Kort samengevat
Dit besluit van de Vlaamse Regering regelt de uitvoering van het decreet betreffende de landinrichting, met als doel een breed scala aan instrumenten te bieden voor het behoud en de ontwikkeling van open ruimte gebieden in Vlaanderen. Het beschrijft de procedures en voorwaarden voor het toepassen van instrumenten voor inrichting, verwerving en beheer.
Wat het reguleert
- De uitvoering van het decreet betreffende de landinrichting.
- De procedures en voorwaarden voor de toepassing van instrumenten voor inrichting, verwerving en beheer.
- De opheffing van eerdere besluiten betreffende subsidiëring van landinrichtingswerken en procedures voor landinrichtingsplannen.
- De werking van de landcommissie als "vergoedingencommissie" bij waardeverlies van gronden.
Wie het aanbelangt
- De Vlaamse overheid, departementen en agentschappen, provincies, gemeenten en publiekrechtelijke rechtspersonen die inrichtingswerken uitvoeren.
- Eigenaren en gebruikers van gronden die te maken krijgen met inrichtingswerken of erfdienstbaarheden tot openbaar nut.
Kernpunten
- Er wordt een afwegingskader gebruikt om de optimale mix van instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer te bepalen, gebaseerd op vijf stappen.
- Inrichtingswerken uit kracht van wet kunnen enkel uitgevoerd worden door overheidsinstanties en publiekrechtelijke rechtspersonen, nooit door natuurlijke personen.
- Erfdienstbaarheden tot openbaar nut kunnen worden gevestigd voor landschapszorg, natuurontwikkeling, recreatie, mobiliteit, natuureducatie, waterhuishouding, milieuverbeteringen, verbeteringen aan de landbouwstructuur of conservering van archeologische en cultuurhistorische overblijfselen.
- Een vergoeding voor waardeverlies van gronden wordt uitgekeerd aan eigenaren (80% van het verlies aan venale waarde) en gebruikers (verlies aan gebruikswaarde) als gevolg van inrichtingswerken uit kracht van wet of de vestiging van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut.
Wettekst
VLAAMSE OVERHEID 6 JUNI
- - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de landinrichting VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Het ontwerp van besluit aan de Vlaamse Regering betreffende de landinrichting geeft uitvoering aan de verplichte delegaties van het decreet betreffende de landinrichting. Deel 3 en de artikelen 7.2.2., 7.2.4., 7.2.5., 7.4.1 en 7.5.
- van het decreet betreffende de landinrichting treden in werking. Het ontwerp van besluit heft volgende regelingen op: - Het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 17/03/1998 pub. 07/05/1998 numac 1998035495 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken sluiten houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004, 7 maart 2008, 10 oktober 2008 en 16 november 2012; - Het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 houdende de procedure tot opmaak van landinrichtingsplannen en houdende opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 1996 houdende nadere regelen betreffende de landinrichting en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 17/03/1998 pub. 07/05/1998 numac 1998035495 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken sluiten houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, 10 oktober 2008, 29 mei 2009, 4 december 2009, 10 juni 2011 en 11 januari
- Inleiding Op 20 december 2013 heeft de Vlaamse Regering het decreet betreffende de landinrichting definitief goedgekeurd. Het decreet betreffende de landinrichting heeft tot doel een breed inzetbare `instrumentenkoffer' aan te bieden om op maat oplossingen te bieden voor projecten die vooral in de open ruimte gelegen zijn. De `instrumentenkoffer' bevat diverse instrumenten op het gebied van inrichting, beheer, verwerving, grondmobiliteit en andere instrumenten gekoppeld aan inrichting en verwerving die op maat en in onderlinge samenhang kunnen worden ingezet ter realisatie van breed scala aan plannen en projecten die bijdragen aan het behoud en de ontwikkeling van vooral de open ruimte gebieden in Vlaanderen. Het doel van voorliggend ontwerp van besluit is om uitvoering te geven aan de bepalingen van voormelde decreet. Huidig voorontwerp van besluit regelt de procedure en voorwaarden voor de toepassing van instrumenten voor inrichting, verwerving en beheer uit deel 2 van het decreet ter uitvoering van een landinrichtingsplan voor de realisatie van een landinrichtingsproject (deel 3 van het decreet), ter uitvoering van een inrichtingsnota voor de realisatie van een project, plan of programma (deel 4 van het decreet) of ter uitvoering van een beheervisie (deel 5 van het decreet).
- Totstandkoming Op 20 december 2013 verleende de Vlaamse Regering haar definitieve goedkeuring aan de volgende conceptnota's: - Conceptnota "Harmonisering van de compenserende vergoedingen die door de overheid worden uitbetaald om de beperkende of nadelige gevolgen op het grondgebruik in brede zin door beleidsdoelstellingen en verplichte inrichting- en beheermaatregelen te vergoeden". - Conceptnota "Afwegingskader voor de inzet en combinatie van de instrumenten voor inrichting, verwerving en beheer bedoeld in artikel 1.1.4, § 2, van het voorontwerp van decreet betreffende de landinrichting". - Conceptnota "Procedureregels voor de opmaak van de inrichtingsnota's en de organisatie van een openbaar onderzoek". In deze conceptnota's werd een aanzet gegeven met betrekking tot de inhoud van het uitvoeringsbesluit voor wat betreft de volgende items: - Inhoudelijke en procedurele principes bij inzet van het instrument `vergoeding voor waardeverlies van gronden'; - Principes in de afweging voor de inzet en de al dan niet gecombineerde toepassing van instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer; - Principes voor de toepassing van instrumenten via projecten, plannen en programma's. Bij de uitwerking van de verschillende bepalingen van het uitvoeringsbesluit werd uitgegaan van de door de Vlaamse Regering goedgekeurde conceptnota's.
- Vormgeving van het uitvoeringsbesluit Het ontwerp van besluit is naar analogie met het decreet betreffende de landinrichting, opgedeeld in 7 delen. Deel
- Algemene bepalingen
- Inzet van instrumenten en afwegingskader Het afwegingkader is in de eerste plaats een methode om een gemotiveerde keuze van optimale mix van instrumenten mogelijk te maken. De volgende 5 stappen worden doorlopen. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De volgende opeenvolgende stappen worden doorlopen in de afweging voor de inzet en de al dan niet gecombineerde toepassing van instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer ter realisatie van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma, als vermeld in artikel 4.1.
- van het decreet: 1° het resultaat dat wordt beoogd in termen van tijdige, kwaliteitsvolle en duurzame realisatie, eventueel gefaseerd in de tijd of de ruimte, wordt gedefinieerd.Deze handeling laat toe om te bepalen of de inzet van instrumenten voor dwingende verwerving, inrichting of beheer nodig zijn om tot het beoogde resultaat te komen; 2° de mogelijke toepassing van de instrumenten voor verwerving, inrichting of beheer waarmee het beoogde resultaat kan bereikt worden, wordt onderzocht.Ook de toepassing van de andere instrumenten voor inrichting, verwerving en beheer dan de instrumenten, vermeld in deel 2 van het decreet, die mogelijk zijn op grond van andere Vlaamse regelgeving, wordt mee onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek is een overzicht van mogelijke combinaties van instrumenten die kunnen ingezet worden; 3° de mogelijke combinaties van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer worden verder afgewogen op basis van vier criteria.Deze criteria zijn de tijdige realisatie, de kwaliteitsvolle realisatie, de duurzame realisatie en het draagvlak voor de inzet van die instrumenten. Het resultaat van deze afweging is een overzicht van werkbare combinaties van instrumenten die kunnen ingezet worden; 4° de werkbare combinaties van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer, worden financieel afgewogen op basis van de kostprijs voor de overheid van de inzet van instrumenten voor inrichting, verwerving en beheer Het resultaat van deze afweging is een optimale combinatie van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer.5° de optimale combinatie van in te zetten instrumenten voor inrichting, verwerving of beheer wordt vergeleken met de totale kostprijs voor de overheid bij verwerving.Uit deze afweging kan blijken dat dwingende verwerving door de overheid nodig is, waarna handeling 2° wordt hernomen.' In de bepaling van de totale kostprijs wordt ook rekening gehouden met de verloren inkomsten voor de overheid.
- Werkingsmiddelen Voor taken die de VLM uitoefent ter voorbereiding of ter uitvoering van een inrichtingsnota of een beheervisie worden werkingsmiddelen betaald aan de VLM. Deel
- Bepalingen met betrekking tot de instrumenten en de organisatie
- De instrumenten Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Inrichtingswerken In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald welke inrichtingswerken worden uitgevoerd en welke van deze inrichtingswerken uit kracht van wet zullen worden uitgevoerd.Als inrichtingswerken uit kracht van wet zullen worden uitgevoerd dan worden de kadastrale gegevens van de percelen waarop inrichtingswerken uit kracht van wet zullen worden uitgevoerd alsook de beschrijving van de uit te voeren werken opgenomen in het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. Inrichtingswerken uit kracht van wet kunnen enkel uitgevoerd worden door de departementen en agentschappen van de Vlaamse overheid, de provincies, gemeenten en publiekrechtelijke rechtspersonen. Natuurlijke personen kunnen dus nooit inrichtingswerken uit kracht van wet uitvoeren. Natuurlijke personen kunnen wel inrichtingswerken op eigen gronden uitvoeren, met eventueel subsidies voor deze werken, wanneer deze werken opgenomen zijn in een landinrichtingsplan. Inrichtingswerken uit kracht van wet kunnen werken zijn die verband houden met landschapszorg, natuurontwikkeling, recreatie, natuureducatie, waterhuishouding, milieuverbeteringen, natuurtechnische milieubouw, het verbeteren van de landbouwstructuur, conservering van archeologische en cultuurhistorische overblijfselen, alsook werken aan wegen en wegenpatroon en grondwerken. Inrichtingswerken uit kracht van wet worden steeds uitgevoerd tot openbaar nut. Als het inrichtingswerk aanleiding geeft tot schade dan wordt een vergoeding voor waardeverlies van gronden uitgekeerd. De instandhouding van het inrichtingswerk uit kracht van wet kan verzekerd worden via het vestigen van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut. Vestigen van erfdienstbaarheden tot openbaar nut Het decreet voorziet in twee soorten erfdienstbaarheden tot openbaar nut: - erfdienstbaarheden tot openbaar nut die gericht zijn op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet; - erfdienstbaarheden tot openbaar nut die gericht zijn op landschapszorg, natuurontwikkeling, recreatie, mobiliteit, natuureducatie, waterhuishouding, milieuverbeteringen, verbeteringen aan de landbouwstructuur of conservering van archeologische en cultuurhistorische overblijfselen. Dit zijn de `andere' erfdienstbaarheden. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald welke erfdienstbaarheden tot openbaar nut er zullen worden gevestigd en welke van deze erfdienstbaarheden tot openbaar nut gericht zijn op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet. Als `andere' erfdienstbaarheden tot openbaar nut zullen worden gevestigd dan worden de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut zullen worden gevestigd, alsook de beschrijving van de erfdienstbaarheid opgenomen in het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. De vestiging wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut die gericht zijn op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet wordt afzonderlijk bekendgemaakt na uitvoering de het inrichtingswerk. Diegene die het landinrichtingsplan of inrichtingsnota heeft vastgesteld, stelt na uitvoering van de inrichtingswerken uit kracht van wet vast welke erfdienstbaarheden tot openbaar nut gevestigd worden en op welke kadastrale percelen deze erfdienstbaarheden gevestigd worden. Als de vestiging van `andere' erfdienstbaarheid tot openbaar nut, aanleiding geeft tot schade dan wordt een vergoeding voor waardeverlies van gronden uitgekeerd. Vergoeding voor waardeverlies van gronden Deze vergoeding betreft een compenserende vergoeding die de instantie of de persoon volgens het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota, verschuldigd is aan een eigenaar (een eigenaarsvergoeding ingevolge inrichtings- of beheervoorschriften) en/of gebruiker (een gebruikersvergoeding ingevolge inrichtings- of beheervoorschriften) voor een daling van venale waarde of gebruikswaarde als gevolg van een inrichtingswerk uit kracht van wet of de vestiging van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut. Er is geen vergoeding verschuldigd voor erfdienstbaarheden tot openbaar nut die gericht zijn op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet, omdat reeds een vergoeding werd toegekend voor het inrichtingswerk uit kracht van wet zelf. Op die manier wordt het uitbetalen van dubbele compensaties vermeden. De procedure verloopt via de landcommissie, die hier optreedt als een `vergoedingencommissie'. De landcommissie bepaalt na het ontstaan van de schade, dus na uitvoering van het inrichtingswerk of de vestiging van de erfdienstbaarheid, de vergoeding. De landcommissie wordt over het ontstaan van schade in kennis gesteld door de instantie of de persoon die belast is met de uitvoering van het inrichtingswerk uit kracht van wet. In het geval een vergoeding verschuldigd is voor een erfdienstbaarheid, dan stelt de VLM de landcommissie in kennis van de vestiging van de erfdienstbaarheid uit kracht van wet. Een eigenaar wordt vergoed voor 80 % van het verlies aan venale waarde. Een gebruiker wordt vergoed voor het verlies aan gebruikswaarde, op basis van een berekening van het verschil in financiële gebruikswaarde. De berekening van verlies van de financiële gebruikswaarde is gebaseerd op een berekend aandeel van de onteigeningsvergoeding voor gebruikers en dus op basis van reële gederfde inkomsten of opbrengsten en landbouweconomische bedrijfsgegevens. De berekeningswijzen zijn opgenomen bij de principes rond inhoudelijke integratie in de door de Vlaamse Regering op 20 december 2013 goedgekeurde conceptnota "Harmonisering van de compenserende vergoedingen die door de overheid worden uitbetaald om de beperkende of nadelige gevolgen op het grondgebruik in brede zin door beleidsdoelstellingen en verplichte inrichting- en beheermaatregelen te vergoeden". De landcommissie maakt een berekening van de vergoeding, deelt deze mee aan de rechthebbenden die dertig dagen de tijd hebben om bezwaar in te dienen over de hoogte van de vergoeding. Na behandeling van de bezwaren stelt de landcommissie de vergoedingen definitief vast en worden de eigenaars en gebruikers hiervan in kennis gesteld. Binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving betaalt de landcommissie deze vergoeding uit. Beheerovereenkomsten In het landinrichtingsplan, de inrichtingsnota of de beheervisie wordt bepaald welke beheermaatregelen gewenst zijn alsook het gebied waarbinnen de beheermaatregelen gewenst zijn. Een beheerovereenkomst kan worden gesloten met een gebruiker of een groep van gebruikers als ten gevolge gewenst beheer, maatregelen op vlak van beheer gewenst zijn. Een beheerovereenkomst kan worden gesloten voor meerdere beheermaatregelen, op voorwaarde dat ze elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn. Een beheerovereenkomst kan verder pas gesloten worden als de gebruiker of groep van gebruikers er zich toe verbindt zich te onderwerpen aan de controle van de naleving van de overeenkomst. Een beheerovereenkomst kan vervroegd worden beëindigd wegens overmacht of uitzonderlijke omstandigheid. De VLM berekent de beheervergoeding. De administratieve overheid die de beheerovereenkomst sluit is belast met de controle. Op vraag van de administratieve overheid die de beheerovereenkomst sluit, kan de VLM ook de beheervergoeding uitbetalen. Dienstenvergoedingen In het landinrichtingsplan, de inrichtingsnota of de beheervisie wordt bepaald welke bijkomende diensten gewenst zijn alsook het gebied waarbinnen de bijkomende diensten gewenst zijn. Een dienstenvergoeding kan worden toegekend aan een gebruiker of een groep van gebruikers als ten gevolge van opgelegde inrichting of beheer een bijkomende dienst op het vlak van beheer gewenst is. Wanneer de gebruiker deze dienst levert, dan heeft hij recht op de dienstenvergoeding. Er moet geen overeenkomst worden gesloten zoals bij de beheerovereenkomst. Het opleggen van de verplichte inrichting of het beheer zelf valt dus buiten dit instrument. Een jaarlijkse dienstenvergoeding kan worden toegekend voor meerdere diensten, op voorwaarde dat ze elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn. Een dienstenvergoeding kan worden uitbetaald op voorwaarde dat de aanvrager van de dienstenvergoeding zich er toe verbindt, bij de aanvraag, zich te onderwerpen aan de controle. De VLM berekent de dienstenvergoeding. De instantie die de dienstenvergoeding toekent, is belast met de controle. Op vraag van de instanties of personen die de dienstenvergoeding toekennen kan de VLM de dienstenvergoeding ook uitbetalen. Recht van voorkoop In het landinrichtingsplan wordt bepaald binnen welke kadastrale zones het recht van voorkoop geldt, alsook gedurende welke termijn het recht van voorkoop geldt. Voor aanbiedingen van goederen gelegen in het landinrichtingsplan oefent de Vlaamse Grondenbank in eigen naam en voor eigen rekening dit voorkooprecht uit. In de inrichtingsnota wordt bepaald binnen welke kadastrale zones het recht van voorkoop geldt, welke administratieve overheid de begunstigde is en gedurende welke termijn het recht van voorkoop geldt. De kadastrale gegevens waarop het recht van voorkoop van toepassing is en de vermelding dat het recht van voorkoop aangeboden moet worden aan de Vlaamse Grondenbank worden opgenomen in het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. De procedure verloopt via de Vlaamse Grondenbank. Het decreet van 25 mei 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2007 pub. 19/06/2007 numac 2007035897 bron vlaamse overheid Decreet houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken type decreet prom. 25/05/2007 pub. 24/07/2007 numac 2007036173 bron vlaamse overheid Decreet houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten sluiten houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op dit recht van voorkoop. Herverkaveling uit kracht van wet In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota worden de kadastrale gegevens van het gebied aangeduid waar herverkaveling uit kracht van wet zal worden uitgevoerd. De bepaling over de duur van de jachtovereenkomsten met aanduiding van de kadastrale gegevens van het gebied wordt opgenomen in het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. Het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota treden in werking veertien dagen na de bekendmaking van het besluit. Vergoedingen bij lokale grondenbanken In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota word het gebied bepaald, alsook de vergoedingen aan eigenaar en gebruiker binnen het gebied. Vergoedingen bij lokale grondenbanken kunnen worden toegekend aan een eigenaar of een gebruiker als er een dwingende verwerving bestaat van een zone binnen een landinrichtingsproject of een project, plan of programma. De procedure verloopt via de Vlaamse Grondenbank via het sluiten van een overeenkomst. De overeenkomst lokale grondenbank, die na vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota, tussen de Vlaamse Grondenbank en één of meerdere administratieve overheden wordt gesloten, bevat minstens de voorwaarden en de termijnen waarbinnen de vergoedingen kunnen worden toegekend. Vrijwillige bedrijfsverplaatsing De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing kan aangevraagd worden binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald, als aan alle voorwaarden voldaan is, welke entiteit de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de eventuele bijhorende aankoopprijs verschuldigd is. De aanvrager moet een bedrijf uitbaten in hoofdberoep en het bedrijf moet over de noodzakelijke vergunningen beschikken. De procedure verloopt via de landcommissie. De aanvraag voor een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing moet worden aangevraagd bij de landcommissie voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. De landcommissie gaat in eerste instantie na of de aanvraag volledig is. Hiervoor heeft de landcommissie drie maanden de tijd. De landcommissie brengt de aanvrager in kennis van de volledigheid van het dossier. In tweede instantie beslist de landcommissie voor welke onderdelen van het bedrijf de aanvrager in aanmerking komt voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en welke onderdelen er zullen worden aangekocht en dit binnen een termijn van zes maanden na kennisgeving van de volledigheid van het dossier. De landcommissie brengt de aanvrager, na akkoord van de entiteit die de vergoeding en de eventuele bijhorende aankoopprijs verschuldigd is, in kennis van deze beslissing. Vervolgens gaat de landcommissie over tot de berekening van de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing en de aankoopprijs binnen een termijn van vier maanden na de kennisgeving over de beslissing. De vergoeding voor bedrijfsverplaatsing bestaat uit een vergoeding voor het verlies van het gebruik van de onroerende goederen en een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en investeringen die verbonden zijn met de vrijwillige bedrijfsverplaatsing als som van een forfaitaire en niet forfaitaire vergoeding. De berekening van de aankoopprijs is gebaseerd op de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemene nutte. De landcommissie brengt de aanvrager in kennis van de vergoeding en de aankoopprijs. Deze kennisgeving geldt aan aanbod. Na deze kennisgeving deelt de aanvrager binnen een termijn van zes maanden mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. Het aanbod kan worden betwist bij de VLM. De landcommissie brengt de entiteit die de vergoeding en de eventuele aankoopprijs verschuldigd is in kennis van het akkoord van de aanvrager met het aanbod. In principe koopt de entiteit die de bijhorende aankoopprijs verschuldigd is, in eigen naam en voor eigen rekening de goederen aan. Liggen de goederen binnen een landinrichtingsplan, dan koopt de Vlaamse Grondenbank de goederen aan in naam en voor rekening van de entiteit die de aankoopprijs verschuldigd is. De landcommissie betaalt de vergoeding voor bedrijfsverplaatsing uit nadat een aanvraag tot betaling werd ingediend. De aanvrager voegt de nodige bewijsstukken toe. Vrijwillige bedrijfsstopzetting De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting kan aangevraagd worden binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald, als aan alle voorwaarden voldaan is, welke entiteit de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele bijhorende aankoopprijs verschuldigd is. Bovenop de voorwaarden geformuleerd bij de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, komen nog de voorwaarden dat de leeftijd van de aanvrager tussen de 55 en 65 jaar ligt en dat de aanvrager alle commerciële activiteiten op het bedrijf stopzet. De procedure verloopt via de landcommissie en is gelijklopend als de procedure bij de vrijwillige bedrijfsverplaatsing. De vergoeding voor bedrijfsstopzetting bestaat uit een vergoeding voor het verlies van het gebruik van de onroerende goederen en een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en inkomensverlies die gepaard gaan met de vrijwillige bedrijfsstopzetting als vermenigvuldiging van het jaarlijks brutosaldo van de op het bedrijf aanwezige teelten en dieren met het verschil tussen 65 en de leeftijd van de aanvrager. De berekening van de aankoopprijs is gebaseerd op de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemene nutte. Vrijwillige bedrijfsreconversie De vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie kan aangevraagd worden binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald, als aan alle voorwaarden voldaan is, welke entiteit de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie en de eventuele bijhorende aankoopprijs verschuldigd is. Er kan gekozen worden voor drie verschillende vormen van bedrijfsreconversie. een gedeeltelijke stopzetting is één vorm, dat valt onder de vorm `past zijn bedrijfsvoering aan zodat de doelstellingen van het landinrichtingsproject of het project, plan of programma worden gerealiseerd'. Bij de andere twee reconversievormen wordt grond ingeleverd. De procedure verloopt via de landcommissie en is gelijklopend als de procedure bij de vrijwillige bedrijfsverplaatsing.. De vergoeding voor bedrijfsreconversie bestaat uit een vergoeding voor het verlies van het gebruik van de onroerende goederen en een vergoeding voor de directe en indirecte kosten en investeringen die verschillend berekend wordt afhankelijk van de reconversievorm. De berekening van de aankoopprijs is gebaseerd op de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemene nutte. Koopplicht De koopplicht geldt binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt bepaald welke entiteit tot koopplicht verplicht is . De eigenaar van een onroerend goed kan de koopplicht inroepen als de waardevermindering ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. Als het onroerend goed voor meer dan 80 % gelegen is binnen het gebied waar de koopplicht geldt, dan kan de eigenaar de koopplicht inroepen voor het gehele onroerend goed. De procedure verloopt via de Vlaamse Grondenbank. De aanvraag tot koopplicht moet worden ingediend bij de Vlaamse Grondenbank voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. De Vlaamse Grondenbank bezorgt de aanvraag aan de behandelende entiteit. In geval van landinrichting is de behandelende entiteit de Vlaamse Grondenbank. In geval van een project, plan of programma kan de behandelende entiteit de Vlaamse Grondenbank zijn, als de Vlaamse Regering dit zo beslist heeft. De behandelende entiteit gaat in eerste instantie na of de aanvraag volledig is. Hiervoor heeft de behandelende entiteit drie maanden de tijd. De behandelende entiteit brengt de aanvrager in kennis van de volledigheid van het dossier. In tweede instantie beslist de behandelende entiteit of er zal worden overgegaan tot de gedwongen aankoop binnen een termijn van zes maanden na kennisgeving van de volledigheid van het dossier. De behandelende entiteit brengt de aanvrager in kennis van deze beslissing. Vervolgens gaat de behandelende entiteit over tot de berekening van de aankoopprijs binnen een termijn van vier maanden na de kennisgeving over de beslissing. De berekening van de aankoopprijs is gebaseerd op de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemene nutte. De behandelende entiteit brengt de aanvrager in kennis van de aankoopprijs. Deze kennisgeving geldt aan aanbod. Na deze kennisgeving deelt aanvrager binnen een termijn van zes maanden mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. De vastgestelde aankoopprijs kan worden betwist bij de bevoegde rechtbank. Samenvattende tabel berekening of percentages van vergoedingen: Berekening of percentages en berekening naar analogie met Procedure naar analogie met Percentages of bedragen Eigenaarsvergoeding voor waardeverlies van gronden Kapitaalschade Conceptnota `harmonisering van de vergoedingen' 80 % van het verschil in eigendomswaarde Gebruikersvergoeding voor waardeverlies van gronden Gebruikerscompensatie Conceptnota `harmonisering van de vergoedingen' Volgens formule Beheervergoeding Beheerovereenkomsten PDPO Beheerovereenkomsten Volgens formule Dienstenvergoeding Beheerovereenkomsten PDPO Vergoedingen natuur Volgens formule Vergoedingen lokale grondenbanken; vergoeding aan de eigenaar bij verkoop Beslist flankerend beleid Grondenbankovereenkomsten Maximaal 20 % van de venale waarde Vergoedingen lokale grondenbanken: vergoeding aan de gebruiker voor beëindiging gebruik Beslist flankerend beleid Grondenbankovereenkomsten Maximaal 2000 euro Vergoedingen lokale grondenbanken: vergoeding aan eigenaar voor aanvaarden nieuwe pachtovereenkomst Beslist flankerend beleid Grondenbankovereenkomsten Maximaal 20 % van de venale waarde Vergoeding vrijwillige bedrijfsverplaatsing Vrijstellingsverordening (EG) nr 1857/2006 en eigen berekeningen op basis van uitgevoerde bedrijfsverplaatsingen Koopplicht (maar bij de landcommissie) 1,75 % op kostprijs herinrichting Maximaal 40 % op het verschil in waarde voor zelfde productiecapaciteit Vergoeding vrijwillige bedrijfsstopzetting Vrijstellingsverordening (EG) nr 1857/2006 Koopplicht (maar bij de landcommissie) Jaarlijks bruto saldo vermenigvuldigd met het verschil tussen 65 en de leeftijd aanvrager Vergoeding vrijwillige bedrijfsreconversie Beslist flankerend beleid Koopplicht (maar bij de landcommissie) Maximaal 1750 of 2000 euro per overgedragen ha Maximaal 40 % van de gedane investeringen Koopplicht Koopplicht IWB, Natuur Koopplicht IWB, Natuur Aankoopprijs
- De landcommissie Per provincie wordt een landcommissie opgericht.De landcommissies vervullen opdrachten in het kader van de instrumenten herverkaveling uit kracht van wet, herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil, vergoeding voor waardeverlies van gronden, vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting en bedrijfsreconversie. Deel
- De toepassing van de instrumenten via landinrichtingsprojecten
- De landinrichtingsprojecten Onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid van landinrichtingsprojecten en de instelling van landinrichtingsprojecten Een landinrichtingsproject kan overwogen worden om een antwoord te bieden op een vraag naar inrichting of beheer van de open ruimte.Deze vraag kan komen van verschillende partners die actief zijn in de open ruimte. Stap 1: De minister beslist om een onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid van een landinrichtingsproject te voeren. Stap 2: De VLM krijgt hiervoor de opdracht en voert het onderzoek uit. Het onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid resulteert in een voorstel van landinrichtingsproject. Dit voorstel van landinrichtingsproject bevat de doelstellingen van het project, de gebiedsafbakening, een niet-limitatief overzicht van de bij de uitvoering van het landinrichtingsproject betrokken partners en een raming van de kosten met een indicatie van de wijze van financiering, alsook een raming van de subsidies landinrichting die men verwacht uit te keren. Op het voorstel van landinrichtingsproject wordt het advies uitgebracht door de programmacommissie. Stap 3: De VLM kan op basis van dit advies het voorstel van landinrichtingsproject aanpassen. Stap 4: De dienst bezorgt alle stukken (onderzoek naar haalbaarheid met aangepast voorstel van landinrichtingsproject, het advies van de programmacommissie, wijze waarop de VLM heeft rekening gehouden met het advies) aan de minister, aan het college van burgemeester en schepenen en aan de deputatie. Stap 5: De Vlaamse Regering keurt het voorstel van landinrichtingsproject goed en stelt het project in. Stap 6: De VLM maakt de beslissing van de Vlaamse Regering over aan het college van burgemeester en schepenen, de deputatie en de programmacommissie.
- De programmacommissie De programmacommissie werkt op het niveau van het Vlaams Gewest.In de programmacommissie zijn alle bevoegdheden vertegenwoordigd die bij de landinrichting kunnen worden betrokken.
- De landinrichtingsplannen De opmaak, vaststelling en uitvoering van landinrichtingsplannen Dit besluit voorziet de procedure voor de opmaak en vaststelling van landinrichtingsplannen. Stap 1: Een landinrichtingsplan wordt opgemaakt door de VLM onder begeleiding van de planbegeleidingsgroep die zo het landinrichtingsplan stuurt. Stap 2: De adviesprocedure inzake landinrichtingsplannen verloopt via de bestendige deputatie en het college van burgemeester en schepenen. Het college van burgemeester en schepenen organiseert een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek wordt ook laagdrempelig aangekondigd, zoals onder meer op de website van de gemeente en de initiatiefnemer. Het college van burgemeester en schepenen bezorgt de opmerkingen en bezwaren die werden ingediend tijdens het openbaar onderzoek aan de VLM binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen het landinrichtingsplan hebben ontvangen. Het college van burgemeester en schepenen en de deputatie kunnen advies verlenen aan de VLM over het landinrichtingsplan. Stap 3: De VLM kan op basis van de adviezen het landinrichtingsplan aanpassen, nadat het voorstel tot aanpassing is voorgelegd aan de planbegeleidingsgroep. Stap 4: De dienst bezorgt alle stukken (aangepast landinrichtingsplan, verslag planbegeleidingsgroep, opmerkingen en bezwaren ingediend tijdens het openbaar onderzoek, de adviezen en de instemmingen) aan de minister. Stap 5: De minister stelt het landinrichtingsplan vast. Als het landinrichtingsplan ook betrekking heeft op de bevoegdheden die niet toegewezen zijn aan de minister, dan wordt het landinrichtingsplan vastgesteld door de Vlaamse Regering. Stap 6: De VLM maakt het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan bekend in het Belgisch Staatsblad minstens als de toepassing van een aantal instrumenten aan de orde is en bezorgt het landinrichtingsplan en het besluit tot vaststelling aan de instanties en personen die belast zijn met de uitvoering, de gemeente en de provincie en de planbegeleidingsgroep. Het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan dient evenzeer bekend gemaakt te worden op de website van de gemeente en de VLM. Stap 7: De VLM maakt het besluit van de voltooiing van het landinrichtingsplan bekend in het Belgisch Staatsblad. De voltooiing moet worden vastgesteld als de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, de vrijwillige bedrijfsstopzetting, de vrijwillige bedrijfsreconversie of de koopplicht werden ingezet. De planbegeleidingsgroepen Een planbegeleidingsgroep wordt per landinrichtingsproject voorzien specifiek op maat en in functie van het bedoelde landinrichtingsproject. De planbegeleidingsgroep bepaalt welke landinrichtingsplannen er binnen een landinrichtingsproject zullen worden opgemaakt en ondersteunt de VLM bij de opmaak van de landinrichtingsplannen. Een landinrichtingsplan bevat steeds de instrumentenafweging. Hierdoor ondersteunt de planbegeleidingsgroep eveneens de VLM bij de instrumentenafweging. Na het openbaar onderzoek past de VLM slechts het landinrichtingsplan aan, nadat het voorstel tot aanpassing ten gevolge het openbaar onderzoek, is voorgelegd aan de planbegeleidingsgroep. Het verslag van de planbegeleidingsgroep over het voorstel tot aanpassing van het landinrichtingsplan, wordt mee overgemaakt aan de Minister. De minister beslist over de samenstelling van elke planbegeleidingsgroep en beschikt daarvoor best over voldoende ruimte om tot een optimale samenstelling te komen.
- Subsidies Procedure voor indienen en vaststellen van uitvoeringsinitiatieven Op voorstel van de planbegeleidingsgroep doet de VLM een oproep voor het indienen van projectvoorstellen voor uitvoeringsinitiatieven. `Uitvoeringsinitiatieven' kunnen heel breed zijn, om reden van het doel van de inzet van deze uitvoeringsinitiatieven. Draagvlak creëren is hierbij een belangrijk doel waarbij de bottom-up aanpak en de creativiteit van de projectindiener voorop staan, uiteraard altijd binnen de doelstellingen van het landinrichtingsproject. De planbegeleidingsgroep bepaalt de termijn waarbinnen de projectvoorstellen ingediend moeten zijn. De VLM gaat na of de projectvoorstellen voldoen aan de voorwaarden. De minister neemt de beslissing over de projectvoorstellen. Bepalingen over de aanvraag, de toekenning, de aanwending en de verantwoording van subsidies Iedere aanvraag van subsidie wordt ingediend bij de dienst. De VLM kan degene die de subsidie aanvraagt bijstaan bij de aanvraag van de subsidie. De minister beslist over de toekenning van de subsidie. Subsidies kunnen worden toegekend voor: - De voorbereiding van landinrichtingsplannen - Uitvoeringsinitiatieven - Inrichtingswerken - Vergoedingen bij lokale grondenbanken - Grondverwerving - Vergoeding voor waardeverlies van gronden - Opmaak van een onderhoudsplan - Beheerovereenkomsten - Dienstenvergoedingen - Vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting, bedrijfsreconversie Bepalingen inzake sancties en uitbetaling van subsidies Als de dienst oordeelt dat de aanwending van de subsidie verantwoord is, gaat de dienst over tot uitbetaling van de subsidie. Als wordt vastgesteld dat de voorwaarden voor de toekenning van de subsidie niet worden nageleefd, moet de begunstigde de subsidie onmiddellijk terugbetalen. Staatsteun De toegekende subsidies moeten voldoen aan de communautaire regelgeving. Hiermee wordt de regeling met betrekking tot de staatsteun bedoeld. Staatsteun kan enkel nadat deze aangemeld en goedgekeurd is door Europa. Hierop zijn er een aantal uitzonderingen zijnde: de de minimis regeling, de groepsvrijstelling en de vergoeding voor diensten van algemeen economisch belang. - De de minimis regeling: onder bepaalde voorwaarden kan steun, tot een bepaald bedrag, uitgekeerd worden zonder problemen. Er bestaan verschillende de minimis bedragen. De reguliere de minimis bedraagt 200.000 euro; voor landbouw 15.000 euro. Voor DAEB (diensten van algemeen economisch belang) bedraagt het plafond 500.000 euro. - Groepsvrijstellingen: Europa heeft een aantal categorieën steun opgesomd, de, mits voldaan (EG n is aan bepaalde voorwaarden, niet aangemeld moeten worden (vrijstellingsverordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie betreffende en de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatsteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001) - Vergoeding voor diensten van algemeen economisch belang (DAEB's): dergelijke vergoedingen worden niet aanzien als staatsteun, op voorwaarde dat er aan de ALTMARK voorwaarden is voldaan. (besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatsteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen) Indien de maatregel onder één van deze uitzondering valt dan dient niet aangemeld te worden. Er is een toetsing gebeurt van de ontworpen regeling aan de Europese staatsteunregels. De ontworpen regeling kan onder de hierboven vernoemde uitzonderingen gecatalogeerd worden (zowel de de minimis als DAEB).. Indien blijkt dat de maatregel niet voldoet aan de voorwaarden van de uitzonderingen, dan wordt de maatregel alsnog aangemeld. Samenvattende tabel: het subsidiepercentage per subsidieregeling en begunstigde Provincies, gemeenten 3.3.8, 3.3.9 3.3.8 Provincies, gemeenten, privaatrechtelijke rechtspersonen beheer of bescherming landschap VLM Onderafdeling 2: Voorbereiding LI plannen Max 70 % (Minister bepaalt %) Max 100 % (Minister bepaalt % ten laste van derden) Onderafdeling 3: Uitvoeringsinitiatieven Max 50 % (Minister bepaalt % als er nog geen landinrichtingsplan is vastgesteld) Onderafdeling 4: Inrichtingswerken Max 70 % Voor werken uitgevoerd door het agentschap: max. 100 % op gronden Vl. overheid; max. 70 % op prov. gem. gronden of op gronden in eigendom van 3.3.
- Onderafdeling 5: Vergoedingen lokale grondenbanken Max. 50 % Onderafdeling 6: Grondverwerving Max. 50 % Voor gronden die het agentschap verwerft: max 100 % voor gronden Vl overheid; max.50 % op prov. gem. gronden Onderafdeling 7: Vergoedingen waardeverlies gronden; Onderafdelingen11, 12 en 13: Vergoedingen bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting, bedrijfsreconversie Max. 50 % Voor activiteit die het agentschap uitvoert: max. 100 % activiteit wordt uitgevoerd op vraag van VLM; 50 % als activiteit wordt uitgevoerd op vraag van 3.3.8 Onderafdeling 8: Opmaak onderhoudsplan Max. 70 % Voor onderhoudsplan dat het agentschap opmaakt: max. 100 % onderhoudsplan opgemaakt op vraag van VLM; max. 70 % onderhoudsplan op vraag van 3.3.
- en 3.3.9 Onderafdeling 9: Beheerovereenkomsten Max. 50 % Voor BO's gesloten met het agentschap: max.100 % op vraag van VLM; max. 50 % op vraag van prov, gem Onderafdeling 10: Dienstenvergoeding Max. 50 % Voor dienstenvergoeding aangegaan met het agentschap: max. 100 % op vraag van VLM; max. 50 % op vraag van prov, gem Voor uitvoering van Vlaams beleid op gronden van Vlaamse overheid kan tot 100 % gesubsidieerd worden. Van andere partners wordt een financiële bijdrage verwacht om hen te responsabiliseren en betere garanties te hebben, vandaar het lager subsidiepercentage. De percentages werden vastgesteld naar analogie met de huidige subsidieregeling. Het betreft maximale percentages. Het werkelijke percentage wordt vastgesteld in het landinrichtingsplan of door de minister indien er nog geen landinrichtingsplan is vastgesteld. Uit de praktijk blijkt dat dit meestal de maximum percentages zijn voor wat betreft de begunstigden 3.3.8 en 3.3.
- Enkel voor wat betreft begunstigde VLM (op gronden Vlaamse overheden) wordt onderhandeld met de andere Vlaamse overheden zodat de percentages gereduceerd kunnen worden. Deel
- De toepassing van de instrumenten via projecten, plannen of programma's Het besluit Vlaamse Regering voorziet de procedure voor de opmaak en vaststelling van inrichtingsnota's en de integratie ervan in een beslissing over het project, plan of programma waarmee ze samenhangen en bepaalt de gevallen wanneer een openbaar onderzoek vereist is. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen inrichtingsnota's bij project, plannen en programma's goedgekeurd door de Vlaamse Regering, door het provinciebestuur of het gemeentebestuur. Inrichtingsnota's bij project, plannen en programma's goedgekeurd door de Vlaamse Regering Stap 1: Een inrichtingsnota wordt opgemaakt door de Vlaamse initiatiefnemer in overleg met de VLM die op die manier de inhoud van de inrichtingsnota bewaakt. Op vraag van de Vlaamse initiatiefnemer kan de VLM de inrichtingsnota opmaken. Stap 2: De adviesprocedure inzake inrichtingsnota's verloopt via de bestendige deputatie en het college van burgemeester en schepenen. Het college van burgemeester en schepenen organiseert een openbaar. De inrichtingsnota wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Het openbaar onderzoek wordt ook laagdrempelig aangekondigd, zoals onder meer op de website van de gemeente en de initiatiefnemer. Het college van burgemeester en schepenen bezorgt de opmerkingen en bezwaren die werden ingediend tijdens het openbaar onderzoek aan de Vlaamse initiatiefnemer binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen de inrichtingsnota hebben ontvangen. Het college van burgemeester en schepenen en de deputatie kunnen advies verlenen aan de Vlaamse initiatiefnemer over de inrichtingsnota. Stap 3: De Vlaamse initiatiefnemer kan op basis van de adviezen en de opmerkingen en bezwaren uit het openbaar onderzoek de inrichtingsnota aanpassen. Stap 4: De Vlaamse initiatiefnemer bezorgt alle stukken (aangepast inrichtingsnota, opmerkingen en bezwaren ingediend tijdens het openbaar onderzoek, de adviezen en de instemmingen) voor advies aan de VLM. aan de minister. De VLM verleent dit advies binnen een termijn van één maand. Stap 5: De Vlaamse initiatiefnemer bezorgt de inrichtingsnota aan de minister. Stap 6: De Vlaamse Regering stelt de inrichtingsnota vast. Stap 7: De Vlaamse initiatiefnemer maakt het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota bekend in het Belgisch Staatsblad minstens als de toepassing van een aantal instrumenten aan de orde is, en bezorgt de inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling aan de instanties en personen die belast zijn met de uitvoering, de gemeente en de provincie en de VLM. Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota dient evenzeer bekend gemaakt te worden op de website van de gemeente en de initiatiefnemer. Stap 8: De Vlaamse initiatiefnemer maakt het besluit van de voltooiing van het landinrichtingsplan bekend in het Belgisch Staatsblad. De voltooiing moet worden vastgesteld als de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, de vrijwillige bedrijfsstopzetting, de vrijwillige bedrijfsreconversie of de koopplicht werden ingezet. Inrichtingsnota's bij project, plannen en programma's goedgekeurd door het provinciebestuur of gemeentebestuur Deze procedure is zeer gelijklopend als vorige procedure. Stap 5 is anders omdat decretaal vereist is dat bij de toepassing van de instrumenten inrichtingswerken uit kracht van wet, vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsreconversie, bedrijfsstopzetting, recht van voorkoop, vestigen van erfdienstbaarheden tot openbaar nut, herverkaveling uit kracht van wet, herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil en vergoedingen voor waardeverlies van gronden een machtiging van de Vlaamse Regering vereist is. Stap 1: Een inrichtingsnota wordt opgemaakt door de deputatie of het college van burgemeester en schepenen in overleg met de VLM die op die manier de inhoud van de inrichtingsnota bewaakt. Op vraag van de deputatie of het college van burgemeester en schepenen kan de VLM de inrichtingsnota opmaken. Stap 2: De adviesprocedure inzake inrichtingsnota's verloopt via het college van burgemeester en schepenen (bij project, plannen en programma' s goedgekeurd door het provinciebestuur) of de deputatie (bij project, plannen en programma's goedgekeurd door het gemeentebestuur). Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek. De inrichtingsnota wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Het openbaar onderzoek wordt ook laagdrempelig aangekondigd, zoals onder meer op de website van de gemeente en de initiatiefnemer. Het college van burgemeester en schepenen bezorgt de opmerkingen en bezwaren die werden ingediend tijdens het openbaar onderzoek aan de deputatie (bij project, plannen en programma's goedgekeurd door het provinciebestuur) binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen de inrichtingsnota hebben ontvangen. Het college van burgemeester en schepenen (bij project, plannen en programma's goedgekeurd door het provinciebestuur) of de deputatie (bij project, plannen en programma's goedgekeurd door het gemeentebestuur) kunnen advies verlenen aan respectievelijk de deputatie en het college van burgemeester en schepenen over de inrichtingsnota. Stap 3: De deputatie of het college van burgemeester en schepenen kan op basis van de adviezen de inrichtingsnota aanpassen. Stap 4: De deputatie of het college van burgemeester en schepenen bezorgt alle stukken (aangepast inrichtingsnota, opmerkingen en bezwaren ingediend tijdens het openbaar onderzoek, de adviezen en de instemmingen) aan de VLM. De VLM keurt binnen een termijn van een maand, die eventueel met een maand kan verlengd worden, de inrichtingsnota al dan niet goed op basis van een beoordeling van het dossier op volledigheid, correctheid en financieel sluitend en brengt de deputatie of het college van burgemeester en schepenen op de hoogte van haar beslissing. Stap 5: De VLM bezorgt, na haar goedkeuring, de inrichtingsnota aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering verleent machtiging voor de toepassing van de instrumenten. De VLM brengt de deputatie of het college van burgemeester en schepenen op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse Regering. Stap 6: De provincieraad of de gemeenteraad stelt, na de goedkeuring van de VLM en na machtiging van de Vlaamse Regering, de inrichtingsnota vast. Stap 7: De provincieraad of de gemeenteraad maakt het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota bekend in het Belgisch Staatsblad minstens als de toepassing van een aantal instrumenten aan de orde is en bezorgt de inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling aan de instanties en personen die belast zijn met de uitvoering, de gemeente of de provincie en de VLM. Het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota dient evenzeer bekend gemaakt te worden op de website van de gemeente en de provincie. Stap 8: De provincieraad of de gemeenteraad maakt het besluit van de voltooiing van het landinrichtingsplan bekend in het Belgisch Staatsblad. De voltooiing moet worden vastgesteld als de vrijwillige bedrijfsverplaatsing, de vrijwillige bedrijfsstopzetting, de vrijwillige bedrijfsreconversie of de koopplicht werden ingezet. Integratie inrichtingsnota in de besluitvorming van het project, plan of programma Bij de opmaak van een inrichtingsnota tot inzet van de instrumenten uit deel 2 van het decreet ter uitvoering van een project, plan of programma, geniet het de voorkeur om de inrichtingsnota's procedureel te integreren in de besluitvorming van het project, plan of programma. Dit kan het draagvlak van het project, plan of programma verhogen en duidelijkheid scheppen i.v.m. de timing en inzet van middelen in functie van de uitvoering van het project, plan of programma. In dat geval neemt het betreffende bestuursniveau een beslissing over de inrichtingsnota op hetzelfde moment als de beslissing over het project, plan of programma. Indien de inrichtingsnota niet geïntegreerd wordt in de procedure voor goedkeuring van het project, plan of programma, kan in de beslissing over het project, plan of programma reeds aangegeven worden binnen welke termijn een inrichtingsnota zal opgemaakt worden. De opmaak van een inrichtingsnota blijft uiteraard ten allen tijde mogelijk in functie van de realisatie van een goedgekeurd project, plan of programma. De procedurele integratie verloopt als volgt: - de inrichtingsnota maken een herkenbaar onderdeel uit van het project, plan of programma; - de inrichtingsnota wordt mee onderworpen aan het openbaar onderzoek gekoppeld aan het project, plan of programma en volgt deze procedure; - in het kader van de besluitvorming van het project, plan of programma wordt de inrichtingsnota mee goedgekeurd door de Vlaamse Regering, de provincieraad of de gemeenteraad. Het Landbouweffectenrapport als onderbouwing van inrichtingsnota's Een landbouweffectenrapport is één van de mogelijke bijkomende studies die worden uitgevoerd ter onderbouwing van een inrichtingsnota of de instrumentenafweging als onderdeel van de inrichtingsnota. De opmaak van de bijkomende studies maken deel uit van een breder overleg- en communicatieproces met de betrokken actoren (besturen, doelgroepen, landbouwers, andere open ruimte gebruikers,...) Een landbouweffectenrapport wordt opgemaakt als blijkt dat de effecten op landbouw door de realisatie van het project, plan of programma significant zullen zijn en als blijkt dat de opmaak van een landbouweffectenrapport relevante bijkomende informatie voor het project, plan of programma of de in te zetten instrumenten zal opleveren. Dit zal blijken uiteen screeningsanalyse van beschikbare gegevens zoals bijvoorbeeld een landbouwimpactstudie en uit bijkomende informatie die de initiatiefnemer ter beschikking stelt. De initiatiefnemer maakt het landbouweffectenrapport op en richt een begeleidingsgroep op. Deze begeleidingsgroep bestaat uit alle relevante actoren zoals daar zijn de besturen, de landbouwers en andere open ruimte gebruikers. De begeleidingsgroep heeft als belangrijke taak de initiatiefnemer te ondersteunen bij de opmaak van het landbouweffectenrapport. Het landbouweffectenrapport bestaat uit minstens 5 onderdelen en wordt zo opgesteld zodat er geen vertrouwelijke informatie van de betrokken landbouwbedrijven kan worden uit afgeleid. De initiatiefnemer kan aan VLM of een derde vragen om de LER op te maken. Het landbouweffectenrapport wordt, na een goedkeuring door VLM en het departement Landbouw en Visserij, ter inzage gelegd bij het openbaar onderzoek van de inrichtingsnota. Deel
- De toepassing van de instrumenten beheerovereenkomst en dienstenvergoeding via een beheervisie De Minister bepaalt de beheervisie. Een voorstel van beheervisie kan worden opgemaakt en aangeleverd door de VLM, een administratieve overheid of door een privaatrechtelijke rechtspersoon die het beheer of de bescherming van landschap, natuur of milieu beoogt. Het besluit tot bepaling van de beheervisie wordt door de VLM bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deel
- Evaluatie De toepassing van het decreet wordt vijfjaarlijks geëvalueerd. De VLM maakt hiervoor een rapport op. Het evaluatierapport bestaat minstens uit een evaluatie van de instrumenten en de toepassing van de instrumenten op basis van de criteria doeltreffendheid, doelmatigheid en gedragenheid. Deel
- Wijzigings- en slotbepalingen In de wijzigings- en slotbepalingen wordt geregeld dat de bestaande Besluiten van de Vlaamse regering betreffende de procedure tot opmaak van landinrichtingsplannen en houdende de subsidiëring van de landinrichtingswerken worden opgeheven. In de slotbepalingen worden verder nog een aantal wijzigingen voorzien aan bestaande Besluiten van de Vlaamse Regering ter uitvoering van zoals onder meer het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het grond- en pandendecreet en het decreet houdende vaststelling van een kader voor de gebruikerscompensatie bij bestemmingswijzigingen, overdrukken en erfdienstbaarheden tot openbaar nut. Verder wordt nog een overgangsbepaling verder uitgewerkt voor de in opmaak zijnde inrichtingsplannen landinrichting. Een andere slotbepaling voorziet in de inwerkingtreding van het deel landinrichting uit het decreet. Een laatste slotbepaling regelt dat de Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud en de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening belast zijn met de uitvoering van het besluit.
- ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING VAN HET UITVOERINGSBESLUIT Artikel 1.1.1.
- In dit artikel zijn enkele definities opgenomen. De definitie landbouwer in hoofdberoep is analoog geformuleerd als bij de huidige grondenbanken die als flankerend beleid worden ingezet. Dit omdat er specifieke overeenkomsten zijn qua doel en doelpubliek en omwille van de ervaring dat dit een werkbare definitie is. Artikel 1.1.1.
- In een eerste paragraaf wordt bepaald dat de afweging voor een al dan niet gecombineerde toepassing van instrumenten voor inrichting, verwerving en beheer volgens een aantal handelingen of stappen dient te gebeuren. In een tweede paragraaf wordt bepaald dat de instrumentenafweging binnen het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota dient te gebeuren volgens de methodiek en de principes uit de conceptnota. In een derde paragraaf wordt bepaald dat de VLM na twee jaar een evaluatie maakt van de methodiek en de bijhorende principes. Artikel 1.2.1.
- t.e.m. 1.2.1.
- Deze artikelen regelen de werkingsmiddelen aan de VLM voor de taken ingevolge de uitvoering van het decreet. Artikel 2.1.1.
- De uitvoering van inrichtingswerken uit kracht van wet wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad samen met de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. Dit artikel beperkt verder de uitvoering van inrichtingswerken uit kracht van wet tot de instanties en personen vermeld in artikel 3.3.
- en 3.3.
- van het decreet. Privaatrechtelijke rechtspersonen en natuurlijke personen kunnen aldus geen inrichtingswerken uit kracht van wet uitvoeren. Artikel 2.1.1.
- De vestiging van `andere erfdienstbaarheden tot openbaar nut', dus erfdienstbaarheden die niet gericht zijn op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad samen met de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. Erfdienstbaarheden die gericht zijn op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet, worden pas gevestigd nadat de werken zijn uitgevoerd. Het besluit tot vestiging van deze erfdienstbaarheden wordt door de VLM bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. In een derde paragraaf wordt bepaald dat de erfdienstbaarheden door de instrumenterende ambtenaar wordt opgenomen in een authentieke akte. Artikel 2.1.1.
- Dit artikel bepaalt dat in het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota bepaald wordt welke instantie de vergoeding voor waardeverlies van gronden verschuldigd is. Artikel 2.1.1.
- De landcommissie bepaalt de vergoeding voor waardeverlies van gronden na de uitvoering van het inrichtingswerk uit kracht van wet of na vestiging van de erfdienstbaarheid tot openbaar nut, dus na het ontstaan van de schade. De instantie of persoon die belast is met de uitvoering van het inrichtingswerk uit kracht van wet stelt de landcommissie in kennis van de uitvoering van het inrichtingswerk. De VLM stelt de landcommissie in kennis van de vestiging van de erfdienstbaarheid van openbaar nut. Als de erfdienstbaarheid tot openbaar nut gericht is op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet, dan is voor deze erfdienstbaarheid geen vergoeding verschuldigd, dit om dubbele compensaties te vermijden. De vergoeding voor eigenaar en gebruiker worden berekend volgens de formules uit de derde en vierde paragraaf. De berekeningswijze is conform de principes rond inhoudelijke integratie in de door de Vlaamse Regering op 20 december 2013 goedgekeurde conceptnota "Harmonisering van de compenserende vergoedingen die door de overheid worden uitbetaald om de beperkende of nadelige gevolgen op het grondgebruik in brede zin door beleidsdoelstellingen en verplichte inrichting- en beheermaatregelen te vergoeden". De vergoeding voor de gebruiker is gelijk aan het verschil van de financiële gebruikswaarde. De berekening van de financiële gebruikswaarde is gebaseerd op een berekend aandeel van de onteigeningsvergoeding voor gebruikers en dus op basis van reële gederfde inkomsten of opbrengsten en landbouweconomische bedrijfsgegevens. De onteigeningsvergoeding betreft een totale vergoeding voor reële inkomstendervingen. Door de genomen maatregelen zal het onroerend goed wel nog kunnen gebruikt worden, vandaar dat maar een deel van de onteigeningsvergoeding zal moeten vergoed worden, aangezien er nog wel degelijk een gebruikswaarde aanwezig is op het onroerend goed. Voor de reële daling van de gebruikswaarde van het onroerend goed, wordt een percentage van de onteigeningsvergoeding, die overeenkomt met een percentage gebruikswaardedaling, vergoed. De gehanteerde formule voor de berekening van de vergoeding voor de gebruiker is opgesteld naar analogie met de formule voor de berekening van de gebruikerscompensatie. Artikel 2.1.1.
- De landcommissie maakt eerst een berekening van de vergoeding. Artikel 2.1.1.
- t. e.m. artikel 2.1.1.
- Deze artikelen bepalen dat de landcommissie de lijsten opmaakt van de rechthebbenden met de vergoedingen en daarna de rechthebbenden hiervan in kennis stelt. Schriftelijke bezwaren kunnen ingediend worden binnen een termijn van dertig dagen, waarna de landcommissie de bezwaren behandelt en zo nodig de lijsten wijzigt. De landcommissie stelt de rechthebbenden in kennis en bezorgt de definitieve lijsten aan de instantie of persoon die de vergoeding verschuldigd is. Binnen de drie maanden na de kennisgeving aan de rechthebbenden betaalt de landcommissie de vergoedingen uit. De landcommissie vordert de betaalde vergoedingen terug van de instantie of de persoon die de vergoeding verschuldigd is. Artikel 2.1.2.
- Dit artikel bepaalt de voorwaarden voor het sluiten van een beheerovereenkomst In de eerste paragraaf, tweede lid wordt verder bepaald welke administratieve overheid een overeenkomst kan sluiten. In de vijfde paragraaf wordt bepaald dat een beheerovereenkomst ook vroegtijdig kan beëindigd worden. Artikel 2.1.2.
- In dit artikel is de formule voor de berekening van de beheervergoeding opgenomen. Deze formule werd opgesteld naar analogie met de berekeningswijzen van de beheersvergoeding voor beheerovereenkomsten die gesloten worden in het kader van PDPO. Verder wordt in dit artikel bepaald welke instantie de beheervergoeding verschuldigd is en welke instantie belast is met de controle.. Artikel 2.1.2.
- Dit artikel regelt de taken van de VLM. Artikel 2.1.2.
- In paragraaf 1 volgt de voorwaarde voor het toekennen van een dienstenvergoeding. In paragraaf 2 komt de voorwaarde voor uitbetalen aan bod. Artikel 2.1.2.
- In dit artikel is de formule voor de berekening van de dienstenvergoeding opgenomen. Deze formule werd opgesteld naar analogie met de berekeningswijzen van de beheersvergoeding voor beheerovereenkomsten die gesloten worden in het kader van PDPO. Verder wordt in dit artikel bepaald welke instantie de dienstenvergoeding verschuldigd is en welke instantie belast is met de controle. Artikel 2.1.2.
- Dit artikel regelt de taken van de VLM. Artikel 2.1.3.
- In dit artikel wordt bepaald dat in het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota bepaald wordt binnen welke zones het recht van voorkoop geldt alsook de termijn. De inwerkingtreding van het recht van voorkoop wordt geregeld bij de vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota (laatste lid van de artikelen 3.2.1.6, 4.2.1.6, § 2, 4.2.2.6, § 2 en 4.2.3.6, § 2). De inwerkingtreding van het recht van voorkoop wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad samen met de bekendmaking van het besluit van de vaststelling van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. De termijn gaat in bij de inwerkingtreding van het recht van voorkoop (dag na publicatie). Na het verstrijken van de termijn kan het recht van voorkoop niet meer worden aangeboden. Artikel 2.1.3.
- Dit artikel bepaalt dat bij een herverkaveling uit kracht van wet de wederbeleggingsvergoeding wordt toegevoegd aan de financiële compensatie als er een onderbedeling van meer dan 2 % op de ruilwaarde plaatsvindt. De 2 % is gekozen naar analogie met de bepaling uit artikel 29 van de wet op de ruilverkaveling waarbij een vergoeding voor gebruiksverlies verschuldigd is als een gebruiker meer dan 2 % wordt onderbedeeld. De logica is dat bij een herverkaveling het niet haalbaar is om 0 % onder- of overbedeling te realiseren. Daarom voorziet de ruilverkavelingswet een grens van 2 % onderbedeling voor een vergoeding voor gebruiksverlies. Naar analogie daarmee wordt een grens van 2 % onderbedeling vastgelegd voor een wederbeleggingsvergoeding. Artikel 2.1.4.
- Dit artikel bepaalt dat vergoedingen door de Vlaamse Grondenbank kunnen worden toegekend indien er zich een dwingende verwerving voordoet. Het begrip "dwingende verwerving" is een verduidelijking van artikel 2.1.67 van het decreet van 28 maart 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 28/03/2014 pub. 22/08/2014 numac 2014035709 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de landinrichting type decreet prom. 28/03/2014 pub. 04/09/2014 numac 2014035673 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming type decreet prom. 28/03/2014 pub. 01/04/2014 numac 2014035363 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van het decreet van 13 juli 2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid en het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid type decreet prom. 28/03/2014 pub. 08/08/2014 numac 2014035461 bron vlaamse overheid Decreet houdende instemming met 1° de overeenkomst tussen het Koninkrijk België en Australië tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, ondertekend te Canberra op 13 oktober 1977, zoals gewijzigd door het protocol, ondertekend te Canberra op 20 maart 1984, en door het Tweede protocol, gedaan te Parijs op 24 juni 2009; 2° het Tweede protocol tot wijziging van onder 1° vermelde overeenkomst, gedaan te Parijs op 24 juni 2009 type decreet prom. 28/03/2014 pub. 13/06/2014 numac 2014202524 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van artikel 5 van het decreet van 30 maart 1999 houdende oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren type decreet prom. 28/03/2014 pub. 19/06/2014 numac 2014202408 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van artikel 285 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 type decreet prom. 28/03/2014 pub. 16/04/2014 numac 2014035435 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van artikel 276 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 type decreet prom. 28/03/2014 pub. 02/07/2014 numac 2014035439 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van artikel 246 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, wat betreft de samenstelling van de organen van een gemeentelijke vennootschap, vereniging of stichting, belast met beleidsuitvoerende taken van gemeentelijk belang die uitsluitend bevoegdheden van het district betreffen type decreet prom. 28/03/2014 pub. 08/08/2014 numac 2014035460 bron vlaamse overheid Decreet houdende instemming met de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds, ondertekend in Tegucigalpa op 29 juni 2012 sluiten waar vermeld staat dat de wijziging van de eigendoms- of gebruikstoestand vereist is. Met het toekennen van deze vergoedingen wordt getracht om gronden versneld vrij te krijgen op een zeer specifieke locatie, dit in tegenstelling met projecten waar meer tijd en ruimte is en in der minne kan verworden worden. Voorwaarden en termijnen worden opgenomen in de overeenkomst. De vergoeding, vermeld in artikel 2.1.67, 3° van het decreet, wordt alleen toegekend als de verpachter er zich toe verbindt om de pachtovereenkomst te behouden gedurende een termijn overeenkomstig de pachtwet. Met de huidige pachtwet, wordt hier de periode van negen jaar bedoeld. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel worden de maximale vergoedingen die kunnen toegekend worden aan een eigenaar en gebruiker vastgelegd. Deze vergoedingen worden geactualiseerd op basis van de gezondheidsindex. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel worden de algemene voorwaarden voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing beschreven. In een eerste paragraaf wordt bepaald dat de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing geldt binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt eveneens de entiteit bepaald die de vergoeding alsook de eventuele aankoopprijs verschuldigd is. De maximale bedragen voor de vergoedingen voldoen aan de communautaire regelgeving van de vrijwillige bedrijfsverplaatsing. Deze regeling wordt thans geregeld in het Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie (artikel 6) betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatsteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/
- In een tweede paragraaf wordt bepaald dat de aanvraag moet worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. In een derde paragraaf wordt de voorwaarden bepaald waaraan de aanvrager moet voldoen zoals het landbouwbedrijf uitbaten in hoofdberoep en als eigenaar minstens de onderdelen te koop aanbieden die het project hinderen. In een vierde paragraaf wordt bepaald dat een vergoeding kan aangevraagd worden als het onroerend goed van de aanvrager geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen het gebied. Verder moet de aanwezigheid van het bedrijf rechtstreeks de realisatie van het project belemmeren of door de realisatie van het project, in combinatie met de eventuele realisatie van andere geplande en goedgekeurde projecten de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering in het gedrang komt. Het is aan de aanvrager om dit laatste te bewijzen. De leefbaarheid komt in het gedrang als het arbeidsinkomen uit de bedrijfsvoering daalt onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen. De bedrijfsvoering is gericht op de uitvoering van landbouwactiviteiten. Deze landbouwactiviteiten omvatten eveneens de verbrede landbouwactiviteiten zoals bijvoorbeeld verkoop op de hoeve. In een vijfde paragraaf wordt bepaald dat vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing alleen van toepassing is op een bedrijf dat gelegen is in het Vlaamse Gewest. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel wordt de procedure beschreven. De aanvraag voor een vergoeding voor bedrijfsverplaatsing wordt ingediend bij de landcommissie en volgt de procedure zoals bij de koopplicht. De landcommissie heeft drie maanden de tijd om het dossier te beoordelen op volledigheid. De landcommissie staat in voor de betaling van de vergoeding. De uitbetaling gebeurt na aanvraag tot betaling door de aanvrager binnen een termijn van drie jaar na het akkoord van de aanvrager met het aanbod. Bij de aanvraag tot uitbetaling voegt de aanvrager de nodige bewijsstukken. De entiteit die de bijhorende aankoopprijs verschuldigd is koopt in eigen naam en voor eigen rekening de aangeboden goederen. Binnen het landinrichtingsplan koop de Vlaamse Grondenbank de goederen aan in naam en voor rekening van de entiteit die de bijhorende aankoopprijs verschuldigd is. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel zijn de bepalingen met betrekking tot de berekening van de aankoopprijs en de vergoedingen opgenomen. De vergoeding voor de directe en indirecte kosten en investeringen die verbonden zijn met de vrijwillige bedrijfsverplaatsing bestaat uit: - Een forfaitaire vergoeding voor het effectief verplaatsen van dieren, materieel en andere roerende goederen horende bij de uitrusting van het bedrijf en voor de private transactiekosten zoals onder meer de gespecialiseerde begeleiding van de bedrijfsverplaatsing. Het zijn de werkelijk gemaakte verplaatsingskosten conform de Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie (artikel 6) (betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001). Deze maken melding van een toegelaten vergoeding van 100 % van de daadwerkelijk gemaakte verplaatsingskoten. Om de administratieve last voor de aanvrager en de behandelende overheid te beperken wordt gekozen voor een forfaitair bedrag van 1,75 procent van de totale kostprijs voor het heroprichten van gelijkaardige bedrijfsgebouwen met dezelfde productiecapaciteit en de actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties. Grotere bedrijven zullen immers hogere daadwerkelijk gemaakte verplaatsingskosten hebben. Het percentage is bepaald uitgaande van de gemiddelde vergoeding voor deze kosten bij recent uitgevoerde bedrijfsverplaatsingen. - Als de aanvrager eigenaar is van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies die in het kader van de bedrijfsverplaatsing aangekocht worden, dan bedraagt de niet forfaitaire vergoeding voor hervestiging van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies horende bij de uitrusting van het bedrijf maximaal 40 % van het verschil tussen de aankoopprijs van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies horende bij de uitrusting van het bedrijf en de totale kostprijs voor heroprichten van bedrijfsgebouwen en onroerende constructies horende bij de uitrusting van het bedrijf met dezelfde productiecapaciteit en de actuele technieken, materialen, uitrusting en installaties (conform de hierboven vermelde vrijstellingsverordening). De kostprijs voor heroprichten van bedrijfsgebouwen en onroerende constructies horende bij de uitrusting van het bedrijf met dezelfde productiecapaciteit en moderne technieken, materialen, uitrusting en installaties wordt in ingeval van een landbouwbedrijf bepaald na advies van het departement bevoegd voor landbouw en visserij. Het departement maakt gebruik van de maximumprijzen voor investeringen bepaald in het Ministerieel besluit betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw. - Als de aanvrager geen eigenaar is van de bedrijfsgebouwen en onroerend constructies die betrokken zijn bij de bedrijfsverplaatsing, dan bedraagt de niet forfaitaire vergoeding voor hervestiging van de bedrijfsgebouwen en onroerende constructies horende bij de uitrusting van het bedrijf maximaal 40 % van de totale kostprijs voor heroprichten van bedrijfsgebouwen en onroerende constructies horende bij de uitrusting van het bedrijf met dezelfde productiecapaciteit en moderne technieken, materialen, uitrusting en installaties. Het percentage is bepaald uitgaande van de gemiddelde verhouding bij recent uitgevoerde bedrijfsverplaatsingen. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel worden de algemene voorwaarden voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting beschreven. In een eerste paragraaf wordt bepaald dat de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting kan aangevraagd worden binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt eveneens de tot de entiteit bepaald die de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting en de eventuele aankoopprijs verschuldigd is. In een tweede paragraaf wordt bepaald dat de aanvraag voor een vergoeding vrijwillige bedrijfsstopzetting moet worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. In een derde paragraaf wordt de voorwaarden bepaald waaraan de aanvrager moet voldoen zoals ten minste 55 jaar en niet ouder dan 65 jaar zijn, het landbouwbedrijf uitbaten in hoofdberoep, als eigenaar minstens de onderdelen te koop aanbieden die het project hinderen, over de nodige vergunningen beschikken, alle commerciële activiteiten onmiddellijk stopzetten. In een vierde paragraaf wordt bepaald dat een vergoeding kan aangevraagd worden als het onroerend goed van de aanvrager geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen het gebied. Verder moet de aanwezigheid van het bedrijf rechtstreeks de realisatie van het project belemmeren of door de realisatie van het project, in combinatie met de eventuele realisatie van andere geplande en goedgekeurde projecten de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering in het gedrang komt. De leefbaarheid komt in het gedrang als het arbeidsinkomen uit de bedrijfsvoering daalt onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen. De bedrijfsvoering is gericht op de uitvoering van landbouwactiviteiten. Deze landbouwactiviteiten omvatten eveneens de verbrede landbouwactiviteiten zoals bijvoorbeeld verkoop op de hoeve. In een vijfde paragraaf wordt bepaald dat indien aan alle bovenvermelde voorwaarden is voldaan, de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting van toepassing is op het volledig bedrijf. In een zesde paragraaf wordt bepaald dat de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting alleen van toepassing is op een bedrijf dat gelegen is in het Vlaamse Gewest. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel wordt de procedure beschreven. De aanvraag voor een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting wordt ingediend bij de landcommissie en volgt de procedure zoals bij de koopplicht. De landcommissie heeft drie maanden de tijd om het dossier te beoordelen op volledigheid. De landcommissie staat in voor de betaling van de vergoeding. De uitbetaling gebeurt na aanvraag tot betaling door de aanvrager. Bij de aanvraag tot uitbetaling voegt de aanvrager de nodige bewijsstukken. De entiteit die de bijhorende aankoopprijs verschuldigd is koopt in eigen naam en voor eigen rekening de aangeboden goederen. Binnen het landinrichtingsplan koop de Vlaamse Grondenbank de goederen aan in naam en voor rekening van de entiteit die de bijhorende aankoopprijs verschuldigd is. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel zijn de bepalingen met betrekking tot berekening van de aankoopprijs en de vergoedingen opgenomen. De vergoeding voor het verlies van het gebruik van de onroerende goederen in paragraaf 2 betreft de gangbare bijzondere eindegebruiksvergoeding die bijvoorbeeld door het aankoopcomité wordt berekend bij onteigening. Zowel voor percelen in eigendom als voor percelen in pacht krijgt de landbouwer een vergoeding op voorwaarde dat het gebruik van deze onroerende goederen effectief wordt stopgezet. Deze vergoeding wordt berekend op basis van de vergoedingsregels die gelden voor onteigening ten algemene nutte. De vergoeding voor de directe en indirecte kosten en het inkomensverlies die gepaard gaan met de vrijwillige bedrijfsstopzetting betreft de werkelijke vergoeding voor het vervroegd (niet ouder dan 65j) stopzetten van de landbouwactiviteiten (conform de vrijstellingsverordening, zie artikel 2.1.4.5). Hoe vroeger (leeftijd) de landbouwer zijn activiteiten stopzet hoe hoger de stimulus of incentive. Het doel is om, in het geval van projecten waar veel landbouwgrond verdwijnt, de bedrijven met een landbouwer die de pensioensleeftijd nadert een stimulans te geven om vroeger te stoppen en op die manier de behoefte aan grond te verlagen en jonge landbouwers meer kansen te bieden. Het bruto saldo van teelten en dieren wordt bepaald door de Afdeling Monitoring en Studie van het Departement Landbouw en Visserij op basis van hun boekhoudkundig netwerk. Het bruto saldo zijn de bruto opbrengsten (verkoop teelten, dieren, melk, stro,...) verminderd met de variabele kosten verbonden met de bedrijfsuitbating (voederkosten, zaaigraan, bemesting, dierenarts, medicamenten, gewasbescherming,...). De vergoeding is gelijk aan het jaarlijks bruto saldo van de op het bedrijf aanwezige teelten en dieren vermenigvudigd met het verschil tussen 65 en de leeftijd van de aanvrager op het moment van de aanvraag. De vergoeding kan ook berekend worden op basis van bedrijfseconomische gegevens uit de boekhouding van het bedrijf. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel worden de algemene voorwaarden voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie beschreven. In een eerste paragraaf wordt bepaald dat de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie kan aangevraagd worden binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt eveneens de entiteit bepaald die de vergoeding voor de vrijwillige bedrijfsreconversie alsook de aankoopprijs verschuldigd is. In een tweede paragraaf wordt bepaald dat de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie moet worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. In een derde paragraaf wordt de voorwaarden bepaald waaraan de aanvrager moet voldoen zoals onder het landbouwbedrijf uitbaten in hoofdberoep, over de nodige vergunningen beschikken, ofwel minimaal 25 % van de bedrijfsoppervlakte overdragen (in het projectgebied) waarbij hij maximaal 1/5 van de afgestane gebruiksoppervlakte terugvraagt (in het zoekgebied), ofwel minimaal 25 % van de bedrijfsoppervlakte overdragen (in het projectgebied) waarbij hij maximaal 1/10 van de afgestane gebruiksoppervlakte terugvraagt (in het zoekgebied), ofwel de bedrijfsvoering aanpassen zodat de doelstellingen van het project worden gerealiseerd (dit kan een gedeeltelijke stopzetting zijn van het bedrijf). In de gevallen dat grond wordt overgedragen gedurende 10 jaar na aanvraag de bedrijfsoppervlakte niet meer dan 10 % uitbreiden. In een vierde paragraaf wordt bepaald dat een vergoeding kan aangevraagd worden als het onroerend goed van de aanvrager geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen het gebied. Verder moet de aanwezigheid van het bedrijf rechtstreeks de realisatie van het project belemmeren of door de realisatie van het project, in combinatie met de eventuele realisatie van andere geplande en goedgekeurde projecten de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering in het gedrang komt. De leefbaarheid komt in het gedrang als het arbeidsinkomen uit de bedrijfsvoering daalt onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen. De bedrijfsvoering is gericht op de uitvoering van landbouwactiviteiten. Deze landbouwactiviteiten omvatten eveneens de verbrede landbouwactiviteiten zoals bijvoorbeeld verkoop op de hoeve. In een vijfde paragraaf wordt bepaald dat vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie alleen van toepassing is op een bedrijf dat gelegen is in het Vlaamse Gewest. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel wordt de procedure beschreven. De aanvraag voor een vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie wordt ingediend bij de landcommissie en volgt de procedure zoals bij de koopplicht. De landcommissie heeft drie maanden de tijd om het dossier te beoordelen op volledigheid. De landcommissie staat in voor de betaling van de vergoeding. De uitbetaling gebeurt na aanvraag tot betaling door de aanvrager binnen een termijn van drie jaar na het akkoord van de aanvrager met het aanbod. Bij de aanvraag tot uitbetaling voegt de aanvrager de nodige bewijsstukken. De entiteit die de bijhorende aankoopprijs verschuldigd is koopt in eigen naam en voor eigen rekening de aangeboden goederen. Binnen het landinrichtingsplan koop de Vlaamse Grondenbank de goederen aan in naam en voor rekening van de entiteit die de bijhorende aankoopprijs verschuldigd is. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel zijn de bepalingen met betrekking tot de berekening van de vergoedingen en de aankoopprijs opgenomen. De vergoeding voor bedrijfsreconversie in paragraaf
- tweede en derde lid werd overgenomen uit de bestaande lokale grondenbankovereenkomst opgesteld in het kader van de door de Vlaamse regering beslist sociaal begeleidingsplan van het afbakeningsGRUP strategisch plan Haven van Antwerpen. De regeling werd in dat kader en met betrekking tot de staatssteunreglementering voorgelegd aan en goedgekeurd door de Europese Commissie. De bedragen kwamen tot stand na bespreking tussen de diverse betrokken overheidsinstanties, na input van ambtelijke landbouwdeskundigen en na overleg met het middenveld. Het doel van de reconversievergoeding is om bedrijven te stimuleren om te schakelen naar een bedrijfstype met minder grondbehoefte (bv. fruitteelt ipv akkerbouw). Daardoor daalt de grondbehoefte in de omgeving van het projectgebied. Hoe meer grond het bedrijf wenst af te staan (als percentage van de oorspronkelijke bedrijfsoppervlakte) hoe hoger de vergoeding per hectare. Ingeval gekozen wordt voor een bedrijfsreconversie met als doel het aanpassen van de bedrijfsvoering zodat de doelstellingen van het landinrichtingsproject, of het project, plan of programma kan gerealiseerd worden, dan kan een reconversievergoeding worden gegeven van maximaal 40 % van de gedane investering. Er wordt voornamelijk gedacht aan investeringen noodzakelijk voor het extensiveren van de landbouwpraktijken (bv. initiëren van agrarisch natuurbeheer) zodat deze meer aansluiten bij het realiseren van natuurdoelen. Investeringen toegelaten in het kader van de Europese staatssteunregels zijn cfr. de plattelandsverordening oa. investeringen die de duurzaamheid van het landbouwbedrijf verbeteren of niet productieve investeringen die verband houden met de verwezenlijkingen voor agromilieu- en klimaatdoelstellingen, waaronder de staat van instandhouding van de biodiversiteit op het gebied van soorten en habitats. De toegelaten steunpercentages verschillen naargelang diverse criteria maar zijn minimaal 40 %. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel worden de algemene voorwaarden voor de koopplicht beschreven. In een eerste paragraaf wordt bepaald dat de koopplicht geldt binnen de afbakening van het gebied waarvoor het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt opgemaakt. In het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota wordt eveneens de tot aankoop verplicht entiteit bepaald. In een tweede paragraaf wordt bepaald dat de koopplicht moet worden ingediend voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar die ingaat vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. In een derde paragraaf wordt bepaald dat het onroerend goed van de aanvrager geheel of gedeeltelijk moet gelegen zijn binnen het gebied. Verder moet de aanvrager aantonen dat de waardevermindering van dit onroerend goed ernstig is of dat de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering in het gedrang komt door de realisatie van het project, in combinatie met de eventuele realisatie van andere geplande en goedgekeurde projecten. De leefbaarheid komt in het gedrang als het arbeidsinkomen uit de bedrijfsvoering daalt onder twee derde van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen. De bedrijfsvoering is gericht op de uitvoering van landbouwactiviteiten. Deze landbouwactiviteiten omvatten eveneens de verbrede landbouwactiviteiten zoals bijvoorbeeld verkoop op de hoeve. In een vierde paragraaf wordt bepaald welke gronden kunnen worden aangekocht met de koopplicht. In principe geldt de koopplicht enkel voor het deel van het goed dat gelegen is binnen het gebied waar de koopplicht geldt (eerste lid van artikel 2.1.4.3., § 4). Echter er zijn twee situaties waarbij ook onroerende goederen die niet (volledig) gelegen zijn binnen het gebied waar de koopplicht geldt toch volledig kunnen worden aangekocht via de koopplicht. Namelijk: 1° Als meer dan 80 % van het onroerend goed gelegen is binnen het gebied waar de koopplicht geldt, kan toch het volledige onroerend goed worden aangekocht (tweede lid van artikel 2.1.4.3., § 4). 2° Als de leefbaarheid van de bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt, kan de eigenaar de koopplicht inroepen voor alle onroerende goederen die in gebruik zijn door die eigenaar voor beroepsdoeleinden landbouw of bosbouw.Dus ook onroerende goederen die volledig gelegen zijn buiten het gebied waar de koopplicht geldt, kunnen worden aangekocht met de koopplicht maar enkel als de goederen in gebruik zijn voor beroepsdoeleinden landbouw of bosbouw. Voor deze tweede situatie worden in artikel 2.1.4.4, § 2, 4° bewijsstukken gevraagd die aantonen dat de gronden in gebruik zijn voor de beroepsdoeleinden landbouw of bosbouw. In een vijfde paragraaf wordt bepaald dat de koopplicht alleen van toepassing is op onroerende goederen die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel wordt de procedure beschreven. De aanvraag tot verplichte aankoop wordt ingediend bij de Vlaamse Grondenbank. De behandelende entiteit is altijd de Vlaamse Grondenbank binnen het landinrichtingsplan. De behandelende entiteit kan de Vlaamse Grondenbank zijn binnen de inrichtingsnota, indien dit zo beslist werd door de Vlaamse Regering. Eerst bekijkt de behandelende entiteit de volledigheid van het dossier, vervolgens neemt de behandelende entiteit de beslissing en brengt diegene die de koopplicht inroep in kennis van de beslissing, na het akkoord van de tot aankoop verplichte entiteit. Na de kennisgeving van de beslissing berekent de behandelende entiteit de aankoopprijs. Artikel 2.1.4.
- In dit artikel zijn de bepalingen met betrekking tot de berekening van de aankoopprijs opgenomen. Artikel 2.2.1.
- In dit artikel wordt bepaald dat dat de landcommissie van de provincie waarin het grootste deel van het project, plan of programma of het landinrichtingsproject is gelegen, de door haar te vervullen opdrachten uitvoert. Artikel 2.2.1.
- Het secretariaat heeft tot taak de vergaderingen voor te bereiden en de taken die door de landcommissies aan haar worden opgedragen, uit te voeren. Artikel 3.1.1.
- Artikel 3.1.1.
- bepaalt dat een landinrichtingsproject kan ingesteld worden om een antwoord te bieden op een vraag naar inrichting of beheer van de open ruimte. Artikel 3.1.1.
- De minister geeft de opdracht aan de VLM om een onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid van een landinrichtingsproject toe voeren. In dit artikel wordt verder bepaald wat een onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid ten minste moet omvatten. Het onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid resulteert in een voorstel van landinrichtingsproject. Artikel 3.1.1.
- De VLM maakt het onderzoek naar de opportuniteit en de haalbaarheid over aan de programmacommissie. De programmacommissie verleen advies, waarna de VLM het voorstel van landinrichtingsproject kan aanpassen. Artikel 3.1.1.
- De dienst bezorgt alle stukken zowel aan de minister als aan de colleges van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente en aan de deputaties van elke betrokken provincie en dit ter kennisgeving. Artikel 3.1.1.
- Dit artikel bepaalt dat de Vlaamse Regering het voorstel van landinrichtingsproject goedkeurt en het landinrichtingsproject instelt. Artikel 3.1.1.
- De beslissing uit vorig artikel wordt door de VLM overgemaakt aan de colleges van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente, de deputaties van elke betrokken provincie en de programmacommissie. Artikel 3.2.1.
- Dit artikel bepaalt de samenstelling van de programmacommissie. Artikel 3.2.1.
- Dit artikel behoeft geen verdere toelichting. Artikel 3.2.1.
- Dit artikel bepaalt dat de programmacommissie voor haar taken wordt bijgestaan door de VLM. Artikel 3.3.1.
- Dit artikel bepaalt dat voor de realisatie van het landinrichtingsproject, de VLM één of meerdere landinrichtingsplannen opmaakt. Artikel 3.3.1.
- De VLM maakt het landinrichtingsplan over aan het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente en aan de deputatie van elke betrokken provincie. Het is het college van burgemeester en schepenen die een openbaar onderzoek moet organiseren. Opmerkingen en bezwaren dienen ingediend te worden bij het college van burgemeester en schepenen of bij de door hem aangewezen gemeentelijke ambtenaar. Het college bezorgt de opmerkingen en bezwaren ook aan het agentschap. Het agentschap kan op basis van de bezwaren en opmerkingen het landinrichtingsplan aanpassen. Artikel 3.3.1.
- Dit artikel bepaalt dat zowel het college van burgemeester en schepenen als de deputatie advies kunnen geven aan de VLM over het landinrichtingsplan. Dit advies dient binnen de drie maanden te worden gegeven. Opmerkingen en bezwaren uit het openbaar onderzoek worden toegevoegd aan het advies. De VLM kan op basis van de adviezen het landinrichtingsplan aanpassen nadat het voorstel tot aanpassing werd voorgelegd aan de planbegeleidingsgroep. Artikel 3.3.1.
- Het is de dienst (ALBON) die alle stukken aan de minister bezorgd. Artikel 3.3.1.
- Dit artikel bepaalt dat de minister het landinrichtingsplan vaststelt, als het landinrichtingsplan uitsluitend betrekking heeft op eigen bevoegdheden. Is dit niet zo dan wordt het landinrichtingsplan vastgesteld door de Vlaamse Regering. Artikel 3.3.1.
- Dit artikel bepaalt dat het agentschap het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan bekendmaakt in het Belgisch Staatsblad binnen de zestig dagen na de vaststelling, minstens als de toepassing van de volgende instrumenten wordt mogelijk gemaakt: herverkaveling uit kracht van wet, recht van voorkoop, inrichtingswerken uit kracht van wet, vestigen van erfdienstbaarheden tot openbaar nut. Het landinrichtingsplan treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van het besluit. Als het instrument recht van voorkoop wordt ingezet, dan gaat het recht van voorkoop in vanaf de eerste kalenderdag na bekendmaking. Artikel 3.3.1.
- Dit artikel bepaalt dat het agentschap het landinrichtingsplan en het besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan overmaakt aan instanties en personen die belast zijn met de uitvoering, provincie en gemeente en de planbegeleidingsgroep. Artikel 3.3.1.
- Dit artikel bepaalt dat het agentschap het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan bekendmaakt in het Belgisch Staatsblad. Dit besluit is noodzakelijk als de instrumenten vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting of bedrijfsreconversie werden ingezet. Artikel 3.3.2.
- Dit artikel bepaalt de samenstelling van de planbegeleidingsgroep. De minister beslist over de samenstelling van elke planbegeleidingsgroep. De planbegeleidingsgroep streeft naar consensus. Artikel 3.4.1.
- t.e.m. artikel 3.4.1.
- Deze artikelen regelen de procedure voor het indienen en vaststellen van uitvoeringsinitiatieven. `Uitvoeringsinitiatieven' kunnen heel breed zijn, om reden van het doel van de inzet van deze uitvoeringsinitiatieven. Draagvlak creëren is hierbij een belangrijk doel waarbij de bottom-up aanpak en de creativiteit van de projectindiener voorop staan, uiteraard altijd binnen de doelstellingen van het landinrichtingsproject. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt dat de aanvraag van de subsidie wordt ingediend bij de dienst. Het agentschap kan de aanvrager van de subsidie bijstaan bij de samenstelling van het aanvraag dossier. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel specifieert de gegevens die minstens deel moeten uitmaken van de aanvraag. Artikel 3.4.2.
- t.e.m. artikel 3.4.2.
- Deze artikelen omvatten algemene bepalingen inzake toekenning, aanwending en verantwoording van de subsidie en behoeven geen verdere toelichting. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel stelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor onder meer studieopdrachten of procesbegeleiding ter voorbereiding van een landinrichtingsplan die op verzoek van de dienst, uitgevoerd worden door provincies of gemeenten of door privaatrechtelijke rechtspersonen die het beheer over de bescherming van landschap, natuur of milieu beogen, vast op maximaal 70 % van de kosten. De minister bepaalt het subsidiepercentage. Aan draagvlak werken wordt meer en meer belangrijk. VLM doet hiervoor meer en meer beroep op professionele procesbegeleiding. Dit vraagt echter heel wat personeelscapaciteit, terwijl gemeenten en provincies deze taken evengoed zouden kunnen uitvoeren. Om dit laatste te stimuleren wordt de mogelijkheid voorzien om gemeenten en provincies te subsidiëren, en hierbij wordt vooral gedacht aan communicatie en procesbegeleiding. De tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor studieopdrachten of procesbegeleiding ter voorbereiding van een landinrichtingsplan die uitgevoerd worden door het agentschap bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden. De minister bepaalt het bedrag of het percentage van de kosten dan ten laste door derden wordt gedragen. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt de kosten die de basis vormen voor de bepaling van de subsidie voor de voorbereiding van landinrichtingsplannen. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor de voorbereiding van landinrichtingsplannen. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel stelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor uitvoeringsinitiatieven die uitgevoerd worden door de instanties en personen zoals vermeld in artikel 3.3.
- en 3.3.
- van het decreet (provincies, gemeenten, publiekrechtelijke rechtspersonen of privaatrechtelijke rechtspersonen en natuurlijke personen), vast op maximaal 50 % van de kosten. Als er nog een landinrichtingsplan is, dan bepaalt de minister het subsidiepercentage. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt de kosten die de basis vormen voor de bepaling van de subsidie voor uitvoeringsinitiatieven. De formulering van de subsidiabele kosten is in essentie de formulering die al twintig jaar gehanteerd wordt bij ruilverkaveling en vijftien jaar bij landinrichting, en waarvan de praktijk heeft uitgewezen dat het een werkbare formulering is. In dit artikel wordt enigszins ingespeeld op de praktijk door in punt b) in dit artikel de ruimte die er is om zonder voorafgaande goedkeuring meerwerken uit te voeren op te trekken van 3 naar 5 % t.o.v. huidige regelgeving. De algemene kosten zijn opgetrokken van 10 naar 15 % ten opzichte van de huidige regelgeving, omdat ten opzichte van de opmaak van de huidige regelgeving (in 1998) er diverse algemene kosten zijn bijgekomen als gevolg van diverse andere regelgevingen (veiligheidscoördinatie, veilig grondverzet, ...). Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor de uitvoeringsinitiatieven. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt dat de privaatrechtelijke rechtspersonen en de natuurlijke personen, de werken in het kader van uitvoeringsinitiatieven moeten laten uitvoeren onder toezicht van het agentschap door erkende aannemers en onderaannemers. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel voorziet dat de privaatrechtelijke rechtspersonen en de natuurlijke personen slechts een subsidie voor uitvoeringsinitiatieven worden toegekend indien zij zich ertoe verbinden het werk dat werd ingericht via uitvoeringsinitiatieven gedurende een periode van twintig jaar in stand te houden en te beheren. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt dat de subsidie voor uitvoeringsinitiatieven die de privaatrechtelijke rechtspersonen en de natuurlijke personen ontvangen niet kunnen gecumuleerd worden met andere subsidies of met vergoedingen die toegekend of uitgekeerd worden door entiteiten van de Vlaamse overheid voor dezelfde of gelijkaardige activiteiten. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel regelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor inrichtingswerken. Voor inrichtingswerken die uitgevoerd worden door de instanties en personen zoals vermeld in artikel 3.3.
- en 3.3.
- van het decreet (provincies, gemeenten, publiekrechtelijke rechtspersonen of privaatrechtelijke rechtspersonen en natuurlijke personen ): de tussenkomst van het Vlaamse Gewest bedraagt maximaal 70 % van de kosten. Het betreft een maximum percentage. Het effectief subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan. Voor inrichtingswerken die uitgevoerd worden door de VLM: - op gronden die beheerd worden op beheerd zullen worden door de Vlaamse overheid: de tussenkomst van het Vlaamse Gewest bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden.. Het bedrag of het percentage van de kosten dat ten laste door derden wordt gedragen, wordt bepaald in het landinrichtingsplan. - op gronden die beheerd worden of beheerd zullen worden door een provincie of gemeente of op gronden in eigendom van privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen: de tussenkomst van het Vlaamse Gewest bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden. Het percentage van de kosten dat ten laste door derden wordt gedragen, bedraagt minstens 30 procent van de kosten en wordt bepaald in het landinrichtingsplan. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt de kosten die de basis vormen voor de bepaling van de subsidie voor inrichtingswerken. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor de inrichtingswerken. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt dat de privaatrechtelijke rechtspersonen en de natuurlijke personen, de inrichtingswerken moeten laten uitvoeren onder toezicht van het agentschap door erkende aannemers en onderaannemers. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel voorziet dat de privaatrechtelijke rechtspersonen en de natuurlijke personen slechts een subsidie inrichtingswerken worden toegekend indien zij zich ertoe verbinden het inrichtingswerk gedurende een periode van twintig jaar in stand te houden en te beheren. Dit geldt ook op gronden die niet in eigendom zijn. Volgens het derde lid van artikel 2.1.1.
- moeten de betrokken eigenaars instemmen met de uitvoering van de inrichtingswerken indien instanties en personen vermeld in artikel 3.3.
- deze werken uitvoeren. De overeenkomst wordt in dat geval mee ondertekend door de eigenaar, die daardoor zijn akkoord geeft dat er op zijn eigendom door de gebruiker werken worden uitgevoerd. Maar het is in dat geval de gebruiker die werken uitvoert en die zich engageert om ze gedurende twintig jaar in stand te houden. De subsidie wordt dan ook aan de gebruiker toegekend, en desgevallend bij de gebruiker teruggevorderd. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt dat de subsidie voor inrichtingswerken die de privaatrechtelijke rechtspersonen en de natuurlijke personen ontvangen niet kunnen gecumuleerd worden met andere subsidies of met vergoedingen die toegekend of uitgekeerd worden door entiteiten van de Vlaamse overheid voor dezelfde of gelijkaardige activiteiten. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel stelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor vergoedingen bij lokale grondenbanken vast op maximaal 50 % van het totale bedrag van deze vergoedingen. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt het bedrag die de basis vormen voor de bepaling van de subsidie voor grondverwerving. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor vergoedingen bij lokale grondenbanken. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt dat de subsidie voor de vergoeding aan de eigenaar voor het afsluiten van een pachtovereenkomst, alleen kan worden toegekend als de verpachter er zich toe verbindt om de pachtovereenkomst te behouden gedurende een termijn van negen jaar. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel regelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor verwerving van onroerende goederen. Voor grondverwerving die uitgevoerd worden door een gemeente of provincie: de tussenkomst van het Vlaamse Gewest bedraagt maximaal 50 % van de kosten. Het betreft een maximum percentage. Het effectief subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan. Voor grondverwerving die uitgevoerd worden door de VLM: - van gronden die zullen overgedragen worden aan een entiteit van de Vlaamse overheid: de tussenkomst van het Vlaamse Gewest bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden.. Het bedrag of het percentage van de kosten dat ten laste door derden wordt gedragen, wordt bepaald in het landinrichtingsplan. - Van gronden die zullen overgedragen worden aan een provincie of gemeente: de tussenkomst van het Vlaamse Gewest bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden. Het percentage van de kosten dat ten laste door derden wordt gedragen, bedraagt minstens 50 procent van de kosten en wordt bepaald in het landinrichtingsplan. - Van gronden die in erfpacht zullen worden gegeven aan een provincie of gemeente: de tussenkomst van het Vlaamse Gewest bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden. Deze onroerende goederen kunnen enkel in erfpacht worden gegeven als de totale vergoeding voor erfpacht die de erfpachter moet betalen minstens 50 procent van het totale bedrag van de uitgaven voor de grondverwerving bedraagt. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt de kosten die de basis vormen voor de bepaling van de subsidie voor grondverwerving. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor grondverwerving. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt dat een provincie of gemeente het onroerend goed waarvoor een subsidie voor grondverwerving werd toegekend niet mag vervreemden binnen een periode van twintig jaar. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel stelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor vergoedingen voor waardeverlies van gronden vast op maximaal 50 % van het totale bedrag van deze vergoedingen, voor zover de activiteit die aanleiding geeft tot deze vergoeding wordt uitgevoerd door provincies, gemeenten of publiekrechtelijke rechtspersonen. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan. De tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor vergoedingen voor waardeverlies van gronden bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden, voor zover de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van vergoeding dat ten laste door derden wordt gedragen, wordt bepaald in het landinrichtingsplan. De uitvoerder van de activiteit wordt opgenomen in het uitvoeringsprogramma en financieringsplan van het landinrichtingsplan. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt het bedrag dat de basis vormt voor de bepaling van de subsidie voor de vergoeding voor waardeverlies van gronden. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor vergoedingen voor waardeverlies van gronden. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel stelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor de opmaak van een onderhoudsplan dat wordt opgemaakt door instanties en personen vermeld in artikel 3.3.
- en 3.3.
- van het decreet, vast op maximaal 70 % van de kosten. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan.. De opmaak van een onderhoudsplan is onafscheidelijk verbonden aan inrichtingswerken waarvoor eveneens subsidies kunnen worden ontvangen, en vandaar te motiveren. Dikwijls blijkt in de praktijk het latere onderhoud een probleem. Om daar aan tegemoet te komen wordt de opmaak van een onderhoudsplan gestimuleerd. De tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor de opmaak van een onderhoudsplan, opgemaakt door het agentschap bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden. Het bedrag of percentage van de kosten voor de opmaak van een onderhoudsplan dat ten laste wordt genomen door derden wordt bepaald in het landinrichtingsplan. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt de kosten die de basis vormen voor de bepaling van de subsidie voor de opmaak van onderhoudsplannen. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor de opmaak van onderhoudsplannen. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel stelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor beheerovereenkomsten vast op maximaal 50 % van de beheersvergoeding, voor zover de beheerovereenkomst wordt gesloten met een provincie of een gemeente. Dit kan enkel op gronden in eigendom van de provincie of de gemeente en wordt bepaald in het landinrichtingsplan. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan. De tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor beheerovereenkomst, afgesloten door het agentschap, bedraagt 100 % van de beheersvergoeding, die niet ten laste worden genomen door derden. Het bedrag of percentage van de beheersvergoeding voor beheerovereenkomsten dat ten laste wordt genomen door derden wordt bepaald in het landinrichtingsplan. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt het bedrag die de basis vormen voor de bepaling van de subsidie voor beheerovereenkomsten. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor beheerovereenkomsten. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel stelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor dienstenvergoedingen vast op maximaal 50 % van de uitgekeerde dienstenvergoeding, voor zover de dienstenvergoeding wordt aangegaan met een provincie of een gemeente. Dit kan enkel op gronden in eigendom van de provincie of de gemeente en wordt bepaald in het landinrichtingsplan. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan. De tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor dienstenvergoedingen, aangegaan met het agentschap, bedraagt 100 % van de uitgekeerde dienstenvergoeding, die niet ten laste worden genomen door derden. Het bedrag of percentage van de dienstenvergoeding dat ten laste wordt genomen door derden wordt bepaald in het landinrichtingsplan. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt het bedrag die de basis vormen voor de bepaling van de subsidie voor dienstenvergoedingen. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor dienstenvergoedingen. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel stelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor vergoedingen voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing vast op maximaal 50 % van het totale bedrag van deze vergoedingen, voor zover de activiteit die aanleiding geeft tot deze vergoeding wordt uitgevoerd door provincies, gemeenten of publiekrechtelijke rechtspersonen. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan. De tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor vergoedingen voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden, voor zover de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van vergoeding dat ten laste door derden wordt gedragen, wordt bepaald in het landinrichtingsplan. De uitvoerder van de activiteit wordt opgenomen in het uitvoeringsprogramma en financieringsplan van het landinrichtingsplan. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt het bedrag dat de basis vormt voor de bepaling van de subsidie voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor vergoedingen voor vrijwillige bedrijfsverplaatsing. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel stelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor vergoedingen voor vrijwillige bedrijfsstopzetting vast op maximaal 50 % van het totale bedrag van deze vergoedingen, voor zover de activiteit die aanleiding geeft tot deze vergoeding wordt uitgevoerd door provincies, gemeenten of publiekrechtelijke rechtspersonen. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan. De tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor vergoedingen voor vrijwillige bedrijfsstopzetting bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden, voor zover de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van vergoeding dat ten laste door derden wordt gedragen, wordt bepaald in het landinrichtingsplan. De uitvoerder van de activiteit wordt opgenomen in het uitvoeringsprogramma en financieringsplan van het landinrichtingsplan. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt het bedrag dat de basis vormt voor de bepaling van de subsidie voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsstopzetting. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor vergoedingen voor vrijwillige bedrijfsstopzetting. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel stelt de tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor vergoedingen voor vrijwillige bedrijfsreconversie vast op maximaal 50 % van het totale bedrag van deze vergoedingen, voor zover de activiteit die aanleiding geeft tot deze vergoeding wordt uitgevoerd door provincies, gemeenten of publiekrechtelijke rechtspersonen. Het subsidiepercentage wordt bepaald in het landinrichtingsplan. De tussenkomst van het Vlaamse Gewest voor vergoedingen voor vrijwillige bedrijfsreconversie bedraagt 100 % van de kosten die niet ten laste worden genomen door derden, voor zover de activiteit die aanleiding geeft tot de vergoeding wordt uitgevoerd door het agentschap. Het bedrag of het percentage van vergoeding dat ten laste door derden wordt gedragen, wordt bepaald in het landinrichtingsplan. De uitvoerder van de activiteit wordt opgenomen in het uitvoeringsprogramma en financieringsplan van het landinrichtingsplan. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt het bedrag dat de basis vormt voor de bepaling van de subsidie voor de vergoeding voor vrijwillige bedrijfsreconversie. Artikel 3.4.2.
- Dit artikel bepaalt welke stukken bij de dienst moeten worden ingediend ter verantwoording van de aanwending van de subsidie voor vergoedingen voor vrijwillige bedrijfsreconversie. Artikel 3.4.3.
- t.e.m. artikel 3.4.3.
- Deze artikelen regelen de bepalingen inzake sancties en uitbetaling van subsidies. Artikel 4.1.1.
- Dit artikel voegt de definitie voor `Vlaamse initiatiefnemer' toe. Artikel 4.2.1.
- t.e.m. artikel 4.2.1.
- In deze artikelen komt de opmaak van inrichtingsnota's bij projecten, plannen en programma's goedgekeurd door de Vlaamse Regering aan bod. In artikel 4.2.1.
- wordt bepaald dat een inrichtingsnota wordt opgemaakt door de Vlaamse initiatiefnemer in overleg met het agentschap, die op die manier de inhoud van de inrichtingsnota bewaakt. Op vraag van de Vlaamse initiatiefnemer kan het agentschap de inrichtingsnota opmaken. Volgens artikel 4.2.1.
- verloopt de adviesprocedure inzake inrichtingsnota's via de bestendige deputatie en het college van burgemeester en schepenen. Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek Het college van burgemeester en schepenen bezorgt de opmerkingen en bezwaren die werden ingediend tijdens het openbaar onderzoek aan de Vlaamse initiatiefnemer binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen de inrichtingsnota hebben ontvangen. Volgens artikel 4.2.1.
- kunnen het college van burgemeester en schepenen en de deputatie advies verlenen aan de Vlaamse initiatiefnemer over de inrichtingsnota. Dit advies wordt gegeven binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de inrichtingsnota. De Vlaamse initiatiefnemer kan op basis van de adviezen de inrichtingsnota aanpassen. Volgens artikel 4.2.1.
- vraagt de Vlaamse initiatiefnemer advies aan het agentschap over de aangepaste inrichtingsnota. Het agentschap verleent dit advies binnen een termijn van één maand. Volgens artikel 4.2.1.
- bezorgt de Vlaamse initiatiefnemer alle stukken (aangepast inrichtingsnota, opmerkingen en bezwaren ingediend tijdens het openbaar onderzoek, de adviezen en de instemmingen) aan de minister. Volgens artikel 4.2.1.
- stelt de Vlaamse Regering de inrichtingsnota vast. De Vlaamse initiatiefnemer maakt het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota bekend in het Belgisch Staatsblad minstens bij de toepassing van een aantal instrumenten en bezorgt de inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling aan de instanties en personen die belast zijn met de uitvoering, de gemeente en de provincie en het agentschap. In artikel 4.2.1.
- worden de voorwaarden opgenomen voor de integratie van een inrichtingsnota in de besluitvorming van een project, plan of programma. Artikel 4.2.1.
- bepaalt dat de Vlaamse initiatiefnemer het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan bekendmaakt in het Belgisch Staatsblad. Dit besluit is noodzakelijk als de instrumenten vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting of bedrijfsreconversie werden ingezet. Artikel 4.2.2.
- t.e.m. artikel 4.2.2.
- In deze artikelen komt de opmaak van inrichtingsnota's bij projecten, plannen en programma's goedgekeurd door het provinciebestuur aan bod. In artikel 4.2.2.
- wordt bepaald dat een inrichtingsnota wordt opgemaakt door de deputatie in overleg met het agentschap, die op die manier de inhoud van de inrichtingsnota bewaakt. Op vraag van de deputatie kan het agentschap de inrichtingsnota opmaken. Volgens artikel 4.2.2.
- verloopt de adviesprocedure inzake inrichtingsnota's via het college van burgemeester en schepenen. Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek. Het college van burgemeester en schepenen bezorgt de opmerkingen en bezwaren die werden ingediend tijdens het openbaar onderzoek aan de deputatie binnen een termijn van drie maanden nadat het college van burgemeester en schepenen de inrichtingsnota hebben ontvangen. Volgens artikel 4.2.2.
- kan het college van burgemeester en schepenen advies verlenen aan de deputatie over de inrichtingsnota. Dat advies wordt gegeven binnen een termijn van drie maanden na ontvangst. De deputatie kan op basis van de adviezen de inrichtingsnota aanpassen. Volgens artikel 4.2.2.
- bezorgt de deputatie alle stukken (aangepast inrichtingsnota, opmerkingen en bezwaren ingediend tijdens het openbaar onderzoek, de adviezen en de instemmingen) aan het agentschap. Het agentschap keurt de inrichtingsnota al dan niet goed en brengt de deputatie op de hoogte van haar beslissing. Volgens artikel 4.2.2.
- bezorgt de VLM, na haar goedkeuring, de inrichtingsnota aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering verleent machtiging voor de toepassing van de instrumenten. De VLM brengt de deputatie op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse Regering. Volgens artikel 4.2.2.
- stelt de provincieraad, na de goedkeuring van de VLM en na machtiging van de Vlaamse Regering, de inrichtingsnota vast. De provincieraad maakt het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota bekend in het Belgisch Staatsblad minstens bij de toepassing van een aantal instrumenten en bezorgt de inrichtingsnota en het besluit tot vaststelling aan de instanties en personen die belast zijn met de uitvoeringen, de gemeente en de VLM. In artikel 4.2.2.
- worden de voorwaarden opgenomen voor de integratie van een inrichtingsnota in de besluitvorming van een project, plan of programma. Artikel 4.2.2.
- bepaalt dat de provincieraad het besluit tot vaststelling van de voltooiing van het landinrichtingsplan bekendmaakt in het Belgisch Staatsblad. Dit besluit is noodzakelijk als de instrumenten vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsstopzetting of bedrijfsreconversie werden ingezet. Artikel 4.2.3.
- t.e.m. artikel 4.2.3.
- In deze artikelen komt de opmaak van inrichtingsnota's bij projecten, plannen en programma's goedgekeurd door het gemeentebestuur aan bod. In artikel 4.2.3.
- wordt bepaald dat een inrichtingsnota wordt opgemaakt door het college van burgemeester en schepenen in overleg met de VLM, die op die manier de inhoud van de inrichtingsnota bewaakt. Op vraag van het college van burgemeester en schepenen kan de VLM de inrichtingsnota opmaken. Volgens artikel 4.2.3.
- verloopt de adviesprocedure inzake inrichtingsnota's via de deputatie. Het college van burgemeester en schepenen organiseert het openbaar onderzoek. Het college van burgemeester en schepenen kan op basis van de opmerkingen en bezwaren de inrichtingsnota aanpassen. Volgens artikel 4.2.3.
- kan de deputatie advies verlenen aan het college van burgemeester en schepenen over de inrichtingsnota. Dat advies wordt gegeven binnen een termijn van drie maanden na ontvangst. Het college van burgemeester en schepenen kan op basis van dat advies de inrichtingsnota aanpassen. Volgens artikel 4.2.3.
- bezorgt het college van burgemeester en schepenen bezorgt alle stukken (aangepast inrichtingsnota, opmerkingen en bezwaren ingediend tijdens het openbaar onderzoek, de adviezen en de instemmingen) aan de VLM. De VLM keurt de inrichtingsnota al dan niet goed en brengt het college van burgemeester en schepenen op de hoogte van haar beslissing. Volgens artikel 4.2.3.
- bezorgt de VLM, na haar goedkeuring, de inrichtingsnota aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering verleent machtiging voor de toepassing van de instrumenten. De VLM brengt het college van burgemeester en schepenen op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse Regering. Volgens artikel 4.2.3.
- stelt de gemeenteraad, na de goedkeuring van de VLM en na machtiging van de Vlaamse Regering, de inrichtingsnota vast. De gemeenteraad maakt het besluit tot vaststelling van de inrichtingsnota bekend in het Belgi
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.