📄 Wettekst
9 APRIL 2004. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende vaststelling van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening
ADVIES 36.651/4 36.652/4 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 20 februari 2004 door de Minister-Voorzitter van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over : 1° een ontwerp van besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering "houdende vaststelling van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening" (36.651/4); 2° een voorontwerp van ordonnantie "houdende ratificatie van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende vaststelling van de Brusselse Code voor Ruimtelijke Ordening" (36.652/4), heeft op 15 maart 2004 het volgende advies gegeven : De machtiging tot codificatie, die aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering wordt verleend bij artikel 73 van de ordonnantie van 18 juli 2002 tot wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, is als volgt geformuleerd : « Art. 73.De regering kan de hieronder vermelde wetgevende bepalingen codificeren en met elkaar in overeenstemming brengen door er de wijzigingen in aan te brengen die aanbeveling verdienen met het oog op een formele vereenvoudiging, zonder dat er afbreuk kan worden gedaan aan de in deze bepalingen ingeschreven principes : -de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw en haar uitvoeringsbesluiten; - de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed en haar uitvoeringsbesluiten; - de ordonnantie van 13 april 1995 betreffende de herinrichting van de nietuitgebate of verlaten bedrijfsruimten en haar uitvoeringsbesluiten.
De onder het eerste lid bedoelde codificatie draagt de volgende titel : « Brussels Wetboek van de ruimtelijke ordening ». Zij treedt slechts in werking na haar ratificatie door de Raad.
De regering is eveneens gemachtigd tot het aanpassen van de verwijzingen naar de krachtens het eerste lid gecoördineerde en gecodificeerde bepalingen die in andere ordonnanties vervat zitten. » 1. Naleving van de machtiging wat betreft de teksten die gecodificeerd mogen worden Het ter fine van advies voorgelegde ontwerp neemt in de codificatie de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende het voorkooprecht op, hoewel de machtiging daarin niet voorziet.In de brief waarmee om advies wordt verzocht, wordt als reden voor het opnemen ervan opgegeven dat de
wet van 13 juni 1961Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/1961
pub.
27/07/2012
numac
2012000458
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de coördinatie en de codificatie van wetten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de coördinatie en de codificatie van wetten (1) wordt toegepast. De codificatie wordt evenwel niet tot stand gebracht op basis van die wet, die impliceert dat aan het coördinatiebureau van de Raad van State een aanvraag tot codificatie wordt gericht, maar kracht ens een bijzondere machtiging. Ook al kan de ordonnantie houdende het voorkooprecht in het licht van de memorie van toelichting betreffende het voormelde artikel 73 gerekend worden tot de "aanverwante wetten" waaraan gedacht is (2), neemt zulks niet weg dat de regering, gelet op de keuze die ze heeft gemaakt, niet formeel gemachtigd was de ordonnantie houdende het voorkooprecht in de codificatie op te nemen.
In het ontwerp wordt eveneens, als artikel 282, artikel 70bis van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw overgenomen. Voor zulk een uitbreiding is evenmin een machtiging voorhanden.
Het staat aan de ordonnantiegever en aan hem alleen om zo nodig de werkingssfeer van de codificatie uit te breiden. De hiernavolgende opmerkingen worden dan ook gemaakt onder voorbehoud van die uitbreiding.
Overigens dient, voor de goede vorm, in het voormelde artikel 73 de vermelding van de ordonnantie van 13 april 1995 betreffende de herinrichting van de niet-uitgebate of verlaten bedrijfsruimten te worden vervangen door de vermelding van de regeling die daarvoor in de plaats is gekomen, namelijk de ordonnantie van 18 december 2003 betreffende de rehabilitatie en de herbestemming van de niet-uitgebate bedrijfsruimten.
Er moet nog een ander voorbehoud worden gemaakt, namelijk dat alleen bepalingen die reeds in werking zijn getreden, gecodificeerd kunnen worden, hetgeen thans nog niet het geval is met, ten eerste, de ordonnantie van 19 februari 2004 betreffende enkele bepalingen inzake ruimtelijke ordening en, ten tweede, de artikelen 35 en 64, 2°, van de ordonnantie van 18 juli 2002 tot wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. 2. Naleving van de machtiging wat betreft de wijzigingen die aangebracht mogen worden De aan de regering verleende machtiging om in de bedoelde ordonnanties "de wijzigingen... aan te brengen die aanbeveling verdienen met het oog op een formele vereenvoudiging, zonder dat er afbreuk kan worden gedaan aan de in deze bepalingen ingeschreven principes", houdt geen machtiging in tot het aanbrengen van wijzigingen die op de inhoud betrekking hebben.
Teneinde in staat te zijn om te beoordelen of de aanpassingen van de tekst binnen de perken van de machtiging blijven, moet men niet alleen beschikken over voetnoten met verwijzingen naar de originele teksten, maar ook over verantwoordingen van de uitgevoerde aanpassingen wanneer de nieuwe tekst geen getrouwe weergave is van de originele tekst.
Die beide informatiebronnen (voetnoten en verantwoordingen) zijn uit de aard der zaak nodig, zelfs wanneer de voormelde
wet van 13 juni 1961Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/1961
pub.
27/07/2012
numac
2012000458
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de coördinatie en de codificatie van wetten. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten niet van toepassing is. Ze zijn onontbeerlijk, niet alleen voor degenen tot wie de teksten van de codificatie gericht zijn (rechter en burger), maar ook om het, in een vroeger stadium, mogelijk te maken dat het ontwerp terdege wordt onderzocht zowel door de afdeling Wetgeving van de Raad van State als door de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, bij de ratificatie ervan.
Binnen de korte termijn is het niet mogelijk geweest de bepalingen van het ontwerp systematisch te onderzoeken. Er is dan ook steekproefsgewijs te werk gegaan.
Uit die steekproeven blijkt dat sommige bepalingen verder gaan dan de machtiging die door de Gewestraad is toegestaan. In dit verband moet er heel in het bijzonder op worden gewezen dat het corrigeren van andere vergissingen dan loutere verschrijvingen, zelfs als het om klaarblijkelijke vergissingen gaat, een zaak is van de ordonnantiegever alleen.
In dat verband worden alleen de volgende voorbeelden gegeven : - Artikel 3 van het ontwerp luidt als volgt : "Bij de tenuitvoerlegging van dit Wetboek, stellen de administratieve instanties alles in het werk om de sociale... vooruitgang... te verzoenen (...)". In de voetnoot wordt verwezen naar artikel 3 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, welk artikel als volgt luidt : "Bij de uitwerkingsprocedure van de plannen en bij de afgifte van de vergunningen en attesten, stellen de administratieve instanties alles in het werk om de sociale... vooruitgang... te verzoenen (...)".
Zulk een formulering zou aanvaardbaar zijn als elk van de gecodificeerde teksten, zelfs in enigszins verschillende bewoordingen, het principe zou overnemen dat in die bepaling verankerd is. Dat principe komt evenwel alleen voor in de ordonnantie van 29 augustus 1991, voor bepaalde handelingen die deze regelt. Het ontworpen artikel 3 brengt dus een inhoudelijke wijziging aan door de werkingssfeer van dat principe uit te breiden, wat verder reikt dan de machtiging. - Bij artikel 41, derde lid, van het ontwerp, welke bepaling geacht wordt de weergave te zijn van artikel 49, derde lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991, worden in die bepaling twee inhoudelijke wijzigingen aangebracht : ten eerste worden de begrippen "effectenverslag" en "effectenstudie" vervangen door het begrip "milieueffectenrapport" en ten tweede wordt de uitdrukking "van de hogere plannen" vervangen door de uitdrukking "van het gewestelijk bestemmingsplan". - In artikel 42, tweede lid, van het ontwerp komen in de plaats van de woorden "de bepalingen van de plannen" de woorden "de bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan". - Artikel 7 van de voormelde ordonnantie van 4 maart 1993 bevat een verwijzing naar artikel 38 van diezelfde ordonnantie; in artikel 210 van het ontwerp wordt dat artikel 7 overgenomen met een verwijzing naar de artikelen 307 en 310 (3), terwijl in de concordantietabel wordt aangegeven dat het voornoemde artikel 38 weer te vinden is in de artikelen 307 en 308 van de codificatie, terwijl artikel 310, volgens diezelfde bron, voortkomt uit artikel 38ter van de ordonnantie. - In artikel 46 van het ontwerp wordt artikel 54 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 overgenomen zoals het gewijzigd is bij de ordonnantie van 19 februari 2004, maar daarbij worden in paragraaf 3, derde lid, de woorden "het college van burgemeester en schepenen" vervangen door de woorden "de gemeenteraad". - Artikel 275, tweede lid, van het ontwerp bevat onderdelen 5° en 6°, die in het oorspronkelijke artikel niet voorkomen. - In de artikelen 307 en 310 van het ontwerp worden bepalingen opgenomen waarvan er sommige vervat zijn in de ordonnantie van 29 augustus 1991 en andere in de ordonnantie van 4 maart 1993. Die bepalingen worden in zulke bewoordingen overgenomen dat de oorspronkelijke werkingssfeer ervan op verschillende punten wordt gewijzigd, nu eens in uitbreidende zin, dan weer in beperkende zin. 3. Naleving van de machtiging wat de inwerkingtreding betreft De machtiging die vervat is in artikel 73, tweede lid, van de voormelde ordonnantie van 18 juli 2002 bepaalt dat de codificatie pas in werking treedt "na haar ratificatie door de Raad".Het is derhalve niet aanvaardbaar dat artikel 2 van het besluit zelf een datum van inwerkingtreding bepaalt, aangezien de inwerkingtreding wordt vastgesteld in de machtigingsbepaling zelf.
Deze bepaling dient te vervallen. 4. Noodzaak om te voldoen aan de verplichting inzake transparantie Een machtiging tot codificatie kan niet worden gelijkgesteld met een door de wetgever verleende blancovolmacht en de uitvoerende macht dient derhalve met de grootst mogelijke transparantie op te treden. Zoals hierboven reeds opgemerkt is, moeten in een codificatie (evenals in een coördinatie) alle tot stand gekomen wijzigingen worden vermeld, maar moet deze het ook mogelijk maken de gegrondheid ervan te beoordelen wat de naleving van de machtiging betreft. Het ontwerp vertoont in dit verband ernstige gebreken. Er kan onder meer op het volgende worden gewezen : - De wijzigingen die in de tekst zelf worden aangebracht, moeten duidelijk worden aangegeven, wat niet het geval is. Wanneer de voetnoten betrekking hebben op gewijzigde bepalingen, wordt de oorspronkelijke bepaling er gewoon in overgenomen, waarbij het aan de lezer wordt overgelaten zelf te ontdekken wat gewijzigd is. Zo bijvoorbeeld wordt in de voetnoot betreffende artikel 42 van het ontwerp artikel 50 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 gewoon overgenomen, zonder dat uitdrukkelijk wordt aangegeven welke wijzigingen door de codificatie worden aangebracht. Er dient duidelijk te worden aangegeven welk woord vervangen wordt door welk ander woord. - In paragraaf 2, derde lid, van artikel 46 van het ontwerp wordt het woord "raad" vervangen door het woord "gemeenteraad", zonder dat deze wijziging wordt vermeld.
Ook al kan deze wijziging worden gerechtvaardigd omwille van de eenheid van de terminologie, waarover dient te worden gewaakt, ze dient op zijn minst te worden aangegeven. De omstandigheid dat dit niet geschied is, kan bovendien de vraag doen rijzen of er eventueel geen andere wijzigingen bestaan waarvan geen gewag zou zijn gemaakt. - In artikel 79 van het ontwerp is sprake van de onteigeningsplannen die opgemaakt zijn krachtens "dit hoofdstuk", terwijl in artikel 77 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, dat het overneemt, sprake is van "deze ordonnantie".
Niets rechtvaardigt deze wijziging, die overigens pertinent is aangezien de plannen waarvan in de voornoemde ordonnantie van 29 augustus 1991 sprake is, geregeld worden door bepalingen van het vermelde hoofdstuk van het codificatiebesluit. De wijzigingen in de verwijzingen worden evenmin uitgelegd. - De wijzigingen in de interne verwijzingen worden nooit aangegeven.
Zo bijvoorbeeld wordt in de voetnoot betreffende artikel 43 van het ontwerp niet vermeld dat de verwijzing naar de artikelen 56 tot 58 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 vervangen wordt door een verwijzing naar de artikelen 48 tot 50. - In de codificatie komen de onderdelen 4°, 5°, 7° en 8° van artikel 2 van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerende erfgoed niet meer voor. Ook al lijken deze weglatingen aanvaardbaar in het kader van een vereenvoudiging, ze zouden moeten worden gerechtvaardigd en op zijn minst moeten worden vermeld. - Wat betreft de gemachtigde ambtenaar, wordt niet uitgelegd waarom bijvoorbeeld in artikel 210 (4) de woorden "de gemachtigde ambtenaar die aangesteld is krachtens de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw" niet voorkomen, terwijl het opportuun zou zijn geweest te verwijzen naar artikel 5 van het ontwerp. - Het wegvallen, in artikel 258, van de definitie van "Regering", die voorkomt in artikel 2 van de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende het voorkooprecht, wordt niet vermeld en nog minder gerechtvaardigd. - Wanneer een tekst wordt opgesplitst, dient nauwkeurig te worden aangegeven welk deel ervan overgenomen wordt (bijvoorbeeld: artikel 13 van het ontwerp).
De gegevens in de voetnoten (5) dienen dus systematisch te worden herzien en, in voorkomend geval, te worden herwerkt en hetzelfde dient te geschieden voor de concordantietabellen. 5. De samenhang bewaren ondanks de verscheidenheid van de bronnen De ordonnantie van 19 februari 2004 voegt in de ordonnantie van 29 augustus 1991 een artikel 15bis in, dat aan de Regering een ruime machtiging verleent voor de omzetting van Europese richtlijnen.Deze machtiging van algemene aard geldt zowel voor de bestaande bepalingen van de ordonnantie van 29 augustus 1991, als voor de wijzigingen van allerlei aard die daarin naderhand kunnen worden aangebracht.
Door het opnemen van deze bepaling, in artikel 314 van de codificatie, zoals ze geredigeerd is (6), wordt de strekking ervan gewijzigd, aangezien die bepaling aldus kan worden uitgelegd dat ze belet dat bepalingen die worden gewijzigd, onder meer door vervanging van een artikel, op hun beurt kunnen worden gewijzigd bij besluit van de Regering met het oog op een omzetting. Door te verwijzen naar "de bepalingen van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw van 29 augustus 1991 zoals gecodificeerd in dit Wetboek", worden deze bepalingen immers als het ware vastgelegd zoals ze waren op het ogenblik van de codificatie.
Het zou derhalve opportuun zijn deze bepaling aldus te wijzigen dat sprake is van de "bepalingen inzake planning en stedenbouw van dit Wetboek", bewoordingen die beter overeenstemmen met de werkelijke strekking van artikel 15bis. 6. In de codificatie mogen geen bepalingen worden gehandhaafd die doelloos geworden zijn De codificatie bevat enerzijds in titel XI (7) verscheidene "slot- en overgangsbepalingen" van de gecodificeerde ordonnanties en anderzijds in een bijlage IV "niet-gecoördineerde bepalingen" (8) van dezelfde ordonnanties. Het onderzoek van de bepalingen die opgenomen zijn in titel XI doet de vraag rijzen of een aantal ervan niet kan worden overgebracht naar bijlage IV. Een oude opheffingsbepaling bijvoorbeeld, die haar werk gedaan heeft, of een overgangsbepaling die betrekking heeft op een situatie die niet meer bestaat, is niet op haar plaats in de eigenlijke codificatie.
Dit is inzonderheid het geval met : - artikel 315, dat een opheffingsbepaling is; - de artikelen 317, 318, 319 en 335, die eveneens opheffingsbepalingen zijn; - de artikelen 320 tot 324, waarin overgangsbepalingen opgenomen zijn die niet meer van toepassing kunnen zijn; hetzelfde geldt voor artikel 334.
De andere bepalingen dienen geheel of gedeeltelijk te worden gehandhaafd voorzover dit vereist is om bestaande situaties of situaties die zich nog kunnen voordoen, te regelen.
Voor deze aanpassingen dient een gepaste uitleg te worden verstrekt.
Er behoort eveneens te worden bepaald wat er dient te gebeuren met bepalingen zoals artikel 1, tweede lid, van de ordonnantie van 19 februari 2004, waarin verwezen wordt naar de richtlijnen die door die ordonnantie worden omgezet. Men kan zich scharen achter de stelling dat aangezien formeel voldaan is aan de verwijzingsverplichting die door de richtlijnen wordt opgelegd, het niet noodzakelijk is om die bepaling over te nemen in de codificatie, maar daarbij wordt uit het oog verloren dat zulk een verwijzing, die zeer terecht opgenomen is in het dispositief van de ordonnantie van 19 februari 2004, een duidelijke weergave is van de aard van de bepalingen waarop ze betrekking heeft. Door dat gegeven niet over te nemen, ontstaat het gevaar dat een aantal bepalingen van de codificatie niet rechtsregels van Europees recht lijken op te nemen in de wetgeving en dat de rechter bijvoorbeeld verzuimt om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, hetgeen indruist tegen de doelstelling van een uniforme toepassing van het Europees recht. 7. Vormaanpassingen van de voetnoten Naast de inhoudelijke opmerkingen die hiervoren geformuleerd zijn met betrekking tot de inhoud van de voetnoten, moeten deze ook herzien worden wat betreft een aantal vormelijke aspecten ervan : - Er moet worden nagegaan of het nog zin heeft om vermeldingen te behouden die doelloos geworden zijn.Bijvoorbeeld de verwijzingen met betrekking tot artikel 21 van het ontwerp, welke melding maken van de doelloos geworden wijzigingen die door de ordonnanties van 23 november 1993 en 19 december 1996 aangebracht zijn in artikel 23 van de ordonnantie van 29 augustus 1991; wat artikel 45 van het ontwerp betreft, dat artikel 53 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 overneemt, de andere wijzigingen dan de vervanging van die bepaling bij de ordonnantie van 19 februari 2004. - Er moet nagegaan worden of alle verwijzingen kloppen. Zo bijvoorbeeld moet de verwijzing in verband met artikel 6 melding maken van de ordonnantie van 23 november 1993 en niet van die van 16 juli 1998. - Overeenkomstig het beginsel dat is vastgelegd door de artikelen 33 en 39 van de wet van 12 januari 1989, dat bepaalt dat de Nederlandse en de Franse tekst tegenover elkaar worden bekendgemaakt, behoort hetzelfde te gedaan te worden met de voetnoten (9). 8. Aanpassing van de verwijzingen naar gecodificeerde bepalingen die vervat zijn in andere ordonnanties Artikel 73, derde lid, van de ordonnantie van 18 juli 2002 tot wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw machtigt de Regering in het bijzonder tot het aanpassen van de verwijzingen naar gecodificeerde bepalingen die in andere ordonnanties vervat zijn. Dat geldt bij voorbeeld voor de verwijzingen naar de ordonnantie van 29 augustus 1991 die vervat zijn in de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
Met het oog op de rechtszekerheid zou het nodig zijn dat de Regering de noodzakelijke aanpassingen doorvoert tegelijk met het opstellen van het ontworpen wetboek. 9. Conclusie Het ontwerp op zich lijkt, onder voorbehoud van een onderzoek dat door de toegemeten termijn slechts ten dele is kunnen worden gevoerd, de voornaamste kenmerken te vertonen die men terecht mag verwachten van een codificatie, namelijk een coherent, systematisch en volledig geheel vormen, op voorwaarde dat men in de voetnoten alle aangebrachte wijzigingen uitvoerig beschrijft en deze rechtvaardigt, hetgeen niet naar behoren is geschied. Een tweede vaststelling is evenwel onvermijdelijk, namelijk dat het ontwerp zich niet helemaal houdt aan de machtiging die is toegekend door artikel 73 van de ordonnantie van 18 juli 2002 tot wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw.
Immers, enerzijds is de codificatie uitgebreid is tot een tekst die door de wetgever niet was genoemd (de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende het voorkooprecht) en anderzijds zijn wijzigingen aangebracht die niet beschouwd kunnen worden als een vereenvoudiging wat de vorm betreft.
Hoe kan in die omstandigheden een codificatie worden uitgewerkt die de noodzakelijke kwaliteiten heeft ? Die vraag moet worden ontleed in het licht van de verplichting gesteld in het voornoemde artikel 73, namelijk dat de codificatie bekrachtigd moet worden door een ordonnantie en dat ze pas in werking treedt na die bekrachtiging.
Er behoort derhalve te worden nagegaan of de bekrachtiging op zich een einde kan maken aan de wettigheidsbezwaren die eventueel kunnen worden geopperd tegen de bepalingen die niet in overeenstemming zijn met de machtiging, vanwege die niet-overeenstemming.
Het antwoord op deze vraag dient te worden genuanceerd.
Wanneer de wetgever een wetboek bekrachtigt, beoogt hij daaraan een onbetwistbare rechtszekerheid te verlenen. De bedoeling bestaat erin alle mogelijke twijfels weg te nemen die zouden kunnen bestaan wat betreft de overeenstemming van het wetboek met de machtiging die de wetgever verleend heeft aan de uitvoerende macht. Dat zal inzonderheid nuttig zijn wanneer er impliciete wijzigingen zijn, waarmee rekening behoort te worden gehouden in het kader van een machtiging tot coördinatie of codificatie (10).
De vraag of door die bekrachtiging onregelmatigheden gedekt kunnen worden, die als zodanig op deugdelijke wijze, aan de orde zijn gesteld, ligt moeilijker (11).
Er bestaan precedenten in die zin (12).
Er kan evenwel niet worden voorbijgegaan aan de principiële bezwaren waartoe zulk een oplossing aanleiding geeft en aan de risico's die ze inhoudt, noch aan het feit dat het in andere omstandigheden niet opportuun gebleken is om van die oplossing gebruik te maken (13).
Het eerste bezwaar is dat de wetgever op die manier weinig rekening houdt met de grenzen die hij zelf heeft gesteld aan het optreden van de uitvoerende macht, en die er net toe strekken dat geen afbreuk wordt gedaan aan de regels voor het vaststellen waarvan alleen de wetgever bevoegd is.
Het tweede bezwaar is dat de genoemde oplossing, die erin bestaat het gehele wetboek in globo te bekrachtigen, met inbegrip van de nieuwe inhoudelijke regels die in het wetboek zijn ingevoegd met schending van de machtiging die aan de uitvoerende macht is verleend, misleidend kan zijn omtrent de rol van de wetgever wat die regels betreft. Er mag in dat verband niet uit het oog worden verloren dat de wetgever, wanneer hij een wetboek met nieuwe inhoudelijke regels bekrachtigt, daarbij een nieuwe wil uit. Zoals het Arbitragehof heeft opgemerkt : "In een (...) geval van loutere coördinatie kan de bekrachtiging ervan, door een wet met een enig artikel, niet worden beschouwd als een uiting van de wil van de wetgever om in die materie opnieuw te legifereren. Het zou evenwel anders zijn gesteld indien (...) nieuwe bepalingen in het coördinatiebesluit zouden worden opgenomen of de coördinatie zelf een betekenisverandering van de oude teksten tot gevolg zou hebben. » (14).
Het is dan ook sterk aan te bevelen, zowel ter wille van de rechtszekerheid als om te zorgen voor de vereiste doorzichtigheid, zo nauwgezet mogelijk te werk te gaan en met andere bepalingen dan die welke, in de ordonnantie tot bekrachtiging van de codificatie, strekken tot de genoemde bekrachtiging, de wetgever de gelegenheid te bieden, uitdrukkelijk de vereiste aanpassingen aan te brengen in de gecodificeerde ordonnanties, zodat de bepaling van de ordonnantie die ertoe strekt de codificatie te bekrachtigen, verenigbaar is met de daartoe verstrekte machtiging.
Aldus aangebrachte wijzigingen openen weliswaar ook de weg naar eventuele beroepen, maar deze methode biedt de volgende twee voordelen : enerzijds wordt de wetgever op die wijze beter op de hoogte gebracht van de respectieve draagwijdte van de teksten tot wijziging van de gecodificeerde ordonnanties en van de bekrachtigingstekst; anderzijds zal het publiek aldus beter geïnformeerd worden over het bestaan van echt nieuwe bepalingen in de rechtsorde.
Bijgevolg dienen in de bekrachtigingsordonnantie : a) de machtiging vervat in het genoemde artikel 73 zo te worden aangevuld dat : 1° ze ook geldt voor de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende het voorkooprecht en voor artikel 70bis van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw;2° ze wordt aangepast, zodat ze ook geldt voor de ordonnantie van 18 december 2003 betreffende de rehabilitatie en de herbestemming van niet-uitgebate bedrijfsruimten in plaats van voor de ordonnantie van 13 april 1995 betreffende de herinrichting van de niet-uitgebate of verlaten bedrijfsruimten, die door de eerstgenoemde ordonnantie vervangen is;3° de vermeldingen "en haar uitvoeringsbesluiten" worden geschrapt, die geen zin hebben aangezien het niet de bedoeling is om, en er overigens ook geen reden is om louter verordenende bepalingen in de codificatie op te nemen.b) met onderscheiden bepalingen in de betrokken ordonnanties de andere wijzigingen te worden aangebracht dan vereenvoudigingen van de vorm, die men in het kader van de codificatie wenst aan te brengen. Het zou bovendien raadzaam zijn in de bekrachtigingsordonnantie te bepalen dat, in afwachting van een harmonisering, de verwijzingen naar opgeheven regelingen die voorkomen in verordeningsbepalingen (15), formulieren en documenten, geacht worden te verwijzen naar de bepalingen van de codificatie overeenkomstig de concordantietabel die als bijlage bij de codificatie gaat.
Ten slotte moet de bekrachtiging slaan op de eigenlijke codificatie en niet op het codificatiesbesluit.
De kamer was samengesteld uit : Mevr. M.-L. WILLOT-THOMAS, kamervoorzitter, de heren : P. LIENARDY, P. VANDERNOOT, staatsraden, Mevr. C. GIGOT, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de HH. B. JADOT, eerste auditeur-afdelingshoofd en R. QUINTIN, referendaris.
De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. P. LIENARDY. De griffier, C. GIGOT. De voorzitter, M.-L. WILLOT-THOMAS. _______ Nota's (1) Waarvan de artikelen 2 en 3 opgeheven zijn bij de
wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/08/1996
pub.
24/07/1997
numac
1996015142
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991
type
wet
prom.
04/08/1996
pub.
08/06/2005
numac
2005015073
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993
type
wet
prom.
04/08/1996
pub.
21/10/1999
numac
1999015088
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking
Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993
sluiten, terwijl de inhoud van die artikelen sedertdien in artikel 6bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te vinden is.(2) Gedr.St. Brusselse Hoofdstedelijke Raad, zitting 2001-2002, nr.
A-284/1, blz. 32. (3) Die dubbele verwijzing komt ook elders voor, namelijk in artikel 229.(4) Dat artikel 7 van de ordonnantie van 4 maart 1993 betreffende het behoud van het onroerend erfgoed overneemt.(5) Als voorbeeld van de aanpassingen die in de voetnoten moeten worden aangebracht kan worden aangehaald de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.(6) Deze bepaling wordt ingevoegd in de zogenaamde "slot- en overgangsbepalingen", terwijl ze mede de kern van de ordonnantie van 29 augustus 1991 vormde.(7) En niet IX, zoals verkeerdelijk vermeld.(8) Eigenlijk "niet in de codificatie opgenomen bepalingen".(9) Teneinde de leesbaarheid van de voetnoten te verbeteren zou het veel meer geraden zijn om in plaats van een nummer van de voetnoot, het artikelnummer te vermelden, gevolgd door de uitleg.Daardoor zouden de Nederlandse en de Franse tekst perfect op elkaar afgestemd kunnen zijn en zouden die teksten niet meer ingeleid worden door onderscheiden nummers. Wat de formulering betreft, zou het overigens nodig zijn om naast de reeds gemaakte opmerkingen, zich te houden aan de aanbevelingen die door de Raad van State bekendgemaakt zijn inzake wetgevingstechniek (Circulaire betreffende de wetgevingstechniek - aanbevelingen en formules, november 2001 (http://www.raadvst-consetat.be). (10) Dat blijkt onder andere uit het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het koninklijk besluit van 24 juni 1988 tot codificatie van de gemeentewet onder het opschrift "Nieuwe gemeentewet" (Belgisch Staatsblad van 3 september 1988, blz.12465), waarin naar aanleiding van het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, wordt gesteld dat om te constateren dat een wet stilzwijgend gewijzigd is door een andere wet een uitlegging van die twee teksten vereist is en dat een bekrachtiging verhindert dat een exceptie van onwettigheid in dat verband kan worden aangevoerd ten aanzien van de coördinatie. (11) Lees in dat verband D.RENDERS, "La consolidation législative de l'acte administratif unilatéral", Bruylant-L.G.D.J., 2003, blz. 228 en 229 (12) Zoals D.RENDERS, ibid. blz. 229, opmerkt over de wet van 9 januari 1995 tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en tot opheffing van een aantal niet in de coördinatie opgenomen bepalingen. Die wet "dekt" inderdaad sommige bepalingen waarvoor geen rechtsgrond voorhanden was.
Wel moet worden vastgesteld dat, zoals in het opschrift staat, dezelfde wet bepalingen die niet zijn opgenomen in de coördinatie, uitdrukkelijk opheft; dat die bepalingen vervallen zijn is dus niet zo maar aangenomen op grond van de bekrachtiging alleen. (13) Zie het verslag betreffende het wetsontwerp "tot bekrachtiging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd op 10 april 1992", waarin gesteld wordt dat aangehaakt wordt bij de mening van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, luidens welke, zelfs in geval van bekrachtiging door de wetgever, geen inhoudelijke wijzigingen kunnen worden aangebracht, wat de grond is geweest om verscheidene bepalingen uit de codificatie te lichten (Gedr.St., Kamer, zitting 1991-1992, nr. 407/2, blz. 5). Zie ook de motivering voor een codificatie door de wetgever gegeven in de memorie van toelichting van het wetsontwerp houdende invoering van het Wetboek van Vennootschappen (Gedr. St. Kamer, zitting 1998-1999, nr. 1838/1, blz. 1 en 2). (14) Arrest nr.81/93 van 1 december 1993, B.3.1. Uit dat arrest blijkt dat de bekendmaking van nieuwe bepalingen een nieuwe termijn doet ingaan waarbinnen een beroep tot nietigverklaring tegen die bepalingen kan worden ingesteld. (15) Wat de wetsbepalingen betreft, wordt verwezen naar opmerking 8. 9 APRIL 2004. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende vaststelling van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw;
Gelet op de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed;
Gelet op de ordonnantie van 18 juli 2002 inzake het voorkooprecht;
Gelet op de ordonnantie van 18 december 2003 houdende de rehabilitatie en de herbestemming van de niet-uitgebate bedrijfsruimten;
Gelet op artikel 70bis van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van ruimtelijke ordening en stedenbouw;
Gelet op de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, inzonderheid artikel 73;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën van 16 februari 2004;
Gelet op het advies van de Raad van State van 15 maart 2004;
Op voordracht van de Minister-Voorzitter en van de Staatssecretaris die aan hem is toegevoegd, Besluit : Artikel 1.De bepalingen van de ordonnanties van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed, van 18 juli 2002 betreffende het voorkooprecht en van 18 december 2003 betreffende de rehabilitatie en de herbestemming van de niet-uitgebate bedrijfsruimten en artikel 70bis van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van ruimtelijke ordening en stedenbouw worden gecodificeerd conform de bij dit besluit bijgevoegde tekst. Art. 2.De Minister-Voorzitter, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek wordt belast met de uitvoering van deze beslissing.
Brussel, 9 april 2004.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : J. SIMONET, Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek
Bijlage I INHOUDSOPGAVE VAN DE BRUSSELSE CODE VOOR RUIMTELIJKE ORDENING TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK I. - Doelstellingen HOOFDSTUK II. - Machtiging HOOFDSTUK III. - Openbaar onderzoek HOOFDSTUK IV. - Adviescommissies Afdeling I. - De Gewestelijke Ontwikkelingscommissie
Afdeling II. - De overlegcommissies
Afdeling III. - De Koninklijke Commissie voor Monumenten en
Landschappen HOOFDSTUK V. - Stedenbouwkundig College TITEL II. - PLANNING HOOFDSTUK I. - Algemeen HOOFDSTUK II. - Gewestelijk ontwikkelingsplan Afdeling I. - Algemeen
Afdeling II. - Inhoud
Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure
Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure
Afdeling V. - Gevolgen van het ontwerpplan en van het plan
Afdeling VI. - Opvolging van het plan
HOOFDSTUK III. - Gewestelijk bestemmingsplan Afdeling I. - Algemeen
Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure
Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure
Afdeling V. - Gevolgen van het plan
Afdeling VI. - Opvolging van het plan
HOOFDSTUK IV. - Gemeentelijk ontwikkelingsplan Afdeling I. - Algemeen
Afdeling II. - Inhoud
Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure
Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure
Afdeling V. - Gevolgen van het ontwerpplan en van het plan
Afdeling VI. - Opvolging van het plan
HOOFDSTUK V. - Bijzonder bestemmingsplan Afdeling I. - Algemeen
Afdeling II. - Inhoud
Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure
Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure
Afdeling V. - Opmaak en wijziging op initiatief van de Regering
Afdeling VI. - Opheffingsprocedure
Afdeling VII. - Gevolgen van het plan
Afdeling VIII. - Opvolging van het plan
HOOFDSTUK VI. - Onteigening en vergoeding Afdeling I. - Beginsel
Afdeling II. - Procedure
Afdeling III. - Vergoedingen
Afdeling IV. - Uitvoeringstermijn voor de onteigeningen
Afdeling V. - Vergoeding van de waardeverminderingen
HOOFDSTUK VII. - Ruilverkaveling en herverkaveling TITRE III. - STEDENBOUWKUNDIGE VERORDENINGEN Hoofdstuk I. - Algemeen Hoofdstuk II. - Gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen Hoofdstuk III. - Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen Hoofdstuk III. - Gevolgen van de gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen Hoofdstuk IV. - Wijziging van de gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen TITEL IV. - VERGUNNINGEN EN ATTEST HOOFDSTUK I. - Stedenbouwkundige vergunning Afdeling I. - Handelingen en werken onderworpen aan een
stedenbouwkundige vergunning Afdeling II. - Stedenbouwkundige lasten
Afdeling III. - Verval en verlenging
Afdeling IV. - Vergunning van beperkte duur
HOOFDSTUK II. - Verkavelingsvergunning Afdeling I. - Handelingen onderworpen aan een verkavelingsvergunning
Afdeling Il. - Gevolgen van de verkavelingsvergunning
Afdeling III. - Stedenbouwkundige lasten
Afdeling IV. - Vervaltermijn
Afdeling V. - Wijziging van de verkavelingsvergunning
HOOFDSTUK III. - Indiening en behandeling van de vergunningsaanvragen en beroepen Afdeling I. - Indiening van de aanvraag
Afdeling II. - Voorafgaande effectenbeoordeling van bepaalde projecten
Onderafdeling 1. - Aanvragen onderworpen aan een effectenstudie Onderafdeling 2. - Aanvragen die onderworpen worden aan een effectenverslag Afdeling III. - Speciale regelen van openbaarmaking
Afdeling IV. - Beslissing van het college van burgemeester en
schepenen Afdeling V. - Schorsing en vernietiging van de vergunning
Afdeling VI. - Aanhangigmaking van de gemachtigde ambtenaar
Afdeling VII. - Beroep bij het Stedenbouwkundig College
Afdeling VIII. - Beroep bij de Regering
Afdeling IX. - Vergunningen aangevraagd door een publiekrechtelijk
rechtspersoon voor werken van openbaar nut of voor een beschermd of op de bewaarlijst ingeschreven goed of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is, of voor een niet-uitgebate bedrijfsruimte Afdeling X. - Gezamenlijke bepalingen voor de beslissingen
Afdeling XI. - Bijzondere bepalingen voor de verkavelingsvergunning
HOOFDSTUK IV. - Stedenbouwkundig attest Afdeling I. - Begrip
Afdeling II. - Afgifteprocedure
Afdeling III. - Gevolgen van het stedenbouwkundig attest
TITEL V. - BESCHERMING VAN HET ONROERENDE ERFGOED HOOFDSTUK I. - Algemeen HOOFDSTUK II. - De inventaris en het register van het onroerend erfgoed HOOFDSTUK III. - De bewaarlijst Afdeling 1. - Het inschrijven op de bewaarlijst en het opleggen van
bijzondere behoudsvoorwaarden Afdeling 2. - Gevolgen
Afdeling 3. -Royering van de bewaarlijst en wijziging van de
behoudsvoorwaarden HOOFDSTUK IV. - De bescherming Afdeling 1. - Beschermingsprocedure.
Afdeling 2. - Gevolgen van de bescherming.
Afdeling 3. - Procedure tot opheffing van de bescherming.
HOOFDSTUK V. - Beheer, werken en toelagen.
HOOFDSTUK VI. - Onteigening.
HOOFDSTUK VII. - Opgravingen, peilingen en archeologische vondsten Afdeling 1. - De personen die ertoe gemachtigd zijn opgravingen en
peilingen uit te voeren Afdeling 2. - De opgravingen en peilingen van openbaar nut
Afdeling 3. - De opgravingen en peilingen naar aanleiding van een
vergunningsaanvraag Afdeling 4. - De archeologische vondsten
Afdeling 5. - De vergoedingen
Afdeling 6. - Het toezicht op de roerende archeologische goederen
Afdeling 7. - De toelagen
HOOFDSTUK VIII. - Bijzondere bepaling TITEL VI. - DE NIET-UITGEBATE BEDRIJFSRUIMTEN HOOFDSTUK I. - Algemeen HOOFDSTUK II. - De inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten HOOFDSTUK III. - Rehabilitatie en herbestemming HOOFDSTUK IV. - Onteigening TITEL VII. - Het voorkooprecht HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - De aan het voorkooprecht onderhevige perimeter HOOFDSTUK III. - De houders van het voorkooprecht HOOFDSTUK IV. - De uitoefening van het voorkooprecht Afdeling 1. - De aan het voorkooprecht onderworpen vastgoedoperaties
Afdeling 2. - De onderhandse overdracht
Afdeling 3. - De openbare verkoop
Afdeling 4. - De onteigening
HOOFDSTUK V. - Formaliteiten en vordering tot nietigverklaring TITEL VIII. - INLICHTINGEN EN INFORMATIE HOOFDSTUK I. - Stedenbouwkundige inlichtingen HOOFDSTUK II. - Mededeling van inlichtingen en documenten inzake planning en stedenbouw HOOFDSTUK III. - De publiciteit voor de verkoop en de verhuring TITEL IX. - FISCALE MAATREGELEN HOOFDSTUK I. - Taksen op de niet-bebouwde percelen HOOFDSTUK II. - Taksen op de ruimten opgenomen in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten HOOFDSTUK III. - Immunisatie en vrijstelling betreffende bepaalde goederen die vallen onder het beschermd of op de bewaarlijst ingeschreven erfgoed TITEL X. - MISDRIJVEN EN STRAFBEPALINGEN HOOFDSTUK I. - Misdrijven Afdeling I. - Handelingen die als misdrijf gelden
Afdeling II. - Vaststelling van de misdrijven
Afdeling III. - Stopzettingsprocedure van de in overtreding
uitgevoerde handelingen en werken Afdeling IV. - Ambsthalve uitvoering
HOOFDSTUK II. - Strafbepalingen HOOFDSTUK III. - Overschrijving HOOFDSTUK IV. - Dading TITEL XI. - SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK I. - Slot- en overgangsbepalingen van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw Afdeling 1. - Implementatie van de Europese richtlijnen
Afdeling 2. - Opheffingsbepalingen
Afdeling 3. - Overgangs- en slotbepalingen
HOOFDSTUK II. - Overgangs- en eindbepalingen van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed HOOFDSTUK III. - Overgangs- en eindbepalingen van de ordonnantie van 18 december 2003 betreffende de rehabilitatie en de herbestemming van de niet-uitgebate bedrijfruimten Bijlage A. - Aan een effectenstudie onderworpen projecten Bijlage B. - Aan een effectenrapport onderworpen projecten Bijlage C. - Inhoud van het milieueffectenrapport van de plannen Bijlage D. - Criteria voor de vaststelling van de mogelijke aanzienlijke effecten van plannen Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 200 4.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : J. SIMONET, Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek
Bijlage II. - Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK I. - Doelstellingen Artikel 1.Dit wetboek regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet. (2) Het integreert de ordonnantie van 19 februari 2004 betreffende sommige bepalingen inzake ruimtelijke ordening die met name bedoeld is om de richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, de richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 houdende wijziging van de richtlijn 85/337/EEG betreffende de evaluatie van de milieu-effectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten en de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, in zijn toepassingssfeer te verwerken. Art. 2.De ontwikkeling van het Gewest, samen met de ordening van zijn grondgebied, wordt nagestreefd om, op een duurzame manier, tegemoet te komen aan de sociale, economische, patrimoniale en milieubehoeften van de gemeenschap door het kwalitatief beheer van het levenskader, door het zuinig gebruik van de bodem en zijn rijkdommen en door de instandhouding en de ontwikkeling van het cultureel, natuurlijk en landschappelijk erfgoed. (4) Art. 3.Bij de tenuitvoerlegging van dit Wetboek, stellen de administratieve instanties alles in het werk om de sociale en economische vooruitgang met de kwaliteit van het leven te verzoenen, en de inwoners van het Gewest ervan te verzekeren dat een harmonieuze ordening in acht wordt genomen. (6) Art. 4.Elk jaar bij de bespreking van de begroting en uiterlijk op 31 december legt de Regering op het bureau van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad een verslag neer over de stand van zaken en de vooruitzichten inzake de ontwikkeling en de stedebouw en over de uitvoering van de gewestelijke en gemeentelijke plannen voor. (8) HOOFDSTUK II. - Machtiging Art. 5.De Regering duidt de ambtenaren aan van het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting hierna het Bestuur genoemd, welke gemachtigd worden voor de in dit Wetboek nader omschreven doelstellingen.
Zij worden "gemachtigde ambtenaren" genoemd. (10) HOOFDSTUK III. - Openbaar onderzoek Art. 6.De Regering bepaalt de nadere regels van het openbaar onderzoek in naleving van de volgende beginselen : 1° de duur van een openbaar onderzoek mag niet korter dan vijftien dagen zijn;2° ten minste de helft van de voorgeschreven termijn van een openbaar onderzoek valt buiten de periode van de zomer-, Paas- en Kerstschoolvakanties;3° de dossiers zijn ten minste één werkdag per week tot 20 uur toegankelijk;4° iedereen kan technische uitleg krijgen volgens de door de Regering bepaalde regels;5° iedereen kan schriftelijk of, indien nodig, mondeling opmerkingen en bezwaren maken vóór de sluiting van het openbaar onderzoek. De Regering of de gemeenten kunnen zelf beslissen over bijkomende vormen van openbaarmaking en raadpleging.
De Regering bepaalt onder welke voorwaarden subsidies worden verleend voor het uitvoeren van de bepalingen van dit artikel. (12) HOOFDSTUK IV. - Adviescommissies Afdeling I. - De Gewestelijke Ontwikkelings Commissie
Art. 7.Er wordt een Gewestelijke Ontwikkelingscommissie opgericht, hierna de "Gewestelijke Commissie" genoemd.
De Gewestelijke Commissie is belast met het uitbrengen van een met redenen omkleed advies over de ontwerpen van gewestelijk ontwikkelingsplan, van gewestelijk bestemmingsplan, van gewestelijke stedenbouwkundigeverordeningen en over de ontwerpen van gemeentelijke ontwikkelingsplannen.
De Gewestelijke Commissie kan, inzake de uitvoering of de aanpassing van de plannen en verordeningen waarover zij zich moet uitspreken, opmerkingen maken of suggesties voordragen bij de Regering.
Zij stelt algemene richtlijnen voor in verband met het voorbereiden en het opmaken van ontwikkelings- en bestemmingsplannen alsmede van stedenbouwkundige verordeningen.
De Regering kan bovendien alle kwesties met betrekking tot de ontwikkeling van het Gewest aan de Gewestelijke Commissie voorleggen.
De adviezen, opmerkingen, suggesties en voorstellen van richtlijnen worden met eenparigheid van stemmen geformuleerd. Bij ontstentenis van eenparigheid bestaat het advies uit de weergave van alle standpunten die tijdens de werkzaamheden naar voor werden gebracht.
De Gewestelijke Commissie overhandigt de Regering, uiterlijk op 30 juni van elk jaar, een verslag over haar activiteiten.
De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling en de werking van de gewestelijke Commissie in naleving van de volgende beginselen : 1. de vertegenwoordiging van de adviesorganen wier deskundigheid zich situeert op economisch en sociaal vlak, op dat van monumenten en landschappen, van het milieu en de mobiliteit, waarvan de lijst door de Regering wordt vastgesteld;2. de vertegenwoordiging van de gemeenten;3. de aanwijzing van onafhankelijke experts;4. het horen van de afgevaardigden van de Regering of van de gemeenten die de in het tweede lid bedoelde ontwerpen hebben uitgewerkt. De Gewestelijke Commissie kan onderverdeeld worden in gespecialiseerde secties.
De leden van de Gewestelijke Commissie worden door de Regering aangewezen bij elke volledige vernieuwing van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en uiterlijk op de 1e januari die volgt op zijn installatie. (14) Art. 8.De Gewestelijke Commissie wordt bijgestaan door een vast secretariaat. De opdrachten van dit secretariaat zijn onder meer : 1° de voorbereiding van het in artikel 7 bedoelde jaarverslag;2° een register met de door de Gewestelijke Commissie uitgebrachte adviezen ter beschikking van de bevolking houden.(16) Afdeling II. - De overlegcommissies
Art. 9.Voor elke gemeente van het Gewest wordt een overlegcommissie opgericht.
Alvorens een bijzonder bestemmingsplan, een onteigeningsplan dat in uitvoering van een dergelijk plan wordt opgesteld en een gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening worden aangenomen, is een voorafgaand advies van de overlegcommissie vereist. Dergelijk advies is eveneens vereist alvorens een stedenbouwkundigevergunning, een verkavelingsvergunning of een stedebouwkundig attest wordt afgegeven, telkens dit bij verordening of bij een plan is voorzien, of wanneer deze vergunnings- of attestaanvragen aan de in artikelen 150 en 151 bedoelde speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen.
Op aanvraag van de Regering, de gemachtigde ambtenaar of het college van burgemeester en schepenen brengt de overlegcommissie advies uit over alle kwesties die betrekking hebben op de plaatselijke ordening en kan dienaangaande alle nuttige voorstellen formuleren.
De Regering bepaalt de samenstelling, de organisatie en de werking van de overlegcommissies in navolging van de volgende beginselen : 1° de vertegenwoordiging van de gemeenten;2° de vertegenwoordiging van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij van Brussel;3° de aanwijzing van het bestuur van de stedebouw en de ruimtelijke ordening naast die van de betrokken gewestelijke besturen als leden van de commissies;4° het horen van de natuurlijke of rechtspersonen die erom vragen tijdens het openbaar onderzoek;5° de onthouding van de leden van de overlegcommissies over de vergunnings- of attestaanvragen die uitgaan van het orgaan dat zij vertegenwoordigen met uitzondering van de beambten van het bestuur van de stedebouw en de ruimtelijke ordening;6° de terbeschikkingstelling voor de bevolking van een register met de notulen van de vergaderingen en met de door de commissies uitgebrachte adviezen.(18) Art. 10.De Regering bepaalt onder welke voorwaarden aan de gemeenten subsidies worden verleend voor de werking van de overlegcommissies. (20) Afdeling III. - De Koninklijke Commissie voor Monumenten en
Landschappen Art. 11.§ 1. Er wordt een Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen opgericht.
Haar opdracht bestaat erin de adviezen te verstrekken die door of krachtens dit Wetboek (22) zijn vereist.
Zij kan eveneens de Regering op aanvraag van deze laatste of op eigen initiatief, van advies dienen over iedere aangelegenheid die betrekking heeft op een goed dat tot het onroerende erfgoed behoort.
Zij kan haar eveneens aanbevelingen doen voor het algemeen beleid inzake de problematiek van het behoud.
Ter uitvoering van de bevoegdheden inzake advies en aanbevelingen die haar krachtens de voorgaande leden zijn toegekend, verzekert de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen het behoud van de goederen die onder het onroerend erfgoed vallen, die ingeschreven zijn op de bewaarlijst of beschermd zijn te verzekeren en te waakt ze over hun herbestemming wanneer ze niet uitgebaat of niet gebruikt worden. § 2. De Regering stelt de samenstelling, de organisatie en de regels van onverenigbaarheid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen vast en past daarbij de volgende principes toe : 1. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen is samengesteld uit 18 leden die door de Regering benoemd worden.Twaalf worden gekozen op basis van een dubbele lijst die door de Hoofdstedelijke Raad voorgelegd wordt en zes worden gekozen op de voordracht van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. 2. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen is samengesteld uit leden die afkomstig zijn van alle kringen die bij het behoud betrokken zijn, verenigingen inbegrepen. De leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zijn bekend om hun bekwaamheid inzake het behoud van het onroerende erfgoed.
Elk van de volgende vakgebieden is vertegenwoordigd : natuurlijk erfgoed, archeologie, historisch onderzoek, architecturaal erfgoed, restauratietechnieken.
Bovendien omvat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen ten minste een licentiaat of doctor in de archeologie en kunstgeschiedenis, een licentiaat of doctor in de geschiedenis en een architect. 3. De leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen worden benoemd voor een vernieuwbaar mandaat van zes jaar.4. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wordt om de drie jaar voor de helft vernieuwd. § 3. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen keurt een huishoudelijk reglement goed dat ze ter goedkeuring voorlegt aan de Regering.
De adviezen, de opmerkingen, aanbevelingen en suggesties van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, worden bij gewone meerderheid van de aanwezige leden geformuleerd.
Behalve voor adviezen mag de minderheid haar mening laten opnemen in de notulen. § 4. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wordt bijgestaan door een vast secretariaat.
De Regering wijst de ambtenaren van de Administratie van het Erfgoed aan die belast worden met dit secretariaat.
Het secretariaat heeft met name als taak het secretariaat en de interne administratie van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen te verzekeren. (24) HOOFDSTUK V. - Stedenbouwkundig college Art. 12.Er wordt een Stedenbouwkundig College opgericht dat bevoegd is voor de behandeling van beroepen tegen de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen of van de gemachtigde ambtenaar, overeenkomstig afdeling VII van hoofdstuk III, titel IV. Het Stedenbouwkundig College bestaat uit negen deskundigen benoemd door de Regering op een dubbele lijst van kandidaten voorgedragen door de Brusselse Hoofdstedelijke Raad. De mandaten worden voor zes jaar toegekend en zijn hernieuwbaar. Het Stedenbouwkundig College wordt om de drie jaar vernieuwd voor de helft.
De Regering bepaalt de organisatie en de werking van het Stedenbouwkundig College, de vergoeding van zijn leden alsmede de onverenigbaarheidsregels. Het secretariaat wordt door ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waargenomen. (26) TITEL II. - PLANNING HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 13.De ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordening van zijn grondgebied wordt bepaald voor de volgende plannen : 1. het gewestelijk ontwikkelingsplan;2. het gewestelijk bestemmingsplan;3. de gemeentelijke ontwikkelingsplannen;4. het bijzonder bestemmingsplan.(28) Art. 14.De Regering erkent de natuurlijke dan wel privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen die door de gemeenteraad kunnen worden aangewezen om mee te werken aan het opmaken van de gemeentelijke ontwikkelingsplannen en van de bijzondere bestemmingsplannen en die in het kader van de uitwerking van een bijzonder bestemmingsplan of van een gemeentelijk ontwikkelingsplan belast kunnen worden met de evaluatie van de effecten.
Ze bepaalt de voorwaarden van deze erkenning. (30) Art. 15.De Regering bepaalt onder welke voorwaarden door het Gewest subsidies worden verleend voor het uitwerken van de gemeentelijke plannen. (32) HOOFDSTUK II. - Gewestelijk ontwikkelingsplan Afdeling I. - Algemeen
Art. 16.De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt een gewestelijk ontwikkelingsplan vast dat van toepassing is op het volledig Brussels Hoofdstedelijk grondgebied.
Binnen de zes maanden die volgen op de maand van de installatie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad maakt de Regering een rapport over haar intentie om over te gaan tot een eventuele volledige of gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk ontwikkelingsplan ter informatie over aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad. (34) Afdeling II. - Inhoud
Art. 17.Het gewestelijk ontwikkelingsplan is een instrument voor de globale planning van de gewestelijke ontwikkeling in het kader van de duurzame ontwikkeling.
Het bepaalt : 1° de algemene en sectorale doelstellingen evenals de ontwikkelingsprioriteiten, met inbegrip van die inzake ruimtelijke ordening, vereist door de economische, sociale, culturele behoeften en die inzake verplaatsingen en milieu;2° de transversaal en sectoraal in te zetten middelen om de alzo gedefinieerde doelstellingen en prioriteiten te bereiken, met name door de kaartsgewijze voorstelling van sommige van die maatregelen;3° de vaststelling van de prioritaire interventiegebieden van het Gewest;4° in voorkomend geval de aan de normatieve bepalingen, plannen en programma's die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen worden toegepast in functie van de alzo gepreciseerde doelstellingen en middelen, aan te brengen wijzigingen.(36) Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure
Art. 18.§ 1. De Regering maakt het ontwerp van gewestelijk ontwikkelingsplan op en maakt een milieu-effectenrapport.
Daartoe werkt de Regering een ontwerp-bestek van een milieueffectenrapport betreffende het geplande project uit. Het milieu-effectenrapport bevat de in bijlage C van dit Wetboek opgesomde informatie.
De Regering legt het ontwerp-bestek van het milieueffectenrapport voor advies voor aan de Gewestelijke Commissie, aan het Bestuur en aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer. De adviezen slaan op de omvang en de nauwkeurigheid van de informatie die het rapport moet bevatten.
De adviezen worden overgemaakt binnen de dertig dagen na de aanvraag van de Regering. Bij ontstentenis worden de adviezen geacht gunstig voor het ontwerp-bestek te zijn.
In het licht van de over het ontwerp-bestek van het milieueffectenrapport uitgebrachte adviezen, legt de Regering het bestek van dit rapport vast rekening houdend met de informatie die redelijkerwijze gevraagd kan worden, met de bestaande know-how en evaluatiemethoden, met de nauwkeurigheidsgraad van het plan, en met het feit dat bepaalde aspecten ervan geïntegreerd moeten kunnen worden op een ander planologisch niveau waar het verkieslijk kan zijn de evaluatie te maken om een herhaling ervan te vermijden. § 2. Op verzoek van de Regering en binnen de door haar vastgestelde termijn, brengt elk gewestelijk bestuur en elke gewestelijke instelling van openbaar nut die elementen naar voren die tot haar bevoegdheid behoren met name ten aanzien van het ontwerp-bestek van het milieueffectenrapport. De Regering voegt aan het ontwerpplan de lijst van deze besturen en instellingen toe.
De Regering brengt de Gewestelijke Commissie regelmatig op de hoogte van de evolutie van de voorafgaande studies, en deelt haar de resultaten ervan mee. De Gewestelijke Commissie kan op elk ogenblik opmerkingen maken of suggesties voordragen die zij nuttig acht. § 3. De Regering stelt het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport vast en deelt deze onverwijld mede aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, samen met de eventuele, onder de tweede paragraaf bedoelde opmerkingen of suggesties. Het ontwerp-plan treedt in werking vijftien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De Regering keurt het ontwerp van plan goed dat in werking treedt in de loop van het kalenderjaar dat volgt op dat van de installatie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad. § 4. De Regering onderwerpt het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport aan een openbaar onderzoek. De documenten die aan een openbaar onderzoek onderworpen worden omvatten de delen van het vigerende plan die niet gewijzigd zijn. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente van het Gewest, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Nederlandstalige en drie Franstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid, alsmede door een mededeling op radio en televisie volgens de door de Regering bepaalde regels. In …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.