ECLI:NL:GHDHA:2025:277
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummers hof : 200.284.683/01 en 200.286.120/01 Zaaknummers rechtbank : C/10/467298 HA ZA 15-28 en C/10/572636 HA ZA 19-374 Arrest van 4 maart 2025 in de zaak 200.286.120/01 van 1Lionex (M) Sdn. Bhd., gevestigd in Kuala Lumpur, Maleisië, appellante in principaal hoger beroep, verweerster in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. D.G.J. Heems, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen 1 [verweerder 1] , wonend in [woonplaats] , 2. [verweerder 2], wonend in [woonplaats] , 3. [verweerder 3], wonend in [woonplaats] , 4. [verweerder 4], wonend in [woonplaats] , 5. [verweerder 5] Holding B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , 6. Wood Trading Holding B.V., gevestigd in Rotterdam, 7. [verweerder 7] Group B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , 8. V-Wood Beheer B.V.,gevestigd in Schijndel, 9. Blue Roots Sdn. Bhd., gevestigd in Shah Alam, Maleisië, verweerders in principaal hoger beroep,appellanten in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. F.C. van Uden, kantoorhoudend in Amsterdam, en in de zaak 200.284.683/01 van 1 [appellant 1] , wonend in [woonplaats] , 2. [appellant 2], wonend in [woonplaats] , 3. [appellant 3], wonend in [woonplaats] , 4. [appellant 4], wonend in [woonplaats] , 5. [appellant 5] Holding B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , 6. Wood Trading Holding B.V., gevestigd in Rotterdam, 7. [appellant 7] Group B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , 8. V-Wood Beheer B.V.,gevestigd in Schijndel, 9. Blue Roots Sdn. Bhd., gevestigd in Shah Alam, Maleisië, appellanten, advocaat: mr. Van Uden voornoemd, tegen 1Lionex (M) Sdn. Bhd., gevestigd in Kuala Lumpur, Maleisië, 2. [holding 1] Holding B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , 3. [holding 2] Holding B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , verweersters, advocaat: mr. Heems voornoemd.
Het hof noemt partijen hierna als volgt:
0Inhoudsopgave 0.
Inhoudsopgave 1.
De zaken in het kort 2.
Verder verloop van de procedures in hoger beroep 3.
Feitelijke achtergrond 3.1 De Indofin groep 3.5 De [appellant 7] 3.7 De Internationale houtmarkt 3.8 Lionex 3.10 De ECR-kredietfaciliteit 3.13 Kengetallen 3.17 Gebeurtenissen in 2008-2009 3.18 Gebeurtenissen in 2010 3.25 Gebeurtenissen in 2011 3.45 Gebeurtenissen in 2012 3.93 Gebeurtenissen in 2013 4.
Procedures bij de rechtbank 4.1 In de schadevergoedingszaak 4.9 In beide zaken 5.
Vorderingen in hoger beroep 5.1 In de schadevergoedingszaak 5.6 In de kostenzaak 6.
Voorafgaande punten in beide zaken 6.1 Rechtsmacht 6.4 Toepasselijk procesrecht 7.
Schadevergoedingszaak: kern en voorafgaande punten 7.1 Kern van de zaak 7.2 Procedurele bezwaren [X c.s.] 7.4 Vaststelling van de feiten 8.
Schadevergoedingszaak: toepasselijk materieelrecht en bewijsmaatstaf 9.
Schadevergoedingszaak: Tort of conspiracy naar Maleisisch recht 9.2 [a] An agreement between two or more persons 9.3 [b] Intention to injure 9.7 [c] Concerted action 9.9 [d] Resulting in loss and damage 10.
Schadevergoedingszaak: vestiging van de aansprakelijkheid 10.1 [a] An agreement between two or more persons 10.1 Bestaan en startdatum 10.3 Deelnemers 10.8 [b] Intention to injure 10.10 [c] Concerted action, [d] Resulting in loss and damage 10.12 Totale feitencomplex 10.15 Schadebegrip 10.16 Voorraad 10.16 Voorraadopbouw 2011 e.v.
10.26 Voorraadbeheer vanaf medio 2012 10.29 Omleiding van inkopen naar Blue Roots 10.30 Dumping Lionex, aankoop Blue Roots 10.32 Bankrelatie 10.32 Opzetten HSBC tegen Lionex 10.42 HSBC paaien voor Blue Roots 10.46 Aankondiging overstap [naam 6] naar Blue Roots 10.52 Leveringen aan [bedrijf 1] 10.58 Leveranciers 10.59 Geen exclusieve long term supply agreements 10.60 Omleiden van inkopen naar Blue Roots 10.61 IKN 10.70 Overige leveranciers 10.73 Corporate opportunities 10.75 Werknemers 10.80 Feitelijke betrokkenheid [naam 6] c.s.
10.86 Schade 10.90 [naam 15] 10.91 Bedrijfsinformatie 10.91 Meenemen van bedrijfsgeheimen 10.97 Verwijderen van bedrijfsinformatie 10.101 Klanten 10.105 Bediende Lionex-klanten 10.112 Niet bediende Lionex-klanten 11.
Schadevergoedingszaak: schadebepaling 12.
Beslissing 1De zaken in het kort 1.1 Lionex vordert in de schadevergoedingszaak de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van een onrechtmatige daad naar Maleisisch recht bestaande uit een samenzwering (tort of conspiracy) van [Y c.s.] en derden om de door Lionex gedreven onderneming heimelijk over te hevelen naar de nieuw op te richten vennootschap Blue Roots.
1.2 [X c.s.] vordert in de kostenzaak op grond van Maleisisch recht vergoeding van de buitengerechtelijke kosten die zij heeft moeten maken om zich te verweren tegen de vorderingen van Lionex c.s. (in eerste aanleg) en Lionex (in hoger beroep) in de schadevergoedingszaak.
1.3 Het hof oordeelt in dit arrest in de schadevergoedingszaak dat [Y c.s.] en bepaalde derden zich inderdaad schuldig hebben gemaakt aan een samenzwering doordat zij gezamenlijk het plan hebben opgevat om het latere Blue Roots als een concurrent van Lionex op te richten, aan dat plan uitvoering hebben gegeven, en zich daarbij in onderlinge afstemming van onrechtmatige middelen hebben bediend. Ter beantwoording van de vraag of hierdoor schade is geleden, en zo ja of [Y c.s.] wist dat dit zou gebeuren, dan wel te dien aanzien roekeloze onverschilligheid aan de dag heeft gelegd, heeft het hof behoefte aan nadere voorlichting door partijen. Met dit arrest geeft het hof partijen gelegenheid om bij akte die nadere voorlichting te verschaffen.
1.4 In de kostenzaak houdt het hof iedere beslissing aan.
2Verder verloop van de procedures in hoger beroep 2.1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep na het tussenarrest van het hof van 7 maart 2023 blijkt uit de volgende stukken: in de schadevergoedingszaak: de akte houdende rectificatie en overlegging productie van [X c.s.] van 2 januari 2024, met productie 260; de akte overlegging aanvullende producties van Lionex van dezelfde datum, met producties 401 tot en met 404; de akte houdende bezwaar tegen overlegging schaderapport en eiswijziging en overlegging nadere producties van [X c.s.] , met producties 261 en 262; het afschrift van de uitspraak van de Court of Appeal te Putrajaya, Maleisië, van 21 oktober 2008 in de zaak Renault v. Inokom, die [X c.s.] in het geding heeft gebracht ter gelegenheid van de hierna beschreven mondelinge behandeling; in de kostenzaak: de akte houdende rectificatie en eiswijziging van [X c.s.] ; de akte houdende overlegging nadere producties en eiswijziging van [X c.s.] , met producties 14 tot en met 19; in beide zaken:
2.2 Op 29 februari 2024 heeft in beide zaken een gecombineerde mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen (aan de zijde van Lionex mede mr. R. van Dijken, eveneens advocaat te Amsterdam) hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3Feitelijke achtergrond De Indofin groep 3.1 Lionex is een Maleisische vennootschap die onderdeel is van de Indofin groep en zich bezighield met de handel in hout. Binnen de Indofin groep worden de aandelen in Lionex gehouden door [holding 2] , en de aandelen in [holding 2] door [holding 1] , die de houtdivisie van de Indofin groep leidde. Naast Lionex bestond die houtdivisie uit de in Nederland actieve werkmaatschappijen [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 2] ). [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben hun activiteiten in 2013 gestaakt en [bedrijf 2] in 2014. Lionex bestaat nog, maar ontplooit sinds eind 2014 geen activiteiten meer.
3.2 De aandelen in [holding 1] worden binnen de Indofin groep gehouden door [bedrijf 4] Beheer B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) en de houdstervennootschap van de groep is Indofin International Holding B.V. (hierna: Indofin). De Indofin groep werd ten tijde van de relevante feiten geleid door wijlen de heer [naam 1] (hierna: [naam] sr.). Zijn dochter [naam 2] (hierna: [naam] jr.) is op 1 mei 2012 toegetreden tot de raad van commissarissen (hierna: RvC) van [holding 1] en was daarvoor al sinds 2000 bij die RvC betrokken.
3.3 Voor 1996 was Lionex in handen van een derde en [appellant 4] was toen haar bestuurder. In 1996 is Lionex overgenomen door [holding 1] , is [appellant 4] statutair bestuurder geworden van [holding 1] en daarmee algemeen bestuurder van de houtdivisie van de Indofin groep, en is de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), die tot op dat moment bestuurder was van [holding 1] , toegetreden tot haar RvC. Het managementteam van [holding 1] bestond aan het begin van de voor de onderhavige zaak relevante periode uit [appellant 4] , algemeen directeur, de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ), commercieel directeur en tevens bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , de heer [naam 5] (hierna: [naam 5] ), bestuurder van [bedrijf 2] , en de heer [naam 6] (hierna: [naam 6] ), managing director van Lionex. De RvC bestond op dat moment uit [naam] sr. en [naam 3] , met [naam] jr. als toehoorster.
3.4 Lionex Brazilië is in 2007 opgericht door [appellant 4] in zijn functie als bestuurder van [holding 1] , als inkoopkantoor voor [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 2] . De heer [naam 7] (hierna: [naam 7] ) trad op als lokaal manager van die vennootschap.
De [appellant 7] 3.5 [appellant 1] , zijn broer [appellant 2] en [appellant 3] vormen het bestuur van [appellant 5] , die aan het hoofd staat van de [appellant 7] . [appellant 7] en Wood Trading zijn respectievelijk een werkmaatschappij en een investeringsmaatschappij van die groep.
3.6 Blue Roots is een Maleisische houthandel die eind 2012 middellijk is opgericht door onder anderen [appellant 1] en [appellant 4] . Blue Roots wordt gefinancierd door Wood Trading.
De internationale houtmarkt 3.7 In Maleisië of Indonesië gevestigde houthandelaren kopen hun ruwhout veelal in in West Afrika, laten dat hout in Maleisië of Indonesië drogen en bewerken, en verkopen het aldus gedroogde en/of bewerkte hout vervolgens aan klanten wereldwijd. De aanvoertijd tussen de inkoop van ruwhout in West-Afrika en de levering daarvan in Maleisië of Indonesië en vervolgens drogen en bewerken duurt gemiddeld meerdere maanden.
Lionex 3.8 Het management team van Lionex bestond aan het begin van de voor de onderhavige zaak relevante periode naast [naam 6] uit de heer [naam 8] (hierna: [naam 8] ), General Manager, en de heer [naam 9] (hierna: [naam 9] ), Account & Finance Manager. Bij Lionex waren voorts onder meer werkzaam de heer [naam 10] (hierna: [naam 10] ), European Sales Director, mevrouw [naam 11] (hierna: [naam 11] ), Business Development Executive, en de heer [naam 11] (hierna: [naam 11] ), Operations Executive. [naam 6] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 11] en [naam 11] worden hierna gezamenlijk ook wel aangeduid als [naam 6] c.s.
3.9 Een van de belangrijkste leveranciers die voor Lionex hout bewerkte was de Indonesische onderneming PT Interkayu Nusantara (hierna: IKN), geleid door mevrouw [naam 12] (hierna: [naam 12] ). De belangrijkste afzetmarkt van Lionex was West-Europa, en met name Nederland. Een van haar belangrijke afnemers was [bedrijf 1] , die verantwoordelijk was voor 15 tot 20% van haar omzet.
De ECR-kredietfaciliteit 3.10 Lionex had aan het begin van de in deze zaak relevante periode de beschikking over een doorrollende Export Credit Refinancing Facility (hierna: het ECR-krediet) bij de Export-Import Bank of Malaysia (hierna: de EXIM Bank). Deze ECR-regeling werd voor de EXIM Bank uitgevoerd door HSBC. Tijdens een eerste periode van vier maanden kon Lionex tegen overlegging van inkoopfacturen binnen een bepaald maximum het totaalbedrag van die facturen lenen. Tijdens de daaropvolgende periode van vier maanden moest zij, uiterlijk aan het einde van die periode, dat gehele bedrag volledig terugbetalen met de inkomsten die zij in de tussentijd had gegenereerd. Aan het begin van de voor deze zaak relevante periode bedroeg deze kredietfaciliteit omgerekend € 8 miljoen en in 2011 is zij verhoogd naar MYR 36 miljoen, destijds omgerekend € 9 miljoen.
3.11 Op grond van de ECR-voorwaarden mocht Lionex deze kredietfaciliteit alleen gebruiken ter financiering van de export vanuit Maleisië en moest Lionex om toestemming vragen van HSBC bij het aangaan van andere leningen.
3.12 HSBC bedong als zekerheid voor deze kredietfaciliteit onder andere een letter of awareness van [holding 1] . De letter of awareness van [holding 1] van 8 augustus 2011 luidt, voor zover van belang, als volgt, waarbij [holding 1] wordt aangeduid als “we”, HSBC als “you” en Lionex als “Borrower”: “2. We will cause the Borrower to be operated and maintained in such a way as to be in a financial position to meet all its financial obligations from time to time to you. If the Borrower is unable for any reason to meet its obligations, we will, on demand, immediately, either: a. make funds available to the Borrower sufficient to meet its obligations; or b. have funds made available to the Borrower by others in amounts sufficient to enable the Borrower to meet its obligations.
This letter is to be interpreted according to Malaysian law.”
Kengetallen 3.13 De jaarrekeningen van Lionex laten voor de jaren 2007-2013 de volgende omzetten en nettoresultaten zien (in miljoenen MYR, afgerond op één decimaal):
3.14 Volgens een rapport van 22 december 2023 van drs. [naam 13] RV, een door Lionex ingeschakelde (partij)deskundige, exporteerde Lionex in de periode 2008-2012 naar Nederland versus rest van de wereld volgens de volgende percentages:
3.15 Volgens gegevens van [naam 13] laten de indexen (2007 = 100) export sawn timber (gezaagd hout) vanuit Maleisië naar Nederland en wereld, en omzet Lionex, over de periode 2007-2013 het volgende verloop zien:
3.16 Volgens opgave van [naam 13] was het maandelijkse verloop van omzet en voorraad van Lionex in de periode 2009-2012 (MYR ‘000) als volgt:
Gebeurtenissen in 2008-2009 3.17 Vanaf 2008/2009 hebben [holding 1] en haar Nederlandse werkmaatschappijen de gevolgen van de kredietcrisis ondervonden. [naam] sr. heeft daarop gereageerd door bij die vennootschappen een bezuinigingsbeleid door te voeren, dat onder andere inhield dat [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 2] hun voorraden moesten afbouwen.
Gebeurtenissen in 2010 3.18 Medio 2010 heeft [holding 1] bepaald dat [bedrijf 1] haar rekeningen pas aan Lionex hoefde te betalen voor zover de totale vordering van Lionex op [bedrijf 1] hoger was dan € 1,7 miljoen, met als effect dat (ten minste) dat bedrag voortdurend werd onttrokken aan Lionex.
3.19 In augustus 2010 heeft [appellant 4] , die een plan had ontwikkeld om Lionex Brazilië om te vormen tot een winstgevende werkmaatschappij van [holding 1] , met toestemming van [naam] sr. contact gezocht met [appellant 1] met de vraag of de [appellant 7] voor Lionex Brazilië als externe investeerder wilde optreden.
3.20 Op 7 september 2010 hebben de [appellant 1 en 2] en [appellant 3] een memo van [appellant 1] besproken met een voorstel voor investering in Lionex Brazilië, met ook een deelneming van [appellant 4] en [naam 4] . Dit voorstel is daarna als voorstel van [appellant 5] aan [holding 1] voorgelegd.
3.21 Op 22 september 2010 heeft de RvC van [holding 1] vergaderd. - Tijdens deze vergadering heeft [naam 3] zijn ontslag aangeboden als commissaris, met als beweegreden dat de aandeelhouder voortdurend kritiek had op de directie van [holding 1] en zijn belang liet voorgaan boven dat van [holding 1] . [naam 3] is in de RvC opgevolgd door de heer [naam 14] (hierna: [naam 14] ). - [appellant 4] heeft in diezelfde vergadering gesteld dat [holding 1] door de beperkte financiële middelen onvoldoende mogelijkheden had voor het ontwikkelen van initiatieven. [naam] sr. heeft daarop gevraagd om een voorstel voor een commercieel plan, met de opmerking dat juist het tekort aan liquide middelen kan leiden tot bevordering van creativiteit. - De RvC heeft het investeringsvoorstel van [appellant 5] afgewezen, onder andere omdat hij van oordeel was dat de deelneming van [appellant 4] en [naam 4] tot een belangenconflict zou leiden.
3.22 Later heeft de [appellant 7] het volgende, aangepaste investeringsvoorstel gedaan:(i) [holding 1] voert het management over Lionex Brazilië en stelt daarvoor [appellant 4] en [naam 4] beschikbaar, met [naam 7] als lokaal manager;(ii) Wood Trading verwerft om niet een middellijk belang van 80% in Lionex Brazilië;(iii) [holding 1] behoudt het overige middellijk belang van 20%;(iv) Wood Trading verstrekt aan Lionex Brazilië een achtergestelde lening van € 1 miljoen.
3.23 Deze transactie is na akkoord van [holding 1] op 30 november 2010 gesloten.
3.24 Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van [holding 1] van 23 december 2010 is [appellant 4] ontslagen als bestuurder van [holding 1] en is tevens zijn arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 mei 2011, met onmiddellijke vrijstelling van zijn werkzaamheden. [appellant 4] is toen tijdelijk vervangen door [naam 14] , in de hoedanigheid van gedelegeerd commissaris.
Gebeurtenissen in 2011 3.25 Begin 2011 is de schuld van [bedrijf 1] aan Lionex opgelopen tot bijna € 4 miljoen. In e-mailcorrespondentie in de periode van 7 tot en met 13 januari 2011 heeft [naam 6] bij [holding 1] geklaagd dat [bedrijf 1] veel facturen van Lionex onbetaald liet en dat dit een negatief effect had op de financiële situatie van Lionex. In die periode heeft [naam 8] intern aan [naam 6] zijn zorgen geuit over het onvermogen van Lionex om haar leveranciers te betalen. [naam 14] heeft [naam 6] geantwoord dat hij de nadelige gevolgen van onvermogen tot betaling bij [bedrijf 1] moet afwegen tegen dezelfde gevolgen bij Lionex. Daarna heeft [bedrijf 1] haar schuldpositie verlaagd naar onder € 3 miljoen. [naam 6] heeft in die periode [appellant 4] om advies gevraagd over hoe zich te gedragen ten opzichte van [holding 1] /Indofin en heeft daarvoor interne mails met [holding 1] doorgestuurd aan [appellant 4] .
3.26 Eind februari 2011 heeft Indofin aan een onderzoeksbureau opdracht gegeven onderzoek te verrichten naar [naam 4] en, voor zover relevant, [appellant 4] . Naar aanleiding van dat onderzoek is [naam 4] op 6 maart 2011 geschorst, op 15 maart 2011 een eerste keer op staande voet ontslagen en op 7 april 2011 een tweede keer. Op die laatste datum is ook [appellant 4] opnieuw ontslagen, eveneens op staande voet.
3.27 Vanaf maart 2011 heeft [naam 5] informeel gefungeerd als bestuurder van [holding 1] .
3.28 Op 18 maart 2011 heeft [appellant 1] aan [naam] jr. zijn bezorgdheid uitgesproken over het ontslag van [appellant 4] en [naam 4] en, daarmee, het wegvallen van het management van Lionex Brazilië waar Wood Trading op had gerekend bij haar investering in die onderneming.
3.29 Op 8 april 2011 heeft [appellant 4] Houtinvest B.V. opgericht, later handelend onder de naam Verto Timber Trade (hierna: Verto Timber). [holding 1] en [appellant 4] hebben hun arbeidsrechtelijk geschil in hoger beroep geschikt.
3.30 In juni 2011 hebben [naam 6] en [appellant 4] de mogelijkheid besproken om samen een houtonderneming op te zetten.
3.31 Op 23 juni 2011 zijn Wood Trading en [holding 1] overeengekomen dat Wood Trading de administratie van Lionex Brazilië op zich zou nemen. [appellant 1] heeft [appellant 4] toen gevraagd om Wood Trading daarbij te helpen.
3.32 Eind augustus 2011 voerden [naam 6] en [appellant 4] per e-mail overleg over (i) een nieuw op te zetten houtonderneming aangeduid als ‘Sinco’, (ii) klanten die [appellant 4] daarvoor om te beginnen zou kunnen benaderen, (iii) het productpakket dat hij daarbij zou kunnen aanbieden, en (iv) de marge die Lionex op haar producten behaalt en die ook Sinco zou kunnen hanteren. In deze correspondentie is tevens vermeld dat [naam 6] later in het project zal instromen, waardoor sprake is van een opzet in twee fasen, en dat de toekomstige combinatie longterm moet gaan werken.
3.33 In september 2011 hebben [naam 6] en [appellant 4] twee conceptbudgetten opgesteld voor ‘Sinco’. [appellant 4] heeft deze plannen op 6 september 2011 met [appellant 1] besproken.
3.34 Op 7 september 2011 heeft [appellant 4] [naam 6] daarover onder andere als volgt bericht: “Heb gisteren dus een goede meeting mat [appellant 1] [ [appellant 1] , hof] gehad. Ik heb hem het twee fasen plan uitgelegd, het budget, de productgroepen, klanten, leveranciers etc.
Hij wil samen met zijn partners de zaak wel financieren. Zijn partners zijn zijn broer [appellant 2] en [verweerder 3] , samen zijn zij eigenaar van [appellant 5] en zij doen investeringen altijd met zijn drieen, dus ze moeten er alledrie achterstaan. Ik ken de beide andere heren echter ook heel goed en zij zijn al een tijd op de hoogte van onze plannen. [appellant 1] is echter steeds mijn gesprekspartner geweest en is nu dus inhoudelijk veel beter op de hoogte.
Volgende week heeft [appellant 1] een meeting met zijn twee partners. Hij gaat dan deze investering bespreken op basis van de verdeling 51 % aandeelhoudersschap [appellant 5] en 49% aandeelhoudersschap voor ons. Ik heb [appellant 1] beloofd het hele plan nog eens op papier voor ze te zetten zodat hij dat aan zijn partners kan presenteren. Ook wil hij graag een geupdate budget (Sinco 3).
Uitgangspunt voor Sinco 3 is dat jij in April instroomt en dan de tweede fase start.”
3.35 Daarop heeft [naam 6] [appellant 4] op 10 september 2011 een nieuw conceptbudget versie 3 gestuurd, met de toelichting dat hij daarbij was uitgegaan van 50% van het handelsvolume van Lionex in 2011 en dat hij vond dat [naam 8] bij deze opzet moest worden betrokken.
3.36 In dezelfde periode heeft [naam 6] juridisch advies ingewonnen over zijn concurrentiebeding en dat van [naam 8] , met als conclusie dat beide bedingen nietig zijn voor zover deze postcontractuele werking beogen.
3.37 Op 12 september 2011 heeft [appellant 4] een door hem geschreven memorandum (hierna: het ‘Sinco-memo’) samen met het Sinco-budget versie 3 aan [appellant 1] gestuurd. In het Sinco-memo staat onder meer het volgende: “De uiteindelijke doelstelling van de opzet is te komen tot een wereldwijd opererend winstgevend houtexportbedrijf. Het bedrijf zal opgezet worden in twee fasen, fase 1 door [appellant 4] en fase 2 door [appellant 4] en [naam 6] .
Fase 1 kan nu opgestart worden en fase 2 omstreeks april 2012. De reden dat fase 2 pas volgend jaar April in werking kan treden is het wederom buitengewoon goede resultaat van Lionex Maleisie. Lionex zal naar verwachting 45 mio euro omzet draaien in 2011 met een winst van circa 2 mio euro. [naam 6] krijgt hierover een substantieele bonus, die hij bij eerder vertrek bij Lionex mis zal lopen. (…) In fase 2 stroomt [naam 6] in. Met hem komen een aantal mensen mee zoals zijn tweede man (verantwoordelijk voor onder meer inkoop), de European sales director, graders en administratief personeel. Op de European sales director na wonen en werken allen in Maleisië.
Op dat moment kunnen wij met een nog uitgebreider productpakket wereldwijd opereren.
De sterke verwachting is dat alle producenten en het overgrote deel van de afnemers meegaan naar de nieuwe opzet.”
3.38 Op 13 september heeft [appellant 1] deze stukken doorgestuurd aan zijn broer en [appellant 3] , met de toelichting dat dit project uiterst confidentieel moet worden benaderd, gezien het werk van [naam 6] in Maleisië.
3.39 In september 2011 heeft de schuld van [bedrijf 1] aan Lionex haar hoogste punt bereikt, namelijk MYR 17,1 miljoen, omgerekend destijds € 4,3 miljoen. [holding 1] heeft die schuld toen op papier met € 1,7 miljoen verlaagd door dat bedrag aan zichzelf uit te keren als dividend en te verrekenen met hetzelfde bedrag aan schuld van [bedrijf 1] .
3.40 Tijdens de directievergadering van [appellant 5] van 31 oktober 2011 zijn Lionex Brazilië en de Sinco stukken besproken. Met betrekking tot Lionex Brazilië is besproken dat zij onder de kostprijs hout levert aan [holding 1] en [bedrijf 2] , waardoor Wood Trading als meerderheidsaandeelhouder wordt benadeeld en € 137.000 te vorderen heeft. Met betrekking tot de Sinco-stukken vermelden de notulen: “Eventueel wordt start-up [appellant 4] / [naam 6] gefinancierd.”
3.41 Op 23 november 2011 heeft [naam 6] het volgende aan [appellant 4] geschreven: “De markt gaat volledig onderuit. Read my words.”
3.42 [naam 12] heeft in het najaar van 2011 overwogen om 50% van haar aandelen in IKN te verkopen aan een investeerder. [naam 6] heeft toen met toestemming van [naam] jr. namens Lionex de mogelijkheden onderzocht dat belang door Lionex te laten kopen en heeft daartoe een due diligence onderzoek ingericht.
3.43 Na klachten van Wood Trading over de door Lionex Brazilië aan [holding 1] en [bedrijf 2] in rekening gebrachte verkoopprijzen, zijn Wood Trading en [holding 1] op 7 december 2011 overeengekomen dat Wood Trading de resterende 20% van het middellijk belang in Lionex Brazilië van [holding 1] zou overnemen. Dit is op 16 december 2011 gebeurd, waarna de naam van Lionex Brazilië is gewijzigd in Ipex.
3.44 Op 22 december 2011 heeft [appellant 1] het volgende geschreven aan zijn broer en [appellant 3] : “Zie hier ons cash overzicht. De bodem van de kan is bijna in zicht. We begonnen met ruim 20 mil en er is nu nog 5 mil over. Ik stel voor dat we gezien de barre tijden hier zuinig op zijn en eerst weer wachten dat we ca. 10 mil in cash hebben voor we weer nieuw avonturen aangaan. Onze bestaande business zal ook nog cah nodig hebben. Ik denk daarbij aan de eventuele komst van [naam 6] voor onze organisatie. Het zou eeuwig zonde zijn indien we niet de lucratieve houthandel in kunnen die hij nu doet in Maleisië.”
Gebeurtenissen in 2012 3.45 In januari 2012 heeft [naam 6] de eigenaren van houtbedrijf V-Wood B.V. (hierna: V-Wood) voorgesteld aan [appellant 1] in verband met een mogelijke overname van V-Wood door de [appellant 7] .
3.46 Deze overnamemogelijkheid is besproken tijdens een directievergadering van Wood Trading van 25 januari 2012. De notulen van die vergadering geven die bespreking weer en vervolgen: “[ [appellant 1] , hof] geeft er de voorkeur aan met [naam 6] de activiteiten in Maleisië rustig uit te bouwen.”
3.47 Met ingang van 1 februari 2012 is [appellant 4] voor twee dagen per week in dienst getreden van Wood Trading als manager van Ipex.
3.48 Op dezelfde datum:- is [naam 14] gedefungeerd als gedelegeerd commissaris bij [holding 1] en als normaal lid teruggekeerd in de RvC;- is [naam 5] formeel benoemd als bestuurder van [holding 1] en Lionex (dat laatste naast [naam 6] ); en- is [naam] jr. formeel benoemd als lid van de RvC van [holding 1] .
3.49 Op 2 februari 2012 heeft [appellant 1] zijn broer en [appellant 3] geschreven over de inmiddels ontvangen cijfers van V-Wood. Na een bespreking van die cijfers vervolgde hij: “Ondertussen (…) is mijn vraag aan [ [appellant 4] en [naam 6] , hof] om met een businessplan te komen over de opzet van de houthandel divisie. Ik heb [appellant 4] [ [appellant 4] , hof] gezegd dat ik een overname van een houthandel à la Vwood alleen zie zitten indien dit past binnen een groter geheel lees; als [naam 6] [ [naam 6] , hof] overkomt met zijn Maleisië business en in combinatie met onze Brazilie business en het Vwood distributiekanaal vergroot kan worden in europa.”
3.50 [appellant 4] en [naam 6] hebben daarop in februari 2012 een businessplan opgesteld voor een houtdivisie van de [appellant 7] , bestaande uit Wood Trading als houdster en V-Wood, Ipex, Verto Timber en Sinco als werkmaatschappijen. Een concept van 6 februari 2012 bevat een organigram dat de volgende personen vermeldt onder Sinco: “ [naam 6] , [naam 10] , [naam 8] , admin 8x, graders 8x”.
3.51 De plannen voor deze houtdivisie zijn besproken tijdens verschillende directievergaderingen van [appellant 5] en gedurende een diner met onder andere [appellant 4] en [naam 6] tijdens een houtbeurs. Onder meer door privéproblemen van [naam 6] liep de uitvoering van de plannen vertraging op.
3.52 Omdat de gebrekkige administratie bij IKN het hiervoor onder 3.42 vermelde due diligence onderzoek van Lionex naar IKN bemoeilijkte, heeft [holding 1] met ingang van 15 april 2012 de heer [naam 15] (hierna: [naam 15] ) in dienst genomen om bij IKN een herstructurering door te voeren en toezicht te houden op de werkzaamheden die IKN voor Lionex verrichtte.
3.53 Op 8 juni 2012 heeft [naam 12] ook met [appellant 1] gesproken over een mogelijke investering door de [appellant 7] in IKN. Op 10 juni 2012 heeft [naam 6] het interne ‘investment plan’ van [holding 1] voor IKN aan [appellant 1] gestuurd en op 22 juni 2012 heeft hij nadere vragen van [appellant 1] met betrekking tot een mogelijke investering in IKN beantwoord.
3.54 Op 27 juni 2012 heeft [naam 6] schriftelijk bij [naam 5] geklaagd over het gebrek aan betalingen door [bedrijf 1] , mede met het oog op de ECR-aflossingstermijn in augustus 2012.
3.55 Op 5 juli 2012 heeft [naam 5] het volgende aan [naam 6] geschreven: “Ik maak me grote zorgen om Lionex en niet alleen vanwege de EXIM.
Eerder geef je telefonisch aan dat er geen voorraad geproduceerd wordt bij IKN en Mediarex.
Kun je mij dit nogmaals schriftelijk bevestigen.
Anders gezegd je zult je productie moeten minimaliseren tot het geen verkocht is. Het moet duidelijk zijn dat er geen splinter voorraad geproduceerd mag worden, verder verwacht ik dat je voorraad gaat afnemen en dat houdt in dat je o.a. geen inkopen meer mag doen.
Anders gezegd geef aan hoe je denkt je voorraad af te bouwen de komende maanden.
Plus laat zien dat er niets gekocht wordt. Ook bestaande contracten zul je mogelijk moeten schuiven.
Het begint knap gevaarlijk te worden en wil hier maandag met jou over spreken.
Niemand hier heeft er controle op en jij blijft zeggen dat [ [bedrijf 1] , hof] verantwoordelijk is voor de niet gedaalde voorraad en het niet kunnen aflossen van de EXIM.
Ik heb intussen de lijst gekregen (…) met de voorraad van [ [bedrijf 1] , hof] in [loods, hof] 1196. Dit is nog geen 200 m3 met een waarde van misschien 200k tot 250k. Is dat dan het grote probleem? Als ik morgen de lijst over [loods, hof] 1196 voorraad [ [bedrijf 1] ontvang, hof] waanneer ze wat kunne gebruiken of nodig hebben zal ik proberen voor maandag hier een betalingsschema aan te hangen, maar het probleem blijft of het kan en ook dan moeten we daar een oplossing voor vinden.
Ik verwacht van iedereen een coöperatieve opstelling waarbij problemen opgelost worden en niet doorgeschoven worden.
We kunnen stellen dat het langzamerhand 5 voor twaalf is geweest en ga ervan uit dat de aandeelhouder niet bijspringt, zoveel is mij wel duidelijk.”
3.56 Met het oog op een aflossingsdatum voor het ECR-krediet in augustus 2012 heeft [naam 6] op 24 juli 2012 schriftelijk bij [naam 5] om aandacht gevraagd voor het annuleren van contracten en het niet betalen van facturen door [bedrijf 1] . Hij stelde tevens dat investeringen noodzakelijk zijn om te kunnen groeien.
3.57 Eind juli 2012 heeft [naam 6] opnieuw met [appellant 4] en [appellant 1] gesproken over een eventuele samenwerking.
3.58 De heer [naam 16] , Group Controller bij Indofin (hierna: [naam 16] ), heeft [naam 6] op 9 augustus 2012 gevraagd na te gaan wat de gevolgen zouden zijn als Lionex het ECR-krediet niet zou aflossen (een zogenoemde default).
3.59 [naam 9] heeft daar op 10 augustus 2012 intern over gerapporteerd aan [naam 6] , die dat bericht dezelfde dag heeft doorgestuurd aan [naam 16] , die het op zijn beurt ook op dezelfde dag heeft doorgestuurd aan [naam] jr.
3.60 Op dezelfde dag heeft een medewerker van HSBC onder meer het volgende bericht aan [naam 6] : “It is disturbing to note that the FULL liquidation of your MYR17.45m ECR bill due on 15AUG2012 will not be forthcoming. Based on our cursory check on your latest debtors aging report, we note that the biggest debtor is your own related company [bedrijf 1] International who owes Lionex RM7.29m. I find it hard to understand that your own related company is unable to pay you back leading to cashflow issues with Lionex. We will not be able to support Lionex if your own related company is unwilling to pay what they owe promptly! (…) Please take this email seriously and chase your buyers for payment. The failure to fully liquidate ECR position may jeopardize the renewal of your certificate of performance with EXIM Bank and risk the relationship with HSBC being wound down.”
Op dezelfde dag heeft [naam 6] dit bericht doorgestuurd aan [naam 16] en aan [appellant 4] , dat laatste met als toelichting: “Als je een goede relatie hebt met hsbc dan sturen ze dit soort mails [wel, hof].
3.61 [naam 6] heeft [appellant 1] op 14 augustus 2012 budgetten gestuurd voor een nieuwe onderneming in Maleisië (aangeduid als ‘Newco’) en voor IKN. In het budget voor Newco zijn salariskosten opgenomen voor [naam 6] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 11] , [naam 11] en enkele andere medewerkers van Lionex. In het budget van IKN wordt ervan uitgegaan dat er uitsluitend aan Newco geleverd zal worden. In zijn begeleidende e-mail heeft [naam 6] vermeld dat hij die dag een afspraak had bij HSBC en dat hij ‘alvast een balletje zal opwerpen’ voor de medefinanciering van Newco.
3.62 Kort voor de betalingstermijn heeft Lionex op dezelfde dag de ECR-lening afgelost, met behulp van (i) € 1 miljoen van [bedrijf 4] en (ii) een lening van € 1 miljoen van HSBC.
3.63 HSBC benadrukte op 15 augustus 2012 dat het krediet van de EXIM Bank alleen is bedoeld voor activiteiten in Maleisië en niet gebruikt mag worden om [bedrijf 1] te financieren, en eiste dat voortaan slechts na contante betaling aan [bedrijf 1] geleverd zou worden. [naam 6] heeft dit bericht dezelfde dag doorgestuurd aan [naam 5] , met kopie aan [naam 16] .
3.64 Op 23 augustus 2012 heeft [naam 5] aan [naam 6] de instructie gegeven dat Lionex haar inkopen moest terugschroeven en haar voorraad moest afbouwen: “Het eerste wat jij moet doen is stoppen met inkopen vanuit Lionex per direct en per vandaag.
Iedere inkoop die noodzakelijk is kun je alleen doen met goedkeuring van mij.
Graag goed onderbouwd aangeven waarom iets gekocht zou moeten worden.
Ten tweede wil ik dat je in de huidige inkooppositie het nodige streept.
Graag voorstel welke inkopen geschrapt kunnen/moeten worden.
Hier praten we niet over een paar ton, laat dit duidelijk zijn.
Het derde punt is jou voorraad. Ik ben de mening toegedaan dat jij voor een deel (hoeveel?) voorraad hebt die niet beweegt, dus zeg maar de verkeerde voorraad.
Graag hier een onderbouwing van hoe jou voorraad is opgebouwd en wanneer jij denkt deze te verkopen.
Het heeft absoluut prioriteit dat deze naar beneden gaat.
Ten vierde blijf ik herhalen dat alleen geproduceerd mag worden wat verkocht is. Ik weet dat je gaat zeggen dat een exporteur voorraad moet hebben voor zijn verkoop, maar de huidige financiele situatie staat niet toe dat we dit doen. Kun jij een overzicht maken van wat geproduceerd wordt bij IKN en Mediarex (eventueel nog bij anderen?) en wat daarvan verkocht is/wordt. (…) Het is vanaf nu alleen nog maar overleven.
Pas als we alles goed op de rit hebben kunnen we weer vooruit kijken.
Ik wil graag inzicht hebben op een voor mij duidelijke manier zodat ik mijn verantwoordelijkheid kan nemen.”
3.65 Op 27 augustus 2012 heeft HSBC opnieuw aan [naam 6] geschreven (i) dat Lionex de uitstaande facturen van [bedrijf 1] moest innen, uiterlijk op 15 september 2012, (ii) dat het ECR-krediet alleen mocht worden gebruikt [a] door Lionex [b] voor haar werkzaamheden in Maleisië en (iii) dat HSBC niet toestond dat dat krediet zou worden gebruikt om de intragroep verkopen van Lionex te financieren.
3.66 Tussen [naam 6] en [holding 1] was ondertussen discussie ontstaan over de vraag wie het hiervoor onder 3.62 bedoelde bedrag van € 1 miljoen aan [bedrijf 4] moest terugbetalen waarmee Lionex op 14 augustus 2013 haar ECR-krediet heeft afgelost. Naar het oordeel van [bedrijf 4] en [holding 1] ging het daarbij om een lening aan Lionex en moest [naam 6] daarvoor een leningsovereenkomst ondertekenen. Na de weigering van [naam 6] om dat te doen hebben [bedrijf 4] / [holding 1] dat bedrag aangemerkt als een lening aan [bedrijf 1] , met als voorwaarde dat [bedrijf 1] pas haar rekeningen aan Lionex mocht betalen wanneer zij dat gehele bedrag aan [bedrijf 4] had terugbetaald.
3.67 Begin september 2012 hebben [appellant 1] en [appellant 4] een bezoek gebracht aan Maleisië en Indonesië (IKN) en hebben zij de plannen voor de op te zetten onderneming (op dat moment ‘ [naam onderneming] ’ genaamd) besproken met [naam 6] en [naam 8] . [appellant 1] en [appellant 4] hebben toen ook, op introductie van [naam 6] , met HSBC gesproken over een mogelijke financiering van [naam onderneming] . [appellant 1] schrijft daarover aan [appellant 3] en [appellant 2] : “Over 1 week gaat [naam 8] in Kuala lumpur beginnen kantoor op te zetten vergunningen etc Naam wordt [naam onderneming] en via nominee shareholder blijven wij onbekend.
Over ca 2 maanden moeten we dan operationeel zijn. Nieuwe verkoopcontracten en inkoopcontracten kopen vanaf volgende week op naam te staan van [naam onderneming] .
Tevens met HSBC gesproken en zijn positief.”
3.68 Op 6 september 2012 zijn deze plannen besproken tijdens de directievergadering van [appellant 5] . De notulen van deze vergadering vermelden daarover het volgende: “ [naam 6] heeft een conflict met [naam 1] die het functioneren van hem als directeur van Lionex onmogelijk maakt. [holding 1] in Nederland doet het slecht. [ [appellant 1] , hof] zegt dat de 2e man in Maleisië [naam 8] graag de samenwerking wil starten. Hij zou dan de activiteit beginnen, bankrekening openen, exportvergunning aanvragen, etc. Hij zet de zaak op en doet de handel. [naam 6] gaat de grote accounts af om handel te genereren. Onze kapitaal inbreng zou 500.000 Ringit zijn naast de benodigde leningen conform het budget/businessplan. In ieder geval moet niet bekend worden dat wij een aandeel hebben en zouden wij daarom een nominee shareholder moeten aanstellen. Dit zou [naam 8] kunnen zijn.”
3.69 Op 10 en 14 september 2012 heeft [naam 6] liquiditeitsbegrotingen voor [naam onderneming] gestuurd aan [appellant 4] , die deze heeft doorgestuurd aan [appellant 1] . Op 14 september 2012 heeft [appellant 4] voor zover van belang het volgende geantwoord op de vraag van [appellant 1] of het niet mogelijk was om de onderneming wat minder snel te laten groeien: “We moeten aan de verkoopkant de marktvraag volgen om voorsprong te behouden op de concurrentie. (…) Ten tweede, we kunnen langzamer groeien maar dan moeten de kosten ook langzamer groeien. Dat betekent dat we niet in één keer de oude Lionex organisatie (de bende van 6) kunnen overzetten en dat is denk ik niet goed.”
3.70 De notulen van de RvC van [holding 1] van 13 september 2012 vermelden het volgende met betrekking tot Lionex: “(…) tegenvallend resultaat. (…) Probleem is dat er omzet wegvalt. Men moet zich gaan focussen op het reduceren van de voorraad. (…) Einde van het jaar wordt een omzet verwacht van € 30.000.000-€ 32.000.000 en de bijbehorende voorraad zal € 11.000.000-€ 12.000.000 moeten zijn.”
3.71 [naam 5] heeft deze instructie op 17 september 2012 doorgegeven aan [naam 6] .
3.72 [appellant 1] stuurde zijn broer en [appellant 3] op 18 september 2012 een memorandum over onder meer het opzetten van [naam onderneming] en de overname van V‑Wood. Hij schreef daarin onder andere: “Het project Ipex, V wood en [naam onderneming] zou een goede nieuwe loot zijn in onze organisatie. Het management met als zuinige zetbaas en rekenmeester [appellant 4] [ [appellant 4] , hof] en aan de andere kant de zeer commerciële [naam 6] [ [naam 6] , hof] zou een goed team zijn om hier een succes van te maken.”
3.73 Op 19 september 2012 hebben [appellant 1] , [appellant 3] , [appellant 4] en [naam 6] deze plannen besproken tijdens een diner. In een e-mail van 26 september 2012 heeft [appellant 1] aan [naam 6] , [naam 8] en [appellant 4] laten weten dat de [appellant 7] definitief met het plan zou starten, met als toevoeging: “Thank very much for your positive attitude during the process (…).”
3.74 Op 27 september 2011 vindt een directievergadering van [appellant 5] plaats. De notulen vermelden onder meer het volgende: “[ [appellant 1] , hof] meldt dat [naam 6] en [naam 8] groen licht hebben gekregen om te beginnen in Maleisië. [naam 8] neemt ontslag en [naam 6] aan het eind van het jaar. vanaf 1 januari gaat de operatie van start.”
3.75 Op 11 oktober 2012 heeft [naam 5] onder andere met het oog op de ECR-aflossingstermijn van december 2012 het volgende geschreven aan [naam 6] : “Als Lionex in december problemen heeft met de EXIM kun je niet verwachten dat we zoals de laatste keer, maar even bijspringen.
Ik denk nog steeds dat het probleem niet alleen [ [bedrijf 1] , hof] is. De verwachtingen zijn veel te hoog geweest voor dit jaar, daar is op ingekocht en daar krijg jij nu problemen mee vwb de EXIM.
Ik blijf erbij dat er hoge risico's zijn aangegaan omwille van de omzet en nu de markt tegen zit en de verwachtingen niet uitkomen zie je de problemen vanzelf op je afkomen.
In augustus is geholpen, maar de manier waarop hier mee is omgegaan zal voor de aandeelhouder een reden zijn dit niet nog eens te doen.
Als we kunnen helpen dmv betalingen vanuit [ [bedrijf 1] , hof] zullen we het zeker doen.
Ik wil aangeven dat ik jou problemen ook als groepsprobleem zie, alleen heb jij de laatste jaren heel zelfstandig kunnen handelen en is er geen controle geweest op inkoop e.d.
Ik denk dat jij op dit moment duidelijk de tering naar de nering moet zetten.
Ingrijpen op inkoop. (heb ik deels gedaan door inkopen te stoppen tenzij goed onderbouwt en mij medegedeeld) Desnoods inkopen annuleren.
Ingrijpen in de productie bij IKN. Geen productie zonder verkoop. Voorraden bij IKN mogelijk te hoog?
Geen voorraden aanleggen, ook niet in NL.
Dat dit alles consequenties heeft voor volgend jaar begrijp ik, maar eerst je financiele huishouding op order en dan pas weer naar boven kijken.
En [naam 6] , als jij het niet doet, gaat het opgelegd worden en dan gaat het altijd anders dan je zelf wilt.”
3.76 [appellant 4] benaderde in oktober 2012 verschillende banken, waaronder de Rabobank en HSBC, voor financiering van de nieuwe onderneming, die vanaf 15 oktober 2012 Blue Roots werd genoemd.
3.77 [naam 6] heeft op 20 oktober 2012 vanaf zijn privé adres een bestand met de naam “Update US market” gestuurd aan [appellant 1] en [appellant 4] , met in het begeleidend bericht de mededeling dat USA aantrekt en dat “we” “Als blue roots” daar gemiddeld 10 tot 15 containers per maand kunnen wegzetten.
3.78 Op 29 oktober 2012 heeft [naam 6] aan [appellant 1] , met kopie aan [appellant 4] en [naam 8] , gevraagd om overmaking van werkkapitaal, met het verzoek om bij de afzender niet de naam “ [appellant 5] ” te vermelden.
3.79 Op dezelfde dag heeft [naam 6] als volgt geantwoord op een vraag van de boekhouder van [holding 1] naar de eerstvolgende aflossing van het ECR-krediet, met kopie aan [naam 5] : “Of we de exim faciliteit voor mid December kunnen afhandelen kan ik op dit moment nog niet aangeven. Mede door het feit dat er geen zicht is op een betalings overzicht van [ [bedrijf 1] , hof] aan Lionex.”
Daarna volgt op dezelfde dag de volgende uitwisseling tussen [naam 5] en [naam 6] : “[ [naam 5] ]: even voor de duidelijkheid, we hebben al meerdere keren besproken dat [ [bedrijf 1] , hof] niet betaald voor het miljoen terugbetaald is aan [bedrijf 4] .
Daar er tot nu toe niets betaald is aan [bedrijf 4] zal [ [bedrijf 1] ] de komende tijd zeker nog niet kunnen betalen aan Lionex. [ [naam 6] ]: Met onderstaande email van jou maak je het handelen binnen Lionex onmogelijk. Onderstaand is overigens HSBC nooit mee accoord gegaan.
Wederom wordt het [ [bedrijf 1] , hof] cash flow probleem verplaatst naar Lionex.
Zou je me aan kunnen geven hoe ik hier rekening mee moet houden in het managen van Lionex? [ [naam 5] ]: Ten eerste blijf ik erbij dat jou probleem niet op [ [bedrijf 1] , hof] alleen is terug te voeren. ten tweede weet jij van alle afspraken die gemaakt zijn tijdens de vergadering over de betalingen van [ [bedrijf 1] , hof]. ten derde heeft naar mijn idee de bank hier niets mee van doen.
We hebben een probleem in de groep en dat moet opgelost worden.
Dit probleem is mede veroorzaakt door Lionex, dus is het logisch dat je meedenkt en helpt.
Voorraden moeten naar beneden en hoe eerder hoe beter.
Dan kan gecasht worden en des te sneller kan Lionex betaald worden.
Je hebt het zelf in de hand. [ [naam 6] ]: Wat je schrijft klopt gewoon niet. (…) Lionex is niet de oorzaak van de problematiek bij [bedrijf 1] Int. (…) Daar waar we kunnen zal ik helpen de voorraad ook bij [bedrijf 1] Int naar beneden te brengen (is reeds de afgelopen maanden gebeurd). (…) Uit de September cijfers kun je (…) lezen dat de voorraad van Lionex per 30 Sept 2012 reeds teruggebracht is tot euro 12.2 mio is. Planning was 31 Dec 2012 euro 12mio.
Het naar beneden brengen van de voorraad en betalingen van [ [bedrijf 1] , hof] heb ik als bestuurder van Lionex niet zelf in de hand. Daar ben jij als algemeen directeur uiteindelijk verantwoordelijk voor.”
3.80 Tijdens deze wisseling heeft [naam 6] de berichten van [naam 5] aan [appellant 4] doorgestuurd, met verzoek om advies over hoe te reageren.
3.81 Na deze wisseling heeft [bedrijf 1] haar uitstaande opdrachten bij Lionex eenzijdig geannuleerd.
3.82 Op 31 oktober 2012 heeft [naam 8] Blue Roots opgericht. [naam 8] werd benoemd tot bestuurder van Blue Roots en verwierf 5% van de aandelen. De overige 95% van de aandelen zijn ‘nominee shares’, waarvan een deel werd gehouden door een werknemer van een Maleisisch trustkantoor en de rest door [naam 8] . Er zijn vervolgens stukken opgemaakt waarmee de nominee shares kunnen worden overgedragen aan Wood Trading.
3.83 Op 21 november 2012 heeft Wood Trading € 250.000 overgemaakt aan Blue Roots, waarvan ongeveer de helft werd gebruikt om het wettelijk vereiste minimumkapitaal vol te storten.
3.84 Eind november 2012 zijn [naam 15] en [holding 1] overeengekomen om de arbeidsovereenkomst van [naam 15] te beëindigen. [naam 15] is vervolgens per 1 december 2012 – buiten medeweten van [holding 1] – in dienst getreden van Wood Trading en is in die hoedanigheid zijn werkzaamheden bij IKN blijven uitoefenen. [appellant 1] heeft dat op 12 december 2012 als volgt toegelicht aan zijn broer en [appellant 3] : “Ondertussen hebben we [ [naam 15] , hof] bij [Wood Trading, hof] in dienst genomen waardoor IKN nog meer afhankelijk van ons zal worden bij het uiteindelijk in de markt komen van Blue Roots en om te zorgen dat de familie [naam] in ieder geval niemand in Maleisië/Indonesië met kennis van zaken heeft die hun business kan doorzetten en kunnen zij geen druk op [naam 12] [ [naam 12] , hof] uitoefenen via [ [naam 15] , hof].”
3.85 Op 26 november 2012 heeft Blue Roots [naam 8] een ‘appointment letter’ verstrekt, waarin staat dat hij per 1 december 2012 aangesteld zal worden als General Manager van Blue Roots. [naam 8] heeft vervolgens zijn arbeidsovereenkomst met Lionex opgezegd tegen 1 december 2012. Op 7 december 2012 heeft [naam 11] haar arbeidsovereenkomst met Lionex opgezegd tegen 15 december 2012, waarna zij bij Blue Roots in dienst is getreden.
3.86 Op 29 november 2012 heeft een directievergadering van [appellant 5] plaatsgevonden. De notulen van deze vergadering vermelden onder meer: “de operatie in Maleisië gaat Blue [naam onderneming] heten. [naam 8] is hier 100% mee bezig. Hij krijgt 5% aandeel in deze operatie in 10% winstdeling. [naam 6] zal per 1 januari opzeggen en pas na een maand of 3 actief worden.”
3.87 Op 4 december 2012 heeft HSBC een verzoek van [naam 6] afgewezen om uitstel voor de aflossing van het ECR-krediet van 14 december 2012, met als motivering de schuldpositie van [bedrijf 1] .
3.88 Op 6 december 2012 heeft HSBC een verzoek van [naam 6] afgewezen om toestemming te geven voor aflossing door middel van een zogeheten kasrondje waarbij Lionex hout zou terugkopen van [bedrijf 1] , op grond van die order geld zou opvragen onder het ECR-krediet, en dat geld zou gebruiken om af te lossen.
3.89 Op 11, 12 en 13 december 2012 heeft een delegatie van Indofin/ [holding 1] Lionex in Maleisië bezocht. Deze delegatie bestond onder andere uit de heer [naam 17] , Investment Manager bij Indofin (hierna: [naam 17] ).
3.90 Lionex heeft het ECR-krediet tijdig op 14 december 2012 afgelost. Deze betaling werd bewerkstelligd door op voorstel van [naam 5] een soortgelijk kasrondje op te tuigen als hiervoor bedoeld onder 3.88, maar met in plaats van [bedrijf 1] een derde, die daarvoor een commissie van 1% van de transactiesom heeft ontvangen. Lionex is door dit kasrondje weer eigenaar geworden van een partij hout die bij [bedrijf 1] stond. Hoewel de marktwaarde van die partij was gedaald, heeft [naam 5] bepaald dat Lionex haar tegen de oorspronkelijke kostprijs in de boeken moest opnemen. HSBC en de accountant van Lionex zijn over dit (aangepaste) kasrondje niet geïnformeerd.
3.91 Medio december 2012 heeft [naam 6] opnieuw met HSBC gesproken over een mogelijke financiering van Blue Roots en heeft hij met [appellant 4] een bezoek gebracht aan leveranciers in Maleisië en Indonesië. In zijn gesprek met HSBC heeft hij gemeld dat hij het voornemen had om Lionex te verlaten. Op 19 december 2012 heeft [naam 6] daarover het volgende geschreven aan [appellant 1] , met kopie aan [appellant 4] en [naam 8] : “We had a few fruitful days with [appellant 4] [ [appellant 4] , hof] in [Kuala Lumpur, hof] and Jakarta. I have started to order raw materials from west africa and convert ready produced (ex lionex) parcels from lionex suppliers to blue roots. Moreover [naam 8] has started to source material in Malaysia (…). Except 2 contracts back to back sold, we havent sold the timber [as, hof] we will have to purchase now, but [naam 8] will start selling early January.
Once I am on board i will start selling as well. At the moment i am not able to sell yet as we dont (…) have any stocks on the ground.
Following cash is required for the next 4 months for the procurement of timber. [Cijfers voor benodigde liquiditeit, hof] I would appreciate if you could release required working capital progressively to funds these purchases. In the meantime we have started to discuss with HSBC to apply for funding with them as well and leverage our business. This might however take a few months and also depends on the developments in Lionex after I leave”
3.92 Eind 2012 heeft [appellant 4] namens Wood Trading de mogelijkheid onderzocht om in IKN te investeren. De beslissing hierover werd eerst uitgesteld en op 21 januari 2013 besloot Wood Trading definitief niet in IKN te investeren.
Gebeurtenissen in 2013 3.93 Op 1 januari 2013 is Blue Roots begonnen met het ontplooien van verkoopactiviteiten. Op dat moment waren alleen [naam 8] en [naam 11] bij Blue Roots in dienst.
3.94 Op 3 januari 2013 heeft [naam 8] het volgende geschreven aan [appellant 1] , met kopie aan [appellant 4] en [naam 6] : “[Beschrijving van het inrichten en schilderen van een kantoor en het installeren van een server, hof] I have already 3 orders in hand, [naam 6] I think 7. We aim for 30 [containers, hof] orders by end Jan.
Procurement for production have already started from Africa and Malaysia. we will push hard for sales by tomorrow! Hopefully more drop shipments from Indonesia.”
Bij dat bericht was een foto gevoegd waarop te zien is dat enkele (ex)medewerkers van Lionex, waaronder [naam 11] en [naam 11] , kantoormeubelen in elkaar zetten. Na een vraag van [appellant 4] waar “our local handyman” [naam 6] is, aan wie [appellant 4] naar eigen zeggen tevergeefs heeft uitgelegd wat een […] key is, en de opmerking van [naam 8] dat [naam 6] on standby is en eerder geschikt is voor het loodgieten, reageert [naam 6] : “Plumbing and helping to dismantle (Lionex)… I have to work hard now. No more colleagues left…”
3.95 Op 7 januari 2013 heeft Wood Trading een betaling van € 900.000 aan Blue Roots gedaan. Vervolgbetalingen volgden op 1 maart 2013 (€ 1.000.000), 9 april 2013 (€ 1.000.000) en 23 mei 2013 (€ 1.000.000), waarmee Wood Trading (tot dat moment, samen met de betaling van 21 november 2012 van € 250.000) in totaal € 4,15 miljoen heeft overgemaakt aan Blue Roots. Vanaf maart 2013 zijn de bedragen in de administratie van Blue Roots opgenomen.
3.96 Op 9 januari 2013 heeft [naam 8] vanuit een Blue Roots-mailadres onder andere het volgende geschreven aan [appellant 1] , met kopie aan [appellant 4] en [naam 6] : “this week, we are diverting about Euro 150k of Sapele from africa into Blue Roots. all the transfer arranged and finalized with the suppliers.”
3.97 Op dezelfde dag hebben [naam 6] en [appellant 4] onder andere de volgende berichten uitgewisseld naar aanleiding van jaarrekeningen die [appellant 4] net aan [naam 6] had gestuurd: “ [naam 6] : Net result until nov [holding 1] group minus euro 3.14 mio. [bedrijf 1] min 1.7 mio [bedrijf 2] min 300000 [appellant 4] : Ongelofelijk. Ik denk dat ze de boel gaan opdoeken [naam 6] : [bedrijf 2] min euro 780k Lionex nul (…) [naam 5] [ [naam 5] , hof] de hero [appellant 4] : Die heeft meer problemen dan we denken (…) [naam 6] : Zou me niet verbazen als we snel snoepjes uit de Lionex voorraad gaan kopen [appellant 4] : Ja, moeten we voorzichtig proberen te doen samen met HSBC [naam 6] : Ja Heb email gehad van Hsbc Dat Ze lijnen gaan terugschroeven (…) [naam 6] : Vandaag kwam de landlord langs van plaza pengkalan Hoe lang ik Wilde verlengen (…) Ik heb maar weer 10 jaar huur vastgelegd (…) Heb een extra verdieping bij aangrvraagd Voor [naam 5] [ [naam 5] , hof] expansion plans [appellant 4] : Heel goed, wordt het verlies dubbel zo groot.”
3.98 De verlenging en uitbreiding van de huur waarover [naam 6] in deze correspondentie spreekt hebben in werkelijkheid niet plaatsgevonden.
3.99 Op 10 januari 2013 is de overname van V-Wood door Wood Trading afgerond, waarna [appellant 4] is benoemd tot bestuurder van V-Wood.
3.100 Op 23 januari 2013 heeft [naam 6] [naam 5] onder andere als volgt bericht: “Vandaag met HSBC gesproken. De totale faciliteit die we bij HSBC hebben is RM 36mio. Momenteel hebben we RM 6.5mio beschikbaar die HSBC niet toelaat om te gebruiken. Verder wil men de lijn geleidelijk terugschroeven tot de helft (RM 18mio) met als reden de slechte economische situatie in Europa (hetgeen onze grootste afzetmarkt is) en het feit dat we 2x met de hakken over de sloot zijn gegaan met de EXIM afhandeling. Het vervelende is dat we hierdoor foreign purchase niet danwel nauwelijks kunnen funden en we onze inkopen dus nog verder moeten terugbrengen.”
3.101 Op 28 januari 2013 heeft [naam 6] [naam 5] te kennen gegeven dat hij wilde vertrekken als directeur van Lionex, waarna hij tegen 1 maart 2013 heeft opgezegd. Zijn werkzaamheden zijn aanvankelijk overgenomen door [naam 17] , die op 26 februari 2013 in Maleisië is aangekomen voor zijn overdracht.
3.101 Na een kennismakingsgesprek op 6 maart 2013 schrijft HSBC op 7 maart 2013 het volgende aan [naam 17] : “We wish to reiterate that the Bank will be exiting Lionex' relationship on a gradual basis in view of the slow liquidation of Lionex' EXIM bills as well as our concerns on the extended receivable days under Lionex' related/holding companies. As of yesterday, Lionex has a total of MYR22,475,376-84 of EXIM bills under this CP (due on 12APR2013) which is not allowed for roll-over. Out of this MYR22.47 million, MYR17,148,05847 of EXIM bills had passed their respective due dates.
We will no longer be allowing anymore trade drawdowns and Lionex' facilities shall be halved on 13APR2013. A firmed payment plan to clear this April EXIM CP requested by our Bank is to be in place by 15MAR13.”
3.103 Op 18 maart 2013 heeft [naam 9] zijn arbeidsovereenkomst met Lionex opgezegd tegen 9 april 2013 en is vervolgens in dienst getreden van Blue Roots. [naam 9] is nadien nog tot december 2013 als zelfstandige voor Lionex blijven werken. [naam 11] heeft op 11 april 2013 zijn arbeidsovereenkomst met Lionex opgezegd en is daarna eveneens in dienst getreden bij Blue Roots.
3.103 Op 21 maart 2013 heeft HSBC het volgende geschreven aan [naam 17] , na afloop van een bespreking eerder op die dag: “Just to reiterate: -
Would like [naam 18] / [naam 9] to email to me your debtor aginq list.
3.105 Op 12 april 2013, een aflossingsdatum, heeft Lionex haar ECR-krediet niet afgelost.
3.105 Op 22 april 2013 heeft HSBC [naam 6] gemeld dat zij het gehele ECR-krediet van Lionex bij EXIM Bank introk. Eind april 2013 wees HSBC een verzoek tot financiering van Blue Roots af.
3.105 [naam 6] is per 1 juni 2013 in dienst getreden van Blue Roots. Op 1 juni 2013 is de heer [naam 19] (hierna: [naam 19] ) formeel benoemd tot bestuurder van Lionex. [naam 19] had tevens een eigen houtonderneming, Greenwood.
3.105 Enige tijd na zijn aantreden heeft [naam 17] KPMG opdracht gegeven een forensisch onderzoek te doen naar mogelijk onrechtmatig handelen van de naar Blue Roots overgestapte werknemers. KPMG heeft haar definitieve onderzoeksrapport op 2 augustus 2013 opgeleverd.
3.105 Lionex heeft [naam 6] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 11] en [naam 11] (hierna: [naam 6] c.s.) en Blue Roots in rechte betrokken in Maleisië. In het kader van deze procedure is op grond van een zogeheten [naam order] Order op 25 juli 2013 bewijsbeslag gelegd. Bij tussenvonnis van 30 september 2016 in deze procedure heeft de Maleisische rechter [naam 6] c.s. aansprakelijk gehouden wegens (i) breach of confidence, (ii) breaches of statutory and/or fiduciary duties en (iii) breaches of contract. Bij eindvonnis van 12 november 2018 heeft de Maleisische rechter aan Lionex de volgende bedragen toegewezen, te vermeerderen met 5% rente per jaar vanaf die datum:- € 5.492,90 als vergoeding voor “3 shipments”;- € 80.505,36 en USD 128.127,30 als vergoeding voor “Diversion of other business”; en- MYR 583.498,80 aan kosten voor het onderzoek van KPMG.
3.105 De rechtbank Rotterdam heeft Lionex op 24 en 29 april 2014 verlof verleend om conservatoir beslag en bewijsbeslag te leggen. Over de gelegde beslagen zijn vier kort gedingen gevoerd, waarbij de voorzieningenrechter onder andere een exhibitievordering van [X c.s.] tegen Lionex c.s. heeft toegewezen.
4Procedures bij de rechtbank In de schadevergoedingszaak 4.1 Lionex c.s. heeft [X c.s.] gedagvaard. Na intrekking van de vorderingen van [holding 2] en [holding 1] en na wijzigingen van haar eigen eis heeft Lionex voor zover van belang gevorderd dat de rechtbank, samengevat, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:1. voor recht verklaart dat [X c.s.] jegens Lionex aansprakelijk is voor de door haar geleden schade op grond van tort of conspiracy;2. [X c.s.] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de schade die Lionex heeft geleden en lijdt van MYR 125,933 miljoen, te vermeerderen met de Maleisische wettelijke rente;3. [X c.s.] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van € 20.729,10, vermeerderd met rente, aan kosten die Lionex heeft moeten maken om te voldoen aan de exhibitievordering van [Y c.s.] en [appellant 7] .
4.2 Aan haar vorderingen 1. en 2. heeft Lionex ten grondslag gelegd dat [X c.s.] met [naam 6] c.s. jegens haar een tort of conspiracy naar Maleisisch recht heeft gepleegd met als doel het heimelijk overhevelen van de door Lionex gedreven onderneming naar de nieuw op te richten vennootschap Blue Roots. Het ging daarbij volgens Lionex (mede) om handelingen gericht op het overnemen van, dan wel schaden van de relatie met: a) werknemers, b) klanten, c) leveranciers, d) voorraad, e) bedrijfsgeheimen, f) de bankrelatie en g) corporate opportunities van Lionex. Daarnaast heeft Lionex ook, voor zover in hoger beroep van belang, betaling gevorderd van de volgende posten als naar Maleisisch recht voor vergoeding in aanmerking komende vaststellingskosten:[i] deskundigen exhibitietraject;[ii] schadedeskundige [naam 20] ;[iii] Maleisische advocaten;[iv] deskundige Maleisisch recht [naam 21] ;[v] deskundige Maleisisch recht [naam 22] ;[vi] schadedeskundige [naam 23] . Aan vordering 3. Heeft Lionex ten grondslag gelegd dat zij genoodzaakt was om IT-deskundigen in te schakelen om te voldoen aan de exhibitievordering van [X c.s.] 4.3 heeft wat de vorderingen 1. en 2. betreft onder andere de causaliteit betwist door te wijzen op de verslechterde marktomstandigheden in de betrokken periode en op maatregelen die Lionex, al dan niet in opdracht van haar (middellijke) aandeelhoudsters [holding 1] en Indofin, in 2012 heeft genomen en die tot liquiditeitsproblemen hebben geleid.
4.4 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 21 september 2016 (hierna: tussenvonnis I), samengevat en voor zover relevant, als volgt geoordeeld met betrekking tot de vorderingen 1. en 2.: - wat het procesrecht betreft is Nederlands recht van toepassing; - wat het materiële recht betreft met betrekking tot het gestelde onrechtmatig handelen jegens Lionex is Maleisisch recht van toepassing, waaronder de bewijsmaatstaf “more probable than not”; - volgens die maatstaf is voldaan aan de constitutieve elementen voor een tort of conspiracy door [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] en Wood Trading met [naam 6] c.s. als het gaat om a) het overnemen van werknemers en f) het schaden van de bankrelatie, maar niet als het gaat om [appellant 7] , V-Wood en Blue Roots;- de gevorderde verklaring voor recht is daarom toewijsbaar ten aanzien van [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] en Wood Trading;- wat de posten b) klanten en c) leveranciers betreft moet Lionex c.s. haar stellingen nader onderbouwen;- wat de overige posten betreft heeft Lionex c.s. onvoldoende gesteld of is niet voldaan aan de vereisten voor de tort of conspiracy;- bij de beoordeling van de omvang van de schade zal rekening gehouden moeten worden met de alternatieve schadeoorzaken (i) verslechterde marktomstandigheden en (ii) het bezuinigingsbeleid van de aandeelhoudsters.
4.5 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 1 november 2017 (hierna: tussenvonnis II), samengevat en voor zover relevant, als volgt geoordeeld met betrekking tot diezelfde vorderingen:- het constitutieve element intention to injure moet iets anders worden opgevat dan geoordeeld in tussenvonnis I;- met inachtneming van deze nieuwe toets blijft de rechtbank bij haar oordeel dat in deze zaak is voldaan aan de constitutieve elementen voor een tort of conspiracy;- naast de posten a) het overnemen van werknemers en f) het schaden van de bankrelatie geldt dat na nadere beoordeling ook voor post b) het overnemen van klanten.
4.6 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 19 september 2018 (hierna: tussenvonnis III), samengevat en voor zover relevant, als volgt geoordeeld:- de schade met betrekking tot post f) het schaden van de bankrelatie is nihil;- voor het overige moet het schadedebat worden voortgezet.In de kostenzaak 4.7 [X c.s.] heeft ondertussen op haar beurt Lionex c.s. gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank Lionex c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van bepaalde buitengerechtelijke incassokosten.
4.8 Aan deze vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat dergelijke buitengerechtelijke incassokosten naar Maleisisch recht voor vergoeding in aanmerking komen indien zij noodzakelijk waren ter onderbouwing van betwistingen en verweren tegen een vordering van een wederpartij, en die vorderingen vervolgens zijn afgewezen.
In beide zaken 4.9 Op 8 juli 2020 heeft de rechtbank in beide zaken eindvonnis gewezen (hierna: het eindvonnis).
4.10 In de schadevergoedingszaak heeft zij, samengevat en voor zover van belang, de volgende bedragen aan schade en kosten van Lionex toewijsbaar geacht:- MYR 600.000,- voor de post a) overnemen van werknemers (r.o. 2.26);- nihil voor de post b) overnemen van klanten, na aftrek van het bedrag dat Lionex al in de Maleisische procedure tegen [naam 6] c.s. en Blue Roots heeft ontvangen als schadevergoeding voor de post diversion of other business (r.o. 2.30);- wat de vaststellingskosten betreft: [i] nihil voor de deskundigen exhibitietraject (r.o. 2.37-2.39); [ii] € 48.396,26 voor schadedeskundige [naam 20] (r.o. 2.40 - 2.42); [iii] MYR 160.895,50 voor de Maleisische advocaten (r.o. 2.45); [iv] MYR 2.500,- voor de deskundige Maleisisch recht [naam 21] (idem); [v] € 4.125,- voor de deskundige Maleisisch recht [naam 22] (idem); en [vi] € 7.150,- voor schadedeskundige [naam 23] (r.o. 2.46 - 2.48).- € 17.876,60 voor de kosten die Lionex heeft moeten maken om te voldoen aan de exhibitievordering van [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] en Wood Trading (r.o. 2.49 - 2.52).
4.11 De rechtbank heeft daarom: - de gevorderde verklaring voor recht uitgesproken ten aanzien [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] en Wood Trading;- hen hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Lionex van MYR 763.395,50 en € 92.349,22, te vermeerderen met de Nederlandse respectievelijk de Maleisische wettelijke rente over bepaalde deelbedragen vanaf bepaalde data, en - de proceskosten gecompenseerd.
4.12 In de kostenzaak heeft de rechtbank geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen van [X c.s.] , die gebaseerd zijn op buitencontractuele aansprakelijkheid, dat artikel 6:96 lid 2 BW geen zelfstandige grondslag biedt voor die vorderingen, en dat een andere grondslag daarvoor niet is gesteld of gebleken.
4.13 De rechtbank heeft daarom in haar eindvonnis de vorderingen van [X c.s.] in de kostenzaak afgewezen en [X c.s.] veroordeeld in de proceskosten.
5Vorderingen in hoger beroep In de schadevergoedingszaak 5.1 Lionex c.s. is tegen deze vonnissen in principaal hoger beroep gekomen (het eindvonnis, zo begrijpt het hof, voor zover het is gewezen in de schadevergoedingszaak). Na (i) afstand van instantie door [holding 1] en [holding 2] , (ii) intrekking van de vorderingen van Lionex tegen V-Wood en (iii) wijziging van eis bij memorie van grieven vordert Lionex dat het hof, samengevat, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, de bestreden vonnissen vernietigt voor zover de vorderingen van Lionex daarbij zijn afgewezen en, opnieuw recht doende:I. voor recht verklaart dat [Y c.s.] en Blue Roots jegens Lionex hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Lionex geleden schade op grond van tort of conspiracy;II. [Y c.s.] en Blue Roots hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de schade die Lionex heeft geleden en lijdt van MYR 123.059.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de toepasselijke wettelijke rente;III. [Y c.s.] en Blue Roots hoofdelijk veroordeelt tot betaling van: [i] € 193.252,69 aan kosten deskundigen exhibitietraject; [ii] € 96.795,52 aan kosten van de schadedeskundige [naam 20] ; [iii] € 8.250,- aan kosten van de deskundige Maleisisch recht [naam 22] ; [iv] € 3.131,57 aan vertaalkosten in eerste aanleg; [v] MYR 321.791,- aan kosten voor de Maleisische advocaten; [vi] MYR 5.000,- aan kosten van de deskundige Maleisisch recht [naam 21] ;deze posten te vermeerderen met eventuele andere nog te maken kosten ten behoeve van het hoger beroep en, met inbegrip van die bijkomende kosten, te vermeerderen met de toepasselijke wettelijke rente.
5.2 Bij akte overlegging producties van 2 januari 2024 heeft Lionex ter onderbouwing van haar vordering onder II. een schaderapport in het geding gebracht dat uitkomt op de bandbreedte tussen MYR 107 miljoen en MYR 164,1 miljoen, en gesteld dat haar petitumonderdeel “althans een in goede justitie te bepalen bedrag” voldoende ruimte biedt om die bandbreedte te volgen. Bij dezelfde akte heeft zij de posten [ii] en [v] van haar vordering onder III., aangevuld zoals hierna onderstreept en daaraan een begrote post [vii] toegevoegd: [ii] € 127.980,52 en € 22.756,25 aan kosten van de schadedeskundige [naam 20] ; [v] MYR 321.791,- en kosten begroot op MYR 95.686,60 aan kosten inlichtingen Maleisisch recht (advocaat); [vii] € 72.944,12 aan kosten van de schadedeskundige Hermes Advisory B.V. (hierna: Hermes).
5.3 De bezwaren van Lionex tegen de bestreden vonnissen hebben kort gezegd betrekking op de volgende onderwerpen:- Grief 1: de onvolledige vaststelling van de feiten;- Grief 2: de onjuiste vaststelling van de (rechts)personen die hebben deelgenomen aan de samenzwering, waar naast [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] , Wood Trading, [naam 6] en [naam 8] ook [naam 11] , [naam 9] , [naam 11] , [naam 15] en [appellant 7] toe behoorden;- Grief 3: de wijze waarop de rechtbank in r.o. 4.37 van het tussenvonnis I de vereisten voor een tort of conspiracy naar Maleisisch recht heeft toegepast;- Grieven 4 en 5: het in onderwerpen opknippen van wat in feite één samenzwering is geweest en het vervolgens per onderwerp beoordelen of is voldaan aan de constitutieve elementen voor een tort of conspiracy;- Grief 6: primair onjuiste feitenvaststelling in het kader van tort of conspiracy by unlawful means, subsidiair het niet aannemen van een tort of conspiracy by lawful means;- Grief 7: het als alternatieve schadeoorzaken in aanmerking nemen van verslechterde marktomstandigheden en het bezuiningsbeleid van Indofin/ [holding 1] ;- Grieven 8 en 9: het onjuist begroten van de omvang van de schade;- Grief 10: het ten onrechte afwijzen van een deel van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.
5.4 [X c.s.] vordert in incidenteel hoger beroep dat het hof de vorderingen van Lionex volledig afwijst en Lionex veroordeelt tot terugbetaling van alles wat zij Lionex heeft betaald ter uitvoering van het bestreden eindvonnis (naar het hof begrijpt: voor zover gewezen in de schadevergoedingszaak), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van betaling.
5.5 Kort gezegd zien haar bezwaren op de volgende onderwerpen:- Incidentele grief 1a: de niet-ontvankelijkheid van Lionex voor zover zij haar vorderingen richt tegen V-Wood en Blue Roots;- Incidentele grief 1b: de niet-toewijsbaarheid van proceskosten en buitengerechtelijke kosten voor zover deze betrekking hebben op de in de loop van de procedure in eerste aanleg ingetrokken vorderingen van [holding 1] en [holding 2] ;- Incidentele grief 2: vaststelling van de feiten als het gaat om de datum waarop [naam 19] feitelijk is begonnen als directeur van Lionex;- Incidentele grief 4: het gebruik van de bewijsmaatstaf balance of probabilities en het oordeel dat deze maatstaf een lagere drempel opwerpt dan de Nederlandse - Incidentele grief 5: 1 januari 2012 als startdatum van de samenzwering;- Incidentele grieven 3 en 6 tot en met 9: aansprakelijkheid voor het overnemen of beschadigen van de bankrelatie met HSBC;- Incidentele grieven 10 en 11: aansprakelijkheid voor het overnemen van leveranciers;- Incidentele grieven 12 en 13: aansprakelijkheid voor het overnemen van voorraad;- Incidentele grieven 14 tot en met 18: aansprakelijkheid voor het overnemen van klanten;- Incidentele grieven 19 tot en met 21: aansprakelijkheid voor het overnemen van corporate opportunities;- Incidentele grieven 22 tot en met 25: aansprakelijkheid voor het overnemen van werknemers;- Incidentele grieven 26 en 27: de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
In de kostenzaak 5.6 [X c.s.] is afzonderlijk in hoger beroep gekomen van het eindvonnis (naar het hof begrijpt: voor zover gewezen in de kostenzaak). Zij vordert, na wijziging van eis, dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, Lionex c.s. hoofdelijk veroordeelt tot:- vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad € 140.574,10 en MYR 264.339,75; - terugbetaling van al datgene wat zij aan Lionex c.s. heeft betaald ter uitvoering van het bestreden eindvonnis (naar het hof begrijpt: voor zover gewezen in zaak 19-374);in beide gevallen te vermeerderen met de toepasselijke wettelijke rente.
5.7 Kort gezegd zien haar bezwaren op het oordeel van de rechtbank dat op deze vordering Nederlands recht van toepassing is en dat daar naar Nederlands recht geen grondslag voor bestaat.
6Voorafgaande punten in beide zaken Rechtsmacht 6.1 In de schadevergoedingszaak heeft het hof heeft ten aanzien van de in Nederland wonende of gevestigde personen binnen de groep [X c.s.] rechtsmacht op grond van artikel 4 lid 1 van Verordening Brussel Ibis (Vo (EU) nr. 1215/2012). Het hof heeft op grond van artikel 7 lid 1 Rv ook rechtsmacht ten aanzien van Blue Roots, aangezien Lionex tegen Blue Roots dezelfde vorderingen heeft ingesteld als tegen de Nederlandse ingezetenen en daar dezelfde feiten aan ten grondslag heeft gelegd.
6.2 Hetzelfde geldt in de kostenzaak, waar [holding 1] en [holding 2] in Nederland zijn gevestigd en [X c.s.] ten aanzien van Lionex dezelfde, hoofdelijke, vorderingen instelt als tegen [holding 1] en [holding 2] , met dezelfde grondslag.
6.3 Overigens heeft geen van de partijen de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter betwist, zodat die bevoegdheid er voor zover nodig is op de voet van artikel 9 aanhef en sub a Rv of artikel 26 lid 1 Brussel Ibis.
Toepasselijk procesrecht 6.4 Partijen nemen terecht tot uitgangspunt dat op de wijze van procederen voor het hof Nederlands recht van toepassing is.
7Schadevergoedingszaak: kern en voorafgaande punten Kern van de zaak 7.1 Lionex vordert hoofdelijk van [Y c.s.] en Blue Roots vergoeding van de schade die zij stelt de hebben geleden als gevolg van een onrechtmatige daad naar Maleisisch recht bestaande uit een samenzwering (tort of conspiracy) van [Y c.s.] , [naam 6] c.s. en overige voormalige werknemers van Lionex om de door haar gedreven onderneming heimelijk over te hevelen naar de nieuw op te richten vennootschap Blue Roots.
Procedurele bezwaren van [X c.s.] 7.2 heeft bezwaar gemaakt tegen het door Lionex bij akte van 2 januari 2024 in het geding brengen van productie 260, het hiervoor (3.14-3.16) al aangehaalde schaderapport van [naam 13] . Het hof verwerpt dat bezwaar. Dat in het geding brengen is niet in strijd met de tweeconclusieregel, omdat dat rapport slechts een verduidelijking en nadere onderbouwing biedt van stellingen die Lionex al heeft ingenomen bij memorie van grieven in principaal hoger beroep. Het komt evenmin in strijd met de eisen van een goede procesorde. Indien het hof in de schadevergoedingszaak toekomt aan vaststelling van een toewijsbaar schadebedrag, zal het [X c.s.] na de eerste reactie van SMAN van 16 januari 2024 op dat rapport (productie 261 van [X c.s.] ) nog in de gelegenheid stellen om desgewenst meer uitgebreid daarop te reageren.
7.3 [X c.s.] heeft ook bezwaar gemaakt tegen wat zij aanmerkt als een in diezelfde akte van Lionex van 2 januari 2014 opgenomen wijziging van eis, namelijk voor zover Lionex een hoger bedrag vordert dan het in de conclusie van haar memorie van grieven genoemde bedrag van € MYR 123.059.000. Het hof houdt een beslissing op dat bezwaar aan.
Vaststelling van de feiten 7.4 De bezwaren van Lionex tegen de volgens haar onvolledige feitenvaststelling door de rechtbank (grief 1) hebben geen zelfstandige betekenis. Het hof is niet verplicht alle door partijen aangevoerde feiten met zoveel woorden vast te stellen en weer te geven, maar kan volstaan met de vaststelling van de feiten die het voor zijn beslissing ter zake doende acht, hetzij hiervoor onder 3, hetzij in het kader van zijn beoordeling. Voor zover Lionex feiten aanvoert ter onderbouwing van inhoudelijke grieven zal het hof die gestelde feiten, en de vraag of het die kan vaststellen, in zijn beoordeling betrekken.
7.5 Met zijn incidentele grief 2 richt [X c.s.] zich tegen de vaststelling door de rechtbank in 2.36 van tussenvonnis I dat [naam 19] op 1 juni 2013 als directeur van Lionex begon. Volgens [X c.s.] was [naam 19] al vanaf april 2013 bij Lionex ‘betrokken’. Dat is in zoverre niet in geschil dat [naam 19] al in maart 2013 was benaderd voor het directeurschap van Lionex. [naam 19] zelf heeft verklaard dat hij op 1 juni 2013 bij Lionex ‘aan de slag’ was gegaan. Daartegenover kan het hof vooralsnog niet de vaststelling doen, zoals [X c.s.] wil, dat [naam 19] zijn werk (bij Lionex) al in april 2013 was aangevangen.
8Schadevergoedingszaak: toepasselijk materieel recht en bewijsmaatstaf 8.1 Partijen nemen terecht tot uitgangspunt dat op de vordering van Lionex op grond van artikel 4 lid 1 van Verordening Rome II (Vo (EG) nr. 864/2007) Maleisisch recht van toepassing is, aangezien de gestelde schade zich in Maleisië heeft voorgedaan. Lionex heeft in dat kader gesteld dat [X c.s.] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van een tort of conspiracy, dat wil zeggen een onrechtmatige samenzwering. Op grond van artikel 22 lid 1 Rome II is Maleisich recht ook van toepassing voor zover het in verband met de tort of conspiracy voorziet in een verdeling van de bewijslast of bewijsvermoedens.
8.2 Tussen partijen staat ook het volgende vast voor de vragen waarop Maleisisch recht van toepassing is. Wanneer het Maleisische geschreven recht niet voorziet in een regeling ter zake van een bepaald geschilpunt, moet de rechter Maleisische rechtspraak toepassen. Wanneer die rechtspraak geen antwoordt geeft, kan de rechter zijn oordeel gronden op common law en rechtspraak uit Engeland en Wales van voor 7 april 1956, de datum van onafhankelijkheid van Maleisië, voor zover de Maleisische omstandigheden zich daar niet tegen verzetten. En als ook dat geen uitkomst biedt, kan de rechter zijn oordeel gronden op rechtspraak uit Engeland en Wales en andere landen van het Gemenebest van na 7 april 1956.
8.3 Partijen verschillen echter van mening over de bewijsmaatstaf voor het vaststellen van de gestelde tort of conspiracy. [X c.s.] klaagt dat de rechtbank bij die maatstaf ten onrechte is uitgegaan van Maleisisch recht, dat als maatstaf hanteert dat een feit “more probable than not” moet zijn (eerder waarschijnlijk dan onwaarschijnlijk), in kanspercentages uitgedrukt meer dan 50%. Volgens [X c.s.] gaat het bij die maatstaf om een regel van procesrecht waarvoor het Nederlands recht moet worden toegepast, dat als toets de “redelijke mate van zekerheid” hanteert, hetgeen in termen van kanspercentages veelal wordt vertaald naar minimaal 75%.
8.4 Het hof volgt [X c.s.] niet in dat standpunt. Tussen partijen is niet in geschil dat op vragen van formeel bewijsrecht het procesrecht van de bevoegde rechter van toepassing is, terwijl vragen van materieel bewijsrecht worden beheerst door het recht dat op de materiële rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is. Onder het materieel bewijsrecht wordt verstaan het bewijsrecht dat de uitkomst van het geschil beïnvloedt. Dat laatste is het geval bij de bewijsmaatstaf. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot aansprakelijkheid voor gestelde schade die zich in Maleisië heeft voorgedaan en daarbij Maleisisch recht moet toepassen, zou het ongerijmd zijn om daarvoor een andere bewijsmaatstaf te hanteren dan die de Maleisische rechter zou toepassen als de zaak op grond van dezelfde feiten en met dezelfde rechtsgrondslag voor hem aanhangig zou zijn gemaakt, zoals hier ook is gebeurd ten aanzien van [naam 6] c.s.
8.5 De bronnen die [X c.s.] aanvoert ter onderbouwing van haar stelling dat de bewijsmaatstaf tot het formeel bewijsrecht hoort, bieden daar geen steun voor. [X c.s.] voert ook aan dat bewijs in common law-rechtsstelsels als dat van Maleisië wordt gezien als een kwestie van procesrechtelijke aard waardoor men uitsluitend het recht van de bevoegde rechter toepast. Het hof gaat aan deze stelling voorbij omdat het als Nederlandse rechter het Nederlandse internationaal privaatrecht moet toepassen, en niet het Maleisische, en omdat [X c.s.] ter onderbouwing van deze stelling uitsluitend verwijst naar een commentaar bij artikel 10:13 BW, zonder uit te leggen waarom dat commentaar relevant is voor hoe in common law stelsels over deze vraag wordt gedacht. Het hof heeft hierna, in het vervolg van deze procedure, steeds het oog op de hier bedoelde bewijsmaatstaf als het overweegt dat iets wel of niet bewezen is of wel of niet aannemelijk is.
8.6 [X c.s.] heeft ook geklaagd tegen het oordeel van de rechtbank dat de Maleisische maatstaf “more likely than not” lichter is dan de Nederlands maatstaf “redelijke mate van zekerheid”. [X c.s.] heeft geen belang bij behandeling van deze klacht, omdat op grond van het voorgaande vaststaat dat hier de maatstaf “more likely than not” moet worden aangelegd, en voor toepassing van die maatstaf niet ter zake doende is wat de Nederlandse maatstaf is.
8.7 [X c.s.] heeft ook aangevoerd dat de bewijsmaatstaf strenger moet worden toegepast naarmate de gemaakte verwijten ernstiger zijn. Het hof volgt [X c.s.] in zoverre in die stelling dat uit de door haar aangehaalde uitspraken Secretary of State for the Home Department v. Rehmanen In Re H and othersvolgt dat (i) binnen de maatstaf “more probable than not” sprake is van “a generous degree of flexibility in respect of the seriousness of the allegation”; (ii) fraude minder waarschijnlijk is dan nalatigheid, en daarom (iii) binnen die maatstaf “cogent evidence is generally required to satisfy a civil tribunal that a person has been fraudulent”. Deze vaststelling kan echter op zichzelf niet tot vernietiging leiden, aangezien het hof hierna eerst opnieuw de feiten moet beoordelen, met inachtneming van de maatstaf “more probable than not”, in de fraudevariant waarin in het algemeen “cogent evidence” is vereist.
8.8 [X c.s.] brengt naar voren dat in Nederland, anders dan in Maleisië, geen full trial plaatsvindt waarin alle bewijs op tafel komt en alle getuigen worden (kruis)gehoord, en dat de Nederlandse rechter zich daarom bij het toepassen van de more likely than not-maatstaf terughoudender moet opstellen dan, naar het hof begrijpt, een Maleisische rechter. Het hof treedt [X c.s.] niet bij in deze gedachte, omdat daarmee een verschil in formeel procesrecht zou leiden tot een verschil in materieel bewijsrecht, terwijl het hof hiervoor heeft geoordeeld dat het hier ongerijmd zou zijn om Nederlands materieel bewijsrecht toe te passen. Daarnaast geldt dat (i) beide partijen in deze zaak met succes over en weer omvangrijke exhibitievorderingen hebben ingesteld, met als gevolg dat aan weerszijden een overweldigende hoeveelheid stukken beschikbaar is, en dat (ii) het partijen in deze zaak heeft vrijgestaan om getuigenbewijs aan te bieden, met de gevolgen die artikel 166 Rv daaraan verbindt.
8.9 [X c.s.] verwijst ter ondersteuning van de door haar bepleite terughoudende opstelling van de rechter ten slotte naar een passage uit de overzichtsopinie van haar Maleisische advocaat die inhoudt dat de rechter zijn oordeel in bepaalde omstandigheden alleen mag gronden op onbetwiste feiten en bewijs. De Maleisische advocaat verwijst ter onderbouwing van deze passage naar twee uitspraken. De eerste geeft als regel dat wanneer verklaringen (affidavits) van een partij bepaalde stellingen bevatten die op geloofwaardige wijze worden weersproken in verklaringen (affidavits) van de wederpartij, bij gebreke van mondeling bewijs of cross-examination, de rechter zijn oordeel uitsluitend moet gronden op onbetwiste feiten.
Het hof zal met dit arrest geen oordeel over de samenzwering geven dat uitsluitend is gebaseerd op met partijverklaringen geloofwaardig betwiste verklaringen van de wederpartij. Het kan daarom het gezag van de genoemde uitspraak binnen het Maleisiche recht in het midden laten, net zoals de vraag of de hierin geformuleerde regel tot materieel dan wel formeel bewijsrecht moet worden gerekend (en dus of Maleisisch recht überhaupt wel relevant is op dit punt). De tweede uitspraak die de Maleisische advocaat van [X c.s.] noemt gaat over hetzelfde onderwerp, maar geeft alleen maar een beoordeling die is toegespitst op het in die zaak voorliggende geschil, geen regel. Gesteld noch gebleken is, bovendien, dat de casus die in die zaak voorlag enige relevante verwantschap vertoont met wat in de onderhavige zaak voorligt.
9Schadevergoedingszaak: de Tort of conspiracynaar Maleisisch recht 9.1 Tussen partijen is niet in geschil dat aan de volgende constitutieve elementen moet zijn voldaan om naar Maleisisch recht aansprakelijkheid te vestigen op grond van een tort of conspiracy:[a] An agreement between two or more persons;[b] with an intention to injure;[c] leading to certain acts being carried out in pursuance of the agreement (concerted action); and[d] these acts resulting in loss and damage to the plaintiff. [a] An agreement between two or more persons 9.2 Dit vereiste houdt in dat er een afspraak of samenspel (agreement) bestaat tussen twee of meer personen. Deze hoeft niet de vorm van concrete afspraken aan te nemen. Ook een rechtspersoon kan samen met haar bestuurders aan een samenzwering deelnemen. Omdat een samenzwering veelal bewust zoveel mogelijk verborgen gehouden zal worden, wordt het bestaan daarvan doorgaans indirect vastgesteld, te weten afgeleid uit andere feiten. Deelname aan een samenzwering kan actief of passief zijn. Wel is vereist dat iedere partij zich voldoende bewust was van de betrokken omstandigheden en dat alle deelnemers (min of meer) hetzelfde doel voor ogen hadden. Instemming met de samenzwering van een niet actief handelende deelnemer kan bijvoorbeeld afgeleid worden uit het feit dat iemand weet dat bepaalde onrechtmatige gedragingen worden verricht en hij deze niet tegengaat en evenmin maatregelen neemt om die tegen te gaan, hoewel hij daartoe wel mogelijkheden heeft. Voorts is niet vereist dat iedere deelnemer gedurende de gehele of dezelfde periode aan de samenzwering deelneemt. [b] Intention to injure 9.3 Dit vereiste wordt verschillend ingevuld naar gelang ter uitvoering van de samenzwering rechtmatige dan wel onrechtmatige middelen worden gebruikt.
9.4 Partijen zijn het met elkaar eens dat voor een lawful means conspiracy is vereist is dat de samenzwering als enig of voornaamste doel (sole or predominant purpose) heeft om de benadeelde te schaden.
9.5 Voor een unlawful means conspiracy geldt dat vereiste niet.
9.5.1 Partijen zijn het erover eens dat dit volgt uit onder meer de uitspraak OBG v. Allan: ‘164. (…) A defendant may intend to harm the claimant's business either as an end in itself or as a means to an end. A defendant may intend to harm the claimant as an end in itself where, for instance, he has a grudge against the claimant. More usually a defendant intentionally inflicts harm on a claimant's business as a means to an end. He inflicts damage as the means whereby to protect or promote his own economic interests.
OBG ‘166: Lesser states of mind do not suffice. A high degree of blameworthiness is called for because intention serves as the factor which justifies imposing liability on the defendant for loss caused by a wrong otherwise not actionable by the claimant against the defendant. The defendant's conduct in relation to the loss must be deliberate. In particular, a defendant's foresight that his unlawful conduct may or will probably damage the claimant cannot be equated with intention for this purpose. The defendant must intend to injure the claimant. This intent must be a cause of the defendant's conduct (...).
Hamza: ‘99. What is clear is that it is not sufficient for the claimant to show that it was reasonably foreseeable that the claimant would or might suffer damage as a result of the defendant's act.’ 9.5.3 Het opzet kan volgens [X c.s.] enerzijds bestaan uit actual intention om de benadeelde te schaden:
OBG: '167. I add one explanatory gloss to the above. Take a case where a defendant seeks to advance his own business by pursuing a course of conduct which he knows will, in the very nature of things, necessarily be injurious to the claimant. In other words, a case where loss to the claimant is the obverse side of the coin from gain to the defendant. The defendant's gain and the claimant's loss are, to the defendant's knowledge, inseparably linked. The defendant cannot obtain the one without bringing about the other. If the defendant goes ahead in such a case in order to obtain the gain he seeks, his state of mind will satisfy the mental ingredient of the unlawful interference tort.’ 9.5.4 Daarnaast kan het opzet volgens [X c.s.] bestaan uit reckless indifference, waarbij de samenzweerder de schadelijke gevolgen van zijn handelen in een conscious decision moet hebben aanvaard:
OBG, 40-41: ‘(...) it is unlawful for a third person to procure a breach of contract knowingly, or recklessly, indifferent whether it is a breach or not. (…) It is in accordance with the general principle of law that a conscious decision not to inquire into the existence of a fact is in many cases treated as equivalent to knowledge of that fact.
Hamzah '67. Absent the element of intention, the tort is not made out. The elements of knowledge (the state of mind of a defendant) and intention are closely connected in unlawful means conspiracy. (…) In this context, what is required is actual intention or reckless indifference. Mere foreseeability of a consequence does not satisfy the requirement of intention (per Lord Hoffmann in OBG at (43)). A defendant's foresight that his or her unlawful conduct may or will probably damage the plaintiff is not enough because it is not equated with intention for this tort (per Lord Nicholls in OBG at (166)). The same applies to knowledge. Relevant knowledge is actual knowledge or reckless indifference. Reckless indifference in this context means a conscious decision not to inquire into the existence of a fact" (per Lord Hoffmann in OBG at (41)).’ 9.5.5 Lionex wijst daarentegen op rechtspraak waaruit volgens haar volgt dat de bedoeling om de benadeelde te schaden reeds is gegeven in het geval van de inzet van onrechtmatige middelen: “There is, first, the situation where unlawful means have been used (also known as “wrongful means conspiracy”). The relevant law in this context appears to be straightforward. In particular, there is no need for the plaintiff concerned to prove that there has been a predominant intention on the part of the defendants to injure it. It would appear that the very utilisation of unlawful means is, by its very nature, sufficient to render the defendants liable, regardless of their predominant intention. This would appear to be both logical as well as just and fair, especially if we bear in mind the fact that the central core, as it were, of the tort of conspiracy hinges on the proof that the conspiracy is somehow unlawful and that the plaintiff is entitled to succeed provided that it can prove that it has suffered damage”
9.6 Het hof volgt [X c.s.] in haar uitleg van het Maleisisch recht. Zij heeft voor die uitleg een Maleisische bron aangehaald (Hamzah v. Mohd) waarin de Maleisische rechter op zijn beurt de Britse House of Lords uitspraak OBG v. Allan aanhaalt, die maatgevend is geweest binnen het Gemenebest. Lionex haalt voor haar visie twee Singaporese uitspraken aan die bij aanwezigheid van een Maleisische uitspraak minder relevant zijn en die bovendien haar uitleg niet bevestigen. In de derde volzin van het citaat bevestigt de Singaporese rechter iets wat tussen partijen in de onderhavige zaak niet in geschil is, namelijk dat een overheersende bedoeling (predominant intention) om te schaden niet bewezen hoeft te worden wanneer sprake is van een samenzwering met onrechtmatige middelen.
De Singaporese rechter vervolgt met de volzin dat het erop zou lijken dat de loutere inzet van onrechtmatige middelen naar zijn aard voldoende is om aansprakelijkheid te vestigen, daargelaten de overheersende bedoeling. Daarna zet de Singaporese rechter uiteen waarom dat naar zijn oordeel logisch, eerlijk en billijk is: eiser heeft namelijk bewezen dat de gedaagde onrechtmatige middelen heeft ingezet. Door het gebruik van de inleidende woorden “It would appear” en de kanttekening “regardless of their predominant intention” kan de derde volzin naar het oordeel van het hof niet in die zin worden uitgelegd, dat bij een samenzwering met onrechtmatige middelen de bedoeling om te schaden reeds gegeven is.
Dat zou ook ingaan tegen de vaste rechtspraak van de Gemenebestrechter, zoals verduidelijkt in OBG v. Allan , waarin de vraag naar rechtmatige of onrechtmatige uitvoeringsmiddelen en die naar de bedoeling om te benadelen steevast als afzonderlijke constitutieve elementen worden gepresenteerd en beoordeeld. Uit de context van de derde volzin, zoals toegelicht in de vierde volzin, komt veeleer als uitleg naar voren dat de Singaporese rechter daarmee heeft bedoeld te zeggen dat indien iemand samenzweert en daarbij middelen inzet die (jegens een ander) onrechtmatig zijn, het eerder voor de hand zal liggen dat die samenzweerder die ander daarmee beoogt schade toe te brengen, dan wel ten aanzien van het schadelijke van zijn handelen roekeloos onverschillig is geweest. [c] Concerted action 9.7 Dit vereiste houdt in dat er daadwerkelijk actie is ondernomen ter uitvoering van de agreement. Ook hier geldt, omdat een samenzwering veelal bewust zoveel mogelijk verborgen gehouden wordt, dat het bestaan van de uitvoeringshandelingen en het causaal verband met de agreement kan worden afgeleid uit andere feiten.
9.8 Met haar derde grief klaagt Lionex over de overweging van de rechtbank dat, voor unlawful means conspiracy, de unlawful means de middelen moeten betreffen waarmee Lionex schade is toegebracht (tussenvonnis I, rov. 4.37). Volgens Lionex maakt de rechtbank hier ten onrechte een koppeling tussen het vereiste ‘Acts done in the execution of that agreement’ en ‘unlawful means’. Aan Lionex moet worden toegegeven dat indien vaststaat dat bij de uitvoering van de samenzwering één of meer unlawful means zijn gebruikt, vervolgens niet aan elke uitvoeringshandeling het vereiste kan worden gesteld – voor de lagere opzetmaatstaf van intention to injure – dat deze als zelfstandige onrechtmatige daad (anders dan als onderdeel van de conspiracy) actionable is. Dit neemt echter niet weg dat Lionex slechts schadevergoeding kan vorderen ter zake van handelingen die kunnen kwalificeren als uitvoeringshandelingen van de agreement; de desbetreffende handelingen moeten dus wel aan de samenzwering toerekenbaar zijn. [d] Resulting in loss and damage 9.9 Voor dit element is in de vestigingsfase vereist dat sprake is van (i) enige daadwerkelijke schade (ii) die met het gestelde handelen/nalaten in causaal verband staat. Het moet daarbij gaan om schade in vermogensrechtelijke zin (damage), die mede kan bestaan uit winstderving (loss).
10Schadevergoedingszaak: vestiging van de aansprakelijkheid [a] An agreement between two or more persons Bestaan en startdatum 10.1 [X c.s.] erkent, gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, dat tussen [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] , Wood Trading, [naam 6] en [naam 8] een agreement tot stand is gekomen tot oprichting van een concurrent van Lionex, i.c. Blue Roots. Tussen partijen is niet in geschil dat deze agreement er in elk geval was op en vanaf 26 september 2012, de dag waarop [appellant 1] aan [naam 6] , [appellant 4] en [naam 8] schreef dat de [appellant 7] definitief met het plan zou starten (hiervoor, 3.73) 10.2 Naar het oordeel van het hof kan echter worden aangenomen, met Lionex, dat er al veel eerder een samenspel was over het oprichten van een concurrent van Lionex. Nadat hierover in 2011 al onderling contact was geweest, schreef [appellant 1] op 2 februari 2012 aan [appellant 2] en [appellant 3] dat hij [appellant 4] en [naam 6] had gevraagd om een businessplan voor de opzet van de houthandeldivisie, en dat hij de overname van een houthandel alleen ziet zitten als [naam 6] overkomt met zijn ‘Maleisië business’. (Omdat er in 2011, zoals hierna zal blijken, nog geen (schadeveroorzakende) uitvoeringshandelingen werden verricht, kan hier in het midden blijven of ook toen al sprake was van een agreement.) Dat businessplan komt er, [naam 6] zegt toe mee te doen.
De plannenmakerij loopt door in 2012, in het kader waarvan ook contacten worden gelegd met belangrijke Lionex-partners IKN en HSBC, en mondt uit in de beslissing over de start van de nieuwe onderneming op 26 september 2012. Die plannenmakerij in 2012, en de (externe) contacten die in dat kader plaatsvinden, kunnen allemaal worden aangemerkt als samenspel tot het oprichten van een concurrent van Lionex, en daarmee als agreement. Dat het hierbij aanvankelijk alleen nog maar ging om plannenmakerij, zonder bindende afspraken, doet hieraan niet af. Het bestaan van (bindende) afspraken is in het kader van de tort of conspiracy geen voorwaarde voor de aanwezigheid van een agreement. Een onderlinge afstemming, een samenspel, kan in deze zin reeds een agreement constitueren (hiervoor, 9.2).
Daarvan was vanaf begin 2012 zonder meer sprake.
Deelnemers 10.3 Lionex klaagt (grief 2) dat de rechtbank slechts [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] , Wood Trading, [naam 6] en [naam 8] als partijen bij de agreement heeft aangemerkt, en niet ook [naam 11] , [naam 9] , [naam 11] , [naam 15] en [appellant 7] .
10.4 Ten aanzien van [appellant 7] heeft de rechtbank in tussenvonnis I het volgende overwogen (4.30): “ [appellant 7] (gedaagde sub 7) is nauw verbonden met de overige gedaagden: zij is een dochtervennootschap van [appellant 5] en heeft hetzelfde bestuur. [appellant 7] maakt verder deel uit van het bestuur van [Wood Trading]. Uit niets blijkt echter dat deze onderneming als zodanig enige rol heeft gespeeld in de oprichting van Blue Roots. [appellant 7] vormt een andere tak van de groep waartoe [appellant 5] behoort en had daardoor geen direct belang bij de oprichting van Blue Roots. Er kan derhalve niet worden vastgesteld dat [appellant 7] hetzelfde doel voor ogen stond. Ook omtrent passieve betrokkenheid, in de zin dat zij op de hoogte werd gehouden en niets ondernam, is niets gesteld. Nu voorts concrete handelingen ontbreken, althans niet zijn gesteld, kan [appellant 7] niet als partij bij de agreement worden beschouwd.”
10.5 Lionex stelt ter toelichting op haar bezwaar tegen dit oordeel dat de plannen voor de samenzwering steeds door [appellant 3] , [appellant 1] en [appellant 2] zijn besproken in bestuursvergaderingen op het niveau van [appellant 5] . Op het niveau van haar dochteronderneming Wood Trading zijn de plannen uitgevoerd en is financiering aan Blue Roots verstrekt. [appellant 7] – met als bestuurders [appellant 3] , [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 5] – was bestuurder van Wood Trading. [appellant 7] was dus ook op de hoogte van de agreement en heeft daarmee ingestemd, aldus – steeds – Lionex.
10.6 Dit bezwaar is gegrond. [appellant 7] was (naast [appellant 1] ) bestuurder van Wood Trading, die de financiering aan Blue Roots verstrekte en daarmee deelnemer was aan de samenzwering. Zonder instemming of althans stemonthouding van [appellant 7] kon Wood Trading die financiering niet verstrekken. De wetenschap van de (indirect) bestuurders van [appellant 7] [appellant 3] , [appellant 1] en [appellant 2] moet aan [appellant 7] worden toegerekend. Dit betekent dat [appellant 7] geacht moet worden met de wetenschap van die samenzweerders te hebben gehandeld en met de financiering door Wood Trading te hebben ingestemd, of daartegen althans niet te zijn opgetreden, wat evenzeer als deelname aan de samenzwering moet worden aangemerkt.
10.7 Wat betreft [naam 11] , [naam 9] , [naam 11] en [naam 15] heeft Lionex geen belang bij de vaststelling dat zij partij waren bij de agreement. Deze personen zijn niet als partij in de onderhavige procedure betrokken. Voor de onderhavige procedure is dus niet van belang of zij, als partijen bij de agreement, (aanvullend ten opzichte van dat waarvoor zij reeds in de Maleisische procedure zijn veroordeeld) aansprakelijk zijn voor de door Lionex gestelde schade. Verder heeft Lionex geen (onderbouwde) stellingen betrokken die ertoe strekken dat deze personen op eigen gezag, dat wil zeggen buiten instructie van of afstemming met één of meer van de hiervoor in 10.3-10.6 bedoelde partijen bij de agreement ( [Y c.s.] , [naam 6] en [naam 8] ), handelingen hebben verricht die haar schade hebben berokkend. Voor zover zij op instructie van dan wel in afstemming met één of meer partijen bij de agreement, binnen de doelstellingen daarvan, schade toebrengende handelingen hebben verricht, kunnen die (uitvoerings-)handelingen reeds vanwege die instructie of afstemming aan de gestelde samenzwering worden toegerekend zonder dat hoeft te worden vastgesteld dat deze personen zelf partij zijn. [b] Intention to injure 10.8 De onderlinge afstemming tussen [Y c.s.] en [naam 6] heeft er onder meer in bestaan dat [naam 6] gedurende zijn dienstverband met Lionex plannen en begrotingen heeft gemaakt voor een met Lionex concurrerende onderneming, en dit heeft afgestemd met [Y c.s.] voor het verkrijgen van financiering van de [appellant 7] . De plannen voorzagen erin dat [naam 6] zijn ‘Maleisië business’ meenam naar de nieuwe onderneming; de begrotingen voorzagen er onder meer in dat de belangrijkste Lionex-werknemers mee over zouden gaan. [naam 6] heeft – tijdens zijn dienstverband met Lionex – financiële informatie met betrekking tot Lionex’ belangrijkste producent IKN, die met het oog op participatie door Lionex in IKN was opgesteld, gedeeld met [appellant 1] , en deze met [appellant 2] en [appellant 3] , met het oog op eventuele investering door de [appellant 7] . [appellant 1] en [appellant 4] hebben op introductie van [naam 6] – tijdens zijn dienstverband met Lionex – Lionex’ belangrijkste financier HSBC gesproken, waarvan [appellant 1] melding heeft gedaan aan [appellant 2] en [appellant 3] .
De afspraken voorzagen er verder onder meer in dat [naam 8] zou starten met het voorbereiden van de exploitatie terwijl [naam 6] nog (steeds) in dienst bleef van Lionex – en zo gebeurde ook. Dit is allemaal afgestemd tussen [naam 6] en [Y c.s.] [naam 6] schond met zijn acties, in onderlinge samenhang bezien, echter het vertrouwen van Lionex en handelde daarmee in strijd met zijn statutory and/or fiduciary duties naar Maleisisch recht tegenover Lionex. In zoverre was er in elk geval sprake van unlawful means uitvoeringshandelingen van de agreement. Dit waren bovendien niet toevallige of bijkomstige unlawful means uitvoeringshandelingen. De rol van [naam 6] bij de uitvoering van de agreement was cruciaal: zonder (de ‘Maleisië business’ van) [naam 6] zou Blue Roots er nooit zijn gekomen.
10.9 Voor zover zou moeten worden aangenomen dat [Y c.s.] niet ( allen ) steeds vooraf op de hoogte waren van alle hiervoor bedoelde acties van [naam 6] , maar (sommigen) (gedeeltelijk) pas op het moment zelf of kort erna, geldt het volgende. Voor zover [X c.s.] betoogt dat [Y c.s.] op niet-onrechtmatige wijze plannen had ontwikkeld voor het oprichten van een concurrent van Lionex, en daarvoor op enig moment – ook op niet-onrechtmatige wijze – [naam 6] had geïnteresseerd, en dat er uiteindelijk toe zou hebben geleid, nog steeds op niet-onrechtmatige wijze, dat die concurrerende onderneming samen met [naam 6] in de markt werd gebracht, geldt het volgende. Indien dat op enig moment de bedoeling mocht zijn geweest van (sommigen van) [Y c.s.] , geldt dat zij allen ruimschoots vóór de start van Blue Roots hebben kunnen en moeten constateren dat dit niet was wat er gebeurde, met name waar het gaat om de activiteiten die [naam 6] nog tijdens zijn dienstverband en bestuursperiode bij Lionex ontplooide ten behoeve van haar directe (nog op te richten) concurrent Blue Roots.
Desondanks zijn zij allen welbewust doorgegaan op de onrechtmatig ingeslagen weg. Een enkele unlawfulness in de voorbereiding had [Y c.s.] er allicht niet toe hoeven te brengen om aanstonds definitief af te zien van het project, maar had er wel toe moeten aansporen om uit te spreken en erop toe te zien dat verdere onregelmatigheden zich niet zouden voordoen. Daarvan is echter niet gebleken. Ook dit alles maakt dat sprake was van een unlawful means samenzwering, die aan allen van [Y c.s.] is toe te rekenen. Dit betekent dat voor aansprakelijkheid niet is vereist dat benadeling van Lionex het oogmerk (predominant purpose) was; voldoende is dat benadeling van Lionex het onvermijdelijke gevolg zou zijn van het handelen van [naam 6] en/of [naam 8] en/of [Y c.s.] en dat [Y c.s.] dit wist, dan wel hierin roekeloos onverschillig is geweest. [c] Concerted action, [d] Resulting in loss and damage 10.10 Op zichzelf is niet in geschil dat in onderlinge afstemming en overleg handelingen ter uitvoering van de agreement zijn verricht. Blue Roots is voorbereid, opgericht en gefinancierd, en in bedrijf gegaan. In het navolgende zal het hof beoordelen of de door Lionex aan de samenzweerders verweten gedragingen werkelijk zijn verricht, zo ja of die (steeds) ter uitvoering van de agreement zijn verricht, en zo ja of hierdoor (enige) schade is geleden. Een conclusie van deze analyse zal zijn dat ter uitvoering van de agreement geen handelingen zijn verricht die vóór 2013 schade toebrengend hebben ingewerkt op Lionex.
10.11 In 2013 begon Blue Roots met het aannemen van orders, en daarmee begon de mogelijkheid van schade voor Lionex – ten koste van wie die orders mogelijk gingen. De schade moet worden bepaald door de feitelijke situatie te vergelijken met de hypothetische situatie waarin de onrechtmatige handelingen niet zouden hebben plaatsgevonden. Daarvoor dient echter duidelijk te zijn wat die hypothetische situatie dan is, c.q. welke scenario’s zich zonder de samenzwering zouden hebben kunnen ontvouwen en de waarschijnlijkheid ervan. Denkbaar is, zoals Lionex stelt, dat [naam 6] c.s. zonder de samenzwering gewoon bij haar in dienst waren gebleven, en dat er helemaal geen Blue Roots zou zijn geweest. Het hof acht vooralsnog niet ondenkbaar dat in dat scenario het EXIM-krediet niet op dezelfde wijze en/of in het zelfde tempo zou zijn afgebouwd als in werkelijkheid is gebeurd.
Ook is echter denkbaar, zoals de rechtbank heeft geoordeeld en zoals [X c.s.] ook meent, dat [naam 6] c.s. Lionex hoe dan ook zouden hebben verlaten op ongeveer het moment waarop zij dat in werkelijkheid hebben gedaan, of dat dat althans geldt voor sommigen van hen. In dat scenario is ook denkbaar dat [naam 6] c.s. of sommigen van hen in de houthandel zouden zijn gebleven, en Lionex – al dan niet samen met [X c.s.] , maar dan op niet-onrechtmatige wijze – evengoed concurrentie zouden hebben aangedaan. In dat scenario komt een andere opstelling van de bank ten aanzien van het krediet minder waarschijnlijk voor. Over de mogelijke scenario’s en de waarschijnlijkheid ervan acht het hof zich nog onvoldoende voorgelicht.
Het zal partijen daarom met dit arrest in de gelegenheid stellen om zich hierover (nader) uit te laten (zie verder hierna, 10.49-10.51, 10.89, 10.111 en hoofdstuk 11).
Totale feitencomplex 10.12 Met onder meer haar vierde grief beklaagt Lionex zich erover dat de rechtbank ten onrechte het feitenkader heeft opgeknipt in verschillende categorieën van feiten (werknemers, klanten, leveranciers, voorraad, bedrijfsgeheimen, bankrelatie en corporate opportunities) en vervolgens per feitencategorie – op onjuiste wijze – de aansprakelijkheid en schade heeft bezien. Volgens Lionex moet het feitencomplex als één geheel worden gezien:
Handelingen uit verschillende categorieën kunnen op elkaar inwerken en elkaar versterken; handelingen die ogenschijnlijk tot de ene categorie behoren kunnen bijvoorbeeld ook schade veroorzaken die ogenschijnlijk behoort tot een andere categorie.
Lionex heeft veel meer handelingen aan de door haar gestelde samenzwering ten grondslag gelegd dan die welke de rechtbank in aanmerking heeft genomen.
Niet elke individuele handeling hoeft bewezen te worden; het bestaan van bepaalde handelingen kan ook worden afgeleid uit andere feiten.
Niet elke handeling hoeft individueel schade te hebben veroorzaakt, om in aanmerking te worden genomen. Het gaat om de schade die is veroorzaakt door het geheel van handelingen.
10.13 Het hof oordeelt hierover als volgt. Juist is dat voor het beoordelen van de gestelde samenzwering en de daardoor veroorzaakte schade, het geheel van de daaraan ten grondslag gelegde feiten in aanmerking moet worden genomen, dat feiten op elkaar inwerken, en ook dat het bestaan van bepaalde feiten onder omstandigheden kan worden afgeleid uit de vaststelling van andere feiten (en ook de aldus afgeleide feiten moeten weer worden betrokken bij het beoordelen van de samenzwering en de daardoor veroorzaakte schade).
10.14 Intussen kan voor het bewijs van de samenzwering, de handelingen ter uitvoering daarvan en de schade niet worden volstaan met de kale stelling dat de omzetontwikkeling van Lionex vanaf zeker moment neerwaarts is gaan afwijken van marktindexen. Dat doet Lionex ook niet: zij stelt diverse concrete uitvoeringshandelingen en zij heeft die in eerdere processtukken ook zelf (mede) in categorieën gepresenteerd. Het hof zal de gestelde feiten hierna ook mede aldus gecategoriseerd bespreken, om enige ordening aan te brengen in zijn overwegingen hierover, maar zonder te miskennen dat het uiteindelijk gaat om het geheel van feiten Schadebegrip 10.15 Het hof maakt op deze plaats vast een opmerking over het schadebegrip dat het in dit arrest hanteert. Zoals hiervoor aangekondigd, zal het hof ten behoeve van de schadebepaling over de periode vanaf 1 januari 2013, partijen in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de scenario’s die zich zonder de samenzwering zouden hebben kunnen ontvouwen en de waarschijnlijkheid ervan. Voor een deel van de verweten gedragingen zal het hof hierna echter reeds oordelen dat er, voor zover al sprake is van ter uitvoering van de agreement verrichte handelingen, geen schade is veroorzaakt. Het schadebegrip dat het hof hierbij hanteert is de vergelijking tussen dat wat zich feitelijk heeft voorgedaan en het hypothetische scenario zoals Lionex zélf dat heeft gepresenteerd, te weten dat [naam 6] c.s. gewoon bij haar zouden zijn blijven werken en dat Blue Roots er nooit zou zijn geweest.
Voorraad 10.16 Voorraadopbouw 2011 e.v. Volgens Lionex heeft [naam 6] haar voorraad in/vanaf de loop van 2011 onnodig hoog laten oplopen en is dit een handeling geweest ter uitvoering van de door haar gestelde samenzwering, met het opzet Lionex schade toe te brengen. Zij doelt hiermee op het verminderen van de slagkracht van Lionex, vanwege het liquiditeitsprobleem dat door die hoge voorraad (voorzienbaar) zou ontstaan, en op het creëren van een toekomstige mogelijkheid voor Blue Roots om die (overtollige) voorraad goedkoop van Lionex over te nemen.
10.17 Het hof volgt Lionex hierin niet. Lionex levert voor haar standpunt geen direct bewijs. Ondanks het gelegde bewijsbeslag en de grote hoeveelheid informatie die zij daaruit heeft verkregen, wijst Lionex op geen enkele e-mail of andere communicatie tussen of van de door haar bedoelde samenzweerders waarin de door Lionex gewraakte voorraadopbouw wordt bekokstoofd of zelfs maar besproken. Evenmin heeft zij, kennelijk, de getuigen in de Maleisische procedure die zij ook als samenzweerders aanmerkt (onder wie met name [naam 6] ) hierop bevraagd, laat staan daarop (belastende) antwoorden gekregen; zij stelt dit althans niet.
10.18 Lionex wijst wel nog op de e-mailcorrespondentie tussen [naam 6] en [appellant 4] van 9 januari 2013 (hiervoor, 3.97), waarin [appellant 4] schrijft dat het hem niet zou verbazen als ze (Blue Roots) ‘snel wat snoepjes uit de Lionex voorraad gaan kopen’. Die opmerking maakte [appellant 4] tegen de achtergrond van de afbouw van de voorraad die op instigatie van [naam 5] bij Lionex werd doorgevoerd. Hieruit blijkt niet, en het hof acht dit ook niet aannemelijk, dat [naam 6] die voorraad eerder met het oog hierop (onzakelijk) had opgebouwd, en dat dit ook nog ter uitvoering van de samenzwering met [Y c.s.] was. Hetzelfde geldt voor inkopen die ( [naam 6] namens) Lionex had gedaan en vervolgens heeft geannuleerd, en die Blue Roots heeft opgepikt, of de (door [naam 6] opgebouwde) voorraden die Lionex heeft verkocht aan […] en […] en waaruit Blue Roots toen heeft gekocht.
10.19 Het ontbreken van direct bewijs sluit niet noodzakelijk uit dat het gestelde kwade opzet wat betreft de voorraadopbouw als onderdeel van de samenzwering wordt afgeleid uit andere feiten, maar Lionex biedt daarvoor geen of althans onvoldoende aanknopingspunten. Het hof ziet niet in dat de gewraakte voorraadopbouw naar zijn aard onderdeel was van de samenzwering, of anders gezegd dat de samenzwering die voorraadopbouw naar zijn aard meebracht.
10.20 Lionex stelt dat de samenzwering tot doel had om haar bedrijfsdebiet te kapen, maar het hof ziet niet in dat daarvoor noodzakelijk of zelfs maar dienstig zou zijn dat Lionex een onnodig hoge voorraad zou opbouwen. [X c.s.] heeft gemotiveerd weersproken dat [naam 6] belang had bij een liquiditeitsprobleem voor Lionex, en de aflossingsproblemen bij de bank die daarvan voorzienbaar het gevolg zouden zijn. Een ondergang van Lionex zou niet goed zijn geweest voor de reputatie van haar bestuurder [naam 6] bij de bank, klanten en leveranciers, en daarmee ook niet voor de beoogde concurrerende houtonderneming wanneer [naam 6] zich op enig moment als partner daarin zou bekendmaken. Lionex erkent ook dat [naam 6] er een persoonlijk belang bij had dat Lionex niet zou tekortschieten in de (steeds tijdige) aflossing van het exportkrediet.
Daarmee laat zich moeilijk rijmen dat [naam 6] er wél op zou hebben ingezet de voorraad onzakelijk hoog te houden met een liquiditeitsprobleem als voorzienbaar gevolg. De enkele mogelijkheid dat de beoogde toekomstige concurrerende houtonderneming die voorraad of een deel ervan in de toekomst eventueel tegen een gunstige prijs zou kunnen overnemen komt het hof als te speculatief voor om vast te stellen dat de voorraad in de loop van 2011 met het oog daarop is opgebouwd. Gegeven het prille stadium waarin de plannen van [naam 6] en [Y c.s.] zich in de tweede helft van 2011 nog bevonden – in het bijzonder had de [appellant 7] zich bepaald nog niet financieel gecommitteerd, terwijl haar financiering wel noodzakelijk was –, komt het het hof überhaupt onwaarschijnlijk voor dat [naam 6] toch al anticiperend op (mogelijke) uitvoering van die plannen, zijn werkgever (en daarmee inkomstenbron) reeds opzettelijk ten gronde zou richten.
10.21 Het hof volgt Lionex voorts niet in het volgende argument dat zij aanvoert ter onderbouwing van haar standpunt dat de door haar gewraakte voorraadopbouw onderdeel was van de samenzwering: i. als je in een dalende markt verkoopt uit bestaande voorraad (die je hebt ingekocht tegen een hoge prijs), is op papier meteen verlies zichtbaar met gevolgen voor onder meer de bonus voor een bestuurder, maar ii. sls je in een dalende markt nieuwe voorraad koopt tegen de lagere prijs en die recent ingekochte voorraad verkoopt, kun je op papier net doen alsof je nog steeds enige winst maakt.
10.22 In de eerste plaats stelt Lionex niet dat het door haar onder ii. bedoelde scenario zich in werkelijkheid heeft voorgedaan waarin zonder zakelijke reden (dit bedoelt Lionex kennelijk) voorraad wordt ingekocht met het oog op snelle verkoop, zonder eerst eendere of gelijkwaardige ‘oudere’ voorraad te verkopen. Zij onderbouwt dat althans niet. In de stellingen van [X c.s.] ligt een betwisting hiervan besloten, voor zover het althans gaat om de bonus 2011 voor [naam 6] . De door Lionex gepresenteerde voorraadcijfers ten opzichte van de omzet 2011 (hiervoor, 3.16) laten overigens zien dat tot ongeveer september de voorraad ten opzichte van de omzet relatief laag is in verhouding tot het verleden, en pas daarna duidelijk gaat stijgen. [X c.s.] heeft echter aangevoerd dat de lead time voor nieuwe voorraad – de tijd van aankoop tot levering, droging en bewerking – zo’n zes tot negen maanden bedraagt.