Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid. - Erratum Het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid - gecodificeerde besluiten, als bijlage gevoegd bij bovenvermeld besluit bekendgemaakt in het Belgi
§ 2
, eerste lid, van het decreetgevend Wetboek kunnen om de twee jaar verminderd worden. Om het bedrag van de subsidies te behouden die het opvangtehuis toegekend worden overeenkomstig artikel 115, §
§ 2
, eerste lid, van het decreetgevend deel van Wetboek, levert laatstgenoemde over een periode van twee jaar het bewijs van : 1° een bezettingsgraad van minstens 80 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;2° een bezettingsgraad van minstens 70 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen. Om het bedrag van de subsidies te behouden bedoeld in artikel 115, §
§ 2
, eerste lid, van het decreetgevend Wetboek, levert het gemeenschapstehuis over een periode van twee jaar het bewijs van : 1° een bezettingsgraad van minstens 70 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen.2° een bezettingsgraad van minstens 60 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen. Er wordt van uitgegaan dat een opvangtehuis of een gemeenschapshuis van kinderen vergezelde mannen of vrouwen onderbrengt als 25 % van het totaalaantal overnachtingen of meer kinderovernachtingen zijn. De documenten ter rechtvaardiging van de bezettingsgraden bedoeld in het tweede en het derde lid worden uiterlijk 31 januari van het derde erkenningsjaar aan het bestuur overgemaakt. Als de bezettingsgraad van een opvangtehuis of een gemeenschapshuis lager is dan de bezettingsgraden bedoeld in het tweede en het derde lid, stemt het aantal plaatsen dat in overweging genomen worden voor de bepaling van de subsidies bedoeld in de artikelen 94 en 100 overeen met het effectief aantal bezette plaatsen tijdens de berekeningsperiode. Art. 117.Elke schending van de werkingsvoorwaarden bedoeld in de artikelen 92, 93, 94, 98 en 101 van het decreetgevend deel van het Wetboek heeft als gevolg dat de overtreder niet meer in aanmerking genomen wordt bij de berekening van de bezettingsgraad. Art. 118.Elke schending van de voorwaarden bedoeld in de artikelen 97, 99 en 102 van het decreetgevend deel van het Wetboek houdt in dat de subsidies ter dekking van de werkingskosten met 25 % verminderd worden. Art. 119.Elke schending van de voorwaarden bedoeld in artikel 100 van het decreetgevend deel van het Wetboek heeft als gevolg dat de subsidies bedoeld in artikel 115, §
§ 2
, eerste lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek met 25 % verminderd worden. Art. 120.Het verlies van de erkenning heeft als gevolg het verlies van de subsidies bedoeld in artikel 115, §
§ 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek.
Art. 121.De vermindering of de afschaffing van de subsidies treedt pas in werking vanaf het jaar na de beslissing tot vermindering of afschaffing. Art. 122.De voorstellen tot vermindering of intrekking van de subsidies bedoeld in artikel 115, §
§ 2
, eerste lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek worden onderzocht volgens de procedure bedoeld in de artikelen 77 en
- Art. 123.Onder voorbehoud van het tweede lid is elke beslissing tot vermindering of intrekking van de subsidies van toepassing vanaf 1 januari van het jaar na de beslissing. In geval van intrekking van de erkenning heeft de beslissing tot intrekking van de subsidies onmiddellijk gevolg. Onderafdeling 4 - Afwijkingen Art. 124.Op straffe van niet-ontvankelijkheid worden de aanvragen tot afwijking bedoeld in artikel 117, § 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek ingediend middels het formulier opgenomen in bijlage
- Afdeling 6 - Financiële bijdrage van de rechthebbenden Art. 125.De financiële bijdrage van de ondergebrachte persoon dekt het onderkomen. Ze dekt ook de maaltijden als ze deel uitmaken van de aangeboden diensten. Ze dekt geen andere diensten dan die bedoeld in het eerste lid. Art. 126.De financiële bijdrage houdt rekening met de reële kost van de diensten. De financiële bijdrage voor het onderkomen mag dagelijks niet lager zijn dan 6 per persoon en mag niet hoger zijn dan 4/10e van de bestaansmiddelen van de ondergebrachte persoon. De financiële bijdrage voor het onderkomen en de maaltijd mag dagelijks niet lager zijn dan 10 per persoon. Voor het onderbrengen van kinderen kan het opvangtehuis of het gemeenschapshuis al naar gelang het collectieve begeleidingsproject ervan evenwel verzoeken om een financiële bijdrage die lager is dan de bedragen bedoeld in het eerste en het tweede lid. De bedragen bedoeld in dit artikel worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen 111,64 die toepasselijk is op 1 juni 2004 (basis 1996 = 100). Art. 127.De werkelijke kostprijs van het onderkomen en de maaltijden wordt jaarlijks vastgelegd. De methode voor de berekening van de werkelijke kostprijs en de lijst van de toelaatbare uitgaven worden vastgelegd overeenkomstig bijlage
- Het tehuis waarvan de reële kost hoger is dan de minima bedoeld in artikel 126, verwittigt het bestuur. Art. 128.De overeenkomstig artikel 77, 4°, van het decreetgevend deel van het Wetboek in aanmerking te nemen bestaansmiddelen zijn de volgende op voorwaarde dat ze daadwerkelijk ontvangen worden door de ondergebrachte persoon : 1° het inkomen uit werk;2° de vervangingsinkomens, met inbegrip van die welke toegekend worden krachtens de wetgeving betreffende de uitkeringen aan gehandicapte personen;3° het leefloon of de daarmee gelijkgestelde sociale tegemoetkoming;4° het gewaarborgd inkomen voor ouderen;5° de overlevings- en rustpensioensuitkeringen;6° de gezinstoelagen en het alimentatiegeld, met inbegrip van die ontvangen door de kinderen van de ondergebrachte personen.Die bedragen mogen evenwel enkel tot op twee derde in aanmerking genomen worden. Afdeling 7 - Sluiting Art. 129.Als het bestuur voor de gevallen bedoeld in artikel 108, § 1, van het decreetgevend deel van het Wetboek een voorstel tot sluiting van een inrichting aan de Minister richt, wordt hem een verslag ter rechtvaardiging van de dringende sluiting gestuurd, samen met een recent inspectieverslag alsmede, in voorkomend geval, elk nuttig gegeven en document. De Minister geeft de beheerder en de burgemeester onmiddellijk kennis van de beslissing tot sluiting. Art. 130.Als het bestuur voor de gevallen bedoeld in artikel 108, § 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek een voorstel tot sluiting van een inrichting aan de Minister richt, wordt de beheerder kennis van dat voorstel in kennis gesteld. Laatstgenoemde wordt eveneens ingelicht over het feit dat hij over een termijn van 15 dagen beschikt om zijn schriftelijke opmerkingen aan het bestuur te richten. Het dossier wordt door de afgevaardigde ambtenaar aangevuld met de schriftelijke opmerkingen van de beheerder. Daartoe roept hij de vertegenwoordiger van de inrichting op bij ter post aangetekend schrijven of per brief afgegeven tegen ontvangstbewijs, met opgave van de plaats en het uur van het verhoor. De oproeping vermeldt de mogelijkheid om zich door een raadsman te laten bijstaan. De weigering te verschijnen of zijn verweermiddelen aan te voeren wordt in het proces-verbaal van verhoor geacteerd. Het dossier wordt naar de beheerder gestuurd, eventueel aangevuld met elk bijkomend nuttig gegeven en stuk, samen met het proces-verbaal van verhoor. De beheerder beschikt over een termijn van vijftien dagen om zijn schriftelijke opmerkingen te doen gelden vooraleer het dossier de Minister ter beslissing voorgelegd wordt. Art. 131.Als de beheerder van een inrichting voornemens is de inrichting vrijwillig te sluiten, licht hij de Minister uiterlijk drie maanden vóór de sluiting daarover in. Afdeling 8 - Overgangsbepalingen Art. 132.In afwijking van de artikelen 89 tot 91, 94 en 100 kan het personeel tewerkgesteld in een opvangtehuis of gemeenschapshuis dat niet over de vereiste titels beschikt, zijn activiteiten voortzetten na beslissing van de Minister. Als een subsidie wordt toegekend in het kader van de artikelen 94 en 100, wordt de subsidie die overeenkomt met de titel van de werknemer gehandhaafd tot het einde van zijn contract. TITEL IV. - Schuldbemiddeling HOOFDSTUK I. - Instellingen voor schuldbemiddeling Afdeling 1 - Programmering Art. 133.Behalve de instellingen bedoeld in artikel 127, § 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek mag in elke gemeente één enkele instelling voor schuldbemiddeling erkend worden tenzij de gemeente al bediend wordt door een vereniging hoofdstuk XII geregeld bij de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/08/2000 pub. 31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten5 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of door een andere erkende instelling voor schuldbemiddeling, ingevolge een samenwerkingsverband op grond waarvan schuldbemiddeling gegarandeerd wordt aan de inwoners van bedoelde gemeente. In afwijking van het eerste lid kunnen in de gemeenten met meer dan 30 000 inwoners bijkomende instellingen erkend worden naar rato van één instelling per aangesneden schijf van 30 000 inwoners boven de eerste schijf van 30 000 inwoners. Afdeling 2 - Erkenning Onderafdeling 1 - Erkenningsprocedure A. Algemene beginselen Art. 134.De aanvragen tot erkenning van de instellingen bedoeld in artikel 118 van het decreetgevend deel van het Wetboek worden bij aangetekend schrijven of middels een elektronisch formulier aan het bestuur gericht. Art. 135.Het voorontwerp wordt ingediend in de vorm van een verklaring op erewoord waarvan het model door het bestuur opgemaakt wordt en aan de hand waarin de instelling volgende gegevens vermeldt : 1° haar benaming, zetel, duur, maatschappelijk doel;2° het bewijs van de beslissing waarbij het bevoegde orgaan van de instelling een schuldbemiddelingsactiviteit zal uitoefenen; 3° het bewijs van de verbintenis waarbij het bevoegde orgaan van de instelling zich zal houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen voor schuldbemiddeling, o.a. inzake gespecialiseerd personeel en, in voorkomend geval, het sluiten van een overeenkomst op het leveren van juridische dienstverlening met een minimuminhoud zoals vastgelegd in bijlage 17; 4° het bewijs dat de functies bedoeld in artikel 7, 2°, van het decreet niet toegewezen worden aan personen die niet gemachtigd zijn krachtens deze bepaling en dat de leden van het leidend orgaan van de instelling en de personeelsleden die op grond van hun bevoegdheden rechtstreeks deelnemen in de uitoefening van de schuldbemiddelingsactiviteit niet ingedeeld zijn in één van de categorieën bedoeld in artikel 78 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;5° het bewijs van de gespecialiseerde opleiding van de personen bedoeld in artikel 121 van het decreetgevend deel van het Wetboek. Elke wijziging van de gegevens vervat in de verklaring op erewoord moet binnen vijftien dagen aan het bestuur meegedeeld worden. Bij de erkenningsaanvraag worden ook de volgende stukken gevoegd : 1° een overzicht van de vastgestelde behoeften, van de middelen waarvan de aanwending overwogen wordt om daarop in te spelen en het activiteitsgebied dat normaal onder de instelling valt;2° de laatste goedgekeurde rekeningen van de instelling en een vermelding van de beschikbaarheid van de financiële middelen die nodig zijn voor de bezoldiging van de personen en diensten bedoeld in artikel 121 van het decreetgevend deel van het Wetboek. Art. 136.Binnen dertig dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag bezorgt het bestuur de aanvrager hetzij een bericht van ontvangst als de aanvraag volledig is, hetzij een bericht waarbij hij erom verzocht wordt zijn aanvraag binnen 15 werkdagen aan te vullen. Hij wordt daarbij gewezen op de ontbrekende stukken en/of gegevens. Bij gebrek aan bericht van ontvangst binnen de voorgeschreven termijnen wordt de aanvraag geacht volledig en regelmatig te zijn. Art. 137.Het bestuur behandelt de aanvraag en maakt bedoelde aanvraag samen met zijn opmerkingen over aan de Minister binnen een termijn van 3 maanden na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is. De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier. Art. 138.Indien beslist wordt de erkenning te weigeren of in te trekken, wordt daarvan aan de aanvrager bij aangetekend schrijven kennis gegeven. Art. 139.De instellingen bedoeld in artikel 118 van het decreetgevend deel van het Wetboek richten om de vijf jaar, en voor het eerst in 2012, voor de maand april een omstandig activiteitenrapport aan het bestuur, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaar en de vooruitzichten voor de komende vijf jaar. Dat activiteitenrapport wordt, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de "Conseil wallon de l'Action sociale et de la Santé". Art. 140.§
- Het bewijs van de gespecialiseerde opleiding bedoeld in artikel 121, eerste lid, 1°, van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt geleverd middels een getuigschrift afgegeven na deelname aan een programma van minstens dertig uren theorielessen met betrekking tot volgende materies : 1° verbintenissenrecht;2° hypothecair krediet;3° verbruikskrediet; 4° geschil i.v.m. het niet betalen van schulden en middelen van tenuitvoerlegging; 5° methodologische aspecten van de schuldbemiddeling;6° collectieve schuldenregeling. Om het opleidingsprogramma af te sluiten, wordt minstens twee weken na de theorielessen minimum één dag aan het bestuderen van praktijkgevallen besteed. §
- Het bewijs van de gespecialiseerde opleiding bedoeld in artikel 121, eerste lid, 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt geleverd middels een getuigschrift afgegeven na deelname aan een programma van minstens 24 uren theorielessen met betrekking tot volgende materies : 1° de schuldbemiddeling : organisatorische, sociale, economische en relationele aspecten;2° collectieve schuldenregeling en bemiddeling van niet-gerechtelijke schulden : afbetalingsplannen en randproblemen;3° collectieve schuldenregeling : evolutie van de regelgeving en de rechtspraak;4° verbruikerskrediet : wettelijk kader en onderzoek van de afrekeningen;5° hypothecair krediet;wettelijk kader en onderzoek van de afrekeningen. Art. 141.De maatschappelijk werkers waarvan sprake in artikel 121, eerste lid, 1°, van het decreetgevend deel van het Wetboek zijn houder van één van de volgende academische graden : 1° in het hoger niet-universitaire onderwijs met volledig leerplan, categorie maatschappelijke opleidingen : Maatschappelijk assistent, bachelor - Maatschappelijk assistent, maatschappelijk adviseur, bachelor - Maatschappelijk adviseur, gediplomeerde in studies met specialisatie in sociaal beheer, Master sociale engineering en welzijn;2° in het hoger niet-universitaire onderwijs met volledig leerplan, categorie economische opleidingen : Gegradueerde in de rechten, Bachelor in de rechten;3° in het universitair onderwijs, vakgebied maatschappelijke wetenschappen : Licentiaat in de sociologie, Licentiaat in de sociologie en de antropologie, richting sociologie, Licenciaat in het maatschappelijk werk, Master in Sociologie, Licenciaat Politieke en Economische Wetenschappen, Master in Economische en Sociale Wetenschappen;4° een buitenlands diploma hogere studies, evenwaardig aan één van voornoemde graden. De houders van één van bovenvermelde academische graden, vallend onder de categorie economie/hogescholen, hoger onderwijs economie/sociale promotie, onder het vakgebied rechten/universiteit, dienen het bewijs voor te leggen van een aanvullende vorming in verband met deontologie van het maatschappelijk werk en budgetbegeleiding. Het gebruik van mannelijke namen voor de verschillende academische graden is gemeenslachtig voor een betere tekstleesbaarheid, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van de Franse Gemeenschap van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel. B. Specifieke modaliteiten voor privé-instellingen Art. 142.Naast de gegevens bedoeld in artikel 135 toont de privé-instelling haar onafhankelijkheid t.o.v. personen of instellingen die een activiteit van kredietgever of -bemiddelaar uitoefenen krachtens de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, en geeft de bedrijvigheidszetel op waarvoor de erkenning is aangevraagd. C. Specifieke modaliteiten voor openbare centra voor maatschappelijk welzijn en voor verenigingen van openbare centra voor maatschappelijk welzijn Art. 143.De openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de verenigingen van openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn vrijgesteld van de overlegging van de stukken bedoeld in artikel 135, derde lid, 2°. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn moeten wel de notulen voorleggen van de vergadering van het overlegcomité bedoeld in artikel 26, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/08/2000 pub. 31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen sluiten5 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn m.b.t. de oprichting van de dienst voor schuldbemiddeling. Afdeling 3 - Subsidiëring Onderafdeling 1 - Algemene beginselen Art. 144.Voor de toepassing van deze afdeling moet worden verstaan onder : 1° behandeld dossier : elke aanvraag gericht aan de erkende instelling in de loop van het referentiejaar die het voorwerp heeft uitgemaakt van minstens één begrotingsanalyse (telling van de inkomens en lasten van de personen) en van een omstandig overzicht van de bestaande schulden, of elk dossier dat een aanzuiveringsplan bevat voor de schulden die in de loop van een jaar dat volgt op het jaar van de opening ervan het voorwerp heeft uitgemaakt van hetzij een herziening van het opgemaakte aanzuiveringsplan daar er rekening gehouden moest worden met een nieuw gegeven, hetzij geïndividualiseerde geschriften gericht aan de schuldeisers of aan derden en betreffende de uitvoering van het plan, hetzij regelmatige ontmoetingen met de schuldenaar in het kader van de begeleiding van de uitvoering van het plan; 2° voortgezette opleiding : elke andere opleiding dan de verplichte basisopleiding i.v.m. schuldbemiddeling; 3° gedecentraliseerde site : elke aangepaste plaats, met uitzondering van de hoofdzetel van de activiteit, waar de personen die om schuldbemiddeling verzoeken, zich kunnen melden voor een eerste gesprek of voor verdere gesprekken met het oog op de behandeling van hun dossier. Art. 145.De instellingen bedoeld in artikel 128, § 1, eerste lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek die op 1 januari van het referentiejaar erkend zijn, genieten op eigen verzoek een subsidie als tegemoetkoming in de personeels- en werkingskosten. Een gemeente en haar openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mogen in geen geval tegelijkertijd gesubsidieerd worden. Een gemeente of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hebben geen recht op subsidies indien ze lid zijn van een vereniging van gemeenten of van een vereniging van openbare centra voor maatschappelijk welzijn die op grond van dit hoofdstuk worden gesubsidieerd. De personeels- en werkingskosten komen slechts in aanmerking voor een subsidie als ze niet worden gedekt door een andere financieringsbron. Een instelling mag pas aanspraak maken op een subsidie als ze gedurende het referentiejaar minstens één dossier voor 1 000 inwoners heeft behandeld in het geval van een openbare instelling en minstens 30 dossiers in het geval van een privé-instelling. Art. 146.De bedragen bedoeld in de artikelen 147 tot en met 153 zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex, overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 153 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Voor het eerst op één januari volgend op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en vervolgens jaarlijks op één januari wordt dat bedrag berekend door het aan te passen aan de rang van de laatste spilindex met als grondslag de koppelindex van de maand januari
- Onderafdeling 2 - Forfaitair deel van de subsidiëring Art. 147.Voor openbare instellingen is het forfaitaire deel van de subsidie afhankelijk van het bevolkingscijfer van het bediende grondgebied. Deze instellingen ontvangen een subsidie van 0,30 euro per inwoner. Het bevolkingscijfer van de gemeenten is het in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte officiële bevolkingscijfer op 1 januari van het referentiejaar. Art. 148.Voor privé-instellingen bedraagt het forfaitaire deel van de subsidie 10.000 euro. Onderafdeling 3 - Wisselend deel van de subsidiëring Art. 149.Het wisselende deel van de subsidie bestaat uit de bedragen die voor het referentiejaar worden vastgesteld, met name : 1° een bedrag gekoppeld aan het aantal dossiers;2° een bedrag voor de voortgezette personeelsopleiding. 3° een bedrag gekoppeld aan de decentralisatie als het gaat om een vereniging hoofdstuk XII, om een intercommunale vereniging of om een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in een samenwerkingsverband met andere O.C.M.W.'s voor schuldbemiddeling en die aan schuldbemiddeling doet in één of meer gedecentraliseerde sites gelegen in een andere gemeente dan die waar de zetel van de vereniging of van het O.C.M.W. met de voortrekkersrol gevestigd is. Het wisselend gedeelte wordt aangevuld met een bedrag dat afhankelijk is van de inrichting tijdens het subsidiejaar, door de instelling of op haar initiatief, van één of meerdere steungroepen ter voorkoming van een overmatige schuldenlast. Art. 150.Het bedrag bedoeld in artikel 149, eerste lid, 1°, wordt vastgelegd op euro 70 per behandeld dossier. Het op grond van het eerste lid bepaalde bedrag mag evenwel niet hoger zijn dan : 1° 21.000 euro voor de openbare instellingen die een grondgebied met minder dan 50 000 inwoners bedienen; 2° 35.000 euro voor de openbare instellingen die een grondgebied met minder 50 000 tot 150 000 inwoners bedienen en voor de privé-instellingen; 3° 70.000 euro voor de openbare instellingen die een grondgebied met meer dan 150 000 inwoners bedienen. Art. 151.Het in artikel 149, eerste lid, 2°, bedoelde bedrag is gelijk aan 250 euro. Als de erkende instelling meer dan twee voltijds equivalent personeelsleden aanstelt voor schuldbemiddeling, wordt dat bedrag tot 370 euro verhoogd. Art. 152.Het bedrag b