← België

Wet tot invoering van het Sociaal Strafwetboek

Kort samengevat

Deze wet introduceert het Sociaal Strafwetboek en richt een Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst op om illegale arbeid en sociale fraude te bestrijden. Het doel is om een gecoördineerd beleid te voeren tegen deze praktijken.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
6 JUNI 2010. - Wet tot invoering van het Sociaal Strafwetboek (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1 Algemene bepaling Artikel 1 Bedoelde aangelegenheid Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2 Het Sociaal Strafwetboek Art. 2 Het Sociaal Strafwetboek De hiernavolgende bepalingen vormen het Sociaal Strafwetboek. SOCIAAL STRAFWETBOEK EERSTE BOEK DE PREVENTIE, DE VASTSTELLING EN DE VERVOLGING VAN DE INBREUKEN EN HUN BESTRAFFING IN HET ALGEMEEN TITEL 1. Beleid inzake preventie en toezicht HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen Artikel 1.Het beleid van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude § 1. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder sociale fraude en illegale arbeid : iedere inbreuk op een sociale wetgeving die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. § 2. Het beleid van de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude wordt bepaald door de Ministerraad die de bevoegde ministers met de uitvoering ervan belast. Het institutioneel kader van coördinatie dat door deze titel wordt omschreven, ligt in de lijn van het beleid ter bestrijding van de illegale arbeid en de sociale fraude. Dit beleid wordt door de ministers die Sociale Zaken, Werk en Justitie en Zelfstandigen in hun bevoegdheid hebben medegedeeld aan de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, binnen de 15 dagen volgend op de kennisgevingen van de Ministerraad. Art. 2.Beleidsplan en operationeel plan Jaarlijks wordt een beleidsplan opgesteld en voor 30 april medegedeeld aan de Ministerraad. Het heeft met name betrekking op de aanpak van bijdragefraude, uitkeringsfraude en illegale arbeid. Na goedkeuring door de Ministerraad, wordt voor 15 september een operationeel plan opgesteld dat twee luiken bevat : een luik betreffende bijdragefraude en een ander betreffende uitkeringsfraude. De twee luiken bepalen de te ondernemen acties, de te ontwikkelen informaticaprojecten, de in te zetten middelen, de te realiseren doelstellingen die bepaald worden op basis van meetbare indicatoren en de budgettaire opbrengsten die zullen worden gerealiseerd in het kader van de taken van het Federaal Aansturingsbureau. HOOFDSTUK 2. De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst Art. 3.Samenstelling van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst Er wordt een Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst opgericht, die samengesteld is uit de Algemene Raad van de Partners en het Federaal Aansturingsbureau. Art. 4.Samenstelling van de Algemene Raad van de Partners De Algemene Raad van de Partners is samengesteld uit : 1° de directeur van het Federaal Aansturingsbureau, zoals bedoeld in artikel 6, § 3, 1°;2° de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;3° de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid;4° de leidend ambtenaren van de volgende diensten : a) de administratie Toezicht op de sociale wetten van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;b) het bestuur van de Sociale Inspectie van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid;c) de inspectiedienst van de Rijksdienst voor sociale zekerheid;d) de inspectiedienst van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;5° de administrateurs-generaal van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, van de Rijksdienst voor pensioenen, van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers;6° de procureur-generaal aangewezen door het College van procureurs-generaal;7° de commissaris-generaal van de federale politie;8° de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Financiën;9° de secretaris van de Nationale Arbeidsraad;10° zes vertegenwoordigers van de sociale partners met hetzelfde aantal als de meest representatieve organisaties van werkgevers en de meest representatieve organisaties van werknemers, zoals aangewezen in de Nationale Arbeidsraad;11° een vertegenwoordiger van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen. Een vertegenwoordiger aangewezen door iedere overheid bevoegd inzake tewerkstellingsbeleid krachtens artikel 6, § 1, IX, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten0 tot hervorming der instellingen, zijnde vier vertegenwoordigers, kan hierin op verzoek van de gewesten eveneens zitting hebben. Kunnen eveneens worden uitgenodigd om met raadgevende stem zitting te hebben, vertegenwoordigers van de besturen en van de openbare instellingen die betrokken zijn bij de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude, en beroepsorganisaties die een partnerschapsovereenkomst hebben gesloten, onder de voorwaarden bepaald door de Algemene Raad van de Partners. De Algemene Raad van de Partners kan tevens een beroep doen op deskundigen voor het onderzoek van specifieke vragen, binnen de voorwaarden die hij bepaalt. De Koning bepaalt op voordracht van de Algemene Raad het huishoudelijk reglement waarbij onder meer worden vastgesteld de regels voor vervanging van de leden en de convocaties van de leden, genodigden of deskundigen. Het voorzitterschap van de Algemene Raad van de Partners wordt waargenomen door de directeur van het Federaal Aansturingsbureau. Hij roept de leden van de Algemene Raad van de Partners minstens twee maal per jaar samen. Hij deelt de richtlijnen mede van het beleid inzake de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude, zoals vastgesteld door de Ministerraad. Art. 5.Taken van de Algemene Raad van de Partners De Algemene Raad van de Partners is een orgaan voor reflectie en advies in het kader van de strijd tegen de sociale fraude en de illegale arbeid en over de optimale werking van de arrondissementscellen. De Algemene Raad van de Partners heeft eveneens tot taak, voorstellen te richten aan de bevoegde minister(s) teneinde de wetgeving die van toepassing is op de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude aan te passen. Hij stelt aanbevelingen op en brengt adviezen uit, ambtshalve of op verzoek van een minister, over ontwerpen en voorstellen van wetten betreffende de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude. Hij wordt geraadpleegd door het Federaal Aansturingsbureau over het beleidsplan, zoals bedoeld in artikel 2. Hij keurt het in artikel 7, 16°, bedoelde jaarverslag goed. De voorzitter legt het goedgekeurde jaarverslag voor 15 september van elk jaar voor aan de regering. Art. 6.Samenstelling van het Federaal Aansturingsbureau en het directiecomité § 1. Er wordt een Federaal Aansturingsbureau opgericht, hierna « het Bureau » genoemd, centrum voor aansturing, expertise en ondersteuning van de inspectiediensten. Het Bureau wordt bijgestaan door een secretariaat dat bestaat uit minimum twee personen. Het secretariaat van het Bureau is eveneens het secretariaat van de Algemene Raad van de Partners. § 2. Het Bureau wordt beheerd door een directiecomité dat is samengesteld uit : 1° de directeur van het Bureau bedoeld in artikel 6, § 3, 1°;2° de leidend ambtenaren : - van de Sociale Inspectie van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid; - van de algemene directie Toezicht op de sociale wetten van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg; - van de algemene directie van de inspectiediensten van de Rijksdienst voor sociale zekerheid; - van de inspectiedienst van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening; - van de directie-generaal Zelfstandigen van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid; - van de Dienst Inspectie van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen; 3° de procureur-generaal aangewezen door het College van procureurs-generaal;4° de leidend ambtenaren afgevaardigd door de Rijksdienst voor pensioenen, van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers. Dit directiecomité wordt belast met het opstellen van het in artikel 2 bedoelde beleidsplan en operationeel plan en ziet ook toe op de opvolging hiervan. § 3. Het Bureau is samengesteld uit : 1° de directeur;2° een magistraat van een arbeidsauditoraat of van een arbeidsauditoraat-generaal;3° leden van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid, van de openbare instellingen van sociale zekerheid of van de federale overheidsdienst Maatschappelijke integratie;4° een lid van de federale overheidsdienst Financiën;5° analisten en experten in het domein van opsporing en bestrijding van fraude, die alle informatie moeten verzamelen die nuttig is voor het opsporen en analyseren van fraudepraktijken.Hiertoe zal elke openbare instelling en elke federale instelling de inlichtingen verstrekken die gevraagd worden door de leden van het Bureau; 6° sociaal inspecteurs afkomstig van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid, de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de Rijksdienst voor sociale zekerheid en de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening die worden geïntegreerd in de ploeg voor het opsporen van informaticafraude die de inspectiediensten moet ondersteunen met haar expertise in informatie- en communicatietechnologie. § 4. De Koning bepaalt het aantal leden waaruit het Bureau is samengesteld. Art. 7.Taken van het Bureau Het Bureau is ermee belast : 1° het beleid zoals vastgesteld door de Ministerraad in de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude ter uitvoering van het beleidsplan en operationeel plan bedoeld in artikel 2 uit te voeren;2° de preventieacties nodig voor de invoering van dit beleid op te zetten en te ondernemen;3° de samenwerkingsprotocollen tussen de federale overheid en de gewesten betreffende de coördinatie van de controles inzake illegale arbeid en sociale fraude voor te bereiden;4° de realisatiegraad van de verschillende elementen van het operationeel plan bedoeld in artikel 2 maandelijks te evalueren. Indien de maandelijkse evaluatie drie maal op rij aangeeft dat de in het operationeel plan beoogde doelstellingen of opbrengsten niet zullen worden bereikt, brengt de directeur de bevoegde minister hiervan op de hoogte; 5° binnen de arrondissementscellen de actie aan te sturen van de inspecties van de federale Overheidsdiensten en van de instellingen van openbaar nut die betrokken zijn bij de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude;6° richtlijnen op te stellen ter uitvoering van het operationeel plan voor de Arrondissementscellen bedoeld in artikel 11, goedgekeurd door de procureur-generaal aangewezen door het College van procureurs-generaal;7° de voorzitters van de arrondissementscellen tweemaal per jaar bijeen te roepen teneinde een coördinatie van de werkzaamheden van deze cellen te organiseren;8° de nodige bijstand te verlenen aan de bevoegde besturen en diensten inzake de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude teneinde de controle-operaties behoorlijk te doen verlopen;9° studies omtrent de problematiek van illegale arbeid en sociale fraude uit te voeren en het mogelijk maken meer gerichte acties te ondernemen, onder andere met ondersteuning van de analisten wier opdracht verduidelijkt wordt in artikel 6, § 3, 5°;10° te zorgen voor de ondersteuning van de inspectiediensten;11° de inspanningen die vereist zijn voor een volledige toegang tot alle gegevensbanken te ondersteunen, nodig voor de uitvoering van de opdrachten van de inspectiediensten;12° een beleid te voeren inzake het verzamelen, bewaren, ontwikkelen en gestructureerd uitwisselen van informatie, met name in het kader van de modernisering van de sociale zekerheid met de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, ingesteld en georganiseerd bij de wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/01/1999 pub. 14/04/1999 numac 1999012067 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de waarborgen die de stoffen en preparaten inzake de veiligheid en de gezondheid van de werknemers met het oog op hun welzijn moeten bieden type wet prom. 28/01/1999 pub. 02/10/2009 numac 2009000656 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de waarborgen die de stoffen en preparaten inzake de veiligheid en de gezondheid van de werknemers met het oog op hun welzijn moeten bieden. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0;13° de gemeenschappelijke opleidingsbehoeften van de agenten van de inspectiediensten te identificeren en voor de nodige opleidingen te zorgen;14° de informatie die nodig is voor de strijd tegen de illegale arbeid en de sociale fraude te coördineren en te verspreiden;15° een extern communicatiebeleid te bepalen;16° verslag uit te brengen over de realisatiegraad van de in het operationeel plan beoogde acties, de te ontwikkelen informaticaprojecten, de in te zetten middelen, de doelstellingen en de budgettaire opbrengsten, alsmede over de stand van zaken van de strijd tegen illegale arbeid en sociale fraude bij de Algemene Raad voor 30 juni;17° de internationale samenwerking tussen de inspectiediensten in het kader van de gezamenlijke acties voor de verschillende diensten tot stand te brengen en die op te volgen;18° toe te zien op de uitvoering van de door de minister(s) gesloten partnerschapsovereenkomsten;19° de Algemene Raad in het kader van zijn opdrachten bij te staan. Art. 8.Exclusiviteit van de functie van directeur van het Bureau, de voorwaarden voor zijn benoeming en zijn statuut De directeur van het Bureau moet een managementfunctie bekleden. Tijdens de duur van zijn mandaat mag de directeur geen enkele andere functie uitoefenen, noch titularis zijn van een openbaar mandaat dat door verkiezing is toegekend. Op grond van voorafgaande machtiging door de Koning, wordt van de in het vorige lid vermelde regel afgeweken wanneer het gaat om de uitoefening van een onderwijsopdracht in een instelling van hoger onderwijs of om een lidmaatschap van een examenjury. De Koning bepaalt de benoemingsvoorwaarden en het geldelijk en administratief statuut van de directeur. Art. 9.Taken van de directeur van het Bureau De directeur oefent het dagelijks beheer van het Bureau uit en voert het door het Bureau opgemaakte operationeel plan uit. De directeur van het Bureau is lid van de werkgroep voor de modernisering van de sociale zekerheid. Hij stelt aan de werkgroep voor de modernisering van de sociale zekerheid voor 15 september van elk jaar het operationeel plan voor bedoeld in artikel 2. Hij heeft zitting in de commissie voor partnerschapsovereenkomsten opgericht bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Hij deelt de resultaten van de werkzaamheden van deze commissie aan het Bureau en aan de Algemene Raad mee. De directeur brengt elke informatie die aanleiding kan geven tot het openen van een gerechtelijke procedure ter kennis van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. Art. 10.De bevoegdheden van de leden van het Bureau, hun benoeming en hun statuut. Tijdens hun mandaat behouden de sociaal inspecteurs die lid zijn van het Bureau hun hoedanigheid van sociaal inspecteur in de zin van titel 2. De andere leden van het Bureau, bedoeld in artikel 6, § 3, beschikken over dezelfde toegang tot de databanken als de sociaal inspecteurs in de zin van titel 2. Voor de uitoefening van de hun toegewezen taken inzake opsporing en analyse van fraudepraktijken en de inzameling van alle daartoe nuttige informatie worden de leden van het Bureau bedoeld in artikel 6, § 3, 5°, geacht de hoedanigheid van sociaal inspecteur te hebben. De leden van het Bureau worden benoemd door de Koning. De Koning bepaalt het administratieve en geldelijke statuut van de leden van het Bureau. Hij bepaalt de nadere wervingsregels. HOOFDSTUK 3. De arrondissementscel Art. 11.De arrondissementscel Per gerechtelijk arrondissement wordt een arrondissementscel opgericht, hierna « de cel » genoemd, voorgezeten door de arbeidsauditeur en voor het overige samengesteld uit een vertegenwoordiger van de diensten bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4°, een vertegenwoordiger van de federale overheidsdienst Financiën, een magistraat van het parket van de procureur des Konings, een lid van de federale politie, een lid bedoeld in artikel 6, § 3, 3°, en de secretaris van de cel. Aan de arrondissementscel wordt, op zijn verzoek, de vertegenwoordiger verbonden van de gewestelijke inspectiedienst bevoegd inzake tewerkstellingsbeleid krachtens artikel 6, § 1, IX, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980. Ingeval een doeltreffende organisatie van het werk dit vereist en op voorwaarde dat de betrokken gerechtelijke arrondissementen elk niet meer dan acht kantons omvatten, kan een cel meerdere gerechtelijke arrondissementen omvatten. Indien een meer doeltreffende organisatie van het werk dit vereist, kunnen binnen een gerechtelijk arrondissement twee arrondissementscellen worden opgericht. In de gevallen bedoeld in de twee voorgaande leden, wordt om de fusie of splitsing van de arrondissementscellen verzocht door de oorspronkelijke arrondissementscellen die dit voorstel voorleggen aan het directiecomité van het Bureau dat het moet goedkeuren. Art. 12.De opdracht van de cel De opdracht van de cel als operationele plaatselijke tak bestaat erin : 1° de controles op de naleving van de verschillende sociale wetgevingen in verband met de illegale arbeid en de sociale fraude te organiseren en te coördineren;2° de richtlijnen en de onderrichtingen van het Bureau uit te voeren;3° informatie aan te leggen en opleidingen te organiseren voor de leden van de diensten die deelnemen aan de vergaderingen van de cel;4° de informatie aan te leveren zodat de balans kan worden opgemaakt van de gezamenlijke acties van de inspectiediensten die gevoerd worden binnen de cel;5° de leden van de arrondissementscel te informeren over de opvolging van de dossiers die worden behandeld door de sociale inspectiediensten en gerechtelijk vervolgd worden, alsook over de voor de inspectiediensten relevante rechtspraak;6° de bij- en nascholing van de leden in het sociaal strafrecht te verzekeren. Art. 13.De besloten groep voor regionale interventie, zijn taak en zijn samenstelling § 1. De cel richt in haar midden een besloten groep voor regionale interventie op, GRI genoemd, die minstens éénmaal per maand samenkomt en voorgezeten wordt door de arbeidsauditeur. De GRI is belast met de organisatie en de coördinatie, op basis van minstens twee acties per maand en zoals bepaald in het actieplan, van de controles op de naleving van de verschillende sociale wetgevingen in verband met illegale arbeid en sociale fraude. Hij waakt erover dat het jaarlijks actieplan op het terrein concreet gestalte krijgt door lokaal doelgerichte controles te organiseren. Hiertoe neemt hij alle nodige en nuttige contacten op. Het Bureau kan op voorstel van een van zijn leden beslissen over te gaan tot een nationale actie van alle GRI's of tot een grootscheepse actie. § 2. Elke GRI is samengesteld uit volgende vertegenwoordigers : 1° de voorzitter, arbeidsauditeur;2° de secretaris van de cel;3° een lid van het Bureau bedoeld in artikel 6, § 3, 3°;4° een vertegenwoordiger van de Sociale Inspectie;5° een vertegenwoordiger van het Toezicht op de Sociale Wetten;6° een vertegenwoordiger van de inspectiedienst van de Rijksdienst voor sociale zekerheid;7° een vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening. De GRI kan elke persoon uitnodigen die in het bijzonder bevoegd is voor de voorbereiding en de verwezenlijking van de geprogrammeerde operaties. Aan de GRI wordt, op zijn verzoek, verbonden de vertegenwoordiger van de gewestelijke inspectiedienst bevoegd inzake tewerkstellingsbeleid krachtens artikel 6, § 1, IX, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980. § 3. Het secretariaat van de GRI wordt waargenomen door een sociaal inspecteur van één van de vier sociale inspectiediensten (Sociale Inspectie, Toezicht op de Sociale Wetten, Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, Rijksdienst voor sociale zekerheid) die overeenkomstig het Protocolakkoord wordt aangewezen door het Bureau. Deze inspecteur werkt nauw samen met de voorzitter en de andere leden van de GRI teneinde : 1° de maandelijkse vergaderingen van de GRI voor te bereiden;2° te verzekeren dat de resultaten van de gevoerde acties aan het Bureau worden meegedeeld. Het proces-verbaal van de maandelijkse vergadering van de GRI wordt aan het Bureau bezorgd. Art. 14.Secretariaat van de cel De cellen worden ondersteund door een secretariaat dat per arrondissementscel wordt uitgebouwd. Het secretariaat wordt waargenomen hetzij door het Toezicht op de sociale wetten, hetzij door de Sociale Inspectie, hetzij door de Inspectie van de RSZ, hetzij door de Inspectie van de RVA, overeenkomstig het Protocolakkoord dat door het Bureau wordt voorgesteld. Een secretariaat wordt echter opgericht voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en een secretariaat wordt opgericht voor het arrondissement Halle-Vilvoorde. Het secretariaat wordt gevestigd in de zetel van één van de diensten bedoeld in het tweede lid. De verslagen van de vergaderingen van de cellen worden opgesteld door het secretariaat en overgezonden aan het Bureau. Art. 15.De partnerschapscommissie, de samenstelling ervan en de partnerschapsovereenkomst Er wordt een partnerschapscommissie opgericht die haar zetel heeft in de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Ze is samengesteld uit : 1° de directeur van het Bureau bedoeld in artikel 6, § 3, 1°;2° de secretaris van de Nationale Arbeidsraad;3° de administrateurs-generaal van de Rijksdienst voor sociale zekerheid en de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;4° de voorzitters van de directiecomités van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid en de federale overheidsdienst Financiën. Het voorzitterschap van deze commissie wordt waargenomen door de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Deze commissie is ermee belast de partnerschapsovereenkomsten tussen de bevoegde minister(s) en organisaties voor te bereiden. In de partnerschapsovereenkomst, kunnen de ondertekenende partijen beslissen over elke informatie- en sensibiliseringsactie gericht tot de professionelen en de consumenten. Zij mogen tevens de verstrekking door organisaties organiseren, van iedere inlichting die nuttig is voor de preventie en de vaststelling van inbreuken. TITEL 2. De uitoefening van het toezicht en de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie HOOFDSTUK 1. Algemeen Art. 16.Definities Voor de toepassing van Boek I van dit Wetboek en de uitvoeringsmaatregelen ervan, wordt verstaan onder : 1° « sociaal inspecteurs » : de ambtenaren die onder het gezag staan van de ministers tot wiens bevoegdheid de werkgelegenheid en arbeid, de sociale zekerheid, de sociale zaken en volksgezondheid behoren of die onder het gezag staan van de openbare instellingen die ervan afhangen, en die zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek II van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten;2° « werknemers » : de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon en degenen die daarmee gelijkgesteld worden : a) de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;b) de personen die geen arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon maar die geheel of gedeeltelijk onderworpen zijn aan de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers;3° « werkgevers » : a) de personen die gezag over de werknemers uitoefenen;b) de personen die ermee worden gelijkgesteld ingevolge een bepaling van sociaal recht;c) met de werkgever worden ook gelijkgesteld : - zij die kinderen arbeid doen verrichten of hen werkzaamheden doen uitvoeren; - de invoerders van ruwe diamant; - de reders; - zij die een bureau voor arbeidsbemiddeling exploiteren of die een commissiegeld innen in het kader van de wetgeving betreffende het exploiteren van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling; - de gebruikers in het kader van de wetgeving betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, alsmede de personen die, voor eigen rekening, werknemers ter beschikking stellen van gebruikers; 4° « gerechtigden » : de personen die recht hebben op een sociale uitkering, hetzij op basis van de sociale zekerheid hetzij op basis van een regeling voor maatschappelijke bijstand, of andere voordelen toegekend door de reglementering waarop de sociaal inspecteurs toezicht uitoefenen, alsook zij die er aanspraak op maken;5° « sociale gegevens » : alle gegevens die nodig zijn voor de toepassing van de wetgeving betreffende het arbeidsrecht en de sociale zekerheid;6° « sociale gegevens van persoonlijke aard » : alle sociale gegevens met betrekking tot een persoon die is of kan worden geïdentificeerd;7° « medische gegevens van persoonlijke aard » : alle sociale gegevens van persoonlijke aard waarvan men informatie kan afleiden over de vroegere, de huidige of de toekomstige fysieke of psychische gezondheidstoestand van de persoon die is of kan worden geïdentificeerd, met uitzondering van de louter administratieve of boekhoudkundige gegevens betreffende de geneeskundige behandelingen of verzorgingen;8° « openbare instellingen van sociale zekerheid » : de openbare instellingen alsmede de federale Overheidsdiensten die belast zijn met de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid;9° « meewerkende instellingen van sociale zekerheid » :de privaatrechtelijke instellingen, die erkend zijn om mee te werken aan de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid;10° « arbeidsplaatsen » : alle plaatsen waar werkzaamheden worden verricht die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs onderworpen zijn of waar personen tewerkgesteld zijn die onderworpen zijn aan de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, en onder meer de ondernemingen, gedeelten van ondernemingen, inrichtingen, gedeelten van inrichtingen, gebouwen, lokalen, plaatsen gelegen binnen het bedrijfsterrein, werven en werken buiten de ondernemingen;11° « informatiedragers » : gelijk welke informatiedragers onder welke vorm ook, zoals boeken, registers, documenten, numerieke of digitale informatiedragers, schijven, banden en met inbegrip van deze die toegankelijk zijn door een informaticasysteem of door elk ander elektronisch apparaat;12° « overtreder » : persoon aan wie een administratieve geldboete kan worden opgelegd;13° « bevoegde administratie » : de administratie en de ambtenaren die door de Koning aangesteld zijn om administratieve geldboeten op te leggen. Art. 17.De met het toezicht belaste overheden Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren, de door de bevoegde overheden aangewezen ambtenaren, evenals de sociaal inspecteurs toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten. De Koning wijst de wetten en de uitvoeringsbesluiten aan waarvoor de diensten, waartoe de sociaal inspecteurs behoren, bevoegd zijn. HOOFDSTUK 2. Bevoegdheden van de sociaal inspecteurs en de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie Afdeling 1. Algemeen Art. 18.Finaliteitsbeginsel De sociaal inspecteurs oefenen de in dit hoofdstuk bedoelde bevoegdheden uit met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten. Art. 19.Proportionaliteitsbeginsel Bij de uitoefening van de in dit hoofdstuk bedoelde bevoegdheden dienen de sociaal inspecteurs er voor te zorgen dat de middelen die zij aanwenden passend en noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek 2 van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten. Art. 20.Legitimatiebewijs De sociaal inspecteurs oefenen hun opdrachten uit voorzien van het legitimatiebewijs van hun ambt. De sociaal inspecteurs moeten hun legitimatiebewijs steeds voorleggen. De Koning bepaalt het model van dit legitimatiebewijs. Art. 21.De beoordelingsbevoegdheid van de sociaal inspecteurs Onverminderd het vorderingsrecht van het openbaar ministerie en van de onderzoeksrechter, bedoeld in de artikelen 28ter, § 3, en 56, § 2, van het Wetboek van strafvordering, bezitten de sociaal inspecteurs een beoordelingsbevoegdheid om : 1° inlichtingen en adviezen te verschaffen, met name met betrekking tot de meest doeltreffende middelen voor de naleving van de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek II van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede voor de naleving van de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten, waarop ze toezicht houden;2° waarschuwingen te geven;3° de overtreder een termijn te verlenen om zich in regel te stellen;4° de maatregelen te nemen, bedoeld in de artikelen 23 tot 49;5° processen-verbaal op te maken tot vaststelling van de inbreuken op de bepalingen van dit Wetboek, van de wetten bedoeld in Boek II van dit Wetboek en van de andere wetten waarvoor zij belast zijn met het toezicht op de naleving ervan, alsmede op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van dit Wetboek en van voormelde wetten. Art. 22.De mogelijkheid om de bijstand van de politie te vorderen De sociaal inspecteurs kunnen in de uitoefening van hun ambt, de bijstand van de politie vorderen. Afdeling 2. Bevoegdheden van de sociaal inspecteurs Art. 23.Toegang tot de arbeidsplaatsen De sociaal inspecteurs mogen bij de uitoefening van hun opdracht op elk ogenblik van de dag of van de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnengaan in alle arbeidsplaatsen of andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn of waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat daar personen werken die onderworpen zijn aan de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen. Art. 24.Toegang tot de bewoonde ruimten § 1. De sociaal inspecteurs hebben enkel toegang tot de bewoonde ruimten in de volgende gevallen : - wanneer de sociaal inspecteurs zich tot vaststelling op heterdaad van een inbreuk ter plaatse begeven; - op verzoek of met toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de bewoonde ruimte; het verzoek of de toestemming moet schriftelijk en voorafgaand aan de visitatie worden gegeven; - in geval van oproep vanuit die plaats; - in geval van brand of overstroming; - wanneer de sociaal inspecteurs in het bezit zijn van een machtiging tot visitatie uitgereikt door de onderzoeksrechter. § 2. Voor het bekomen van een machtiging tot visitatie richten de sociaal inspecteurs een met redenen omkleed verzoek aan de onderzoeksrechter. Dit verzoek bevat minstens de volgende gegevens : - de identificatie van de bewoonde ruimten die het voorwerp zijn van de visitatie; - de wetgeving die het voorwerp is van het toezicht en waarvoor de sociaal inspecteurs van oordeel zijn een machtiging tot visitatie nodig te hebben; - wanneer dit het geval is, de eventuele inbreuken die het voorwerp zijn van het toezicht; - alle bescheiden en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is. Een machtiging tot visitatie kan door de sociaal inspecteurs worden bekomen voor de toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en voor 5 uur mits het verzoek aan de onderzoeksrechter bijzonder wordt gemotiveerd. § 3. De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn van maximum 48 uur na de ontvangst van het verzoek. De beslissing van de onderzoeksrechter is met redenen omkleed. De beslissing van de onderzoeksrechter ten gevolge van een verzoek tot visitatie voor de toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en voor 5 uur is echter bijzonder gemotiveerd. Tegen deze beslissing is geen beroep mogelijk. Met uitzondering van de stukken waaruit de identiteit van de indiener van een eventuele klacht of aangifte kan worden afgeleid en onverminderd de toepassing van artikel 59 dient het geheel van de motiveringsstukken tot het bekomen van de machtiging tot visitatie, zoals bedoeld in § 2, eerste lid, aan het strafdossier of aan het dossier in het kader waarvan een administratieve geldboete kan worden opgelegd, te worden toegevoegd. § 4. In geval van visitatie van bewoonde ruimten beschikken de sociaal inspecteurs over alle bevoegdheden bedoeld in Boek 1, Titel 2, Hoofdstuk 2, afdelingen 1, 2 en 3, met uitzondering van de opsporing van informatiedragers bedoeld in artikel 28 en van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 30, 31, 32, 33 en 34, tweede lid. Art. 25.Inwinnen van inlichtingen Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk mogen de sociaal inspecteurs overgaan tot elk onderzoek, elke controle en elk verhoor, alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, werkelijk worden nageleefd. Art. 26.Identificatie van de personen De sociaal inspecteurs mogen de identiteit opnemen van de personen die zich op de arbeidsplaatsen bevinden alsook van eenieder van wie zij de identificatie nodig achten voor de uitoefening van het toezicht. Zij kunnen daartoe van deze personen de overlegging van officiële identificatiedocumenten eisen. Zij kunnen bovendien deze personen identificeren met de hulp van niet-officiële documenten die deze hen vrijwillig voorleggen wanneer deze personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of wanneer de sociaal inspecteurs aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van deze personen twijfelen. Zij kunnen eveneens, in de gevallen en onder de voorwaarden en nadere regelen bepaald in artikel 39, de identiteit van deze personen trachten te achterhalen door middel van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan. Art. 27.Verhoor van personen De sociaal inspecteurs mogen hetzij alleen, hetzij samen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, gelijk welke persoon wiens verhoor zij noodzakelijk achten, ondervragen over elk feit waarvan de kennisname nuttig is voor de uitoefening van het toezicht. Art. 28.Informatiedragers met hetzij sociale gegevens, hetzij andere door de wet voorgeschreven gegevens § 1. De sociaal inspecteurs mogen zich alle informatiedragers doen overleggen die zich bevinden op de arbeidsplaatsen of op de andere plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, op voorwaarde dat deze informatiedragers : 1° hetzij sociale gegevens, bedoeld in artikel 16, 5°, bevatten;2° hetzij gelijk welke andere gegevens bevatten die ingevolge de wetgeving dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, zelfs wanneer de sociaal inspecteurs niet zijn belast met het toezicht op deze wetgeving, op voorwaarde dat deze gegevens vermeld zijn in het koninklijk besluit bedoeld in § 4. De sociaal inspecteurs mogen zich eveneens de toegang doen verschaffen tot de in het eerste lid bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat. § 2. Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber afwezig is op het ogenblik van de controle nemen de sociaal inspecteurs de nodige maatregelen om de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber te contacteren om voormelde informatiedragers te doen voorleggen of om zich toegang te doen verschaffen tot de in § 1, eerste lid, bedoelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat. § 3. De sociaal inspecteurs kunnen overgaan tot het opsporen en onderzoeken van de in § 1 bedoelde informatiedragers in de volgende gevallen : 1° wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber voormelde informatiedragers niet vrijwillig voorlegt, zonder zich evenwel te verzetten tegen deze opsporing of dit onderzoek;2° wanneer de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber op het ogenblik van de controle niet bereikbaar is. De sociaal inspecteurs kunnen slechts overgaan tot de opsporing of het onderzoek van deze informatiedragers op voorwaarde dat de aard van de opsporing of het onderzoek dit vereist wanneer het gevaar bestaat dat deze informatiedragers of de gegevens die zij bevatten naar aanleiding van de controle verdwijnen of worden gewijzigd of wanneer de gezondheid of de veiligheid van de werknemers dit vereist. Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber zich verzet tegen deze opsporing of dit onderzoek wordt een proces-verbaal opgesteld wegens verhindering van toezicht. § 4. De Koning stelt een lijst op met de in § 1, eerste lid, 2°, bedoelde gegevens die ingevolge de wetgeving dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, en die zich op informatiedragers bevinden op de arbeidsplaatsen of op de andere plaatsen die onderworpen zijn aan het toezicht van de sociaal inspecteurs of die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat en waartoe de sociaal inspecteurs toegang hebben. Art. 29.Informatiedragers met andere gegevens De sociaal inspecteurs mogen zich eveneens, zonder verplaatsing, alle informatiedragers die gelijk welke andere gegevens bevatten ter inzage doen overleggen wanneer zij dit nodig achten voor het volbrengen van hun opdracht en overgaan tot het onderzoek ervan. Zij beschikken eveneens over deze bevoegdheid voor de gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat. Art. 30.Gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm Wanneer de gegevens bedoeld in de artikelen 28 en 29 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat, hebben de sociaal inspecteurs het recht zich de op die informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen, in de door hen gevraagde vorm. Art. 31.Recht van toegang § 1. Wanneer de gegevens bedoeld in artikel 28 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat vanuit de arbeidsplaats of vanuit een andere plaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen, moeten de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers aan de sociaal inspecteurs een recht van toegang langs elektronische weg tot het informaticasysteem of tot elk ander elektronisch apparaat en tot deze gegevens waarborgen, een recht van fysieke toegang tot de binnenkant van de kast van het informaticasysteem of van elk ander elektronisch apparaat, evenals een recht tot downloading en tot gebruik langs elektronische weg van deze gegevens. § 2. De in § 1 bedoelde rechten gelden eveneens wanneer de plaats van bewaring van deze gegevens zich in een ander land bevindt en deze gegevens in België langs elektronische weg toegankelijk zijn vanuit de arbeidsplaats of vanuit een andere plaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen. § 3. De in § 1 bedoelde rechten gelden eveneens wanneer deze gegevens zich bevinden in een informaticasysteem of in elk ander elektronisch apparaat, in België of in het buitenland, dat niet beheerd wordt door de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, en deze gegevens langs elektronische weg toegankelijk zijn in België vanuit de arbeidsplaats of vanuit een andere plaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen. § 4. De sociaal inspecteurs zien erop toe dat de integriteit van de verzamelde gegevens en van het materieel waartoe zij toegang hebben gewaarborgd is. Art. 32.Informatie over het beheer van het informaticasysteem De werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die een beroep doen op een informaticasysteem of op elk ander elektronisch apparaat om de in artikel 28 bedoelde gegevens op te maken, bij te houden of te bewaren, zijn ertoe gehouden, op verzoek van de sociaal inspecteurs, ter plaatse, de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's, het beheer en de exploitatie van het gebruikte systeem ter inzage over te leggen. Art. 33.Integriteit van de gegevens De sociaal inspecteurs mogen, door middel van het informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat en met de bijstand van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde gegevens en bewerkingen, door de overlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm. Art. 34.Kopieën De sociaal inspecteurs mogen kopieën nemen, in welke vorm ook, van de informatiedragers, bedoeld in de artikelen 28 en 29 of van de gegevens die zij bevatten, of zich deze kosteloos laten verstrekken door de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers. De sociaal inspecteurs vragen bij voorkeur een elektronische kopie aan de werkgever, zijn aangestelden of zijn lasthebbers. Wanneer het informatiedragers bedoeld in artikel 28 betreft die toegankelijk zijn via een informaticasysteem mogen de sociaal inspecteurs, door middel van het informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat en met de bijstand van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, kopieën maken in de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van voormelde gegevens. Art. 35.Beslag en verzegeling De sociaal inspecteurs kunnen de informatiedragers bedoeld in artikel 28 in beslag nemen of verzegelen, ongeacht of de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers al dan niet eigenaar zijn van deze informatiedragers. Zij beschikken over deze bevoegdheden wanneer dit noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de inbreuken of wanneer het gevaar bestaat dat met deze informatiedragers de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd. Wanneer de inbeslagneming materieel onmogelijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de overheid. In geval van noodgeval of om technische redenen, kan gebruik gemaakt worden van dragers, die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken. Art. 36.Vertaling Wanneer dit nodig is voor het toezicht kunnen de sociaal inspecteurs een vertaling eisen in één van de nationale talen van de gegevens bedoeld in artikel 28 wanneer deze zijn opgesteld in een andere taal dan één van de nationale talen. Art. 37.Staalname De sociaal inspecteurs mogen van alle bewerkte of afgewerkte goederen, van producten en stoffen die bewaard, gebruikt of behandeld worden, stalen nemen en meenemen voor ontleding of voor het leveren van het bewijs van de inbreuk, mits de houders van deze goederen, producten en stoffen, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, daarvan op de hoogte te brengen. In voorkomend geval moeten de houders van deze goederen, producten en stoffen, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers de verpakkingen leveren die nodig zijn voor het vervoer en het behoud van die stalen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen voor het nemen, meenemen en ontleden van deze stalen alsook de voorwaarden en de nadere regelen voor de erkenning van natuurlijke of rechtspersonen bevoegd om de ontledingen uit te voeren. Art. 38.Beslag en verzegeling van andere goederen De sociaal inspecteurs mogen andere roerende goederen dan informatiedragers, alsmede onroerende goederen, ongeacht of de overtreder al dan niet de eigenaar is van deze goederen, die aan hun toezicht onderworpen zijn of aan de hand waarvan inbreuken kunnen worden vastgesteld op de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, in beslag nemen of verzegelen wanneer zulks noodzakelijk is voor het leveren van het bewijs van deze inbreuken of het gevaar bestaat dat met deze goederen de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken worden gepleegd. Art. 39.Vaststellingen door beeldmateriaal § 1. De sociaal inspecteurs mogen vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan. Zij kunnen eveneens beeldmateriaal van derden gebruiken, voor zover deze personen dit beeldmateriaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen. § 2. In bewoonde ruimten mogen de sociaal inspecteurs enkel vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan, op voorwaarde dat zij hiertoe beschikken over een machtiging uitgereikt door de onderzoeksrechter. Het verzoek dat de sociaal inspecteur aan de onderzoeksrechter richt om die machtiging te krijgen, dient minstens de gegevens te bevatten vermeld in artikel 24, § 2. Deze machtiging van de onderzoeksrechter is niet vereist wanneer het beeldmateriaal bestemd is om de vaststelling te doen van inbreuken op de wetgeving betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en er zich ingevolge deze inbreuk een arbeidsongeval heeft voorgedaan of zou kunnen voordoen. § 3. Voor de toepassing van dit Wetboek gelden de vaststellingen die de sociaal inspecteurs hebben gedaan door middel van het door hen gemaakte beeldmateriaal tot bewijs van het tegendeel, voor zover voldaan is aan de hierna vermelde voorwaarden : 1° de vaststellingen moeten het voorwerp uitmaken van een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door middel van beeldmateriaal, dat naast de in artikel 64 vermelde gegevens ook nog de volgende gegevens moet bevatten : - de identiteit van de ambtenaar die het beeldmateriaal heeft gemaakt; - de dag, de datum, het uur waarop en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt; - de volledige identificatie van het technisch hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt; - een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal is te zien, alsmede het verband met de vastgestelde inbreuk; - wanneer het gaat om een detailopname, een aanduiding op het beeldmateriaal waaruit de schaal blijkt; - een afdruk van het beeldmateriaal of, indien dit onmogelijk is, een kopie ervan op een drager als bijlage bij het proces-verbaal, alsmede een volledige opgave van alle nodige technische specificaties om de kopie van dit beeldmateriaal te kunnen bekijken; - wanneer er meerdere afdrukken of meerdere dragers zijn, een nummering van deze afdrukken of deze dragers, die eveneens moet voorkomen in de ermee overeenstemmende beschrijving, in het proces-verbaal, van wat op het beeldmateriaal is te zien; 2° de originele drager van het beeldmateriaal moet worden bewaard door de administratie waartoe de ambtenaar behoort die het beeldmateriaal heeft gemaakt totdat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is uitgesproken of totdat de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete van de bevoegde administratie uitvoerbare kracht heeft gekregen of tot de seponering van de inbreuk door de bevoegde administratie. Art. 40.De bevoegdheid maatregelen te bevelen De sociaal inspecteurs mogen : 1° bevelen dat de documenten die moeten worden aangeplakt ingevolge de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen, daadwerkelijk aangeplakt worden en blijven, binnen een termijn die zij bepalen of zonder uitstel;2° indien ze zulks nodig achten in het belang van de rechthebbenden van de sociale zekerheid of van hen die er aanspraak op maken, opdracht geven aan de instellingen van sociale zekerheid om aan voormelde personen, binnen de termijn die ze vaststellen, de sociale gegevens van persoonlijke aard mee te delen die op hen betrekking hebben of om, eveneens binnen de termijn die ze vaststellen, de onjuiste, onvolledige, onnauwkeurige of overbodige sociale gegevens die ze bewaren, te verbeteren, uit te wissen of niet te gebruiken. Art. 41.Opmaak of overhandiging van documenten De sociaal inspecteurs mogen, als zij zulks in het belang van de werknemers, de gerechtigden of de sociaal verzekerden nodig achten, elk document opmaken of overhandigen ter vervanging van de documenten bedoeld in de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen. Art. 42.Vordering tot staking Een vordering tot staking kan, overeenkomstig hoofdstuk VIII van de wet van 14 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter sluiten9 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, worden ingesteld bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel door de leidende ambtenaar van de inspectiedienst die voor de bedoelde bepalingen bevoegd is. Afdeling 3. De bevoegdheden van de sociaal inspecteurs op het vlak van gezondheid en veiligheid van de werknemers in het bijzonder Art. 43.Passende preventiemaatregelen De sociaal inspecteurs zijn bevoegd om de passende maatregelen voor te schrijven waarmee de gevaren voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers op de arbeidsplaatsen of andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn, kunnen worden voorkomen en waarmee de gebreken of vormen van hinder die zij vaststellen en als een gevaar voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers beschouwen, kunnen worden bestreden of weggewerkt. De sociaal inspecteurs mogen tijdens de uitoefening van hun opdracht bevelen dat, met het oog op het voorkomen van de gevaren en het verhelpen van de in het eerste lid bedoelde gebreken of vormen van hinder, de nodige wijzigingen worden aangebracht binnen een termijn die zij bepalen, of zonder uitstel indien het vastgestelde gevaar hun dreigend lijkt. Art. 44.Specifieke verboden De sociaal inspecteurs mogen, wanneer de gezondheid of de veiligheid van de werknemers zulks vereist, tijdelijk of definitief verbod opleggen om : 1° aanwezig te zijn op een arbeidsplaats of op een andere plaats die aan hun toezicht onderworpen is, dan wel de toegang daartoe aan alle of aan bepaalde werknemers te verlenen;2° gebruik te maken van enigerlei uitrustingen, installaties, machines of materieel of die in gebruik te houden;3° bepaalde gevaarlijke stoffen of preparaten, de bronnen van risico's voor infectie, aan te wenden;4° bepaalde productieprocessen toe te passen dan wel bepaalde gevaarlijke producten of afvalstoffen te bewaren;5° incorrecte methoden te gebruiken voor identificatie van risico's die aan gevaarlijke stoffen, preparaten of afvalstoffen te wijten zijn. Art. 45.Bevel om bijzondere maatregelen in te voeren § 1. De sociaal inspecteurs mogen bevelen om organisatorische maatregelen te treffen met betrekking tot de interne diensten voor preventie en bescherming op het werk, die opgericht moeten worden met toepassing van de reglementering inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wanneer zij vaststellen dat de organisatorische maatregelen die moeten getroffen worden in het kader van deze reglementering niet of slechts gedeeltelijk zijn getroffen en hierdoor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers onmiddellijk of op termijn in gevaar kan worden gebracht. Zij mogen de termijn bepalen waarbinnen de organisatorische maatregelen moeten worden getroffen. § 2. De sociaal inspecteurs mogen bevelen om maatregelen te treffen, organisatorische maatregelen inbegrepen, die door preventieadviseurs van interne of externe diensten voor preventie en bescherming op het werk aan de werkgevers zijn aanbevolen om de veiligheid of de gezondheid van de werknemers te waarborgen, wanneer zij vaststellen dat deze werkgevers de aanbevolen maatregelen niet of slechts gedeeltelijk treffen en indien zij ingevolge deze onthouding, de reglementering inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk overtreden. Zij mogen eveneens bevelen om alternatieve maatregelen te treffen die tot een resultaat leiden dat ten minste evenwaardig is wat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers betreft. Zij mogen de termijn bepalen waarbinnen de organisatorische maatregelen moeten worden getroffen. § 3. De sociaal inspecteurs mogen bevelen om maatregelen te treffen, organisatorische maatregelen inbegrepen, wanneer zij vaststellen dat de werkgever geen interne dienst voor preventie en bescherming op het werk heeft opgericht of geen beroep doet op een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk terwijl hij hiertoe verplicht was en deze nalatigheid de veiligheid of de gezondheid van de werknemers in het gedrang brengt. Zij kunnen, vooraleer die maatregelen te bevelen, aan de werkgever de verplichting opleggen een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk op te richten of een beroep te doen op een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, binnen de termijn die zij bepalen. Art. 46.Bevel tot stopzetting van de arbeid De sociaal inspecteurs mogen : 1° de stopzetting bevelen van iedere arbeid in een arbeidsplaats of op een andere plaats die aan hun toezicht onderworpen is, wanneer de gezondheid of de veiligheid van de werknemers zulks vereist;2° de stopzetting bevelen van iedere arbeid waarvoor, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, organisatorische maatregelen moeten worden getroffen, wanneer deze maatregelen niet werden getroffen en hierdoor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers onmiddellijk of op termijn in gevaar kunnen worden gebracht. Deze stopzetting wordt bevolen in afwachting dat de personen die hiertoe verplicht zijn, de bedoelde maatregelen hebben genomen. Art. 47.Ontruimingsbevel De sociaal inspecteurs mogen iedere arbeidsplaats of iedere andere plaats die aan hun toezicht onderworpen is onmiddellijk laten ontruimen, wanneer het gevaar hun dreigend lijkt. Art. 48.Verzegeling De sociaal inspecteurs mogen arbeidsplaatsen, andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn, uitrustingen, installaties, machines, materieel, toestellen, producten of fabricageafval verzegelen, wanneer het gevaar hun dreigend lijkt. Art. 49.Maatregelen ten opzichte van de zelfstandigen De sociaal inspecteurs mogen de acties opgesomd in de artikelen 43, 44, 46, eerste lid, 1°, 47 en 48 ondernemen ten aanzien van de zelfstandigen die op een zelfde arbeidsplaats met werknemers bedrijvig zijn en die daardoor verplichtingen hebben met toepassing van de reglementering inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Afdeling 4. Hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie Art. 50.Aanwijzing De door de Koning aangewezen sociaal inspecteurs worden bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur. De Koning bepaalt de voorwaarden betreffende de ervaring en de opleiding van deze sociaal inspecteurs. Art. 51.Bevoegdheden van sociaal inspecteurs officier van gerechtelijke politie De bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, toegekend aan de door de Koning aangewezen sociaal inspecteurs, kunnen slechts worden uitgeoefend met het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken bedoeld in dit Wetboek en in de artikelen 433quinquies tot 433octies van het Strafwetboek en in de artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/02/1998 pub. 19/02/1998 numac 1998012088 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling sluiten1 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Art. 52.Eedaflegging Om hun bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie te kunnen uitoefenen, leggen de sociaal inspecteurs bedoeld in artikel 50, in handen van de procureur-generaal van het rechtsgebied van hun woonplaats, de eed af in de volgende bewoordingen : « Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen. ». Zij kunnen hun bevoegdheden buiten het rechtsgebied van hun woonplaats uitoefenen. HOOFDSTUK 3. Beroep tegen de door de sociaal inspecteurs genomen maatregelen Art. 53.Formele garanties § 1. De inbeslagnemingen en de verzegelingen verricht op basis van de artikelen 35 en 38 en de maatregelen genomen door de sociaal inspecteurs ter uitvoering van de artikelen 31, 37, en 43 tot 49 moeten het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling. De in artikel 28, § 3, bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, de onderzoeksmaatregelen die er uit voortvloeien en welke op die plaats worden uitgevoerd, moeten eveneens het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling. § 2. De schriftelijke vaststelling wordt persoonlijk overhandigd aan de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber, die tekent voor ontvangst. Indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber niet aanwezig is, wordt de schriftelijke vaststelling onmiddellijk achtergelaten. Binnen een termijn van veertien dagen wordt tevens bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs een kopie verstuurd naar de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber. § 3. Het in § 1 bedoelde geschrift moet minstens vermelden : 1° de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;2° de identiteit van de sociaal inspecteurs, de hoedanigheid waarin zij optreden en de administratie waartoe zij behoren;3° de genomen maatregelen;4° de weergave van de tekst van de artikelen 209 en 210;5° de rechtsmiddelen tegen de maatregelen, het bevoegde gerechtelijk arrondissement en de weergave van de tekst van artikel 2 van de wet van 2 juni 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/01/1999 pub. 14/04/1999 numac 1999012067 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de waarborgen die de stoffen en preparaten inzake de veiligheid en de gezondheid van de werknemers met het oog op hun welzijn moeten bieden type wet prom. 28/01/1999 pub. 02/10/2009 numac 2009000656 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de waarborgen die de stoffen en preparaten inzake de veiligheid en de gezondheid van de werknemers met het oog op hun welzijn moeten bieden. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht;6° de overheidsinstelling die …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.