13 NOVEMBER 1997. Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 mei 1982 houdende reglementering van het in de handel brengen van stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de mens of voor zijn leefmilieu ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 24 februari 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/02/1921 pub. 17/12/2004 numac 2004000617 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, ontsmettingsstoffen of antiseptica. - Duitse vertaling sluiten betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 11 maart 1958, 1 juli 1976 en 14 juli 1994; Gelet op de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 30/06/1998 numac 1998015016 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst over het Wegvervoer tussen het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend te Athene op 11 juni 1992 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk; Gelet op de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen; Gelet op de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt; Gelet op de wet van 24 januari 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/01/1977 pub. 28/03/2023 numac 2023040887 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten, gewijzigd bij de wet van 22 maart 1989; Gelet op de wet van 14 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/07/1991 pub. 14/01/2008 numac 2007001065 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 14/07/1991 pub. 28/11/2007 numac 2007000956 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, gewijzigd bij de wet van 5 november 1993; Gelet op de richtlijn 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 96/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 september 1996; Gelet op het koninklijk besluit van 24 mei 1982 houdende reglementering van het in de handel brengen van stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de mens of voor zijn leefmilieu, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 februari 1985, 14 september 1989 en van 19 juli 1994 alsook op het koninklijk besluit van 14 september 1993 tot aanstelling van de diensten en ambtenaren belast met het opsporen en vaststellen van de inbreuken op de bepalingen van voormeld koninklijk besluit van 24 mei 1982; Gelet op het koninklijk besluit van 27 oktober 1988 betreffende de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de uitvoering ervan bij proeven op scheikundige stoffen alsook op het koninklijk besluit van 14 november 1993 betreffende de bescherming van proefdieren; Gelet op het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 juni 1995; Gelet op het advies van de Raad voor het Verbruik van 21 december 1994; Gelet op het advies van de Hoge Raad voor de Middenstand van 31 maart 1995; Gelet op het advies van de Hoge Raad voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen van 21 april 1995; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd door de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989 en 4 juli 1989; Gelet op de dringende noodzakelijkheid : Overwegende dat de volgende richtlijnen, waarvan de omzettingstermijn verstreken is, onverwijld moeten worden omgezet : 1° de richtlijn 90/517/EEG van de Raad van 9 oktober 1990 houdende elfde aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen;2° de richtlijn 91/325/EEG van de Commissie van 1 maart 1991 houdende twaalfde aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 67/548/EEG;3° de richtlijn 91/326/EEG van de Commissie van 5 maart 1991 houdende dertiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 67/548/EEG;4° de richtlijn 91/410/EEG van de Commissie van 22 juli 1991 houdende veertiende aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 67/548/EEG;5° de richtlijn 91/632/EEG van de Commissie van 28 oktober 1991 houdende vijftiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 67/548/EEG;6° de richtlijn 92/32/EEG van de Raad van 30 april 1992 tot zevende wijziging van richtlijn 67/548/EEG;7° de richtlijn 92/37/EEG van de Commissie van 30 april 1992 houdende zestiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 67/548/EEG;8° de richtlijn 92/69/EEG van de Commissie van 31 juli 1992 houdende zeventiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 67/548/EEG;9° de richtlijn 93/21/EEG van de Commissie van 27 april 1993 tot achttiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 67/548/EEG;10° de richtlijn 93/67/EEG van de Commissie van 20 juli 1993 tot vaststelling van de beginselen die gelden bij de beoordeling van de risico's voor mens en milieu van stoffen die zijn aangegeven krachtens richtlijn 67/548/EEG;11° de richtlijn 93/90/EEG van de Commissie van 29 oktober 1993 betreffende de lijst van stoffen, bedoeld in artikel 13, lid 1, vijfde streepje, van richtlijn 67/548/EEG;12° de richtlijn 93/105/EEG van de Commissie van 25 november 1993 houdende vaststelling van bijlage VII D inzake de informatie die in het in artikel 12 van de richtlijn tot zevende wijziging van de richtlijn 67/548/EEG bedoelde technisch dossier moet worden opgenomen;13° de richtlijn 93/112/EEG van de Commissie van 10 december 1993 tot wijziging van richtlijn 91/155/EEG houdende beschrijving en vaststelling van de wijze van uitvoering voor het systeem voor specifieke informatie inzake gevaarlijke preparaten krachtens artikel 10 van richtlijn 88/379/EEG;14° de richtlijn 93/72/EEG van de Commissie van 1 september 1993 tot negentiende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 67/548/EEG;15° de richtlijn 93/101/EEG van de Commissie van 11 november 1993 tot twintigste aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 67/548/EEG; Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op 12 december 1996 het Koninkrijk België heeft veroordeeld wegens niet-omzetting van de richtlijnen 93/105/EEG van 25 november 1993, 92/69/EEG van 31 juli 1992, 93/67/EEG van 20 juli 1993 en 92/32/EEG van 30 april 1992, respectievelijk in de zaken C-218/96, C-220/96, C-221/96 en C-222/96; Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, van Onze Minister van Volksgezondheid, van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, van Onze Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen en van Onze Staatssecretaris voor Leefmilieu, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.De artikelen 1 tot en met 9 van het koninklijk besluit van 24 mei 1982 houdende reglementering van het in de handel brengen van stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de mens of voor zijn leefmilieu, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 februari 1985, van 14 september 1989 en van 19 juli 1994 worden vervangen door de volgende bepalingen : « Artikel 1.§ 1. Dit besluit is van toepassing op de kennisgeving van stoffen, de uitwisseling van informatie over stoffen waarvan kennisgeving is gedaan, de beoordeling van het potentiële risico voor mens en milieu van stoffen waarvan kennisgeving is gedaan alsook de indeling, de verpakking en het kenmerken van voor mens of milieu gevaarlijke stoffen wanneer deze op de markt worden gebracht. § 2. Dit besluit is niet van toepassing op : 1° de volgende stoffen en preparaten in het eindstadium, die bestemd zijn voor de eindgebruiker :
- a)geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik;
- b)kosmetische produkten;
- c)mengsels van stoffen, in de vorm van afvalstoffen;
- d)levensmiddelen;
- e)diervoeder;
- f)bestrijdingsmiddelen;
- g)radioactieve stoffen;
- h)andere stoffen of preparaten waarvoor communautaire kennisgevings- of goedkeuringsprocedures bestaan en waarvoor bepalingen gelden welke gelijkwaardig zijn aan die van dit besluit.Te dien einde stelt de Minister een lijst op van categorieën van produkten, die hij regelmatig kan aanpassen; 2° het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor, over de weg, per schip of door de lucht;3° stoffen in transito onder douanetoezicht, voor zover die stoffen niet worden bewerkt of verwerkt. § 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
- a)« stoffen » : chemische elementen en hun verbindingen, zoals zij voorkomen in natuurlijke toestand of bij de produktie ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit van het produkt en alle onzuiverheden ten gevolge van het produktieprocédé, doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt gewijzigd;
- b)« preparaten » : mengsels of oplossingen die bestaan uit twee of meer stoffen;
- c)« polymeer » : een stof die bestaat uit moleculen welke worden gekenmerkt door een opeenvolging van een of meer soorten monomeereenheden, en die een gewichtsmeerderheid van moleculen bevat die bestaan uit ten minste drie monomeereenheden die op covalente wijze aan ten minste een andere monomeereenheid of andere reactieve stof zijn gebonden en bestaat uit minder dan een gewichtsmeerderheid aan moleculen van hetzelfde molecuulgewicht.Die moleculen moeten over een reeks molecuulgewichten verdeeld zijn, waarbij de verschillen in molecuulgewicht op de eerste plaats het gevolg zijn van verschillen in aantal monomeereenheden. « Monomeereenheid » in de zin van deze definitie betekent de gereageerde vorm van een monomeer in een polymeer;
- d)« kennisgeving » : documenten waarin de vereiste inlichtingen bij de Minister worden opgegeven : 1° voor in België vervaardigde stoffen : door de fabrikant die een stof, als zodanig of in een preparaat verwerkt, op de markt brengt;2° voor buiten de Europese Unie vervaardigde stoffen : door een in België gevestigde persoon die ervoor verantwoordelijk is dat een stof als zodanig of in een preparaat verwerkt in de Europese Unie op de markt wordt gebracht, of door de in België gevestigde persoon die door de fabrikant als enige vertegenwoordiger is aangewezen om van een bepaalde stof die, als zodanig of in een preparaat verwerkt, op de communautaire markt wordt gebracht kennisgeving te doen. Degene die een kennisgeving doet, wordt hierna « kennisgever » genoemd;
- e)« op de markt brengen » : het ter beschikking stellen aan derden. Invoer in het douanegebied van de Europese Unie wordt in de zin van dit besluit beschouwd als op de markt brengen;
- f)« wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling » : wetenschappelijke proefneming of analyse in gecontroleerde omstandigheden.Dit omvat de bepaling van intrinsieke eigenschappen, prestatie en werkzaamheid, alsmede wetenschappelijk onderzoek in verband met de produktontwikkeling;
- g)« produktiegericht onderzoek en produktiegerichte ontwikkeling » : verdere ontwikkeling van een stof waarbij de toepassingsgebieden van de stof worden getest met behulp van proefprodukties of produktie-experimenten;
- h)« EINECS » : (European Inventory of Existing Commercial Substances) : de Europese inventaris van bestaande commerciële stoffen.Deze inventaris bevat de definitieve lijst van alle stoffen die geacht worden op 18 september 1981 op de markt van de Europese Unie voor te komen;
- i)« ELINCS » : (European List of Notified Chemical Substances) : de Europese lijst van chemische stoffen waarvan kennis is gegeven vanaf 18 september 1981 volgens de geharmoniseerde communautaire kennisgevingsprocedure. De beperkte kennisgevingen gedaan volgens artikel 9, §1, d, van het koninklijk besluit van 24 mei 1982 vallen niet onder deze alinea. Deze stoffen werden bijgevolg niet opgenomen in deze Europese lijst;
- j)« omschrijving van de gevaren » : het vaststellen van de aard van de schadelijke effecten op grond van de intrinsieke eigenschappen van de stof;
- k)« evaluatie van de dosis-respons (concentratie-effect) relatie » : de schatting van de relatie tussen de dosis van, of mate van blootstelling aan, een stof en de incidentie en ernst van het effect;
- l)« evaluatie van de blootstelling » : de bepaling van de emissies van een stof, de manieren waarop en de snelheid waarmee zij wordt gemobiliseerd alsmede de relevante omzettings- of afbraakprocessen, met het oog op de bepaling van de concentraties/dosissen waaraan menselijke populaties of milieucompartimenten zijn of kunnen worden blootgesteld;
- m)« karakterisering van het risico » : de inschatting van de incidentie en ernst van de schadelijke effecten waarvan kan worden verwacht dat ze in menselijke populaties of milieucompartimenten zullen optreden als gevolg van een feitelijke of geschatte blootstelling aan een stof, eventueel met inbegrip van de « schatting van het risico », dat wil zeggen de kwantificering van de bedoelde kans;
- n)« aanbevelingen ter beperking van het risico » : het aanbevelen van maatregelen die de risico's voor mens en/of milieu van het in de handel brengen van de betrokken stof kunnen beperken, zoals : 1) wijziging van de indeling, de verpakking of de etikettering van de stof als voorgesteld door de kennisgever in de overeenkomstig artikel 2, § 1, 1°, artikel 2, § 2, 1° of 2°, ingediende kennisgeving;2) wijziging van het veiligheidsinformatieblad als voorgesteld door de kennisgever in de overeenkomstig artikel 2, § 1, 1°, artikel 2, § 2, 1° of 2°, ingediende kennisgeving; 3) wijziging van de in de punten 2.3, 2.4 en 2.5, van de bijlagen VII A, VII B of VII C, bedoelde aanbevolen methodes en voorzorgsmaatregelen of noodmaatregelen als voorgesteld door de kennisgever in het technisch dossier van de overeenkomstig artikel 2, § 1, 1°, artikel 2, § 2, 1° of 2°, ingediende kennisgeving; 4) advies aan de betrokken controlerende instanties inzake het nemen van passende maatregelen ter bescherming van mens en/of milieu in het licht van de vastgestelde risico's;
- o)« De Minister » : De Minister of Staatssecretaris die de Volksgezondheid en het Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft, hierna de « Minister » genoemd. § 4. « Gevaarlijk » in de zin van dit besluit zijn de volgende stoffen en preparaten :
- a)« ontplofbare » : stoffen en preparaten in vaste, vloeibare, pasta- of gelatineachtige toestand, die ook zonder de inwerking van zuurstof in de lucht exotherm kunnen reageren, hierbij snel gassen ontwikkelen en onder bepaalde (proef) voorwaarden detoneren, snel explosief verbranden of door verhitting bij gedeeltelijke afsluiting ontploffen;
- b)« oxyderende » : stoffen en preparaten die bij aanraking met andere stoffen, met name ontvlambare stoffen, sterk exotherm reageren;
- c)« zeer licht ontvlambare » : stoffen en preparaten in vloeibare toestand met een uiterst laag vlampunt en een laag kookpunt, alsmede gasvormige stoffen en preparaten die bij normale temperatuur en druk aan de lucht blootgesteld kunnen ontbranden;
- d)« licht ontvlambare » : stoffen en preparaten die bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld, zonder toevoer van energie, in temperatuur kunnen stijgen en tenslotte kunnen ontbranden, of vaste stoffen en preparaten die na kortstondige inwerking van een ontstekingsbron gemakkelijk kunnen ontbranden en na verwijdering van de ontstekingsbron blijven branden of gloeien, of vloeibare stoffen en preparaten met een zeer laag vlampunt, of stoffen en preparaten die bij aanraking met water of vochtige lucht een gevaarlijke hoeveelheid van zeer licht ontvlambare gassen ontwikkelen;
- e)« ontvlambare » : vloeibare stoffen en preparaten met een laag vlampunt;
- f)« zeer vergiftige » : stoffen en preparaten waarvan reeds een zeer geringe hoeveelheid bij inademing of opneming via de mond of via de huid acute of chronische aandoeningen en zelfs de dood kan veroorzaken;
- g)« vergiftige » : stoffen en preparaten waarvan reeds een geringe hoeveelheid bij inademing of opneming via de mond of via de huid acute of chronische aandoeningen en zelfs de dood kan veroorzaken;
- h)« schadelijke » : stoffen en preparaten die bij inademing of opneming via de mond of via de huid acute of chronische aandoeningen en zelfs de dood kunnen veroorzaken;
- i)« bijtende » : stoffen en preparaten die bij aanraking met levende weefsels daarop een vernietigende werking kunnen uitoefenen;
- j)« irriterende » : niet-bijtende stoffen en preparaten die bij directe, langdurige of herhaalde aanraking met de huid of de slijmvliezen een ontsteking kunnen veroorzaken;
- k)« sensibiliserende » : stoffen en preparaten die bij inademing of bij opneming via de huid aanleiding kunnen geven tot een zodanige reactie van hypersensibilisatie dat latere blootstelling aan de stof of het preparaat karakteristieke nadelige effecten veroorzaakt;
- l)« kankerverwekkende » : stoffen en preparaten die bij inademing of bij opneming via de mond of via de huid kanker kunnen veroorzaken of de frequentie daarvan doen toenemen;
- m)« mutagene » : stoffen en preparaten die bij inademing of bij opneming via de mond of via de huid erfelijke genetische afwijkingen kunnen veroorzaken of de frequentie daarvan doen toenemen;
- n)« voor de voortplanting vergiftige » : stoffen of preparaten die bij inademing of bij opneming via de mond of via de huid niet-erfelijke afwijkingen bij het nageslacht en/of aantasting van de mannelijke of vrouwelijke voortplantingsfuncties of -vermogens veroorzaken, dan wel de frequentie daarvan doen toenemen;
- o)« milieugevaarlijke » : stoffen en preparaten die, wanneer zij in het milieu terechtkomen, onmiddellijk of na verloop van tijd gevaar voor één of meer milieucompartimenten opleveren of kunnen opleveren. § 5. De bevoegde instantie in de zin van dit besluit is de Minister of Staatssecretaris die de Volksgezondheid en het Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft. Kennisgevingsdossiers moeten aan hem worden gericht op het adres : Commissie Gevaarlijke Producten, Rijksadministratief Centrum, 1010 Brussel. De Minister kan dit adres te allen tijde wijzigen. Art. 2.§ 1. Volledige kennisgeving : 1° Onverminderd artikel 1, § 2, artikel 2, § 2,1°, artikel 2, § 7, en artikel 5, § 2, punt I, 4, en punt II, is elke kennisgever van een stof verplicht aan de Minister, zoals bedoeld in artikel 1, § 3, o, bij een ter post aangetekend schrijven, een kennisgeving te doen toekomen omvattende : A.Een dossier in vier exemplaren bestaande uit :
- a)een technisch dossier met alle beschikbare relevante inlichtingen op grond waarvan de te voorziene onmiddellijke of latere gevaren die de stof voor mens en milieu kan opleveren, kunnen worden beoordeeld. Dit dossier bevat ten minste de gegevens en resultaten van de onderzoeken bedoeld in bijlage VII A, alsook een gedetailleerde en volledige beschrijving van de verrichte onderzoeken en de toegepaste methoden of een bibliografische opgave daarvan;
- b)een verklaring betreffende de nadelige gevolgen van de stof naar gelang van de verschillende voorzienbare toepassingen;
- c)het voorstel voor de indeling en het kenmerken van de stof overeenkomstig dit besluit;
- d)uitsluitend in het geval van gevaarlijke stoffen, een voorstel voor een veiligheidsinformatieblad, als bepaald in artikel 9, § 2;
- e)indien gewenst, een met redenen omkleed verzoek van de kennisgever om de kennisgeving uit te zonderen van de toepassing van artikel 4, § 2, gedurende een periode die in ieder geval uiterlijk één jaar na de datum van kennisgeving verstrijkt. Indien de fabrikant buiten de Europese Unie is gevestigd, in voorkomend geval een door de kennisgever overeenkomstig artikel 1, § 3, d), 2°, bijgevoegde verklaring van de fabrikant waaruit blijkt dat de kennisgever voor de indiening van de kennnisgeving van de bewuste stof door de fabrikant als diens enige vertegenwoordiger is aangewezen. Indien gewenst, kan de kennisgever de Minister ook een door hemzelf volgens de in artikel 3, § 2, bedoelde beginselen, opgemaakte eerste risicobeoordeling verschaffen. B. Een samenvatting van het technisch dossier zoals vermeld onder A, a), bevattende bijlage VII en VIII. Deze samenvatting wordt schriftelijk in vier exemplaren en tevens op twee disketten neergelegd. De Minister bepaalt hiervoor de modaliteiten. 2° Onverminderd artikel 2, § 9, informeert de kennisgever van een stof waarvan reeds kennisgeving is gedaan de Minister : - zodra de op de markt gebrachte hoeveelheid van de stof 10 ton per jaar per fabrikant of de totale op de markt gebrachte hoeveelheid 50 ton per fabrikant bereikt.In die gevallen kan de Minister eisen dat bepaalde of alle op niveau 1 van bijlage VIII vermelde aanvullende proeven en onderzoeken binnen een door hem te bepalen termijn worden uitgevoerd; - zodra de op de markt gebrachte hoeveelheid van de stof 100 ton per jaar per fabrikant of de totale op de markt gebrachte hoeveelheid 500 ton per fabrikant bereikt. In die gevallen eist de Minister dat de op niveau 1 van bijlage VIII vermelde aanvullende proeven/onderzoeken binnen een door hem te bepalen termijn worden uitgevoerd, behalve wanneer de kennisgever kan aantonen dat een bepaald(
- e)proef/onderzoek niet geschikt is of dat een ander wetenschappelijk(
- e)proef of onderzoek de voorkeur geniet; - zodra de op de markt gebrachte hoeveelheid van de stof 1000 ton per jaar per fabrikant of de totale op de markt gebrachte hoeveelheid 5000 ton per fabrikant bereikt. In dit geval stelt de Minister overeenkomstig niveau 2 van bijlage VIII een programma op van proeven/onderzoeken die binnen een door hem te bepalen termijn door de kennisgever moeten worden uitgevoerd. 3° Wanneer overeenkomstig artikel 2, § 1, 2°, dan wel vrijwillig aanvullende proeven/onderzoeken worden verricht, dient de kennisgever de Minister van de resultaten ervan op de hoogte te stellen en een aanvulling op de samenvatting bij te voegen zoals bepaald in artikel 2, § 1, 1°, B. § 2. Beperkte kennisgevingsvoorschriften voor stoffen die in kleinere hoeveelheden dan 1 ton per jaar per fabrikant op de markt worden gebracht : 1° Onverminderd artikel 1, § 2, artikel 2, § 7, 1°, en artikel 5, § 2, punt I, 4, en punt II, is elke kennisgever van een stof die in kleinere hoeveelheden dan 1 ton per jaar per fabrikant op de markt zal worden gebracht, verplicht aan de Minister zoals bedoeld in artikel 1, § 3, o, een kennisgeving te doen toekomen, omvattende :
- a)een technisch dossier met alle beschikbare relevante inlichtingen op grond waarvan de te voorziene, onmiddellijke of latere gevaren, die de stof voor mens en milieu kan opleveren, kunnen worden beoordeeld. Dit dossier bevat tenminste de gegevens en resultaten van de onderzoeken bedoeld in bijlage VII B alsook een gedetailleerde en volledige beschrijving van de verrichte onderzoeken en de toegepaste methoden of een bibliografische opgave daarvan;
- b)alle andere informatie als bedoeld in artikel 2, § 1, 1°, met uitzondering van deze vermeld in artikel 2 §1,1°,A,a.2° Wanneer de stof in kleinere hoeveelheden dan 100 kilogram per jaar per fabrikant op de markt wordt gebracht, mag de kennisgever, onverminderd artikel 2, § 1, 1°, de informatie in het bovengenoemde technische dossier van de kennisgeving beperken tot de in bijlage VII C gespecificeerde gegevens.3° Wanneer een kennisgever overeenkomstig artikel 2, § 2, 2°, een beperkt kennisgevingsdossier heeft ingediend, verstrekt hij, voordat de op de markt gebrachte hoeveelheid van de stof 100 kilogram per jaar per fabrikant bereikt of voordat de totale op de markt gebrachte hoeveelheid 500 kilogram per fabrikant bereikt, de Minister de aanvullende informatie die nodig is om het technisch dossier op het niveau van bijlage VII B te brengen en een aanpassing van het samenvattingsdossier zoals bedoeld onder artikel 2, § 1, 1°, B, laten geworden.4° Evenzo moet de kennisgever, ingeval hij overeenkomstig artikel 2, § 2, 1°, een beperkt kennisgevingsdossier heeft ingediend, voordat de hoeveelheid op de markt gebrachte stof 1 ton per jaar per fabrikant bereikt of voordat de totale op de markt gebrachte hoeveelheid 5 ton per fabrikant bereikt, een volledige kennisgeving indienen overeenkomstig artikel 2, § 1.5° De stoffen waarvan overeenkomstig artikel 2, § 2, 1° en 2°, kennisgeving is gedaan, moeten, voor zover de kennisgever redelijkerwijs kennis moet hebben van hun gevaarlijke eigenschappen, overeenkomstig de artikelen 7 en 8 en de criteria van bijlage VI worden verpakt en voorlopig gekenmerkt.Indien het nog niet mogelijk mocht zijn deze te kenmerken volgens de beginselen van artikel 8, § 1, moet op het etiket, benevens de aanduidingen op grond van reeds uitgevoerde proeven, de waarschuwing « Opgelet ! Nog niet volledig geteste stof » worden aangebracht. § 3. Stoffen waarvan reeds kennis is gegeven volgens de geharmoniseerde kennisgevingsprocedure (regel van tien jaar). De kennisgever behoeft de informatie die krachtens artikel 2, §§ 1 en 2, vereist is voor het in bijlage VII A, VII B, VII C of VII D, beschreven technische dossier, met uitzondering van de punten 1 en 2, van deze bijlagen niet te verstrekken, indien deze gegevens ten minste tien jaar voordien reeds zijn ingediend. § 4. Op de markt brengen van stoffen waarvan kennisgeving is gedaan : 1° Tenzij de Minister anders aangeeft mogen stoffen waarvan overeenkomstig artikel 2, § 1, 1°, kennisgeving is gedaan ten vroegste zestig dagen nadat de Minister het kennisgevingsdossier conform de eisen van dit besluit heeft ontvangen, op de markt worden gebracht. Indien de Minister oordeelt dat het dossier niet in overeenstemming is met dit besluit en de kennisgever daarvan overeenkomstig artikel 5, § 4, in kennis stelt, mag de stof pas zestig dagen nadat de Minister de gegevens heeft ontvangen waarmee de kennisgeving in overeenstemming met dit besluit kan worden gebracht, op de markt worden gebracht. 2° Tenzij de Minister anders aangeeft, mag de stof waarvan overeenkomstig artikel 2, § 2, 1° of 2°, kennisgeving is gedaan, ten vroegste dertig dagen nadat de Minister het kennisgevingsdossier conform de eisen van dit besluit heeft ontvangen, op de markt worden gebracht. Indien de Minister oordeelt dat het dossier niet in overeenstemming is met dit besluit en de kennisgever daarvan overeenkomstig artikel 5, § 5, in kennis stelt, mag de stof pas dertig dagen nadat de Minister de gegevens heeft ontvangen waarmee de kennisgeving in overeenstemming met dit besluit kan worden gebracht, op de markt worden gebracht. Is de kennisgever overeenkomstig artikel 5, § 5, meegedeeld dat het dossier aanvaard is, dan mag de stof ten vroegste vijftien dagen na ontvangst van het dossier door de Minister op de markt worden gebracht. § 5. Wanneer voor buiten de Europese Unie vervaardigde stoffen meer dan één kennisgeving wordt gedaan voor een door dezelfde fabrikant vervaardigde stof, worden de jaarlijkse en cumulatieve in de Europese Unie op de markt gebrachte hoeveelheden vastgesteld aan de hand van de krachtens artikel 2, § 1, 1°, artikel 2, § 2, 1°, en artikel 2, § 9, verstrekte informatie. De verplichting om aanvullende proeven te verrichten als bepaald in artikel 2, § 1, 2°, geldt voor de gezamenlijke kennisgevers. § 6. Wat betreft polymeren worden de in de kennisgevingen opgenomen specifieke bepalingen betreffende de technische dossiers zoals bepaald in artikel 2, § 1, 1°, en artikel 2, § 2, 1°, opgesteld overeenkomstig bijlage VII D. § 7. Vrijstellingen : 1° Artikel 2, §§ 1 en 2, en artikel 4, §§ 1 en 2, zijn niet van toepassing op de volgende stoffen :
- a)stoffen die zijn opgenomen in EINECS;
- b)toevoegingsmiddelen en stoffen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik in diervoeders;
- c)stoffen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik als toevoegingsmiddel in levensmiddelen en stoffen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik als aroma in levensmiddelen;
- d)werkzame bestanddelen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik in geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, § 2, 1°, a).Hieronder vallen niet de chemische tussenprodukten;
- e)stoffen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik voor andere categorieën van produkten waarvoor communautaire kennisgevings-of erkenningsprocedures bestaan en waarvoor de eisen betreffende de te verstrekken informatie gelijkwaardig zijn aan die van dit besluit. Deze lijst van categorieën van produkten bestaat uit de werkzame stoffen van de gewasbeschermingsmiddelen onderworpen aan de evaluatieprocedure voorzien door het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik. Indien nodig kan de Minister deze lijst aanpassen. 2° Van de hierna genoemde stoffen wordt geacht kennisgeving te zijn gedaan in de zin van dit besluit, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan :
- a)polymeren, indien zij vervaardigd zijn met gebruikmaking van minder dan twee gewichtspercenten, in gebonden vorm, van een stof die niet in EINECS is opgenomen;
- b)stoffen die in kleinere hoeveelheden dan 10 kilogram per jaar per fabrikant op de markt worden gebracht, mits de fabrikant/ importeur voldoet aan alle eisen van de Minister.Deze eisen mogen niet verder reiken dan de in bijlage VII C, punten 1 en 2, bedoelde informatie;
- c)stoffen die in beperkte hoeveelheden, in geen geval meer dan 100 kilogram per fabrikant per jaar, op de markt worden gebracht en uitsluitend voor wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling in gecontroleerde omstandigheden zijn bestemd.Elke fabrikant of importeur die van deze uitzondering gebruik maakt, moet de identiteit van de stof, de voor het kenmerken gebruikte gegevens, de hoeveelheden en de afnemers schriftelijk registreren. Deze informatie wordt op verzoek ter beschikking gesteld van de Minister;
- d)stoffen die op de markt worden gebracht voor produktiegericht onderzoek en ontwikkeling en die in tot dit doel beperkte hoeveelheden aan een beperkt aantal geregistreerde afnemers worden afgeleverd.Deze stoffen komen in aanmerking voor een vrijstelling van één jaar op voorwaarde dat de fabrikant of importeur de identiteit ervan, de voor het kenmerken gebruikte gegevens, de hoeveelheid, de motivering van de hoeveelheid, een lijst van afnemers en het programma inzake onderzoek en ontwikkeling opgeeft aan de Minister en zich voegt naar de opgelegde bepalingen met betrekking tot onderzoek en ontwikkeling. De opgelegde bepalingen kunnen informatie betreffen die niet verder mag reiken dan die bedoeld in artikel 2, § 2. Na verloop van één jaar wordt van die stoffen op de gebruikelijke wijze kennis gegeven. De fabrikant of importeur dient eveneens de verzekering te geven dat de stof of het preparaat waarin deze is verwerkt, uitsluitend door het personeel van de afnemende bedrijven in gecontroleerde omstandigheden zal worden gebruikt en niet als zodanig of verwerkt in een preparaat ter beschikking van het publiek zal worden gesteld. Zo de Minister bovendien oordeelt dat er een onaanvaardbaar risico voor mens of milieu kan bestaan, geldt bovengenoemde beperking eveneens voor elk produkt dat de nieuwe stof bevat en dat is vervaardigd tijdens het produktiegericht onderzoek en ontwikkeling. Bovengenoemde vrijstelling van één jaar kan in uitzonderlijke omstandigheden met een jaar worden verlengd, indien de kennisgever ten genoegen van de Minister kan aantonen dat een dergelijke verlenging gerechtvaardigd is. 3° De in artikel 2, § 7, 2°, bedoelde stoffen moeten, voor zover de fabrikant redelijkerwijs kennis heeft van hun gevaarlijke eigenschappen, door de fabrikant of diens vertegenwoordiger worden verpakt en voorlopig gekenmerkt overeenkomstig artikel 7 en 8 en de criteria van bijlage VI. Indien zij niet volledig kunnen worden gekenmerkt omdat niet alle resultaten van de in bijlage VII A bedoelde proeven beschikbaar zijn, moet overeenkomstig de beginselen van artikel 8, § 1, op het etiket, benevens de aanduidingen op grond van reeds uitgevoerde proeven, de waarschuwing « Opgelet ! Nog niet volledig geteste stof » worden aangebracht. 4° Indien een in artikel 2, § 7, 2°, bedoelde stof, gekenmerkt volgens de beginselen van artikel 8, § 1, op basis van de beschikbare kennis zeer vergiftig, vergiftig, kankerverwekkend, voor de voortplanting vergiftig of mutageen is, dient de fabrikant of de importeur van de stof de Minister in kennis te stellen van iedere relevante informatie met betrekking tot de punten 2.3, 2.4, en 2.5, van bijlage VII A. Voorts moeten gegevens over acute toxiciteit worden verstrekt indien deze voorhanden zijn. § 8. De kennisgevingen gedaan volgens het koninklijk besluit van 24 mei 1982 worden beschouwd als zijnde gedaan volgens de Europese geharmoniseerde kennisgevingsprocedure. Deze kennisgevingen blijven geldig totdat de totale toegelaten hoeveelheid op de communautaire markt wordt overschreden. Op dat ogenblik dient een kennisgeving te gebeuren volgens de criteria van dit besluit. De beperkte kennisgevingen die in België werden ingediend volgens artikel 9,§1,d, van het koninklijk besluit van 24 mei 1982 vallen niet onder de Europese geharmoniseerde kennisgevingsprocedure en worden niet opgenomen in ELINCS. Deze kennisgevingen blijven geldig op het Belgisch grondgebied zolang zij worden verdeeld binnen de jaarlijks op de markt toegelaten gebrachte hoeveelheid en verder aan de opgelegde voorwaarden wordt voldaan. Zodra een kennisgeving wordt gedaan door de fabricant of door één van zijn afnemers of zodra een stof op de markt wordt gebracht volgens de in dit besluit beschreven methode vervallen alle oude voor deze stof gedane kennisgevingen, ingediend volgens het koninklijk besluit van 24 mei 1982 en gelden de bepalingen van dit besluit. Dit laatste geldt met terugwerkende kracht daar waar een beperkte kennisgeving volgens artikel 9, § 1, d, van het koninklijk besluit van 24 mei 1982 in België werd goedgekeurd in de periode dat het produkt reeds door andere bevoegde overheden werd aanvaard volgens de geharmoniseerde procedure. § 9. Bijwerken van de informatie : 1° Elke kennisgever van een stof waarvan reeds overeenkomstig artikel 2, § 1, 1°, of artikel 2, § 2, 1°, kennisgeving is gedaan, moet de bevoegde overheid waaraan de oorspronkelijke kennisgeving werd gedaan, uit eigen beweging en onder zijn verantwoordelijkheid schriftelijk op de hoogte brengen van : - veranderingen in de hoeveelheid per jaar of in het totaal van de hoeveelheden die door hem of, indien het om een buiten de Europese Unie vervaardigde stof gaat en de kennisgever hiervoor als alleenvertegenwoordiger is aangewezen, door hem en/of door anderen op de markt worden gebracht; - nieuwe kennis van de gevolgen van de stof voor mens en/of milieu waarvan ook de kennisgever redelijkerwijze kennis moet hebben gekregen en de resultaten van de overeenkomstig bijlage VIII verrichte studies; - nieuwe gebruiksdoeleinden waarvoor de stof op de markt wordt gebracht en waarvan hij redelijkerwijze kennis moet hebben gekregen; - wijzigingen in de samenstelling van de stof als bedoeld in bijlagen VII A, VII B, VII C of VII D, punten 1.3; - elke verandering in zijn hoedanigheid (fabrikant of importeur) alsook elke adreswijziging. 2° Iedere importeur van een stof die door een buiten de Europese Unie gevestigde fabrikant is vervaardigd en die deze stof invoert in het kader van een kennisgeving gedaan door een persoon die overeenkomstig artikel 1, § 3, d), als enige vertegenwoordiger optreedt, moet zich ervan vergewissen dat die vertegenwoordiger over bijgewerkte gegevens beschikt over de hoeveelheden van de stof die de importeur in de Europese Unie op de markt heeft gebracht. Art. 3.§ 1. Onderzoek en beoordeling van de eigenschappen van stoffen : De in het kader van dit besluit uitgevoerde proeven op chemische stoffen worden doorgaans uitgevoerd volgens de in bijlage V omschreven methodes. De fysisch-chemische eigenschappen van de stoffen worden vastgesteld volgens de in bijlage V A, genoemde methodes. Hun toxiciteit wordt bepaald volgens de in bijlage V B, genoemde methodes en hun ecotoxiciteit volgens de in bijlage V C, genoemde methodes. Het kan echter voorkomen dat voor sommige stoffen die zijn opgenomen in EINECS gegevens zijn verkregen tijdens proeven volgens andere dan de in bijlage V omschreven methodes. Rekening houdend met onder andere de noodzaak de proeven met gewervelde dieren tot het minimum te beperken zal per geval worden bepaald of deze gegevens volstaan, gelet op de eisen betreffende de indeling en het kenmerken, dan wel of aanvullende proeven overeenkomstig bijlage V moeten worden verricht. De laboratoriumproeven moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het koninklijk besluit van 27 oktober 1988 betreffende de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de uitvoering ervan bij proeven op scheikundige stoffen en de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 november 1993 betreffende de bescherming van proefdieren. § 2. Feitelijke of potentiële risico van stoffen en algemene beginselen die gelden bij de beoordeling van de door stoffen veroorzaakte risico's voor mens en milieu : 1° Beginselen van de risicobeoordeling : 1) De risicobeoordeling omvat een omschrijving van de gevaren en, zo nodig, een evaluatie van de dosis-respons (of concentratie-effect) relatie, een evaluatie van de blootstelling en een karakterisering van het risico.In de regel worden zij uitgevoerd overeenkomstig de procedures van artikel 3, § 2, 2° en 3°. 2) Onverminderd het bepaalde in artikel 3, § 2, 1°, 1), worden met betrekking tot specifieke effecten als de aantasting van de ozonlaag, waarvoor de procedures van artikel 3, § 2, 2° en 3°, onuitvoerbaar zijn, de daaraan verbonden risico's geval per geval beoordeeld en neemt de Minister een uitvoerige uiteenzetting en motivering van deze beoordeling op in het schriftelijk rapport dat de Europese Commissie wordt toegezonden overeenkomstig artikel 3, § 2, 5°.3) Bij het uitvoeren van de evaluatie van de blootstelling richt de Minister de aandacht op die menselijke populaties of milieucompartimenten die in het licht van de beschikbare gegevens over de stof en met name de opslag, de formulering van preparaten of andere vormen van verwerking, het gebruik en de verwijdering of het hergebruik daarvan, redelijkerwijs geacht kunnen worden aan de bedoelde stof te zullen worden blootgesteld.4) De risicobeoordeling resulteert in één of meer van de volgende conclusies :
- a)de stof geeft niet meteen aanleiding tot bezorgdheid en hoeft niet verder onderzocht te worden totdat overeenkomstig artikel 2, § 1, 2°, artikel 2, § 2, 3° en 4°, of artikel 2, § 9, 1°, aanvullende gegevens zijn verstrekt;
- b)de stof geeft aanleiding tot bezorgdheid en de Minister dient te bepalen welke aanvullende gegevens vereist zijn voor een herziening van de beoordeling maar wacht met het opvragen van deze gegevens tot de op de markt gebrachte hoeveelheid de volgende drempelwaarde, als bepaald in artikel 2, § 1, 2°, en artikel 2, § 2, 3° of 4°, heeft bereikt;
- c)de stof geeft aanleiding tot bezorgdheid en er dienen onmiddellijk nadere gegevens te worden opgevraagd;
- d)de stof geeft aanleiding tot bezorgdheid en de Minister dient onverwijld aanbevelingen te formuleren ter beperking van het risico.5) Als uit de risicobeoordeling blijkt dat bepaalde in artikel 3, § 2, 1°, 4), b),
- c)of d), genoemde conclusies van toepassing zijn, brengt de Minister de kennisgever van zijn conclusies op de hoogte en biedt hem de gelegenheid commentaar bij deze conclusies te geven en aanvullende gegevens te verstrekken.De Minister maakt gebruik van alle relevante gegevens om de risicobeoordeling te herzien alvorens hij deze aan de Europese Commissie toestuurt. 6) Wanneer de Minister aanbevelingen doet ter beperking van het aan een stof verbonden risico, houdt hij rekening met de mogelijkheid dat een vermindering van de blootstelling van bepaalde menselijke populaties of milieucompartimenten kan resulteren in een verhoogde blootstelling van andere menselijke populaties of milieucompartimenten.2° Risicobeoordeling : gezondheid : 1) Voor elke overeenkomstig artikel 2, § 1, 1°, en artikel 2, § 2, 1° of 2°, aangegeven stof voert de Minister een risicobeoordeling uit, waarvan het eerste onderdeel een omschrijving van de gevaren is die ten minste betrekking heeft op de in bijlage ERB I, deel A, en bijlage ERB II, deel A, genoemde eigenschappen en potentiële ongewenste effecten.Daarna gaat de Minister over tot de volgende reeks van taken uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de bijlage ERB I, deel B, en bijlage ERB II, deel B : a)- zo nodig, evaluatie van de dosis-respons (of concentratie-effect) relatie; - evaluatie van de blootstelling van elke menselijke populatie die kans loopt met de stof in aanraking te komen (werknemers, consumenten en de via het milieu indirect blootgestelde bevolking);
- b)karakterisering van het risico.2) Van de eisen van artikel 3, § 2, 2°, 1, kan worden afgeweken in volgende gevallen :
- a)als de passende test voor de vaststelling van een bepaald schadelijk effect of een bepaalde schadelijke eigenschap is uitgevoerd en de resultaten niet hebben geleid tot de indeling van de stof in het kader van dit besluit, hoeft de risicobeoordeling met betrekking tot dat effect of die eigenschap niet de in artikel 3, § 2, 2°, 1),
- a)en b), bedoelde taken te omvatten en is de in artikel 3, § 2, 1°,4), a), genoemde conclusie van toepassing tenzij er andere goede redenen tot bezorgdheid zijn; en
- b)als de passende test voor de vaststelling van een bepaald schadelijk effect of een bepaalde schadelijke eigenschap nog niet is uitgevoerd, hoeft met dat effect of die bepaalde eigenschap bij de risicobeoordeling geen rekening te worden gehouden tenzij er andere goede redenen tot bezorgdheid zijn.3° Risicobeoordeling : milieu : 1) Voor elke stof die is aangegeven overeenkomstig artikel 2, § 1, 1°, artikel 2, § 2, 1° of 2°, wordt een risicobeoordeling uitgevoerd met betrekking tot de milieu-effecten van de stof, waarvan het eerste onderdeel een omschrijving van de gevaren is.Nadat de gevaren omschreven werden, worden de volgende reeks van taken uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van bijlage ERB III :
- a)- zo nodig, evaluatie van de dosis-respons (of concentratie-effect) relatie; - evaluatie van de blootstelling van de milieucompartimenten (het aquatische milieu, het terrestrische milieu en de atmosfeer) die de kans lopen aan de stof te worden blootgesteld;
- b)karakterisering van het risico.2) Van de eisen van artikel 3, § 2, 3°, 1),kan worden afgeweken in volgende gevallen :
- a)voor stoffen die zijn aangegeven overeenkomstig artikel 2, § 1, 1°, maar die niet als gevaarlijk voor het milieu zijn ingedeeld, hoeft de risicobeoordeling niet de in artikel 3, § 2, 3°, 1),
- a)en b), bedoelde taken te omvatten en is de in artikel 3, § 2, 1°, 4), a), genoemde conclusie van toepassing tenzij er andere goede redenen tot bezorgdheid zijn; en
- b)voor stoffen die zijn aangegeven overeenkomstig artikel 2, § 2, 1° of 2°, moet er, indien er onvoldoende gegevens zijn om te bepalen of zij als gevaarlijk voor het milieu dienen te worden ingedeeld, bij de omschrijving van de gevaren worden nagegaan of er op basis van andere gegevens, bij voorbeeld gegevens over fysisch-chemische en toxische eigenschappen, goede redenen tot bezorgdheid met betrekking tot milieu-effecten bestaan.Tenzij dergelijke goede redenen voorhanden zijn, hoeft de risicobeoordeling niet de in artikel 3, § 2, 3°, 1),
- a)en b), bedoelde taken te omvatten en is de in artikel 3, § 2, 1°, 4), a), genoemde conclusie van toepassing. 4° Conclusies van de risicobeoordeling : 1) Nadat overeenkomstig artikel 3, § 2, 2° en 3°, en volgens de bepalingen in de bijlagen ERB I, ERB II en ERB III, een risicobeoordeling werd uitgevoerd, wordt overeenkomstig bijlage ERB IV bepaald welke van de vier in artikel 3, § 2, 1°, 4, genoemde conclusie(
- s)van toepassing is of zijn en worden zo nodig de in artikel 3, § 2, 1°, 5, genoemde maatregelen genomen.2) Indien aanvullende gegevens zijn verstrekt overeenkomstig artikel 2, § 1, 2°, artikel 2, § 2, 3° en 4°, artikel 2, § 9, 1°, of artikel 5 of op een andere wijze, wordt de risicobeoordeling, uitgevoerd in overeenstemming met artikel 3, § 2, 2° en 3°, en volgens de bepalingen in de bijlagen ERB I, ERB II en ERB III, opnieuw bezien en zo nodig gewijzigd.5° Inhoud van het schriftelijk rapport aan de Europese Commissie : 1) Nadat overeenkomstig artikel 3, § 2, 2° en 3°, een risicobeoordeling werd uitgevoerd en overeenkomstig artikel 3, § 2, 4°, daaruit conclusies werden getrokken, wordt een schriftelijk rapport opgesteld dat ten minste de in bijlage ERB V genoemde gegevens bevat.Dit rapport wordt aan de Europese Commissie toegezonden. Bij elke herziening van de beoordeling in het licht van aanvullende gegevens wordt het bijgewerkt. Het bijgewerkte rapport wordt aan de Europese Commissie toegezonden. 2) Wanneer de bevoegde instanties overeenstemming hebben bereikt over het schriftelijk rapport van de risicobeoordeling of een herziening daarvan, wordt op verzoek een kopie daarvan ter beschikking van de kennisgever gesteld.6° De algemene beginselen van de risicobeoordeling zijn opgenomen in de ERB-bijlagen bij dit besluit. De Minister kan op elk ogenblik de ERB-bijlagen van dit besluit aanpassen aan de nieuwe voorschriften van de Europese Unie. § 3. Indeling : 1° De stoffen worden op basis van hun intrinsieke eigenschappen ingedeeld in de in artikel 1, § 4, gedefinieerde categorieën.Bij de indeling van de stoffen wordt rekening gehouden met onzuiverheden voor zover hun concentraties de concentratiegrenzen overschrijden bedoeld in artikel 3, § 3, 4°, van dit besluit en in artikel 5 van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 juni 1995. 2° De algemene beginselen voor de indeling en het kenmerken van de stoffen en preparaten worden toegepast volgens de criteria van bijlage VI, behoudens andersluidende bepalingen inzake gevaarlijke preparaten die in bijzondere besluiten worden vastgesteld.3° Bijlage I bevat de lijst van stoffen die overeenkomstig de in artikel 3, § 3, beschreven beginselen zijn ingedeeld, alsmede de geharmoniseerde indeling en het kenmerken ervan.4° De in bijlage I opgenomen gevaarlijke stoffen worden zo nodig gekarakteriseerd door concentratiegrenzen of een andere parameter met behulp waarvan het gezondheidsrisico of milieugevaar van de preparaten die voornoemde gevaarlijke stoffen bevatten, of de stoffen die voornoemde gevaarlijke stoffen als onzuiverheden bevatten, kan worden beoordeeld. § 4. Plicht tot onderzoek : De fabrikanten van, handelaars in en importeurs van gevaarlijke stoffen die nog niet in bijlage I zijn opgenomen, doch wel in EINECS, dienen een onderzoek in te stellen ten einde kennis te nemen van de bestaande relevante en toegankelijke gegevens betreffende de eigenschappen van die stoffen. Aan de hand van die gegevens moeten zij die stoffen verpakken en voorlopig kenmerken overeenkomstig de artikelen 7 en 8 en de criteria van bijlage VI. Art. 4.Herhalingskennisgeving van een zelfde stof en voorkoming van herhaling van proeven met gewervelde dieren : § 1. Voor een stof waarvan reeds eerder overeenkomstig artikel 2, § 1, 1°, of artikel 2, § 2, 1°, kennisgeving is gedaan, mag de volgende kennisgever van die stof ten aanzien van de punten 3, 4, en 5, van de bijlagen VII A en VII B, en de punten 3 en 4, van bijlage VII C, verwijzen naar de resultaten van de door de oorspronkelijke kennisgever uitgevoerde proeven en onderzoeken voor zover de volgende kennisgever kan aantonen dat de stof waarvan opnieuw kennisgeving wordt gedaan, identiek is met die waarvan vroeger reeds kennisgeving is gedaan, onder andere wat de zuiverheidsgraad en de aard van de onzuiverheden betreft. Verwijzing naar de resultaten van de door de oorspronkelijke kennisgever verrichte proeven en onderzoeken kan slechts met diens schriftelijke toestemming geschieden. § 2. Alvorens aspirantkennisgevers met het oog op een kennisgeving overeenkomstig artikel 2, § 1, 1°, of artikel 2, § 2, 1°, tot experimenten met gewervelde dieren overgaan, dienen zij onverminderd artikel 4, § 1, van dit besluit bij de Minister de volgende inlichtingen in te winnen :
- a)of van de stof waarvan zij voornemens zijn kennisgeving te doen, reeds eerder kennisgeving is gedaan;
- b)de naam en het adres van de oorspronkelijke kennisgever. Dit verzoek om inlichtingen moet worden gestaafd met gegevens waaruit blijkt dat de aspirant-kennisgever het voornemen heeft de stof op de markt te brengen, alsmede met gegevens betreffende de hoeveelheden die hij overweegt in de handel te brengen en het beoogde gebruik. Als bewijzen voor deze staving moeten zij verder de analytische en spectroscopische gegevens laten geworden, het CAS-nummer zodra dit beschikbaar is, de structuur en brutoformule, stereochemische gegevens zo het optisch/geometrische isomeren betreft, de IUPAC-naam (naam volgens de nomenclatuur van de International Union of Pure and Applied Chemistry) of een beschrijving die moet toelaten vast te stellen of de stof moet worden beschouwd als een UVCB-produkt (stof van ongekende of variabele samenstelling, product als resultaat van een complexe reactie en biologische stof) alsook het EEG-nummer van de stof indien men vermoedt dat ze reeds in ELINCS voorkomt. Als de Minister (die het verzoek om inlichtingen ontvangt), overtuigd is van het voornemen van de aspirant-kennisgever om de stof in de opgegeven hoeveelheden op de markt te brengen, er van de stof reeds eerder kennisgeving is gedaan, en de oorspronkelijke kennisgever geen tijdelijke vrijstelling van de bepalingen van dit artikel heeft gevraagd en gekregen, deelt de Minister de aspirant-kennisgever naam en adres van de oorspronkelijke kennisgever mee en geeft hij tegelijkertijd aan de oorspronkelijke kennisgever naam en adres van de aspirant-kennisgever op. De oorspronkelijke kennisgever en de aspirant-kennisgever doen al het nodige om overeenstemming te bereiken over de uitwisseling van informatie ten einde herhaling van proeven met gewervelde dieren te voorkomen. § 3. Kennisgevers van een zelfde stof die zijn overeengekomen gegevens met betrekking tot bijlage VII overeenkomstig artikel 4, §§ 1 en 2, uit te wisselen, doen tevens al het nodige om overeenstemming te bereiken over de uitwisseling van overeenkomstig artikel 2, § 1, 2°, ingediende informatie met betrekking tot proeven met gewervelde dieren. Art. 5.§ 1. Bij het Ministerie van Volksgezondheid en Leefmilieu wordt een Commissie gevaarlijke produkten opgericht, hierna de « Commissie » genoemd, samengesteld uit gewone leden : 1° twee technische ambtenaren van het Ministerie van Sociale Zaken, van Volksgezondheid en Leefmilieu;2° twee leden van het wetenschappelijk personeel van het Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie van het Ministerie van Sociale Zaken, van Volksgezondheid en Leefmilieu;3° drie technische ambtenaren van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;4° één technisch ambtenaar van het Ministerie van Middenstand en Landbouw;5° één lid van het wetenschappelijk personeel van het Instituut voor Scheikundig Onderzoek van het Ministerie van Middenstand en Landbouw;6° twee technische ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken;7° twee ambtenaren van de Civiele Bescherming van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De leden van de Commissie worden benoemd door de Minister. Voor de leden bedoeld onder 3°, 4°, 5°, 6° en 7°, van artikel 5, § 1, gebeurt de benoeming op de voordracht van de betrokken Ministers. Voor ieder gewoon lid van de Commissie wordt onder dezelfde voorwaarden een plaatsvervanger aangesteld. Daarenboven kan de Minister op voordracht van de Commissie, deze laatste aanvullen met tijdelijke raadgevers die op grond van hun kennis op het stuk van de gevaarlijke produkten worden gekozen. De raadgevers hebben geen beraadslagende stem. Ook kan de Commissie in de loop van haar werkzaamheden de personen horen van wie het advies haar nuttig voorkomt. Desgevallend kan zij een beroep doen op deskundigen. De adviezen worden aangenomen bij gewone meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. De Commissie stelt haar reglement van inwendige orde op dat aan de Minister ter goedkeuring wordt voorgelegd. Dat reglement kan, onder de voorwaarden welke het bepaalt, voorzien in de toekenning van presentiegeld, van vergoedingen, of in de terugbetaling van onkosten, aan de leden van de Commissie, aan de eventueel geraadpleegde deskundigen alsook aan de personeelsleden van het Bestuur van de Volksgezondheid. De Minister benoemt een van de gewone leden van de Commissie tot voorzitter. Hetzelfde geldt voor de ondervoorzitter. In geval van afwezigheid of belet wordt de voorzitter vervangen door de ondervoorzitter. Voorzitter en ondervoorzitter behoren tot een verschillende taalrol. Het secretariaat van de Commissie wordt verzekerd door ambtenaren die behoren tot de diensten van het Leefmilieu van de Bestuursafdeling van de Volksgezondheid. § 2. De bevoegdheden van de Commissie zijn van technische en raadgevende aard : I. De Commissie heeft als opdracht : 1) de in artikel 2, 3 en 4, § 1, bedoelde gegevens van de kennisgever in ontvangst te nemen en te verifiëren of deze met de bepalingen van dit besluit in overeenstemming zijn;2) het onderzoek van :
- a)de door de kennisgever voorgestelde conclusies in verband met de te voorziene gevaren die de stof kan opleveren;
- b)de voorstellen van de kennisgever betreffende het indelen en het kenmerken van de stof;
- c)de voorstellen van aanbevelingen gedaan door de kennisgever inzake het veilig en hygiënisch gebruik van de stof met het oog op de bescherming van de gezondheid van de werknemer en van de bevolking;
- d)de dossiers die door de Commissie van de Europese Unie aan de Minister worden toegestuurd.3) Bij een conflict inzake het gebruik van beschikbare informatie tussen kennisgevers en aspirant-kennisgevers van dezelfde stof bemiddelt de Commissie via een confrontatie- en arbitrageprocedure rekening houdende met de in artikel 2, § 1, 1°, A, e), bedoelde tijdelijke vrijstelling en het redelijke evenwicht tussen de belangen van de betrokken partijen.Indien ondanks artikel 4, §§ 2 en 3, geen overeenstemming wordt bereikt over het delen van gegevens, neemt de Minister, op advies van de Commissie, de maatregelen waarbij vroegere kennisgevers en aspirant-kennisgevers van dezelfde stof verplicht worden gegevens te delen om herhaling van proeven met gewervelde dieren te voorkomen. De Commissie kan weigeren gegevens van nieuwe testen te beoordelen indien de Minister, op haar advies, geen toelating tot het uitvoeren van deze testen heeft gegeven. 4) Risico-evaluatie tot beoordeling van het feitelijke of potentiële risico van stoffen : Voor de stoffen waarvan overeenkomstig artikel 2, § 1, 1°, en artikel 2, § 2, 1° en 2°, kennis wordt gegeven, maakt de Commissie volgens de in artikel 3, § 2, 1°, bedoelde algemene beginselen een beoordeling op van het feitelijke of potentiële risico.De beoordeling bevat aanbevelingen omtrent de meest geschikte testmethode voor de stof en eventueel ook aanbevelingen voor maatregelen waarmee de risico's van het op de markt brengen van de stof voor mens en milieu kunnen worden verminderd. De beoordeling wordt op gezette tijden bijgewerkt aan de hand van nadere informatie die ingevolge artikel 2, § 1, 2°, artikel 2, § 2, 3°, en artikel 4,§1, is verstrekt. II. Bovendien kan de Commissie, indien zulks noodzakelijk blijkt voor de beoordeling van het gevaar dat een stof kan opleveren, nadere inlichtingen, aanvullend onderzoek en verificatie- of controleproeven vragen met betrekking tot stoffen of de door verwerking daarvan verkregen produkten, omtrent welke zij op grond van dit besluit een kennisgeving of informatie heeft ontvangen zoals : 1) de in bijlage VIII bedoelde inlichtingen eerder opvragen dan in artikel 2, § 1, 2°, is bepaald;2) het laten overgaan tot het nemen en ontleden van de nodige monsters voor controledoeleinden;3) de kennisgever vragen om van de stof waarvan kennisgeving is gedaan die hoeveelheden te verstrekken die noodzakelijk zijn om de verificatieproeven te kunnen verrichten;4) passende maatregelen aan de Minister voorstellen inzake veilig gebruik van een stof;5) het advies inwinnen van de Hoge Gezondheidsraad. § 3. De Commissie richt, bij kennisgevingen overeenkomstig artikel 2, § 1, binnen de vijfenvijftig dagen en bij kennisgevingen overeenkomstig artikel 2, § 2, binnen de vijfentwintig dagen na ontvangst van een kennisgevingsdossier een met redenen omkleed advies aan de Minister, met betrekking tot : 1° de volledigheid van het dossier zoals vereist door artikel 2, § 1, van dit besluit.(Zo kan o.m. gecontroleerd worden of van de stof reeds eerder kennisgeving is gedaan, of de aspirant-kennisgever duidelijk het voornemen heeft om de stof in de opgegeven hoeveelheden op de markt te brengen en de oorspronkelijke kennisgever geen tijdelijke vrijstelling van de bepalingen van artikel 4, § 2, heeft gevraagd en gekregen); 2° de elementen van het dossier die onder de geheimhouding vallen ingevolge artikel 6 van dit besluit, waarbij rekening wordt gehouden met de verzoeken en de motivering vanwege de kennisgever;3° de conformiteit van de door de kennisgever verschafte inlichtin gen met de bepalingen van dit besluit. § 4. Bij kennisgevingen overeenkomstig artikel 2, § 1, deelt de Minister binnen zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving de kennisgever schriftelijk mee of de kennisgeving in overeenstemming met dit besluit is bevonden. Wanneer het dossier is aanvaard, deelt de Minister tegelijkertijd de kennisgever het officiële nummer mee dat aan zijn kennisgeving is toegekend. Wanneer het dossier niet is aanvaard, deelt de Minister de kennisgever mee welke verdere informatie hij dient te verschaffen om het dossier in overeenstemming met dit besluit te brengen. § 5. Bij kennisgevingen overeenkomstig artikel 2, § 2, besluit de Minister binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving of deze in overeenstemming is met dit besluit en indien hij de kennisgeving niet in overeenstemming acht, deelt hij de kennisgever mee welke verdere informatie hij dient te verschaffen om het dossier in overeenstemming met dit besluit te brengen. Voldoet de kennisgeving daarentegen aan dit besluit, dan deelt de Minister de kennisgever binnen dezelfde termijn het officiële nummer mee dat aan zijn kennisgeving is toegekend. § 6. Voor stoffen die buiten de Europese Unie zijn vervaardigd en waarbij meer dan één kennisgeving is gedaan voor de door één fabrikant vervaardigde stof, is de bevoegde overheid, in overleg met de bevoegde instanties van de andere Lidstaten en met de Commissie van de Europese Unie verantwoordelijk voor de berekening van de jaarlijkse en cumulatieve tonnages die in de Europese Unie op de markt worden gebracht. Wanneer de in artikel 2, § 1, 2°, aangegeven tonnages worden bereikt, zal de bevoegde instantie die voor de ontvangst van de kennisgevingen verantwoordelijk is, met elke kennisgever contact opnemen ten einde hem op de hoogte te brengen van de identiteit van de andere kennisgevers en hem attent maken op hun in artikel 2, § 5, vermelde gezamenlijke verantwoordelijkheid. § 7. De Minister kan te allen tijde, na advies van de Commissie, voor dit besluit passende maatregelen nemen inzake veilig gebruik van een stof. Art. 6.Vertrouwelijkheid van gegevens en industriële en commerciële geheimhouding : § 1. 1° Indien zich volgens de kennisgever problemen in verband met de vertrouwelijkheid van de gegevens voordoen, kan de kennisgever aangeven dat bepaalde in artikel 2, §§ 1 en 2, en artikel 2, § 9, bedoelde gegevens welke hij commercieel gevoelig acht en waarvan de verspreiding hem uit industrieel en commercieel oogpunt schade zou kunnen berokkenen, voor iedereen behalve de bevoegde instanties en de Commissie van de Europese Unie geheim moeten worden gehouden. Deze aanduiding moet met redenen worden omkleed. 2° Ten aanzien van de overeenkomstig artikel 2, § 1, 1° en 2°, en artikel 2, § 2, 1°, 2° en 3°, ingediende kennisgevingen en gegevens kan geen aanspraak op industriële en commerciële geheimhouding worden gemaakt voor :
- a)de handelsnaam van de stof;
- b)de naam van de fabrikant en de kennisgever;
- c)de fysisch-chemische gegevens inzake de stof, bedoeld in punt 3 van de bijlagen VII A, VII B, VII C en VII D;
- d)de mogelijkheden om de stof onschadelijk te maken;
- e)de beknopte resultaten van de toxicologische en ecotoxicologische proeven;
- f)indien absoluut noodzakelijk voor de indeling en het kenmerken van de stof met het oog op opneming ervan in bijlage I, de zuiverheidsgraad van de stof en de identiteit van de onzuiverheden en/of additieven die gevaarlijk zijn in de zin van artikel 1, § 4;
- g)de aanbevolen methoden en voorzorgsmaatregelen, bedoeld in de bijlagen VII A, VII B, VII C en VII D, punt 2.3, en de noodmaatregelen, bedoeld in de bijlagen VII A, VII B, VII C en VII D, punten 2.4 en 2.5;
- h)de in het veiligheidsinformatieblad opgenomen gegevens;
- i)met betrekking tot de stoffen van bijlage I, de analysemethoden waardoor een gevaarlijke stof kan worden gevolgd nadat zij in het milieu is gebracht en waardoor de rechtstreekse blootstelling van de mens aan deze stof kan worden bepaald.3° Indien de kennisgever, fabrikant of importeur aanvankelijk vertrouwelijke informatie later zelf openbaar maakt, moet hij de Minister daarvan schriftelijk op de hoogte stellen. § 2. De instantie die de kennisgeving of de informatie heeft ontvangen, besluit op eigen verantwoordelijkheid welke inlichtingen overeenkomstig artikel 6, § 1, onder de industriële en commerciële geheimhouding vallen. Informatie die vertrouwelijk wordt geacht door de instantie die het kennisgevingsdossier van de kennisgever ontvangt, moet als zodanig worden behandeld door de andere bevoegde instanties en de Commissie van de Europese Unie. § 3. 1° Van een op de Elincslijst van nieuwe stoffen voorkomende stof die niet in de zin van dit besluit als gevaarlijke stof is ingedeeld, mag op verzoek van de bevoegde instantie waaraan de kennisgeving is toegezonden als benaming, de handelsnaam worden opgegeven. Gewoonlijk wordt een dergelijke stof voor ten hoogste drie jaar onder haar handelsnaam in de lijst opgenomen. Indien de bevoegde instantie waarbij het dossier is ingediend, van mening is dat reeds door de publikatie van de chemische benaming in de nomenclatuur volgens de International Union of Pure and Applied Chemistry informatie over de commerciële exploitatie of de vervaardiging wordt onthuld, mag de stof gedurende een naar goeddunken van de bevoegde instantie te bepalen periode alleen onder de handelsnaam worden geregistreerd. 2° Gevaarlijke stoffen mogen, op verzoek van de bevoegde instantie waaraan de kennisgeving is toegezonden, alleen onder de handelsnaam in de lijst worden vermeld, totdat zij in bijlage I worden opgenomen. § 4. 1° De ter kennis van de Commissie van de Europese Unie of bevoegde instanties van Lid-Staten gebrachte vertrouwelijke gegevens worden geheim gehouden. 2° In ieder geval mogen deze gegevens slechts ter kennis worden gebracht van specifiek bevoegde instanties of van personen die rechtstreeks betrokken zijn bij administratieve of gerechtelijke procedures die sancties meebrengen en die worden ingeleid ten einde controle uit te oefenen op de op de markt gebrachte stoffen en mogen zij tevens worden verstrekt aan personen die moeten deelnemen of worden gehoord in het kader van een wetgevingsprocedure. § 5. Eenieder die deelneemt of die geroepen is tot deelname aan de werkzaamheden van de Commissie is absolute geheimhouding verschuldigd nopens alle vertrouwelijke inlichtingen of documenten waarvan hij of zij kennis heeft in de loop of ter gelegenheid van die werkzaamheden. Art. 7.Verpakking. § 1. Gevaarlijke stoffen mogen slechts op de markt worden gebracht indien hun verpakking voldoet aan de volgende eisen :
- a)de verpakking moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat ongewild verlies van de inhoud wordt voorkomen.Dit geldt niet indien bijzondere veiligheidsvoorzieningen zijn voorgeschreven;
- b)het materiaal van de verpakking en sluiting mag niet door de inhoud kunnen worden aangetast of daarmee een gevaarlijke verbinding kunnen vormen;
- c)verpakking en sluiting moeten in alle onderdelen zo stevig en sterk zijn dat zij niet losraken en afdoende tegen elke normale behandeling bestand zijn;
- d)recipiënten die voorzien zijn van een sluiting die meermaals kan worden gebruikt, moeten zodanig ontworpen zijn dat de verpakking herhaalde malen opnieuw gesloten kan worden zonder dat hierbij ongewild iets van de inhoud ontsnapt;
- e)elk recipiënt, ongeacht de inhoud, die stoffen bevat die worden verkocht aan het grote publiek of daaraan ter beschikking worden gesteld, en waarvan het etiket de vermelding « zeer vergiftig », « vergiftig » of « bijtend » draagt, in de zin van dit besluit, moet voorzien zijn van een kinderveiligheidssluiting en van een bij aanraking waarneembare waarschuwing;
- f)op elke recipiënt, ongeacht de inhoud, die stoffen bevat die worden verkocht aan het grote publiek of daaraan ter beschikking worden gesteld, en waarvan het etiket de vermelding « schadelijk », « zeer licht ontvlambaar » of « licht ontvlambaar » draagt, in de zin van dit besluit, moet een bij aanraking waarneembare waarschuwing worden aangebracht. § 2. De Minister kan bepalen dat verpakkingen bij de eerste vulling gesloten moeten worden met een zegel dat onherstelbaar wordt beschadigd wanneer de verpakking voor het eerst wordt geopend. § 3. De technische specificaties betreffende de in artikel 7, § 1, onder
- e)en f), genoemde voorzieningen worden vermeld in bijlage IX A en IX B bij dit besluit. Art. 8.§ 1. Kenmerken. 1° Gevaarlijke stoffen mogen alleen op de markt worden gebracht indien hun verpakking, wat het kenmerken betreft, voldoet aan de volgende voorschriften.Elke verpakking moet duidelijk leesbaar en onuitwisbaar de volgende aanduidingen bevatten :
- a)benaming van de stof en wel een van de benamingen die in bijlage I voorkomen.Is de stof niet in bijlage I genoemd, dan moet de naam worden vermeld met gebruikmaking van een internationaal erkende nomenclatuur;
- b)naam en volledig adres, inclusief telefoonnummer, van degene die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van de stof en gevestigd is in de Europese Unie, ongeacht of het de fabrikant, de importeur of de handelaar betreft;
- c)gevarensymbolen, voor zover die bestaan, en aanduidingen van de aan het gebruik van de stof verbonden gevaren.De gevarensymbolen en de waarschuwingen dienen overeen te stemmen met bijlage II. De symbolen moeten in zwart op een oranjegele achtergrond worden gedrukt. De voor iedere stof te gebruiken gevarensymbolen en waarschuwingen worden vermeld in bijlage I. Aan de gevaarlijke stoffen die nog niet in bijlage I zijn opgenomen, worden gevarensymbolen en waarschuwingen toegewezen volgens de regels van bijlage VI. Indien aan een stof meer dan één symbool is toegewezen : - maakt de verplichting symbool T aan te brengen het aanbrengen van de symbolen X en C facultatief, behoudens andersluidende bepalingen in bijlage I; - maakt de verplichting symbool C aan te brengen het aanbrengen van symbool X facultatief; - maakt de verplichting symbool E aan te brengen het aanbrengen van de symbolen F en O facultatief;
- d)de standaardvermeldingen waarin de bijzondere risico's verbonden aan het gebruik van de stof voorkomen (R-zinnen).Deze R-zinnen moeten worden opgesteld overeenkomstig de gegevens van bijlage III. De voor elke stof te gebruiken R-zinnen staan in bijlage I. In het geval van gevaarlijke stoffen die nog niet in bijlage I zijn opgenomen, worden de te gebruiken R-zinnen toegekend volgens de regels van bijlage VI;
- e)de standaardvermeldingen waarin de veiligheidsaanbevelingen voor het gebruik van de stof voorkomen (S-zinnen).Deze S-zinnen moeten worden opgesteld overeenkomstig de gegevens van bijlage IV. De voor elke stof te gebruiken S-zinnen staan in bijlage I. Voor gevaarlijke stoffen die nog niet in bijlage I zijn opgenomen, worden de te gebruiken S-zinnen toegekend volgens de regels van bijlage VI;
- f)het EEG-nummer, wanneer het wordt toegekend.Het EEG-nummer wordt verkregen op basis van de lijst van bestaande (EINECS) en van nieuwe (ELINCS) stoffen. Voor de stoffen in bijlage I staat op het etiket bovendien de vermelding « EEG-etikettering ». 2° Voor irriterende, licht ontvlambare, ontvlambare of oxyderende stoffen behoeven de R-en S-zinnen niet te worden vermeld indien de inhoud van de verpakking niet meer dan 125 milliliter bedraagt.Dit geldt eveneens voor de schadelijke stoffen, bij dezelfde inhoud, die niet in de detailhandel aan het publiek worden verkocht. 3° Vermeldingen als « niet vergiftig », « niet-schadelijk » of andere analoge vermeldingen mogen niet voorkomen op het etiket of de verpakking van de stoffen waarvoor dit besluit geldt. § 2. Tenuitvoerlegging van de voorschriften voor het kenmerken. 1° Indien de in artikel 8, § 1, voorgeschreven zinnen op een etiket worden aangebracht, dient dit stevig op een of meer zijden van de verpakking te worden gehecht zodat deze zinnen horizontaal kunnen worden gelezen wanneer de verpakking op de gebruikelijke wijze wordt neergezet.Voor de afmetingen van dit etiket gelden de onderstaande formaten : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Ieder symbool beslaat ten minste een tiende van de oppervlakte van het etiket en het mag niet kleiner zijn dan 1 vierkante centimeter. Het etiket dient over de gehele oppervlakte te zijn gehecht aan de verpakking die de stof rechtstreeks bevat. Deze formaten zijn uitsluitend bestemd voor het aanbrengen van de uit hoofde van dit besluit vereiste gegevens en eventueel van aanvullende gezondheids-of veiligheidsaanwijzingen. 2° Een etiket is niet vereist indien de aanduidingen op de in artikel 8, § 2, 4°, bepaalde wijze op duidelijke wijze op de verpakking zelf zijn aangebracht.3° Kleur en uiterlijk van het etiket of, in het onder artikel 8, § 2, 2°, bedoelde geval, van de verpakking moeten zodanig zijn dat het gevarensymbool duidelijk tegen zijn achtergrond afsteekt.4° De overeenkomstig artikel 8, § 1, op het etiket vereiste gegevens steken af tegen de achtergrond en hebben een dusdanige grootte en spatiëring dat zij gemakkelijk leesbaar zijn. De specifieke bepalingen betreffende de presentatie en het formaat van deze gegevens worden vastgesteld in bijlage VI. 5° De vermeldingen betreffende gevaarlijke stoffen worden gesteld in de taal of de talen van het taalgebied waar met deze stoffen wordt omgegaan.6° Aan de bepalingen voor het kenmerken wordt in het kader van dit besluit geacht te zijn voldaan :
- a)in het geval van een buitenverpakking die een of meer binnenverpakkingen omsluit, indien op de buitenverpakking de kenmerken overeenkomstig de internationale voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en op de binnenverpakking, respectievelijk binnenverpakkingen, de kenmerken overeenkomstig dit besluit zijn aangebracht;
- b)in het geval van een enkelvoudige verpakking : - indien op deze verpakking de kenmerken zijn aangebracht overeenkomstig de internationale voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en tevens overeenkomstig artikel 8, § 1, 1°, a), b), d),
- e)en f), en, - waar nodig, voor bijzondere verpakkingen, zoals bij voorbeeld mobiele gasflessen, kenmerken zijn aangebracht overeenkomstig de in bijlage VI bedoelde bijzondere voorschriften. § 3. Vrijstelling van de bepalingen voor het kenmerken en verpakking. 1° Artikel 7 en 8, §§ 1 en 2, zijn niet van toepassing op de bepalingen betreffende munitie en springstoffen die op de markt worden gebracht om door explosie of door een pyrotechnisch effect een nuttige uitwerking te hebben. Bovendien zijn deze artikelen tot 30 april 1997 niet van toepassing op de bepalingen betreffende butaan, propaan en vloeibaar petroleumgas. 2°
- a)Het kenmerken zoals voorgeschreven in artikel 8, § 1, mag op een andere passende wijze geschieden indien de beperkte afmetingen of anderszins ongeschikte aard van de verpakking het kenmerken overeenkomstig artikel 8, § 2, 1° en 2°, onmogelijk maken;
- b)in afwijking van artikel 8, §§ 1 en 2, mogen de verpakkingen van gevaarlijke stoffen, die niet ontplofbaar zijn, niet zeer vergiftig of niet vergiftig zijn, niet of op een andere wijze worden gekenmerkt, indien zij zulke geringe hoeveelheden bevatten dat er voor de personen die met deze stoffen omgaan of derden geen gevaar valt te duchten;
- c)in afwijking van artikel 8, §§ 1 en 2, mogen de verpakkingen van ontplofbare, zeer vergiftige of vergiftige stoffen op een andere passende wijze worden gekenmerkt, wanneer door de beperkte afmetingen het kenmerken overeenkomstig genoemde bepalingen niet mogelijk is en er voor de personen die met deze stoffen omgaan en derden geen gevaar valt te duchten. Op grond van deze afwijking, bedoeld in het geheel van dit punt 2°, mag geen gebruik worden gemaakt van andere symbolen, gevaaraanduidingen, R-of S-zinnen dan die welke bij dit besluit zijn vastgesteld. Art. 9.§ 1. Elke vorm van reclame voor een stof behorende tot een of meer van de in artikel 1, § 4, bedoelde categorieën is verboden indien de betrokken categorie/categorieën niet is/zijn aangeduid. § 2. Veiligheidsinformatiebladen. Om met name de professionele gebruikers in staat te stellen de nodige maatregelen te nemen voor de bescherming van het milieu, alsmede van de gezondheid en de veiligheid op de werkplaats, verstrekt elke fabrikant, importeur of handelaar vóór de eerste levering van een gevaarlijke stof de afnemer, een veiligheidsinformatieblad. Dit informatieblad moet de nodige informatie voor de bescherming van mens en milieu bevatten. Vermeldingen betreffende de gevaren worden minstens gesteld in de taal of de talen van het gebied waar deze stoffen op de markt worden gebracht. Het blad mag schriftelijk of elektronisch worden verstrekt. Daarna moet de fabrikant, de betrokken importeur of handelaar de ontvanger van het veiligheidsinformatieblad op de hoogte brengen van alle nieuwe relevante informatie betreffende de stof waarvan hij kennis heeft gekregen. Dit informatieblad is samengesteld overeenkomstig de bepalingen van bijlage X bij dit besluit. Vóór de eerste levering van een gevaarlijke stof in België, stuurt elke fabrikant, importeur of handelaar een kopie van het bovenbedoelde veiligheidsinformatieblad naar het Nationaal Centrum ter voorkoming en behandeling van intoxicaties bedoeld in het koninklijk besluit van 25 november 1983 betreffende Rijkstegemoetkoming aan het Nationaal Centrum ter voorkoming en behandeling van intoxicaties. § 3. Indien er in het licht van nieuwe gegevens, gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een stof die weliswaar aan de bepalingen van dit besluit voldoet, toch gevaar oplevert voor mens of milieu, omdat indeling, verpakking of etikettering niet meer adequaat zijn, kan de Minister deze stof tijdelijk herindelen of, zo nodig, het op de markt brengen daarvan tijdelijk verbieden of aan bijzondere voorwaarden onderwerpen. Hij brengt de Commissie van de Europese Unie en de andere Lidstaten onmiddelijk op de hoogte, onder aanvoering van de redenen voor zijn besluit. Art. 2.§ 1. De bijlagen van het koninklijk besluit van 24 mei 1982 houdende reglementering van het in de handel brengen van stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de mens of voor zijn leefmilieu, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 februari 1985, 14 september 1989 en 19 juli 1994 worden als volgt gewijzigd : - Bijlage I wordt vervangen door bijlage I bij dit besluit; - Bijlage II wordt vervangen door bijlage II bij dit besluit; - Bijlage III wordt vervangen door bijlage III bij dit besluit; - Bijlage IV wordt vervangen door bijlage IV bij dit besluit; - Bijlage V wordt gewijzigd als volgt : De delen A, B en C die zijn ingevoerd door het koninklijk besluit van 14 februari 1985, worden vervangen door bijlage V bij dit besluit; in het deel C, dat aan bijlage V werd toegevoegd door het KB van 14 september 1989, wordt de « Remmingstest voor algen » geschrapt. - Bijlage VI wordt gewijzigd als volgt : De delen I en II worden vervangen door bijlage VI bij dit besluit. - Bijlage VII wordt vervangen door : - bijlage VII A, gegevens die in het in artikel 2, § 1, bedoelde technisch dossier (basisdossier) moeten worden opgenomen; - bijlage VII B, gegevens die in het in artikel 2, § 2, 1° en 3°, bedoelde technisch dossier (basisdossier) moeten worden opgenomen; - bijlage VII C, gegevens die in artikel 2, § 2, 2°, bedoelde technisch dossier (basisdossier) moeten worden opgenomen; - bijlage VII D, specifieke bepalingen betreffende het technische dossier (basisdossier) dat is opgenomen in de in artikel 2, § 6, bedoelde kennisgevingen betreffende polymeren. - Bijlage VIII wordt vervangen door bijlage VIII, overeenkomstig artikel 2, § 1, 2°, vereiste aanvullende gegevens en onderzoeken. - Bijlage IX wordt vervangen door bijlage IX bij dit besluit en omvat : - deel A, bepalingen betreffende kinderveilige sluitingen; - deel B, bepalingen betreffende bij aanraking waarneembare ge vaarsaanduidingen. Een bijlage X, richtsnoeren voor de samenstelling van de kaarten met de gegevens omtrent de veiligheid wordt in bijlage bij dit besluit gevoegd. § 2. Voor de risicobeoordeling van stoffen worden volgende bij dit besluit gevoegde bijlagen als bijlagen bij het koninklijk besluit van 24 mei 1982 toegevoegd : - Bijlage ERB I, risicobeoordeling : gezondheid (toxiciteit); - Bijlage ERB II, risicobeoordeling : gezondheid (fysisch-chemische eigenschappen); - Bijlage ERB III, risicobeoordeling : milieu; - Bijlage ERB IV, algemene synthese van de conclusies; - Bijlage ERB V, in het samenvattend rapport over de risicobeoordeling op te nemen gegevens. § 3. Indien nodig kunnen de Minister van Volksgezondheid, de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de Minister die het Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft, ieder wat hem betreft, de bijlagen van dit koninklijk besluit aanpassen. Art. 3.Onze Minister van Volksgezondheid, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en Onze Staatssecretaris voor Leefmilieu zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 november 1997. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, E. DI RUPO De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE De Minister van Volksgezondheid, M. COLLA De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN De Staatssecretaris voor Leefmilieu, J. PEETERS Bijlage I Lijst van de gevaarlijke stoffen Als lijst van de gevaarlijke stoffen voor deze bijlage geldt de bijlage III, deel I, van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan, gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 juni 1995. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 13 november 1997. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, E. DI RUPO De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE De Minister van Volksgezondheid, M. COLLA De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN De Staatssecretaris voor Leefmilieu, J. PEETERS Bijlage II Symbolen voor het kenmerken Voor het kenmerken gelden de gevaarssymbolen opgenomen in bijlage III, deel II van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan, gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 juni 1995. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 13 november 1997. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, E. DI RUPO De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE De Minister van Volksgezondheid, M. COLLA De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN De Staatssecretaris voor Leefmilieu, J. PEETERS Bijlage III Aard der bijzondere gevaren toegeschreven aan gevaarlijke stoffen Voor het kenmerken gelden de standaardzinnen, nopens de aard der bijzondere gevaren toegeschreven aan gevaarlijke stoffen, opgenomen in bijlage III, deel II van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan, gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 juni 1995. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 13 november 1997. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, E. DI RUPO De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE De Minister van Volksgezondheid, M. COLLA De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN De Staatssecretaris voor Leefmilieu, J. PEETERS Bijlage IV Veiligheidsaanbevelingen met betrekking tot gevaarlijke stoffen Voor het kenmerken gelden de veiligheidsaanbevelingen opgenomen in bijlage III, deel II van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan, gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 juni 1995. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 13 november 1997. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie, E. DI RUPO De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE De Minister van Volksgezondheid, M. COLLA De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN De Staatssecretaris voor Leefmilieu, J. PEETERS Bijlage V. - Methoden voor de bepaling van de fysisch-chemische eigenschappen, de toxiciteit en de ecotoxiciteit INLEIDING In deze bijlage worden de methoden uiteengezet voor de bepaling van de fysisch-chemische, toxicologische en ecotoxicologische eigenschappen die zijn opgesomd in bijlage VII en in bijlage VIII van dit besluit. De methoden zijn gebaseerd op die welke zijn erkend en aanbevolen door bevoegde internationale organen (in het bijzonder de OESO). Indien dergelijke methoden niet beschikbaar waren, is gebruik gemaakt van nationale normen of wetenschappelijk overeengekomen methoden. Over het algemeen moeten de tests worden verricht met de stof, zoals die in de handel wordt gebracht. Aandacht moet worden besteed aan de mogelijke invloed van verontreinigingen op de testresultaten. Indien de methoden van deze bijlage niet geschikt zijn voor onderzoek van een bepaalde eigenschap, moet de gebruikte alternatieve methode worden gemotiveerd. Dierproeven dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig de in elk land geldende voorschriften, waarbij men zich tevens moet laten leiden door de thans alom heersende opvattingen op het gebied van het dierlijk welzijn. Bij gelijkwaardige testmethoden moet die gebruikt worden, die de minste dierenoffers eist. DEEL A : METHODEN VOOR DE BEPALING VAN DE FYSISCH-CHEMISCHE EIGENSCHAPPEN A.1. SMELT-/VRIESTEMPERATUUR 1. METHODE De meeste van de beschreven methoden berusten op de testrichtlijnen van de OESO
(1).De fundamentele principes worden besproken in de referenties
(2)en
(3). 1.
- INLEIDING De hier beschreven methoden en toestellen dienen te worden toegepast voor de bepaling van de smelttemperatuur van stoffen, ongeacht de mate van zuiverheid ervan. De keuze van de methode hangt af van de aard van de te onderzoeken stof. De beperkende factor zal dan ook worden bepaald door de vraag of de stof al dan niet gemakkelijk, moeilijk of helemaal niet kan worden verpulverd. Voor sommige stoffen is de bepaling van de vries- of stoltemperatuur zinvoller; ook de normen voor deze bepaling werden in de methode opgenomen. Indien, als gevolg van de specifieke eigenschappen van de stof, geen van de bovenstaande parameters eenvoudig kan worden gemeten, kan een vloeipunt geschikt zijn. 1.
- DEFINITIES EN EENHEDEN Onder smelttemperatuur wordt verstaan de temperatuur, waarbij de faseovergang van vaste naar vloeibare toestand optreedt bij normale atmosferische druk; deze temperatuur komt in het ideale geval overeen met de vriestemperatuur. Aangezien de faseovergang bij veel stoffen over een temperatuurbereik plaatsvindt, wordt deze vaak omschreven als het smelttraject. Smelttemperatuur en -traject worden steeds uitgedrukt in K. t = T - 273,15 t : Celsius-temperatuur, graden Celsius (°C) T : thermodynamische temperatuur, Kelvin (K) 1.
- REFERENTIESTOFFEN Het is niet altijd nodig om bij het onderzoek van een nieuwe stof referentiestoffen te gebruiken. Deze stoffen zijn in de eerste plaats bedoeld om van tijd tot tijd de werking van de methode te controleren en om vergelijkingen met resultaten van andere methoden mogelijk te maken. In de referenties worden enige ijkstoffen genoemd
(4). 1.
- PRINCIPE VAN DE TESTMETHODEN De temperatuur (het temperatuurbereik), waarbij fase-overgang van vaste naar vloeibare of van vloeibare naar vaste toestand plaatsvindt, wordt bepaald. In de praktijk betekent dit dat een monster van de te onderzoeken stof bij atmosferische druk wordt verwarmd/gekoeld en dat de temperatuur in het begin- en het eindstadium van het smelt-/vriesproces wordt bepaald. Vijf onderzoekmethoden worden beschreven, namelijk : de capillaire methode, de methode met de verhitte plaat, de methode voor bepaling van de vriestemperatuur, thermische-analysemethoden, alsmede de bepaling van het vloeipunt (zoals ontwikkeld voor minerale oliën). In sommige gevallen kan het gemakkelijker zijn de vriestemperatuur te bepalen in plaats van de smelttemperatuur. 1.4.
- Capillaire methode 1.4.1.
- Toestellen ter bepaling van de smelttemperatuur met behulp van een vloeistofbad Een kleine hoeveelheid van de verpulverde stof wordt in een capillair gebracht en stevig aangedrukt. Het buisje wordt samen met een thermometer verwarmd, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de temperatuurstijging tijdens het eigenlijke smeltproces minder dan circa 1 K/min bedraagt. De temperatuur in het begin- en eindstadium van het smeltproces wordt bepaald. 1.4.1.
- Toestellen ter bepaling van de smelttemperatuur met behulp van een metalen blok Als omschreven in 1 4.1.1, met dit verschil dat het capillair en de thermometer in een verwarmd metalen blok zijn aangebracht en door openingen in het blok kunnen worden waargenomen. 1.4.1.
- Fotoceldetectie Het monster in het capillair wordt automatisch verhit in een metalen cilinder. Een lichtbundel wordt, via openingen in de cilinder, door de stof heen op een nauwkeurig geijkte fotocel gericht. De optische eigenschappen van de meeste stoffen veranderen van ondoorschijnend naar doorschijnend bij het smelten. Zodra de lichtintensiteit die de fotocel bereikt toeneemt, zendt deze een stopsignaal naar de digitale meter die de temperatuur afleest van een thermometer met platinaweerstand in de verwarmingskamer. Deze methode leent zich niet voor toepassing op sommige sterk gekleurde stoffen. 1.4.
- Methode waarbij gebruik wordt gemaakt van een verhit oppervlak (hot stage) 1.4.2.
- De verhitte staaf volgens Kofler De verhitte staaf volgens Kofler bestaat uit twee stukken metaal die een verschillend warmtegeleidingsvermogen bezitten en elektrisch worden verwarmd. De staaf is zo ontworpen dat de temperatuur nagenoeg lineair langs de lengte ervan varieert. De temperatuur van de verhitte staaf kan variëren van 283 K tot 573 K; de temperatuur wordt met een voor elke staaf afzonderlijk geijkt ruitertje (met wijzer) afgelezen. Om een smelttemperatuur te bepalen, wordt de stof in een dunne laag direct op het oppervlak van de verhitte staaf gebracht. Binnen enkele seconden ontstaat er een scherpe scheidingslijn tussen de vloeibare en de vaste fase. De wijzer wordt ingesteld op de scheidingslijn, waarna de temperatuur kan worden afgelezen. 1.4.2.
- Smeltpuntmicroscoop Er bestaan verschillende verhitte platen voor microscopische smelttemperatuurbepaling waarbij met zeer kleine hoeveelheden materiaal kan worden gewerkt. Bij de meeste verhitte platen wordt de temperatuur gemeten met een gevoelig thermokoppel, maar bij sommige met een kwikthermometer. Een toestel voor microscopische bepaling van de smelttemperatuur met behulp van een verhitte plaat bestaat meestal uit een verwarmingskamer met een metalen plaat waarop het monster op een voorwerpglaasje wordt geplaatst. In het midden van de metalen plaat is een opening aangebracht zodat deze het licht van de microscoop doorlaat. Tijdens het gebruik wordt, om lucht uit de verwarmingskamer te weren, deze met een glazen plaat afgesloten. De verwarming van het monster wordt ingesteld met een regelweerstand. Voor zeer nauwkeurige metingen bij optisch anisotrope stoffen kan gebruik worden gemaakt van gepolariseerd licht. 1.4.2.
- De meniscusmethode Deze methode wordt speciaal toegepast voor polyamiden. Bepaling van de temperatuur, waarbij de verplaatsing van een meniscus van siliconenolie die tussen een verhit oppervlak (hot stage) en een dekglas, geplaatst op het te onderzoeken polyamidemonster, is ingesloten, visueel wordt waargenomen. 1.4.
- Methode voor de bepaling van de vriestemperatuur Het monster wordt in een speciaal proefbuisje in een toestel geplaatst voor de bepaling van de vriestemperatuur. Tijdens de afkoeling wordt het monster voortdurend zachtjes geroerd en de temperatuur wordt regelmatig afgelezen en geregistreerd. Zodra de temperatuur gedurende enkele aflezingen constant blijft, wordt deze temperatuur (na correctie voor afwijking van de thermometer) geregistreerd als de vriestemperatuur. Onderkoeling moet worden voorkomen door een evenwicht te bewaren tussen de vaste en de vloeibare fase. 1.4.
- Thermische analyse 1.4.4.
- Differentiële thermische analyse (DTA) Met deze techniek wordt het verschil in temperatuur geregistreerd tussen de te onderzoeken stof en een referentiestof als functie van de temperatuur, wanneer beide stoffen aan hetzelfde gecontroleerde temperatuurprogramma worden blootgesteld. Als het monster een faseovergang doormaakt met verandering van enthalpie, zal deze verandering aangetoond worden door een endotherme (smelten) of exotherme (bevriezen) afwijking van de basislijn van de temperatuurregistratie. 1.4.4.
- Differentële scanningcalorimetrie (DSC) Deze techniek registreert het verschil tussen de energieopname van de te onderzoeken stof en een referentiestof als functie van de temperatuur, wanneer beide stoffen aan hetzelfde gecontroleerde temperatuurprogramma worden onderworpen. Deze energie is de energie die nodig is om dezelfde temperatuur voor beide stoffen te bereiken. Als het monster een faseovergang doormaakt met verandering van enthalpie, zal deze verandering aangetoond worden door een endotherme (smelten) of exotherme (bevriezen) afwijking van de basislijn van de warmtestroomregistratie. 1.4.
- Vloeipunt Deze methode werd ontwikkeld voor minerale oliën en is bruikbaar voor olieachtige stoffen met lage smelttemperaturen. Na voorafgaande verwarming wordt het monster afgekoeld met een specifieke snelheid en telkens, iedere 3 K, onderzocht op vloeikarakteristieken. De laagste temperatuur waarbij nog beweging van de vloeistof wordt gezien, wordt genoteerd als het vloeipunt. 1.
- KWALITEITSCRITERIA De toepasbaarheid en nauwkeurigheid van de verschillende methoden voor de bepaling van smelttemperaturen/ smelttrajecten staat vermeld in de tabel. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 1.
- BESCHRIJVING VAN DE TESTMETHODEN De aan te houden werkwijzen van bijna alle testmethoden staan beschreven in internationale en nationale normen (zie aanhangsel 1). 1.6.
- Methoden waarbij gebruik wordt gemaakt van een capillair Bij een trage temperatuurstijging zullen verpulverde stoffen doorgaans volgens de in figuur 1 weergegeven stadia verlopen. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Tijdens de smelttemperatuurbepaling wordt de temperatuur in het begin- en eindstadium van het smeltproces geregistreerd. 1.6.1.
- Toestellen ter bepaling van de smelttemperatuur met behulp van een vloeistofbad In figuur 2 is een genormaliseerd glazen apparaat voor smelttemperatuurbepaling (JIS K 0064) afgebeeld. Alle specificaties zijn opgegeven in mm. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Badvloeistof Er moet een geschikte badvloeistof bepaald worden. De keuze van de vloeistof is afhankelijk van de smelttemperatuur van de te onderzoeken stof, bij voorbeeld vloeibare paraffine voor stoffen met een smelttemperatuur van maximaal 473 K, siliconenolie voor stoffen met een smelttemperatuur van maximaal 573 K. Voor stoffen met een smelttemperatuur hoger dan 523 K kan een mengsel, bestaande uit drie delen zwavelzuur en twee delen kaliumsulfaat (naar massa), worden gebruikt. Passende voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen wanneer een dergelijk mengsel wordt gebruikt. Thermometer Er mag alleen gebruik worden gemaakt van thermometers die aan de eisen in de volgende of daarmee overeenkomende normen voldoen : ASTM E 1-71, DIN 12770, JIS K
- Werkwijze De droge stof wordt verpulverd in een mortier en in een aan één uiteinde dichtgesmolten capillair gebracht en wel zo dat het niveau van de vulling, nadat de stof stevig is aangedrukt, circa 3 mm bedraagt. Ten einde een gelijkvormig aangedrukt monster te verkrijgen, laat men het capillair vanaf een hoogte van circa 700 mm door een glazen buis verticaal op een horlogeglas vallen. Het gevulde capillaire buisje wordt in een bad geplaatst en wel zo dat het midden van de kwikbol van de thermometer het capillair ter hoogte van het monster aanraakt. Doorgaans wordt het capillair in het toestel gebracht bij ongeveer 10 K beneden de smelttemperatuur. De badvloeistof wordt zodanig verwarmd dàt de temperatuurstijging circa 3 K/min bedraagt. De vloeistof moet worden geroerd. Bij ongeveer 10 K beneden de verwachte smelttemperatuur wordt de snelheid van de temperatuurstijging ingesteld op ten hoogste 1 K/min. Berekening De smelttemperatuur wordt als volgt berekend : T = TD + 0,00016 (TD - TE) n waarin : T = de gecorrigeerde smelttemperatuur, uitgedrukt in K TD = de van thermometer D afgelezen temperatuur, in K TE = de van thermometer E afgelezen temperatuur, in K n = het aantal schaalverdelingen van het kwikdraad op het uitstekende gedeelte van thermometer D. 1.6.1.
- Toestellen ter bepaling van de smelttemperatuur met behulp van een metalen blok Apparatuur De apparatuur bestaat uit : - een cilindervormig metalen blok, waarvan het bovenste gedeelte hol is en een kamer vormt (zie figuur 3); - een metalen stop met twee of meer openingen waarlangs buisjes in het metalen blok kunnen worden gebracht; - een verwarmingssysteem voor het metalen blok, bij voorbeeld een in het blok ingesloten elektrische weerstand; - een regelbare weerstand voor de stroomtoevoer, indien van elektrische verwarming gebruik wordt gemaakt; - in de zijwanden van de kamer, in rechte hoeken ten opzichte van elkaar, vier vensters van hittebestendig glas; voor één van deze vensters is een oculair aangebracht, waardoor het capillair kan worden waargenomen, de overige drie vensters worden gebruikt voor de verlichting van de kamer en inhoud daarvan; - een aan één uiteinde gesloten capillair van hittebestendig glas (zie 1.6.1.1). Thermometer Zie de in 1.6.1.1 genoemde normen. Thermo-elektrische meetinstrumenten van vergelijkbare nauwkeurigheid kunnen ook worden gebruikt. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 1.6.1.
- Fotoceldetectie Apparatuur en werkwijze : Het apparaat bestaat uit een metalen kamer met een geautomatiseerd verwarmingssysteem. Drie capillairen worden overeenkomstig 1.6.1.1 gevuld en in de oven geplaatst. Er zijn verscheidene lineaire temperatuurstijgingen beschikbaar voor het ijken van het apparaat; de gewenste temperatuurstijging wordt elektrisch ingesteld met een van tevoren gekozen constante snelheid en heeft een lineair verloop. Recorders geven de werkelijke oventemperatuur en de temperatuur van de stof in het capillair aan. 1.6.
- Verwarmde oppervlakken (hot stages) 1.6.2.
- De verhitte staaf volgens Kofler Zie aanhangsel. 1.6.2.
- Smeltpuntmicroscoop Zie aanhangsel. 1.6.2.
- Meniscusmethode (polyamiden) Zie aanhangsel. De opwarmsnelheid bij temperaturen in de buurt van de smelttemperatuur moet minder zijn dan 1 K/min. 1.6.
- Methoden voor de vriestemperatuurbepaling Zie aanhangsel. 1.6.
- Thermische analyse 1.6.4.
- Differentiële thermische analyse Zie aanhangsel. 1.6.4.
- DifferentiëIe scanningcalorimetrie Zie aanhangsel. 1.6.
- Bepaling van het vloeipunt Zie aanhangsel.
- GEGEVENS Soms is een thermometercorrectie noodzakelijk.
- RAPPORTAGE In het eindverslag moeten, indien mogelijk, de volgende gegevens worden opgenomen : - de gebruikte methode; - de nauwkeurige specificatie van de te onderzoeken stof (beschrijving en verontreinigingen) en, indien van toepassing, voorafgaande zuivering; - een schatting van de nauwkeurigheid. Het gemiddelde van ten minste twee metingen die binnen de geschatte nauwkeurigheidsgrenzen (zie tabellen) vallen, wordt gerapporteerd als smelttemperatuur. Als het temperatuurverschil tussen het beginpunt en het eindpunt van het smelten binnen de nauwkeurigheidsgrenzen van de methode valt, wordt de temperatuur van het eindstadium genomen als de smelttemperatuur; zo niet, dan moeten beide temperaturen worden gerapporteerd. Als ontleding of sublimatie van de onderzochte stof optreedt voordat de smelttemperatuur is bereikt, dient de temperatuur waarbij dit effect optreedt, te worden gerapporteerd. Alle gegevens en opmerkingen die van belang zijn voor de interpretatie van de resultaten, met name gegevens met betrekking tot verontreinigingen en de fysische toestand van de onderzochte stof, dienen te worden gerapporteerd.
- LITERATUUR
(1)OECD, Paris, 1981, Test Guideline 102-Decision of the Council C
(81)30 Final.
(2)IUPAC, B.Le Neindre, B. Vodar, eds. Experimental thermodynamics, Butterworths, London 1975, vol. II, 803-834.
(3)R.Weissberger ed. : Technique of organic chemistry, Physical Methods of Organic Chemistry, 3rd ed., Interscience Publ., New York, 1959, Vol. I, Part I, Chapter VII.
(4)IUPAC, Physicochemical Measurements : Catalogue of Reference Materials from National Laboratories, Pure and Applied Chemistry, 1976, Vol.48, 505-
- Aanhangsel Voor aanvullende technische gegevens kunnen de volgende normen als voorbeeld worden geraadpleegd.
- Capillaire methoden 1.
- Smelttemperatuurtoestellen met een vloeistofbad ASTM E 324-69 Standard test method for relative initial and final melting points and the melting range of organic chemicals BS 4634 Method for the determination of melting point and/or melting range DIN 53181 Bestimmung des Schmelzintervalles von Harzen nach Kapillarverfahren JIS K 00-64 Testing methods for melting point of chemical products 1.
- Smelttemperatuurtoestellen met een metalen blok DIN 53736 Visuelle Bestimmung der Schmelztemperatur von teilkristallinen Kunststoffen ISO 1218 (E) Plastics-polyamides-determination of "melting point"
- Hete oppervlakken 2.
- Verwarmde staaf volgens Kofler ANSI/ASTM D 3451-76 Standard recommended practices for testing polymeric powder coatings 2.
- Smeltpuntmicroscoop DIN 53736 Visuelle Bestimmung der Schmelztemperatur von teilkristallinen Kunststoffen 2.
- Meniscusmethode (polyamiden) ISO 1218 (E) Plastics - polyamides - determination of "melting point" ANSI/ASTM D 2133-66 Standard specification for acetal resin injection moulding and extrusion materials NF T 51-050 Résines de polyamides. Détermination du "point de fusion". Méthode du ménisque.
- Methoden voor vriestemperatuurbepaling BS 4633 Method for the determination of crystallizing point BS 4695 Method for determination of melting point of petroleum wax (cooling curve) DIN 51421 Bestimmung des Gefrierpunktes von Flugkraftstoffen, Ottokraftstoffen und Motorenbenzolen ISO 2207 Cires de pétrole : détermination de la température de figeage DIN 53175 Bestimmung des Erstarrungspunktes von Fettsäuren NF T 60-114 Point de fusion des paraffines NF T.20-051 Méthode de détermination du point de cristallisation (point de congélation) ISO 1392 Method for the determination of the freezing point
- Thermische analyse 4.
- Differentiële thermische analyse ASTM E 537-76 Standard method for assessing the thermal stability of chemicals by methods of differential thermal analysis ASTM E 473-85 Standard definitions of terms relating to thermal analysis ASTM E 472-86 Standard practice for reporting thermoanalytical data DIN 51005 Thermische Analyse, Begriffe 4.
- Differentiële scanningcalorimetrie ASTM E 537-76 Standard method for assessing the thermal stability of chemicals by methods of differential thermal analysis ASTM E 473-85 Standard definitions of terms relating to thermal analysis ASTM E 472-86 Standard practice for reporting thermoanalytical data DIN 51005 Thermische Analyse, Begriffe
- Bepaling van het vloeipunt NBN 52014 Echantillonnage et analyse des produits du pétrole : point de trouble et point d'écoulement limite - Monsterneming en ontleding van aardolieprodukten : Troebelingspunt en vloeipunt ASTM D 97-66 Standard test method for pour point of petroleum oils ISO 3016 Petroleum oils - Determination of pour point A.
- KOOKTEMPERATUUR
- METHODE De meeste van de beschreven methoden berusten op de testrichtlijn van de OESO
(1).De fundamentele principes worden besproken in de referenties
(2)en
(3). 1.
- INLEIDING De hier beschreven methoden en toestellen kunnen worden toegepast op vloeistoffen en op bij lage temperatuur smeltende stoffen, welke beneden de kooktemperatuur geen chemische reactie ondergaan (bijvoorbeeld : auto-oxidatie, omlegging, ontleding, enz.). De methoden zijn van toepassing op zuivere en onzuivere vloeistoffen. De meeste aandacht wordt gegeven aan de fotocel detectiemethode en thermische analysemethode, omdat hiermee zowel smelt- als kooktemperaturen kunnen worden bepaald. Bovendien kunnen deze metingen worden geautomatiseerd. Het voordeel van de dynamische methode is, dat deze ook kan worden toegepast voor de bepaling van de dampspanning en dat het niet nodig is de kooktemperatuur te corrigeren tot normale druk (101,325 kPa) omdat de normale druk tijdens de meting kan worden ingesteld met behulp van een manostaat. Opmerkingen : De invloed van verontreinigingen op de bepaling van de kooktemperatuur is sterk afhankelijk van de aard van de verontreiniging. Indien in het monster vluchtige verontreinigingen aanwezig zijn, die de resultaten zouden kunnen beïnvloeden, kan de stof worden gezuiverd. 1.
- DEFINITIES EN EENHEDEN De normale kooktemperatuur wordt gedefinieerd als de temperatuur waarbij de dampdruk van een vloeistof gelijk is aan 101,325 kPa. Als de kooktemperatuur niet wordt gemeten bij normale atmosferische druk, kan de temperatuur-afhankelijkheid van de dampdruk worden beschreven met de vergelijking van Clausius-Clapeyron : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Temperatuur (eenheid : K) t = T - 273,15 t : Celsiustemperatuur, graden Celsius (°C) T : thermodynamische temperatuur, kelvin (K) 1.
- REFERENTIESTOFFEN Het is niet altijd nodig om bij het onderzoek van een nieuwe stof referentiestoffen te gebruiken. Referentiestoffen zijn in de eerste plaats bedoeld om zo nu en dan de werking van de methode te controleren en om vergelijking met de resultaten van andere methoden mogelijk te maken. Een aantal ijkstoffen is te vinden in de methoden die zijn opgenomen in het aanhangsel. 1.
- PRINCIPE VAN DE TESTMETHODEN Vijf methoden voor de bepaling van de kooktemperatuur (of kooktraject) berusten op de meting van de kooktemperatuur, twee andere op thermische analyse. 1.4.
- Bepaling met behulp van een ebullioscoop De ebullioscoop is oorspronkelijk ontwikkeld voor de bepaling van het molecuulgewicht via de kooktemperatuurverhoging, doch leent zich ook voor nauwkeurige metingen van de kooktemperatuur. Een zeer eenvoudig toestel is beschreven in ASTM D 1120-72 (zie aanhangsel). De vloeistof wordt in dit toestel onder evenwichtscondities bij atmosferische druk verwarmd totdat zij kookt. 1.4.
- Dynamische methode Bij deze methode meet men de condensatietemperatuur van de damp met behulp van een geschikte thermometer in de reflux tijdens het koken. De druk kan bij deze methode worden gevarieerd. 1.4.
- Destillatiemethode voor kooktemperatuur Bij deze methode destilleert men de vloeistof en meet men de condensatietemperatuur van de damp, alsmede de hoeveelheid destillaat. 1.4.
- Methode volgens Siwoloboff Bij deze methode verwarmt men het monster in een monsterbuisje, dat in een verwarmd vloeistofbad wordt gehouden. Een dichtgesmolten capillair met een luchtbel onderin wordt in het monsterbuisje gebracht. 1.4.
- Fotoceldetectie Naar het beginsel volgens Siwoloboff worden de opstijgende bellen automatisch gemeten met een fotocel. 1.4.
- Differentiële thermische analyse Met deze techniek wordt het verschil in temperatuur geregistreerd tussen de te onderzoeken stof en een referentiestof als functie van de temperatuur, wanneer beide stoffen aan hetzelfde gecontroleerde temperatuurprogramma worden blootgesteld. Als het monster een faseovergang doormaakt met verandering van enthalpie, zal deze verandering aangetoond worden door een endotherme afwijking (koken) van de basislijn van de temperatuurregistratie. 1.4.
- Differentiële scanningcalorimetrie Deze techniek registreert het verschil tussen de energieopname van de te onderzoeken stof en een een referentiestof als functie van de temperatuur, wanneer beide stoffen aan hetzelfde gecontroleerde temperatuurprogramma worden onderworpen. Deze energie is de energie die nodig is om dezelfde temperatuur voor beide stoffen te bereiken. Als het monster een faseovergang doormaakt met verandering van enthalpie zal deze verandering aangetoond worden door een endotherme afwijking (koken) van de basislijn van de warmtestroomregistratie. 1.
- KWALITEITSCRITERIA De toepasbaarheid en nauwkeurigheid van de verschillende methoden voor de bepaling van de kooktemperatuur/kooktraject staan vermeld in tabel
- Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 1.
- BESCHRIJVING VAN DE METHODEN De werkwijzen van een aantal testmethoden zijn beschreven in internationale en nationale normen (zie aanhangsel). 1.6.
- Ebullioscoop Zie aanhangsel. 1.6.
- Dynamische methode Zie testmethode A.4 voor de bepaling van de dampspanning. De waargenomen kooktemperatuur bij een druk van 101,325 kPa wordt geregistreerd. 1.6.
- Destillatiemethode (kooktraject) Zie aanhangsel. 1.6.
- Methode volgens Siwoloboff Het monster wordt verwarmd in een smelttemperatuurtoestel in een monsterbuisje met een diameter van ongeveer 5 mm (figuur 1). In figuur 1 staat een standaardapparaat voor de bepaling van de smelt- en kooktemperatuur (JIS K 0064) afgebeeld (glas, alle afmetingen in mm). Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De badvloeistof wordt gekozen aan de hand van de kooktemperatuur. Bij temperaturen tot 573 K kan siliconenolie worden gebruikt. Vloeibare paraffine mag slechts worden gebruikt bij temperaturen tot 473 K. De verwarming van het vloeistofbad moet zo geregeld zijn, dat de temperatuur aanvankelijk 3 K/min stijgt. Het vloeistoflbad moet worden geroerd. Bij ongeveer 10 K beneden de verwachte kooktemperatuur moet de verwarming zo worden ingesteld dat de temperatuur met minder dan 1 K/min stijgt. Zodra de kooktemperatuur wordt bereikt, beginnen er snel belletjes uit het kookcapillair te komen. De kooktemperatuur wordt bereikt wanneer, bij tijdelijke afkoeling, de bellenvorming stopt en de vloeistof plotseling in het capillair omhoog komt. De bijbehorende stand van de thermometer is de kooktemperatuur van de te onderzoeken stof. Bij het gewijzigd beginsel (figuur 3) wordt de kooktemperatuur bepaald in een smelttemperatuurcapillair. Deze wordt uitgetrokken tot een fijne punt van ongeveer 2 cm lengte, waarin een geringe hoeveelheid van het monster wordt opgezogen. Het open einde van de fijne punt wordt dicht gesmolten, zodat er zich onderin een kleine luchtbel bevindt (a). Bij verwarming in het smelttemperatuur toestel (b) zet de luchtbel uit. De kooktemperatuur komt overeen met de temperatuur waarbij de prop van de te onderzoeken stof op het niveau van het vloeistofoppervlak komt (c). 1.6.
- Fotoceldetectie Het monster wordt verwarmd in een capillair in een verwarmd metaalblok. Via geschikte openingen in het blok wordt een lichtbundel door de stof heen op een zorgvuldig geijkte fotocel gericht. Terwijl de temperatuur van het monster oploopt, komen er luchtbellen uit het kookcapillair. Wanneer de kooktemperatuur wordt bereikt, neemt het aantal bellen flink toe. Hierbij verandert de intensiteit van het licht dat op de cel valt, waardoor het apparaat wordt stilgezet dat de temperatuur afleest van een thermometer met platina weerstand die in het blok is gemonteerd. Deze methode is bijzonder nuttig omdat hiermee ook bepalingen mogelijk zijn beneden kamertemperatuur tot 253,15 K (- 20 °C) zonder enige veranderingen in de apparatuur. Het instrument moet alleen in een koelbad worden geplaatst. 1.6.
- Thermische analyse 1.6.6.
- Differentiële thermische analyse Zie aanhangsel. 1.6.6.
- Differentiële scanningcalorimetrie Zie aanhangsel.
- GEGEVENS Bij kleine afwijkingen van de normale druk (max.+ 5 kPa) worden de kooktemperaturen genormaliseerd tot Tn met behulp van de volgende numerieke vergelijking van Sidney Young : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De temperatuurcorrectiefactoren fT en de vergelijkingen voor de benadering daarvan zijn opgenomen in de internationale en nationale normen die hierboven voor een groot aantal stoffen zijn genoemd. Zo worden bijvoorbeeld in de methode DIN 53171 de volgende (bij benadering) correcties vermeld voor oplosmiddelen in verf (zie tabel 2). Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
- RAPPORTAGE In het eindverslag moeten, indien mogelijk, de volgende gegevens worden opgenomen : - de gebruikte methode; - een nauwkeurige specificatie van de te onderzoeken stof (beschrijving en verontreinigingen) en, indien van toepassing, voorafgaande zuivering; - een schatting van de nauwkeurigheid; Het gemiddelde van ten minste twee metingen die binnen de geschatte nauwkeurigheidsgrenzen (zie tabel 1) vallen, wordt genoteerd als kooktemperatuur. De gemeten kooktemperaturen en hun gemiddelde moeten worden opgegeven, alsmede de druk(ken), waarbij de metingen zijn uitgevoerd, in kPa. De druk dient bij voorkeur dicht bij de normale atmosferische druk te liggen. Alle gegevens en opmerkingen, die van belang zijn voor de interpretatie van de resultaten, met name gegevens met betrekking tot verontreinigingen en de fysische toestand van de onderzochte stof, dienen te worden gerapporteerd.
- LITERATUUR
(1)OECD, Paris, 1981, Test Guideline 103 - Decision of the Council C
(81)30 Final.
(2)IUPAC, B.Le Neindre, B. Vodar, eds. Experimental thermodynamics, Butterworths, London, 1975, vol. II.
(3)R.Weissberger ed. : Technique of 0rganic chemistry, Physical Methods of Organic Chemistry, 3rd ed., Interscience Publ., New York, 1959, vol.I, Part I, Chapter VIII. Aanhangsel Voor aanvullende technische gegevens kunnen de volgende normen als voorbeeld worden geraadpleegd :
- Ebullioscoop ASTM D 1120-72 Standard Test Method for Boiling Point of Engine Anti-freezes 2.Destillatieprocess (kooktraject) ISO/R 918 Test Method for Distillation (Distillation Yield and Distillation Range) BS 4349/68 Method for determination of distillation of petroleum products BS 4591/71 Method for the determination of distillation characteristics DIN 53171 Lösungsmittel für Anstrichstoffe, Bestimmung des Siedeverlaufes NF T 20-608 Distillation : détermination du rendement et de l'intervalle de distillation
- Differentiële thermische analyse en differentiële scanningcalorimetrie ASTM E 537-76 Standard method for assessing the thermal stability of chemicals by methods of differential thermal analysis ASTM E 473-85 Standard definitions of terms relating to thermal analysis ASTM E 472-86 Standard practice for reporting thermoanalytical data DIN 51005 Thermische Analyse : Begriffe A.
- RELATIEVE DICHTHEID
- METHODE De beschreven methoden berusten op de testrichtlijn van de OESO
(1). De fundamentele principes worden besproken in referentie
(2). 1.
- INLEIDING De hieronder beschreven methoden voor het bepalen van de relatieve dichtheid zijn van toepassing op vaste stoffen en op vloeistoffen, ongeacht de zuiverheid van deze stoffen. De verschillende methoden zijn vermeld in tabel
- 1.
- DEFINITIES EN EENHEDEN De relatieve dichtheid, D204, van vaste stoffen of vloeistoffen is de verhouding tussen de massa van een volume te onderzoeken stof bij 20 °C en de massa van hetzelfde volume water bij 4 °C. De relatieve dichtheid heeft geen dimensie. De dichtheid, |gr, van een stof is het quotiënt van de massa m en het volume v van deze stof. De dichtheid, |gr, wordt uitgedrukt in kg/m3 (SI-eenheden). 1.
- REFERENTIESTOFFEN
(1)
(3)Het is niet altijd nodig om bij het onderzoek van een nieuwe stof referentiestoffen te gebruiken. Deze stoffen zijn in de eerste plaats bedoeld om zo nu en dan de werking van de methode te controleren en om vergelijkingen met resultaten van andere methodes mogelijk te maken. 1.
- PRINCIPE VAN DE TESTMETHODEN Er worden vier soorten methoden gebruikt. 1.4.
- Methoden gebaseerd op de opwaartse kracht 1.4.1.
- Areometer (hydrometer voor vloeistoffen) Voldoende nauwkeurige en snelle dichtheidsbepalingen kunnen worden uitgevoerd met drijvende areometers; het gedeelte van de areometer dat in de vloeistof zakt, is bepalend voor de dichtheid van de vloeistof en kan van een schaalverdeling worden afgelezen. 1.4.1.
- Hydrostatische balans (voor vloeistoffen en vaste stoffen) Het gewichtsverschil van een monster, gemeten in lucht en in een geschikte vloeistof (bij voorbeeld water), kan worden gebruikt om de dichtheid ervan te bepalen. Voor vaste stoffen geldt de gemeten dichtheid slechts voor het bewuste monster. Voor het bepalen van de dichtheid van vloeistoffen wordt een voorwerp met volume v eerst in lucht en vervolgens in de testvloeistof gewogen. 1.4.1.
- Methode met ondergedompeld voorwerp (voor vloeistoffen)
(4)Bij deze methode wordt de dichtheid van een vloeistof bepaald aan de hand van het verschil tussen de resultaten van een weging van de vloeistof voor en na het onderdompelen van een voorwerp met bekend volume in de te onderzoeken vloeistof. 1.4.
- Methoden met de pyknometer Voor vaste stoffen en vloeistoffen kunnen pyknometers van uiteenlopende vorm en met bekend volume worden gebruikt. De dichtheid wordt berekend uit het verschil in gewicht tussen de volle en de lege pyknometer en het bekende volume daarvan. 1.4.
- Vergelijkingspyknometer met lucht (voor vaste stoffen) De dichtheid van een vaste stof in willekeurige vorm kan bij kamertemperatuur worden gemeten met behulp van een gasvergelijkingspyknometer. Het volume van een stof wordt in lucht of in een inert gas gemeten in een cilinder waarvan het variabele volume gekalibreerd is. Voor de berekening van de dichtheid wordt na meting van het volume een massameting verricht. 1.4.
- Oscillerende dichtheidsmeter
(5)
(6)
(7)De dichtheid van een vloeistof kan worden gemeten met behulp van een oscillerende dichtheidsmeter. Een mechanische oscillator in de vorm van een U-buis wordt in trilling gebracht bij de resonantiefrequentie van de oscillator die afhankelijk is van zijn massa. Bij het inbrengen van een monster verandert de resonantiefrequentie van de oscillator. Het apparaat moet worden geijkt met twee vloeistoffen van bekende dichtheid. Deze ijkstoffen moeten bij voorkeur zo worden gekozen dat de dichtheden ervan zich aàn de uiteinden van het meetbereik bevinden. 1.
- KWALITEITSCRITERIA De toepasbaarheid van de verschillende methoden voor bepaling van de relatieve dichtheid staat vermeld in de tabel. 1.
- BESCHRIJVING VAN DE TESTMETHODEN Normen, die als voorbeeld kunnen worden geraadpleegd voor aanvullende technische gegevens, zijn bijgevoegd in het aanhangsel. De proeven moeten worden uitgevoerd bij 20 °C en ten minste in tweevoud.
- GEGEVENS Zie normen.
- RAPPORTAGE In het eindverslag moeten, indien mogelijk, de volgende gegevens worden opgenomen : - de gebruikte methode; - een nauwkeurige specificatie van de te onderzoeken stof (beschrijving en verontreinigingen) en, indien van toepassmg, voorafgaande zuivering. De relatieve dichtheid D204 dient te worden gerapporteerd zoals gedefinieerd onder 1.2, alsmede de fysische toestand van de onderzochte stof. Alle gegevens en opmerkingen die van belang zijn voor de interpretatie van de resultaten, met name gegevens met betrekking tot verontreinigingen en de fysische toestand van de onderzochte stof, dienen te worden gerapporteerd. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
- LITERATUUR
(1)OECD, Paris, 1981, Test Guideline 109, Decision of the Council C
(81)30 final.
(2)R.Weissberger ed., Technique of organic chemlstry, Physical Methods of Organic Chemistry, 3rd ed., Chapter IV, Interscience Publ., New York, 1959, vol. 1, Part 1.
(3)IUPAC, Recommended reference materials for realisation of physico-chemical properties, Pure and applied chemistry, 1976, vol. 48, 508.
(4)Wagenbreth, H., Die Tauchkugel zur Bestimmung der Dichte von Flüssigkeiten, Technisches Messen tm; 1979, Vol. 11, 427-430.
(5)Leopold, H., Die digitale Messung von Flüssigkeiten, Elektronik, 1970, vol. 19, 297-302.
(6)Baumgart