← België

Besluit van de Waalse Regering betreffende Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt

Kort samengevat

Dit besluit van de Waalse Regering van 3 maart 2005 regelt diverse aspecten van het waterbeheer in Wallonië, voortbouwend op het decreet van 27 mei 2004 betreffende Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek omvat. Het doel is de bescherming en het duurzaam beheer van waterbronnen te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

3 MAART

  1. - Besluit van de Waalse Regering betreffende Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 27 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten3 betreffende Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt; Gelet op het koninklijk besluit van 25 september 1984 tot vaststelling van de algemene normen die de kwaliteitsobjectieven bepalen van zoet oppervlaktewater dat bestemd is voor de productie van drinkwater; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 15 oktober 1987 betreffende de opdrachten, de organisatie, de financiering en het beheer van het Waalse Fonds van voorschotten voor het herstel van schade veroorzaakt door de grondwaterwinning en pomping; Gelet op het koninklijk besluit van 4 november 1987 houdende vaststelling van de basiskwaliteitsnormen voor de wateren van het openbaar hydrografisch net, en tot aanpassing van het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 20 december 1988 betreffende de subsidies toegekend door het Waalse Gewest voor bepaalde investeringen van openbaar nut inzake waterproductie en watervoorziening; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 25 oktober 1990 tot aanwijzing van beschermingszones van oppervlaktewater; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 29 november 1990 betreffende de vrijstellingsvoorwaarden van de betaling van de belasting op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater voor de hospitalen, ziekenhuizen en andere instellingen waarin niet besmettelijke zieken worden behandeld; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 28 februari 1991 houdende regeling van de ontwatering; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 14 november 1991 tot bepaling van de aard van de technische opdrachten waarmee de Waalse Maatschappij voor Watervoorziening wordt belast inzake belasting op het lozen van industrieel afvalwater; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 14 november 1991 betreffende het winnen van tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater en de waterwinnings-, voorkomings- en toezichtsgebieden; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 27 juni 1991 tot vaststelling van de samenstelling van de Adviescommissie voor de bescherming van het water tegen de verontreiniging; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestregering van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 20 november 1991 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozingen van bepaalde gevaarlijke stoffen; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 10 december 1992 betreffende de ruiming van septische putten en van gelijksoortige zuiveringssystemen alsmede de verspreiding van hun slijk; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 23 juni 1994 tot vaststelling van technische modaliteiten voor de bepaling van de reële gemiddelde waarden van de parameters die tussenkomen in de berekening van de belasting op het lozen van industrieel afvalwater; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 8 december 1994 tot vaststelling van het aangifteformulier betreffende de belasting op het lozen van industrieel afvalwater; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 15 december 1994 tot vaststelling van de algemene immissienormen van viswater; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 27 april 1995 tot vaststelling van de regels voor de samenstelling van de afvaardigingen van de Regering bij de Internationale commissie voor de bescherming van de Schelde en bij de Internationale commissie voor de bescherming van de Maas; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 18 mei 1995 betreffende de financiering van het beheer en de bescherming van tot drinkwater verwerkbaar water; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 20 juni 1996 tot bepaling van het formulier voor de aangifte van de hoeveelheden getapt water en het gebruik ervan; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 11 december 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten4 betreffende het belastingstelsel dat van toepassing is op lozingen van afvalwater uit veehouderijen of -fokkerijen; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 9 april 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten5 betreffende de financiering van het beheer en de bescherming van grondwater; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 17 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten7 tot toepassing van sommige bepalingen van het decreet van 11 oktober 1985 houdende het herstel van de schade veroorzaakt door het winnen en het oppompen van grondwater; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 25 februari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten8 betreffende de behandeling van stedelijk afvalwater; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten9 betreffende de oprichting en de werking van het comité voor watercontrole bedoeld in artikel 16 van het decreet van 15 april 1999 betreffende de kringloop van het water en houdende oprichting van een "société publique de gestion de l'eau" (Openbare Maatschappij voor Waterbeheer); Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten9 betreffende de oprichting en de werking van het comité van deskundigen ingesteld krachtens artikel 14 van het decreet van 15 april 1999 betreffende de kringloop van het water en houdende oprichting van een "Société publique de gestion de l'eau" (Openbare maatschappij voor waterbeheer);; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 30 maart 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten0 betreffende de berekening, inning en invordering van de heffing op de winplaatsen van tot drinkwater verwerkbaar water en van de belasting op de winplaatsen van grondwater dat niet tot drinkwater verwerkbaar is; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 30 maart 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten0 betreffende de berekening, inning, invordering, vrijstelling en terugbetaling van de belasting op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten1 betreffende de bescherming van het oppervlaktewater tegen de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 19 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten2 tot invoering van een premie voor de installatie van een individueel zuiveringssysteem; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 13 september 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten3 waarbij de grenzen van de hydrografische bekkens en onderbekkens van het Waalse Gewest worden vastgesteld; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 22 november 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten4 tot bepaling van de prioritaire afwatering en van de modaliteiten voor de financiering ervan; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 21 maart 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten5 betreffende de werkingsregels van het Comité van deskundigen belast met de behandeling van de aanvragen tot erkenning van zuiveringssystemen; Gelet op het besluit van de Waalse regering van 10 oktober 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten7 betreffende het duurzame beheer van stikstof in de landbouw; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten8 betreffende het algemeen reglement voor de sanering van stedelijk afvalwater; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 24 juli 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten9 ter aanwijzing van de badzones en houdende verschillende maatregelen voor de bescherming van het zwemwater; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 2 oktober 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 betreffende de procedure die gevolgd dient te worden bij het voorvallen van gebeurtenissen die schade kunnen toebrengen aan het voor menselijke consumptie bestemde water; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 9 oktober 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot organisatie van de contrôle op de individuele zuiveringssystemen en tot bepaling van de voorwaarden voor de vrijstelling van de belasting op het lozen van ander afvalwater dan industrieel afvalwater; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 15 januari 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 betreffende de parameterwaarden geldend voor het voor menselijke consumptie bestemd water; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 4 februari 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 tot uitvoering van het decreet van 20 februari 2003 houdende oprichting van een Sociaal waterfonds in het Waalse gewest en tot bepaling van de desbetreffende modaliteiten; Gelet op het advies van de "Conseil supérieur des Villes, Communes et Provinces de la Région wallonne" (Hoge Raad van Steden, Gemeenten en Provincies van het Waalse Gewest), gegeven op 12 februari 2004; Gelet op het advies van de "Conseil wallon de l'environnement" (Waalse Raad voor het Leefmilieu), gegeven op 4 maart 2004; Gelet op het advies van de « Commission consultative pour la protection des eaux de surface contre la pollution » (Adviescommissie voor de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging), gegeven op 9 februari 2004; Gelet op het advies van AQUAWAL, gegeven op 12 februari 2004; Gelet op het advies van het « Comité de contrôle de l'eauu » (Comité voor watercontrole), gegeven op 27 januari 2004; Gelet op het advies van de "Société publique de gestion de l'eau" (Openbare maatschappij voor waterbeheer), gegeven op 17 februari 2004; Gelet op het verzoek gericht op 28 mei 22004 aan de Raad van State en het uitblijven van advies binnen een termijn van dertig dagen overeenkomstig artikel 84, § 1, lid 1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Gelet op de dringende noodzakelijkheid ingegeven door de noodzaak om onverwijld richtlijn 2000/60/EG van 20 oktober 2000 tot vaststelling van een kadervoor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, met als uiterste datum van omzetting 22 december 2003, om te zetten; Op de voordracht van de minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1.De hiernavolgende bepalingen maken het regelgevende deel van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, uit. « Boek II. - Water DEEL EEN. - ALGEMEEN TITEL I. - Beginselen TITEL II. - Begripsomschrijvingen Art. R.
  2. In de zin van dit boek dient te worden verstaan onder « decreetgevend deel » : de bepalingen van het decreetgevend deel van Boek II van het Milieuwetboek vervat in artikel 1 van het decreet van 27 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten3 betreffende Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt. Art. R.
  3. De prioritaire stoffen en de prioritaire gevaarlijke stoffen zoals omschreven in artikel 3, 80° en 81°, van het decreetgevend deel zijn vermeld in bijlage I. TITEL III. - Adviesverlenende instanties Art. R.
  4. De Adviescommissie voor de bescherming van het water tegen de verontreiniging bestaat uit drie groepen van elk acht gewone leden en acht plaatsvervangers : 1° De eerste groep omvat acht leden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de organisaties die representatief zijn voor de industrie, de handel en de middenstand, de landbouwers en veehouders, de werknemers;2° De tweede groep bestaat uit acht leden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de verenigingen ter bescherming van het leefmilieu, de representatieve vissersorganisaties, de zwemsport- en waterrecreatiefederaties en de representatieve verbruikersorganisaties en die welke voor de lokale besturen representatief is, door de riviercontracten;3° De derde groep bestaat uit acht leden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door AQUAWAL en de "Société publique de gestion de l'eau" (Openbare maatschappij voor waterbeheer). De leden van de Commissie dienen minstens achttien jaar oud te zijn. Elk lid zetelt enkel als vertegenwoordiger van één enkele instantie, organisatie, federatie ou vereniging zoals bedoeld in lid
  5. Art. R.
  6. Elke instelling, organisatie, federatie of vereniging zoals bedoeld in artikel 3 legt per toegewezen mandaat een dubbele lijst van kandidaten-gewoon lid en van kandidaten-plaatsvervanger aan de Minister voor. De werkende en plaatsvervangende leden worden benoemd door de Minister. Art. R.
  7. De mandaten zijn persoonlijk en worden toegewezen voor een termijn van vier jaar. Zij gaan in vanaf de dag waarop van het benoemingsbesluit aan de betrokkenen kennis wordt gegeven. Bij het openvallen voor het einde van een werkend mandaat voorziet de Minister in de vervanging ervan volgens de procedure vastgesteld in artikel
  8. De functies van leden van de Commissie eindigen door het verlies van hoedanigheid waarvoor zij werden benoemd. De Minister stelt dit verlies van hoedanigheid vast. Aan het einde van de periode van vier jaar wordt de Commissie vernieuwd overeenkomstig de in de artikelen 2 en 3 voorgeschreven voorwaarden. De kandidaatstellingen worden ingediend ten minste drie maanden voor het einde van de periode. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden worden de nieuwe leden door de Minister benoemd uiterlijk op het verstrijken van de hierboven bedoelde periode. Art. R.
  9. In geval van ontslagneming of overlijden van de voorzitter wordt het voorzitterschap collegiaal door de ondervoorzitters waargenomen totdat de Regering zijn plaatsvervanger heeft aangewezen. Bij ontslagneming of overlijden van een ondervoorzitter wijst de Regering zijn plaatsvervanger aan, die het mandaat voltooit. Art. R.
  10. De zetel van de Commissie is te Luik gevestigd. Art. R.
  11. Het bureau van de Commissie bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitters en uit een in ieder van de in artikel 3 bedoelde groepen aangewezen vertegenwoordiger. Het bureau regelt de werkzaamheden van de Commissie, neemt het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, van de secretariaat waar en beheert de voor de werking van de Commissie toegekende jaarlijkse begroting. Elk jaar stelt de Minister het ontwerp van werkingsbegroting van de Commissie vast. Het begrotingsontwerp wordt beperkt tot de kosten van de Commissie, de reiskosten van de leden en de kosten voor het horen van deskundigen. Art. R.
  12. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen overeenkomstig artikel 4, § 3, van het decreet van 25 mei 1983 houdende wijziging, wat de Gewestelijke Economische Raad voor Wallonië betreft, van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie en houdende inrichting van een « Conseil économique et sociale de la Région wallonne » (Sociaal-Economische Raad van het Waalse Gewest). De secretaris en zijn eventuele adjuncten worden aangewezen door de Economische Sociale Raad van het Waalse Gewest. De secretaris of één van zijn adjunct-secretarissen woont de vergaderingen van de Commissie, het bureau bij waarin hij het ambt van verslaggever uitoefent. De secretaris verzamelt de documentatie die voor de werkzaamheden van de Commissie nodig is en vervult alle opdrachten die voor de goede werking ervan noodzakelijk zijn. Art. R.
  13. De Commissie vergadert na bijeenroeping door de voorzitter, die de agenda opstelt. De Comissie vergadert in plenaire vergadering minstens één keer per jaar en voor de goedkeuring van het activiteitenverslag. De voorzitter is ertoe gehouden de Commissie bijeen te roepen binnen de vijftien dagen na het verzoek om adviesverlening. Art. R.
  14. De Commissie maakt een jaarlijks activiteitsverslag op dat zij aan de Minister voorlegt. Art. R.
  15. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of de door hem in de Commissie aangewezen afgevaardigden dienen de ontwerpen die hem worden voorgelegd, bij de Commissie in. Zij wonen alle vergaderingen bij met raadgevende stem. Art. R.
  16. Ieder deelnemer aan de vergaderingen van de Commissie komt in aanmerking voor de terugbetaling van zijn reiskosten overeenkomstig de modaliteiten voorzien bij de koninklijke besluiten van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoeding wegens verblijfkosten van de personeelsleden der Ministeries en van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten. De leden van de Commissie worden voor de toepassing van bovenbedoelde besluiten gelijkgesteld met ambtenaren van rang 15, en voor het overige is hun ambt onbezoldigd. Art. R.
  17. De Commissie maakt haar reglement van orde op dat zij ter goedkeuring aan de Minister voorlegt. Dit reglement moet inzonderheid bepalen : 1° de wijze van oproeping en van beslissing;2° de vormen inzake inkleding van de adviezen;3° de periodiciteit van de vergaderingen;4° de procedure inzake eventueel horen van deskundigen;5° de regels voor het bijwonen van de vergaderingen. Art. R.
  18. Wanneer het advies op ontwerpen van decreten of reglementaire besluiten betrekking heeft, moet dit advies binnen een termijn van veertig dagen verstrekt worden. Voor elke andere kwestie betreffende de productie van water kan een termijn vastgesteld worden door de Minister. Het advies wordt door de Voorzitter aan de Minister gestuurd die oordeelt over de openbaarheid die aan de door de Commissie uitgebrachte adviezen moet gegeven worden. HOOFDSTUK II. - Comité voor watercontrole Art. R.
  19. In de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan onder "comité" : het comité voor watercontrole opgericht krachtens dit hoofdstuk. Art. R.
  20. Het comité voor watercontrole is een autonome openbare instelling die valt onder de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1921 pub. 19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend. Zijn zetel is gevestigd rue du Vertbois 13c te Luik. Art. R.
  21. Het comité moet ervoor zorgen dat de prijsevolutie van het water gebaseerd wordt op het algemeen belang en het waterbeleid van het Gewest. Om zijn opdrachten te vervullen geniet het de ruimste autonomie. Op eigen initiatief of op verzoek van de Minister of van de "S.P.G.E. » voert het onderzoeken uit, brengt het adviezen uit en formuleert het aanbevelingen betreffende het beleid van de waterprijzen. Het controleert de prijs van het water krachtens artikel 4, § 3, van het decretale deel. Het voorziet in de toepassing door de operatoren van de anthropogene watercyclus van de tarificatiestructuur. Art. R.
  22. Om zijn opdrachten te vervullen kan het comité zich wat volgt zonder verplaatsing doen voorleggen : - elk boekhouddocument waarvan de openbaarheid voorzien is bij of krachtens de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen; - alle inlichtingen of verslagen die tot zijn bevoegdheid behoren, die afkomstig zijn van de instellingen, openbare organen of vennootschappen die een openbare opdracht vervullen i.v.m. de productie, de voorziening, de verdeling, de opvang of de behandeling van het water. Het comité kan met hetzelfde doel elk document raadplegen dat bedoeld is in artikel 1 van het decreet van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur en in artikel 1 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur alsmede de informatie inzake leefmilieu en de gegevens van de openbare overheden in de zin van de artikelen 10 tot en met 20 van het decretale deel van boek één. Met de instemming van de betrokken persoon, inrichting of instelling kan het comité hoorzittingen organiseren of zich andere documenten laten voorleggen. Art. R.
  23. Het controlecomité bestaat uit veertien gewone en veertien plaatsvervangende leden waaronder : 1° twee gewone en twee plaatsvervangende leden voorgedragen door de Regering;2° vier gewone en vier plaatsvervangende leden voorgedragen door de "Union des villes et communes de Wallonie" (Vereniging van Waalse Steden en Gemeenten);3° twee gewone en twee plaatsvervangende leden voorgedragen door de centrale raad voor de consumptie;4° zes gewone en zes plaatsvervangende leden voorgedragen door de Sociaal Economische raad van het Waalse Gewest. De kandidaten worden aan de Minister voorgedragen op grond van een dubbeltal. Ze worden door de Regering benoemd en ontslagen. Met uitzondering van de eerste oprichting van het comité worden de kandidaturen minstens drie maanden vóór het verstrijken van de mandaten van de leden medegedeeld aan de Regering. In voorkomend geval kan de Regering op eigen initiatief nieuwe vertegenwoordigers voordragen binnen de sector die ze vertegenwoordigen. Art. R.
  24. Het mandaat van de leden geldt vier jaar. Dit mandaat kan verlengd worden voor een duur die de oorspronkelijke duur niet overschrijdt. Art. R.
  25. De hoedanigheid van lid van de raad van bestuur van de "S.P.G.E" of van lid van het comité van de deskundigen is onverenigbaar met die van lid van het comité voor watercontrole. Het huishoudelijk reglement kan andere onverenigbaarheden die voor de goede werking van het comité gerechtvaardigd zijn, vermelden. Art. R.
  26. Elk lid is gehouden tot de vertrouwelijkheid van de handelingen, akten en documenten waarvan het kennis heeft in het kader van de uitoefening van de opdrachten van het comité. Art. R.
  27. De leden van het comité voor watercontrole kunnen te allen tijde ontslagen worden in geval van onmogelijkheid hun ambt uit te oefenen of wegens grove tekortkoming of wanneer ze de hoedanigheid waarvoor ze zijn benoemd, verliezen. Behalve overmacht moeten ze de Minister zo spoedig mogelijk verwittigen van het ontstaan van het voorval dat hen belet hun ambt uit te oefenen of waarbij ze de hoedanigheid waarvoor ze zijn benoemd, verliezen. Bij het openvallen van het mandaat van het gewone lid vóór het verstrijken ervan voleindigt het plaatsvervangende lid het lopende mandaat. Art. R.
  28. De Minister wijst onder de leden van het comité zijn voorzitter en zijn ondervoorzitter aan. Wanneer de voorzitter niet in staat is zijn ambten uit te oefenen, of bij ontslag of overlijden, neemt de ondervoorzitter het voorzitterschap tot het einde van het mandaat waar. Het comité wijst onmiddellijk een nieuwe ondervoorzitter aan. Art. R.
  29. Het secretariaat van het comité wordt waargenomen door het personeel van de Sociaal-economische Raad van het Waalse Gewest, overeenkomstig artikel 4, § 3 van het decreet tot wijziging van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie en tot oprichting van een Economische en Sociale Raad van het Waalse Gewest. Een vertegenwoordiger van het secretariaat van het Comité vertegenwoordigt het Waalse Gewest bij de algemene inspectie van de prijzen en de mededinging. Art. R.
  30. Het comité vergadert op initiatief van de voorzitter telkens als zijn opdracht het vereist. Elk lid wordt terwijl de termijn nog lopende is, bij brief of fax, of in spoedgevallen, bij het meest geschikte middel opgeroepen. Elk aanweziglid wordt geacht regelmatig opgeroepen te zijn. Elk verhinderd lid wordt vertegenwoordigd door zijn plaatsvervanger. Art. R.
  31. Twee vertegenwoordigers van de "S.P.G.E. » die aangewezen zijn door het directiecomité, twee vertegenwoordigers van de producenten en twee vertegenwoordigers van de zuiveringsinstellingen aangewezen door de in artikel 7, § 2, 4°, van het decretale deel bedoelde handelsvennootschap mogen de vergaderingen van het comité bijwonen. Ze nemen deel aan de debatten zonder nochtans beslissingen te nemen. Daartoe worden deze vertegenwoordigers bij brief of fax door het comité opgeroepen minstens acht dagen vóór de datum van de vergadering. In spoedgevallen worden ze binnen de overeengekomen termijn en volgens de meest geschikte regels uitgenodigd. Art. R.
  32. De aanvragen om advies worden bij aangetekend schrijven aan de voorzitter van het comité gericht. Ze vermelden minstens : 1° de identiteit van de aanvrager;2° het onderwerp waarop de aanvraag om advies betrekking heeft;3° de gronden waarvoor het advies wordt aangevraagd;4° de termijn na afloop waarvan het advies moet worden uitgebracht; deze termijn mag niet langer zijn dan 30 dagen te rekenen van de ontvangst van het aangetekend schrijven. Wanneer wegens de bijzonderheden van het dossier en van de analyse dat het inhoudt, de termijn van 30 dagen onvoldoende is, bepaalt de aanvraag de termijn waarbinnen het advies moet worden uitgebracht. De kennisgevingen van dossiers betreffende de prijsverhoging van één van de bestanddelen van de waterprijs worden bij aangetekend schrijven verzonden vóór de prijsverhoging plaatsvindt. Ze vermelden minstens : 1° de identiteit van de aanvrager;2° het bestanddeel van de prijsverhoging waarop de verhoging betrekking heeft;3° een gedetailleerde motivering van de redenen van de verhoging;4° de boekhouddocumenten en de inlichtingen waarop de motivering zich baseert;5° de om tot de verhoging over te gaan geplande datum;6° in voorkomend geval, het advies van de prijzencommissie, als erom vóór de kennisgeving is verzocht. Art. R.
  33. Het comité maakt een jaarlijks verslag op over de evolutie van de waterprijs voor 31 maart van het jaar volgend op het bij het verslag betrokken jaar. Het verslag : 1° vermeldt de verschillende verhogingen die gedurende het jaar per bestanddeel van de waterprijs plaats hebben gevonden;2° beschrijft de samenhang tussen de evolutie van de waterprijs en het gewestelijke waterbeleid, met name het actieprogramma voor de kwaliteit van het water;3° schat de socio-economische effecten van die evolutie;4° maakt gewag van de convergenties inzake tarifering en rekening van de waterprijs;5° brengt advies uit over de acties en initiatieven die moeten worden gevoerd om ervoor te zorgen dat de prijs van het water gebaseerd wordt op het algemeen belang en het waterbeleid;6° herhaalt de beslissingen bedoeld in artikel 18, leden 3 en 4;7° brengt voor elke operator verslag uit over de toepassing en de naleving van de voorwaarden bedoeld in de artikelen 2, 9°, 15°, 23°, 24°, 28°, 55°, 70°, 74°, 83°, 194° tot en met 209°, 228 tot en met 233, 417 tot en met 419, 443 en 444 van het decretale deel en in de regelgevende bepalingen die getroffen zijn krachtens voornoemde artikelen. Art. R.
  34. De adviezen van het comité worden medegedeeld aan de Minister en aan de personen die erom hebben verzocht. Het jaarlijkse verslag wordt gericht aan de Regering die het aan het Parlement overmaakt. Art. R.
  35. Het comité maakt zijn huishoudelijk reglement op. Het onderwerpt het aan de goedkeuring van de Regering. Art. R.
  36. Het comité bepaalt jaarlijks zijn begroting voor 1 september van het jaar vóór het betrokken boekjaar en legt het ter goedkeuring voor aan de Minister. De begroting wordt goedgekeurd door de Regering. De begroting dekt de werkings-, reis- en secretariaatkosten, de vergoeding van de voorzitter en van de ondervoorzitter en de betaling van de presentiegelden. Die is voor rekening van het Gewest. Art. R.
  37. Alle personen die de vergaderingen van het comité bijwonen, hebben recht op de terugbetaling van hun reiskosten volgens de regels bedoeld in de koninklijke besluiten van 24 december 1963 en 18 januari
  38. Ze komen in aanmerking voor een presentiegeld van 61,97 euro per zitting. De voorzitter verdient een bijkomende vergoeding van 247,89 euro per maand. De ondervoorzitter verdient een bijkomende vergoeding van 123,95 euro per maand. TITEL IV. - Terugvordering van de kosten van de dienstverlening verbonden aan het watergebruik DEEL II. - GENTEGREERD BEHEER VAN DE NATUURLIJKE WATERCYCLUS TITEL
  39. - Districten, stroomgebieden en onderstroomgebieden Art. R.
  40. In de zin van dit besluit wordt verstaan onder : 1° Internationale commissie voor de bescherming van de Schelde, hierna "ICBS" genoemd : de Internationale commissie ingesteld bij het akkoord betreffende de bescherming van de Schelde;2° Internationale commissie voor de bescherming van de Maas, hierna "ICBM" genoemd : de Internationale commissie ingesteld bij het akkoord betreffende de bescherming van de Maas. Art. R.
  41. De afvaardiging van de Waalse Regering bij de "ICBS" en de afvaardiging van de Waalse Regering bij de "ICBM" bestaan elk uit 8 leden die door de Regering zijn aangewezen en gekozen op grond van hun bijzondere bekwaamheid inzake de aangelegenheden vervat in het internationale akkoord voor de bescherming van de Schelde en het internationale akkoord voor de bescherming van de Maas. Elke afvaardiging bestaat uit : 1° drie vertegenwoordigers van de Regering;2° één ambtenaar van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waalse Gewest;3° één ambtenaar van het Directoraat-generaal Waterwegen van het Waals Ministerie van Uitrusting en Vervoer;4° twee vertegenwoordigers van Aquawal;5° één vertegenwoordiger van de Wateradviescommissie ingesteld bij artikel 3 van het decreetgevende deel. Minstens twee afgevaardigden moeten tegelijkertijd lid zijn van beide afvaardigingen. Art. R.
  42. De mandaten worden voor een periode van vijf jaar door de Regering toegekend en lopen vanaf de datum vermeld in het besluit tot benoeming van de leden van de afvaardiging. Ze zijn verlengbaar. Indien het mandaat openvalt vóór verstrijken ervan, wijst de Regering een nieuwe afgevaardigde aan die het lopende mandaat beëindigt. Het mandaat van een afgevaardigde verstrijkt van rechtswege als hij de bevoegdheid verliest die zijn benoeming heeft gerechtvaardigd. De mandaten worden om niet uitgeoefend. Iedere persoon die vergaderingen van de "ICBS" of "ICBM" alsook vergaderingen van hun eventuele werkgroepen bijwoont, komt in aanmerking voor de terugbetaling van de reis- en verblijfkosten volgens de modaliteiten bepaald bij het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries en bij het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten. Voor de toepassing van voornoemde besluiten worden de leden van de afvaardiging met de ambtenaren van rang 15 gelijkgesteld. Art. R.
  43. De Regering noemt een afvaardigingshoofd onder de leden van de afvaardiging bij de "ICBS" en een afvaardigingshoofd onder de leden van de afvaardiging bij de "ICBM". Art. R
  44. Voor de periodes waarin het voorzitterschap van de "ICBS" of "ICBM" door een lid van de afvaardiging van de Waalse Regering wordt bekleed, wordt dat lid door de Regering aangewezen. Als het aangewezen lid afvaardigingshoofd is, wijst de Regering een ander lid van de afvaardiging aan om hem voor de duur van zijn mandaat als voorzitter te vervangen. Art. R.
  45. Het secretariaat van beide afvaardigingen wordt waargenomen door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waalse Gewest. Art. R.
  46. Beide afvaardigingen van de Regering stellen gezamenlijk hun werkingsreglement op alvorens het aan de goedkeuring van de Regering te onderwerpen. Van ambtswege vergaderen zij vó ór elke plenaire vergadering en vergadering van de afvaardigingshoofden. Art. R.
  47. De minister van Externe Betrekkingen en de minister tot wiens bevoegdheden het waterbeleid behoort, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van deze titel. TITEL II. - Beschrijvende toestand van het stroomgebied Art. R.
  48. De inhoud van de economische analyse van het watergebruik, bedoeld in artikel 17 van het decreetgevende deel, wordt bepaald in bijlage II. De inhoud van het register van de beschermde gebieden, bedoeld in artikel 18 van het decreetgevende deel, wordt bepaald in bijlage III. De inhoud, de procedures et de technische bepalingen nodig voor de uitwerking van monitoringprogramma, bedoeld in artikel 19 van het decreetgevende deel, worden bepaald in bijlage IV. TITEL III. - Milieudoelstellingen TITEL IV. - Coördinatieactie Art. R.
  49. De maatregelen bedoeld in artikel 23, § 3, 1°, van het decreetgevende deel, worden bepaald in bijlage VI, deel A. De maatregelen bedoeld in artikel 23, § 4, van het decreetgevende deel, worden bepaald in bijlage VI, deel B. De inhoud van het beheersplan van het Waalse stroomgebied, bedoeld in artikel 24 van het decreetgevende deel, wordt bepaald in bijlage VII. TITEL V. - Waterlopen TITEL VI. - Wateringen TITEL VII. - Waterbescherming HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen Art. R.
  50. Voor de toepassing van deze titel dient te worden verstaan onder : 1° « drinkwater » : oppervlaktewater bestemd voor menselijk gebruik en geleverd door middel van een waterleidingsnet;2° « water voor karperachtigen » : viswater waarin vissoorten zoals karperachtigen (Cyprinidae) of andere soorten zoals snoek (Esox lucius), baars (Perca fluviatilis) en paling (Anguila anguila) leven of zouden kunnen leven;3° « zwemwater » : het water of het gedeelte ervan dat zoet, stromend of stilstaand is en waarin het zwemmen - uitdrukkelijk toegelaten is of - niet verboden is en doorgaans door een aanzienlijk aantal zwemmers beoefend wordt;4° « bronwater » : water dat afkomstig is van een bron en dat beantwoordt aan de criteria van het voor menselijke consumptie bestemd water overeenkomstig de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 (80/778/EEG) betreffende de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemd water, met uitzondering van de pH en de C12, en dat door de Minister van Volksgezondheid als dusdanig erkend is krachtens het koninklijk besluit van 8 februari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten0 betreffende het natuurlijk mineraalwater en het bronwater;5° « tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater » : gewoon oppervlaktewater ingedeeld in een beschermingsgebied van tot drinkwater verwerkbaar water opgericht krachtens artikel 156 van het decreetgevende deel en de krachtens deze getroffen regelgevende bepalingen;6° « natuurlijk mineraalwater » : water dat beantwoordt aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 (80/777/EEG) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-Staten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater en door de Minister van Volksgezondheid als dusdanig erkend krachtens het koninklijk besluit van 8 februari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten0 betreffende het natuurlijk water en het bronwater;7° « natuurlijk water » : oppervlaktewater waarvan de natuurlijke samenstelling door de activiteiten van de mens niet wordt aangetast en dat één of verschillende bijzondere chemische of fysische kenmerken vertoont;8° « viswater » : oppervlaktewater dat bescherming of verbetering behoeft ten einde geschikt te zijn voor het leven van vissen en dat ingedeeld is in water voor zalmachtigen en water voor karperachtigen;9° « water voor zalmachtigen » : viswater waarin vissoorten zoals zalm (Salmo salar), forel (Salmo trutta), vlagzalm (Thymallus thymallus) en coregonidae (Coregonos) leven of zouden kunnen leven;10° « thermaal water » : water dat beantwoordt aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 (80/777/EEG) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-Staten inzake de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater en door de Minister van Volksgezondheid als dusdanig erkend krachtens het koninklijk besluit van 8 februari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/05/2002 pub. 31/07/2002 numac 2002022559 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie sluiten0 betreffende het natuurlijk water en het bronwater;11° « natuurlijke verrijking » : het proces waardoor een bepaalde hoeveelheid water zonder ingrijpen van de mens bepaalde stoffen die in de bodem voorkomen hieruit opneemt;12° « winplaats » : de plaats waar het oppervlaktewater bestemd voor de productie van drinkwater, voor de zuiveringsbehandeling, wordt onttrokken;13° « aanzienlijk aantal zwemmers » : wanneer de badzone bezocht wordt door 50 zwemmers, die geteld worden tijdens het badseizoen op de dagen waarop de weersomstandigheden voor het zwemmen optimaal zijn;14° « lens » : grondwaterlaag gelegen in een waterdoorlatend poreus milieu dat zich onder een minderdoorlatende of ondoorlatende geologische laag bevindt;de hydraulische belasting van het water dat zij bevat, overschrijdt het dak van de waterlaag; 15° « vrije waterlaag » : grondwaterlaag gelegen in een waterdoorlatend poreus milieu verzadigd op een gewoonlijk veranderlijke hoogte en gelegen onder een droog of onverzadigd poreus milieu;de waterlaag is over het algemeen naar beneden afgebakend door een ondoorlatende onderlaag; 16° « kwaliteitsdoelstelling » : toelaatbare concentratie voor een bepaalde stof in het oppervlaktewater;17° « badseizoen » : de periode tussen 15 mei en 15 september;18° « bron » : één van de natuurlijke of vaste punten waar water dat uit een waterlaag of een onderaardse laag ontspringt, kan worden gewonnen, waarbij het watervlak of de waterlaag gelegen zijn in gronden waarvan de aard, de diepte en de uitgestrektheid een filtratie veroorzaken en de bescherming ervan tegen besmettingsrisico's waarborgen;19° « gevaarlijke stoffen » : de in het water aanwezige stoffen die ofwel gevaarlijk kunnen zijn voor de menselijke gezondheid wegens hun toxiciteit, persistentie of bio-accumulatie, met uitzondering van die stoffen welke biologisch onschadelijk zijn of die snel worden omgezet in biologisch onschadelijke stoffen, ofwel een schadelijke werking kunnen hebben op het aquatisch milieu, dat beperkt kan worden tot een bepaald gebied en afhangen van de kenmerken van de ontvangende wateren en de plaats daarvan;20° « relevante gevaarlijke stoffen » : de gevaarlijke stoffen vermeld in kolom 5 van de tabel opgenomen in bijlage XXXVI;21° « stroomopwaartse zone » : deel van het hydrografische net dat stroomopwaarts een beschermingszone of een winningsplaats is gelegen;22° « ingangsgebied » : gedeelte van het invloedsgebied waarin het geheel van de afstromingswegen ten gevolge van het pompen naar de waterwininstallatie convergeren;23° « viswaterzone » : elke waterloop of elk watervlak vermeld in bijlage XXXII;24° « zone van tot drinkwater verwerkbaar water » : het waterloopgedeelte waar de winplaats zich bevindt;25° « badzone » : de plaats waar het zwemwater zich bevindt.Die zones zijn opgenomen in bijlage XXX, punt a); 26° « gebied met natuurlijk water » : gebied waarin natuurlijk water zich bevindt;27° « invloedsgebied » : gebied waarin de grondwaterpeilen verlaagd worden door het water al pompend te winnen. HOOFDSTUK II. - Bescherming van het oppervlaktewater Afdeling
  51. - Kwaliteitsdoelstellingen en beschermingszones Onderafdeling
  52. - Vaststelling van de basiskwaliteitsnormen voor het water van het openbare hydrografisch net Art. R.
  53. Deze onderafdeling is van toepassing op alle wateren van de Waterwegen, de onbevaarbare waterwegen en de afvoerwegen met een permanent of onderbroken debiet, evenals op het lopend of stilstaand water van het openbaar domein in het algemeen. Art. R.
  54. Deze onderafdeling verstaat onder basiskwaliteitsnormen, normen die ervoor moeten zorgen dat de normale evenwichtige ontwikkeling van het biologisch leven in de betrokken wateren hersteld wordt of, waar aanwezig, gehandhaafd blijft. Art. R.
  55. §
  56. De basiskwaliteitsnormen worden vastgesteld in bijlage XXV. §
  57. De basiskwaliteitsnormen in bijlage XXV zijn mediaanwaarden. De monsternemingen en de berekening van hun mediaanwaarden dient als volgt te gebeuren : - de monsternemingen en berekeningen gebeuren op jaarbasis; - minstens vijf monsternemingen dienen op dezelfde plaatsen gedurende dat jaar te worden uitgevoerd; - deze monsternemingen dienen zo in de tijd te worden gespreid dat met verschillende meteorologische en klimatologische omstandigheden rekening wordt gehouden. Art. R.
  58. §
  59. De basiskwaliteitsnormen in bijlage XXV zijn niet van toepassing in uitzonderlijke droogtesituaties. §
  60. De basiskwaliteitsnormen in bijlage XXV inzake chloriden en sulfaten zijn niet van toepassing voor de oppervlaktewateren die door getijden of door zeewaterinfiltratie worden beïnvloed. §
  61. De basiskwaliteitsnormen in bijlage XXV zijn niet van toepassing op die wateren, bedoeld in artikel 91, of gedeelten ervan, waarvoor cumulatief wordt aangetoond dat : 1° alle lozingen, al of niet verzameld via opebare riolen, die er in uitmonden, voldoen aan de algemene, sectoriële en bijzondere voorwaarden voor lozing op oppervlaktewater;2° het nastreven van een normale evenwichtige ontwikkeling van het biologisch leven aan de hand van deze basiskwaliteitsnormen, ecologisch niet zinvol is, voor deze wateren;3° de vuilvracht van de betrokken wateren in het totale hydrografische net gering is. Art. R.
  62. De toepassing van de wegens deze onderafdeling te nemen maatregelen, mag niet tot gevolg hebben dat de huidige kwaliteit van de oppervlaktewateren direct of indirect achteruit gaat. Onderafdeling II. - Vaststelling van de algemene normen die de kwaliteitsdoelstellingen van zoet oppervlaktewater dat voor drinkwaterproductie bestemd is, omschrijven Art. R.
  63. §
  64. In de zin van deze onderafdeling wordt verstaan onder : 1° "nauwkeurigheid" : het verschil tussen de werkelijke waarde van de betrokken parameter en de experimenteel vastgestelde gemiddelde waarde;2° "waarnemingsdrempel" : de laagste waarde voor de betrokken parameter die kan worden waargenomen;3° "referentie-meetmethode" : de opgave van een meetprincipe of de beknopte omschrijving van een werkwijze waarmee de in bijlage XXVIII vermelde parameters kunnen worden bepaald;4° "precisie" : het interval waarin 95 pct.van de resultaten worden gevonden van metingen die volgens dezelfde methode op eenzelfde monster worden uitgevoerd; §
  65. Deze onderafdeling is uitsluitend van toepassing op het zoet oppervlaktewater, dat bestemd is voor drinkwaterproductie. Art. R.
  66. Voor de toepassing van deze onderafdeling is de kwaliteit van het water dat bestemd is voor de productie van drinkwater ingedeeld in drie categorieën van kwaliteitsdoelstellingen A1, A2 en A3 die overeenkomen met procédés van de in bijlage XXVI vermelde passende wijzen van behandeling. Die kwaliteitsdoelstellingen zijn bepaald door parameters die in de tabel van bijlage XXVII vermeld zijn. Art. R.
  67. §
  68. Voor alle winplaatsen of voor elke winplaats worden de waarden, welke van toepassing zijn voor alle in bijlage XXVII aangegeven parameters, vastgesteld. §
  69. De waarden vastgesteld krachtens de eerste paragraaf mogen niet minder streng zijn dan deze aangeduid in de kolommen I van bijlage XXVII, welke als imperatieve waarden moeten beschouwd worden. §
  70. De waarden vermeld in de kolommen G van bijlage XXVII zijn richtwaarden. Art. R.
  71. §
  72. Een organisch actieplan met een tijdschema ter sanering van het water dat bestemd is voor de productie van drinkwater moet vastgesteld worden. §
  73. Oppervlaktewateren met minder gunstige fysische, chemische en micro-biologische eigenschappen dan de met de wijze van behandeling A3 overeenkomende imperatieve waarden, mogen niet voor de productie van drinkwater worden gebruikt. Een dergelijk water van een zo slechtere kwaliteit mag evenwel bij uitzondering en mits rechtvaardiging, worden gebruikt indien een passende behandeling, met inbegrip van menging, wordt toegepast, waardoor alle kwaliteitskenmerken van het water kunnen worden gebracht op een niveau dat beantwoordt aan de vereiste kwaliteit voor drinkwater. §
  74. Indien de oppervlaktewateren, op de winplaats, eigenschappen hebben die lager zijn dan deze welke overeenstemmen met de categorie van behandeling die voor de productie van drinkwater gebruikt wordt, mag het drinkwater geproduceerd worden vanaf water dat onttrokken is in een door de winplaats gevoed spaarbekken, indien de eigenschappen van het water op de winplaats in het spaarbekken overeenstemmen met de categorie gebruikte behandeling. Art. R.
  75. §
  76. Met het oog op de toepassing van artikel 93 wordt het water dat bestemd is voor de productie van drinkwater, geacht overeen te stemmen met de kwaliteitsdoelstellingen die hierop betrekking hebben, indien uit de monsters van dit water dat regelmatig op dezelfde winplaats wordt onttrokken en dat wordt gebruikt voor de productie van drinkwater, blijkt dat het water beantwoordt aan de waarden van de parameters voor : - 95 pct. van de monsters ingeval de vastgestelde waarde de imperatieve normen zijn; - 90 pct. van de monsters in alle andere gevallen; en indien voor de 5 pct. of 10 pct. van de monsters die niet conform zijn : a) het water niet meer dan 50 pct.afwijkt van de waarde van de desbetreffende parameters, waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor temperatuur, pH, de opgeloste zuurstof en micro-biologische parameters; b) hieruit voor de volksgezondheid geen enkel gevaar kan voortvloeien;c) opeenvolgende watermonsters die zijn opgenomen met een statistisch juiste frequentie niet afwijken van de waarden van de parameters die hierop betrekking hebben. §
  77. De overschrijdingen van de waarden van parameters die het gevolg zijn van overstromingen, natuurrampen of uitzonderlijke weersomstandigheden, worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de in § 1 bedoelde percentages. Art. R.
  78. De toepassing van de krachtens deze onderafdeling genomen maatregelen mag in geen geval aanleiding geven tot een vermindering van de kwaliteit op 16 juni
  79. Art. R.
  80. §
  81. Van het bepaalde in artikel 93 kan worden afgeweken : a) in geval van overstromingen of natuurrampen;b) bij bepaalde parameters die in bijlage XXVII met

(0)zijn aangeduid wegens uitzonderlijke geografische of weersomstandigheden;
  1. c)indien het oppervlaktewater een natuurlijke verrijking met bepaalde stoffen ondergaat die aanleiding zou geven tot een overschrijding van de voor de categorieën A1, A2 en A3 in de tabel van bijlage XXVII vastgestelde grenswaarden;
  2. d)in het geval van oppervlaktewater uit ondiepe meren en met bijna stilstaand water, ten aanzien van sommige parameters voorzien van een sterretje in de tabel van bijlage XXVII;deze afwijking is slechts van toepassing op meren met een diepte van ten hoogste 20 meter, waarin de vervanging van het water meer dan één jaar in beslag neemt en waarin geen afvalwater wordt geloosd. § 2. In geen geval mag bij de voornoemde uitzonderingsgevallen worden afgeweken van de in verband met de kwaliteit van het drinkwater gestelde dwingende voorschriften. § 3. Indien van een afwijking gebruik wil maken, moet dat onmiddellijk ter kennis worden gebracht met vermelding van de motieven en de vastgestelde termijn. Art. R. 103. § 1. Voor zover mogelijk moet de analyse van de monsters worden uitgevoerd volgens de in bijlage XXVIII aangegeven referentiemeetmethoden. § 2. De waarden voor de waarnemingsdrempel, de precisie en de nauwkeurigheid van de meetmethoden vermeld in bijlage XXVIII moeten in acht genomen worden. § 3. De jaarlijkse minimumfrequenties van bemonstering en analyse van elke parameter zijn vermeld in bijlage XXIX. De bemonstering moet voor zover mogelijk zodanig in de loop van het jaar worden gespreid dat een representatief beeld van de waterkwaliteit wordt verkregen. § 4. De monsters van oppervlaktewater moeten representatief zijn voor de waterkwaliteit op de winplaats. § 5. De recipiënten waarin de monsters worden overgegoten, de middelen of methoden ter conservering van een deel van een monster voor de analyse van één of meer parameters, het vervoer en het bewaren van de monsters, alsmede de voorbereiding van de monsters met het oog op de analyse, mogen geen significante verandering van de analyseresultaten kunnen veroorzaken. Art. R. 104. De frequenties van bemonstering en analyse vastgelegd voor iedere parameter voor een zelfde winplaats mogen niet lager liggen dan de jaarlijkse minimumfrequentie vermeld in bijlage XXIX. Art. R. 105. § 1. Wanneer bij een onderzoek blijkt dat de bij de meting van de parameters verkregen waarden in sommige gevallen aanzienlijk beter zijn dan de waarden die bij toepassing van artikel 93 zijn vastgesteld, dan kan de frequentie van de bemonstering worden verlaagd. § 2. Indien er geen sprake is van verontreiniging en er geen risico bestaat voor verslechtering van de kwaliteit van het water en indien dit van betere kwaliteit is dan aangegeven in kolom A1 van bijlage XXVII, is geen regelmatige analyse noodzakelijk. Onderafdeling III. - Vaststelling van de algemene immissienormen voor zwemwater en zwemzones Art. R106. Deze onderafdeling is de omzetting van richtlijn 76/160/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater. Doel ervan is, de verontreiniging van het zwemwater terug te dringen en het te beschermen tegen elke latere verslechtering. Art. R107. Deze onderafdeling is niet van toepassing op het water dat voor therapeutische doeleinden bestemd is, noch op zwembadwater. Art. R108. In de zin van deze onderafdeling wordt verstaan onder « stroomopwaartse zones » : geheel of gedeelte van het hydrografisch net dat zich stroomopwaarts bevindt van een badzone. Die zones zijn opgenomen in bijlage XXX, punt b). Art. R109. § 1. De fysisch-chemische en microbiologische parameters, evenals de imperatieve waarden die van toepassing zijn op het zwemwater, zijn opgenomen in bijlage XXXI. In de badzones dient de kwaliteit van het water conform te zijn aan die dwingende waarden. § 2. De Minister bevoegd voor water kan de waarden vaststellen voor andere parameters. § 3. De in kolom I van bijlage XXXI aangegeven waarden zijn imperatieve, na te leven waarden. § 4. De in kolom G van bijlage XXXI aangegeven waarden zijn richtwaarden waarnaar gestreefd dient te worden. Art. R110. § 1. Voor de toepassing van artikel 94 wordt het zwemwater geacht conform te zijn aan de parameters die daarop betrekking hebben : 1° als uit op één en dezelfde plaats verrichte bemonsteringen van het water dat volgens de in bijlage XXXI bepaalde frequentie onderzocht wordt, blijkt dat het water conform is aan de waarden van parameters met betrekking tot de kwaliteit van het betreffende water voor :
  3. a)95% van de stalen in de gevallen waarin de parameters conform zijn aan die bepaald in kolom I van bijlage XXXI;
  4. b)90% van de stalen in de andere gevallen, behalve voor de parameters « totale coliformen » en « fecale coliformen », waarvoor het percentage van de stalen gelijk mag zijn aan 80;2° en als voor de 5, 10 en 20% van de monsters die al naar gelang het geval niet conform zijn :
  5. a)het water niet meer dan 50% afwijkt van de waarde van de betreffende parameters, uitgezonderd voor de microbiologische parameters, het pH en de opgeloste zuurstof;
  6. b)de opeenvolgende bemonsteringen waaraan het water volgens een statistisch geschikte frequentie onderworpen wordt, niet afwijken van de waarden van de parameters die daarop betrekking hebben. § 2. De waardeoverschrijdingen bedoeld in artikel 94 worden niet in overweging genomen bij de vaststelling van de percentages bepaald onder § 1 wanneer zij het gevolg zijn van overstromingen, natuurrampen of uitzonderlijke weersomstandigheden. Art. R111. § 1. De door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, verrichte bemonstering gebeurt volgens de minimumfrequentie bepaald in bijlage XXXI. § 2. De waterstalen worden genomen op plaatsen waar het gemiddeld aantal zwemmers per dag het hoogst is. Zij worden bij voorkeur genomen op 30 centimeter onder het wateroppervlak, de stalen van minerale oliën uitgezonderd, welke aan het oppervlak worden genomen. De bemonstering dient vijftien dagen voor aanvang van het badseizoen te beginnen. § 3. Het plaatselijk onderzoek naar de voorwaarden die stroomopwaarts heersen in het geval van badzones dient uiterst nauwkeurig te gebeuren en periodiek herhaald te worden met het oog op de bepaling van de geografische en topografische gegevens, het volume en de kenmerken van verontreinigende en potentieel verontreinigende lozingen, evenals de gevolgen ervan al naar gelang van de afstand ten opzichte van de badzone. § 4. Als uit de controle door een bevoegde overheid of de bemonstering en de analyse van stalen blijkt dat lozingen van substanties die de kwaliteit van het zwemwater kunnen aantasten, daadwerkelijk dan wel waarschijnlijk zijn, dienen er bijkomende bemonsteringen te gebeuren. Er dienen eveneens bijkomende bemonsteringen te gebeuren indien er geheel andere redenen bestaan om te vermoeden dat de kwaliteit van het water verslechtert. § 5. De als referentie geldende analysemethodes voor de in overweging genomen parameters worden in bijlage XXXI aangegeven. De geaccrediteerde laboratoria die gebruik maken van andere methodes dienen zich ervan te vergewissen dat de verkregen resultaten evenwaardig zijn aan of vergelijkbaar zijn met de parameters die in voornoemde bijlage zijn aangegeven. Art. R112. De toepassing van de regels voor de algemene immissienormen waaraan het zwemwater dient te voldoen kan in geen enkel geval als gevolg hebben dat de verslechtering van de huidige kwaliteit van het zwemwater daardoor rechtstreeks of onrechtstreeks kan toenemen. Art. R113. § 1. De Minister bevoegd voor water kan afwijkingen toestaan :
  7. a)voor bepaalde parameters die met
(0)gemerkt zijn in bijlage XXXI, wegens uitzonderlijke weersomstandigheden dan wel wegens een uitzonderlijke geografische omstandigheid;b) wanneer het zwemwater door toedoen van bepaalde substanties natuurlijk verrijkt wordt en daardoor de grenswaarden vastgesteld in bijlage XXXI overschreden worden. In geen enkel geval kunnen voor de in dit artikel bepaalde afwijkingen de eisen inzake bescherming van de volksgezondheid genegeerd worden. §
  1. Indien er een afwijking toegestaan wordt, licht de Minister bevoegd voor water de Europese Commissie in over de motieven waarvoor en de termijnen waarin die afwijking van kracht is. Art. R
  2. De afwijkingen voor afrasteringen die zijn toegestaan overeenkomstig artikel 50, laatste lid, worden in de badzones en in de stroomopwaartse zones die met een asterisk gemerkt zijn in bijlage XXX, opgeheven en het is er over het gehele jaar verboden het vee toe te laten te rekenen vanaf 16 september
  3. Art. R
  4. Voor de badzones wordt de wijze van signalering vastgesteld door de Minister bevoegd voor water. Art. R
  5. In afwijking van artikel 279, § 2, dient elke woning die haar huishoudelijk afvalwater in een badzone of in een stroomopwaartse zone aangewezen overeenkomstig deze onderafdeling loost en waarvoor het zelfstandige saneringsstelsel van toepassing is, uitgerust te zijn met een individueel zuiveringssysteem tegen uiterlijk 31 december
  6. Art. R
  7. De Ministers bevoegd voor water, toerisme en landbouw zijn belast met de uitvoering van deze onderafdeling. Onderafdeling IV. - Vaststelling van de algemene immissienormen van viswater Art. R
  8. Voor de toepassing van deze onderafdeling dient te worden verstaan onder "bindende waarden" : waarden van de fysisch-chemische parameters waaraan de viswateren moeten beantwoorden binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het besluit dat ze ingedeeld heeft of voor de eerste keer indeelt in viswaterzones Art. R
  9. Doel van deze onderafdeling is de bescherming of de verbetering van de kwaliteit van de stromende of stilstaande zoete wateren waarin vissen leven of zouden kunnen leven, indien de vervuiling beperkt of uitgeschakeld zou zijn, en die behoren tot : 1° inheemse soorten die een natuurlijke verscheidenheid vertonen;2° soorten waarvan de aanwezigheid wensbaar wordt geacht met het oog op het waterbeheer.De Minister bepaalt deze soorten. deze onderafdeling is van toepassing op de viswaterzones, met uitzondering van water in natuurlijke of kunstmatige bekkens dat wordt gebruikt voor intensieve visteelt. Art. R
  10. De op viswateren toepasselijke fysisch-chemische parameters zijn vermeld in bijlage XXXIII. Voor de toepassing van deze parameters zijn de viswateren onderverdeeld in water voor zalmachtigen en water voor karperachtigen. De in kolom G van bijlage XXXIII vermelde waarden zijn richtwaarden. De in kolom I van bijlage XXXIII vermelde waarden zijn bindende waarden. Art. R
  11. De viswaterzones worden geacht in overeenstemming te zijn met deze onderafdeling, indien de ontleding van monsters die in deze wateren voor een periode van twaalf maanden op een zelfde bemonsteringspunt zijn genomen met de minimale frequentie als aangegeven in bijlage XXXIII, uitwijzen dat zij voldoen aan de in bijlage XXXIII vermelde parameterwaarden, evenals aan de opmerkingen in de kolommen G en I van bijlage XXXIII voor : - 95 pct. van de monsters voor de parameters pH, BOD5, niet-geïoniseerde ammoniak, totaal ammonium, nitrieten, totaal residueel chloor, totaal zink en opgelost koper. Wanneer de gekozen frequentie voor monsterneming lager is dan één monster per maand, moet voor alle monsters aan bovengenoemde waarden en opmerkingen worden voldaan; - de in bijlage XXXIII vermelde percentages voor de parameters temperatuur en opgeloste zuurstof; - de vastgestelde gemiddelde concentratie voor de parameter gesuspendeerde stoffen. Afwijkingen van de in bijlage XXXIII vastgestelde parameterwaarden of van de in kolommen G en I vermelde opmerkingen zullen voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde percentages niet in aanmerking genomen worden wanneer ze het gevolg zijn van overstromingen en/of andere natuurrampen. Wanneer uit een monster bliojkt dat de wateren niet in overeenstemming zijn met de in bijlage XXXIII vastgestelde waarden, kan de frequentie van monsterneming verhoogd worden zodat men ten minste twintig monsters behaalt tijdens een periode van twaalf maanden. Art. R
  12. §
  13. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, verricht representatieve bemonsteringen of laat er verrichten volgens de in bijlage XXXIII vermelde minimale frequentie. §
  14. Indien het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, vaststelt dat de kwaliteit van de viswaterzones aanmerkelijk hoger is dan die voortkomt uit de toepassing van de in kolommen G en I van bijlage XXXIII vastgestelde waarden en vermelde opmerkingen, kan de Minister de in bijlage XXXIII vermelde frequentie van monsterneming doen verlagen. Wanneer er geen enkele verontreiniging of geen enkel gevaar voor achteruitgang van deze kwaliteit is, kan de Minister besluiten dat er geen monsters behoeven te worden genomen. §
  15. De exacte bemonsteringsplaats, de afstand tussen die plaats en het dichtsbijzijnde punt voor lozing van verontreinigende stoffen, alsmede de diepte waarop de monsters dienen te worden genomen zijn vastgesteld door de Minister aan de hand van in het bijzonder de plaatselijke milieuomstandigheden. §
  16. Indien een monsterneming doet blijken dat een bepaalde waarde of een opmerking vermeld in de kolommen G en I van bijlage XXXIII niet overeenstemt, bepaalt de Minister of deze toestand te wijten is aan toeval, het gevolg is van een natuurlijk verschijnsel of van een vervuiling en bepaalt hij de gepaste maatregelen. §
  17. Een aantal analyse-referentiemethodes is voor de betrokken parameter aangegeven in de bijlage XXXIII. De laboratoria die andere methodes aanwenden moeten de Minister ervan verzekeren dat de bekomen resultaten gelijkwaardig of vergelijkbaar zijn met die, aangeduid in bijlage XXXIII. Art. R
  18. De toepassing van de krachtens deze onderafdeling genomen maatregelen mag er in geen geval toe leiden dat de waterverontreiniging direct of indirect toeneemt. Art. R
  19. De Minister kan van dit besluit laten afwijken : 1° voor bepaalde parameters die in bijlage XXXIII met (O) zijn aangeduid wegens uitzonderlijke meteorologische omstandigheden of bijzonder geografische omstandigheden;2° indien de aangewezen wateren een natuurlijke verrijking met bepaalde stoffen ondergaan waardoor niet voldaan wordt aan de in bijlage XXXIII voorgeschreven waarden;3° wat de parameter van de temperatuur betreft, goegrafisch beperkt, indien bewezen kan worden dat deze afwijkingen geen schadelijk gevolg met zich meebrengen voor de evenwichtige ontwikkeling van de visbestanden. Onderafdeling V. - Aanwijzing van beschermingszones van oppervlaktewater Art. R.
  20. als beschermingszones in de zin van artikel 156, § 1, van het decreetgevende deel gelden : 1° de zones van tot drinkwater verwerkbaar water aangewezen in bijlage XXXIV;2° de zones van natuurlijk water aangewezen in bijlage XXXV. Art. R.
  21. Wanneer de aangewezen beschermingszones een waterloop tot de bron ervan niet omvatten, kan een stroomopwaartse zone op die waterloop worden gevestigd. De stroomopwaartse zones worden aangegeven in de bijlagen XXXIV tot XXXV volgens de beschermingszone waarop zij betrekking hebben. Art. R.
  22. De waarden van de parameters die in de in artikel 125, 1° bedoelde zones van toepassing zijn, zijn de algemene immissienormen die voorzien zijn in de artikelen 96 tot en met
  23. De waarden van de parameters die in de in artikel 125, 2° en in artikel 126 bedoelde zones van toepassing zijn, worden door de Minister vastgesteld voor iedere betrokken zone. Binnen de zones van tot drinkwater verwerkbaar water zijn de waarden van de parameters van toepassing op de winningsplaats. Art. R.
  24. §
  25. De Minister is bevoegd om de afwijkingsregelingen te laten toepassen waarvan sprake in de richtlijnen 75/440/EEG van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat bestemd is voor de productie van drinkwater in de Lid-Staten, gewijzigd bij de richtlijn 79/869/EEG van de Raad van 9 oktober
  26. §
  27. Van richtlijn 75/440/EEG van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat bestemd is voor de productie van drinkwater in de Lid-Staten, gewijzigd bij de richtlijn 79/869/EEG van de Raad van 9 oktober 1979, mag in de volgende gevallen worden afgeweken : 1° 1° in geval van overstromingen of natuurrampen;2° bij bepaalde parameters die in bijlage XXXV bij richtlijn 75/440/EEG met
(0)zijn aangeduid wegens uitzonderlijke geografische of weersomstandigheden;3° indien het oppervlaktewater een natuurlijke verrijking met bepaalde stoffen ondergaat, die aanleiding zou geven tot een overschrijding van de voor de categorieën A1, A2 en A3 in de tabel van bijlage XXXV van de richtlijn 75/440/EEG vastgestelde grenswaarden;4° in het geval van oppervlaktewater uit ondiepe meren met bijna stilstaand water, ten aanzien van sommige parameters voorzien van een sterretje in de tabel van bijlage XXXV;deze afwijking is slechts van toepassing op meren met een diepte van ten hoogste 20 meter, waarin de vervanging van het water meer dan een jaar in beslag neemt en waarin geen afvalwater wordt geloosd. Indien van een afwijking gebruik wordt gemaakt, wordt de Commissie hiervan door het Gewest onverwijld in kennis gesteld, onder vermelding van de motieven en de vastgestelde termijn. Art. R. 129. De referentie-meetmethoden en de minimumfrequenties van bemonstering, analyse en inspectie met betrekking tot de beschermingszones en tot de stroomopwaartse zones zijn die vastgesteld in het reglement inzake algemene immissienormen die respectievelijk voorzien zijn in de artikelen 96 tot en met 105. Bij gebreke aan de in het reglement inzake algemene immissienormen bepaalde methoden, kan de Minister een methode vaststellen. Art. R. 130. De maatschappijen voor drinkwaterproductie delen ieder jaar vóór 30 april aan de Afdeling Water van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu het resultaat van de analyses over de kwaliteit van het genomen oppervlaktewater mee. Afdeling II. - Bescherming van het oppervlaktewater tegen de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen Onderafdeling I. - Toepassingsgebied en begripsomschrijving Art. R. 131. Deze afdeling heeft tot doel het aquatisch milieu te beschermen tegen de verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen. Het is van toepassing op het geheel van de oppervlaktewateren. Art. R. 132. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder "richtlijn" de richtlijn 76/464/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd. Onderafdeling II. - Bepaling van de relevante gevaarlijke stoffen in het Waalse Gewest en de desbetreffende kwaliteitsdoelstellingen Art. R. 133. § 1. De stoffen die opgenomen kunnen worden op de lijst van de relevante gevaarlijke stoffen in het Waalse Gewest worden eerst gezocht onder de 99 stoffen van lijst II in bijlage bij de richtlijn, alsmede onder bepaalde metalen en metaalhoudende verbindingen. Deze stoffen worden vermeld in kolom 2 van de tabel opgenomen in bijlage XXXVI. § 2. De lijst van de relevante stoffen in het Waalse Gewest wordt vastgesteld op grond van meetcampagnes voor het oppervlaktewater. § 3. Een stof die op lijst II opgenomen kan worden, wordt als relevant beschouwd zodra haar concentratie in het water die over minimum één jaar wordt gemeten, één keer de door het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water; bepaalde vaststellingsgrens overschrijdt. De in het Waalse Gewest geïdentificeerde relevante stoffen worden vermeld in kolom 5 van de tabel opgenomen in bijlage XXXVI. § 4. De aan de relevante gevaarlijke stoffen gebonden kwaliteitsdoelstellingen worden vermeld in kolom 6 van de tabel opgenomen in bijlage XXXVI. Voor het meetseizoen 2002 zijn de waarden vermeld in de tabel van de bijlage mediane waarden. De monsternemingen en de berekening van hun mediane waarden worden verricht als volgt : 1° de monsternemingen en de berekeningen worden jaarlijks uitgevoerd;2° in de loop van het jaar worden minstens 5 monsternemingen op dezelfde plaatsten uitgevoerd;3° de monsternemingen worden zo verspreid dat met verschillende weeromstandigheden rekening wordt gehouden. Voor de meetseizoenen 2003 en 2004 zijn de waarden vermeld in de tabel van de bijlage mediane waarden. De monsternemingen en de berekening van hun mediane waarden worden verricht als volgt : 1° de monsternemingen en de berekeningen worden jaarlijks uitgevoerd;2° in de loop van het jaar worden minstens dertien monsternemingen op dezelfde plaatsten uitgevoerd;3° de monsternemingen worden zo verspreid dat met verschillende weeromstandigheden rekening wordt gehouden. Te rekenen vanaf het meetseizoen 2005 zijn de waarden vermeld in de tabel van de bijlage waarden in jpercentile 90. De monsternemingen en de berekening van de waarde van percentile 90 worden als volgt verricht : 1° de monsternemingen en de berekeningen worden jaarlijks uitgevoerd;2° in de loop van het jaar worden minstens dertien monsternemingen op dezelfde plaatsten uitgevoerd;3° de monsternemingen worden zo verspreid dat met verschillende weeromstandigheden rekening wordt gehouden. § 5. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, beoordeelt op 31 december 2001 of de kwaliteitsdoelstellingen voor de relevante gevaarlijke stoffen in acht zijn genomen. Het beoordelingsrapport wordt aan de Minister overgemaakt. Voor elke relevante stof die aan de lijst wordt toegevoegd na bijwerking ervan, zoals bepaald in artikel 135, wordt aan het einde van een meetjaar beoordeeld of de kwaliteitsdoelstelling ervan al dan niet in acht is genomen. Art. R134. De kwaliteitsdoelstellingen gelden niet voor de oppervlaktewateren of voor bepaalde gedeelten ervan : 1° in geval van buitengewone droogte;2° wegens wetenschappelijk vastgestelde geologische natuurlijke eigenschappen of andere, die van dien aard zijn dat ze de waterkwaliteit aantasten. Art. R. 135. § 1. De lijst van de gevaarlijke stoffen en/of van de desbetreffende kwaliteitsdoelstellingen worden één keer en uiterlijk 31 december 2001 bijgewerkt. § 2. De Minister kent een kwaliteitsdoelstelling toe aan elke nieuwe relevante gevaarlijke stof die aan de lijst wordt toegevoegd. § 3. Vanaf de eerste bijwerking wordt de lijst om de drie jaar bijgewerkt. Onderafdeling III. - Controlenetwerk Art. R. 136. Uiterlijk 31 december 2000 wordt een netwerk tot stand gebracht voor de controle van de oppervlaktewateren verontreinigd door de in het aquatisch milieu aanwezige relevante gevaarlijke stoffen. Art. R. 137. Het overeenkomstig artikel 136 tot stand gebrachte controlenetwerk heeft o.a. tot doel : 1° de relevante gevaarlijke stoffen of groepen van relevante gevaarlijke stoffen na minimum één jaar te identificeren onder de in artikel 133, § 1, bedoelde stoffen die in lijst II opgenomen kunnen worden en in het water kunnen voorkomen; 2° de evolutie van de relevante gevaarlijke stoffen te volgen t.o.v. de kwaliteitsdoelstelling ervan; 3° het effect van de in de artikelen 139 tot en met 141 bedoelde programma's ter vermindering van de verontreiniging te beoordelen. Art. R. 138. § 1. De Minister gaat over of laat overgaan tot de representatieve monsternemingen volgens de minimale frequentie bedoeld in artikel 133, § 4. § 2. Tussen het moment van de monsterneming en dat van het laboratoriumonderzoek, wordt alles in het werk gesteld om de verslechtering van de oorspronkelijke kwaliteit van de monsters te voorkomen. § 3. De controle van de kwaliteitsdoelstellingen wordt bij voorkeur verricht via gestandaardiseerde analysetechnieken van het type ISO, EPA, EN. De laboratoria die aangepaste of andere methodes gebruiken, moeten zich vergewissen van de geldigheid van hun methodes die niet gestandaardiseerd zijn, en dat bewijzen aan de hand van herhaalbaarheids- en reproduceerbaarheidsproeven. Het laboratorium zal rekening houden met de bestaande normen en methoden i.v.m. de maximale bewaartijd die men vóór de analyse aanraadt in acht te nemen. Onderafdeling IV - Programma's ter vermindering van de verontreiniging veroorzaakt door de relevante gevaarlijke stoffen in het Waalse Gewest Art. R. 139. De Minister bepaalt een programma ter vermindering van de verontreiniging veroorzaakt door elke relevante gevaarlijke stof bedoeld in kolom 5 van de tabel in bijlage XXXVI waarvan de kwaliteitsdoelstelling op 31 december 2001 niet in acht is genomen. Deze programma's liggen vast binnen drie maanden, te rekenen van 31 december 2001. De Minister bepaalt specifieke programma's ter vermindering van de relevante gevaarlijke stoffen die aan de lijst worden toegevoegd na 31 december 2001 en die niet voldoen aan hun kwaliteitsdoelstelling aan het einde van het meetjaar dat volgt op dat van hun indeling. Deze programma's worden goedgekeurd binnen zes maanden na het einde van het meetjaar. Art. R. 140. De programma's ter vermindering van de verontreiniging bepalen in welke ate de verschillende aangenomen en/of voorziene instrumenten, met inbegrip van de wettelijke, reglementaire en administratieve maatregelen, tot hun verwezenlijking bijdragen. De programma's kunnen ook specifieke bepalingen bevatten i.v.m. de samenstelling en het gebruik van de bedoelde stoffen en rekening houden met de recentste technische voortgangen die economisch realiseerbaar zijn. De middelen die worden aangewend om de relevante gevaarlijke stoffen onder hun kwaliteitsdoelstelling te brengen, kunnen met name betrekking hebben op de vermindering bij de emissie en/of het gebruik, het erkenningssysteem, het belastingsysteem en het uitvoeringsverbod. De kwaliteitsdoelstellingen moeten uiterlijk vijf jaar na de goedkeuring van het programma gehaald worden. Art. R. 141. Als blijkt dat een kwaliteitsdoelstelling aan het einde van het overeenkomstige verminderingsprogramma niet in acht genomen wordt en voor zover vaststaat dat de oorzaak van de niet-inachtneming gedeeltelijk of geheel te wijten is aan menselijke activiteiten die op het Waalse grondgebied worden uitgevoerd, neemt de Minister bijkomende maatregelen om de inachtneming ervan te waarborgen. Afdeling III. - Gecombineerde aanpak Art. R. 142. De wetgevingen bedoeld in artikel 160, § 2, 3°, van het decreetgevende deel worden opgesomd in bijlage V. HOOFDSTUK III. - Bescherming van grondwater en van water gebruikt voor het winnen van tot drinkwater verwerkbaar water Afdeling I. - Het winnen van tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater en de waterwinnings-, voorkomings- en toezichtsgebieden Onderafdeling I. - Begripsomschrijvingen Art. R. 143. Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden verstaan onder : 1° « bovengrondse installatie » : gedeelte van de bovengrondse waterwinplaats bestemd voor het opvangen van tot drinkwater verwerkbaar water, met inbegrip van het gebouw dat ze beschermt;2° « waterwinning » : handeling die bestaat in het opvangen van oppervlaktewater dat tot drinkwater kan verwerkt worden. Onderafdeling II. - Waterwinningsvergunning Art. R. 144. De waterwinningen moeten minstens voldoen aan volgende voorwaarden : 1° de kwaliteit van het oppervlaktewater waar de waterwinning plaatsvindt, moet beschermd worden;2° de uit een oppervlaktewater opgevangen hoeveelheid water moet zodanig bepaald worden dat de waterwinning het ecologisch en sanitair evenwicht ervan niet in gevaar brengt;3° de veiligheid van personen en goederen mag niet lijden onder waterwinningen uitgevoerd in tot drinkwater verwerkbaar oppervlaktewater. Art. R. 145. De waterwinningen zijn in twee categorieën ingedeeld. Categorie A omvat alle waterwinningen, met inbegrip van degenen die door particulieren uitsluitend uitgevoerd worden voor de huishoudelijke behoeften van hun gezin, doch met uitzondering van degenen die tot categorie B behoren. Categorie B omvat de waterwinningen bestemd voor : 1° de openbare watervoorziening;2° de menselijke consumptie;3° de vervaardiging van levensmiddelen;4° de voorziening van openbare installaties zoals zwembaden, baden, douches of andere gelijksoortige installaties. Art. R. 146. De milieuvergunningen voor inrichtingen met een waterwinning vermelden de na te komen voorwaarden betreffende met name : 1° de waterwinningsapparaten;2° de uitvoerings- en uitrustingsmodaliteiten van de installatie;3° de meetinrichtingen van de hoeveelheden water en de waterstanden en de inrichtingen voor de monsterneming in de installatie;4° het gebruik van het opgevangen water;5° de dagelijks en jaarlijks op te vangen maximale hoeveelheid water;6° de frequentie van de tellingstaten van de opgevangen hoeveelheden water;7° de bescherming van de omliggende grondwaterwinningen;8° de openbare veiligheid;9° de te treffen maatregelen indien de waterwinning niet meer gebruikt wordt. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, is bevoegd om de goede staat van de meetinrichtingen te controleren; het dient te worden ingelicht over elke wijziging of vervanging van die inrichtingen. De houder van een milieuvergunning voor inrichtingen met een waterwinning wordt ertoe gehouden het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, jaarlijks uiterlijk op 31 januari de tijdens het jaar tevoren opgevangen hoeveelheid water mede te delen en in het algemeen elk ander gegeven omtrent de milieuvergunning en de gebruiksmodaliteiten van de waterwinning. Onderafdeling III. - Waterwinnings-, voorkomings- en toezichtsgebieden Art. R. 147. Het waterwingebied wordt aan de landzijde afgebakend door een lijn gelegen op 10 meter van de buitengrenzen van de voor de waterwinning strikt noodzakelijke bovengrondse installaties en, aan de waterloopzijde, door de eigendomgrens van het Gewest. In afwijking van lid 1 kan de afbakening van het waterwingebied overeenstemmen met natuurlijke of kunstmatige topografische vaste punten of grenzen zoals verkeerswegen, waterlopen, bouwlijnen, afsluitingen, bouwlijnen of met administratieve grenzen zoals kadastrale afdelingen. In dat geval mag de Minister bij een met redenen omkleed besluit bijkomende beschermingsmaatregelen opleggen. Art. R. 148. Een voorkomingsgebied dient te worden bepaald voor elke waterwinning van categorie B. Art. R. 149. Het voorkomingsgebied bestaat enerzijds uit het beschermingsgebied bedoeld in artikel 156 en anderzijds uit twee gebieden die aan voornoemd beschermingsgebied grenzen, met dezelfde lengte en een breedte vermeld in het besluit tot oprichting van het voorkomingsgebied. De breedte van de in lid 1 bedoelde aangrenzende gebieden kan veranderlijk zijn. Art. R. 150. Na het overeenkomstig artikel 152 uitgevoerd openbaar onderzoek neemt de Minister een besluit tot bepaling van het voorkomingsgebied en tot regeling van de activiteiten in dat gebied; hij deelt het mede aan de betrokken gemeenten, aan het bestendige deputatie van de provincieraad en aan elke persoon die tijdens het openbaar onderzoek opmerkingen heeft gemaakt. Art. R. 151. Na het overeenkomstig artikel 152 uitgevoerd openbaar onderzoek stelt de Minister het toezichtsgebied vast en regelt zij de activiteiten die in dat gebied plaatsvinden; hij deelt het mede aan de betrokken gemeenten, aan de bestendige deputatie van de provincieraad en aan elke persoon die tijdens het openbaar onderzoek opmerkingen heeft gemaakt. Onderafdeling IV. - Openbaar onderzoek Art. R. 152. De Minister stuurt de projecten van voorkomings- en toezichtsgebieden samen met hun bijlagen naar de gemeenten op het grondgebied waarvan voornoemde gebieden zich geheel of gedeeltelijk uitstrekken. Binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier opent het college van burgemeester en schepenen een onderzoek naar voor- en nadelen van het werk door aanplakking van een bericht met het voorwerp van het onderzoek. Dat bericht wordt gedurende dertig dagen op de gebruikelijke plaatsen aangeplakt; tegelijkertijd stuurt het college van burgemeester en schepenen een afschrift ervan naar de eigenaars en de voornaamste bewoners van de in het gebied gelegen gebouwen, alsmede naar de openbare besturen waaronder een in hetzelfde gebied gelegen verkeersweg, waterloop of om het even welke installatie of instelling ressorteren. Het dossier en de daarbij gevoegde plannen kunnen tijdens de hele duur van het onderzoek door de betrokkenen geraadpleegd worden. De personen die het wensen, kunnen een afschrift van die documenten verkrijgen tegen betaling van de door het college van burgemeester en schepenen vastgestelde kostprijs. Binnen dezelfde termijn zamelt een lid van het college van burgemeester en schepenen of door een daartoe afgevaardigde ambtenaar de schriftelijke opmerkingen in. Bij het verstrijken van die termijn wordt een zitting gehouden waarop alle personen die het wensen, gehoord worden en aan het einde waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt ter sluiting van het onderzoek naar voor- en nadelen van het werk. Het gemeentebestuur stuurt het dossier binnen een termijn van tien dagen na sluiting van het onderzoek samen met het gemotiveerd advies van het college van burgemeester en schepenen terug naar de Minister. Afdeling II. - Grondwaterwinningen, waterwinnings-, voorkomings- en toezichtsgebieden en kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen Onderafdeling I. - Begripsomschrijvingen Art. R. 153. Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden verstaan onder : 1° " toegelaten maximale concentratie" de concentratie voor pesticiden en aanverwante producten : a.0,1 g/l per afzonderlijke stof; b. 0,5 g/l in totaal;2° bovengrondse installatie " : gedeelte van de aan het oppervlak gelegen waterwininstallatie, alsmede het gebouw dat ze beschermt; 3°"pesticiden" : insekticiden :
  1. a)persistente organische chloorverbindingen;
  2. b)organische fosforverbindingen;
  3. c)carbamaten;
  4. d)herbiciden;
  5. e)fungiciden;
  6. f)regulators voor plantengroei;4° « waterwinning » : handeling die erin bestaat grondwater op te vangen;5° « lozing » : het lozen van stoffen en materies in het grondwater, met of zonder sijpeling in de grond of de ondergrond;6° « stoffen vermeld op lijst I of II » : alle stoffen die op lijst I of II van bijlage XXXVII voorkomen;7° « houder » : houder van de in artikel 169 van het decreetgevende deel bedoelde milieuvergunning voor een inrichting met een waterwinning. Onderafdeling II. - Waterwinningsvergunning Art. R. 154. De waterwinningen moeten minstens voldoen aan volgende voorwaarden : 1° de kwaliteit van het grondwater moet beschermd worden;2° de in een bepaalde waterlaag opgevangen hoeveelheid water moet overeenstemmen met een jaarlijks totaal volume dat de jaarlijkse gemiddelde natuurlijke voorziening van die waterlaag niet overschrijdt;3° de veiligheid van personen en goederen mag niet lijden onder de aan het grondwater aangebrachte wijzigingen. Art. R. 155. De waterwinningen zijn in vier categorieën ingedeeld. Categorie A omvat : 1° de proefbemalingen die niet langer dan twaalf maanden duren;2° de tijdelijke bemalingen uitgevoerd tijdens openbare of particuliere civieltechnische werken. Categorie B omvat de waterwinningen bestemd voor : 1° de openbare watervoorziening;2° de watervoorziening onder de vorm van verpakt bron- of natuurlijk mineraalwater, alsmede het water voor thermaal gebruik;3° de menselijke consumptie;4° de vervaardiging van levensmiddelen;5° de voorziening van openbare installaties zoals zwembaden, baden, douches of andere gelijksoortige installaties. De door particulieren uitgevoerde waterwinningen met het oog op het exclusief huishoudelijk gebruik ervan zijn uit categorie B uitgesloten. Categorie C omvat de waterwinningen die niet tot de categorieën A en B behoren en waarvan de opgevangen capaciteit 10 m3 per dag of 3000 m3 per jaar overschrijdt. Categorie D omvat de waterwinningen die niet tot de categorieën A en B behoren en waarvan de capaciteit noch 10 m3 per dag noch 3000 m3 per jaar overschrijdt. Art. R. 156. De milieuvergunningen voor inrichtingen met een waterwinning vermelden de na te komen voorwaarden betreffende, met name : 1° de waterwinningsapparaten;2° het gescheiden houden van de verschillende waterlagen;3° de uitvoerings- en uitrustingsmodaliteiten van de installatie;4° de meetinrichtingen van de hoeveelheden water en de waterstanden en de inrichtingen voor de monsterneming in de installatie;5° het gebruik van het opgevangen water;6° de dagelijks en jaarlijks op te vangen maximale hoeveelheid water;7° de frequentie van de tellingstaten van de hoeveelheden water;8° de bescherming van de omliggende waterwinplaatsen;9° de openbare veiligheid;10° de modaliteiten inzake de uitvoering en de uitrusting van voor de exploitatie vereiste bijbehorende installaties zoals toegangs- en verluchtingsschachten van wateropvanggalerijen, die een verontreinigingsgevaar inhouden;11° de inplanting van de piëzometers bestemd voor het meten van de hydrogeologische parameters verbonden met de ontgonnen waterlaag en voor de desbetreffende monsterneming;12° de te treffen tijdelijke en bijzondere beschermingsmaatregelen om elke waterverontreiniging te voorkomen, in het geval van waterwinningen van categorie A;13° de te treffen maatregelen indien de waterwinning niet meer gebruikt wordt. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, is bevoegd om de goede staat van de meetinrichtingen te controleren; het dient te worden ingelicht over elke wijziging of verplaatsing van die inrichtingen. De houder van een milieuvergunning voor een inrichting met een waterwinning wordt ertoe gehouden het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, jaarlijks uiterlijk op 31 januari de tijdens het jaar tevoren opgevangen hoeveelheid water mede te delen en in het algemeen elk ander gegeven omtrent de milieuvergunning en de gebruiksmodaliteiten van de waterwinning. Onderafdeling III. - Waterwin-, voorkomings- en toezichtsgebieden Art. R. 157. § 1. Voor alle waterwinningen wordt het waterwingebied afgebakend door een lijn gelegen op 10 meter van de buitengrenzen van de voor de waterwinning strikt noodzakelijke bovengrondse installaties. Het aldus opgericht gebied wordt « gebied I » genoemd. § 2. Wat de waterwinningen van categorie A betreft, verduidelijkt de milieuvergunning de te treffen beschermingsmaatregelen en de grenzen van het waterwingebied. § 3. Voor waterwinningen gelegen in een in bedrijf zijnde steengroeve stemmen de grenzen van het waterwingebied overeen met die van de waterwinning. Art. R. 158. § 1. Een voorkomingsgebied moet bepaald worden voor elke waterwinning van categorie B in een vrije waterlaag. § 2. Een voorkomingsgebied kan bepaald worden voor elke waterwinning van categorie B gelegen in een lens of voor elke waterwinning van categorie C. Art. R. 159. § 1. In het geval van een vrije waterlaag wordt het voorkomingsgebied verdeeld in twee ondergebieden die respectievelijk dichtbijgelegen voorkomingsgebied of gebied IIa en verwijderd voorkomingsgebied of gebied IIb genoemd worden. 1° Het gebied IIa is begrepen tussen de omtrek van gebied I en een lijn gelegen op een afstand van de waterwinning die overeenstemt met een verplaatsingstijd van het grondwater tot aan de waterwinning gelijk aan 24 uur in verzadigde grond. Bij gebrek aan voldoende gegevens waarbij gebied IIa overeenkomstig voornoemd beginsel afgebakend kan worden, wordt dit gebied afgebakend door een lijn gelegen op een minimale horizontale afstand van 35 meter vanaf de bovengrondse installaties wanneer het om putten gaat, en door twee lijnen gelegen op minstens 25 meter aan weerszijden van de bovengrondse projectie van de lengteas wanneer het om galerijen gaat. 2° Gebied IIb is begrepen tussen de buitenomtrek van gebied IIa en de buitenomtrek van het wingebied van de waterwinning. De afstand tussen de buitenomtrek van gebied IIb en het werk mag echter niet groter zijn dan degene die overeenstemt met een verplaatsingstijd van het grondwater tot aan de waterwinning gelijk aan vijftig dagen in verzadigde grond. Bij gebrek aan voldoende gegevens waarbij gebied IIb overeenkomstig voornoemd beginsel afgebakend kan worden, bedraagt de afstand tussen de omtrek van dit gebied en de buitenomtrek van gebied IIa :
  7. a)100 meter voor de waterhoudende zandformaties;
  8. b)500 meter voor de waterhoudende grintformaties of de afstand tussen de waterloop en de grens van de waterhoudende alluviale formatie,
  9. c)1 000 meter voor de waterhoudende gescheurde of karstische formaties. Wanneer het grondwater de waterwinning langs voorkeursafwateringsassen bevoorraadt, wordt gebied IIb langs die assen uitgebreid over een maximale afstand van 1 000 meter en over een breedte die minstens gelijk is aan die van gebied IIa. Die afstanden zijn vatbaar voor herziening indien later verkregen gegevens toelaten gebied IIb vast te stellen naargelang van de verplaatsingstijden of de grenzen van het ingangsgebied van de waterwinning. § 2. Wanneer er een verontreinigingsgevaar bestaat, is het voorkomingsgebied in een lens het gebied waarin de verplaatsingstijd kleiner is dan vijftig dagen in verzadigde grond. Dit gebied heeft de kenmerken van een verwijderd voorkomingsgebied. § 3. Na het overeenkomstig artikel 162 uitgevoerd openbaar onderzoek neemt de Minister een besluit tot bepaling van de in de §§ 1 en 2 bedoelde voorkomingsgebieden en tot regeling van de activiteiten in die gebieden; hij deelt het mede aan de betrokken gemeenten, aan de bestendige deputatie van de provincieraad, aan de provinciale directie Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium van het Ministerie van het Waalse Gewest en aan elke persoon die tijdens het openbaar onderzoek opmerkingen heeft gemaakt. Art. R. 160. In afwijking van de artikelen 158 en 159 kan de afbakening van de waterwin- en voorkomingsgebieden overeenstemmen met natuurlijke of kunstmatige topologische vaste punten en grenzen, zoals verkeerswegen, waterlopen, afsluitingen, bouwlijnen of met administratieve grenzen, zoals kadastrale secties. In de in het eerste lid bedoelde gevallen kan de Minister bij een met redenen omkleed besluit « bijkomende » beschermingsmaatregelen opleggen in de waterwinnings- en de voorkomingsgebieden. Art. R. 161. § 1. Na het overeenkomstig artikel 162 uitgevoerd openbaar onderzoek stelt de Minister het toezichtsgebied vast en regelt hij de activiteiten in dat gebied; hij deelt het mede aan de betrokken gemeenten, aan de bestendige deputatie van de provincieraad, aan de provinciale directie Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium van het Ministerie van het Waalse Gewest en aan elke persoon die tijdens het openbaar onderzoek opmerkingen heeft gemaakt. § 2. Wanneer de waterwinning van categorie B voor de productie van bronwater, natuurlijk mineraalwater of thermaalwater bestemd is en indien de houder van de milieuvergunning de aanleg van een toezichtsgebied aanvraagt, laat de Minister overeenkomstig artikel 162 een openbaar onderzoek uitvoeren. Onderafdeling IV. - Openbaar onderzoek Art.R. 162. De Minister stuurt de ontwerpen van voorkomings- en toezichtsgebieden samen met hun bijlagen naar de gemeenten op het grondgebied waarvan voornoemde gebieden zich geheel of gedeeltelijk uitstrekken. Binnen vijftien dagen na ontvangst van het dossier opent het college van burgemeester en schepenen een onderzoek naar voor- en nadelen van het werk door aanplakking van een bericht met het voorwerp van het onderzoek. Dat bericht blijft gedurende dertig dagen op de gewone plaatsen aangeplakt; tegelijkertijd stuurt het college van burgemeester en schepenen een afschrift ervan naar de eigenaars en de voornaamste bewoners van de in het gebied gelegen gebouwen, alsmede naar de openbare besturen waaronder een in hetzelfde gebied gelegen verkeersweg, waterloop of om het even welke installatie of instelling ressorteren. Het dossier en de daarbijgevoegde plannen kunnen tijdens de hele duur van het onderzoek door alle betrokkenen geraadpleegd worden. De personen die het wensen, kunnen een afschrift van die documenten verkrijgen tegen betaling van de door het college van burgemeester en schepenen vastgestelde kostprijs. Binnen dezelfde termijn zamelt een lid van het college van burgemeester en schepenen of een daartoe afgevaardigde ambtenaar de schriftelijke opmerkingen in. Bij het verstrijken van die termijn wordt een zitting gehouden waarop alle personen die het wensen, gehoord worden aan het einde waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt ter sluiting van het onderzoek naar voor- en nadelen van het werk. Het gemeentebestuur stuurt het dossier binnen een termijn van tien dagen na sluiting van het onderzoek samen met het gemotiveerd advies van het college van curgemeester en schepenen terug naar de Minister. Onderafdeling V. - Beschermingsmaatregelen Art. R. 163. Niettegenstaande de bijzondere voorwaarden die de Minister wegens specifieke omstandigheden kan opleggen, zijn de algemene voorwaarden van deze onderafdeling van toepassing op de door haar omschreven gebieden. - Waterwingebieden Art. R. 164. Daar waar het waterwingebied toegankelijk is, plaatst de houder van een milieuvergunning voor een inrichting met een waterwinning van categorie B of C een omheining, een dichte heg of elke andere omsluiting om derden de toegang te ontzeggen en elke lozing in het gebied te voorkomen. De onbebouwde delen van het waterwingebied worden zo ingericht dat elke besmetting wordt voorkomen; het gebruik van pesticiden is er verboden. Bij de toegangswegen tot het waterwingebied worden zichtbare borden geplaatst met leesbare informatie over de aard van de winning, de identiteit van de houder en de bij ongeval bereikbare diensten. - Voorkomingsgebieden Paragraaf één. - Dichtbijgelegen voorkomingsgebieden Art. R. 165. In het voorkomingsgebied zijn verboden : 1° het gebruik of het lozen van producten of materies die stoffen van lijst I of II bevatten, of elke andere handeling die aanleiding zou kunnen geven tot het lozen van deze stoffen. Toegelaten zijn evenwel :
  10. a)het gebruik van bij luchtdruk gasvormige koolwaterstoffen;
  11. b)het gebruik van vloeibare koolwaterstoffen, oliën en smeermiddelen bestemd voor de werking van motorvoertuigen die vanwege hun activiteit in het dichtbijgelegen voorkomingsgebied moeten komen;
  12. c)het gebruik van stoffen van lijst I of II, voor zover zij opgeslagen worden op of boven ondoorlatende oppervlakten voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit;
  13. d)het huishoudelijke gebruik van vloeibare koolwaterstoffen, oliën en smeermiddelen of producten die dergelijke stoffen bevatten en die bewaard worden in waterdichte ontvangers en opgeslagen worden op ondoorlatende oppervlakten voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit. Lucht- of kelderontvangers met een volume van meer dan 500 liter worden geplaatst in waterdichte retentiekommen waarvan de capaciteit voldoende is om elke vloeibare lozing te voorkomen. Ingegraven ontvangers zijn voorzien van een dubbelhulsel waarvan de waterdichtheid gecontroleerd kan worden om zich ervan te vergewissen dat elke lozing uitgesloten is; 2° de centra voor technische ondergraving bedoeld in het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;3° de opslag van meststoffen en pesticiden;4° verliesputten en de ondergrondse verspreiding van huishoudelijke effluenten;5° opslaginstallaties voor producten waarvan de natuurlijke afbraak het grondwater dreigt te verontreinigen;6° kampeer-, sport- en ontspanningsterreinen;7° drinkbakken;8° vergaarkommen die niet waterdicht zijn;9° oppervlakten voor het parkeren van meer dan vijf motorvoertuigen; 10° de permanent en occasioneel gebruikte circuits en terreinen bedoeld in rubriek 92.61.10 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten. Art. R. 166. In het dichtbijgelegen voorkomingsgebied is het verboden : 1° nieuwe kerkhoven aan te leggen;2° nieuwe overdekte omheinde dierenruimten te bouwen, met name stallen en kennels. De dierenruimten die reeds gebruikt worden op de datum van inwerkingtreding van het besluit tot bepaling van een dichtbijgelegen voorkomingsgebied, moeten beschikken over een ondoorlatende bodem en over een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit. Art. R. 167. In het dichtbijgelegen gebied : 1° mogen de lozingen en de afvoer van afvalwater of gezuiverd water slechts in waterdichte riolen, afvoerleidingen of geulen plaatshebben;2° moeten de leidingen voor producten of materies die stoffen van lijst I of II bevatten, waterdicht zijn;de kans op een toevallige breuk ervan moet tot een minimum worden herleid; 3° worden de opslagplaatsen voor afvalstoffen of de installaties voor de verwijdering of de valorisatie van de afvalstoffen bedoeld in het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen aan de volgende regels onderworpen :
  14. a)zij worden opgericht op ondoorlatende grond;
  15. b)zij worden voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing voorkomt;4° worden de opslagplaatsen voor dierlijke meststoffen als mest, aalt of gier, en opslagplaatsen voor inkuilingsproducten die vloeibare lozingen kunnen veroorzaken, aan de volgende regels onderworpen :
  16. a)zij mogen alleen producten opslaan van landbouwbedrijven die geheel of gedeeltelijk binnen de grenzen van het voorkomingsgebied gelegen zijn;
  17. b)de stoffen worden opgeslagen in waterdichte tanks of ontvangers of op plaatsen waar de grond ondoorlatend is;
  18. c)de opslagplaatsen zijn uitgerust met een opvangsysteem dat elke vloeibare lozing uitsluit;5° mogen de verspreidingen van dierlijke meststoffen, van producten die voor landbouwdoeleinden verspreid mogen worden, en van stikstofkunstmeststoffen de in bijlage III vermelde maximumdosissen niet overschrijden;6° mogen de verspreidingen van pesticiden de op de verpakkingen vermelde dosissen niet overschrijden, overeenkomstig de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt en het besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische producten. Als de Minister vaststelt dat de concentratie actieve stoffen die pesticiden bevatten, in het ontvangende water hoger is dan : 7° 80% van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie, m.b.t. de waarde die per afzonderlijke stof is vastgesteld, of dan 8° 80% van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie, m.b.t. de waarde die voor het geheel van de stoffen is vastgesteld, neemt hij de gepaste maatregelen om sommige landbouw- en huishoudelijke praktijken te wijzigen en zelfs de verspreiding van pesticiden te verbieden; 9° weggedeelten die het doorkruisen, voorzien van waterdichte geulen voor de opvang van alle vloeistoffen of stoffen in geloosd kunnen worden;10° wanneer putten, boringen, uithollingen of grondwerken die op meer dan 3 meter onder de grondoppervlakte worden uitgevoerd, onderworpen zijn aan een voor advies of toestemming aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, van Ruimtelijke ordening, Stedebouw en Patrimonium moet voorgelegd, wint dit laatste tijdens het onderzoek van de aanvraag het advies van de houder in. Deze formaliteit wordt geëist wanneer voornoemde werken, in de dichtbijgelegen voorkomingsgebieden van de winningen van mineraal, thermaal en koolzuurhoudend water, een diepte van meer dan 2 meter worden uitgevoerd. Indien het advies niet gegeven wordt binnen de maand vanaf dag van kennisgeving van de aanvraag, wordt het gunstig geacht te zijn. Paragraaf II. - Afgelegen voorkomingsgebieden Art. R. 168. In het afgelegen voorkomingsgebied zijn verboden : 1° de centra voor technische ondergraving bedoeld in het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, met uitzondering van de gecontroleerde stortplaatsen van klasse 3, zoals bepaald bij artikel 32, § 1, van het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 23 juli 1987 betreffende de gecontroleerde stortplaatsen 2° de verliesputten. Art. R. 169. In het afgelegen voorkomingsgebied is de aanleg verboden van : 1° nieuwe kerkhoven;2° nieuwe kampeerterreinen; 3° de permanent en occasioneel gebruikte circuits en terreinen bedoeld in rubriek 92.61.10 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectonderzoek onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten. Art. R. 170. In het afgelegen voorkomingsgebied : 1° worden vloeistoffen die stoffen van lijst I of II bevatten, alsmede vloeibare koolwaterstoffen, oliën en smeermiddelen opgenomen in waterdichte ontvangers, geplaatst op ondoorlaatbare oppervlakten die voorzien zijn van een opvangsysteem dat elke vloeibare lozing uitsluit, onverminderd andere striktere reglementaire bepalingen en met uitzondering van elektrische transformatoren waarvan het hulsel een vloeistof van lijst I of II bevat, mits zodanig te zijn uitgerust dat het gevaar voor een hulselbreuk tot een minimum is herleid. De lucht- of kelderontvangers van vloeibare koolwaterstoffen, met een volume van meer dan 500 liter, worden geplaatst in waterdichte retentiekommen die een voldoende capaciteit hebben om elke vloeibare lozing te voorkomen. De ingegraven ontvangers van vloeibare koolwaterstoffen zijn voorzien van een dubbelhulsel waarvan de waterdichtheid gecontroleerd kan worden om zich ervan te vergewissen dat elke lozing uitgesloten is; 2° moeten de leidingen voor producten of materies die stoffen van lijst I of II bevatten, waterdicht zijn;het gevaar voor een toevallige breuk ervan moet tot een minimum herleid worden; 3° worden de opslagplaatsen voor afvalstoffen of de installaties voor de verwijdering of valorisatie van afvalstoffen bedoeld in het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen aan de volgende regels onderworpen :
  19. a)zij worden opgericht op ondoorlatende gronden;
  20. b)zij worden voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing voorkomt;4° worden : - dierlijke meststoffen als mest, aalt, gier; - meststoffen en pesticiden; - en inkuilingsprodukten waaruit vloeibare lozingen kunnen voortkomen, in waterdichte tanks of ontvangers opgeslagen of worden de ervoor oppervlakten opgericht. De opslagplaatsen zijn voorzien van een opvangsysteem dat het lekken van vloeistoffen uitsluit; 5° moeten de overdekte omheinde dierenruimten, met name stallen en kennels, beschikken over een ondoorlatende bodem en over een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit;6° mogen de verspreidingen van dierlijke meststoffen, van producten die voor landbouwdoeleinden verspreid mogen worden, en van stikstofkunstmeststoffen de in bijlage XXXVIII vermelde maximumdosissen niet overschrijden;7° mogen de verspreidingen van pesticiden de op de verpakkingen vermelde dosissen niet overschrijden, overeenkomstig de wet van 11 juli 1969 betreffende de pesticiden en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, en het besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen en fytofarmaceutische producten. Als de Minister vaststelt dat de concentratie actieve stoffen die pesticiden bevatten, in het ontvangende water hoger is dan :
  21. a)80 % van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie; m.b.t. de waarde die per afzonderlijke stof is vastgesteld, of dan
  22. b)80 % van de voor het drinkwater toegelaten maximale concentratie, m.b.t. de waarde die voor het geheel van de stoffen is vastgesteld, neemt hij de gepaste maatregelen om sommige landbouw- en huishoudelijke praktijken te wijzigen en zelfs de verspreiding van pesticiden te verbieden; 8° wanneer putten, boringen, uithollingen of grondwerken die op meer dan 5 meter onder de grondoppervlakte worden uitgevoerd, onderworpen zijn aan een voor advies of toestemming aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, van Ruimtelijke ordening, Stedenbouw en Patrimonium moet voorgelegd, wint dit laatste tijdens het onderzoek van de aanvraag het advies van de houder in. Deze formaliteit wordt geëist wanneer voornoemde werken, in de dichtbijgelegen voorkomingsgebieden van de winningen van mineraal, thermaal en koolzuurhoudend water, op een diepte van meer dan 3 meter worden uitgevoerd. Indien het advies niet gegeven wordt binnen de maand vanaf de dag van kennisgeving van de aanvraag, wordt het gunstig geacht te zijn. Art. r.171. Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de overeenkomstig artikel 2 van de wet van 1 augustus 1924 omtrent de bescherming der minerale of thermale wateren vastgestelde beschermingsomtrekken gelijkgesteld met de afgelegen voorkomingsgebieden. Paragraaf III - Toezichtsgebieden Art. R. 172. In het toezichtsgebied : 1° mogen de verspreidingen van dierlijke meststoffen, van producten die voor landbouwdoeleinden verspreid mogen worden, en van stikstofhoudende meststoffen de in bijlage XXXVIII bedoelde maximumdosissen niet overschrijden;2° als de Minister vaststelt dat de overeenkomstig de artikelen 167, 6°, en 170, 7°, getroffen restrictieve maatregelen onvoldoende zijn, kan hij, voor het gehele toezichtsgebied of een gedeelte ervan, maatregelen van dezelfde aard nemen. Onderafdeling VI. - Maatregelen met betrekking tot bepaalde steengroeven Art. R. 173. Onderafdeling V is niet van toepassing op steengroeven die in bedrijf zijn. Wanneer een grondwaterwingebied van categorie B of C zich in een steengroeve in bedrijf bevindt of wanneer een steengroeve in bedrijf zich in een voorkomingsgebied bevindt : 1° mogen de werktuigen die in de steengroeve gebruikt worden, geen koolwaterstoflekken vertonen;in voorkomend geval worden zij onmiddellijk voor herstelling weggebracht; 2° mogen enkel de voor de exploitatie van de steengroeve gebruikte producten zich in de groeve bevinden;3° moeten de producten die de kwaliteit van de grondwaterlaag kunnen aantasten, hetzij opgeslagen worden in waterdichte retentiekommen met een omvang die minstens gelijk is aan de gehele omvang van de in elke kom bewaarde tanks, hetzij opgeborgen worden in vatten of ontvangers die zelf opgeslagen zijn op een ondoorlatende oppervlakte voorzien van een opvangsysteem dat elke lozing uitsluit;4° zijn verliesputten verboden in het voorkomingsgebied. Huishoudelijk en sanitair afvalwater wordt hetzij uit de steengroeve en het voorkomingsgebied via waterdichte leidingen afgevoerd, hetzij ter plaatse in waterdichte vatten of ontvangers opgeslagen, en door erkende putjesscheppers afgevoerd. Afdeling III. - Bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozingen van bepaalde gevaarlijke stoffen Art. R. 174. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° « Richtlijn » : de Richtlijn 80/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen;2° « directe lozing » : de toevoer van stoffen in het grondwater zonder doorsijpeling door de bodem of de ondergrond;3° « indirecte lozing » : de toevoer van stoffen in het grondwater zonder doorsijpeling door de bodem of de ondergrond. Art. R. 175. Dit besluit is van toepassing op de directe en indirecte lozingen van de volgende stoffen/ 1°
  23. a)de organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit in water dergelijke verbindingen kunnen ontstaan;
  24. b)de organische fosforverbindingen;
  25. c)de organische tinverbindingen;
  26. d)de stoffen die in of via het water een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben;
  27. e)kwik en kwikverbindingen;
  28. f)cadmium en cadmiumverbindingen;
  29. g)minerale oliën en koolwaterstoffen;
  30. h)cyaniden;2°
  31. a)de volgende metalloïden en metalen, alsmede verbindingen daarvan : 1 zink 2 koper 3 nikkel 4 chroom 5 lood 6 selenium 7 arsenicum 8 antimoon 9 molybdeen 10 titaan 11 tin 12 barium 13 beryllium 14 borium 15 uranium 16 vanadium 17 kobalt 18 thallium 19 tellurium 20 zilver;
  32. b)biociden en derivaten daarvan, die niet in artikel 175, 1°, genoemd zijn;
  33. c)stoffen met een schadelijke werking op de smaak en/of de geur van het grondwater alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het water zouden kunnen ontstaan en die het water ongeschikt voor menselijke consumptie zouden kunnen maken;
  34. d)organische siliciumverbindingen die giftig of persistent zijn en stoffen waaruit dergelijke verbindingen in het water kunnen ontstaan, met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die in het water snel worden omgezet in onschadelijke stoffen;
  35. e)anorganische fosforverbindingen en elementair fosfor;
  36. f)fluoriden;
  37. g)ammoniak en nitrieten. Art. R. 176. Deze afdeling is niet van toepassing op : 1° lozingen van huishoudelijk afvalwater van alleenstaande woningen die niet zijn aangesloten op een collectief rioleringssysteem en gelegen zijn buiten de voorkomings en toezichtsgebieden die door de regering zijn omschreven overeenkomstig het decreetgevende deel;2° lozingen ten aanzien waarvan door de Minister wordt geconstateerd dat zij stoffen bedoeld in artikel 175, 1° of 2°, in zulk een geringe hoeveelheid en concentratie bevatten, dat elk gevaar voor een verslechtering van de kwaliteit van het ontvangen grondwater nu of in de toekomst is uitgesloten;3° lozingen van radioactieve stoffen. Art. R. 177. Elke directe lozing van de in artikel 175, 1 vermelde stoffen is verboden. Art. R. 178. § 1. Onverminderd de toepassing van andere wetgevingen worden de handelingen waarbij de in artikel 175, 1° bedoelde stoffen verwijderd worden of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die indirecte lozing tot gevolg zouden kunnen hebben, onderworpen aan de milieuvergunning. Aan de hand van de resultaten van een voorafgaand onderzoek worden de handelingen verboden of wordt de milieuvergunning afgegeven mits alle technische voorzorgsmaatregelen die nodig zijn om die lozing te verhinderen in acht worden genomen. § 2. Als uit een voorafgaand onderzoek evenwel blijkt dat het grondwater waarin de lozing van in artikel 175, 1°, bedoelde stoffen wordt overwogen, blijvend ongeschikt is voor enig ander gebruik, met name voor gebruik in de huishouding of in de landbouw, mag de bevoegde overheid het lozen van deze stoffen toestaan op voorwaarde dat de aanwezigheid van die stoffen het benutten van bodemschatten niet hindert Deze milieuvergunningen mogen slechts worden afgegeven indien alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze stoffen geen andere aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere ecosystemen. § 3. De bevoegde overheidmag na een voorafgaand onderzoek een vergunning verlenen voor lozingen waarbij water dat voor geothermische doeleinden is gebruikt of voor het drooghouden van mijnen en steengroeven dan wel tijdens weg- en waterbouwkundige werken is opgepompt, naar dezelfde laag wordt teruggevoerd. Art. R. 179. Onverminderd de toepassing van andere wetgevingen worden elke directe lozing van de in artikel 175, 2°, bedoelde stoffen, alsmede de handelingen waarbij die stoffen verwijderd worden of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die een indirecte lozing tot gevolg kunnen hebben, onderworpen aan een milieuvergunning. Aan de hand van de resultaten van een voorafgaand onderzoek mag de bevoegde overheid de vergunning afgeven mits alle vereiste technische voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van verontreiniging van het grondwater door die stoffen in acht worden genomen. Art. R. 180. De in de artikelen 178 en 179 bedoelde voorafgaande onderzoeken moeten een studie omvatten van de hydrogeologische omstandigheden in het betrokken gebied, van het eventuele zuiveringsvermogen van bodem en ondergrond en van de gevaren van verontreiniging en van verandering van de grondwaterkwaliteit door de lozing en moet erop gericht zijn vast te stellen of lozing in het grondwater vanuit het milieuoogpunt een adequate oplossing vormt. Art. R. 181. De in de artikelen 178 en 179 bedoelde milieuvergunningen mogen pas door de bevoegde overheid worden afgegeven wanneer hij zich ervan heeft vergewist dat het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, onder controle staat. Art. R. 182. Wanneer een directe lozing overeenkomstig artikel 178, §§ 2 en 3, of artikel 179 wordt toegestaan of wanneer een lozing van afvalwater die onvermijdelijk een indirecte lozing tot gevolg heeft, overeenkomstig artikel 179 wordt toegestaan, wordt in de milieuvergunning met name het volgende bepaald : 1° de plaats van de lozing;2° de lozingsmethode;3° de vereiste voorzorgsmaatregelen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de aard en de concentratie van de in de te lozen materie aanwezige stoffen en met de kenmerken van het ontvangende milieu, alsmede met de nabijheid van waterwingebieden, vooral voor drink-, thermaal- en mineraalwater;4° de maximaal toelaatbare hoeveelheid van een bepaalde stof in de te lozen materie gedurende één of meer vastgestelde periodes en passende voorwaarden voor de concentratie van deze stof;5° voorzieningen die de controle mogelijk maken op de materie die in het grondwater wordt geloosd;6° indien nodig, maatregelen waarmee het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, kan worden gecontroleerd. Art. R. 183. Wanneer een handeling waarbij stoffen verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die een indirecte lozing tot gevolg kan hebben, overeenkomstig de artikelen 178 en 179 wordt toegestaan, wordt in de milieuvergunning met name het volgende bepaald : 1° de plaats waar die handeling wordt verricht;2° de voor het verwijderen of storten gebruikte methoden;3° de vereiste voorzorgsmaatregelen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de aard en de concentratie van de in de te verwijderen of te storten materie aanwezige stoffen en met de kenmerken van het ontvangende milieu, alsmede met de nabijheid van waterwingebieden, vooral voor drink-, thermaal- en mineraalwater;4° de maximaal gedurende één of meer vastgestelde perioden toelaatbare hoeveelheid van de materie die stoffen vermeld in artikel 175, 1° of 2° bevat en, indien mogelijk, de maximaal toelaatbare hoeveelheid van deze stoffen zelf, die mogen worden verwijderd of gestort, alsmede passende voorwaarden voor de concentratie van deze stoffen;5° in de in artikel 178, § 1 en in artikel 179, lid 1, bedoelde gevallen, de technische voorzorgsmaatregelen die moeten worden getroffen om elke lozing van stoffen van artikel 175, 1°, in het grondwater te verhinderen of elke verontreiniging van dit water door stoffen van artikel 2, 2°, te voorkomen;6° indien nodig, maatregelen waarmee het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, kan worden gecontroleerd. Art. R. 184 De in de artikelen 178 en 179 bedoelde milieuvergunningen mogen slechts worden verleend voor een periode van maximum vier jaar. Art. R. 185. Het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, Afdeling Water, gaat de gevolgen van de lozingen voor het grondwater na. Art. R. 186. In geval van lozingen in het grondwater van een ander gewest of land brengt de bevoegde overheid voor die lozingen eventueel te machtigen, de betrokken overheid van het naburige gewest of land op de hoogte. Op verzoek van de overheid wordt voor de afgifte van de milieuvergunning overleg gepleegd. Art. R. 187. De toepassing van deze afdeling mag in geen geval leiden tot directe of indirecte verontreiniging van het grondwater. HOOFDSTUK IV. - Duurzaam beheer van stikstof in de landbouw Afdeling I. - Begripsomschrijvingen en doelstellingen Art. R. 188. Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient te worden verstaan onder : 1° « landbouwer » : de natuurlijke of rechtspersoon die als hoofd-, gedeeltelijke of bijkomende activiteit land-, tuinbouw of veeteelt bedrijft in het Waalse Gewest, die in die hoedanigheid over een producentennummer en een BTW-nummer beschikt en die onderworpen is aan een social verzekeringsfonds;2° « Landbouwbestuur » : het Directoraat-generaal Landbouw van het Ministerie van het Waalse Gewest;3° « jaar » : het kalenderjaar;4° « uitgevoerde organische stikstof » : de organische stikstof die door het vee van het landbouwbedrijf wordt voortgebracht en die over één jaar het bedrijf verlaat door middel van een transactie die gedekt wordt door een valoriseringscontract;5° « ingevoerde organische stikstof » : de organische stikstof die niet voortgebracht wordt door het bedrijf en die over één jaar in het bedrijf binnengebracht wordt in de vorm van een organische meststof, met inbegrip van de uitwerpselen op het weideland van bedrijfsvreemd vee dat aanwezig is op de weiden van het bedrijf (inzonderheid de dieren die in een pension zijn ondergebracht en de contracten voor de verkoop van gras);6° « voortgebrachte organische stikstof » : de organische stikstof die over één jaar voortgebracht wordt door het vee op het landbouwb

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.