwoordt niet aan de eisen van dit artikel : het is geen dag- of weekblad en het heeft geen regionaal, maar gemeentelijk karakter. Deze verplichting geldt slechts als de vergunningsaanvraag een project-MER of een omgevingsveiligheidsrapport omvat, of als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een inrichting of activiteit met een GPBV-installatie. Er is voor gekozen om de publicatie van het openbaar onderzoek over vergunningsaanvragen voor de vermelde projecten gelijk te schakelen met de bekendmaking van beslissingen over voormelde aanvragen. Een dergelijk uniform en transparant systeem van bekendmaking van het openbaar onderzoek en van de beslissing voor deze projecten bevordert de administratieve vereenvoudiging. Momenteel wordt, enkel wat stedenbouwkundige dossiers betreft die vergezeld zijn van project-MER, het openbaar onderzoek in drie dagbladen bekend gemaakt. Dit wordt nu dus enerzijds teruggebracht tot 1 dag- of weekblad. Wel wordt de bekendmaking uitgebreid tot dossiers die een omgevingsveiligheidsrapport omvatten en dossiers waar de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een inrichting of activiteit met een GPBV-installatie. Er wordt dan ook volledig aangesloten bij de regeling in artikel 31, § 2, derde lid, VLAREM I die voorziet dat een bekendmaking moet gebeuren "in minstens een dag- of weekblad met regionaal karakter en op de website van de gemeente op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats", behalve voor wat vergunningsaanvragen voor bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten betreft. Ter herinnering, de publicatie op de website van de gemeente of de bevoegde overheid (i.g.v. aanvragen uitsluitend bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten omvatten) wordt op algemene wijze verplicht door artikel 21 van het besluit. Het is de gemeente die instaat voor de publicatie in een dag- of weekblad, maar ze doet dit op kosten van de vergunningsaanvrager. Zij doet dit uiterlijk op de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek. Een laattijdige publicatie maakt een procedurefout uit, aangezien derden mogelijks niet over de volle periode van het openbaar onderzoek beschikken om het dossier te consulteren en eventueel bezwaar in te dienen. Hieraan kan enkel tegemoet gekomen worden door het openbaar onderzoek te hernemen (administratieve lus) of te verlengen. Tot slot voorziet deze paragraaf ook in een regeling voor het geval het voorwerp van de vergunningsaanvraag op twee of meer gemeenten uitgevoerd zal worden. In dat geval kan elke gemeente voor een publicatie zorgen, maar kan ook volstaan worden met een gecoördineerde publicatie. Paragraaf 2 bevat de regeling voor publicatie in een dag- of weekblad voor vergunningsaanvragen voor projecten of veranderingen aan bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten. Hier is niet de gemeente, maar de bevoegde overheid die instaat voor publicatie in een dag- of weekblad. Wel wordt verwezen naar artikel 17 dat stelt dat als een vergunningsaanvraag gepaard gaat met een nog niet goedgekeurd project-MER of omgevingsveiligheidsrapport en dit rapport over meer gemeenten gaat dan de gemeente waar het openbaar onderzoek plaats vindt, de andere gemeenten een mededeling op hun website moeten plaatsen, zodat hun inwoners op de hoogte raken van het project-MER of omgevingsveiligheidsrapport, en het openbaar onderzoek hierover. Op deze manier kunnen ook zij inspreken en hun opmerkingen over het project-MER of omgevingsveiligheidsrapport kenbaarmaken. Afdeling 5. - Individuele kennisgeving Art. 23.Dit artikel bevat de nadere regels inzake de individuele kennisgeving van het openbaar onderzoek aan bepaalde personen die in de omgeving van het voorwerp van de aanvraag gevestigd zijn. Een individuele kennisgeving is slechts vereist in de gevallen opgesomd in dit artikel. Paragraaf 1 voorziet een individuele kennisgeving in volgende gevallen : Voorwerp aanvraag ? Kennisgeving aan... Uitzonderingen ? Klasse 1-inrichting ( § 1, eerste lid) 1) de gebruikers van de gebouwen, voor zover gekend door de gemeente, en Niet bij aanvragen m.b.t. projecten die uitsluitend mobiele of verplaatsbare inrichtingen of activiteiten van klasse 1 omvatten 2) de eigenaars van de percelen gelegen in een straal van 100 meter rond - de perceelsgrens i.g.v. een gekadastreerd perceel - de uiterste grenzen van de inrichting of activiteit i.g.v. ongekadastreerd perceel Stedenbouwkundige handelingen op gekadastreerd perceel ( § 1, tweede lid) eigenaars van de aanpalende percelen Niet bij aanvragen m.b.t. lijninfrastructuren Verkavelen van gronden op gekadastreerd perceel ( § 1, tweede lid) eigenaars van de aanpalende percelen Beperking : bij bijstelling OVG voor verkavelen van gronden enkel kennisgeving aan eigenaars van de aanpalende percelen die geen deel uitmaken van de verkaveling De kennisgeving gebeurt steeds voorafgaand aan het openbaar onderzoek. Er gelden geen verdere formaliteiten. Een individuele kennisgeving voor deze aanvragen kan bijgevolg met een gewone brief en hoeft niet met een beveiligde zending. Deze regeling sluit aan bij de bestaande milieuregelgeving waarbij evenmin een aangetekend schrijven wordt vereist. Voor aanvragen voor stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden is dit een versoepeling ten opzichte van de huidige regelgeving waar wel een aangetekend schrijven of een afgifte tegen ontvangstbewijs wordt vereist. Het is mogelijk dat meerdere gevallen van toepassing zijn. In dit geval geldt de ruimste kennisgeving. Men kan hierbij denken aan een aanvraag voor een gemengd project dat zowel stedenbouwkundige handelingen (bv. oprichting bedrijfsgebouw) als de exploitatie van een klasse 1-inrichting omvat. Deze paragraaf bepaalt tevens wat verstaan moet worden onder `aanpalend perceel'. Soms is het niet eenvoudig om de gebruikers van gebouwen aan te schrijven. Vandaar dat in het artikel wordt bepaald dat de gemeente dit slechts hoeft te doen voor zover de gebruikers bij haar gekend zijn. Zo kan het zijn dat een gemeente de gebruikers niet kent van een gebouw, waar de gelijkvloerse verdieping gebruikt wordt door een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse waarboven studenten gehuisvest zijn. Ook bij vakantiewoningen kent de gemeente de eigenaar maar niet de gebruikers. Vanzelfsprekend zal de gemeente bij haar onderzoek van gebruikers de meest recente informatie gebruiken. Zo kunnen de diensten van het kadaster gegevens over eigenaars aan de gemeente verstrekken, maar kan de gemeente ook de Kruispuntdatabank van ondernemingen (KBO) raadplegen, of het bevolkingsregister. Het is niet nodig dat de gemeente nog verdere inspanningen terzake levert. Paragraaf 2 voorziet een individuele kennisgeving bij vergunningsaanvragen voor het verkavelen van gronden waarbij de aanvraag vermeldt dat de inhoud ervan strijdig is met het bestaan van door de mens gevestigde erfdienstbaarheden of van bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen met betrekking tot het grondgebruik. Buiten de kennisgeving, op grond van de eerste paragraaf, geldt in dit geval een tweede individuele kennisgeving : Voorwerp aanvraag ? Kennisgeving aan... Uitzonderingen ? Verkavelen van gronden en de aanvraag vermeldt dat inhoud strijdig is met bestaande conventionele erfdienstbaarheden of bij overeenkomst vastgelegde verplichtingen inzake grondgebruik ( § 2) Begunstigden van de erfdienstbaarheden of verplichtingen / Ook deze individuele kennisgeving moet voorafgaand aan het openbaar onderzoek gebeuren. In dit geval moet de individuele kennisgeving wel met een beveiligde zending gebeuren. De kosten van de beveiligde zendingen zijn ten laste van de gemeente. Dit is overigens vandaag de dag ook reeds zo in de geldende milieuregelgeving. In de huidige regelgeving ruimtelijke ordening vallen zij ten laste van de aanvrager. Paragraaf 1 en 2 verduidelijken dat de kennisgeving steeds door de gemeente gebeurt. Dit is een verschil met de huidige milieuregelgeving waar de burgemeester instaat voor de kennisgeving, maar sluit aan bij de huidige regeling inzake ruimtelijke ordening. Het is ook de gemeente die de namen en adressen van de eigenaars en de haar gekende gebruikers opzoekt. Heeft de aanvraag betrekking op een project dat op het grondgebied van meerdere gemeenten uitgevoerd wordt, staat elke gemeente in voor de individuele kennisgeving van de personen op haar grondgebied. Voor het opzoeken van de namen en adressen kan zij gebruik maken van de informatie verschaft door de diensten van het kadaster of andere, meer recente gegevens waarover zij beschikt. Afdeling 6. - De terinzagelegging Art. 24.Dit artikel voorziet dat de vergunningsaanvraag gedurende de periode van het openbaar onderzoek - dertig dagen - ter inzage wordt gelegd in het gemeentehuis waar de aanvrager het voorwerp van de vergunningsaanvraag wenst uit te voeren. Strekt het voorwerp van de aanvraag zich uit over meerdere gemeenten, organiseert elke gemeente op wiens grondgebied het voorwerp van de aanvraag betrekking heeft een ter inzagelegging. Voor aanvragen die betrekking hebben op uitsluitend bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten omvat geldt een afwijkende regeling en wordt de aanvraag ter inzage gelegd in het provinciehuis van de betrokken provincie of provincies. Zowel de vergunningsaanvraag als de bijlagen van de vergunningsaanvraag (bv. energiestudie, MOBER, passende beoordeling) worden ter inzage gelegd. De bijlagen van de vergunningsaanvraag worden geacht integraal deel uit te maken van de vergunningsaanvraag. Dit betekent dat als de vergunningsaanvraag een project-MER of een OVR bevat, deze niet alleen ter inzage worden gelegd, maar er tevens standpunten, opmerkingen of bezwaren op deze documenten geformuleerd kunnen worden. Deze verplichting volgt uit artikel 23, derde lid, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning. De terinzagelegging kan door het ter inzage leggen van een analoog exemplaar van het aanvraagdossier, maar ook door het aanbieden van de mogelijkheid tot digitale consultatie van het aanvraagdossier. De vergunningsaanvraag wordt ter inzage gelegd vanaf de begindatum van het openbaar onderzoek. Slaan de alternatieven in het nog niet goedgekeurde project-MER of OVR op meerdere gemeenten, maar betreft het voorwerp van de vergunningsaanvraag slechts één of enkele van deze gemeenten, zal op de website van deze andere gemeenten een mededeling gepubliceerd worden, zodat er voldoende kennisgeving is rond het ontwerp project-MER of OVR, ook naar de inwoners die mogelijks vallen onder de alternatieven van dit ontwerp project-MER of OVR. (zie eerder). Afdeling 7. - De informatievergadering Art. 25.De verplichting tot het organiseren van minstens één informatievergadering bestaat momenteel enkel in de milieuregelgeving en is beperkt tot klasse 1-inrichtingen waarvoor een MER of een OVR vereist wordt. Voor andere klasse 1- of klasse 2-inrichtingen is zij facultatief. In voorliggend besluit wordt deze verplichting tot het organiseren van een informatievergadering behouden. Voor projecten waarvoor de aanvraag geen project-MER of OVR moet omvatten, blijft het uiteraard mogelijk om op vrijwillige basis een informatievergadering te organiseren, ook als het project louter stedenbouwkundige handelingen betreft. Paragraaf 1 voorziet dat de informatievergadering plaats moet vinden tijdens de eerste twintig dagen van het openbaar onderzoek. Deze regel bestaat niet in de huidige milieuregelgeving waarin louter bepaald wordt dat de informatievergadering moet plaatsvinden tijdens het openbaar onderzoek. Door deze beperking in de tijd wordt gegarandeerd dat derden in ieder geval tijdig de nodige informatie over het project krijgen. De informatievergadering wordt georganiseerd door de gemeente samen met de vergunningsaanvrager en het bevoegde bestuur. Voor aanvragen voor projecten die zich uitstrekken over meerdere gemeenten kan volstaan worden met de organisatie van een gemeenschappelijke informatievergadering door alle gemeenten. Paragraaf 2 voorziet een afwijkende regeling voor aanvragen die uitsluitend betrekking hebben op bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten en een project-MER of een OVR omvatten. Voor deze aanvragen organiseert de provincie de informatievergadering samen met de aanvrager en het bevoegde bestuur en niet de gemeente. Voor aanvragen voor projecten die zich uitstrekken over meerdere provincies kan eveneens volstaan worden met de organisatie van een gemeenschappelijke informatievergadering door alle provincies. Paragraaf 3 somt de personen en instanties op die uitgenodigd worden voor de informatievergadering. Deze opsomming sluit aan bij hetgeen nu voorzien is in VLAREM I, met dien verstande dat de voorzitter van de milieuvergunningscommissie vervangen wordt door deze van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie. Op deze vergadering worden eveneens de colleges van burgemeester en schepenen op wiens grondgebied de exploitatie plaatsvindt, door de provincie uitgenodigd. Paragraaf 4 bepaalt dat de informatievergadering wordt voorgezeten door een lid van het bevoegde bestuur. De aanvrager (of zijn afgevaardigde) verschaft bijkomende toelichting en beantwoordt vragen om informatie op de vergadering. De gemeente, respectievelijk de provincie, stelt een verslag van de vergadering op. Dit kan door een andere persoon gebeuren dan deze die de informatievergadering voorzit. Afdeling 8. - Het formuleren van standpunten, opmerkingen en bezwaren Art. 26.Gedurende het openbaar onderzoek staat het iedere natuurlijke of rechtspersoon vrij om standpunten te formuleren en opmerkingen of bezwaren in te dienen. Dit kan analoog (schriftelijk) of via het omgevingsloket gebeuren. Mondelinge opmerkingen worden niet aanvaard. De standpunten, opmerkingen en bezwaren worden analoog (schriftelijk) of via het omgevingsloket ter kennis gebracht van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het voorwerp van de aanvraag uitgevoerd zal worden, tenzij het gaat om een openbaar onderzoek over een aanvraag voor uitsluitend bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten. In dit geval moeten de standpunten, opmerkingen en bezwaren ter kennis gebracht worden van de deputatie of deputaties. Afdeling 9. - Landsgrens- en gewestgrensoverschrijdende effecten Art. 27.Dit artikel bevat de nadere regels voor vergunningsaanvragen inzake projecten die mogelijks landsgrens- of gewestgrensoverschrijdende effecten kunnen hebben. Als het bevoegde bestuur vaststelt dat het voorwerp van de aanvraag aanzienlijke effecten voor mens en milieu zou kunnen hebben in een ander gewest, EU-lidstaat of verdragspartij bij het Verdrag van Espoo, of wanneer één van deze overheden hierom verzoeken, stelt het bevoegde bestuur de vergunningsaanvraag voor advies ter beschikking van de bevoegde autoriteit. Aangezien de bijlagen van de vergunningsaanvraag geacht worden integraal deel uit te maken van de vergunningsaanvraag, maakt de bevoegde overheid ook deze bijlagen over. De toepasselijke Europese regelgeving en het Verdrag van Espoo vereisen immers dat de overheden en het betrokken publiek in het gewest, de EU-lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Espoo in de mogelijkheid worden gesteld om inspraak te hebben. Dit artikel bepaalt verder wat wanneer meegedeeld moet worden, en welke mogelijkheden de inwoners van het betrokken gewest, de EU-lidstaat of de verdragspartij hebben en hoe eventuele inspraak verloopt. De in dit artikel opgenomen procedure sluit aan bij hetgeen op heden reeds voorzien is in de regelgeving inzake milieu en ruimtelijke ordening. Art. 28.Dit artikel bepaalt dat wanneer het bevoegde bestuur vaststelt dat het voorwerp van de vergunningsaanvraag de exploitatie van een ingedeelde inrichting betreft, en deze exploitatie ten gevolge van een zwaar ongeval waarschijnlijk betekenisvolle effecten kan hebben voor mens of milieu van een ander Gewest, een andere EU-lidstaat of een verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki, of wanneer een ander Gewest, een EU-lidstaat of een verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki hierom verzoekt, het bevoegd bestuur de vergunningsaanvraag en de bijhorende bijlagen aan de bevoegde autoriteiten van het Gewest, de EU- lidstaat of de verdragspartij bij het Verdrag van Helsinki voor advies overmaakt. Dit artikel bepaalt verder wat wanneer meegedeeld moet worden, en welke mogelijkheden de inwoners van het betrokken gewest, EU-lidstaat of de verdragspartij hebben en hoe eventuele inspraak verloopt. Afdeling 10. - Het afsluiten van het openbaar onderzoek Art. 29.Bij het afsluiten van het openbaar onderzoek moet de gemeente hetzij de provincie (in geval van aanvragen voor uitsluitend bovengemeentelijke mobiele of verplaatsbare projecten) de standpunten, opmerkingen en bezwaren die werden ingediend tijdens het openbaar onderzoek ter beschikking stellen van de POVC of de GOVC als diens advies vereist is, dan wel aan het bevoegde bestuur. Naargelang de inhoud van de aanvraag moeten deze gegevens bijkomend worden overgemaakt aan : 1. de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, als de aanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of een nog niet goedgekeurd OVR omvat;2. de gemeenteraad als de aanvraag wegenwerken omvat waarover de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft. Het ter beschikking stellen van de gegevens gebeurt steeds via het uitwisselingsplatform. Dit houdt in dat de gemeente hetzij de provincie het nodige moet doen om de standpunten, bezwaren en opmerkingen die analoog zijn ingediend in te scannen en op te laden op het uitwisselingsplatform. Hoofdstuk 6. - Adviesinstanties Artikel 24, 42 en 59 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning machtigen de Vlaamse Regering om de adviesinstanties aan te wijzen die over een vergunningsaanvraag advies verlenen. Dit betreft zowel de adviesinstanties in eerste administratieve aanleg (gewone en vereenvoudigde procedure) als in tweede administratieve aanleg. Naast de instanties die de Vlaamse Regering bij dit besluit aanwijst, wordt ook het advies ingewonnen van het college van burgemeester en schepenen of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft (in voorliggend besluit gedefinieerd als het adviserend schepencollege). In eerste aanleg wordt dit adviserend schepencollege om advies gevraagd als de deputatie of de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is tenzij : - de aanvraag ingediend is door het betrokken college of - de vergunningsaanvraag louter betrekking heeft op mobiele of verplaatsbare ingedeelde inrichtingen of activiteiten. In beroep wordt altijd het advies van het adviserend schepencollege ingewonnen tenzij het beroep ingesteld is door het betrokken college. Het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar heeft aldus rechtstreeks adviesbevoegdheid via het Decreet, ongeacht de instanties die de Vlaamse Regering zou aanwijzen. De adviesinstanties in eerste en in laatste administratieve aanleg zijn doorgaans dezelfde. Dit bevordert de transparantie van de regelgeving en sluit aan bij de devolutieve werking van het beroep waardoor het dossier in zijn totaliteit overgaat naar de bevoegde overheid in graad van administratief beroep. Uiteraard kunnen de adviesinstanties zelf intern voorzien in een differentiëring waarbij het advies in beroep door anderen kan worden opgesteld en ondertekend dan het advies in eerste aanleg. Titel 8 van voorliggend besluit maakt duidelijk dat het aanvragen en verlenen van adviezen steeds op digitale wijze, via het uitwisselingsplatform gebeurt. Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 30.Dit artikel herneemt de bestaande en voor zichzelf sprekende regel dat een advies van een adviesinstantie niet vereist is als de vergunningsaanvraag of het beroep uitgaat van deze instantie. Art. 31.Er is voor gekozen om de instanties die advies moeten uitbrengen over vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden enerzijds en deze die advies moeten uitbrengen over de vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten aan te duiden in twee aparte afdelingen. Afdeling 2 bevat de adviesinstanties voor vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden. Afdeling 3 bevat de adviesinstanties inzake vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten. Hierdoor is het mogelijk dat eenzelfde adviesinstantie op basis van beide afdelingen een advies moet uitbrengen. Om te vermijden dat dezelfde instantie in dergelijk geval twee adviezen moeten uitbrengen voorziet dit artikel dat deze instantie slechts één advies moet uitbrengen. Art. 32.Artikel 68 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning stelt dat een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur geldt, maar dat in een aantal - limitatief opgesomde gevallen - de bevoegde overheid toch kan beslissen om een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur te verlenen. In deze gevallen kunnen de adviesinstanties en het adviserend schepencollege een standpunt innemen over deze duur. Als zij een standpunt innemen, zullen ze hun beoordeling van de duur moeten motiveren in hun advies. Vanzelfsprekend kunnen de adviesinstanties maar een gemotiveerde beoordeling in hun advies opnemen als zij bevoegd zijn om een standpunt in te nemen over de reden van de vergunningsduur. Zo zal bv. het advies van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, slechts een gemotiveerde beoordeling kunnen bevatten van de duur van de omgevingsvergunning bij een vergunningsaanvraag waarbij de exploitatie betrekking heeft op een ontginning. Art. 33.Als een adviesinstantie of het adviserend schepencollege van oordeel is dat het aangevraagde vergunbaar is mits voorwaarden, bevat het advies een gemotiveerd voorstel van deze voorwaarden, voor wat hun bevoegdheid betreft. Stel dat OVAM van oordeel is dat exploitatie van de aangevraagde inrichting of activiteit verenigbaar wordt geacht met de bepalingen van de sectorale uitvoeringsplannen en met een duurzaam beheer van afvalstoffen en materialen mits er voorwaarden opgelegd worden, zal OVAM in haar advies deze voorwaarden gemotiveerd moeten voorstellen. De voorwaarden zelf kunnen, gelet op de bevoegdheid van OVAM, betrekking hebben op bv. het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Dit artikel spreekt over voorwaarden, de generieke term, waaronder bijzondere milieuvoorwaarden vallen, maar ook stedenbouwkundige voorwaarden. Art. 34.Zoals hierboven reeds aangehaald, leggen artikel 24, 42 en 59 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning een aantal gevallen vast waarin ook het advies van het college van burgemeester en schepenen of van de gemeentelijke omgevingsambtenaar op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft, ingewonnen wordt (zowel in eerste als in tweede administratieve aanleg). Dit artikel legt de minimale gegevens vast die het advies van het adviserend schepencollege moet bevatten. Afdeling 2. - De instanties die advies verlenen over stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden, en de inhoud van de adviezen Art. 35.Paragraaf 1 geeft aan dat dit artikel de instanties opsomt die advies verlenen over de vergunningsaanvraag of het beroep dat betrekking heeft op het uitvoeren van stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden. Paragraaf 2 verschilt ten opzichte van de bestaande regelgeving : er wordt niet langer advies gevraagd aan het departement RWO, maar wel aan de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning. De gevallen waarin aan deze afdeling advies wordt gevraagd, vallen uiteen in drie categorieën : 1. Er wordt steeds advies gevraagd als de Vlaamse Regering (in eerste en tweede aanleg) de bevoegde overheid is en het een aanvraag betreft waarop de gewone vergunningsprocedure van toepassing is.2. Er wordt advies gevraagd als de deputatie de bevoegde overheid is, het een aanvraag betreft waarop de gewone vergunningsprocedure van toepassing is en :
  9. a)het een provinciaal project betreft (dus niet over aanvragen die uitsluitend bovengemeenteljke mobiele of verplaatsbare projecten omvatten en evenmin over projecten die in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen of activiteiten omvatten die noch een Vlaams noch een gemeentelijk project of een onderdeel van een van beiden zijn);
  10. b)het een beroep betreft tegen een gemeentelijke vergunningsbeslissing waarbij de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, advies heeft verleend.3. In een aantal limitatief opgesomde gevallen moet tevens advies gevraagd worden aan de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, bij aanvragen waarvoor het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is en het een aanvraag is waarop de gewone vergunningsprocedure van toepassing is.Het gaat hierbij om :
  11. a)aanvragen waarvoor een project-MER is opgesteld of een ontheffing van de rapportageverplichting is verkregen;
  12. b)aanvragen die de opmaak van een mobiliteitseffectenrapport vereisen;
  13. c)aanvragen die een passende beoordeling vereisen; Dit betreft een aantal complexere aanvragen waarbij het advies van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, aangewezen wordt geacht om een kwaliteitsvolle vergunningverlening te kunnen garanderen. Paragraaf 2 voorziet tevens de mogelijkheid voor de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, om subadviezen in te winnen. Als dit gebeurt, wordt het subadvies verstrekt binnen twintig dagen, tenzij de adviesvraag een andere termijn zou vermelden. De afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan geen subadvies vragen als de instantie waaraan zij subadvies zou willen vragen, reeds om advies op vlak van ruimtelijke ordening gevraagd wordt. De paragrafen 3 tot 14 hernemen de bestaande adviesinstanties inzake stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden die aangeduid werden bij besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 02/06/2013 pub. 05/06/2013 numac 2013021062 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Koninklijk besluit tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 en van de koninklijke uitvoeringsbesluiten ervan sluiten9 tot aanwijzing van de instanties die over een vergunningsaanvraag advies verlenen, met weliswaar op een aantal plaatsen een beperkt aantal wijzigingen. In paragraaf 3 wordt het advies van het agentschap Onroerend Erfgoed behandeld. Een aantal minder belangrijke adviesverplichtingen worden geschrapt, aangezien het agentschap zich op zijn kerntaken wenst te focussen. De tekst verwijst naar de nieuwe terminologie, geïntroduceerd door het onroerenderfgoeddecreet. Het moge duidelijk zijn dat ook de vroegere beschermingen gevat worden door paragraaf 3. Het agentschap Onroerend Erfgoed verleent normalerwijze ook in beroep advies. Daarentegen verleent de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed en niet het Agentschap Onroerend Erfgoed advies als een beroep middelen opwerpt over : 1) het advies van het agentschap, of 2) de behandeling van dat advies door de bevoegde overheid. Werpt een beroep geen dergelijke middelen op, moet bijgevolg advies gevraagd worden aan het Agentschap Onroerend Erfgoed. Bij paragraaf 4 wordt opgemerkt dat daar waar het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 02/06/2013 pub. 05/06/2013 numac 2013021062 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Koninklijk besluit tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 en van de koninklijke uitvoeringsbesluiten ervan sluiten9 bij de adviesverplichting van het Agentschap voor Natuur en Bos spreekt over `aanvragen in parken en bossen, zoals gedefinieerd in het Bosdecreet, alsmede in gebieden die overeenkomstig de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen bestemd zijn voor parken en bossen' is deze verplichting reeds deels gevat door de adviesverplichting over `aanvragen in ruimtelijk kwetsbare gebieden'. Aanvragen in gebieden die overeenkomstig de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen bestemd zijn voor parken en bossen zijn immers aanvragen in een ruimtelijk kwetsbaar gebied. (zie art. 1.1.2, 10°, VCRO). Voor de duidelijkheid is ook opgenomen dat een advies van het agentschap voor Natuur en Bos vereist is als een passende beoordeling nodig is. Deze adviezen werden ook nu reeds de facto ingewonnen, zonder dat dit uitdrukkelijk in de regelgeving was opgenomen. In paragraaf 5 wordt het advies van het departement Mobiliteit en Openbare Werken vermeld voor dossiers met mobiliteitsstudie. Dit departement kan vanzelfsprekend subadviezen inwinnen van wegbeheerders en waterwegbeheerders. Deze mogelijkheid wordt echter niet regelgevend vastgelegd. Bij de adviezen van de wegbeheerder (paragraaf 6) zijn de provinciewegen weggevallen aangezien er nu geen provinciewegen meer bestaan. Het domein van de betrokken wegen is de eigendomsgrens. De 30 m. starten dus niet vanaf de betrokken weg zelf, maar vanaf deze eigendomsgrens.Bij autosnelwegen is dit meestal 1 meter verder dan de gracht naast de weg. In paragraaf 8 wordt verwezen naar het besluit watertoets. Voorliggend besluit bepaalt de gevallen waarin er advies wordt gevraagd - de gevallen vermeld in artikel 3 van het besluit watertoets -, en de instanties waaraan er advies gevraagd wordt - de instanties, vermeld in artikel 5 van het besluit watertoets. Het moge duidelijk zijn dat door deze adviesverplichting op te nemen in artikel 35, § 8,van voorliggend besluit, het advies dat ingevolge paragraaf 8 wordt uitgebracht, verder kan gaan dat een louter watertoetsadvies. Het kan ook betrekking hebben op geplande uitbreidingswerken van waterlopen en waterwegen zoals kanalen, op te respecteren afstanden, op geplande onteigeningen en bestaande erfdienstbaarheden, kortom op alle aspecten van de fysische infrastructuur. Op vraag van de afdeling Kust van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust is de formulering van paragraaf 11 ook veranderd. Het bleek immers ook relevant dat deze administratie adviesbevoegdheid krijgt in een beperkte zone landinwaarts van de veiligheidslijn. Bebouwing op die plaatsen kan immers ook zijn invloed op de kustverdediging hebben. Via het advies kan de afdeling randvoorwaarden opleggen. In bepaalde gevallen is het advies van de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage vereist. Dit is het geval bij welomschreven stedenbouwkundige handelingen die in de nabijheid van een Seveso-inrichting uitgevoerd zullen worden (paragraaf 15). Ook nieuw is de verplichting om advies te vragen aan het directoraat-generaal Luchtvaart als het voorwerp van de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een constructie die is hoger is dan 60 meter boven het maaiveld (paragraaf 16). De minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, wordt gemachtigd om per gemeente of, in de buurt van luchtvaartterreinen, per duidelijk omschreven gebied, te bepalen dat het advies van het directoraat-generaal vereist is voor constructies die hoger zijn dan een hoogte die de minister ten opzichte van het maaiveld bepaalt. De minister moet hierbij rekening houden met het gezamenlijk voorstel van de federale ministers bevoegd voor de Luchtvaart en de Defensie. Deze hoogtebepaling heeft als doel de burgerlijke en militaire luchtvaartterreinen, de visuele luchtvaartroutes, de militaire luchtvaartzones en de burgerlijke en militaire luchtvaartinstallaties voor communicatie, navigatie en toezicht (CNS) te beschermen. De twee opgenomen voorwaarden zijn van alternatieve aard, waardoor de strengste norm (de laagste hoogte) van toepassing is. Het Directoraat-Generaal Luchtvaart coördineert in zijn advies via subadviesvragen de eisen die verschillende instanties (Belgocontrol, luchthavenuitbater, defensie) terzake opleggen. Thans vragen vergunningverlenende overheden ook adviezen van het Directoraat-Generaal Luchtvaart, ook al is hier in de regelgeving ruimtelijke ordening geen verplichting toe. Die adviespraktijk kan blijven bestaan zolang de minister de hoogtes per gemeente of per duidelijk omschreven gebied nog niet heeft vastgelegd. De adviesvraag aan de ASTRID-veiligheidscommisie (vermeld in paragraaf 17) is niet nieuw.Ze is immers opgenomen in de federale regelgeving ( wet van 8 juni 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 08/08/1998 numac 1998003342 bron ministerie van financien Wet houdende interpretatie van de artikelen 1 en 3 van het Wetboek van de met het zegel gelijkgestelde taksen, zoals gewijzigd door artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 december 1996 houdende wijziging, met name wat het Landbouwkrediet N.V. betreft, van de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiële vennootschappen, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, en door de artikelen 27 en 28 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot wijziging van de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiële vennootschappen en van diverse andere bepalingen, wat betreft de Nationale Kas voor Beroepskrediet sluiten, artikel 22 en KB van 15 december 2013). Voor de duidelijkheid (en om de kans op vergissingen bij het vragen van adviezen te minimaliseren) wordt ze hier hernomen. Art. 36.Vooreerst wordt verduidelijkt dat de adviesinstanties advies geven over de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen of het aangevraagde verkavelen van gronden, dit conform de bepalingen van titel 4, hoofdstuk 3 "beoordelingsgronden" van de VCRO. Dit houdt in dat er geen advies gegeven kan worden over reeds vergunde stedenbouwkundige zaken die niet het voorwerp uitmaken van de aanvraag, of over zaken die geen deel uitmaken van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen of het aangevraagde verkavelen van gronden. Tevens geeft dit artikel aan dat de adviesinstanties hun advies moeten uitbrengen overeenkomstig artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de VCRO. Hierbij wordt de memorie van toelichting die opgemaakt werd bij de totstandkoming van deze artikelen (toen 119 en 120 DRO) in herinnering gebracht : "412. Het voorgestelde artikel 119 DRO geeft aan dat een vergunning principieel wordt geweigerd als uit de ingewonnen adviezen of uit het aanvraagdossier blijkt dat het aangevraagde strijdig is met direct werkende normen binnen andere sectoren dan de ruimtelijke ordening. Het begrip "normen" dekt zowel supranationale, wetskrachtige, reglementaire als beschikkende bepalingen. Het begrip sluit dus bv. ook individuele beschermingsbesluiten ten aanzien van beschermde monumenten en stads- en dorpsgezichten188 in. Een principiële weigering kan in gemotiveerde gevallen echter worden vermeden indien in de vergunning voorwaarden kunnen worden opgenomen die strekken tot een adequate afstemming van het aangevraagde op de sectorale vereisten. De voorgestelde regeling is in feite een veralgemening van bestaande principes in specifieke regelgeving, zoals artikel 16, § 1, van het Decreet Natuurbehoud. Aldaar wordt bepaald dat de vergunningverlenende overheid vermijdbare schade aan de natuur daadwerkelijk moet voorkomen, beperken of herstellen, hetzij door de vergunning te weigeren, hetzij door er redelijke voorwaarden aan te verbinden. 413. Het voorgestelde artikel 120 DRO geeft aan dat een sectoradvies ook kan leiden tot een weigering buiten het geval van een strikte strijdigheid met sectorale regelgeving of beschikkingen, m.n. in het geval het aangevraagde "onwenselijk" is in het licht van de doelstellingen of zorgplichten die gehanteerd worden binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Met "doelstellingen of zorgplichten" wordt verwezen naar niet rechtstreeks uitvoerbare regelgevingen of principes. Te denken valt bv. aan artikel 6 van het Decreet Natuurbehoud (algemene doelstellingen van het natuurbeleid) of artikel 2, tweede lid, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg ("Het landschap is een essentieel bestanddeel van de leefwereld van de volkeren, als uitdrukking van de verscheidenheid van hun gemeenschappelijk cultureel en natuurlijk erfgoed en als basis van hun identiteit")." Afdeling 3. - De instanties die advies verlenen over de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, en de inhoud van de adviezen Art. 37.Dit artikel somt de instanties op die advies moeten verlenen over de aanvraag of het beroep dat betrekking heeft op de exploitatie van een vergunningsplichtige ingedeelde inrichting of activiteit (paragraaf 1). In paragraaf 2 worden de gevallen opgesomd waarin de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, advies verleent. De gevallen waarin deze afdeling advies verleent, zijn gewijzigd ten opzichte van de huidige regeling vervat in VLAREM I. De onderliggende gedachte blijft evenwel hetzelfde, met name dat deze adviesverlening beperkt moet blijven tot de meer complexe dossiers. De gevallen waarin advies wordt gevraagd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, vallen uiteen in drie categorieën : 1. er wordt advies gevraagd als de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar de bevoegde overheid is (gewone én vereenvoudigde procedure);2. er wordt ook advies gevraagd als de deputatie zich over de aanvraag of het beroep moet uitspreken;3. als het college van burgemeester en schepenen de bevoegde overheid is, wordt slechts advies gevraagd over de in de indelingslijst met de letter A aangemerkte inrichtingen.Dit zal in belangrijke mate overeenkomen met de dossiers die van klasse 1 naar klasse 2 (dus "2A") worden gedeclasseerd. Ook de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, kan subadviezen inwinnen. De regeling hier is hetzelfde als voor het inwinnen van subadviezen door de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze is trouwens geïnspireerd op de huidige regeling in VLAREM I. Zo zou subadvies gevraagd kunnen worden aan de brandweer, dit is immers een instantie die activiteiten ontwikkelt op het vlak van veiligheid, of aan De Lijn, als instantie met activiteiten op het vlak van mobiliteit. Paragraaf 3 voorziet een verplicht advies door de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Deze afdeling wordt om advies gevraagd over dossiers met milieuaspecten : 1. als het een beroep bij de deputatie betreft en het om een aanvraag gaat waarop de gewone vergunningsprocedure van toepassing is.Het is niet zo dat bij alle aanvragen op gemeentelijk niveau advies gevraagd wordt aan de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning; 2. als de Vlaamse Regering de bevoegde overheid is, zowel in eerste als in laatste administratieve aanleg, en het aanvragen betreft die de gewone vergunningsprocedure volgen. Paragrafen 4 tot 10 hernemen de bestaande adviesinstanties inzake de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit. Adviesverplichtingen die nieuw ingevoerd worden, zijn deze door : - het Departement Mobiliteit en Openbare Werken ( § 11), - het Agentschap Natuur en Bos ( § 12), - de adviesinstanties vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 10/10/2013 numac 2013000542 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 30/08/2001 numac 2001000726 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen sluiten3 m.b.t. de watertoets ( § 13). De gevallen waarin deze instanties om advies gevraagd wordt, is op vergelijkbare wijze ingevuld als bij ruimtelijkeordeningsdossiers. - het Agentschap onroerend erfgoed of de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed (rekening houdend met de regelgeving inzake onroerend erfgoed) ( § 14), - het Federaal Agentschap voor de Nucleaire Controle ( § 15), - het Departement Landbouw en Visserij ( § 16). De advisering door deze instanties is uiteraard niet volledig nieuw. Vandaag de dag wordt hun advies vaak ingewonnen door de afdeling Milieuvergunningen (via de regeling van het subadvies). Wat betreft de adviesverplichting van het Agentschap Natuur en Bos (paragraaf 12) wordt er gewezen de definitie van ruimtelijk kwetsbaar gebied in artikel 1.2.2, 10°, VCRO, als :
  14. a)de volgende gebieden, aangewezen op plannen van aanleg : 1) agrarische gebieden met ecologisch belang, 2) agrarische gebieden met ecologische waarde, 3) bosgebieden, 4) brongebieden, 5) groengebieden, 6) natuurgebieden, 7) natuurgebieden met wetenschappelijke waarde, 8) natuurontwikkelingsgebieden, 9) natuurreservaten, 10) overstromingsgebieden, 11) parkgebieden, 12) valleigebieden,
  15. b)gebieden, aangewezen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, en sorterend onder één van volgende categorieën of subcategorieën van gebiedsaanduiding : 1) bos, 2) parkgebied, 3) reservaat en natuur,
  16. c)het Vlaams Ecologisch Netwerk, bestaande uit de gebiedscategorieën Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten1 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu,
  17. d)de beschermde duingebieden en de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangeduid krachtens artikel 52, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud; Hoewel er vaak een passende beoordeling vereist is in of op minder dan 750 meter van een speciale beschermingszone aangewezen met toepassing van artikel 36bis van het Natuurdecreet, kan het ook voorvallen dat een passende beoordeling ook uitgevoerd moet worden buiten die zone van 750 m (vb. bij een kerncentrale die zich op 1 km van deze beschermingszone bevindt). Art. 38.Dit artikel zet per adviesinstantie de gegevens uiteen die het advies moet bevatten. Zo bepaalt paragraaf 1 dat het advies van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, een gemotiveerde beoordeling bevat van "de aanvaardbaarheid van de hinder en de risico's voor mens en milieu afkomstig van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit". Deze formulering omvat de beoordeling van alle mogelijke soorten van hinder en risico's. Als de exploitatie van de aangevraagde inrichting of activiteit aanvaardbaar wordt geacht, bevat het advies een verwijzing naar de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in voorkomend geval de noodzakelijke bijzondere milieuvoorwaarden. Paragraaf 2 vermeldt de gegevens die het advies van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, moet bevatten. Aangezien deze afdeling niet altijd een advies moet uitbrengen, is elders voorzien dat het advies van het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar eveneens vergelijkbare gegevens bevat (zie artikel 34). Paragrafen 3 tot 9 hernemen hetgeen reeds bestaat in VLAREM I, met uitzondering van enkele kleine wijzigingen. Paragrafen 10 tot 14 zetten de gegevens uiteen die de adviezen van de nieuw, toegevoegde adviesinstanties moeten bevatten. Wat betreft het advies van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, is het zo dat het advies in het geval van een aanvraag tot schrapping als een Y-inrichting een gemotiveerde beoordeling bevat van de documenten in de aanvraag die moeten aantonen dat een inrichting niet langer een inrichting met een BKG-installatie is (paragraaf 6). Het is noodzakelijk om bij aanvragen voor inrichtingen inzake aquacultuur het advies te vragen aan het Departement Landbouw en Visserij aangezien zij over een passende deskundigheid beschikken. Deze adviesverplichting wordt dan ook ingeschreven. Dit advies bespreekt de risico's en mogelijke risicobeperkende maatregelen wat betreft de introductie van exoten in open aquacultuurvoorzieningen of de verplaatsing van plaatselijk niet-voorkomende soorten binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied (paragraaf 15). Hoofdstuk 7. - De omgevingsvergunningscommissies In het kader van een kwalitatieve vergunningverlening voorziet het Decreet betreffende de omgevingsvergunning in de oprichting van een gewestelijke en vijf provinciale omgevingsvergunningscommissies (GOVC respectievelijk POVC) die adviseren over complexe en omvangrijke projecten. Deze commissies oefenen overeenkomstig het Decreet betreffende de omgevingsvergunning de volgende bevoegdheden uit : 1. een adviesbevoegdheid, in de gevallen die de Vlaamse Regering in afdeling 2 van dit hoofdstuk nader bepaalt;2. een bevoegdheid om de kennelijke ongegrondheid te onderzoeken van de aangevoerde motieven bij een verzoek of initiatief tot ambtshalve van een omgevingsvergunning, in de gevallen, bepaald in artikel 85 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning; 3. een bevoegdheid tot coördinatie en uitvoering van algemene evaluaties of specifieke evaluaties van ingedeelde inrichtingen of activiteiten, in de gevallen, bepaald in artikel 204 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning (5.4.12 van het DABM). In artikel 16, § 2, van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning wordt reeds de samenstelling van deze commissies bepaald, zij het beperkt, en de relatie met het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar. Ook van de werking werden in het decreet enkel de essentiële elementen vastgelegd. De verdere regels voor de samenstelling en de werking van de POVC en de GOVC worden vastgelegd in dit besluit. Afdeling 1. - Samenstelling van de omgevingsvergunningscommissies Art. 39.De POVC is samengesteld uit : 1. een voorzitter;2. een secretaris;3. twee deskundigen;4. het adviserend schepencollege met raadgevende stem tenzij de aanvraag, het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling of het beroep uitgaat van het betrokken college;en 5. vertegenwoordigers van de adviesinstanties voor de dossiers waarover zij moeten adviseren. De voorzitter, de deskundigen en de vertegenwoordigers van de adviesinstanties hebben stemrecht. Het adviserend schepencollege heeft geen stemrecht, enkel een raadgevende stem. De secretaris heeft noch stemrecht noch een raadgevende stem. In een zitting van de POVC worden meestal meerdere dossiers geagendeerd. Sommige adviesinstanties zijn dan betrokken bij een aantal dossiers maar niet bij alle geagendeerde dossiers. Het is om praktische redenen in zo'n geval niet nodig dat zij bij de beraadslaging over de dossiers waarin zij niet betrokken zijn, de zaal verlaten. Het is voldoende als zij zich onthouden van deelname aan de beraadslaging en vanzelfsprekend ook de eventuele stemming. De deskundigen kunnen voor het zetelen in de POVC en voor hun reis- en verplaatsingskosten een vergoeding ontvangen conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983. Deze presentiegelden en reiskosten worden aangerekend op de begroting van de betrokken provincie. Art. 40.Dit artikel regelt de samenstelling van de GOVC. Vergelijkbaar met de POVC bestaat de GOVC uit : 1. een voorzitter, 2.een secretaris, 3. deskundigen, 4.het adviserend schepencollege met raadgevende stem tenzij de vergunningsaanvraag of het beroep van het betrokken college uitgaat, 5. vertegenwoordigers van de adviesinstanties voor de dossiers waarover zij moeten adviseren. Het adviserend schepencollege is het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, of de gemeentelijke omgevingsambtenaar als deze conform het Decreet betreffende de omgevingsvergunning advies verlenen. De regels inzake het stemrecht zijn dezelfde als deze die gelden voor de POVC. De persoon die de functie van voorzitter uitoefent, verschilt naargelang de inhoud van de concrete aanvraag, het beroep, het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling maar is hetzij het afdelingshoofd van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of zijn gemachtigde hetzij het afdelingshoofd van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of zijn gemachtigde. Heeft de vergunningsaanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling uitsluitend betrekking op stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden, neemt het afdelingshoofd van de afdeling RO, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of zijn gemachtigde het voorzitterschap waar. De secretaris is dan een ambtenaar van deze afdeling. Heeft de aanvraag, het beroep of het verzoek of initiatief tot ambtshalve bijstelling uitsluitend betrekking op de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten, neemt het afdelingshoofd van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, of zijn gemachtigde het voorzitterschap waar. De secretaris is in dat geval eveneens een ambtenaar van deze afdeling. Voor aanvragen, beroepen,... die zowel betrekking hebben op stedenbouwkundige handelingen als op de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten bepalen de afdelingshoofden van voormelde afdelingen of hun gemachtigden in onderling overleg wie van hen het voorzitterschap waarneemt. De secretaris van de GOVC voor gemengde projecten is eveneens een ambtenaar van één van beide afdelingen die na onderling overleg tussen beide afdelingshoofden of hun gemachtigden wordt aangeduid. Er wordt voorzien dat zowel de minister bevoegd voor leefmilieu als de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening elk twee deskundigen en hun plaatsvervangers aanduiden op grond van hun bijzondere wetenschappelijke en technische bekwaamheid inzake ruimtelijke ordening, respectievelijk milieu. Dit vormt een verlengstuk van de huidige VLAREM-regelgeving waar eveneens twee deskundigen voor milieu worden aangeduid. Deze deskundigen zetelen in de GOVC naargelang van hun bekwaamheid. Enkel wanneer het gaat om aanvragen of beroepen over gemengde projecten zetelen alle vier de deskundigen. Voor aanvragen, beroepen of verzoeken of initiatieven tot ambtshalve bijstelling die uitsluitend betrekking hebben op hetzij stedenbouwkundige handelingen/verkavelen van gronden hetzij de exploitatie van ingedeelde inrichtingen zetelen slechts de twee deskundigen die voor ruimtelijke ordening respectievelijk milieu zijn aangewezen. Net als bij de POVC is ook hier voorzien dat de deskundigen of hun plaatsvervangers een presentievergoeding en eventuele reiskosten kunnen ontvangen. Op een zitting van de GOVC worden meestal meerdere dossiers geagendeerd. Sommige adviesinstanties zijn dan betrokken bij een aantal dossiers maar niet bij alle geagendeerde dossiers. Het is om praktische redenen in zo'n geval niet nodig dat zij bij de beraadslaging over de dossiers waarin zij niet betrokken zijn, de zaal verlaten. Het is voldoende als zij zich onthouden van deelname aan de beraadslaging en vanzelfsprekend ook de eventuele stemming. Afdeling 2. - Advisering door en werking van de omgevingsvergunnings-commissies Art. 41.In dit artikel worden de gevallen uiteengezet waarin de POVC om advies moet gevraagd. Het gaat hierbij steeds om aanvragen die behandeld moeten worden overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure, aangezien de POVC nooit advies verleent in het kader van de vereenvoudigde vergunningsprocedure. Het eerste lid somt de vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten op waarbij het college van burgemeester en schepenen of de gemeentelijke omgevingsambtenaar het advies van de POVC moet vragen. Dit betreft de meer complexe dossiers, zoals dossiers waarbij een project-MER is opgesteld of een ontheffing van de rapportageverplichting is verkregen, een mobiliteitseffectenrapport of een passende beoordeling vereist is. Momenteel brengt de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) geen adviezen uit aan de colleges van burgemeester en schepenen. Deze advisering door de POVC is dus volledig nieuw. Het tweede lid somt de vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten op waarbij de deputatie of de door haar gemachtigde ambtenaar het advies van de POVC vraagt. De huidige PMVC geeft momenteel advies aan de deputatie over : - de exploitatie van klasse 1-inrichtingen, - beroepen tegen beslissingen van het college van burgemeester en schepenen m.b.t. klasse 2-inrichtingen. De POVC zal dus - voor wat betreft dossiers op provinciaal niveau - in iets meer gevallen dan de PMVC advies moeten uitbrengen aan de deputatie, gezien de POVC ook om advies gevraagd wordt bij bepaalde aanvragen voor stedenbouwkundige handelingen. Bij gemengde aanvragen zal haar advies dan ook slaan op zowel het aspect "stedenbouwkundige handelingen" (nieuw) als het aspect "exploitatie" (analoog aan PMVC). Art. 42.In dit artikel wordt bepaald in welke gevallen de Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar het advies van de GOVC moet vragen. Ook hier geldt de regel dat het advies slechts vereist is voor vergunningsaanvragen of beroepen die behandeld worden overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure. Aldus verleent de GOVC advies als het gaat over : 1. vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan een project waarvoor de Vlaamse Regering in eerste aanleg bevoegd is, voor zover het project geen handelingen betreft met betrekking tot infrastructuur met openbaar karakter voor als een bovenlokaal netwerk functionerende communicatienetwerken in functie van radiocommunicatie, telefoonverkeer, televisie, internet of andere, al dan niet draadloos (punt 21° van de lijst van Vlaamse projecten). Deze dossiers worden niet aan het advies van de GOVC onderworpen omdat uit de praktijk blijkt dat er doorgaans zeer weinig adviesinstanties bij dergelijke aanvragen betrokken zijn; 2. beroepen tegen beslissingen van de deputatie. Gezien het advies van de POVC gevraagd wordt in alle dossiers die de gewone vergunningsprocedure doorlopen en waar de deputatie de in eerste administratieve aanleg bevoegde overheid is, wil dit zeggen dat voor deze dossiers in eerste aanleg een advies van de POVC en in beroep een advies van de GOVC vereist is. Art. 43.Paragraaf 1 van dit artikel bepaalt de frequentie van de vergaderingen van de POVC en de GOVC. Zij moeten minimaal 1 keer per maand vergaderen. Ook de huidige VLAREM-regelgeving voorziet dat de milieuvergunningscommissies minstens 1 keer per maand vergaderen. Wel wordt uitdrukkelijk bepaald dat meerdere vergaderingen per maand moeten plaatsvinden, als dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van de POVC of de GOVC. Paragraaf 2 regelt de vaststelling van de agenda en de oproeping van de verschillende leden. Hierbij moeten de opgegeven termijnen gerespecteerd worden. Art. 44.Dit artikel regelt het hoorrecht voor de POVC en de GOVC. Een vergunningsaanvrager of een beroepsindiener moet in zijn aanvraagdossier of zijn beroepschrift aangeven of hij wenst gehoord te worden door de bevoegde omgevingsvergunningscommissie (elders vastgelegd in dit besluit). In dat geval zal de aanvrager of beroepsindiener door de POVC of de GOVC uitgenodigd worden. Om een performante werking van de omgevingsvergunningscommissie te waarborgen, kan de voorzitter of de secretaris beslissen om in functie van de agenda de spreektijd en het maximale aantal vertegenwoordigers (milieucoördinator, adviesbureau etc.) van de vergunningsaanvrager of beroepsindiener nader te bepalen en te beperken. Een aantal mogelijke voorbeelden : - Bij 1 beroepschrift maximaal 4 vertegenwoordigers, met maximaal 10 minuten gezamenlijke spreektijd, waarbij aan de aanvrager maximaal 4 vertegenwoordigers worden toegestaan, met gezamenlijk 10 minuten spreektijd. - Bij 5 beroepschriften elk maximaal 2 vertegenwoordigers, met per beroepsindiener maximaal 3 minuten spreektijd (15 minuten totaal), waarbij aan de aanvrager maximaal 4 vertegenwoordigers worden toegestaan, met gezamenlijk ook 15 minuten spreektijd. - Bij 10 aparte beroepschriften elk maximaal 1 vertegenwoordiger, met per beroepsindiener 1,5 minuten spreektijd, waarbij de beroepsindieners kunnen beslissen om de spreektijd samen te voegen. Aan de aanvrager worden maximaal 4 vertegenwoordigers toegestaan, met gezamenlijk ook 15 minuten spreektijd. De aantallen en spreektijden in deze voorbeelden kunnen uiteraard worden verkort bij weinig complexe dossiers en verlengd bij complexe aanvragen. Niets belet dat de POVC of de GOVC de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, uitnodigt op de vergadering om de nodige toelichting te kunnen geven over het (op dat moment reeds goedgekeurde) project-MER of OVR. Bovendien staat niets er aan in de weg dat deze afdeling, uit eigen beweging, contact neemt met de POVC/GOVC en deze voorstelt om een toelichting te geven. Deze afdeling is immers - doordat zij een beslissing genomen heeft over de project-MER op de hoogte van het dossier. Art. 45.Dit artikel verduidelijkt dat de POVC of de GOVC rekening moet houden met alle beschikbare dossierstukken, gegevens en informatie bij het formuleren van haar advies. Er wordt in eerste instantie getracht om een geïntegreerd advies te bereiken met eenparigheid. Als dit niet mogelijk blijkt, formuleert de meerderheid van de aanwezige leden een advies met vermelding van minderheidsstandspunten. De regel dat de POVC of de GOVC enkel rechtsgeldig kan beraadslagen indien minstens de helft van haar stemgerechtigde leden aanwezig is, (momenteel opgenomen bij PMVC en GMVC) wordt niet hernomen om in het belang van de rechtszekerheid de dwingende termijnen zo veel als mogelijk te kunnen naleven. Art. 46.Dit artikel zet de gegevens uiteen die het advies van de OVC minstens moet bevatten. Het gaat ten eerste om een gemotiveerde beoordeling van "het aangevraagde", rekening houdend met de toepasselijke beoordelingsgronden inzake ruimtelijke ordening en milieu en verschillende uitgebrachte adviezen. Met "het aangevraagde" wordt naargelang het concrete geval gedoeld op de vergunningsaanvraag, het gemotiveerd verzoek tot bijstelling, het initiatief tot ambtshalve bijstelling (in eerste administratieve aanleg) maar ook hetgeen aangevraagd wordt in graad van administratief beroep. Ten tweede bevat het advies van de omgevingsvergunningscommissie een gemotiveerde beoordeling van eventuele standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek. Met ingediende standpunten, opmerkingen en bezwaren moet dus niet alleen rekening gehouden worden, zij moeten eveneens beoordeeld worden. Ten derde kan de omgevingsvergunningscommissie in haar advies, als zij dit noodzakelijk acht op basis van het concrete dossier, eveneens een gemotiveerd voorstel van duur van de omgevingsvergunning, voorwaarden en lasten formuleren. Hoofdstuk 8. - Beslissing over de zaak van de wegen Art. 47.Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning herneemt de welbekende regeling van de tussenkomst van de gemeenteraad over de zaak van de wegen. Voor alle duidelijkheid wordt ook hier herhaald : - de bevoegde overheid mag rechtstreeks weigeren zonder het dossier aan de gemeenteraad voor te leggen; - de regeling geldt zowel voor aanvragen voor stedenbouwkundige handelingen als voor het verkavelen van gronden; - beslist de gemeenteraad ongunstig over de zaak van de wegen, dan kan de bevoegde overheid geen vergunning verlenen, ook niet in beroep; - de gemeenteraad spreekt zich enkel uit over de zaak van de wegen, niet over de vergunningsaanvraag; - de gemeenteraad bespreekt enkel de bezwaren die handelen over de zaak van de wegen, niet de andere bezwaarschriften. De gemeenteraadsbeslissing moet binnen een welbepaalde termijn ter beschikking gesteld worden van de bevoegde OVC dan wel het bevoegd bestuur. Hoofdstuk 9. - De beslissing Hoewel het Decreet betreffende de omgevingsvergunning verschillende bepalingen bevat over de beslissing over een vergunningsaanvraag (zoals de termijnen waarbinnen de beslissing genomen moet worden en bepaalde inhoud van de beslissing), wordt de wijze van bekendmaking van de beslissing aan de Vlaamse Regering overgelaten. Afdeling 1. - Inhoud van de beslissing Art. 48.Paragraaf 1 van dit artikel zet de gegevens uiteen die de beslissing over de vergunningsaanvraag minstens moet omvatten. ? Het gebruik van de woorden 'in de aanleg in kwestie' in punt 3° maakt duidelijk dat een beslissing in eerste aanleg een verwijzing moet bevatten naar de adviezen die in eerste aanleg werden uitgebracht en een beslissing genomen in graad van beroep een verwijzing naar de adviezen uitgebracht in graad van beroep. Er geldt in graad van beroep geen verplichting om eveneens te verwijzen naar de adviezen die uitgebracht werden in eerste administratieve aanleg. ? Bij de motivering van de beslissing moet conform punt 6° onder meer rekening gehouden worden met :
  18. a)de beoordelingsgronden vermeld in de toepasselijke regelgeving (Titel IV VCRO en Titel V DABM) en
  19. b)in voorkomend geval, het ondeelbaar karakter van de beslissing wegens het onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn van de vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen en de vergunningsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten. Dit laatste criterium kan op tweeërlei wijze ingrijpen op de beslissing over de vergunningsaanvraag : 1. een aanvraag wordt ingediend voor één enkel aspect (stedenbouwkundige handelingen of exploitatie ingedeelde inrichting of activiteit) en de bevoegde overheid stelt vast dat beide aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.In dit geval moet de bevoegde overheid de aanvraag onontvankelijk verklaren overeenkomstig artikel 18 van het Decreet betreffende de omgevingsvergunning. 2. een aanvraag wordt wel ingediend voor beide aspecten (stedenbouwkundige handelingen en exploitatie ingedeelde inrichting of activiteit) en de bevoegde overheid stelt vast dat beide aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn : In dit geval zal de bevoegde overheid - als ook de andere ontvankelijk- en volledigheidsvoorwaarden voldaan zijn - de vergunningsaanvraag ontvankelijk verklaren.Het blijft evenwel mogelijk dat zij in dit geval bij de beoordeling ten gronde tot de vaststelling komt dat de vergunn

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.