← België

Koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit regelt de plaatsing van overheidsopdrachten in de klassieke sectoren in België, ter uitvoering van de wet van 17 juni 2016 en ter omzetting van de Europese richtlijn 2014/24/EU. Het vervangt en moderniseert eerdere regelgeving, met aandacht voor elektronische communicatie en nieuwe procedures.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

Wettekst

18 APRIL 2017. - Koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren VERSLAG AAN DE KONING Sire, De wet overheidsopdrachten van 17 juni 2016, hierna "de wet" genoemd, heeft tot doel de nieuwe richtlijn 2014/24/EU om te zetten in Belgisch recht in de klassieke sectoren. Dit ontwerp van koninklijk besluit zorgt voor de uitvoering van de titel 2 van de wet en bevat eveneens de inwerkingtredingsbepalingen, voornamelijk voor de opdrachten in de klassieke sectoren. Het beoogt een vrij ingrijpende omvorming van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011. Bovendien zullen de uitvoeringsregels voor de concessieovereenkomsten voortaan in een afzonderlijk koninklijk besluit opgenomen worden, ter uitvoering van de wet van 17 juni 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021053 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten type wet prom. 17/06/2016 pub. 14/07/2016 numac 2016021052 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de concessieovereenkomsten sluiten inzake de concessieovereenkomsten. Het voorliggende ontwerp omvat onder meer een reeks nieuwe bepalingen op het vlak van elektronische communicatiemiddelen, procedures, enz. Zoals dit reeds het geval was in de nieuwe wetten inzake de overheidsopdrachten en inzake de concessieovereenkomsten, werd de nieuwe terminologie van de Europese richtlijnen inzake benaming van de procedures in onderhavig ontwerp eveneens geëerbiedigd. Tevens zijn een zeker aantal bepalingen overgenomen uit het bovenvermeld koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Andere bepalingen uit dit besluit komen dan weer niet meer voor in dit ontwerp omdat ze voortaan in de voormelde wetten zijn opgenomen. Bovendien voorziet dit ontwerp in bepalingen voor de opdrachten van beperkte waarde en voor bepaalde opdrachten tot aanstelling van advocaten. Ten slotte is rekening gehouden met de opmerkingen in het advies 60.903/1 van de Raad van State, gegeven op 13 maart 2017, tenzij anders is bepaald in de commentaar. TITEL 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Definities, belasting over de toegevoegde waarde en toepassingsgebied Afdeling 1. - Voorafgaande bepaling Artikel 1.Dit artikel verwijst naar richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG. Het ontwerp voorziet in de gedeeltelijke omzetting van deze richtlijn. Afdeling 2. - Definities Art. 2.In deze bepaling worden de definities samengebracht. Deze definities kwamen voor het grootste deel reeds voor in het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. De definitie van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met bekendmaking werd overgebracht naar de wet inzake overheidsopdrachten onder de nieuwe benaming "vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking". Ook de definities van "variante", "technische specificatie", "norm", "gemeenschappelijke technische specificatie" en "technisch referentiekader" werden verplaatst naar voormelde wet. In de punten 9° tot 13° werden vijf nieuwe definities toegevoegd. Het punt 9° verwijst naar de gekwalificeerde elektronische handtekening zoals gedefinieerd in Verordening nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG. Voor een definitie van de geavanceerde elektronische handtekening wordt verwezen naar dezelfde verordening. Punt 10° definieert het begrip "indieningsrapport". Deze definitie is noodzakelijk omdat de individuele handtekening van de kandidaat of inschrijver enkel vereist is voor dit indieningsrapport. Punt 11° definieert het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (afgekort het UEA) als bedoeld in de uitvoeringsverordening 2016/7 van de Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Punt 12° definieert het kopersprofiel. Voor nadere toelichting, wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 15. Afdeling 3. - Belasting over de toegevoegde waarde Art. 3.Dit artikel verduidelijkt dat elk bedrag vermeld in dit ontwerp een bedrag zonder belasting over de toegevoegde waarde is, tenzij anders is bepaald. Afdeling 4. - Toepassingsgebied Art. 4.De eerste paragraaf bepaalt dat het toepassingsgebied van dit ontwerp zich beperkt tot de overheidsopdrachten in de klassieke sectoren. De tweede paragraaf is gewijd aan de sociale en andere specifieke diensten en verduidelijkt dat minstens een aantal kernartikelen, die variëren naargelang de door de aanbestedende overheid gekozen procedure, van toepassing zijn op deze diensten. Punt 1° betreft het geval waarin de aanbestedende overheid beslist de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking te gebruiken. In dat geval past de aanbestedende overheid de volgende artikelen toe : - de artikelen 6 en 7 betreffende de raming van het opdrachtbedrag. Opgemerkt wordt dat artikel 7 niet alleen betrekking heeft op diensten. Het is evenwel evident dat enkel de paragrafen betreffende de diensten hier van toepassing zijn, namelijk de §§ 1 tot 6, 8, 10 en 11; - de artikelen 8 tot 10 betreffende de algemene bekendmakingsregels; - artikel 11, 4° betreffende de Europese drempels; - artikel 18 betreffende de Europese bekendmaking; - artikel 24 betreffende de Belgische bekendmaking; - artikel 25 betreffende de prijs; - artikel 38 betreffende het Uniform Europees Aanbestedingsdocument; - artikel 39 betreffende de impliciete verklaring op erewoord; - artikel 40 betreffende de vertegenwoordiger van een combinatie van ondernemingen; - de artikelen 41 tot 47 betreffende de regels die van toepassing zijn op de handtekeningen en op de communicatiemiddelen; - artikel 48 betreffende de opties; - artikel 49 betreffende de percelen; - artikel 50 betreffende de prijskortingen en verbeteringen in het kader van een in percelen verdeelde opdracht; - artikel 54 betreffende de enige offerte; - artikel 57 betreffende de onbeschikbaarheid van de elektronische platformen; - de artikelen 59 en 60 betreffende de algemene bepalingen inzake selectie; - de artikelen 61 tot 64 betreffende de uitsluitingsgronden; - de artikelen 65 tot 70 betreffende de selectiecriteria; - de artikelen 73 en 74 betreffende het beroep op andere entiteiten en op de onderaanneming; - de artikelen 128 en 129. Het punt 2° betreft het geval waarin de aanbestedende overheid beslist de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking te gebruiken. In dat geval past zij mutatis mutandis dezelfde artikelen toe als die vermeld in 1°, met uitzondering van de artikelen 65 tot 72 betreffende de selectiecriteria. Er is tevens een onderscheid voorzien voor de artikelen betreffende de bekendmaking. Het punt 3° betreft het geval waarin de aanbestedende overheid beslist beroep te doen op een procedure sui generis met voorafgaande bekendmaking. In een dergelijk geval past zij, mutatis mutandis, dezelfde artikelen toe als deze bedoeld in 2°. Desalniettemin zijn de artikelen betreffende de bekendmaking specifiek want, in tegenstelling tot de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking (2° ), vergt de sui generis procedure wel degelijk een voorafgaande bekendmaking Het punt 4° betreft het geval waarin de aanbestedende overheid beslist een beroep te doen op een van de plaatsingsprocedures of aankooptechnieken bedoeld in titel 2, hoofdstukken 2 en 3 van de wet. In dat geval dient de aanbestedende overheid de artikelen na te leven die van toepassing zijn op de plaatsingsprocedure of aankooptechniek waarop zij een beroep doet. Volgens het derde lid kan de aanbestedende overheid andere bepalingen dan die bedoeld in dit ontwerp toepasselijk maken op de sociale en andere specifieke diensten. Daartoe vermeldt de aanbestedende overheid in de opdrachtdocumenten welke bijkomende artikelen zij wenst toe te passen. De derde paragraaf heeft betrekking de overheidsopdrachten van beperkte waarde (of ook opdrachten die geplaatst worden via aanvaarde factuur genaamd) en verduidelijkt dat enkel de artikelen 6, 7 en 124 van dit besluit hier van toepassing zijn. Zijn echter eveneens van toepassing het gelijkheidsbeginsel, het niet-discriminatiebeginsel, transparantiebeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het forfait, enz, overeenkomstig artikel 92 van de wet. De vierde paragraaf verduidelijkt welke artikelen van toepassing op de in artikel 28, § 1, 4°,

  1. a)en b), van de wet bedoelde opdrachten tot aanstelling van een advocaat in het kader van een vertegenwoordiging in rechte of ter voorbereiding van een procedure in rechte. Art. 5.Deze bepaling neemt artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011 over. De tweede paragraaf van het voormelde artikel 4 werd overgebracht naar artikel 18 van de wet. HOOFDSTUK 2. - Raming van het opdrachtbedrag Art. 6.Dit artikel neemt artikel 28 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 ongewijzigd over. Art. 7.Dit artikel neemt quasi ongewijzigd de bepalingen van de artikelen 24 tot 27 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 en artikel 5 van richtlijn 2014/24/EU over. Paragraaf 1 bevat de regel volgens dewelke de berekening van de geraamde waarde van de opdracht gebaseerd is op het totaal te betalen bedrag, zonder belasting over de toegevoegde waarde, zoals geraamd door de aanbestedende overheid, met inbegrip van alle vereiste of toegestane opties, alle percelen, alle herhalingen, alle vaste en voorwaardelijke gedeelten van de opdracht, alle premies of betalingen waarin de aanbestedende overheid voorziet ten voordele van de kandidaten, deelnemers of inschrijvers, de herzieningsbepalingen en de verlengingen. Voor zover nuttig wordt er aan herinnerd dat, wanneer een opdracht in percelen verdeeld is, de berekening van de totale geraamde waarde het geheel van de percelen moet omvatten. Paragraaf 2 verduidelijkt dat wanneer en aanbestedende overheid samengesteld is uit onderscheiden operationele eenheden, het noodzakelijk is de totale geraamde waarde van alle operationele eenheden in aanmerking te nemen. Het tweede lid bevat evenwel een uitzondering op dit principe. Het kan bijvoorbeeld gerechtvaardigd zijn de waarde van een opdracht te ramen op het niveau van een afzonderlijke operationele eenheid van de aanbestedende overheid, mits die eenheid zelf verantwoordelijk is voor haar opdrachten. Dit mag worden verondersteld indien de afzonderlijke operationele eenheid de plaatsingsprocedures leidt en zelf de aankoop-beslissingen neemt, over een eigen budgetlijn beschikt voor de betrokken opdrachten, haar opdrachten autonoom sluit en dat bekostigt uit een budget waarover zij beschikt. Een onderverdeling is niet gerechtvaardigd wanneer de aanbestedende overheid de plaatsing van een opdracht alleen maar decentraal organiseert. Voorbeelden van afzonderlijke operationele eenheden zijn de afzonderlijke territoriale afdelingen van het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV), die zelf verantwoordelijk zijn voor de plaatsing van hun overheidsopdrachten. Paragraaf 3 herinnert aan het principe volgens hetwelk geen enkele opdracht mag gesplitst worden om deze aan de bekendmakingsregels te onttrekken. De laatste woorden van deze paragraaf wijzen erop dat, indien objectieve redenen dit rechtvaardigen, de raming van de waarde van een opdracht gebaseerd mag zijn op een onderdeel ervan. Paragraaf 4 verduidelijkt op welk tijdstip de raming moet plaatsvinden : dit moet gebeuren op het tijdstip waarop de aankondiging wordt verzonden, of, wanneer deze aankondiging niet vereist is, op het tijdstip waarop de procedure wordt aangevat, bijvoorbeeld op het ogenblik van de verzending van de opdrachtdocumenten. Paragraaf 5 bepaalt dat alle voorgenomen opdrachten tijdens de totale duur van een raamovereenkomst of van een dynamisch aankoopsysteem in aanmerking moeten worden genomen. Paragraaf 6 bevat een nieuwe verduidelijking. Hij verwijst immers naar de nieuwe procedure van het innovatiepartnerschap en bepaalt dat de waarde die in aanmerking genomen moet worden de geraamde maximale waarde is, zonder belasting over de toegevoegde waarde, van de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten die zullen plaatsvinden tijdens de verschillende fasen van het partnerschap, alsook van de leveringen, diensten of werken die zullen worden ontwikkeld en verworven. Paragraaf 7 bevat de na te leven regels inzake overheidsopdrachten voor werken. Artikel 25 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 voorzag reeds in een gelijkaardige bepaling, die echter beperkt was tot het in aanmerking nemen van de leveringen die nodig zijn voor de uitvoering van de werken en die de aanbestedende overheid ter beschikking stelt van de opdrachtnemer. Deze nieuwigheid moet evenwel worden gerelativeerd. In het koninklijk besluit van 16 juli 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten1 plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren is immers reeds een gelijkaardige bepaling opgenomen die ook betrekking heeft op de diensten die nodig zijn voor de uitvoering van de werken. Zo bevat de tekst drie verduidelijkingen voor de berekening van de geraamde waarde van een opdracht voor werken : 1° enerzijds moet rekening worden gehouden met alle geplande werken;2° anderzijds moet ook rekening worden gehouden met de geraamde waarde van leveringen of diensten die nodig zijn voor de uitvoering van de werken en die de aanbestedende overheid ter beschikking stelt van de aannemer.Voorbeeld : het ter beschikking stellen van een partij straatstenen of andere materialen; 3° de leveringen of diensten die niet nodig zijn voor de uitvoering van een opdracht voor werken mogen niet worden toegevoegd. Paragraaf 8 neemt artikel 5.11 van richtlijn 2014/24/EU over. Deze tekst stond reeds in richtlijn 2004/18/EG maar werd niet volledig overgenomen in het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Er werd immers beslist om slechts voor één van beide berekeningsmethodes te opteren die voor dit soort opdrachten bestaan, namelijk de strengste berekeningsmethode. Voortaan heeft de aanbestedende overheid de keuze tussen beide in de richtlijn vermelde berekeningsmethodes, wat haar meer vrijheid biedt. Bovendien is dit ontwerp nu volkomen in overeenstemming met de richtlijn op dit punt. Paragraaf 9 neemt artikel 26, tweede lid, van voormeld besluit over dat evenwel licht wordt aangepast om nauwer aan te sluiten bij richtlijn 2014/24/EU. Paragraaf 10 neemt artikel 27, § 1, van voormeld besluit over dat evenwel licht wordt aangepast om nauwer aan te sluiten bij voormelde richtlijn. Paragraaf 11 neemt artikel 27, § 2, van voormeld besluit over dat evenwel licht wordt aangepast om nauwer aan te sluiten bij voormelde richtlijn. HOOFDSTUK 3. - Bekendmaking Afdeling 1. - Algemene bekendmakingsregels Art. 8.Dit artikel stemt overeen met artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Volgens paragraaf 1 worden de aankondigingen van opdrachten onderworpen aan de Europese bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen bekendgemaakt. De aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen moet inhoudelijk overeen-stemmen met die bestemd voor het Publicatieblad en mag niet worden bekendgemaakt vóór de bekendmaking van de aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie. Opgemerkt wordt dat het tijdstip van bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen werd gewijzigd conform de richtlijn. Vroeger mocht de bekendmaking niet plaatsvinden vóór de datum waarop de aankondiging naar het Bureau voor Publicaties van de Europese Unie werd verzonden. Voortaan mag de aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen worden bekendgemaakt indien de aanbestedende overheid niet geïnformeerd werd over de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie binnen twee dagen na bevestiging van de ontvangst van de aankondiging. Voor de opdrachten die enkel onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking, moet deze laatste gebeuren in het Bullletin der Aanbestedingen. Zelfs al is dit niet nodig, toch kan de aanbestedende overheid haar opdracht niettemin eveneens bekendmaken in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het is van belang er aan te herinneren dat, indien een aanbestedende overheid beslist haar opdracht op Europees niveau bekend te maken terwijl ze daar niet toe verplicht is, deze laatste enkel de regels inzake Europese bekendmaking moet eerbiedigen (hoofdstuk 3, afdeling 3), en geenszins de overige regels voorzien voor de opdrachten waarvan het geraamde bedrag gelijk is aan of hoger dan de Europese drempels. Deze aanbestedende overheid behoudt bijgevolg de in artikel 67, § 1, lid 6, van de wet bedoelde mogelijkheid de afwezigheid van verplichte uitsluitingsgronden niet na te zien in hoofde van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de kandidaat of inschrijver. Paragraaf 2 wijst erop dat enkel de aankondiging bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en/of in het Bulletin der Aanbestedingen als officiële bekendmaking geldt. Volgens deze bepaling is het ook verboden om de informatie vervat in de aankondiging bekend te maken of te verspreiden vóór de bekendmaking van de aankondiging, al naargelang, in het Publicatieblad van de Europese Unie en/of in het Bulletin der Aanbestedingen. Tot slot wordt verduidelijkt dat de inhoud van de niet-officiële bekendmaking niet mag verschillen van die van de officiële bekendmaking, zodat het niet toegestaan is om langs die weg bijkomende informatie mee te delen. De aanbestedende overheid moet er zich bovendien van vergewissen dat de effectieve bekendmaking van de aankondiging gebeurt vooraleer zij deze in een niet - officiële publicatie doet. Opgemerkt wordt dat dit lid uitgaat van een nieuw vertrekpunt van de termijn. Het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 bepaalt immers dat geen andere bekendmaking mag plaatsvinden vóór de verzendingsdatum van de aankondiging voor bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen. Voortaan mag evenwel geen andere bekendmaking plaatsvinden vóór de bekendmaking van de aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het Bulletin der Aanbestedingen. Volgens paragraaf 3 moeten de vooraankondiging, de aankondiging van opdracht en de aankondiging van gegunde opdracht worden opgesteld in de vorm van standaardformulieren, die aangemaakt worden door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning. Deze formulieren zijn thans opgesteld op basis van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986 van de Commissie van 11 november 2015 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011. De paragraaf 4 is een nieuwe bepaling, die verplicht tot het gebruik van elektronische communicatiemiddelen voor wat betreft de bekendmakingen. Terzake is geen enkele overgangsmaatregel voorzien. Art. 9.Het eerste lid van dit artikel neemt artikel 30 van het besluit van 15 juli 2011 over. Voortaan mag de aanbestedende overheid geen volledig nieuwe aankondiging meer bekendmaken wanneer zij een officiële bekendmaking wenst te verbeteren of aan te vullen. Enkel de bekendmaking van een rechtzettingsbericht is toegestaan. Voor zover nodig wordt eraan herinnerd dat, conform artikel 59 van de wet, de aanbestedende overheid rekening moet houden met de complexiteit van de opdracht en de ondernemers de tijd moet laten die nodig is voor de voorbereiding van hun offertes, onverminderd de in de wet vastgestelde minimumtermijnen. Het tweede en derde lid bevatten een verplichting tot verdaging wanneer een rechtszettingsbericht wordt gepubliceerd net vóór de uiterste datum. Dit geeft de economische operatoren de mogelijkheid om hun aanvragen tot deelneming of offertes nog aan te passen. Voor de opdrachten die de drempel voor de Europese bekendmaking bereiken wordt een onderscheid gemaakt tussen de hypothese waarbij het rechtzettingsbericht wordt gepubliceerd tussen de zevende kalenderdag en de tweede kalenderdag vóór de uiterste datum enerzijds (dus op de derde, vierde, vijfde of zesde kalenderdag voorafgaand aan uiterste datum) en de hypothese waarbij het rechtzettingsbericht wordt gepubliceerd in de laatste twee kalenderdagen anderzijds (dus de uiterste datum van ontvangst, de dag voorafgaand aan deze datum en de tweede dag voorafgaand aan de uiterste datum). In het eerste geval moet worden verdaagd met minstens zes kalenderdagen. In het tweede geval met minstens acht kalenderdagen. Dit onderscheid is te wijten aan het feit dat rechtszettingsberichten niet onmiddellijk zichtbaar zijn voor de economische operatoren, dit in uitvoering van artikel 8, § 1, tweede lid, van dit ontwerp. Aangezien deze bepaling alleen van toepassing is op de opdrachten waarvan de geraamde waarde de drempel voor de Europese bekendmaking bereikt, werden twee afzonderlijke leden gecreëerd. Voor de opdrachten die de drempel voor de Europese bekendmaking niet bereiken moet in beide voormelde hypothesen worden verdaagd met minstens zes kalenderdagen. Wanneer een rechtzettingsbericht wordt gepubliceerd in de zes kalenderdagen voor de uiterste datum van ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offerte (dus op de eerste, tweede, derde, vierde, vijfde of zesde kalenderdag voorafgaand aan uiterste datum), moet worden verdaagd met minstens zes kalenderdagen. Voor wat kan dienen wordt erop gewezen dat ingevolge het gebruik van het woord "tussen" in het tweede lid (tussen de zevende en de tweede dag vóórde uiterste datum), uit de aard der zaak noch de tweede dag, noch de zesde dag voorafgaand aan de uiterste datum omvat. Zodoende wordt er met ten minste acht kalenderdagen verdaagd, in de hypothese waarbij een rechtzettingsbericht wordt gepubliceerd de tweede kalenderdag voor de voormelde uiterste datum. De berekeningswijze van artikel 9 is niet verenigbaar met verordening nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971. Immers moet ook worden gerekend in dagen vóór de uiterste datum van ontvangst van de aanvragen tot deelneming of de offertes. Artikel 3.4 van de voormelde verordening bepaalt bijvoorbeeld dat, indien de laatste dag een feestdag, zondag of zaterdag is, dan de termijn afloopt bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag. De draagwijdte van de in de vorige zin vermelde woorden is onduidelijk indien naar vóór wordt gerekend. Het werd daarom aangewezen geacht om te rekenen in kalenderdagen, en dit voor alle berekeningswijzen in artikel 9 (zowel naar voor als naar achter). Twee berekeningswijzen invoeren in één en hetzelfde artikel werd als te ingewikkeld ervaren. Artikel 167 van de wet laat toe dat afgeweken wordt van verordening nr. 1182/71. De betreffende berekeningen kaderen in een artikel dat niet terug te vinden is in richtlijn 2014/24/EU. Art. 10.Dit artikel stemt overeen met artikel 31 van het besluit van 15 juli 2011. Afdeling 2 - Europese drempels Art. 11.Dit artikel stemt overeen met artikel 32 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 en met artikel 4 van richtlijn 2014/24/EU. De eerste drie drempelbedragen vermeld in artikel 4 van de richtlijn werden evenwel gewijzigd door de gedelegeerde verordening (EU) 2015/2170 van de Commissie van 24 november 2015 tot wijziging van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de toepassingsdrempels inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten, met ingang op 1 januari 2016. Dit artikel vermeldt de Europese drempelbedragen. Voor opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger dan de in dit artikel vermelde drempels, geldt de Europese bekendmaking. Opgemerkt wordt dat, overeenkomstig artikel 3, de belasting over de toegevoegde waarde niet begrepen is in deze bedragen. De drempelbedragen zijn de volgende : 1° 5.225.000 euro voor opdrachten voor werken, en dit ongeacht de aanbestedende overheid die de opdracht plaatst; 2° 135.000 euro voor overheidsopdrachten voor leveringen en diensten geplaatst door de federale aanbestedende overheden bedoeld in bijlage 2, deel A, en voor de door hen georganiseerde prijsvragen. Voor overheidsopdrachten voor leveringen geplaatst door federale aanbestedende overheden die werkzaam zijn op het gebied van defensie geldt de drempel van 135.000 euro enkel voor de in bijlage 2, deel B, vermelde producten. 3° 209.000 euro voor overheidsopdrachten voor leveringen en diensten die door niet in 2° bedoelde aanbestedende overheden worden geplaatst en voor de door hen georganiseerde prijsvragen. Voor overheidsopdrachten voor leveringen geplaatst door federale aanbestedende overheden die werkzaam zijn op het gebied van defensie geldt deze drempel wanneer hun opdrachten betrekking hebben op niet in bijlage 2, deel B, vermelde producten. 4° 750.000 euro voor de opdrachten die sociale en andere specifieke diensten tot voorwerp hebben. Opgemerkt wordt dat de Europese regelgever beslist heeft om geen onderscheid meer te maken tussen de zogenaamde prioritaire en niet-prioritaire diensten, zoals vroeger in de bijlagen II.A en II.B van richtlijn 2004/18/EG. Voortaan zijn de sociale en andere specifieke diensten onderworpen aan een specifieke regeling omdat ze, vanwege hun aard, een beperkte grensoverschrijdende dimensie behouden. Bijgevolg geldt voor deze diensten een drempel van 750.000 euro, die hoger is dan die welke op andere diensten toepasselijk is. Er wordt aan herinnerd dat de Europese Commissie de Europese drempelbedragen (met uitzondering van de vaste drempel van 750.000 euro) kan herzien overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 2014/24/EU. Daarom is de bevoegde minister belast met de aanpassing van de betreffende bedragen naargelang de door de Europese Commissie verrichte herzieningen. Art. 12.Dit artikel stemt overeen met artikel 33 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0, alsook met artikel 5.10 van richtlijn 2014/24/EU. Onder homogene leveringen moeten leveringen worden verstaan van dezelfde aard en met dezelfde of een vergelijkbare bestemming : bijvoorbeeld fotokopieerpapier ongeacht het vereiste formaat, kantoormeubelen die een harmonisch geheel moeten vormen of nog voedingsmiddelen van een bepaald assortiment. In dat geval moeten de bedragen van alle percelen worden samengevoegd teneinde te bepalen of de Europese drempel is bereikt. Als dat zo is, zijn alle percelen onderworpen aan de Europese bekendmaking. De aanbestedende overheid kan nochtans gebruik maken van de in dit artikel vermelde mogelijk-heid om percelen waarvan het individuele bedrag kleiner is dan 1.000.000 euro voor werken en 80.000 euro voor diensten en voor homogene leveringen aan de Europese bekendmaking te onttrekken. Hiervoor geldt evenwel als voorwaarde dat het samengevoegde bedrag van de onttrokken percelen niet meer bedraagt dan twintig procent van het bedrag van het geheel van alle percelen. Een dergelijke bepaling maakt het mogelijk deze percelen met een beperkte waarde enkel op nationaal niveau bekend te maken, daar deze immers vooral interessant zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen. De waarde van deze percelen wordt niettemin in aanmerking genomen voor de raming van de opdracht overeenkomstig de artikel 7. Een voorbeeld zou kunnen zijn, een bouwwerk met een geraamd bedrag van 5,5 miljoen euro en verdeeld in vier percelen van respectievelijk : - perceel "ruwbouw" = 4 miljoen euro - perceel "speciale technieken" = 0,7 miljoen euro - perceel "schrijnwerk" = 0,5 miljoen euro - perceel "afwerking" = 0,3 miljoen euro. De aanbestedende overheid mag de percelen « speciale technieken » en « schrijnwerk » niet onttrekken aan de Europese bekendmaking. Alhoewel de individuele waarde van deze verschillende percelen inderdaad minder bedraagt dan 1 miljoen euro, is hun samengevoegd bedrag evenwel hoger dan 20 procent van het opdrachtbedrag, d.w.z. 1,1 miljoen euro. De percelen "schrijnwerk" en "afwerking" kunnen daarentegen wel aan de Europese bekendmaking worden onttrokken, omdat de individuele waarde van deze verschillende percelen minder bedraagt dan 1 miljoen euro en hun samengevoegd bedrag lager is dan 20 procent van het opdrachtbedrag, d.w.z. 1,1 miljoen euro. Hetzelfde zou gelden voor het perceel "speciale technieken". In deze gevallen dienen de andere percelen vanzelfsprekend te worden bekendgemaakt op Europees niveau, zelfs indien de totale waarde van die percelen de Europese drempel niet bereikt. In het eerst geciteerde voorbeeld vertegenwoordigen de percelen "ruwbouw" en "speciale technieken" slechts een bedrag van 4,7 miljoen euro. Niettemin moeten ze worden bekendgemaakt omdat rekening moet worden gehouden met de geraamde waarde van de onttrokken percelen bij het bepalen van de globale waarde van de opdracht (rekening houdend met de huidige Europese drempel van 5.225.000 euro). Afdeling 3. - Europese bekendmaking Art. 13.Dit artikel stemt overeen met artikel 34 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Het bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op de overheidsopdrachten die de Europese drempels bereiken. De voorwaarde dat de opdrachten onderworpen moeten zijn aan de Europese bekendmaking, zoals vermeld in het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0, werd geschrapt. Ze had tot doel de opdrachten uit te sluiten die onderworpen waren aan de wet maar niet aan de Europese bekendmaking, zoals sommige opdrachten die geheim waren verklaard of waarvan de uitvoering gepaard diende te gaan met bijzondere veiligheidsmaatregelen. Deze voorwaarde werd overbodig geacht, aangezien deze opdrachten voortaan niet meer onderworpen zijn aan de wet inzake de overheidsopdrachten, maar wel aan de wet van 13 augustus 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/08/2011 pub. 27/07/2012 numac 2012000427 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied. - Duitse vertaling type wet prom. 13/08/2011 pub. 01/02/2012 numac 2011021082 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied sluiten inzake de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied. Tot slot dient te worden vermeld dat een specifiek artikel, namelijk artikel 18, gewijd is aan de sociale en andere specifieke diensten. Onderafdeling 1. - Algemene regels Art. 14.Dit artikel neemt artikel 35 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 ongewijzigd over. Het somt de aankondigingen op die gebruikt worden voor de Europese bekendmaking, namelijk de aankondiging van de opdracht, de aankondiging van gegunde opdracht en eventueel de vooraankondiging. Art. 15.Dit artikel neemt de regels over die toepasselijk zijn inzake de bekendmaking van een vooraankondiging. De eerste paragraaf is nieuw. Het stemt overeen met artikel 48.1 van richtlijn 2014/24/EU. Deze bepaling verduidelijkt de inhoud van de vooraankondiging en de bekendmakingsregels ervan. De aanbestedende overheid moet deze vooraankondiging bekendmaken bij het Bulletin der Aanbestedingen en bij het Publicatieblad van de Europese Unie of, en dat is nieuw, via haar kopersprofiel. Het kopersprofiel wordt gedefinieerd in artikel 2, 12°. Het gaat dus verder dan een gewone website van een aanbestedende overheid. Het moet immers in staat zijn om vooraankondigingen en opdrachtdocumenten online te plaatsen, elektronische kandidaturen en offertes te ontvangen op veilige en vertrouwelijke wijze en de informatie-uitwisseling tussen aanbestedende overheid en ondernemers te beheren. Opgemerkt wordt dat de aanbestedende overheid intern de nodige softwaretoepassing kan ontwikkelen of deze kan aankopen of huren bij een externe dienstverlener die een gezamenlijk platform aanbiedt. Het eerste lid van de tweede paragraaf stemt overeen met artikel 36, § 1, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Het bepaalt dat de bekendmaking van een dergelijke vooraankondiging slechts verplicht is wanneer de aanbestedende overheid de termijn voor de ontvangst van de offertes wil inkorten. Indien dit niet in haar bedoeling ligt, kan de aanbestedende overheid beslissen om een dergelijke aankondiging niet te publiceren, maar in dat geval zal zij niet genieten van de inkorting van de termijnen die met deze publicatie gepaard gaat. Het tweede lid van de tweede paragraaf stemt overeen met artikel 36, § 2, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Alhoewel deze bepaling niet meer opgenomen is in richtlijn 2014/24/EU, werd beslist deze te behouden om redenen van goed beheer. Dit lid bepaalt immers dat een vooraankondiging zo spoedig mogelijk moet worden bekendgemaakt bij het begin van het begrotingsjaar of, voor werken, nadat de beslissing is genomen tot goedkeuring van het programma waarin de werken of de raamovereenkomsten zijn opgenomen. De bekendmaking van een vooraankondiging zorgt er immers voor dat de ondernemers zich kunnen voorbereiden op de deelname aan de aldus aangekondigde procedures en dat de aanbestedende overheden voordeel kunnen halen uit een eventuele verruiming van de mededinging. Opgelet : deze bepaling belet evenwel niet dat later in de loop van het begrotingsjaar een bekendmaking kan plaatsvinden indien, bijvoorbeeld, nieuwe opdrachten worden uitgeschreven. Art. 16.Dit artikel stemt overeen met artikel 37 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. De tekst werd evenwel gewijzigd, rekening houdend met het feit dat de Europese regelgever beslist heeft om geen onderscheid meer te maken tussen de prioritaire en niet-prioritaire diensten, zoals in de bijlagen II.A en II.B van richtlijn 2004/18/EG. Volgens dit artikel moet elke opdracht het voorwerp uitmaken van een aankondiging van opdracht. Art. 17.Dit artikel stemt overeen met artikel 38 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Volgens dit artikel moet elke opdracht het voorwerp uitmaken van een aankondiging van gegunde opdracht en dit ongeacht de gebruikte procedure. Dit artikel verwijst ook naar de inhoud van de aankondiging van gegunde opdracht die opgenomen is in bijlage 5. Voor zover dit nuttig kan zijn, wordt ook nog aangestipt dat een aanbestedende overheid die tussenkomt als aankoopcentrale alleen verantwoordelijk is voor de gegroepeerde bekendmaking van een aankondiging van gunning in het kader van een dynamisch aankoopsysteem. Onderafdeling 2. - Sociale en andere specifieke diensten Art. 18.Dit artikel is nieuw en handelt over de sociale en andere specifieke diensten. Het vervolledigt artikel 90 van de wet en verduidelijkt welke aankondigingen kunnen gebruikt worden door de aanbestedende overheid. Afdeling 4. - Belgische bekendmaking Art. 19.Dit artikel stemt overeen met artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Het leidt afdeling 4 in die de na te leven bekendmakingsregels bevat voor de opdrachten die enkel onderworpen zijn aan de Belgische bekendmaking, met uitzondering van de sociale en andere specifieke diensten die geregeld worden in artikel 24. Onderafdeling 1. - Algemene regels Art. 20.Dit artikel somt de aankondigingen op die gebruikt worden voor de Belgische bekendmaking, namelijk de aankondiging van opdracht en, in voorkomend geval, de vooraan-kondiging. De aankondiging van gegunde opdracht is niet verplicht voor opdrachten waarvan het geraamde bedrag lager is dan de Europese drempels. Art. 21.Dit artikel is een nieuwe bepaling. Het staat de aanbestedende overheden toe gebruik te maken van een vooraankondiging om hun intenties kenbaar te maken inzake het plaatsen van opdrachten. Het eerste lid bepaalt de inhoud van de vooraankondiging en de bekendmakingsregels ervan. Het tweede lid, naar analogie met het tweede paragraaf, eerste lid, van artikel 15, bepaalt dat de bekendmaking van een dergelijke aankondiging slechts verplicht is wanneer de aanbestedende overheid de termijn voor de ontvangst van de offertes wil inkorten. Indien dit niet in haar bedoeling ligt, kan zij beslissen geen dergelijke aankondiging te publiceren, maar laat deze geen inkorting van de termijnen verbonden aan een dergelijke publicatie toe. Het derde lid verduidelijkt, naar analogie met het tweede lid van artikel 15, § 2, dat een vooraankondiging zo spoedig mogelijk moet worden bekendgemaakt bij het begin van het begrotingsjaar of, voor werken, nadat de beslissing is genomen tot goedkeuring van het programma waarin de werken of de raamovereenkomsten zijn opgenomen. Art. 22.Dit artikel stemt overeen met artikel 40 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 en gaat nader in op de verplichting om een aankondiging van opdracht bekend te maken. Het verduidelijkt de erin te verstrekken inlichtingen. Art. 23.Dit artikel neemt quasi ongewijzigd de bepalingen over van artikel 41 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Het behandelt het kwalificatiesysteem. Paragraaf 1 bepaalt dat de aanbestedende overheid een kwalificatiesysteem kan instellen voor soortgelijke opdrachten waarvan het geraamde bedrag lager is dan de Europese drempels. Dit systeem is evenwel uitsluitend toepasselijk in geval van niet-openbare procedure en mededingingsprocedure met onderhandeling. Opgemerkt wordt dat het kwalificatiesysteem uitsluitend betrekking mag hebben op soortgelijke opdrachten. Paragraaf 2 wijst erop dat dit systeem tijdens de volledige duur ervan permanent openstaat voor de kwalificatie van belangstellende ondernemingen. Het biedt de aanbestedende overheid de mogelijkheid een aantal gekwalificeerde ondernemingen te kiezen die zij uitnodigt tot het indienen van een offerte, rekening houdend met het minimumaantal concurrenten vermeld in artikel 79, § 2, van de wet. De aankondiging betreffende het kwalificatiesysteem wordt jaarlijks bekendgemaakt, alsook na elke actualisering van de regels en criteria betreffende de kwalitatieve selectie, om ervoor te zorgen dat het systeem voldoende transparant is. De intrekking van een kwalificatie moet gebaseerd zijn op de toepasselijke kwalificatiecriteria en -voorschriften. Alvorens een beslissing te nemen, moet de aanbestedende overheid haar gemotiveerde intentie tot intrekking schriftelijk meedelen aan de betrokkene, die binnen een termijn van vijftien dagen een bezwaarschrift kan indienen. Deze paragraaf bepaalt ook dat, rekening houdend met het voorwerp en de specificaties van elke opdracht uitgeschreven in het kader van dat systeem en met het aantal gekwalificeerde kandidaten, de aanbestedende overheid kan overgaan tot een selectie van de kandidaten op grond van de artikelen 65 tot 72. Tot slot wordt opgemerkt dat voortaan niet meer wordt verwezen naar het opstellen van een lijst van geselecteerden; dat systeem werd immers weinig gebruikt gezien het gesloten karakter ervan voor nieuwe kandidaten. Onderafdeling 2. - Sociale en andere specifieke diensten Art. 24.Dit artikel is nieuw en is gewijd aan de sociale en andere specifieke diensten. Het vervolledigt artikel 90 van de wet en verduidelijkt welke aankondigingen kunnen gebruikt worden door de aanbesteder. HOOFDSTUK 4. - Prijsvaststelling en prijsbestanddelen Art. 25.Onderhavig artikel herneemt artikel 88 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 en veralgemeent het. Dit artikel is voortaan van toepassing op alle procedures, daar waar het vroeger beperkt was tot de aanbestedingen en de offerteaanvragen. Dit artikel verduidelijkt dat de prijzen in de offertes in euro worden uitgedrukt en dat het totaal bedrag van de offertes voluit in letters dient geschreven te zijn. Hetzelfde geldt overigens voor de eenheidsprijzen indien de opdrachtdocumenten het vereisen. Het verschil tussen de prijzen uitgedrukt in letters en deze uitgedrukt in cijfers wordt opgelost met toepassing van artikel 34. Art. 26.Dit artikel neemt de inhoud over van artikel 13 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. De mogelijkheid om de opdracht eerst te gunnen tegen voorlopige prijzen en vervolgens tegen forfaitaire prijzen eenmaal de voorwaarden van de opdracht goed gekend zijn, werd geschrapt. Er werd immers geoordeeld dat een dergelijk principe de vergelijking van de offertes zou bemoeilijken en eventueel de gelijke behandeling van de ondernemingen zou in vraag stellen. Overigens zou een dergelijke aanpak moeilijk in overeenstemming te brengen vallen met de door artikel 72 van richtlijn 2014/24/EU opgelegde modaliteiten betreffende de wijzigingen van de opdracht. Art. 27.Dit artikel is een gedeeltelijke overname van paragraaf 2 van artikel 13 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 en bepaalt dat de inschrijver het bedrag van zijn offerte vaststelt volgens zijn eigen bewerkingen, berekeningen en ramingen. Deze bepaling is voortaan niet meer beperkt tot de opdrachten tegen globale prijs en de forfaitaire posten van de gemengde opdracht. Art. 28.Dit artikel neemt artikel 15 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 ongewijzigd over. Art. 29.De eerste en tweede leden nemen artikel 16 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 ongewijzigd over. Verduidelijkt moet worden dat onder alle heffingen welke de opdracht belasten moeten begrepen worden de belastingen en heffingen die gelden bij de indiening van de offerte en niet deze die na deze indiening zouden gelden. Het derde lid verduidelijkt dat de vergelijking van de offertes gebeurt met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde. Art. 30 tot 32. Deze artikelen nemen de artikelen 17 tot 19 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 ongewijzigd over. HOOFDSTUK 5. - Verbetering van fouten en nazicht van prijzen of kosten Art. 33.Dit artikel is een nieuwe bepaling die hoofdstuk 5 inleidt. Art. 34.Dit artikel neemt in een gewijzigde vorm artikel 96 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 over. Het voert een uniform verbeteringssysteem in door de aanbestedende overheid wat betreft de rekenfouten en zuiver materiële fouten. Interessant is dat dit verbeteringssysteem voortaan toepasselijk is op alle opdrachten ongeacht de plaatsingsprocedure ervan, terwijl dit systeem vroeger beperkt was tot de aanbesteding en de offerteaanvraag. Paragraaf 1 heeft het over de verbetering van offertes in functie van de rekenfouten en zuiver materiële fouten die de aanbestedende overheid of een inschrijver ontdekken in de opdrachtdocumenten. Deze verbeteringen moeten toelaten dat de gunning gebeurt op een zo juist mogelijke basis, teneinde de vergelijkbaarheid van de offertes te verbeteren en de gelijke behandeling van de inschrijvers niet op de helling te zetten. Paragraaf 2 verduidelijkt in zijn eerste lid dat de verantwoordelijkheid van de aanbestedende overheid niet kan ingeroepen worden in geval van het niet ontdekken van een of andere fout. Het tweede lid voorziet dat de aanbestedende overheid, in het proces van rechtzetting van de offertes, de echte bedoeling van de inschrijver moet nagaan door deze te vergelijken met de andere offertes alsook met de marktprijzen. Slechts wanneer dit nazicht niet leidt tot een oplossing zal zij de inschrijver uitnodigen om zijn reële bedoeling te verduidelijken. In het derde lid van paragraaf 2 wordt tevens voorzien dat, wanneer de inschrijver geen toelichting verstrekt of zijn toelichting niet aanvaardbaar is voor de aanbestedende overheid, laatstgenoemde de fouten verbetert naar eigen bevindingen. Indien dit onmogelijk is, kan de aanbestedende overheid beslissen dat de eenheidsprijzen van toepassing zijn of de offerte als onregelmatig weren. Deze laatste keuze moet evenwel door de aanbestedende overheid worden gemaakt, rekening houdend met het specifieke karakter van elk dossier. De aanbestedende overheid zal dit bijgevolg beoordelen in functie van de eigenheden van het dossier en niet op basis van vooraf bepaalde criteria. De aanbestedende overheid zal bijvoorbeeld logischerwijze de opgegeven eenheidsprijzen bekrachtigen, indien het een fout in een verwaarloosbare post betreft. Het zal waarschijnlijk anders gesteld zijn wanneer het een belangrijke post betreft. Paragraaf 3 neemt paragraaf 3 van artikel 96 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 over, licht aangepast in functie van de veralgemening van het gebruik van elektronische platformen. Art. 35.Dit artikel herneemt met een wijziging het artikel 21 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0. Het voorziet in een prijs- of kostenonderzoek, en laat de aanbestedende overheid toe de inschrijver te vragen alle nodige inlichtingen te verstrekken. Art. 36.Dit artikel herneemt in een gewijzigde vorm de artikelen 21, § 3 en 99 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 en voorziet in de omzetting van artikel 69 van richtlijn 2014/24/EU maar verruimt het toepassingsgebied ervan. Het is van belang te onderstrepen dat deze bepaling zich niet beperkt tot de abnormaal lage prijzen of kosten, maar ook de abnormaal hoge prijzen of kosten omvat. Volgens paragraaf 1, wanneer de aanbestedende overheid vaststelt dat een prijs of kost abnormaal laag of hoog lijkt tijdens het nazicht waarvan sprake in artikel 35, onderzoekt zij verder de betrokken prijs of kost. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de in paragraaf 1 vermelde procedures, moet de bevraging slechts worden uitgevoerd op de laatst ingediende offertes. Dit belet geenszins dat de aanbestedende overheid deze bevraging reeds kan verrichten in een vroeger stadium van de procedure. Wanneer blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, is de prijzenbevraging verplicht ongeacht de basis waarop de overheidsopdracht aan de economisch meest voordelige offerte wordt gegund, tenzij in uitzonderingsgevallen opgelijst in paragraaf 6. Paragraaf 2 voorziet dat de aanbestedende overheid de betrokken inschrijver tijdens het nazicht bedoeld in de eerste paragraaf, moet ondervragen en hem de gelegenheid moet bieden om een rechtvaardiging te geven van de samenstelling van zijn prijs of kost. De aanbestedende overheid moet de inschrijvers ondervragen over alle posten die abnormaal lijken onder voorbehoud van de uitzondering voorzien in het laatste lid (prijs van de verwaarloosbare posten). De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de in het ontwerp opgesomde rechtvaardigingen,, die in aanmerking kunnen genomen worden om het normaal karakter van de offerte aan te tonen geen limitatief karakter hebben. De inschrijver beschikt over een termijn van twaalf dagen om de verantwoording te verschaffen. De aanbestedende overheid kan steeds een langere termijn geven, mits dit aangegeven is in de uitnodiging. Enkel in de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking kan hij een kortere termijn bepalen, die hij moet motiveren in de opdrachtdocumenten. De aandacht wordt er eveneens op gevestigd dat aan de aanbestedende overheid wordt gevraagd de inschrijver systematisch te verzoeken de verantwoordingen te geven die betrekking hebben op de eerbieding van de regels inzake milieu-, sociaal en arbeidsrecht, met inbegrip van de verplichtingen die gelden op het vlak van welzijn, lonen en sociale zekerheid. Moeten aldus nagezien worden : de juiste berekening van de loonkosten, de correcte betaling van de sociale bijdragen of het bestaan van een globaal preventieplan (wanneer dit vereist
  2. is)in hoofde van de inschrijver. Als voorbeelden in het domein van het welzijn kan het volgende aangehaald worden : correcte logementsvoorwaarden (niet op de werf), de arbeidstijd, de wekelijkse rusttijd,... Ook dient aangestipt dat een inschrijver zich niet eenvoudigweg kan beroepen op de met een winstmarge verhoogde prijs van een onderaannemer om zijn prijs uit te leggen. In dit geval is verdere informatie over de prijs van de onderaannemer vereist. Bovendien bepaalt het vijfde lid van paragraaf 2 uitdrukkelijk dat de aanbestedende overheid niet verplicht is om formeel verantwoording te vragen voor prijzen voor verwaarloosbare posten. Er kan immers van worden uitgegaan dat deze geen invloed zullen hebben gezien hun verwaarloos-bare aard. In het geval waarin de aanbestedende overheid ondanks alles toch zou overgaan tot bevraging van de prijzen voor verwaarloosbare posten, bij opdrachten bijvoorbeeld die meerdere abnormaal geachte prijzen in verwaarloosbare posten bevatten, en na onderzoek zou blijken dat de abnormaal bevonden prijzen van de verwaarloosbare posten heel beperkt in aantal zijn, kan de offerte toch nog beschouwd worden als zijnde regelmatig. Inderdaad is in de derde paragraaf verduidelijkt dat de offerte slechts geweerd wordt in twee hypothesen : omwille van het abnormaal karakter van het totale offertebedrag en/of vanwege een abnormaal karakter bij een of meerdere niet-verwaarloosbare posten. Er werd geen gevolg gegeven worden aan de opmerking van de Raad van State om in het verslag aan de Koning praktijkvoorbeelden op te geven. Het al dan niet verwaarloosbare karakter van een bepaalde post moet altijd beoordeeld worden in het kader van de betrokken overheidsopdracht. Het laatste lid van paragraaf 2 verduidelijkt dat de aanbestedende overheid zo nodig de inschrijver opnieuw kan ondervragen binnen een termijn van twaalf dagen, die desgevallend kan verminderd worden. Paragraaf 3 verduidelijkt tot welke vaststellingen de aanbestedende overheid vervolgens kan komen : - ofwel dat het bedrag van een of meer niet-verwaarloosbare posten een abnormaal karakter vertoont. Ook in dat geval is de offerte behept met een substantiële onregelmatigheid en dient deze bijgevolg geweerd te worden; - ofwel dat het totaal bedrag van de offerte een abnormaal karakter vertoont. Een dergelijke offerte is behept met een substantiële onregelmatigheid en dient bijgevolg geweerd te worden; - ofwel dat het totaal bedrag van de offerte geen abnormaal karakter vertoont. In dit geval zal een motivering in die zin ingelast worden in de gunningsbeslissing. Er wordt tevens op gewezen dat de aanbestedende overheid voor één en dezelfde offerte kan vaststellen dat een of meer niet-verwaarloosbare posten een abnormaal karakter vertonen en dat dit eveneens het geval is wat het totale offertebedrag betreft. Het past er de aandacht op te vestigen dat de inschrijver moeilijkheden kan ondervinden om de nodige rechtvaardiging van zijn prijs of kost te verstrekken. Worden aldus als onvoldoende beschouwd de simpele bevestiging van de prijs zonder uitleg, een verwarde, vage of onduidelijke rechtvaardiging,... De aanbestedende overheid kan in een dergelijk geval deze prijs of kost zelf rechtvaardigen rekening houdende met haar eigen kennis of met andere informatie die niet van de inschrijver komt. Zij zal evenwel de gegevens moeten voorleggen aan de inschrijver teneinde hem de kans te geven hierop te reageren, vooraleer hij zijn beslissing neemt. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 69.3 van richtlijn 2014/24/EU, waarin is bepaald dat de aanbestedende overheid bij de beoordeling in overleg moet treden met de inschrijver. Op die wijze wordt daarenboven gegarandeerd dat de rechten van de verdediging worden nageleefd. Er wordt aan herinnerd dat het gelijkheidsbeginsel ook in deze context van toepassing is. Er wordt op gewezen dat het weigeren van een offerte verplicht is indien de aanbestedende overheid vaststelt dat de abnormaal lage prijs of kost te wijten is aan het niet nakomen van de verplichtingen op het vlak van het milieu-, sociaal of arbeidsrecht zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. Bovendien kan een aanbestedende overheid, die vaststelt dat een abnormaal lage offerte werd ingediend ingevolge het bekomen van overheidssteun, deze offerte niet verwerpen om die enige reden, behalve wanneer de inschrijver, na herondervraging, niet kan aantonen, binnen een redelijke termijn die door de aanbestedende overheid wordt toegekend, dat de verkregen steun verenigbaar is met het Verdrag over de werking van de Europese Unie. Deze bepaling is echter niet van toepassing op de opdrachten waarvan het geraamd bedrag lager ligt dan de drempels voor de Europese bekendmaking. De bevraging en herbevraging gebeuren schriftelijk. Dit stemt overeen met de aanpak van artikel 14, § 4, van de wet, op grond waarvan mondelinge communicatie slechts toegestaan is voor zover het mededelingen betreft die geen betrekking op essentiële elementen van de plaatsingsprocedure, en onder bepaalde voorwaarden. Het abnormaal prijzenonderzoek heeft betrekking op essentiële elementen van de procedure. Paragraaf 4 bevat een specifieke regeling voor het onderzoek van het totale offertebedrag voor opdrachten voor werken of diensten in een fraudegevoelige sector geplaatst via een openbare of niet-openbare procedure en waarvan de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd is op de prijs of wanneer het gewicht van de prijs minstens vijftig procent van de gunningscriteria uitmaakt. De opdrachtdocumenten kunnen het toepassingsgebied van deze paragraaf echter uitbreiden tot de opdrachten voor leveringen of voor diensten, andere dan de diensten in een fraudegevoelige sector. In tegenstelling tot het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0, wordt deze verplichting in onderhavig ontwerp aldus uitgebreid naar de opdrachten voor diensten in een fraudegevoelige sector en naar de opdrachten waarvan het gewicht van de prijs minstens vijftig percent van de gunningscriteria uitmaakt. De uitbreiding van de voormelde verplichting kadert in de context van de strijd tegen de sociale dumping. Er wordt immers vaak vastgesteld dat de factor "loon" een niet onbelangrijk onderdeel voorstelt in arbeidsintensieve sectoren. Voor zover nuttig, wordt herinnerd aan het feit dat de sociale dumping zich vooral voordoet in de arbeidsintensieve sectoren, waar een sterke prijsconcurrentie heerst en waar misbruiken heersen ten opzichte van de Europese detacheringsregels (buitenlandse arbeiders met lonen die de Belgische minimale vereisten niet eerbiedigen, ...). Wanneer de economisch meest voordelige offerte enkel geëvalueerd wordt op basis van de prijs, blijft het percentage dat in aanmerking wordt genomen om uit te maken of een prijs abnormaal laag is, bepaald op vijftien procent. Ook wanneer het gewicht van de prijs minstens vijftig procent van de gunningscriteria uitmaakt, wordt dit percentage vastgelegd op vijftien procent, maar de aanbestedende overheid kan hiervan afwijken in de opdrachtdocumenten en aldus een hoger percentage voorzien. De aanbestedende overheid beschikt aldus over de mogelijkheid om het percentage te bepalen in functie van de aard en de karakteristieken van de opdracht. Toch kunnen, bij wijze van voorbeeld, een aantal richtsnoeren worden aangereikt. Zo zal in principe slechts een licht verhoogd percentage nodig zijn wanneer het gewicht van het prijscriterium sterk doorweegt ten opzichte van de andere criteria (bijvoorbeeld 90 % voor het prijscriterium). Wanneer het criterium prijs aanleunt bij de 50 %, zou het percentage dat in aanmerking wordt genomen aanzienlijk hoger kunnen liggen. Zelfs al worden percentages hoger dan 30 % niet verboden, deze zullen doorgaans genomen minder aangewezen zijn. Vanzelfsprekend hangt de bepaling van het gepast percentage af van de aard en karakteristieken van de opdracht. Zodoende wordt de bepaling van het gepast percentage overgelaten aan de keuze van de aanbestedende overheid. Tevens wordt een verduidelijking gegeven wat betreft de offertes die in aanmerking dienen genomen te worden voor de berekening van het gemiddelde bedrag van de ingediende offertes. De berekening van het gemiddelde is gebaseerd op de offertes van de geselecteerde inschrijvers. Niettemin gebeurt de berekening, in de openbare procedure, op basis van de offertes van de voorlopig geselecteerde inschrijvers. Voor nadere toelichting hieromtrent wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 75. Tenslotte past het aan te dringen op het feit dat het mogelijk is voor de aanbestedende overheid om geen rekening te houden met manifest onregelmatige offertes. Paragraaf 5 neemt paragraaf 3 van artikel 99 van koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Brussel op 26 juli 1995. 2° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gedaan te Dublin op 27 september 1996. 3° Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en gezamenlijke Verklaring, gedaan te Brussel op 19 juni 1997. 4° Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en Verklaring, gedaan te Brussel op 29 november 1996. 5° Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de Lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, gedaan te Brussel op 26 mei 1997 sluiten0 gedeeltelijk over. De voormelde paragraaf bepaalt dat de Belgische Mededingingsautoriteit, de Commissie voor de erkenning van aannemers, de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, de Europese Commissie en het aanspreekpunt worden ingelicht van de wering van de offerte op basis van een abnormaal lage prijs of kost. Sommige van de hierboven bedoelde instellingen moeten ook worden ingelicht in geval van wering omwille van een abnormaal hoge prijs of kost. Het is de bedoeling dat de aangewezen overheden de problemen waarmee bepaalde activiteitensectoren worden geconfronteerd zouden kennen en verhelpen. Niet alle voormelde overheden worden systematisch gecontacteerd. Dat is slechts het geval voor de Belgische Mededingingsautoriteit en, voor de opdrachten voor werken, voor de Commissie voor de erkenning van aannemers (voor zover het een wering wegens abnormaal lage prijs of kost betreft). De hoger vermelde Sociale inlichtingen -en opsporingsdienst van zijn kant moet slechts gecontacteerd worden wanneer de offerte wordt geweerd omwille van de vaststelling dat deze abnormaal laag is omdat zij niet voldoet aan de verplichtingen op het vlak van het federaal sociaal- of arbeidsrecht. De aanpak is gelijkaardig wat de wering betreft omwille van vaststelling van abnormaal lage offerteprijzen ingevolge de niet-eerbiediging van de interne marktregels inzake overheidssteun. Paragraaf 6 bepaalt dat artikel 36 niet toepasselijk is op de mededingingsprocedure met onderhandeling, noch op de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking, noch op de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, voor zover het om een opdracht gaat waarvan het geraamde bedrag lager ligt dan de Europese drempels wat de opdrachten voor leveringen en diensten betreft en lager dan 500.000 euro wat de opdrachten voor werken betreft. Niettemin is het mogelijk om hiervan af te wijken door het invoegen van een bepaling in die zin in de opdrachtdocumenten. Het is niettemin belangrijk er aan te herinneren dat alhoewel artikel 36 niet van toepassing is op de hoger vermelde procedures, toch niet dient geconcludeerd te worden dat er geen regels bestaan in dit domein. De problematiek is echter op een andere manier aangepakt. Onderhavige bepaling moet immers gelezen worden in combinatie met artikel 76 betreffende de regelmatigheid van de offertes. De aanbestedende overheid beschikt niettemin over een maneuvreerruimte in het geval van een substantiële onregelmatigheid. Zij kan, naar keuze, ofwel de offerte die behept is met een substantiële onregelmatigheid nietig verklaren, ofwel deze laten regulariseren. Hetzelfde geldt voor de offertes die behept zijn met meerdere niet-substantiële onregelmatigheden wanneer deze ingevolge de opeenstapeling of combinatie ervan, van aard zijn een weerslag te hebben zoals bedoeld in de eerste paragraaf, derde lid van artikel 76. Tot slot moet erop worden gewezen dat de zesde paragraaf niet van toepassing is op de opdrachten die worden geplaatst door middel van een concurrentiegerichte dialoog of een innovatiepartnerschap. Art. 37.Dit artikel bevat een bepaling die gelijkaardig is met die van paragraaf 2 van artikel 21 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011. Het wijst erop dat, ongeacht de procedure, ter plaatse verificaties van de boekhoudkundige stukken en onderzoeken kunnen worden uitgevoerd door de personen die hiertoe zijn aangewezen door de aanbestedende overheid.Echter is voor een dergelijke verificatie niet langer vereist dat dit in de opdrachtdocumenten wordt voorzien. Evenwel en dit is eveneens nieuw, mag de tijdens dit onderzoek ingezamelde informatie voor andere doeleinden worden gebruikt dan om het abnormaal karakter van de prijzen na te gaan. Deze inlichtingen kunnen dus opnieuw gebruikt worden in een latere fase van dezelfde opdracht. Er wordt verduidelijkt dat deze bepaling alleen van toepassing is op de relatie tussen de aanbestedende overheid en de inschrijver, met uitsluiting van de onderaannemer. HOOFDSTUK 6. - Het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) en de impliciete verklaring op erewoord Art. 38.Dit artikel, dat alleen van toepassing is op de opdrachten waarvan de geraamde waarde gelijk is aan of hoger dan de drempel voor de Europese bekendmaking, handelt over het UEA dat bestaat uit een officiële verklaring van de ondernemer dat de betrokken uitsluitingsgronden niet op hem van toepassing zijn, dat aan de betrokken selectiecriteria is voldaan en dat hij de relevante informatie die door de aanbestedende overheid wordt gevraagd zal verstrekken. Dit artikel vervolledigt bijgevolg artikel 73 van de wet. Het eerste lid van de eerste paragraaf bevat een uitzondering op de verplichte voorlegging van het UEA voor de opdrachten geplaatst via een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, en dit in de volgende gevallen : 1° in geval van dwingende spoed voortvloeiend uit een voor de aanbestedende overheid onvoorzienbare gebeurtenis, overeenkomstig artikel 42, § 1, 1°, b), van de wet;2° wanneer de werken, leveringen of diensten alleen door een bepaalde ondernemer kunnen worden verricht, overeenkomstig artikel 42, § 1, 1°, d), van de wet;3° in geval van een herhaling van soortgelijke werken of diensten die aan de opdrachtnemer van de oorspronkelijke opdracht worden gegund door dezelfde aanbestedende overheid, overeenkomstig artikel 42, § 1, 2°, van de wet;4° wanneer het gaat om de aankoop van leveringen of diensten tegen bijzonder gunstige voorwaarden, overeenkomstig artikel 42, § 1, 3°, van de wet;5° in geval van aanvullende leveringen, overeenkomstig artikel 42, § 1, 4°, b), van de wet;6° wanneer het gaat om op een grondstoffenmarkt genoteerde en aangekochte leveringen, overeenkomstig artikel 42, § 1, 4°, c), van de wet. In dit verband kan verwezen worden naar de voetnoot 5 van bijlage 1 - `Gebruiksaanwijziging' van de Uitvoeringsverordening 2016/7 van de Europese Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument, alwaar wordt gesteld, omtrent de principiële verplichting om het UEA voor te leggen, dat het in sommige gevallen geheel niet passend zou zijn om de overlegging van het UEA te verlangen, of dat dit totaal onnodige administratieve lasten met zich zou meebrengen, hetgeen niet de bedoeling kan zijn geweest. Anders gesteld : volgens de Europese Commissie volgt uit artikel 32 van richtlijn 2014/24/EU dat in de hierboven bedoelde hypothesen waarbij gebruik mag worden gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, de overlegging van het UEA niet verplicht is. Volgens de Europese Commissie blijkt het verplicht karakter van het UEA niet éénduidig uit artikel 59 van richtlijn 2014/24/EU zelf maar moet dit afgeleid worden uit de gecombineerde lezing van onder meer de artikelen 34 (mogelijkheid voor aanbestedende overheden om op ieder moment tijdens de geldigheidstermijn van het dynamisch aankoopsysteem een geactualiseerde versie UEA op te vragen), 59 en de artikelen 71.5 en 71.6.b (mogelijkheid voor de lidstaten om te bepalen dat de UEA's worden voorgelegd van de onderaannemers om na te gaan of in hun hoofde geen gronden tot uitsluiting bestaan). Met andere woorden blijkt het verplicht karakter slechts onrechtstreeks uit de samenlezing van de artikelen 34, 59 en 71. In sommige uitzonderlijke situaties waarbij gebruik mag worden gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking ontstaat dan ook de interpretatiemarge die kan verantwoorden waarom het UEA in de opgegeven gevallen toch niet moet worden overgelegd. Het feit dat dit niet verplicht is vloeit dan voort uit artikel 32 van richtlijn 2014/24/EU en de specifieke aard van sommige van de aldaar opgesomde gevallen. De interpretatie dat het UEA verplicht is ingevolge de gecombineerde lezing van de artikelen 34, 59 en 71 mag er langs de andere kant niet toe leiden dat een rigide interpretatie zou moeten gegeven worden aan artikel 32. Volgens het tweede lid dient de aanbestedende overheid, in de aankondiging van opdracht of, bij gebreke daaraan, in de opdrachtdocumenten, te vermelden welke inlichtingen zij van de ondernemers zal eisen. De aanbestedende overheid moet aldus de richtsnoeren bepalen die toelaten het UEA in te vullen. Dit bestaat uit de de volgende delen : 1° Deel I.Gegevens over de plaatsingsprocedure en de aanbestedende overheid of aanbestedende entiteit; 2° Deel II.Gegevens over de ondernemer; 3° Deel III.Uitsluitingscriteria; 4° Deel IV.Selectiecriteria; 5° Deel V.Beperking van het aantal gekwalificeerde kandidaten; 6° Deel VI.Slotopmerkingen. Deze richtsnoeren kunnen ingelast worden in de Afdeling VI.VI.3) "Nadere inlichtingen" van de aankondiging van de opdracht. Zoals verduidelijkt is in paragraaf 2 kan de aanbestedende overheid, wat deel IV betreft : 1° ofwel de ondernemers vragen nauwkeurige gegevens te verstrekken over de selectiecriteria bij het invullen van de afdelingen A tot D. De ondernemer dient evenwel enkel de gegevens over de selectiecriteria te verstrekken die door de aanbestedende overheid werden gevraagd in de aankondiging van opdracht of, bij gebreke daaraan, in de opdrachtdocumenten; 2° ofwel de ondernemers vragen een algemene aanwijzing voor alle selectiecriteria te geven.De ondernemer kan zich dan beperken tot het invullen van de eerste afdeling van deel IV (Algemene aanwijzing voor alle selectiecriteria). Zo is hij vrijgesteld van de verplichting om de meer nauwkeurige gegevens die in de volgende kaders van het deel IV worden gevraagd te verstrekken en dient hij enkel algemeen te bevestigen dat hij de vereiste selectiecriteria respecteert. Art. 39.Dit artikel herneemt met enige wijziging het artikel 61, § 4, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/02/2002 pub. 15/05/2002 numac 2002015030 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met de volgende Internationale Akten : 1° Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.