← België

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw

Kort samengevat

Dit besluit wijzigt verschillende bestaande regels en besluiten met betrekking tot leefmilieu en landbouw in Vlaanderen. Het doel is om wetgeving te actualiseren, te vereenvoudigen en duidelijker te maken.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

Wettekst

3 MEI 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu en landbouw DE VLAAMSE MINISTER VAN OMGEVING, NATUUR EN LANDBOUW VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Algemene toelichting Dit besluit wijzigt een reeks bepalingen van titel II van het VLAREM en het VLAREL. Ook worden de volgende besluiten van de Vlaamse Regering met dit besluit gewijzigd: -het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten4 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater (Stooktoestellenbesluit) - het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 31/03/2000 numac 1999000004 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten0 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 03/07/1999 numac 1999012495 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot vaststelling van een model van de PWA-arbeidsovereenkomst en tot uitvoering van artikel 17, 3° van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst sluiten2 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid - titel III van het VLAREM. Hieronder worden de voornaamste wijzigingen algemeen toegelicht. 1. Vertaling van Vlaamse BBT-studies Sinds de VLAREM-trein 2011 ( besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 31/03/2000 numac 1999000004 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten6) wordt er bij elke VLAREM-wijziging werk van gemaakt om de laatste nieuwe BBT-studies telkens systematisch te vertalen naar het VLAREM.Met onderhavige VLAREM-wijziging worden volgende Vlaamse BBT-studies opgenomen in titel II van het VLAREM:

  1. a)voor verontreinigd hemelwater voor de afvalopslag sector;
  2. b)voor de aardappel, groente- en fruitverwerkende nijverheid;
  3. c)voor de vlees- en visverwerkende industrie.2. Het opheffen van het systeem van de "integrale voorwaarden" Het huidige systeem van de integrale voorwaarden voorziet in een meldingsplichtige (klasse 3) rubriek voor enerzijds standaardgarages- en carrosseriebedrijven en anderzijds standaardhoutbewerkingsbedrijven, meer bepaald resp.rubrieken 15.5 en 19.8 van de indelingslijst bij VLAREM I, alsook in een volledige set van integrale voorwaarden voor deze inrichtingen, zodat de verschillende voorwaarden niet meer doorheen het gehele VLAREM moeten gezocht worden, namelijk in deel 5BIS van VLAREM II "Pakketten milieuvoorwaarden voor bepaalde ingedeelde inrichtingen derde klasse", meer bepaald in hoofdstuk 5BIS.15.5 voor de standaardgarages- en carrosseriebedrijven en hoofdstuk 5BIS.19.8 voor de standaardhoutbewerkingsbedrijven. Door de sterk doorgedreven digitalisering van de laatste jaren is de nood tot een dergelijke set voorwaarden in de wetgeving zelf echter drastisch verminderd. Er bestaat een alternatief voor het aanbieden van dergelijke sets voorwaarden, niet enkel voor deze standaardinrichtingen, maar in feite voor alle ingedeelde inrichtingen, namelijk de personalisatie van de Navigator, zodat je als exploitant enkel een zicht kan krijgen op de voorwaarden die voor uw inrichting van toepassing zijn. De administratie werkt nog verder aan het gebruiksvriendelijker maken van deze navigator. Daarnaast zijn er in de rubriek 15.5 wat vereenvoudigingen doorgevoerd t.o.v. de oorspronkelijke rubrieken waardoor bijvoorbeeld de opslag van gevaarlijke stoffen beperkter is in deze rubriek dan in de overeenkomstige klasse 3 -rubrieken van de gewone indelingslijst. Door gebruik te maken van de gewone indelingslijst is men dus qua opslag gevaarlijke stoffen wat flexibeler. Voor alle duidelijkheid is een concordantietabel gemaakt waarbij de onderdelen van de standaardrubrieken 15.5 en 19.8 worden gekoppeld aan de overeenkomstige rubrieken van de indelingslijst (zie bij de motivatie tot schrappen van de standaardrubrieken zelf). Door het feit dat deze integrale voorwaarden in feite een bundeling vormen van alle toepasselijke VLAREM-bepalingen, impliceert dit dat als één van deze bepalingen wordt gewijzigd, dit ook telkens op dezelfde manier moet gebeuren voor de integrale voorwaarden. Dit brengt veel administratief werk met zich mee dat kan vermeden worden door het schrappen van de integrale voorwaarden. Het schrappen van deze integrale voorwaarden heeft geen klasseverhogingen tot gevolg; alle toepasselijke rubrieken voor deze standaardinrichtingen betreffen meldingsplichtige activiteiten. Het VLAREM zal op deze manier ook minder omvangrijk worden. Gelet op de grote administratieve last met betrekking tot VLAREM-wijzigingen en de huidige alternatieven, worden de integrale voorwaarden (deel 5BIS), inclusief de bijhorende standaardrubrieken (15.5 en 19.8) opgeheven in het VLAREM. 3. Terminologie voertuigen/voertuigwrakken/geaccidenteerde voertuigen De huidige algemene definitie van `voertuig' in VLAREM geeft regelmatig aanleiding tot onduidelijkheid.Andere termen omtrent voertuigen (motorvoertuigen, aanhangwagens, auto, wrakken...) die doorheen de VLAREM-wetgeving worden gebruikt, worden niet gedefinieerd of soms met een andere betekenis gebruikt wat ook onduidelijkheid veroorzaakt. Daarom is gekozen om enkele definities te wijzigen, toe te voegen en doorheen de VLAREM-wetgeving op consistente wijze dezelfde terminologie te gebruiken. De definitie van voertuig is gebaseerd op de definitie uit het koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 31/03/2000 numac 1999000004 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer. 4. Schietstanden De sectorale voorwaarden voor de schietstanden in VLAREM zijn sinds 1995 grotendeels ongewijzigd gebleven.Via de wet van 8 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/2006 pub. 09/06/2006 numac 2006009438 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens. - Adviesraad voor wapens : oproep tot kandidaatstelling type wet prom. 08/06/2006 pub. 09/06/2006 numac 2006009449 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens sluiten houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (ook "Wapenwet" genoemd) werd een terminologie in het leven geroepen die verschilt van de terminologie in het VLAREM. Door verdere investeringen en nieuwe technologie zijn exploitanten vaker in staat hun schietstand voldoende uit te rusten om te kunnen schieten met zwaardere munitie. De bestaande regelgeving wordt door dit voorstel sterk gewijzigd waardoor geopteerd wordt om de bestaande regelgeving integraal te vervangen door de nieuwe teksten. De wijzigingen die een toelichting behoeven worden hieronder verder beschreven. 5. Zwembaden De huidige afdeling 5.32.9 "Zwembaden" van titel II van het VLAREM is opgebouwd uit verschillende subafdelingen met bepalingen per zwembadtype. Deze opbouw brengt nodeloze herhalingen met zich mee. Hieraan wordt nu verholpen door meer algemene bepalingen en een hergroepering van de bepalingen door te voeren. Tegelijkertijd worden de bepalingen beter op elkaar afgestemd. Ook wordt de afdeling 5.32.8 "Schietstanden in open lucht" nu gevoegd bij de huidige afdeling 5.32.7 "Schietstanden in een lokaal" in het kader van voormeld punt (actualisatie van de milieuvoorwaarden voor schietstanden), en verschuift de afdeling 5.32.9 naar 5.32.8, zodat dit ook overeenkomt met de rubriek 32.8 "Baden en waterrecreatie" van de indelingslijst (bijlage I bij titel II van het VLAREM). De nieuwe afdeling 5.32.8 met als opschrift "Vaste baden, open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie" is als volgt samengesteld: - algemene bepalingen; - circulatiebaden: ozwembaden, therapiebaden en natuurlijke zwembaden; ohot whirlpools; - dompel- en plonsbaden; - open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie. Daarnaast wordt er een nieuwe categorie van zwembaden "de natuurlijke zwembaden" toegevoegd. Natuurlijke zwembaden zijn circulatiebaden die volledig afgescheiden zijn van grond- en oppervlaktewater en die aangesloten zijn op een ecologisch zuiveringssysteem. Het natuurlijk zwembad kan zowel binnen (overdekt) als in open lucht (niet-overdekt) zijn. Natuurlijke zwembaden in open lucht worden in Vlaanderen steeds meer aangelegd. De huidige wetgeving is moeilijk toepasbaar op dergelijke badinrichtingen waardoor er steeds afwijkingen moesten verleend worden op de voorwaarden van niet overdekte circulatiebaden. Bij het opstellen van de wetgeving over natuurlijke zwembaden werd uitgegaan van de Duitse `Richtlinien für Planung, Bau, Instandhaltung und Betrieb von Freibädern mit biologischer Wasseraufbereitung (Schwimm- und Badeteiche)". Deze richtlijnen, die opgesteld zijn door de Forschungsgesellschaft Landschaftsentwicklung Landschaftsbau e.V. (FLL) worden in diverse landen gehanteerd voor het ontwerp, de bouw en het beheer van natuurlijke zwembaden. Opgelet, de natuurlijke zwembaden zijn een andere categorie baden dan de zwembaden. Bij natuurlijke zwembaden worden er geen chemicaliën toegevoegd, terwijl bij reguliere zwembaden chloor wordt gebruikt. De "plonsbaden" worden uit de wetgeving gehaald (zie het verbod in artikel 5.32.8.3.3: Vanaf 1 oktober 2022 zijn plonsbaden niet meer toegelaten). In de praktijk blijken immers veel kinderbaden verkeerdelijk aangevraagd/vergund te worden onder de rubriek "plonsbaden", terwijl het in werkelijkheid openlucht zwembaden betreffen. In werkelijkheid zijn er in Vlaanderen zo goed als geen publiek toegankelijke plonsbaden meer, gezien plonsbaden niet duurzaam zijn en economisch zeer duur. Deze baden moeten immers om het uur worden ververst waarbij het opgevangen water naar de riolering moet geleid worden (plonsbaden worden continu doorstroomd met vers suppletiewater). Aangezien plonsbaden een derde klasse inrichting zijn, zijn we niet op de hoogte of er nog plonsbaden bij de gemeente vergund zijn. Hierdoor voorzien we nog voor de zekerheid een uitdoofperiode van 3 jaar. De wijzigingen die een toelichting behoeven worden hieronder verder beschreven. 6. Aanpassingen aan de wetgeving inzake Leak Detection and Repair (LDAR) In 2008 werd in deel II van het VLAREM de afdeling 4.4.6 "Meten en beheersen van fugitieve VOS emissies" ingevoegd. Chemische bedrijven en raffinaderijen in Vlaanderen controleren hierdoor vanaf 2009 jaarlijks hun procesapparatuur op lekkage waardoor de uitstoot van Vluchtige Organische Stoffen (VOS) naar de lucht wordt vermeden. VOS kunnen niet alleen rechtstreeks schade aanrichten aan mens en milieu, maar liggen ook aan de basis van ozonvorming. De maatregel wordt ook Europees opgelegd via de Europese BAT conclusies voor raffinaderijen en chemie: men spreekt internationaal van een "LDAR programma" wat staat voor "Leak Detection and Repair". Internationaal is reeds lang een methodiek voorhanden die beschrijft hoe zulke controles op lekkage moeten uitgevoerd worden. Hierbij wordt met een lekmeettoestel de concentratie aan VOS ter hoogte van het potentieel lekkende apparaat gemeten. Deze methodiek werd in 2008 in een Europese norm vertaald: EN15446. Een chemisch bedrijf of een raffinaderij bestaat doorgaans uit vele duizenden punten. Om de kosten van de controles te beperken wordt in VLAREM momenteel een aanpak voorzien die maakt dat jaarlijks slechts een steekproef van de apparaten moet gecontroleerd worden op lekken, en waarbij de focus ligt op apparaten met het grootste lekpotentieel en op stoffen die zeer schadelijke eigenschappen hebben. Doorgaans wordt elk jaar ca. 25% van apparaten in een bedrijf gemeten. Er is evenwel een nieuwe controletechniek voorhanden, met name de IR-camera, die toelaat om met een draagbare camera lekken vanop afstand te detecteren. Deze methodiek is recent ook in de BREF voor de raffinaderijen en de BREF CWW (Common Waste Water and Waste Gas of BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(
  4. e)behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector) vermeld als mogelijke techniek om lekemissies in kaart te brengen. Deze camera heeft het grote voordeel dat veel sneller kan gemeten worden, maar de camera is niet zo gevoelig als het lekmeettoestel, waardoor vooral grotere lekken gedetecteerd kunnen worden. Hierdoor wordt de IR-camera in de BREF's niet als volwaardig alternatief van het lekmeettoestel erkend en is een 100% overschakeling op de IR-camera niet mogelijk. In de voorbije jaren heeft een LDAR-werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid en de Vlaamse industrie een alternatief meetprogramma uitgewerkt waardoor ook gedeeltelijke controle met de IR-camera mogelijk wordt gemaakt, en een efficiënter LDAR programma mogelijk is: betere controle, lagere kosten. De wijzigingen die een toelichting behoeven worden hieronder verder beschreven: zo worden de definities van VLAREM II aangepast, alsook de bepalingen van afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM. 7. Wijzigingen aan het VLAREL 7.1. Invoering erkenning MER-coördinator De erkenning van MER-coördinator werd reeds eind 2002 voorzien in titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM). Artikel 10, § 3, van het decreet van 18 december 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage stelt dat de Vlaamse Regering de datum bepaalt vanaf wanneer een MER-coördinator over een erkenning als MER-coördinator moet beschikken voor het leiden van een team van erkende MER-deskundigen. Tot die datum kan een MER-coördinator op voorstel van de initiatiefnemer door de administratie worden gekozen uit het team van erkende MER-deskundigen dat het rapport opstelt. Deze overgangsbepaling werd opgenomen in afwachting van de verdere uitwerking van de erkenning als MER-coördinator. Met dit besluit wordt de erkenning van MER-coördinator in het VLAREL ingevoerd. Vanaf 1 januari 2020 is een MER-coördinator verplicht om over de erkenning te beschikken. Dit geeft de MER-coördinatoren voldoende tijd om de erkenning te behalen. 7.2. Invoering registratie monsternemer bodem Bij controles van monsternames en analyses van bodem, uitgevoerd door erkende laboratoria in de discipline bodem, deeldomeinen bodembescherming en bemesting, is gebleken dat er een groot kwaliteitsprobleem is bij de monsternames en een registratie van monsternemer noodzakelijk is. Door in te voeren dat een erkend laboratorium voor de monsternames van bodem een monsternemer moet inschakelen die bij de overheid geregistreerd is, kan er meer controle uitgevoerd worden op de kwaliteit van de monstername door specifieke gebruikseisen op te leggen. Het gaat dan om de monsternames van bodem die uitgevoerd worden in het kader van het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 03/07/1999 numac 1999012495 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot vaststelling van een model van de PWA-arbeidsovereenkomst en tot uitvoering van artikel 17, 3° van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst sluiten2 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Bovendien kan de registratie van een monsternemer waarbij ontoelaatbare tekortkomingen werden vastgesteld bij de monstername geschorst of opgeheven worden waardoor hij geen monsternames meer mag uitvoeren. Op dit moment kan een monsternemer waarbij ontoelaatbare tekortkomingen werden vastgesteld en die op basis hiervan bij een erkend laboratorium niet meer mag werken, nog wel voor een ander erkend laboratorium monsternames uitvoeren. Hierbij kan de monsternemer tevens zijn klanten naar het andere erkende labo meenemen. Dit probleem werd ook al aangekaart door erkende laboratoria en ook zij vragen om een dringende oplossing. Doordat de registratie van een monsternemer bij ontoelaatbare tekortkomingen voor één of meerdere of alle erkende laboratoria kan geschorst of opgeheven worden, wordt hieraan tegemoet gekomen. Een aanvraag tot registratie kan in bepaalde gevallen ook (tijdelijk) geweigerd worden. De registratie wordt verleend op basis van het bezit van een bevoegheidsverklaring die door het erkende laboratorium wordt uitgereikt aan de monsternemer nadat hij een specifieke opleiding bij het erkende laboratorium gevolgd heeft en voldoet aan andere opleidingseisen die door het erkende laboratorium vastgelegd werden. Het gaat om circa 350 monsternemers in Vlaanderen. 7.3. Jaarlijkse in plaats van vijfjaarlijkse betaling van de toezichtsretributie door een erkend persoon Vanaf 1 januari 2020 zal een erkend persoon de toezichtsretributie niet meer vijfjaarlijks moeten betalen maar jaarlijks en dit tegen ten laatste 31 maart van het betreffende jaar. De inning van de jaarlijkse retributie door de overheid zal automatisch via het boekhoudsysteem Orafin verlopen. Een erkenningshouder krijgt jaarlijks een brief toegestuurd met een overschrijvingsformulier met het te betalen bedrag en een gestructureerde mededeling. Deze nieuwe manier van werken heeft enkele belangrijke voordelen. - Het is eerlijker: bij een periodiciteit van vijf jaar betaalt een erkenningshouder meteen voor vijf jaar, ook al is hij bijvoorbeeld maar twee jaar meer aan de slag. Een jaarlijkse betaling lost dit op. - De inkomsten voor de overheid worden meer gespreid over de jaren (dus geen pieken meer om de vijf jaar) - De overheid behoudt een makkelijker overzicht over de erkende personen die hun erkenning niet meer wensen te gebruiken gezien deze personen niet meer zullen betalen. De erkenningendatabank en de lijsten met erkende personen die op de website raadpleegbaar zijn, kunnen zo up-to-date gehouden worden. Artikelsgewijze bespreking HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM Artikel 1.Dit artikel stelt dat dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van bijlage III van de richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, in de gedeeltelijke omzetting van artikel 6, negende lid, van de richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, in de gedeeltelijke omzetting van artikel 5, tweede lid, van de richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, in de gedeeltelijke omzetting van bijlage I van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies en in de gedeeltelijke omzetting van artikel 23

(6)van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies. Art. 2.Dit artikel wijzigt artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt vervangt de definitie voor "voertuigen". De huidige algemene definitie van `voertuig' in VLAREM geeft regelmatig aanleiding tot onduidelijkheid. Andere termen omtrent voertuigen (motorvoertuigen, aanhangwagens, auto, wrakken...) die doorheen de VLAREM-wetgeving worden gebruikt, worden niet gedefinieerd of soms met een andere betekenis gebruikt wat ook onduidelijkheid veroorzaakt. Daarom is gekozen om enkele definities te wijzigen, toe te voegen en doorheen de VLAREM-wetgeving op consistente wijze dezelfde terminologie te gebruiken. De definitie van voertuig is gebaseerd op de definitie uit het koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 31/03/2000 numac 1999000004 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer. Punt 2° Dit punt voegt definities toe voor motorvoertuig, aanhangwagen, vaartuig en motorvaartuig. Dit punt voegt tevens een definitie toe voor het begrip "totaal geïnstalleerde drijfkracht", namelijk het gezamenlijk vermogen van de (vast opgestelde) motoren, rechtstreeks gerelateerd aan de activiteit in de rubriek. Dit betekent dat, tenzij uitdrukkelijk in de rubriek anders vermeld, de rolbruggen, transportbanden, e.d. moeten worden meegeteld bij de activiteiten waar deze inherent deel uitmaken van het productieproces. Het begrip drijfkracht is niet beperkt tot 380 V-installaties (3-fasen). Ook vast opgestelde tweefasige motoren of vast opgestelde verbrandingsmotoren moeten worden meegeteld indien ze deel uitmaken van het productieproces. Voor verbrandingsmotoren wordt gerekend met het mechanisch asvermogen zoals aangebracht op de kenplaat. Wanneer het echter gaat om eenvoudige verplaatsbare handtoestellen (bijv. kleine boormachine) worden deze niet meegerekend. Vaste kolomboormachines worden wel meegerekend. Dit betekent ook dat het elektrisch vermogen aangewend voor verwarming (bijv. bij wasmachines, bakovens,...) niet wordt meegeteld, evenmin als bijv. lasposten. Punt 3° Dit punt vervangt de definitie voor "voertuigwrak". Punt 4° Dit punt voegt definities toe voor geaccidenteerd motorvoertuig, afgedankt voertuig, recyclagepark en minirecyclagepark. De definitie voor "recyclagepark" is gebaseerd op de definitie voor "containerpark" in het VLAREMA. Het begrip "recyclagepark" sluit aan bij de huidige gangbare praktijk van maximaal hergebruik en recyclage van afvalstoffen en de milieu-inzichten anno 2018 en vervangt het achterhaalde begrip "containerpark". De definitie voor minirecyclagepark implementeert punt 5.1.3.3 van het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval, met name "uitbouw van minirecyclageparken" in VLAREM II en is noodzakelijk om actie 11 van dit uitvoeringsplan: "De VLAREM-reglementering rond recyclageparken aanpassen om de oprichting van miniparken mogelijk te maken" te volbrengen. Een minirecyclagepark heeft als doel om meer comfort aan de burgers te geven, bijvoorbeeld aan deze burgers die niet vlot op het recyclagepark geraken omdat ze niet in het bezit zijn van een auto, of die om een andere reden minder mobiel zijn. Ook voor mensen die klein behuisd zijn, bieden minirecyclageparken oplossingen. Een minirecyclagepark focust in eerste instantie op stromen die niet huis aan huis worden ingezameld, maar toch frequent vrijkomen bij burgers. De hoeveelheden die per particulier kunnen aanvaard worden op een minirecyclagepark, moeten beperkt zijn. Grotere hoeveelheden moeten worden afgevoerd naar een regulier recyclagepark. In dit kader kan de exploitant de nodige initiatieven nemen. Minirecyclageparken zijn eerder geschikt voor dichtbevolkte plaatsen zoals stadscentra. De inplanting van een minirecyclagepark kan bijv. in een handelspand of een pand van een stadsdienst, eventueel in samenwerking met andere pandgebruikers. De bestaande uitzonderingen onder rubriek 2 (bijvoorbeeld de uitzondering inzake de opslag van huishoudelijke of daarmee vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen in inzamelrecipiënten, geplaatst buiten de containerparken) blijven onverminderd van toepassing. Het is namelijk niet de bedoeling om met de invoering van een definitie en sectorale voorwaarden voor minirecyclageparken de opslag van bepaalde afvalstromen die voorheen niet ingedeeld was, nu wel in te delen. De afvalstoffen moeten zoveel mogelijk gesorteerd worden aangebracht door de particulier. Punt 5° Dit punt heft de definitie voor verbrandingsinrichting op. De definitie voor "verbrandingsinrichting" is reeds lange tijd achterhaald en werd reeds vervangen door een samenlezing van de definitie voor "verbrandingsinstallatie" en artikel 5.2.3bis.1.1bis. Dit artikel 5.2.3bis.1.1bis is echter niet van toepassing op experimentele verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties (subafdeling 5.2.3bis.2), op dierencrematoria (subafdeling 5.2.3bis.3) en op verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties van biomassa-afval (subafdeling 5.2.3bis.4). Om dit te verhelpen wordt ook via dit wijzigingsbesluit (zie verder) een nieuwe subafdeling 5.2.3bis.0. toegevoegd aan de afdeling 5.2.3BIS waarnaar de bepalingen van artikel 5.2.3bis.1.1bis, die van toepassing zijn voor alle afvalverbrandings- en meeverbrandingsinstallaties, verplaatst worden. De achterhaalde definitie voor "verbrandingsinrichting" kan dan geschrapt worden. Punt 6° Dit punt vervangt de definities voor dieren en opslag van mest. De volgende definities worden gewijzigd: -> `gevogelte': de definitie wordt aangepast enerzijds om onderscheid te maken met pluimvee en anderzijds gerelateerd aan de nieuwe indelingsrubriek 9.3.5; -> de termen `inheems' en `uitheems' worden opgeheven vermits dit geen criterium meer is om dieren in een bepaalde rubriek in te delen; -> `kleine herkauwers': de definitie wordt aangevuld met voorbeelden ter verduidelijking; -> `meststof': de voorbeelden worden opgeheven, vermits deze dubbel vermeld worden (reeds vermeld bij definitie `dierlijke mest'); -> `kunstmest': de definitie wordt geschrapt in de indelingslijst (rubriek 28.1) en opgenomen in lijst van definities; -> `andere meststoffen': o momenteel bestaat hier geen definitie voor in VLAREM, de definitie wordt overgenomen uit het Mestdecreet; o indeling `andere meststoffen' in vaste en vloeibare fractie; o aanpassing definitie `mestdicht'; o aanpassing definities van diverse opslagplaatsen voor `mengmest' zodat deze ook van toepassing zijn op `vloeibare andere meststoffen'; -> `effluenten': de definitie wordt overgenomen uit het Mestdecreet; -> `stalmest': de definitie wordt vervolledigd conform het Mestdecreet; -> `dierentuin': de definitie wordt overgenomen uit besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2018Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/10/2005 pub. 19/10/2005 numac 2005022743 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen sluiten4 betreffende de erkenning van dierentuinen; -> `dierenasiel': definitie overgenomen uit Dierenwelzijnswet; -> `kinderboerderij': de definitie is gebaseerd op de Nederlandse definitie van kinderboerderij aangevuld met bijlage 1 en 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2018Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/10/2005 pub. 19/10/2005 numac 2005022743 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen sluiten4 betreffende de erkenning van dierentuinen. Punt 7° Dit punt wijzigt de definitie van bevoegde koeltechnicus naar aanleiding van het opheffen van de integrale voorwaarden via dit besluit. Er moet bijgevolg niet meer verwezen worden naar de artikelen van deel 5bis van titel II van het VLAREM. Punt 8° Dit punt voegt een definitie toe aan de definities "geluid". Momenteel wordt er in de regelgeving voor muziekactiviteit gebruik gemaakt van de termen "het maximaal geluidsniveau" en "de (geluids)norm(en)". Verder kan het maximaal geluidsniveau strenger zijn dan hetzij LAeq,15min 95 dB(A), hetzij LAeq,60min 100 dB(A), aangezien dit werd opgelegd als bijzondere voorwaarde in de milieumelding of -vergunning of in een toelating van het college van burgemeester en schepenen. Om deze reden zal de term geluidsnorm niet meer gehanteerd worden en zal er enkel nog gebruik gemaakt worden van de term "het maximaal toegestane geluidsniveau". Deze term wordt voor de duidelijkheid ook gedefinieerd. Punt 9° Dit punt wijzigt de definitie voor belangrijke weg in het kader van de uniforme terminologie omtrent "voertuigen" doorheen het gehele VLAREM. Punt 10° De definitie van referentieperiode in artikel 1.1.2 en artikel 4.4.4.3, 3° van VLAREM II worden op elkaar afgestemd, zeker voor wat betreft batchprocedés die minder dan één uur duren. Momenteel is deze afstemming onvoldoende. Punt 11° Er ontbreken momenteel definities voor daggemiddelde, maandgemiddelde en jaargemiddelde voor metingen van atmosferische emissies. Opdat deze waarden uniform berekend zouden worden, worden deze definities opgenomen, na de definitie voor "referentieperiode". De definities zijn gebaseerd op de in de Europese BBT-conclusies gehanteerde definities. Er wordt geopteerd voor voortschrijdende gemiddelden. Punt 12° Het LUC bevat nu al eisen omtrent de kwaliteit of validaties voor bepaalde methoden. Dit wordt in de definitie van "referentiemeetmethode" nu verduidelijkt. Punt 13° Dit punt vervangt de definities voor het meten en beheersen van fugitieve VOS-emissies in het kader van de wijzigingen inzake de wetgeving over LDAR. De definities worden aangepast naar aanleiding van de wijzigingen die aangebracht worden in hoofdstuk 4.4.6 van VLAREM II. Door de vereenvoudiging van het LDAR-meetprogramma (o.a. wegvallen van steekproeven) kunnen een aantal definities geschrapt worden. Nieuwe definities die werden ingevoerd zijn die van "productie-eenheid" en "IR-camera". Punt 14° Dit punt vervangt de definities voor schietstanden in een lokaal en schietstanden in openlucht. Punt 15° Dit punt vervangt de definities voor zwembaden. De titel van deze definities wordt herschreven zodanig dat de titel de volledige lading dekt, namelijk overdekte en open lucht (niet-overdekte) zwembaden, natuurlijke zwembaden (zowel overdekte als openlucht natuurlijke zwembaden), therapiebaden, hot whirlpools, dompelbaden, plonsbaden, open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie. Ook worden de bepalingen van de zwembaden verplaatst naar de afdeling 5.32.8 gezien de zwembaden ook ingedeeld zijn in rubriek 32.8 van bijlage I van titel II van het VLAREM. Er wordt een definitie voor circulatiebaden ingevoegd omdat bij de indeling van de sectorale voorwaarden in afdeling 5.32.8 gebruik wordt gemaakt van het begrip circulatiebaden. De definitie voor zwembaden, al dan niet overdekt, dient om de zwembaden te duiden, zijnde de `in de huidige wetgeving' bedoelde overdekte circulatiebaden en niet-overdekte circulatiebaden. De woordengroep `met uitzondering van inrichtingen binnen privéwoningen die niet worden opengesteld tegen enige directe of indirecte vergoeding' wordt geschrapt gezien deze uitzonderingsbepaling reeds vermeld wordt in de indelingslijst van het VLAREM bij rubriek 32.8.1. Aangaande definitie voor dompelbaden: de bepaling `temperatuur beneden de 20° C', wordt al vermeld in het nieuwe artikel 5.32.9.1.9, § 1, c), (in de huidige VLAREM het artikel 5.32.9.2.2, § 4, 1, c, voor overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.3.2, § 4,1, c, voor niet-overdekte circulatiebaden, het artikel 5.32.9.4.2, § 1, c, voor hot whirlpools, het artikel 5.32.9.5.1, § 1quater, c, voor dompelbaden, het artikel 5.32.9.6.1, voor plonsbaden en het artikel 5.32.9.7.2, § 4, 1, c, voor therapiebaden) waarbij in dit laatste artikel eveneens de mogelijkheid wordt behouden om van deze temperatuursvereiste te kunnen afwijken mits toelating wordt toegestaan door de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. Deze temperatuursvereiste moet in de definitie geschrapt worden gezien van een definitie niet kan afgeweken worden. De woordengroep `met een maximale diameter van 2,5 m' moet geschrapt worden gezien er in realiteit ook dompelbaden voorkomen die niet rond zijn of die groter zijn. De definitie voor open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie wordt volledig afgestemd op de indelingsrubrieken 32.8.2. (Open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie waarbij één of meer van de volgende activiteiten op regelmatige wijze worden beoefend, met uitzondering van zeebadzones) en 32.8.3. (Zones voor waterrecreatie waarbij watersikracing en jetski op regelmatige wijze worden beoefend, met uitzondering van zeebadzones). Er wordt een definitie voor natuurlijke zwembaden toegevoegd. Natuurlijke zwembaden worden in Vlaanderen steeds meer aangelegd. De huidige wetgeving is moeilijk toepasbaar op dergelijke badinrichtingen. Bijgevolg werd de wetgeving aangepast en wordt er een nieuwe categorie van zwembaden, namelijk "de natuurlijke zwembaden" toegevoegd. Het natuurlijk zwembad kan zelf zowel een binnenzwembad (overdekt natuurlijk zwembad) als een buitenzwembad (niet-overdekt of openlucht natuurlijk zwembad) zijn. De definitie voor vers water wordt aangepast aan de bepalingen van de drinkwaterwetgeving zodat de laatste 4 rijen van de tabel worden geschrapt. In een vorige VLAREM-wijziging werden verkeerdelijk de normen opgenomen van drinkwater in drinkzakjes die veel strenger zijn (namelijk water bestemd voor menselijke consumptie dat in het kader van een niet-commerciële activiteit in flessen of andere verpakkingen wordt geleverd). Hier moet het water alleen aan de microbiologische parameters voldoen die opgenomen zijn in de eerste tabel van bijlage I van het Drinkwaterbesluit. Er wordt verwezen naar de omgevingsvergunning in plaats van de vroegere milieuvergunning. De woordengroep `milieuarts of milieugezondheidskundige van' wordt geschrapt omwille van conformiteit doorheen de sectorale bepalingen van zwembaden en wordt vervangen door de woordengroep `met de afdeling bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.' In plaats van de woordengroep `andere kwaliteitseisen' wordt de woordengroep `bijkomende kwaliteitseisen' vermeld gezien er niet van een definitie kan afgeweken worden. Er wordt bedoeld dat er nog bijkomende kwaliteitseisen, buiten de in de definitie vermelde kwaliteitseisen, kunnen worden opgelegd overeenkomstig de parameters vermeld in het Drinkwaterbesluit. De definities voor toezichthoudend persoon en toezichter worden toegevoegd om deze begrippen uit elkaar te houden. De definitie van `toezichthouder' wordt reeds vermeld in artikel 16.3.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Punt 16° Dit punt heft de definitie voor motorvoertuig op in de definities voor omlopen met motorvoertuigen in het kader van de uniforme terminologie omtrent "voertuigen" doorheen het gehele VLAREM. Punt 17° Het WAC bevat nu al eisen omtrent de kwaliteit of validaties voor bepaalde methoden. Dit wordt in de definitie van "referentiemeetmethode" nu verduidelijkt. Punt 18° Dit punt wijzigt de definitie van gevaarlijke stoffen naar aanleiding van het opheffen van de integrale voorwaarden via dit besluit. Er moet bijgevolg niet meer verwezen worden naar de artikelen van deel 5bis van titel II van het VLAREM. Punt 19° De definitie "overslaghoeveelheid van stuivende stoffen" wordt verduidelijkt. Momenteel is onvoldoende duidelijk of voor het bepalen van de overslaghoeveelheid rekening gehouden dient te worden met de rechtstreekse overslag van bijvoorbeeld schip naar lichter of van trein naar vrachtwagen. Het is echter wel degelijk de bedoeling dat ook deze hoeveelheden meegeteld worden in de totale overslaghoeveelheid, aangezien deze activiteiten ook een rechtstreekse impact hebben naar stofemissies. Punt 20° Dit punt vult de definitie van voorkaaien aan teneinde dit duidelijker te bepalen. Punt 21° Dit punt wijzigt de definitie voor "voertuig" in de definities voor activiteiten die gebruikmaken van organische oplosmiddelen in het kader van de uniforme terminologie omtrent "voertuigen" doorheen het gehele VLAREM. Punt 22° Dit punt wijzigt de titel van de definities werkzaamheden aan bepaalde installaties met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen naar aanleiding van het opheffen van de integrale voorwaarden via dit besluit. Er moet bijgevolg niet meer verwezen worden naar de hoofdstukken en artikelen van deel 5bis van titel II van het VLAREM. Art. 3.Dit artikel wijzigt artikel 1.4.1.1 van titel II van het VLAREM. De termijn waarbinnen de BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van de GBPV-installatie worden meegedeeld aan de exploitanten van de betrokken GPBV-installaties door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning wordt opgetrokken naar 60 dagen. Dit gebeurt in afstemming met de actualisatie van het meerjarenprogramma. De concrete planning van het meerjarenprogramma moet namelijk door de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, maximaal zestig dagen na de publicatie van nieuwe of herziene BBT-conclusies in het Publicatieblad van de Europese Unie worden geactualiseerd. Op die manier kan zowel de actualisatie van het meerjarenprogramma als de publicatie van de BBT-conclusies op hetzelfde tijdstip kenbaar gemaakt worden aan de exploitant. Art. 4.Dit artikel wijzigt artikel 2.2.4.3.1, §§ 1 en 2van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent "voertuigen" doorheen het gehele VLAREM. Art. 5.Dit artikel wijzigt artikel 2.2.4.4.1, §§ 1 en 2, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent "voertuigen" doorheen het gehele VLAREM. Art. 6.Dit artikel wijzigt artikel 2.3.7.2.2, § 2, van titel II van het VLAREM door punt 2° op te heffen. Deze bepaling wordt geschrapt gezien enerzijds de publicatie van de ontwerplijst van zwemwateren in dag- of weekbladen heel duur is en gezien er anderzijds geen reactie op komt. Ondanks deze schrapping zal het VLAREM nog steeds voldoen aan de Europese Richtlijn nr. 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit (artikel 11) waarbij bepaald wordt dat de ontwerplijst van zwemwateren moet openbaar gemaakt worden aan het publiek. Dus de Europese zwemwaterrichtlijn verplicht geen bekendmaking via dag- of weekbladen. De ontwerplijst wordt bij ons in Vlaanderen openbaar gemaakt via de website http://kwaliteitzwemwater.be en via uithanging in de betrokken gemeenten. Art. 7.Dit artikel wijzigt artikel 2.8.1.1 van titel II van het VLAREM. Door dit artikel wordt de term "betrokken" toegevoegd aan de term "publiek" in artikel 2.8.1.1, conform artikel 19 van de Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies. Art. 8.Dit artikel wijzigt artikel 3.2.3.3 van titel II van het VLAREM. Het betreft louter de correctie van een verwijzingsfout. Art. 9.Dit artikel voegt een afdeling 3.2.4 toe aan hoofdstuk 3.2 van titel II van het VLAREM. In artikel 3.2.4.1 wordt vastgelegd wat bestaande vaste baden, open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie, zijn. Daarna wordt in artikel 3.2.4.2 vastgelegd dat de afwijkingen die voor 1 oktober 201919 zijn toegestaan en die betrekking hebben op de bestaande vaste baden, open zwemgelegenheden en zones voor waterrecreatie, tot het einde van de vergunningstermijn van toepassing blijven overeenkomstig de voorwaarden in de afwijkingsbesluiten. Afdeling 5.32.9 van titel II van het VLAREM wordt vervangen door afdeling 5.32.8 waarbij er een hergroepering van de bepalingen zijn en de artikelen hernummerd worden. Hierdoor ontstaat er een vacuüm voor de vroegere afwijkingsbesluiten waarbij afwijkingen van bepaalde artikelen toegestaan zijn geweest die nu evenwel niet meer bestaan. Daarom is een overgangsregeling nodig. Art. 10.Dit artikel vervangt artikel 4.1.3.1 van titel II van het VLAREM. De voorwaarde van artikel 5.17.4.1.13 van titel II van het VLAREM, die stelt dat de ingedeelde inrichting of activiteit in een goede staat moet worden gehouden, wordt veralgemeend en toegevoegd aan artikel 4.1.3.1. Om dubbele bepalingen te vermijden, wordt dezelfde formulering in de artikels 5.6.1.1.9 en 5.17.4.1.13 geschrapt. Art. 11.Dit artikel wijzigt artikel 4.1.5.1, § 2, van titel II van het VLAREM. In dit artikel werden met een vorige VLAREM-wijziging in paragraaf 1 de woorden "de toezichthoudende ambtenaren" vervangen door de woorden "de toezichthouders", waardoor "de ambtenaar" in paragraaf 2 niet meer duidelijk is. Hierin wordt nu "de ambtenaar" vervangen door "de toezichthouder". Art. 12.Dit artikel wijzigt artikel 4.1.8.1 van titel II van het VLAREM. Het is in de geest van artikel 4.1.8.1, § 1, 2°, van titel II van het VLAREM om al de inrichtingen waarvan de emissies boven de drempelwaarden, vermeld in de overzichtstabel van verontreinigende stoffen in het deelformulier `luchtemissies' en `wateremissies' van het IMJV, liggen, te vatten. Dit is in overeenstemming met de verplichting opgelegd door Europa. Om de relevante informatie uit de emissie-inventaris lucht of water niet te verliezen wordt voorgesteld artikel 4.1.8.1. § 1.2° van titel II van het VLAREM aan te passen zodat de klasse van de inrichting niet meer bepalend is voor het indienen van de betreffende deelformulieren van het IMJV, maar enkel het criterium `overschrijding van de drempelwaarde' geldt. De wijziging aan artikel 4.1.8.1, § 5, 1°, betreffende het milieujaarverslag betreft een conformering van de bepalingen inzake IMJV in titel II van het VLAREM met het VLAREMA (onderafdeling 7.3.1 `Bedrijfsafvalstoffen en grondstoffen'). De verslaggeving van de geproduceerde bedrijfsafvalstoffen via het milieujaarverslag wordt geregeld via het VLAREMA. Artikel 4.1.8.1, § 5, 1°, van titel II van het VLAREM is niet conform de voormelde regeling in het VLAREMA. Het is daarom aangewezen de rapportering hiervan enkel via het VLAREMA te regelen. In titel II van het VLAREM wordt bijgevolg de zinsnede `deelformulier "Afvalstoffenmelding voor producenten"' geschrapt. Art. 13.Dit artikel wijzigt artikel 4.1.9.1.2, § 2, 2°, van titel II van het VLAREM. Het woord `ambtenaar' wordt vervangen door `overheidspersoneel' omdat het niet de bedoeling is om contractuele personeelsleden van de overheid uit te sluiten. Zowel contractuele als statutaire personeelsleden dienen gevat te worden. Art. 14.Dit artikel voegt in punt 2° voor een vijfde type van ingedeelde inrichting of activiteit een uitzonderingsmogelijkheid toe op de verplichte frequentie van de plaatsbezoeken door de milieucoördinator voor brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met uitsluitend vloeibare brandstoffen (dus niet LPG, LNG, CNG). Voor dergelijke inrichtingen die beschikken over een milieuzorgsysteem en een onlinecontrolesysteem dat dezelfde garanties biedt als trimestriële controles, wordt de frequentie herleid tot ten minste één controle per kalenderjaar. Dit artikel voegt tevens een punt 6° toe aan artikel 4.1.9.1.3, § 1, van titel II van het VLAREM. Artikel 3.2.2, § 1, van het decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) beschrijft de taken van de milieucoördinator. Dit takenpakket wordt vanaf 23 februari 2017 (middels artikel 143 van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 betreffende de omgevingsvergunning) aangevuld met punt
  1. f)`medewerking te verlenen en informatie aan te reiken bij de uitvoering van de evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11.' Deze bepaling uit het DABM wordt nu vertaald in artikel 4.1.9.1.3, § 1 van titel II van het VLAREM, welke eveneens handelt over de taken van de milieucoördinator. Bijgevolg dient artikel 4.1.9.1.3, § 1, van titel II van het VLAREM aangevuld te worden met een punt 6°, zijnde `6° medewerking te verlenen en informatie aan te reiken bij de uitvoering van de evaluaties, vermeld in artikel 5.4.11'. Art. 15.Dit artikel wijzigt artikel 4.1.9.1.4 van titel II van het VLAREM. 1° Voor de erkende milieucoördinatoren en de meervoudig aangestelde niet-erkende milieucoördinatoren is in de regelgeving voorzien dat de erkenning kan opgeheven of geschorst worden of dat de instemming met het uitoefenen van hun functie kan geschorst of opgeheven worden indien zij hun taken niet naar behoren uitvoeren. Voor de niet-erkende enkelvoudig aangestelde milieucoördinatoren is dit niet voorzien in de regelgeving. Met deze wijziging wordt voorgesteld dit eveneens te voorzien voor de niet-erkende enkelvoudig aangestelde milieucoördinatoren. 2° Momenteel is het melden van de enkelvoudige aanstelling van milieucoördinatoren-werknemers door de exploitant aan de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen niet verplicht.Het aanstellingsdossier kan nu ook ter inzage liggen op het bedrijf. Omdat er weinig meerwaarde is aan een onvolledig register van enkelvoudig aangestelde milieucoördinatoren-werknemers, wordt er voorgesteld om de aanstellingen van enkelvoudig aangestelde milieucoördinatoren-werknemers niet langer centraal te registreren door de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen. Dit betekent eveneens een vermindering van de administratieve werklast voor zowel de exploitant als de overheid. De woorden `van de ambtenaren' worden opgeheven omdat het niet de bedoeling is om contractuele personeelsleden uit te sluiten. Art. 16.Dit artikel wijzigt artikel 4.2.1.1 van titel II van het VLAREM. Deze wijziging is noodzakelijk om de algemene lozingsvoorwaarden voor bedrijfsafvalwater van toepassing te laten zijn op de nieuwe rubriek 3.7 aangaande lozing in kader van warmterecuperatie. Art. 17.Dit artikel wijzigt artikel 4.2.1.3, § 4, tweede lid, van titel II van het VLAREM. De uitzondering op de scheidingsplicht tussen afvalwater en hemelwater die nu voor bestaande gebouwen in gesloten bebouwing is voorzien, wordt verruimd naar alle bebouwingen. Ook in een open of halfopen bebouwing is het in bepaalde gevallen mogelijk dat de afkoppeling van hemelwater enkel kan via leidingen door of onder het gebouw (bv. afwatering van plat dak, langs binnen aangesloten op de vuilwaterleiding, die niet op eenvoudige wijze via een regenpijp langs de buitenmuur kan afgeleid worden). Leidingen aanleggen door of onder een gebouw is doorslaggevender dan het type bebouwing. In elk geval dient elke afkoppeling die kan bewerkstelligd worden langs of rondom het gebouw ook effectief uitgevoerd te worden. Dit sluit aan bij de huidige interpretaties in de herziene `Code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van rioleringssystemen', die als bijlage 1 bij het ministerieel besluit tot vaststelling van de code werd goedgekeurd op 20/08/2012. Dit artikel wijzigt eveneens artikel 4.2.1.3, § 6, van titel II van het VLAREM, naar aanleiding van het opheffen van de integrale voorwaarden via dit besluit. Er moet bijgevolg niet meer verwezen worden naar deel 5bis van titel II van het VLAREM. Art. 18.Dit artikel voegt een afdeling 4.2.3bis in in titel II van het VLAREM. Voorwaarden voor een uniforme aanpak aangaande de goede werking en het onderhoud van koolwaterstofafscheiders blijken noodzakelijk uit de huidige vergunningverlening. Om hieraan tegemoet te komen wordt een afdeling 4.2.3bis ingevoegd en wordt er op zes verschillende plaatsen in titel II van het VLAREM, waar nu sprake is van een koolwaterstofafscheider, louter nog verwezen naar deze nieuwe afdeling. Dit is dus een vereenvoudiging van de wetgeving. Sommige bedrijven hebben meerdere KWS-afscheiders op verschillende interne afvalwaterstromen. Indien deze afvalwaterstromen samenkomen in één lozingspunt en het bedrijf op dit lozingspunt een KWS-afscheider heeft met alarmsysteem dat voldoende groot gedimensioneerd is, is het bedrijf voor alle andere KWS-afscheiders vrijgesteld van de driemaandelijkse inspectie en het bijhouden van een logboek. Art. 19. Art. 20.Deze artikelen wijzigen de artikelen 4.2.5.2.1, § 3, en 4.2.5.3.1, § 3, van titel II van het VLAREM. Bij de opmaak van de code van goede praktijk voor zelfcontrole van bedrijven met een eigen labo, waarnaar verwezen wordt in artikel 4.2.5.2.1, § 3, en 4.2.5.3.1, § 3, werden onduidelijkheden of interpretatieverschillen vastgesteld. Deze worden verduidelijkt. Het doel is en blijft dat de prestatiekenmerken tussen bedrijven met een eigen labo en een erkend labo hetzelfde zijn. Art. 21.Dit artikel wijzigt artikel 4.2.8.1.1 van titel II van het VLAREM. De overgangstermijn voor het plaatsen van een individuele behandelingsinstallatie in individueel te optimaliseren buitengebied is verstreken, nl. 22 december 2015. Art. 22.Dit artikel vervangt de paragrafen 2 en 3 van artikel 4.3.2.3 van titel II van het VLAREM. Voor grondwater wordt er een gelijkschakeling gemaakt met de artikelen 4.2.5.2.1 en 4.2.5.3.1 in verband met metingen en analyses en de mogelijkheid tot zelfcontrole van het bedrijf zelf. Art. 23.Dit artikel wijzigt 4.4.3.3, § 2, van titel II van het VLAREM. De bepalingen in artikel 4.4.3.3, § 2, met betrekking tot het uitvoeren van metingen worden verplaatst van afdeling 4.4.3 naar afdeling 4.4.4 onder de vorm van een nieuwe paragraaf 6. Deze bepalingen hebben immers betrekking op de meetstrategie en niet op emissiegrenswaarden. Art. 24.Dit artikel wijzigt artikel 4.4.4.1 van titel II van het VLAREM. Punt 1° De grensmassastroom voor stof vanaf wanneer een strengere emissiegrenswaarde geldt conform bijlage 4.4.2 bedraagt momenteel 200 g/h of meer, daar waar deze in het verleden 500 g/h bedroeg. De grensmassastroom vanaf wanneer een maandelijkse meetverplichting geldt voor stof zoals opgenomen in artikel 4.4.4.1, § 1, werd echter niet mee aangepast. De grensmassastroom voor stof in artikel 4.4.4.1, § 1, wordt nu aangepast van 500 g/h naar 200 g/h of meer en wordt daarmee in overeenstemming gebracht met de grensmassastroom in bijlage 4.4.2. Verder worden ook de meetfrequenties voor SOx en NOx in artikel 4.4.4.1, § 1, afgestemd op de emissiegrenswaarden uit bijlage 4.4.2. Punt 2° In artikel 4.4.4.1 wordt een nieuwe paragraaf 6 toegevoegd. Dit betreft enerzijds een verplaatsing van de bepalingen in artikel 4.4.3.3, § 2, met betrekking tot het uitvoeren van metingen. Deze bepalingen hebben immers betrekking op de meetstrategie en niet op emissiegrenswaarden. De meetfrequentie en het controlemeetprogramma gelden voor het geheel van de milieutechnische eenheid. Anderzijds worden ook enkele aanpassingen doorgevoerd. De bepaling "tenzij anders bepaald in de milieuvergunning" voor het weglaten van metingen op deelstromen die niet of niet significant bijdragen tot de emissies wordt geschrapt. Het weglaten van metingen op deelstromen is nog steeds mogelijk, mits hiervoor de goedkeuring van de toezichthouder verkregen is. Op deze manier wordt vermeden dat twee verschillende procedures gevolgd kunnen worden voor dezelfde vraag. Deelstromen moeten bovendien minimaal gemeten worden met de frequentie vermeld in bijlage 4.4.3 op basis van de gemeten massastroom van de betreffende deelstroom. Dit is momenteel niet expliciet opgenomen, doch het is niet de bedoeling dat emissiepunten die de massastroom, vermeld in bijlage 4.4.3, overschrijden, niet gemeten zouden worden. Naast de mogelijkheid om deelstromen die niet of niet significant bijdragen te mogen weglaten, wordt ook voorzien in de mogelijkheid om deelstromen met een verminderde meetfrequentie te meten. Dit is relevant voor die parameters waar, afhankelijk van de massastroom, een verschillende meetfrequentie geldt. De meetfrequentie, vermeld in bijlage 4.4.3, en het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4, moeten immers toegepast worden op het geheel van de milieutechnische eenheid. Art. 25. Punt 1° : Dit punt voegt een paragraaf 2bis in in artikel 4.4.4.2 van titel II van het VLAREM. In artikel 4.4.4.2 wordt een paragraaf 2bis toegevoegd waarin gesteld wordt dat emissiemetingen en rapportering van de resultaten van batchprocessen uitgevoerd dienen te worden conform de code van goede praktijk. Deze code van goede praktijk wordt in 2018 opgesteld. Deze code van goede praktijk beoogt een eenduidige en representatieve aanpak van emissiemetingen op batchprocessen en de verwerking van de resultaten. Momenteel laat de wetgeving interpretatie toe, zowel naar metingen als naar verwerking van resultaten en worden er hierrond geen strikte richtlijnen gegeven. Punt 2° en 3° : Dit punt vervangt het derde lid in paragraaf 4. Bij de opmaak van de Code van goede praktijk voor zelfcontrole van bedrijven met een eigen labo, werden onduidelijkheden of interpretatieverschillen vastgesteld. Deze worden verduidelijkt. Het doel is en blijft dat de prestatiekenmerken tussen bedrijven met een eigen labo en een erkend labo hetzelfde is. Art. 26.Dit artikel wijzigt artikel 4.4.4.3 van titel II van het VLAREM. Er wordt een punt
  2. c)toegevoegd voor batchprocedés die minder dan één uur duren. In geval van discontinue bemonstering wordt vereist dat minimaal het aantal monsters conform punt
  3. a)genomen wordt om zodoende tot een voldoende lange en representatieve bemonstering te komen. Indien het benodigde aantal bemonsteringen niet binnen 1 batchproces genomen kan worden, dient bemonsterd te worden gedurende verschillende batches. Verder worden enkele verduidelijkingen en correcties opgenomen, o.m. de toevoeging van het debietgewogen aspect. Wanneer de meetwaarde bepaald wordt over verschillende metingen, moet het rekenkundig gemiddelde niet alleen tijdgewogen, maar ook debietgewogen bepaald worden om correct te zijn. Art. 27.Dit artikel wijzigt artikel 4.4.4.4, § 1, van titel II van het VLAREM. Artikel 4.4.3.1, § 2, geldt niet alleen voor de toepassing van de emissiegrenswaarden, maar ook voor de toepassing van de meetstrategie. Dit wordt expliciet verduidelijkt door deze bepaling ook op te nemen in artikel 4.4.4.4, § 1, als een nieuw derde lid. Art. 28.Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.1.2 van titel II van het VLAREM. Door het volledig herwerkte meetprogramma in artikel 4.4.6.2 moeten nieuwe overgangsbepalingen voorzien worden die de overgang van de oude naar de nieuwe meetmethodiek regelen. Dit wordt geregeld in artikel 4.4.6.2.3. De oude overgangsbepalingen worden met dit artikel opgeheven. Art. 29.Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.2.1 van titel II van het VLAREM. Het LDAR programma kan volgens het herwerkte artikel 4.4.6.2.3 afgestemd worden op de periodieke algemene onderhoudstops. Zulke onderhoudstops worden uitgevoerd op het niveau van productie-eenheden. Dit artikel wordt daarom zo herwerkt dat een LDAR programma op het niveau van een productie-eenheid mogelijk is. Voorbeelden van productie-eenheden zijn nafta-kraker, poly-ethyleen-eenheid, caprolactam-eenheid, aromaten-eenheid, ethyleen-oxide-eenheid, enzovoort. Dit verandert evenwel niets aan het toepassingsgebied van artikel 4.4.6.1. Daarin wordt bepaald dat alle inrichtingen die een uitstoot hebben van meer dan 10 ton of 2 ton in geval zeer schadelijke producten (berekend met theoretische gemiddelde emissiefactoren van EPA of VDI) een LDAR programma moeten toepassen. Deze drempels worden toegepast op gans de inrichting en niet op de individuele productie-eenheden. De berekeningsmethode die toegepast kan worden is een methode volgens een Amerikaanse EPA-methode (EPA-53/R95-017) of volgens een Duitse norm (VDI 22400). Omdat met beide methoden verschillende resultaten worden bekomen, werd overwogen om de Duitse norm te schrappen, omdat simulaties aantonen dat met deze methodiek mogelijks bedrijven met een relevant lekpotentieel buiten het toepassingsgebied vallen, wat niet conform de Europese BAT conclusies is. Omgekeerd zal schrapping mogelijk tot gevolg hebben dat bedrijven, die geïnvesteerd hebben in hoogstaande, lekarme apparatuur, en geen relevante potentiële emissie vertonen toch tot LDAR moeten overgaan. Voorlopig worden dan ook beide opties behouden, maar zal op basis van de reeds bestaande rapportageverplichtingen gemonitord worden of berdrijven met relevant lekpotentieel niet buiten het toepassingsgebied vallen. Onder andere om deze monitoring te vergemakkelijken wordt een universeel sjabloon en een koppeling met het IMJV voorzien. Moest blijken dat bedrijven met relevante lekemissies toch buiten het toepassingsgebied vallen, dan zal conform de richtlijn 2010/75/EU van 24 november 2010 inzake industriële emissies, via de bijzondere milieuvoorwaarden in de milieuvergunning alsnog LDAR moeten opgelegd worden. Daarnaast omvat een chemisch bedrijf of raffinaderij nog heel wat apparatuur (waterzuivering, opslagtanks) die niet onmiddellijk een geheel vormen met de productie-eenheid. Als een bedrijf ervoor kiest om met productie-eenheden te werken dan moeten al deze apparaten toegewezen worden aan één bepaalde eenheid, zodat ook voor deze apparaten de periodiciteit van de controles gekend is. Art. 30.Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.2.2 van titel II van het VLAREM. Een aantal rapporteringsverplichtingen beschreven in paragraaf 1 van artikel 4.4.6.2 worden geschrapt, en in plaats daarvan wordt een in te vullen sjabloon opgenomen als bijlage. Dit moet voor meer uniformiteit in de rapportering en een hogere kwaliteit van emissie-inventarisatie zorgen. Dit gecombineerd met de inventaris, die een evolutief overzicht bevat van alle relevante meet- en herstelgegevens van alle geregistreerde apparaten, laat een efficiëntere handhaving toe. Art. 31.Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.2.3 van titel II van het VLAREM. Met dit artikel wordt het huidige meetprogramma grondig gewijzigd. Daar waar tot op heden elk jaar een bepaald percentage van de apparaten moet gemeten worden, wordt in dit nieuwe artikel de keuze gelaten tussen twee methoden. ? Ofwel wordt een vijfjaarlijkse controle van alle apparaten uitgevoerd met een IR-camera én een vijfjaarlijkse controle van alle bereikbare apparaten met een lekdetectietoestel volgens de methode EN15446. Deze twee controles worden afgewisseld en de termijn tussen twee controles mag maximaal 30 maanden bedragen. Dit impliceert dat om de 2 à 3 jaar een controle met de IR-camera of met het lekdetectietoestel gebeurt. ? Ofwel wordt voor elke algemene stop een controle van alle apparaten met de IR-camera uitgevoerd én na elke stop een controle met een lekdetectietoestel van alle bereikbare apparaten. Aangezien algemene stops doorgaans om de 4 à 5 jaar plaats vinden, komt dit overeen met de meetfrequentie in van optie 1. Beide opties moeten zorgen voor een efficiënter LDAR, zonder dat dit gepaard gaat met een toename van de fugitieve emissies. Met dit voorstel wordt minder gemeten met het lekdetectietoestel dan in de huidige regeling (ca. 20% per jaar versus 25% per jaar), maar wordt bijkomend om de 5 jaar een volledige controle van alle apparaten uitgevoerd met de IR-camera, waardoor het gemiddeld aantal gecontroleerde apparaten per jaar gevoelig toeneemt. Verder worden door dit nieuwe meetprogramma ook de niet-bereikbare apparaten gecontroleerd, daar waar dit in de huidige regeling alleen moest gebeuren op momenten waar de apparaten toch bereikbaar waren, wat zelden het geval is (bijv. tijdens plaatsing van een stelling bij onderhoudswerken). Om de kwaliteit van de IR metingen te verzekeren, mogen de metingen enkel uitgevoerd worden door erkende labo's. Hiervoor werd recent een erkenningspakket door VITO uitgewerkt. Er wordt wel in een overgangstermijn voorzien: tot 31 december 2019 mogen ook niet erkende labo's metingen uitvoeren, voor zover de uitvoerder over basiskennis thermografie beschikt. Volgens paragraaf 3 van artikel 4.4.6.2.3 kunnen exploitanten zelf metingen volgens methode EN15446: 2008 uitvoeren op voorwaarde dat de methode en apparatuur goedgekeurd werden door een erkend labo. Om de kwaliteit van eigen metingen te blijven garanderen wordt deze goedkeuring beperkt voor een periode van 3 jaar. Voor apparaten die een hoog lekpotentieel hebben en voor apparaten die in contact komen met zeer schadelijke producten (zogenaamde type 1 producten, bvb. kankerverwekkende producten) werd overwogen om aanvullende jaarlijkse controles uit te voeren. Maar het aandeel van type 1- apparaten is relevant (gemiddeld 5%) en zou impliceren dat veel tijd zou verloren gaan aan het opsporen van de betrokken apparaten, in plaats van de eigenlijke meting ervan. Daarom wordt in het voorstel de aanvullende jaarlijkse controle beperkt tot apparaten met een hoog lekpotentieel, die doorgaans goed bereikbaar zijn en slechts gemiddeld ca. 0,5% van de apparaten vertegenwoordigen. In de bedrijven wordt meestal nauw toegezien op de lekdichtheid van type 1 apparaten in verband met de arbeidsveiligheid. Dikwijls worden daarbij bedrijfsspecifieke lekdetectiemethoden toegepast. Als zulke controles uitgevoerd worden, is een jaarlijkse LDAR controle weinig zinvol en volstaat een 2 à 3 jaarlijkse controle. In de gevallen waar dit toch niet het geval is, kunnen in de vergunning bijkomende controles opgenomen worden moesten de emissies van type 1 apparaten te groot worden. Om dit goed te kunnen opvolgen wordt voorzien dat de (reeds verplichte) rapportering over het aantal lekken als bijlage moet opgenomen worden in het integraal milieujaarverslag, (voor zover dit dient opgemaakt te worden). Hiervoor dient in het rapporteringssjabloon jaarlijks het aantal lekken van type 1 producten en de daarmee gepaard gaande emissies bepaald te worden. Verder wordt met dit artikel een "light meetprogramma" mogelijk gemaakt, waardoor de kost van het programma sterk gereduceerd wordt bij die bedrijven die heel weinig lekken vertonen. Als uit een volledige controle met het lekmeettoestel blijkt dat minder dan 0,04% van de apparaten lekt (boven herstelcriterium) én indien geen lekken worden waargenomen bij type-1 apparaten volstaat een 5 jaarlijkse meting met de IR camera. Uit studiegegevens blijkt dat enkele jaren terug 36 van de 89 inrichtingen minder dan 0,04% lekken boven herstelcriterium rapporteerden, waarvan geen enkel boven de 100.000 ppm. Hiervan hebben 8 inrichtingen minder dan 1000 apparaten; 21 inrichtingen tussen de 1000 - 10.000 apparaten en 7 inrichtingen tussen de 10.000 - 50.000 apparaten; Deze inrichtingen hebben hun emissies in de loop der jaren gesaneerd van 176 ton VOS naar 60 ton VOS. De mogelijke milieu-impact, moest het 5 jaarlijkse IR programma onvoldoende effectief blijken, is dus aanvaardbaar (de totale emissie van alle inrichtingen bedroeg circa 4 kton). Er zijn verschillende redenen waarom het criterium voldoende laag moet gehouden worden: ? De BAT conclusies laten niet toe dat installaties met relevant lekpotentieel worden uitgesloten van LDAR; ? Het is afwachten hoe de IR-camera zal presteren; testen met de camera in verschillende plants geven uiteenlopende resultaten; ? Het criterium wordt toegepast op de resultaten van één (weliswaar volledige) controle met het lekmeettoestel, maar het resultaat van één jaar is niet noodzakelijk representatief voor de emissie in de toekomst; Indien uit een meting met de IR-camera blijkt dat meer dan 0,04% lekken worden gedetecteerd, of er wordt een lek van zeer schadelijke producten gedetecteerd, dan moet opnieuw het uitgebreide programma uitgevoerd worden. Het criterium bepalen bleek niet evident. Een te streng criterium zal tot gevolg hebben dat bedrijven met zeer lage emissies toch moeten blijven meten. Een te soepel criterium zal ervoor zorgen dat bedrijven met een hoog lekpotentieel geen LDAR meting meer uitvoeren, wat in strijd is met de Europese BAT conclusies. Het is vooral onzeker of de IR camera er zal in slagen om even effectief te zijn als de klassiek LDAR meting in het opsporen van relevante lekken. Vandaar dat het overschakelen op het "light" programma uitsluitend kan op basis van de resultaten van een klassieke LDAR meting. De verplichte rapportering van het LDAR programma in het IMJV laat toe om de evolutie van de emissies en de toegepaste methoden (uitgebreid versus light) nauwkeurig op te volgen en indien nodig bij te sturen in de ene of de andere richting. Bijvoorbeeld indien minder dan 25% van de inrichtingen geen gebruik kan maken van het light programma of meer dan 50% juist wel, is grondige analyse aan de orde. Verder wordt voorzien in een overgangsregeling. Totdat de bedrijven een eerste volledige controle uitvoeren met de IR-camera of met het lekmeettoestel, zullen tot dan, net zoals nu, steekproeven uitgevoerd moeten worden. Dit om te vermijden dat bedrijven jarenlang geen controles meer zouden uitvoeren, maar ook niet iedereen te verplichten om direct met een 100% controle uit te voeren. De steekproef die moet toegepast worden is de minst strenge variant van de huidige steekproeven die moeten toegepast worden. Art. 32.Dit artikel wijzigt artikel 4.4.6.2.4 en artikel 4.4.6.2.5 van titel II van het VLAREM. Artikel 4.4.6.2.4 regelt de herstelling van een apparaat indien een lek gedetecteerd wordt. Dit artikel moet grondig herschreven worden in het licht van de wijziging van de meetmethodiek, met name het mogelijk gebruik van de IR-camera. In de huidige regelgeving moet elk jaar gerapporteerd worden over de metingen. Om meer uniformiteit in rapportering te krijgen en betere handhaving mogelijk te maken werd een sjabloon in bijlage 4.4.6 opgenomen. Dit sjabloon zal als bijlage toegevoegd moeten worden aan het integraal milieujaarverslag. Verder dient zoals in de huidige VLAREM wetgeving een lijst bijgehouden te worden van nog te herstellen apparaten. Maar aangezien het LDAR programma nu meer per productie-eenheid zal uitgevoerd worden, moet een lijst voorzien worden per productie-eenheid. Aangezien de ernst van een niet hersteld lek met IR-camera niet gekwantificeerd wordt (in tegenstelling tot bij klassieke LDAR metingen) moet wel een video opname bewaard worden. Art. 33.Dit artikel wijzigt artikel 4.4.7.2.1 van titel II van het VLAREM. Dit artikel wordt aangepast voor wat betreft de bepaling van de stuifcategorie door de exploitant. Door de vermelding "voor ontvangst van de goederen" in het derde lid, 2°, wordt de indruk gewekt dat de classificatie van de stuifcategorie enkel van belang is voor goederen die op het bedrijf aankomen en niet van toepassing is op stuivende stoffen die op het bedrijf zelf ontstaan. Dit is uiteraard niet zo. Art. 34.Dit artikel wijzigt artikel 4.4.7.2.4 van titel II van het VLAREM. Het betreft louter een terminologische aanpassing. Art. 35.Dit artikel voegt een nieuw artikel toe aan hoofdstuk 4.6 van titel II van het VLAREM. Naar aanleiding van verschillende afwijkingsaanvragen voor de lichtshows van grote muziekfestivals wordt een uitzondering ingevoegd in hoofdstuk 4.6 van titel II van VLAREM voor de bepalingen met betrekking tot het beperken van lichthinder voor de lichtshows bij niet-ingedeelde muziekactiviteiten, zijnde openlucht optredens of muziekfestivals. Grote muziekfestivals zijn vergunningsplichtig voor bijvoorbeeld de generatoren of de koelinstallatie. Bijgevolg is hoofdstuk 4.6 voor dergelijke festivals van toepassing. De uitzondering geldt alleen voor de lichtshows op of rond het podium in functie van het optreden. De koppeling met de toelating wordt gemaakt zodat op een zelfde locatie dezelfde beperking in duur geldt voor deze uitzondering als voor de maximaal toegelaten niet-ingedeelde muziekactiviteiten. Het college van burgemeester en schepenen kan in de muziektoelating ook bijkomende beperkingen opleggen met betrekking tot lichthinder als dit nodig wordt geacht. Art. 36.Dit artikel wijzigt artikel 4.7.0.3 van titel II van het VLAREM. Asbest heeft carcinogene eigenschappen en is een gevaarlijke stof. Verspreiding van asbestvezel moet maximaal vermeden worden, ook via lozing welke mogelijks gevolgd wordt door opdroging van het afvalwater. Punt 1° verwijst naar het stellen van bijzondere voorwaarden (artikel 5.3.2.4), en naar de intussen opgeheven sectorale lozingsvoorwaarden voor de asbestsector. Door het instellen van een lozingsverbod worden deze verwijzingen overbodig. Art. 37.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.1.2 van titel II van het VLAREM. Vervanging eerste lid van paragraaf 5: Hiermee worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.2. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Vervanging paragraaf 6: Het is aangewezen dat in een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen naast de hoeveelheid aangevoerde, verwerkte en afgevoerde afvalstoffen ook de hoeveelheid opgeslagen afvalstoffen moet kunnen worden getotaliseerd. Dit om een duidelijke verwijzing naar de actuele stock te hebben. Ook vanuit (brand)veiligheid is het bij afvalbedrijven opportuun om een zicht te hebben op de totale hoeveelheid afvalstoffen die opgeslagen zijn op het bedrijf. Art. 38.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.1.5, § 3, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent "voertuigen" doorheen het gehele VLAREM. Art. 39.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.1.6, § 1, van titel II van het VLAREM. In de aanbevelingen van de BBT-studie verontreinigd hemelwater voor afvalopslagbedrijven worden een aantal preventieve maatregelen voorgesteld om de problematiek van verontreinigd hemelwater aan te pakken. Eén van de voorgestelde maatregelen is het regelmatig reinigen van het bedrijfsterrein en de afwatering. Dit was reeds deels opgenomen in artikel 5.2.1.6 van titel II van het VLAREM. Het betreffende artikel wordt aangevuld overeenkomstig de BBT-studie. Art. 40.Dit artikel voegt drie leden toe aan artikel 5.2.1.7 van titel II van het VLAREM. Een preventieve maatregel die voorzien is in de BBT-studie verontreinigd hemelwater voor afvalopslagbedrijven, is de overdekte opslag van afvalstoffen die een potentieel belangrijke bijdrage leveren aan verontreiniging. Overdekte opslag van afvalstoffen betekent niet noodzakelijk dat de opslag in een gebouw moet plaatsvinden. Een luifel of een waterdichte bache kunnen voldoende zijn. Hiertoe wordt ook een niet limitatieve lijst als bijlage toegevoegd die steeds door de minister kan worden aangevuld. De lijst die werd voorgesteld in de BBT-studie, werd nog verder aangepast en aangevuld. Zo werd het woord "afgedankte" aan de meeste stromen toegevoegd om duidelijk te maken dat het hier niet de nieuwe betreft. Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) moet reeds conform artikel 5.2.5.2 van VLAREMA overdekt worden opgeslagen. Bij opslag van geperst PMD in balen of gesloten PMD-zakken in een container is volgens de BBT-studie de contactoppervlakte in verhouding tot het opgeslagen volume kleiner en wordt de verontreiniging van het hemelwater met organische stoffen beperkter geacht. Ten slotte werden ook nog een aantal afvalstoffen aan de lijst toegevoegd, waarvoor het evident is dat deze beter overdekt worden opgeslagen omdat deze eveneens een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan verontreiniging van het hemelwater. Er wordt een overgangstermijn voor het overdekt opslaan van deze afvalstoffen voorzien van drie jaar, zodat er voldoende tijd is om eventueel bijkomende overkapping te voorzien. Er is een "tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit" opgenomen voor deze maatregel zodat een bedrijf dat al geïnvesteerd heeft in een end-of-pipe techniek en de norm haalt, niet verplicht wordt om bijkomend in overkapping te investeren. Voor alle bedrijven met niet-overdekte buitenopslag van afvalstoffen (voor overdekte opslag of binnenopslag van afvalstoffen waar geen verontreinigd hemelwater ontstaat is dit niet van toepassing) is het naast het nemen van preventieve maatregelen BBT om minimaal een slibvang en KWS-afscheider te plaatsen. Er is een "Behoudens andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk" opgenomen omdat voor sommige afvalstoffen in de sectorale voorwaarden via een "Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit" de mogelijkheid wordt geboden om af te wijken van het voorzien van een vloeistofdichte vloer. In deze gevallen geldt dus ook niet de verplichting te voorzien in een slibvang en KWS-afscheider. Bedrijven die het verontreinigd hemelwater reeds zuiveren in een eigen waterzuiveringsinstallatie worden eveneens vrijgesteld van deze verplichting. Er wordt een overgangstermijn voorzien van 1 jaar of 3 jaar, afhankelijk van de opslagcapaciteit. Voor bedrijven met een niet-overdekte buitenopslag van afvalstoffen, met uitzondering van inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt, waarvan de opslagcapaciteit meer dan 4000 ton bedraagt, overeenkomstig de vergunning en bij ontstentenis overeenkomstig het goedgekeurde werkplan, is een verdergaande zuivering door buffering en een geschikte combinatie van secundaire en tertiaire technieken noodzakelijk. Deze bedrijven moeten bijkomend voldoen aan nieuw ingevoerde lozingsvoorwaarden. De sectorale voorwaarden zijn de BBT-gen's zoals berekend op een niveau zwevende stof van 60 mg/l. In lijn met de overgangstermijn voor de investering in overdekte opslag en de koolwaterstofafscheider, zou het aangewezen zijn eveneens een overgangstermijn te voorzien voor de bouw van de end-of-pipe technieken. Daar tegenover staat dat de sectorale normen van toepassing zijn 10 dagen na publicatie. Juridisch-technisch kan evenwel in de wetgeving geen overgangstermijn voor deze investering worden voorzien. De lozingsnormen zijn bepaald door Vito op basis van sectorale meetgegevens per parameter bij een gehalte zwevende stof van maximaal 60 mg/l. Ook voor nieuwe parameters en bijzondere lozingsvoorwaarden dient een gelijke benadering te worden gevolgd. De sectorfederaties COBEREC en GO4Circle hebben zich bereid verklaard om, wanneer nieuwe parameters worden toegevoegd aan het algemene referentiekader, deze sectorale meetgegevens voor die nieuwe parameter bij maximaal 60 mg/l te voorzien, en een referentie studiecentrum zoals Vito aan te stellen om de sectorale norm op dezelfde basis overeenkomstig de gevolgde methodologie van de BBT-studie te laten bepalen. Voor kleinere bedrijven stelt de BBT-studie dat een verdergaande waterzuivering om economische redenen geen BBT is. Mits zij beschikken over een slibvang en KWS-afscheider en alle preventieve maatregelen die BBT zijn, hebben genomen, voldoen zij van rechtswege aan de sectorale emissiegrenzen. Deze bepaling, die haar oorsprong vindt in de BBT-studie, is nodig voor de rechtszekerheid van deze bedrijven. Door de invoering van sectorale lozingsvoorwaarden voor deze bedrijven, is het ook aangewezen dat de bijzondere voorwaarden die eventueel in de huidige vergunningen opgelegd zijn, vervangen worden door de nieuwe sectorale voorwaarden zodat een gelijk speelveld voor alle bedrijven gecreëerd wordt. Art. 41.Dit artikel vervangt het woord "containerparken" door het woord "recyclageparken" in het opschrift van subafdeling 5.2.2.1. Het begrip "recyclagepark" sluit aan bij de huidige gangbare praktijk van maximaal hergebruik en recyclage van afvalstoffen en de milieuinzichten anno 2018 en vervangt het achterhaalde begrip "containerpark". Art. 42.Dit artikel voegt een nieuw artikel 5.2.2.1.0 toe aan de subafdeling 5.2.2.1. Het is aangewezen om in VLAREM II duidelijk te stellen voor welke rubriek de subafdeling 5.2.2.1.0 van toepassing is. Art. 43.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.1.1 van titel II van het VLAREM. Dit artikel vervangt enerzijds het woord "containerpark" door het woord "recyclagepark" en voegt anderzijds enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samen. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.2. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Dit artikel voegt eveneens twee nieuwe paragrafen toe aan artikel 5.2.2.1.1. Het betreffen voorwaarden inzake de aanvaarding van gft-afval en huisvuil op een recyclagepark. Dit om de uitvoering van actie 12 van het uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval, met name "De VLAREM-reglementering aanpassen om de inzameling van gft/huisvuil op een recyclagepark mogelijk te maken" te volbrengen. Deze wijziging is ook nodig om de recyclageparken hun rol te laten spelen in de acties die verband houden met 8.1.3 van eerder vernoemd uitvoeringsplan: met name "selectieve inzameling van gft van huishoudens te implementeren en bevorderen". Art. 44.Dit artikel voegt twee nieuwe paragrafen toe aan artikel 5.2.2.1.3. Het betreffen voorwaarden inzake de opslag van gft-afval en huisvuil op een recyclagepark. Dit om de uitvoering van actie 12 van het uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval, met name "De VLAREM-reglementering aanpassen om de inzameling van gft/huisvuil op een recyclagepark mogelijk te maken" te volbrengen. Deze wijziging is ook nodig om de recyclageparken hun rol te laten spelen in de acties die verband houden met 8.1.3 van eerder vernoemd uitvoeringsplan: met name "selectieve inzameling van gft van huishoudens te implementeren en bevorderen". Art. 45.Dit artikel voegt een nieuw artikel 5.2.2.1.4 met betrekking tot minirecyclageparken toe aan de subafdeling 5.2.2.1. Dit om invulling te geven aan actie 11 van het uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval, met name "De VLAREM-reglementering rond recyclageparken aanpassen om de oprichting van miniparken mogelijk te maken". Aan minirecyclageparken worden een aantal nieuwe sectorale milieuvoorwaarden opgelegd onder § 1 en § 2, zoals het verbod om asbest in te zamelen in een minirecyclagepark. In de vergunningsaanvraag moet aangetoond worden door de benutte oppervlakte of het type containers dat het park zich richt op kleine hoeveelheden. Deze hoeveelheden worden bepaald in functie van de actieradius van het recyclagepark. Daarnaast is het noodzakelijk om voor de minirecyclageparken een aantal voorwaarden uit afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen' niet van toepassing te stellen. Het gaat over de volgende bepalingen: - Artikel 5.2.1.2, § 5, vierde lid, en 5.2.1.5, § 2: de aanpak van het toezicht (controle aanvoer en toegankelijkheid) op een minirecyclagepark verschilt ten opzichte van een regulier recyclagepark. Voor een minirecyclagepark volstaat een badgesysteem of een camerabewakingssysteem. Uiteraard mogen ook andere degelijke opvolgings- en bewakingssystemen toegepast worden, al dan niet met inschakeling van bevoegde personen. Ook de opgelegde vorm van afsluiting, in- en uitgang en toegangspoort voor een regulier recyclagepark laat onvoldoende flexibiliteit toe. Om deze redenen worden artikel 5.2.1.2, § 5, vierde lid, en 5.2.1.5, § 2 niet van toepassing gesteld voor minirecyclageparken. In de plaats daarvan wordt er voor mini-recyclageparken opgelegd dat buiten de openingsuren het park moet worden afgesloten voor onbevoegden en dat binnen de openingsuren er een gelimiteerde en gecontroleerde toegankelijkheid door middel van een bewakingssysteem moet zijn. - Artikel 5.2.1.5, § 3: voor minirecyclageparken, die gesitueerd zullen zijn in dicht bevolkte gebieden, is het vinden van een geschikt terrein met voldoende parkeerruimte voor voertuigen en vrachtwagens nagenoeg onmogelijk. De organisatie, wijze van inrichting en uitbating moet zodanig zijn dat een minirecyclagepark niet meer verkeershinder veroorzaakt dan de gemiddelde handelszaak in de bebouwde kom. Hier kan vanuit gegaan worden, gezien het de bedoeling is dat in minirecyclageparken enkel kleine hoeveelheden afvalstoffen worden ingezameld die te voet of met de fiets kunnen aangebracht worden. - Artikel 5.2.1.5, § 5: voor minirecyclageparken, die gesitueerd zullen zijn in dicht bevolkte gebieden, is de aanleg van een groenscherm niet realistisch. Een groenscherm drijft de inrichtingskosten op en is ook niet te vinden rond andere handelszaken in de nabije omgeving. Er wordt wel maximaal gestreefd naar de afscherming van het minirecyclagepark. Art. 46.Dit artikel wijzigt de subafdeling 5.2.2.2. De wijzingen hebben enerzijds betrekking op het vervangen van het woord "containerpark" door het woord "recyclagepark". Anderzijds wordt het artikel 5.2.2.2.3, § 3, van titel II van het VLAREM aangepast. In dit artikel wordt bepaald dat de opslag van KGA moet gebeuren in een vloeistofdichte gecompartimenteerde container (KGA-kluis) of in een gesloten opslaglokaal, overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Dit is niet conform de realiteit bij de containerparken, waar het KGA in vele gevallen onder een luifel wordt opgeslagen in daartoe geschikte bakken die afgesloten kunnen worden . Er wordt dus voorgesteld om dit artikel te herformuleren zodat dit meer overeenstemt met de realiteit zonder daarbij in te boeten op de bescherming van de mens en het leefmilieu. Art. 47.Dit artikel betreft de rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten7, namelijk "10 m;" vervangen door "10 m3". Art. 48.Dit artikel wijzigt subafdeling 5.2.2.4 van titel II van het VLAREM. Punten 1° en 2° Hiermee worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.2. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Punt 3° en 4° Deze punten wijzigen artikel 5.2.2.4.2, § 2, inzake de opslagwijze van ongevaarlijke afvalstoffen. Het artikel 5.2.2.4.2, § 2, wordt vereenvoudigd en aangepast conform de gangbare praktijk in de realiteit. De geschrapte passages bieden geen meerwaarde ter bescherming van de mens en het leefmilieu. Art. 49.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.5.1 van titel II van het VLAREM. Hiermee worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.2. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Art. 50. Art. 51.Deze artikelen heffen enerzijds de paragrafen 8 tot en met 10 op van artikel 5.2.2.5.2. en voegen anderzijds een nieuwe subafdeling 5.2.2.5bis toe. De sectorale voorwaarden inzake afgedankte elektrische en elektronische apparaten (AEEA) van de subafdeling 5.2.2.5 (inrichtingen voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, niet elders vermeld) worden verplaatst naar een nieuwe subafdeling 5.2.2.5bis (Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afgedankte elektrische en elektronische apparaten). AEEA kan zowel een gevaarlijke als een niet-gevaarlijke afvalstof zijn. Ook het niet-gevaarlijk AEEA moet gedepollueerd worden conform de voorschriften van de Europese richtlijn 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA). Om misverstanden te vermijden is het opportuun om de voorwaarden inzake AEEA uit subafdeling 5.2.2.5 (inrichtingen voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, niet elders vermeld) te lichten en hiervoor een afzonderlijke subafdeling te creëren die van toepassing is op zowel gevaarlijk als op niet-gevaarlijk AEEA. Deze wijziging betreft geen inhoudelijke wijziging, maar enkel een verplaatsing van de bestaande voorwaarden. Indien het AEEA als een gevaarlijke afvalstof wordt beschouwd, dan blijven de resterende bepalingen van de subafdeling 5.2.2.5 inzake aanvaarding en uitbating nog steeds gelden. Art. 52.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.6.2 van titel II van het VLAREM. Met deze artikelen worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.2. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Art. 53.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.6.3, § 1, van titel II van het VLAREM. Punt 1° : de zinsnede "voor het milieu schadelijke vloeistoffen" wordt vervangen door "stoffen van bijlage 2B van titel I van het VLAREM of gevaarlijke vloeistoffen volgens de CLP-verordening", conform de eerdere wijziging in de overeenkomstige bepaling bij de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen (zie art. 5.2.1.7, § 3) die was opgenomen in de VLAREM-trein 2015/Zomertrein, zijnde het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 03/07/1999 numac 1999012495 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot vaststelling van een model van de PWA-arbeidsovereenkomst en tot uitvoering van artikel 17, 3° van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst sluiten7 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu. Punt 2° : Voorwaarden voor een uniforme aanpak aangaande de goede werking en het onderhoud van koolwaterstofafscheiders blijken noodzakelijk uit de huidige vergunningverlening. Om hieraan tegemoet te komen wordt een afdeling 4.2.3BIS. ingevoegd en wordt er op zes verschillende plaatsen in titel II van het VLAREM, waar nu sprake is van een koolwaterstofafscheider, louter nog verwezen naar deze nieuwe afdeling. Dit is dus een vereenvoudiging van de wetgeving. De BBT-studie voor verontreinigd hemelwater voor de afvalopslag sector (december 2015) schrijft voor dat deze sector minimaal een koolwaterstofafscheider moet voorzien. Een algemene regeling aangaande de goede werking en het onderhoud past volledig in de omzetting van deze BBT-studie in VLAREM. Punten 3° tem 6° : Alle behandelingen van alle voertuigwrakken moeten op een vloeistofdichte vloer plaatsvinden. In de huidige tekst is in het tweede puntje enkel opslag of depollutie van niet-gedepollueerde voertuigwrakken opgenomen en in het derde punt is enkel de opslag van gedepollueerde voertuigwrakken opgenomen. De vernietiging met inbegrip van indrukken is een apart punt, maar andere behandelingen zoals demontage zijn hierbij niet vervat terwijl het wel de bedoeling is dat deze behandelingen ook op vloeistofdichte vloer plaatsvinden. Ter vereenvoudiging kan ook het zesde punt inbegrepen worden in de tekst van het tweede punt. Daarnaast is de reiniging van voertuigen geen onderwerp van hoofdstuk 5.2 waardoor het vijfde punt kan beperkt worden tot "onderdelen". Art. 54.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.6.3, § 2, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent "voertuigen" doorheen het gehele VLAREM. Art. 55.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.6.3, § 3, van titel II van het VLAREM inzake inrichtingen voor de opslag en behandelen van voertuigwrakken. Artikel 5.2.2.6.3, § 2, bevat de bepaling dat niet-gedepollueerde voertuigwrakken zodanig moeten geplaatst worden dat er geen vloeistoffen uit het wrak kunnen lekken. Een gelijkaardige bepaling voor gedepollueerde voertuigwrakken is niet opgenomen. In de praktijk worden deze wrakken echter ook vaak op een manier gestald (bijvoorbeeld op de zijkant of ondersteboven) waarbij er sprake is van lekken door de restvloeistoffen. Het is bijgevolg opportuun om een gelijkaardige bepaling op te nemen bij artikel 5.2.2.6.3, § 3. Art. 56.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.6.4, § 2, van titel II van het VLAREM. Punt 1° : Het betreft louter een terminologische aanpassing in het kader van de uniforme terminologie omtrent "voertuigen" doorheen het gehele VLAREM. Punt 2° : Naast loodstartbatterijen zijn ook andere batterijen zoals deze uit hybride en elektrische voertuigen te demonteren. Beter is de term "batterijen en accu's" te gebruiken in plaats van de term "loodstartbatterijen". Punt 3° : het betreft louter een terminologische aanpassing in het kader van de uniforme terminologie omtrent "voertuigen" doorheen het gehele VLAREM. Art. 57.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.6.5, § 1, van titel II van het VLAREM in het kader van de uniforme terminologie omtrent "voertuigen" doorheen het gehele VLAREM. Art. 58.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.7.1 van titel II van het VLAREM. Hiermee worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.2. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Art. 59.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.7.2, § 1, van titel II van het VLAREM. Voorwaarden voor een uniforme aanpak aangaande de goede werking en het onderhoud van koolwaterstofafscheiders blijken noodzakelijk uit de huidige vergunningverlening. Om hieraan tegemoet te komen wordt een afdeling 4.2.3BIS. ingevoegd en wordt er op zes verschillende plaatsen in titel II van het VLAREM, waar nu sprake is van een koolwaterstofafscheider, louter nog verwezen naar deze nieuwe afdeling. Dit is dus een vereenvoudiging van de wetgeving. De BBT-studie voor verontreinigd hemelwater voor de afvalopslag sector (december 2015) schrijft voor dat deze sector minimaal een koolwaterstofafscheider moet voorzien. Een algemene regeling aangaande de goede werking en het onderhoud past volledig in de omzetting van deze BBT-studie in VLAREM. Art. 60.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.8.1 van titel II van het VLAREM. Met dit artikel worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.2. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Art. 61.Dit artikel wijzigt het woord "containerparken" in het woord "recyclageparken" in artikel 5.2.2.8.6, § 5. Art. 62.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.9.2 van titel II van het VLAREM. Met dit artikel worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.2. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Art. 63. Art. 64.Deze artikelen voegen een subafdeling 5.2.3bis.0 in in afdeling 5.2.3bis en heffen artikel 5.2.3bis.1.1 van titel II van het VLAREM op. Met dit besluit wordt de definitie voor "verbrandingsinrichting" opgeheven (zie eerder). Het artikel 5.2.3bis.1.1bis is niet van toepassing op experimentele verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties (subafdeling 5.2.3bis.2), op dierencrematoria (subafdeling 5.2.3bis.3) en op verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties van biomassa-afval (subafdeling 5.2.3bis.4). Om dit te verhelpen wordt er een nieuwe subafdeling 5.2.3bis.0. toegevoegd aan de afdeling 5.2.3BIS waarnaar de bepalingen van artikel 5.2.3bis.1.1bis, die van toepassing zijn voor alle afvalverbrandings- en meeverbrandingsinstallaties, verplaatst worden. Art. 65.Dit artikel heft paragraaf 2 van artikel 5.2.3bis.1.3 van titel II van het VLAREM op. Hiermee worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.2. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Art. 66.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.14, § 1, van titel II van het VLAREM. Conform artikel 5.2.3bis.1.26, § 1, worden dioxinen en furanen continu bemonsterd met een tweewekelijkse analyse. Het meetresultaat van deze continue bemonstering wordt getoetst aan een drempelwaarde van 0,1 ng TEQ/Nm3. De verwijzing naar deze drempelwaarde wordt expliciet toegevoegd in artikel 5.2.3bis.1.14, § 1. Art. 67.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.26 van titel II van het VLAREM. Het controlemeetprogramma zoals opgenomen in bijlage 4.4.4, kan toegepast worden op de algemene en sectorale meetverplichtingen. Voor afvalverbranding kan de meetfrequentie echter niet verder dalen dan wat de Richtlijn Industriële Emissies (Richtlijn 2010/75/EU) voorschrijft. Hiertoe wordt artikel 5.2.3bis.1.26 aangepast. Art. 68.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.27, § 2, 3°, van titel II van het VLAREM. Bij de implementatie van de Richtlijn Industriële Emissies in VLAREM via de VLAREM-trein 2012 ( Besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 08/10/1999 numac 1999012367 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende drukapparatuur type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 20/07/1999 numac 1999022671 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 type koninklijk besluit prom. 13/06/1999 pub. 03/07/1999 numac 1999012495 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot vaststelling van een model van de PWA-arbeidsovereenkomst en tot uitvoering van artikel 17, 3° van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst sluiten0 tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen) werd het toetsingscriterium voor de CO-emissiegrenswaarde bij meeverbrandingsinstallaties aangepast. Het toetsingscriterium werd hierdoor strenger dan wat geldt voor afvalverbrandingsinstallaties, alsook strenger dan de bepalingen uit de Richtlijn Industriële Emissies. Dit wordt aangepast. Art. 69.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.28 van titel II van het VLAREM. Bij de opmaak van de Code van goede praktijk voor zelfcontrole van bedrijven met een eigen labo, en waarnaar verwezen wordt in artikel 4.2.5.2.1, § 3, en 4.2.5.3.1, § 3, werden onduidelijkheden of interpretatieverschillen vastgesteld. Deze worden verduidelijkt. Het doel is en blijft dat de prestatiekenmerken tussen bedrijven met een eigen labo en een erkend labo hetzelfde is. Art. 70.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.29, § 2, van titel II van het VLAREM. Met deze wijziging wordt ervoor gezorgd dat er een duidelijkere verwijzing is naar de bedoelde meetmethodes in artikel 4, § 1, van bijlage 4.2.5.2 van titel II van het VLAREM en wordt ervoor gezorgd dat er geen tegenstrijdigheid optreedt tussen art. 4, § 2 van bijlage 4.2.5.2. en de in dit artikel vermelde volgorde van te volgen meet- en analysemethoden. De in de artikels opgesomde volgorde is verschillend aangezien deze een letterlijke vertaling is van de richtlijn 2010/75/EU van 24 november 2010 inzake industriële emissies of de BBT-conclusies, terwijl artikel 4, § 2, van bijlage 4.2.5.2 reeds een te volgen volgorde bepaalde indien er geen WAC-methode gespecifieerd is. Art. 71.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.30, § 1, van titel II van het VLAREM. Dit artikel voegt de beperking "in afwijking van het controlemeetprogramma, vermeld in artikel 3 van bijlage 4.2.5.2" toe aan de opgelegde meetfrequenties. Door deze aanvulling wordt niet toegelaten gebruik te maken van het controlemeetprogramma van bijlage 4.2.5.2 van titel II van het VLAREM. Hierdoor wordt gegarandeerd dat de door de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties gehanteerde meetfrequenties voor deze parameters voldoen aan de door de Europese Richtlijn Industriële Emissies. Art. 72.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.33, § 2, eerste lid van titel II van het VLAREM. De meetnauwkeurigheid, vermeld in artikel 4.4.4.2, § 5, mag niet toegepast worden op het meetresultaat van de continue bemonstering van dioxines en furanen. Het betreft hier immers een gemiddelde waarde over een langdurige meting. Voor de duidelijkheid wordt dit nu expliciet opgenomen in artikel 5.2.3bis.1.33, § 2. Art. 73.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.34, § 1, van titel II van het VLAREM, en betreft louter een rechtzetting ter correcte omzetting van de Richtlijn Industriële Emissies (artikel 46
(6)). Art. 74.Dit artikel vervangt paragraaf 1 van artikel 5.2.3bis.3.3 van titel II van het VLAREM. Er is een toenemende vraag naar dierencrematoria voor vee en pluimvee (onder andere voor paarden, geiten, hangbuikvarkens, ezels,...). Artikel 5.2.3bis3.3, § 1 laat dit momenteel echter niet toe. Vanuit de Europese wetgeving, met name de verordening 1069/2009 inzake dierlijke bijproducten wordt dit toegelaten (in Nederland zijn er bijvoorbeeld al een aantal paardencrematoria). In de sectorale voorwaarden voor dierencrematoria wordt er nu reeds een onderscheid gemaakt op basis van de verbrandingscapaciteit, dus tussen kleine en grote installaties ( 50 kg/u). De emissienormen zijn gelijk, maar voor een installatie met een capaciteit boven de 50 kg/u gelden extra technische voorwaarden (bv. een extra steunbrander en een automatisch voedingssysteem). Vanuit de maatschappelijke vraag is het bijgevolg aangewezen om artikel 5.2.3bis3.3, § 1 te schrappen, zonder daarbij in te boeten op de bescherming van de mens en het leefmilieu. Het is aangewezen om in de plaats op te leggen dat de installatie moet geschikt zijn om het dier in één keer te cremeren. Art. 75.Dit artikel heft het tweede lid op van artikel 5.2.3bis.4.3 van titel II van het VLAREM. Art. 76.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.4.1.7, § 2, van titel II van het VLAREM. Met deze artikelen worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.
  1. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Art. 77.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.4.1.7, § 4, van titel II van het VLAREM. De eenheid voor TOC, BTEXS, PCB, minerale olie en PAK wordt aangepast van "mg/kg" naar "mg/kg droge stof". Dit is aangewezen vermits we standaard de samenstelling uitdrukken op droge stofbasis. Het watergehalte mag immers geen invloed hebben op de milieubeoordeling ten opzichte van de normen. Art. 78.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.4.1.8 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Met dit punt worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.
  2. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Punten 2° tem 9° In deze punten wordt namelijk nog steeds verwezen naar het vroegere compendium AAC (Afvalstoffen Analyse Compendium). Vanaf 10 september 2002 zijn de analysemethoden opgenomen in het Compendium voor Monsterneming en Analyse (CMA) in uitvoering van het Materialendecreet en het Bodemdecreet. Behalve AAC-methoden wordt in de huidige artikelen eveneens verwezen naar andere methoden (Duitse, Franse, Internationale) die veelal niet meer up-to-date zijn of zijn geïntegreerd in de huidige Europese normmethoden. De referenties van de analysemethoden worden met deze wijzigingsartikelen geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met de huidige CMA. Artikel 45, § 2, van het VLAREL bepaalt dat het erkende laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses de methoden opgenomen in het CMA moet toepassen. Omwille van deze verplichting wordt de term `aanbevolen' geschrapt in de voormelde artikelen. Art. 79.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.4.1.9, § 6, van titel II van het VLAREM. De verwijzing naar de vezelvrijstellingstest van asbesthoudend afvalmateriaal om na te gaan of asbest in gebonden vorm aanwezig is, wordt geschrapt. Voor de vezelvrijstellingstest was één laboratorium erkend en dat labo heeft deze test de voorbije jaren nooit moeten uitvoeren. De bepaling heeft dus geen meerwaarde meer en kan geschrapt worden. Art. 80.Dit artikel wijzigt artikel 5.2.4.1.10 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt heft punt 3° op in het tweede lid van artikel 5.2.4.1.10, § 1, van titel II van het VLAREM. In dit artikel wordt namelijk verwezen naar het feit dat de evaluatiemethodiek voor asbesthoudende afvalstoffen en de vezelvrijstellingstest opgenomen zijn in het CMA/2/II/C.
  3. De methode "CMA/2/II/C.1" is geschrapt bij de laatste aanpassing van het CMA. Voor de vezelvrijstellingstest was één laboratorium erkend en dat labo heeft deze test de voorbije jaren nooit moeten uitvoeren. De bepaling heeft dus geen meerwaarde meer en kan geschrapt worden. Punt 2° Dit punt wijzigt artikel 5.2.4.1.10, § 2, van titel II van het VLAREM. Hiermee worden enkele algemene bepalingen voor de aanvaarding en behandeling van afvalstoffen samengevoegd. In verschillende (sub)afdelingen van hoofdstuk 5.2 inzake de verwerking van afvalstoffen komen telkens dezelfde bepalingen terug, met name dat alleen die afvalstoffen mogen worden aanvaard en verwerkt die worden vermeld in de vergunning en dat indien in de vergunning dit niet wordt bepaald, de vergunning wordt beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld. Deze bepaling wordt nu algemeen van toepassing gesteld door dit toe te voegen aan afdeling 5.2.1 `algemene bepalingen voor de verwerking van afvalstoffen'. De overeenkomstige bepalingen in de verschillende (sub)afdelingen kunnen dan geschrapt worden. Dit betreft een tekstuele vereenvoudiging en het bevorderen van eenzelfde aanpak van de verschillende (sub)afdelingen onder het hoofdstuk 5.
  4. Aansluitend hiermee worden in enkele subafdelingen nog de specifieke oplijsting geschrapt omtrent welke afvalstoffen specifiek mogen worden aanvaard of verwerkt of welke behandelingen specifiek mogen worden toegepast. Dit gezien deze oplijsting in de meeste gevallen achterhaald is en dus niet meer conform de gangbare praktijk is. Het is daarenboven efficiënter en meer op maat van de individuele bedrijven om de lijst van afvalstoffen die mogen worden aanvaard of verwerkt of de lijst van behandelingen die mogen worden toegepast, te regelen via de omgevingsvergunning of de aanvraag. Art. 81.Dit artikel betreft een rechtzetting van een erratum dat geslopen was in het besluit van d

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.