ECLI:NL:PHR:2020:570
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer19/00523 Zitting 9 juni 2020 (bij vervroeging) CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de verdachte.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging 4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat: ‘hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 juni 2015, te [plaats] (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, meer personen, waaronder de aangevers [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] (namens [A] ) en [aangever 4] (namens [B] BV) en [aangever 5] (namens [E] ) en [aangever 6] (namens [H] ) en [aangever 7] , heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen ter hoogte van (in elk geval en in totaal) EUR 87.040,11 immers heeft verdachte valselijk en listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
V: Wanneer heb je [C CV] opgericht?
A: Dat is voorgezet uit een eenmanszaak. In September 2010 heb ik [G] opgericht en toen heb ik het daarna veranderd in [C] . Vervolgens ben ik het in 2012 voort gaan zetten als CV. En dat heeft bestaan tot 1 januari 2015. Op dat moment is er een ontbinding geweest, een administratie ontbinding om de boekjaren heel te houden. En 18 februari 2015 ben ik feitelijk uitgeschreven.
V: Wat is een CV?
A: Een commanditaire Vennootschap.
V: Wat is het verschil?
A: In een BV moest er 18.000 minimaal ingelegd worden en die middelen had ik niet. En bij een cv kon ik mijn privé adres afschermen. Om deze reden heb ik hiervoor gekozen.
V: Met wie heb je die opgericht?
A: Alleen.
V: Wat is [C CV] voor een bedrijf?
A: Incasso bureau. Ik werkte in het incasso traject onder het principe No Cure No pay. Cure No pay.
V: Wat bedoel je daarmee?
A: Of de opdracht nou slaagt of niet de opdrachtgever betaald daar niet voor in het incassotraject. Dus als de klant een opdracht heeft van een incasso van 900 euro, dan ga ik met de kosten die ik erbij reken 1100 euro proberen te incasseren. Als dat lukt krijgt de klant de 900 euro en ik 200 euro. Als het niet lukt dan zorg ik dat de zaak bij de deurwaarder komt.
Ten aanzien van aangevers [aangever 1] 2. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] , brigadier van politie Eenheid Zeeland West-Brabant, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 9 januari 2015, (…) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 1]: (…) Ik wens aangifte te doen van oplichting. Ik ben opgelicht voor een bedrag van ongeveer 60.000 euro door [C] . (...) Ik heb contact gehad met [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , woonplaats onbekend. Ik heb een kopie van zijn rijbewijs met het nummer [0001] dat is afgegeven op 16 augustus 2012 te [plaats] .
Ik heb een pand verhuurd aan iemand die failliet gegaan is. Hierdoor is een huurachterstand ontstaan van totaal 9425,00 euro. Na het uitspreken van dit faillissement ontstond er nog een huurschuld van 5355,00 euro omdat het pand nog drie maanden door de huurders in gebruik was.
Om dat geld toch te kunnen krijgen heb ik een incassobureau in de arm genomen. Ik ben daarvoor op het internet gegaan en ik heb toen [C] gevonden waar ik contact mee opgenomen heb. Ik heb toen gesproken met een man die opgaf [verdachte] te zijn. (...) Die [verdachte] is bij mij thuis geweest en wij hebben toen afgesproken dat hij deze zaak zou uitpluizen en zou proberen geld terug te krijgen. Die man heeft toen alle stukken nagekeken. Later heeft die [verdachte] mij terug gebeld en verteld dat wel degelijk iets aan te doen was want dat er een derde vennoot bij betrokken was. Dat zou een geldschieter zijn. Deze geldschieter lees derde vennoot zou de mensen die mijn pand gehuurd hadden en failliet waren gegaan financieel gesteund hebben. Die derde vennoot zou [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] zijn geweest. Hij vertelde mij dat hij die man aansprakelijk zou stellen voor het nog openstaande bedrag. Hij bevestigd dit in een brief van 07-11-2014. Deze is als bijlage bijgevoegd. In deze brief heeft hij aangegeven dat hij reeds 1213,65 euro heeft weten te incasseren. Ik heb dat geld echter nooit gezien. (…) [verdachte] heeft in die brief ook aangegeven om tot een 100% resultaat te komen hij het faillissement moest aanvragen voor die derde vennoot. Ik moest toen echter eerst 3171,81 euro betalen wat ik ook gedaan heb.
Hij heeft toen een rekensom gemaakt dat het te vorderen bedrag vermeerderd met de onkosten zou uitkomen op 26.608,23. Ik heb toen ingestemd dit in werking te zetten. Ik kreeg gedurende verloop van tijd steeds rekeningen van onkosten die die [verdachte] zou hebben gemaakt. Ik heb die steeds betaald. (...) Op zondag 4 januari 2015 heb ik een mail van [C] ontvangen waarin verwoord staat dat de verzekeringsmaatschappij [F] een bedrag van 61.225,96 zal overmaken ter vergoeding van alle schulden en onkosten. (...) Op 17 december 2014 heb ik een brief ontvangen met als briefhoofd [F] B.V. Hierin staat dat [F] een bedrag van 55.225,96 min 7% provisie op mijn rekening zou overmaken. (...). Ik moest toen ook een brief terug zenden waarop ik mijn rekeningnummer van de bank moest invullen. Ook dat heb ik gedaan. (...) Ik heb daarop contact opgenomen met [F] en daar werd mij verteld dat ze die brief niet kenden en dat zij helemaal geen bericht nar mij verzonden hebben.
Ik wilde dit geld innen en ben gaan zoeken naar een incassobureau om dit geld voor mij te innen.
Via de internetsite van [K] (www. [K] .nl) ben ik in contact gekomen met [C] . (...) Ik heb met die [verdachte] contact gehad en wij kwamen overeen dat hij voor mij zou gaan werken. (…) Vanaf 29 september 2014 heb ik de eerste rekening van hem ontvangen. Alle rekeningen die ik van hem heb ontvangen heb ik ook daadwerkelijk betaald. Ik heb een aantal rekeningen aan hem contant betaald. Dit werd dan op de factuur vermeld. [verdachte] is in totaal driemaal bij mij thuis geweest om geld te halen. Hij kwam nooit alleen.
Op 22 oktober 2014 kwam hij bij ons thuis. Ik heb toen 5 rekeningen contant betaald aan hem.
Op 7 november 2014 is hij ook bij ons thuis geweest en toen heb ik ook een rekening contant betaald aan hem. Mijn dochter [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] , was er ook bij toen [verdachte] kwam om het contract te tekenen bij ons thuis.(...) Op 20 januari 2015 heb ik het laatste emailbericht van hem ontvangen in verband met twee betalingen die ik al wel betaald had, maar waarvan [verdachte] zei dat deze niet betaald waren. Hij dwong mij om ze toch te betalen. Na de 20e januari heeft [verdachte] mij nog eenmaal gebeld.
Ik kan er nog steeds niet bij hoe het zover is gekomen dat hij mij opgelicht heeft. Het ging aanvankelijk om het innen van die huurachterstand/ huurschuld van [J] voor in totaal net geen euro 15.000 en uiteindelijk heeft hij mij zover weten te krijgen dat ik ongeveer euro 60.000 aan hem betaald heb.
Het ging zover dat ik op een gegeven moment op 24 december 2014 een rekening moest betalen van euro 4677,64. Mijn dochter was toen bij mij. Het was toen paniek want die factuur moest zogezegd per omgaande betaald worden. Omdat ik niet kan internetbankieren heeft [betrokkene 2] mij geholpen en betaalde zij deze rekening via internet. Er kwam toen direct bericht dat de betaling niet binnenkwam en toen heeft ze nogmaals via internet betaald. Ook toen kwam er weer bericht dat de betaling niet was aangekomen. [verdachte] gaf toen zelf iedere keer bericht dat de betaling niet binnen was. Ik heb toen zelf die rekening nog een keer betaald via de Rabobank. Pas bij mijn betaling gaf [verdachte] aan dat de betaling van mij wel binnen was.
Mijn dochter is toen contact gaan opnemen met [verdachte] , via de mail via de telefoon, en heeft toen met hem overeengekomen dat [verdachte] het geld contant aan [betrokkene 2] zou terugbetalen. [verdachte] had voorgesteld om [betrokkene 2] dan te ontmoeten in Roosendaal en onder het genot van een kop koffie dit met haar af te handelen. Dit is nooit doorgegaan. (…) [betrokkene 2] heeft haar geld tot nu toe nooit teruggekregen van [verdachte] . (...) [verdachte] heeft mij feitelijk gedwongen om hem te betalen waarna ik zou worden uitbetaald door [F] .
Pas later kreeg ik een kopie van een brief in handen, afkomstig van [F] waaruit blijkt dat hun briefhoofd valselijk was gebruikt door [C] , in kwestie [verdachte] .
A: Ik voelde mij gedwongen door de toon van de email en van het gesprek. Dat was heel dwingend en kwam zelfs intimiderend over op mij. Ik bedoel hiermee, dat ik geen andere keus had dan te betalen, omdat anders mijn gehele vordering zou komen te vervallen en ik helemaal niets meer terug zou krijgen. Dat heb ik reeds eerder verklaard, omdat dit ook in de mail stond. Het stond zelfs in rode letters in de email. Ik voelde mij klemgezet en moest eigenlijk gewoon betalen wilde ik ooit nog iets van mijn vordering terugzien samen met het bedrag van de reeds betaalde rekening. Ik heb meerdere keren tegen die [verdachte] gezegd, dat ik er vanuit ging, dat hij ging zorgen dat ik mijn geld terug kreeg. Ik hoorde hem toen zeggen, dat het wel goed kwam, want [F] stond borg.
Op vrijdag 7 november 2014 was ik in de avond bij mijn ouders in [plaats] , [b-straat 1] . Ik was met de bus van 21.00 uur aangekomen in [plaats] . Die avond omstreeks 22.15 uur kwam er een man bij mijn ouders langs. Ik had deze man nooit eerder gezien. De man noemde zich [verdachte] .
Het was puur toeval dat ik die man daar trof. Ik wist dat mijn vader bezig was met een huurachterstand terug te vorderen bij mensen die een huurschuld bij hem hadden. Ik wist dat mijn vader om die reden een incassobureau in de hand had genomen. (…) Mijn vader heeft die avond ruim vierduizend euro betaald aan [verdachte] . [verdachte] gaf ook aan dat het uitbetalen na het faillissement van die derde vennoot enkel maanden zou duren maar dat ze ook een kredietmaatschappij in handen konden nemen die de schuld van [betrokkene 1] , die failliet verklaard was, over zou nemen, zodat die kredietmaatschappij onmiddellijk mijn vader zou uitkeren en zelf de (het hof begrijpt: vordering) later zouden verhalen. Er moest hiervoor wel 8 procent provisie betaald worden. Later kwam [verdachte] met [F] op de proppen als kredietmaatschappij. Het klonk op dat moment niet ongeloofwaardig. (...) Op de dag voor de kerst, 24 december 2014, ontving mijn vader nog een email van [verdachte] waarin hij schreef dat er nogmaals provisie moest worden betaald. Deze betaling moest onmiddellijk gedaan worden omdat [F] , die mijn vader zou uitkeren, anders niet op tijd, voor 7 januari 2015 zou uitkeren.
Op de 23e december 2014 had mijn vader ook nog een mail gekregen waarin was vermeld dat hij nog 2 facturen diende te betalen alvorens er kon worden uitgekeerd. Omdat mijn vader dan weer naar de bank moest om dat te betalen heb ik die 2 laatste facturen, een bedrag van Euro 4306,88 via internet betaald aan [verdachte] .
De factuur van de 7 procent provisie die nogmaals betaald moest worden heb ik op de 29e december 2014 ook via internet betaald aan [verdachte] . Hierop kwam bericht dat dit geld zogezegd niet was aangekomen en dan heeft mijn vader deze factuur nogmaals betaald op de 30e december. Dit was dus tweemaal een bedrag van Euro 4677,64. [verdachte] had per email gereageerd naar mij dat mijn betaling van de 29e december niet was binnengekomen. Ik vond dit vreemd. Ik heb toen mijn bank, de ASN bank, gebeld en gevraagd hoe dit mogelijk was, want bij mij was het bedrag wel afgeschreven. (…) Ik had ook geen zin om die tweemaal te betalen. Volgens de ASN bank kon dit ook niet en zou het geld gewoon bij [verdachte] binnengekomen moeten zijn. Ik had het ook als spoedbetaling overgemaakt en dan had het uiterlijk de 30e op zijn rekening moeten staan. Ik vertelde dit tegen mijn vader en had hem gezegd dat hij niets moest doen en dat ik het zelf zou regelen en dat, als er toch nog opnieuw betaald moest worden, ik dat zelf zou doen. Mijn vader drong er op aan om toch nog maar opnieuw te betalen voor de zekerheid. Ik heb dit dan gedaan. [verdachte] had ook aangegeven dat mocht het dubbel betaald zijn ik het geld terug zou krijgen.
Mijn vader was, toen hij al 3 uur niets meer van mij had gehoord, die 30e december ook nog naar de bank gegaan en had die rekening ook nog betaald. Die rekening van in totaal Euro 4677,64 is nu dus drie keer betaald.
Ik heb een paar keer telefonisch contact gehad met [verdachte] op zijn mobiele nummer 06- [...] , dit was op 30 december 2014 om 14.41 uur, 14.44 uur en 14.46 uur. Die gesprekken werden iedere keer afgekapt omdat [verdachte] iedere keer buiten bereik was.
Ik heb naderhand nog een paar keer per email contact gehad met [verdachte] .
Er is door [verdachte] nooit geld aan mij of mijn vader terugbetaald.
Ik ben nu benadeeld voor bijna Euro 15.000.
Wat is nu het eerste waar je aan denkt?
Ja, ik weet er van. Ik weet dat hij aangifte heeft gedaan en dat er dingen mis zijn gegaan.
V: Wat is er mis gegaan?
A: Hij had een opdracht aangeboden om te incasseren en kwam binnen via [K] . (...) Die heb ik aangenomen die opdracht. Ik was van plan dat te gaan incasseren. [aangever 1] heeft voorschotten betaald voor werkzaamheden die verricht zouden worden. Maar die werkzaamheden zijn nooit uitgevoerd. (…) V: Je zegt dat die werkzaamheden niet uitgevoerd zijn. Waarom niet?
A: Omdat het geld waar ik in voorschot rekende meteen gebruikte voor andere zaken en mijn eigen schulden te betalen. Dat geld was er op dat moment niet. [aangever 1] heeft vele malen contant betaald en hij zat in het onroerend goed en waarom zou je al die voorschotten voor zo'n hoog bedrag betalen.
V : Om wat voor een bedrag ging het?
A: Ongeveer 50.000 euro.
V : Hoeveel werd er contant betaald?
A: de helft.
V: Wat is er met dat geld gebeurd.
A: Dat is naar schulden gegaan en andere zaken, opdrachtgevers. (…) V: Dus [aangever 1] heeft voor 50.000 euro aan voorschotten betaald voor werkzaamheden die niet uitgevoerd zijn.
A: Dat klopt. Ik heb met dat geld het ene gat met het andere gevuld in mijn privé situatie en in mijn zaak om andere opdrachtgevers verder te helpen.
V: waarom is het niet tot de uitvoering van die werkzaamheden gekomen?
A: Geen geld.
V: Waarom blijf je dan facturen versturen?
A: Om toch geld binnen te krijgen om de andere schulden mee af te betalen. (…) V: Werden alle facturen door [aangever 1] betaald? (…) A: Ja.
V: Werden alle facturen in 1 keer betaald of kon dat zijn dat het meerdere keren hetzelfde factuur werd gestuurd?
A: nee, die hadden andere factuurnummers. Hij betaalde alles in 1 keer en niet in delen. (…) V: [aangever 1] heeft een spoedbetaling moeten doen. Weet je nog waarom?
A: Dat zou wel kunnen. Nee.
V: Maar waarom laat je iemand een spoedoverboeking doen voor werkzaamheden die je niet gaat verrichten?
A: Dan zal ik ongetwijfeld op dat moment dat geld ergens hard voor nodig hebben gehad. Maar waarvoor kan ik u niet zeggen. Er moest gewoon geld binnen komen, daarom, heb ik dat zo gedaan.
Ten aanzien van aangever [aangever 3] 8. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 6] , BOA domein generieke opsporing van politie Eenheid Den Haag, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 21 februari 2015, (…) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 3]: (…) Mijn naam is [aangever 3] , eigenaar van een eenmansbedrijf, welke is genaamd [A] , welke is gelegen aan de [c-straat 1] , te [plaats] .
Ik doe aangifte van oplichting. Ik ben opgelicht voor een bedrag van ongeveer 15 duizend euro door [C] C.V. (...) Ik heb [C] C.V middels internet gevonden. Dit middels Google. Mijn contact persoon bij [C] C.V was [verdachte] . (…) Ik heb uiteindelijk hiervoor dus [C] C.V in de arm genomen om het resterende bedrag van 1187,58, bij kinderdagverblijf [L] , voor mij, middels een rechtszaak te innen.
Ik heb de meeste contacten gehad met [verdachte] middels de mail en een inlogsite voor klanten van [C] C.V. Dit ging middels de site www. [C] .nl. Hier kon je als zijnde klant zien wat er al voor je was gedaan en hoe de zaken in het online-dossier waren weggeschreven. Tevens kon je hier gesprekken voeren met de medewerkers en dus ook met [verdachte] . (…) Ik heb op verzoek van [verdachte] steeds facturen betaald als zijnde voorschot op de rechtszaak. Dit zijn bedragen variërend van 63,00 euro tot 1500,00 euro. (…) Ik heb alle gevraagde bedragen gestort op rekening nummer: [...] ten name van [C] . (…) Op een gegeven moment kreeg ik op 2 januari 2015 middels mijn persoonlijke email (...) het bericht dat het bedrijf [C] C.V zou worden overgenomen door een bedrijf welke is genaamd [F] B.V, gevestigd en kantoorhoudend aan de [d-straat 1] , te [plaats] .
Ik kreeg in deze mail een voorstel voor overname van vordering. (...) Ik zou hier een provisie van 15% moeten betalen voor het te vorderen bedrag van 8.171,52 waar naar toe het verschuldigde bedrag van kinderdagverblijf [L] inmiddels was opgelopen. Dit door de proceskosten welke ik vooralsnog steeds heb voorgeschoten.
Ik heb zelf wat rekenwerk gedaan en ik kwam tot de ontdekking dat dit bovengenoemde bedrag niet klopte. Ik heb hierop contact opgenomen met de firma [F] aangezien ik meer had betaald dan wat er in de email beschreven stond. (…) Het telefoonnummer van [F] heb ik gezocht/gevonden op internet.
Deze ontbrak namelijk in de email. Ik heb hierop telefonisch contact opgenomen met Firma [F] en gevraagd naar [betrokkene 3] , Assistent financial director, de ondertekenaar van mijn email.
Ik heb mijn verhaal aan de telefoon uitgelegd. Eerst aan de klantenservice, meerdere keren doorgeschakeld en uiteindelijk na een paar weken heb ik besloten door middel van nog een (1)telefoontje naar [F] , om de email welke ik had gehad van de overname van het bedrijf [C] , om deze te mailen naar [F] .
Hierop heb ik op dezelfde dag, dinsdag 17 februari 2015, een email gehad van een gerechtsdeurwaarder. Deze is genaamd [M] . De ondertekenaar van de email is [betrokkene 4] . (...) de inhoud komt neer op het feit dat er meerdere personen zijn, welke zijn oplicht door [C] C.V, welke uiteindelijk de naam van het bedrijf [F] B.V valselijk misbruikt/gebruikt om personen wederom op lichten.
V: [aangever 3] had je volgens mij al genoemd toch?
A: Ja, en wat betreft deze zaak is het hetzelfde als de voorgaande zaken. Ik heb die werkzaamheden niet verricht maar het geld ontvangen en dat geld gebruikt om andere rekeningen te betalen. Het gat weer te dichten. Ik wist op dat moment, dus het moment van het maken van de factuur, dat die werkzaamheden niet verricht gingen worden.
Ten aanzien van aangever [aangever 4] 11. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 7] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 3 februari 2015, (…) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 4]: (…) Ik doe aangifte namens mijn bedrijf [B] BV te [plaats] . (…) Ik zal u in het kort vertellen wat er is voorgevallen. De verdachte [verdachte] heeft zich bij mijn bedrijf gemeld en zich voorgedaan als incassobedrijf. Ik weet nu niet meer of dit allemaal waar is. Hij wilde voor mijn bedrijf werkzaamheden gaan doen. Ik ben met hem in zee gegaan. Op basis van “No cure no pay” heeft hij een zaak (…) gekregen. Na een aantal weken kwam hij retour met geen resultaat. Hij stelde voor om een rechtszaak te starten. Dat zou haalbaar zijn. Ik heb 2211,69 betaald om die zaak te starten.
Een dag later moest daar nog 226,45 bij omdat hij een foutje had gemaakt. (…) Een week later nam hij contact op dat er een partij was die de vordering zou willen overnemen. Dit betekend dat er dan door die partij een rechtszaak aangevangen zal gaan worden en ik afstand moet tekenen van mijn gedeelte. Ze kopen mij dan eigenlijk uit de zaak en gaan zelf verder met de vordering.
Ik zou dan 6500 euro retour krijgen, dit na een eerste betaling van 3957,87. Het bedrijf die dit zou gaan regelen heet [F] . Dit is inderdaad een bestaand bedrijf. Maar naar later bleek niets wist van dit alles.
Dit hebben we in eerste instantie geweigerd en hebben contact opgenomen met ABNAMRO bank die ons het unieke betalingskenmerk [...] hebben gegeven van de betaling. Dit kenmerk is aan [verdachte] doorgegeven, waarna hij contact heeft opgenomen met zijn bank de ING bank. Daarna belde hij terug en liet ons een opname horen van het telefoongesprek tussen hem en een medewerker van de bank, waarin werd aangegeven dat er geen betaling was aangekomen met dit kenmerk, terwijl wij ervan overtuigd waren alles goed te hebben ingevuld, de betaling is gedaan op rekening nummer [...] tnv [C] C.V.
Na enig argwaan te hebben gekregen, hebben we contact opgenomen met [F] in [plaats] en gevraagd of we [betrokkene 3] mochten spreken die immers het voorstel tot overname van vordering heeft ondertekend. Helaas bleek [betrokkene 3] hier onbekend te zijn. Na [verdachte] opnieuw telefonisch te hebben benaderd en om uitleg vroegen, was het antwoord dat [betrokkene 3] in Luxemburg voor [F] werkzaam was en hij haar telefoonnummer niet kon geven. Het was inmiddels 15:30 uur en er werd behoorlijk druk op ons uitgeoefend om vooral nogmaals de betaling van € 3.957,87 te doen omdat deze nog steeds niet was bijgeschreven. Uiteindelijk werden wij gebeld door [betrokkene 3] , die aangaf dat het allemaal in orde was en ons adviseerde ervoor te zorgen dat de betaling vandaag nog op de rekening moest staan van [C] , omdat anders de transactie geen doorgang kon vinden. Via de SMS is aan het einde van de middag nog contact geweest met [verdachte] .
Hij benaderde ons per telefoon met het voorstel om de betaling via het rekening nummer van zijn medewerker bij ABNAMRO te laten lopen, omdat onze rekening ook bij ABNAMRO is en de betaling dan direct binnen zou komen. Uiteindelijk na een drukke werkweek hebben we toch rond 16:30 uur de betaling van € 3.957,87 nogmaals uitgevoerd naar de verkregen rekening [...] t.n.v [betrokkene 5] . Om 17:51 uur kregen we per SMS de bevestiging van [verdachte] dat de betaling was ontvangen op de rekening van de collega bij ABNAMRO.
V: Wat is nu het eerste waar je aan denkt?
A: Hetzelfde geval als [aangever 1] . Hier is precies hetzelfde gebeurt als het verhaal van [aangever 1] . (…) V: Wat is dat verhaal?
A: Dat daar facturen zijn gestuurd en dat ik met dat geld andere verrichtingen heb gedaan dan de werkzaamheden waarvoor ik de factuur heb verstuurd en betaald heb gekregen. (…) V: Heb jij de naam van [F] misbruikt in de brieven naar je klanten om hen zo te bewegen dat ze het geld zouden overmaken?
A: Ja.
V: Had jij contacten bij [F] ?
A: Nee.
V: Je hebt dus doelbewust de naam van [F] gebruikt om geld los te krijgen van je klanten? (…) A: Ja.
V: Heb je bewust de brief van [F] nagemaakt om geld te krijgen van de klant?
A: Ja. (...) V: Hoe heb je dat gedaan?
A: Ik heb het logo van internet afgehaald en via paint of Word het logo geknipt op een brief. Ik wilde de klanten laten denken dat de vordering was overgenomen om geld van ze los te krijgen. (…) V: Alle facturen werden betaald op de rekening van [C] CV toch?
A: Ja.
V: Aan het einde van de dag besloot AANGEVER om het geld over te maken aan een medewerker van [verdachte] . Wie zou dat kunnen zijn?
A: Als hij het heeft overgemaakt naar iemand anders dan zou dat [betrokkene 5] kunnen zijn geweest.
V: Wie is [betrokkene 5] ?
A: Dat is een kennis. Het is een vrouw genaamd [betrokkene 5] .
V: wist zij dat er geld op de rekening zou komen?
A: Ja.
V: Wat is er met dat geld gebeurd?
A: Opgenomen door haarzelf.
V: Wat heeft zij daar mee gedaan?
A: dat heeft ze aan mij gegeven. (...) V: Wat vertelde je tegen [aangever 4] waardoor hij nog een keer hetzelfde bedrag en hetzelfde factuur heeft overgemaakt.
A: Waarschijnlijk hetzelfde als tegen [aangever 1] . Dat het geld niet binnen was gekomen. Blijkbaar heb ik er niet op kunnen wachten en heb ik nog een keer gebeld om het geld over te maken. (…) V: Waar had je het zo hard voor nodig?
A: dat weet ik niet meer.
V: Waarom zou hij het nog een keer overmaken, als het van zijn rekening is afgeschreven?
A: Omdat ik denk ik gebeld heb dat het niet binnen was.
V: Zou het kunnen dat je wist dat de klant het geld nog wel een keer zou overmaken en je het om die reden nog een keer gevraagd hebt. Puur om nog meer geld te krijgen.
A: Ja 14. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een factuur, gedateerd 22-01-2015, (…) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Ten aanzien van de aangever [aangever 5] 15. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 8] , BOA domein generieke opsporing, aktenummer [...] van politie Eenheid Noord-Holland, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 24 april 2015, (…) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 5]: (…) Ik heb een administratie en advies bureau genaamd " [E] " aan huis. Mijn woning is gelegen aan de [e-straat 1] te [plaats] . ‘Bij een eerdere in gebreken gebleven debiteur heb ik incassobureau " [C CV] (Commanditaire Vennootschap)" ingeschakeld, dit was toentertijd goed bevallen. (…) Daarom heb ik in februari 2015 dit bureau weer ingeschakeld voor een mevrouw die een betalingsachterstand had van 986,- euro.
Op vrijdag 27 februari 2015 had ik telefonisch overleg met [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , eigenaar van het incassobureau. Hierin werd mij uitgelegd dat de klant niet akkoord ging met de vordering en dat daarom een procedure bij de rechtbank gestart moest worden.
Om deze procedure te bekostigen werd er door [C] om 12:27 uur een factuur gestuurd per email (emailadres: info@ [C] .nl) van 654,84 euro. Als het Vonnis in mijn voordeel zou zijn, zou ik dit bedrag teruggestort krijgen. De email werd onderschreven door [verdachte] . Ik heb deze dag het bedrag middels internetbankieren vanaf mijn bankrekening Rabobanknummer: [...] , overgemaakt naar bankrekening [...] ten name van [C] .
Op dinsdag 17 maart om 14:35 uur ontving ik een email van [C CV] waarin ik las dat er twee facturen diende betaald te worden in verband met de kosten van de Jurist die mij zou vertegenwoordigen bij de rechtszitting die zou plaatsvinden op vrijdag 20 maart 2015 zodat ik niet aanwezig hoefde te zijn. Dit waren twee bedragen van 750,25 euro en 296,50 euro die ik op deze dag middels internetbankieren heb overgemaakt.
Vervolgens ontving ik per email van [C] op woensdag 25 maart 2015 om 11:38 uur nog een email waarin ik las dat het vonnis aan mij was toegewezen. Hierin las ik een overzicht van de verrichte werkzaamheden en het nieuwe vorderingsbedrag op mijn klant.
Ik las ook dat er en deurwaarder ingezet moest worden waarvoor ik een factuur ontving per email op deze dag om 13:21 uur. De kosten zouden dan later verhaald worden op mijn klant. Het bedrag van de factuur à 1.231,37 euro heb ik overgemaakt op donderdag 26 maart 2015 naar [C] .
Eind maart 2015 heeft [verdachte] mij een aantal keer bericht per email dat hij het bedrag van 1.231,37 niet had ontvangen. Ik heb het daarna aangetoond met behulp van de Rabobank dat ik het bedrag wel had overgemaakt. [verdachte] bleef ontkennen dat het aangekomen was. Om alles toch in gang te kunnen zetten heb ik op 25 maart 2015 een bedrag van 617,- euro overgemaakt.
Omdat ik toen al achterdocht kreeg heb ik verzocht om aan te tonen welke werkzaamheden zij voor mij hadden verricht voor dat bedrag. Ik heb hiervan nooit bericht ontvangen.
Toen werd ik op donderdag 2 april 2015 gemaild door [verdachte] dat hij nog een bedrag misgelopen was van 307, toen ik [verdachte] belde naar telefoonnummer: 06- [...] , hoorde ik hem zeggen dat deze bankrekening geblokkeerd was.
Toen heb ik gezocht op internet bij de kamer van koophandel en zag ik dat het bedrijf [C] al op 24 maart 2015 failliet was verklaard. Ik begrijp hierdoor dat ik ben opgelicht.
Ook heeft mijn advocaat gesproken met de klant die aangaf het geld van 500,- euro overgemaakt te hebben naar [C] , dat het binnen is gekomen heeft [verdachte] mij ook bevestigd. Ook hoorde ik dat er tegen de klant helemaal geen procedure was gevoerd bij de rechtbank.
Om de procedure via de rechtbank te bekostigen moest aangever een bedrag overmaken.
Als het vonnis in voordeel van aangever zou uitpakken dan zou hij dat geld weer terugkrijgen. Aangever heeft dat geld overgemaakt. Een dag later ontving aangever via de mail twee facturen die betaald moesten worden i.v.m. een jurist die hem zou vertegenwoordigen bij de rechtszitting. Aangever heeft deze rekeningen betaald middels internetbankieren."
V: Je geeft aan dat je werkzaamheden verricht hebt, heb je dat ook gedaan?
A: Dat denk ik niet.
V: Waarom verstuur je dan toch die facturen?
A: uiteindelijk heb ik geen werkzaamheden verricht en is het geld verbruikt aan andere zakelijke doeleinden.
V: Hij is benadeeld voor een bedrag van 3845,14 euro.
A: Oke.
V: hij heeft voor een opdracht van 986 euro een bedrag van 3845 euro betaald. Hoe kan dat?
A: Werkzaamheden in dienst (het hof begrijpt: in rekening) gebracht die niet uitgevoerd zijn.
Ten aanzien van de aangever [aangever 6] 17. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 9] (…), BOA domein generieke opsporing, aktenummer [...] van politie Eenheid Rotterdam, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 28 februari 2015, (…), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 6]: (…) Ik doe aangifte tegen [verdachte] , verdere gegevens onbekend welke eigenaar is van [C] . (…) Ik zal u verklaren wat er aan de hand is.
Ik heb een eigen schoonmaak bedrijf met de naam [H] , gevestigd [f-straat 1] te [plaats] .
Ik had een klant welke niet aan zijn betaalplicht voldeed waarop ik een incassobureau heb moeten inschakelen. Dit incassobureau was [C] C.V., KvK [...] gevestigd [g-straat 1] [plaats] , telefoonnummer [...] .
Via de website www. [C] .nl heb ik contact opgenomen met de eigenaar van [C] zijnde [verdachte] . [verdachte] vertelde dat hij mijn zaken wilde behartigen en zou de crediteur aanschrijven. Ik vertrouwde het wel en ging met [verdachte] in zee.
Het contact liep via de website waarop ik in kon loggen zodat ik de voorgang van mijn dossier kon bijhouden.
Ik zag dat de brief in behandeling was genomen en ik ging ervan uit dat [verdachte] de financiële afhandeling was gestart, dit was echter niet het geval. Ik ontving rekeningen voor vervolgstappen voor een deurwaarders brief, bezoek aan de crediteur, opstarten rechtszaak, punten salaris jurist. Op dat moment begon ik te twijfelen en kreeg een gevoel dat [verdachte] mij aan het oplichten was. Ik heb verschillende mailtjes gestuurd naar [verdachte] waarin ik aangaf dat ik de zaak niet vertrouwde en de zaak wil stoppen en ook mijn geld terug wilde hebben omdat [verdachte] aan had gegeven dat hij op basis van No cure No pay werkte. (…) [verdachte] kwam keer op keer met verschillende smoesjes. Van deze mail wisseling heb ik een heel dossier, deze stel ik u ter beschikking mocht dit nodig zijn voor verder onderzoek.
Via de mail kreeg ik van [verdachte] te horen dat er een rechtszaak was opgestart op 18 juli 2104, omstreeks 13:30 uur. Welke rechtbank weet ik niet want dat vermeld de mail van [verdachte] niet.
Om een lang verhaal kort te maken kreeg ik niets meer te horen over de voortgang van de rechtszaak, wel dat het goed was verlopen, dat de crediteur aanwezig was en dat het vonnis toegekend was maar dat het nog wel vier weken zou kunnen duren. Ondertussen bleven de facturen van [verdachte] binnenstromen en kreeg ik een onbehagelijk gevoel en vroeg [verdachte] naar het vonnis zoals deze was uitgegeven door de rechtbank. [verdachte] bleef om de feiten heen draaien en heeft nooit het vonnis aan mij opgestuurd. Ik ben toen zelf een onderzoek gestart en heb ik met de bewindvoerder van de crediteur contact gehad. Deze bewindvoerder vertelde dat zijn cliënt nooit op de rechtbank is geweest en ook geen brieven hier omtrent te hebben ontvangen. Ik heb [verdachte] via de mail laten weten dat ik het idee had dat ik opgelicht werd door hem en vroeg hem gespecificeerde rekeningen te sturen en nogmaals de vraag om het vonnis in handen te krijgen. Ik heb [verdachte] ook een ultimatum gesteld van 24 uur. Ondertussen had ik rekeningen aan [verdachte] voldaan voor een bedrag van euro 1500,00 en heb [verdachte] ook medegedeeld dat ik niets meer zou betalen als ik geen inzage in mijn dossier zou krijgen. (…) Ik heb geen geld meer overgemaakt aan [verdachte] omdat ik ondertussen geïnformeerd had wat zo'n zaak mocht kosten. Dit was ongeveer euro 300,00.
A: Dat klopt. Hetzelfde als de zaken hiervoor. Ik heb die werkzaamheden niet verricht maar het geld ontvangen en dat geld gebruikt om andere rekeningen te betalen, het gat weer te dichten.
Ten aanzien van de aangever [aangever 7] 19. Het als bijlage bij voormeld hoofdproces-verbaal in de wettelijke vorm door [verbalisant 10] (…), BOA domein generieke opsporing van politie Eenheid Den Haag, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 juli 2016, (…), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever 7]: (…) Ik doe aangifte van oplichting door [C] C.V, postbus [...] te [plaats] .
Ik heb in 2014 geld uitgeleend aan [betrokkene 6] , wonende op de [h-straat 1] te [plaats] . Ik heb [betrokkene 6] herhaaldelijk gevraagd om het geleende geld terug te betalen aan mij.
Ik heb echter het aan haar uitgeleende geld nooit teruggekregen.
In juni 2014 ben ik op zoek gegaan via het internet naar een incassobureau. Ik vond op internet het bedrijf [C] C.V. (…) Ik heb via de mail contact opgenomen met het bedrijf en gevraagd of het incassobedrijf mij kon helpen om de 400 euro terug te krijgen van [betrokkene 6] .
Op 3 juni 2014 heb ik de eerste factuur van [C] gehad. Dit was een factuur van 232,95 euro om een brief te sturen naar [betrokkene 6] . [C] heeft namens mij een brief gestuurd naar [betrokkene 6] met dagtekening 04-06-2014 waarin zij werd gesommeerd om een bedrag van 474,21 euro binnen 5 dagen te betalen aan [C] . (…) Na de eerste factuur heb ik in de loop der tijd nog 8 andere facturen gehad van de firma [C] . Het totaal aan facturen is een bedrag van 10.586,24 euro. Ik heb al deze facturen betaald.
Het is voorgekomen dat ik sommige facturen meerdere malen heb betaald omdat [C] aangaf deze betaling niet te hebben ontvangen. Omdat het op een gegeven moment de facturen zo hoog werden heb ik deze in delen betaald.
Ik heb in totaal 14866,- euro betaald aan [C] . Ik heb 21 maal een bedrag overgemaakt op de girorekening [...] en 1 maal een bedrag op de rekening van [betrokkene 5] te weten [...] .
Ik heb het gevoel te zijn opgelicht doordat ik via mooie praatjes en door een samenweefsel van verdichtsels ben bewogen tot afgifte van 14866,- euro.
V: (...) Bij hem is het begonnen. Ik heb hem dubbel laten betalen. En dat om extra geld binnen te krijgen, gewoon om alle gaten te dichten en te kunnen leven zoals ik leefde op dat moment.
Rekening [...] ( [...] ) [C CV] [g-straat 1] [plaats] . (…) [...] betreft een zakelijke rekening van [C CV] . Op deze rekening is te zien dat: (…) Op deze rekening van [C] wordt in het jaar 2014 en 2015 totaal 87.040,11 bijgeschreven door de 6 aangevers.’ 6. Aan de bewezenverklaring van feit 1 heeft het hof de volgende bewijsoverweging gewijd: ‘Overweging met betrekking tot het bewijs Ten aanzien van feit 1:
Inleiding Verdachte heeft in en vóór de ten laste gelegde periode een incassobureau, genaamd [C] , (opeenvolgend) als eenmanszaak, commanditaire vennootschap en als besloten vennootschap geëxploiteerd. Klanten konden zich tot verdachte wenden om openstaande vorderingen door hem te laten incasseren, eventueel met gebruikmaking van een deurwaarder. Verdachte heeft zijn klanten facturen verstuurd in verband met te verrichten of reeds verrichte werkzaamheden. Volgens verdachte heeft hij in een aantal zaken ook daadwerkelijk werkzaamheden verricht, maar heeft hij ook steken laten vallen. Door wijziging in de regelgeving met betrekking tot de bedrijfsvoering en door een te hoog privé uitgavepatroon is verdachte in de financiële moeilijkheden gekomen. Hij heeft daarom het geld van aangevers deels voor privézaken en deels voor andere zaken aangewend. Aangevers in deze zaak hebben zich op enig moment tot verdachte gewend en hebben verdachte opdracht gegeven om openstaande vorderingen te innen. Ze hebben gesteld dat zij hebben moeten betalen voor nooit verrichte werkzaamheden en dat zij door verdachte zijn opgelicht.
Standpunt verdediging De verdediging heeft in hoger beroep aangegeven dat de intentie van verdachte in beginsel goed was en gesteld dat de pleegperiode in de zaken van alle zes aangevers dient aan te vangen met het moment van betaling van de eerste factuur en niet op 1 januari 2014. Voorts heeft de verdediging betoogd dat er geen sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid.
Oordeel Hof Voor een bewezenverklaring van oplichting is het volgende door de Hoge Raad geschetst kader van belang (Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889).
Niet iedere vorm van bedrog - bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling - en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin levert op het misdrijf oplichting.
Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in de delictsomschrijving opgenomen oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.
Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. De in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een ‘bonafide’ deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte in de uitvoering van een incassobureau de aangevers in deze zaak facturen heeft gestuurd betreffende incassowerkzaamheden, wetende dat hij die werkzaamheden niet had verricht, noch zou gaan verrichten. Verdachte heeft door zo te handelen zich in ieder geval ten aanzien van de aangevers ten onrechte voorgedaan als een bonafide incassobureau. Daarnaast heeft verdachte zich telkens ook nog bediend van een of meer andere oplichtingsmiddelen.
Ten aanzien van de ten laste gelegde periode overweegt het hof dat, gelet op het geringe verschil in de door de verdediging voorgestelde pleegperiode en de ten laste gelegde pleegperiode, het verschil in duur van die perioden voor de strafwaardigheid en de op te leggen straf niet uitmaakt, zodat (al) om die reden het hof de pleegperiode in de bewezenverklaring niet zal beperken.’ Het eerste middel 7. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring in het bijzonder voor zover inhoudend dat de verdachte ‘(telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen’ zes personen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen niet steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.
Dat het hof deze (onderdelen van de) verklaring van de verdachte ‘klaarblijkelijk’ redengevend heeft geacht, zou ernstig afbreuk doen aan de begrijpelijkheid van de bewijsconstructie. Dat de verdachte voorschotten in rekening heeft gebracht die daarna werden gebruikt om andere rekeningen te betalen of zelfs vroeg om dubbele betalingen doet daaraan niet af, aldus de steller van het middel, omdat de mogelijkheid open blijft dat de verdachte een goede intentie had. Dat de verdachte door het blijven factureren zijn (civielrechtelijke) verplichtingen niet meer na kon komen, zou nog niet impliceren dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Alleen bij de aangever [aangever 3] zou, zo begrijp ik, uit de bewijsmiddelen volgen dat de verdachte met het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling heeft gehandeld.
Zijn dochter verklaart ook over het meermalen betalen van een rekening rond de kerst van 2014 (bewijsmiddel 5). De verdachte verklaart in verband met de aangifte van [aangever 1] dat er ‘dingen mis zijn gegaan’. Hij geeft aan dat hij de opdracht van [aangever 1] heeft aangenomen en ‘van plan (was) dat te gaan incasseren’. Hij geeft daarna aan dat [aangever 1] voorschotten heeft betaald voor werkzaamheden die verricht zouden worden maar nooit zijn uitgevoerd (bewijsmiddel 6). Het hof heeft uit deze bewijsmiddelen de bewezenverklaring voor zover betrekking hebbend op aangever [aangever 1] en zijn dochter, in het bijzonder voor wat betreft het oogmerk van de verdachte, kunnen afleiden. Daaraan doet niet af dat het hof kennelijk geloof heeft gehecht aan de verklaring van de verdachte voor zover inhoudend dat hij (aanvankelijk) van plan is geweest de opdracht te gaan incasseren.
Want dat (aanvankelijke) voornemen doet er niet aan af dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte nadien met het bewezenverklaarde oogmerk facturen heeft opgesteld en verstuurd aan aangever [aangever 1] in verband met (onder meer de in de bewezenverklaring omschreven) niet verrichte werkzaamheden (waaronder het hof kennelijk mede heeft begrepen: werkzaamheden die nooit zouden worden verricht). En dat hij met datzelfde oogmerk vervolgens heeft aangegeven dat hij het bedrag van de facturen niet had ontvangen en aan aangever heeft verzocht om nogmaals het bedrag over te maken (waarna dubbele betalingen volgden). Ik teken daarbij aan dat van handelen ‘met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen’ sprake is als de verdachte besefte dat dit handelen die wederrechtelijke bevoordeling ‘als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht’.
Na ontkenning door de verdachte dat dit bedrag was overgekomen heeft aangever nog een bedrag overgemaakt. Aangever heeft nadien vernomen dat tegen de klant helemaal geen procedure is gevoerd bij de rechtbank (bewijsmiddel 15). De verdachte geeft toe ‘uiteindelijk’ geen werkzaamheden te hebben verricht en het geld dat aangever heeft betaald te hebben ‘verbruikt aan andere zakelijke doeleinden’ (bewijsmiddel 16). Ook deze verklaring is redengevend voor de bewezenverklaring voor zover betrekking hebbend op aangever [aangever 5] . In deze verklaring ligt besloten dat geen werkzaamheden zijn verricht, terwijl voor die werkzaamheden wel kosten in rekening zijn gebracht. Het hof heeft het woord ‘uiteindelijk’ daarbij kennelijk opgevat en kunnen opvatten in die zin dat in de gehele periode waarin [aangever 5] facturen betaalde geen werkzaamheden zijn verricht.
In de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte ligt niet besloten dat hij ooit van plan is geweest de in rekening gebrachte werkzaamheden daadwerkelijk te (laten) verrichten. Ik wijs er daarbij nog op dat het genoemde telefonisch overleg tussen de verdachte en [aangever 5] op 27 februari 2015 plaatsvond en dat zich bij andere aangevers ( [aangever 1] , [aangever 3] , [aangever 4] , [aangever 6] , [aangever 7] ) op dat moment al een praktijk had ontwikkeld waarin facturen werden verzonden voor werkzaamheden die niet werden verricht.
Een en ander zou geregeld worden door [F] , een bestaand bedrijf dat later van niets bleek te weten (bewijsmiddel 11). Nadien is het bedrag van € 3.957,87 op aandringen van verdachte nogmaals betaald (bewijsmiddel 12). Verdachte verklaart dat met [aangever 4] ‘precies hetzelfde’ gebeurd is als met [aangever 1] , dat facturen zijn gestuurd en het geld voor andere doeleinden is aangewend en dat de naam van [F] is misbruikt (bewijsmiddel 13). Aangever [aangever 6] nam contact op met [C] C.V. vanwege ‘een klant welke niet aan zijn betaalplicht voldeed’. Hij ontving rekeningen voor ‘een deurwaarders brief, bezoek aan de crediteur, opstarten rechtszaak, punten salaris jurist’ en betaalde rekeningen voor een bedrag van € 1.500,00 (bewijsmiddel 17).
Verdachte verklaart dat het hier hetzelfde is ‘als de zaken hiervoor’; hij heeft de werkzaamheden niet verricht en het geld gebruikt om andere rekeningen te betalen. Aangever [aangever 7] heeft incassobureau [C] C.V. in de arm genomen in verband met een onbetaalde rekening van € 400,00. De eerste factuur, van 3 juni 2014, betrof een rekening van € 232,95 voor het sturen van een brief. In totaal heeft [aangever 7] 21 bedragen betaald tot een totaal van € 14.866,00; sommige facturen zijn meerdere malen betaald omdat [C] C.V. aangaf dat de betaling niet was ontvangen (bewijsmiddel 19). Verdachte heeft verklaard dat het bij [aangever 7] is ‘begonnen’ en dat hij hem ‘dubbel (heeft) laten betalen.
En dat om extra geld binnen te krijgen, gewoon om alle gaten te dichten en te kunnen leven zoals ik leefde op dat moment’ (bewijsmiddel 20).
Ik wijs in dit verband ook op de verklaring van verdachte in relatie tot de aangifte van [aangever 3] : ‘Ik wist op dat moment, dus het moment van het maken van de factuur, dat die werkzaamheden niet verricht gingen worden’ (bewijsmiddel 9). Ook zonder expliciet te refereren aan de constructie van schakelbewijs heeft het hof deze verklaring mede redengevend kunnen achten voor de bewezenverklaring in zoverre deze op sterk vergelijkbare gedragingen in relatie tot andere aangevers betrekking heeft. Deze verklaringen van de verdachte weerspreken ook dat sprake was van ‘goede intenties’; het welbewust dubbel laten betalen van de aangevers is evenmin met die gestelde goede intenties verenigbaar. Of de verdachte op enig moment zijn civielrechtelijke verplichtingen niet meer zou kunnen waarmaken, is niet van belang in verband met de bewezenverklaring van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.
Daarvoor volstaat, als gezegd, dat de verdachte besefte dat zijn handelen wederrechtelijke bevoordeling ‘als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht’. Van wederrechtelijke bevoordeling is sprake als de verdachte overgemaakte bedragen niet aanwendt als overeengekomen maar deze ten eigen bate gebruikt voor andere doeleinden, zoals afbetaling van privéschulden. Dat verdachte op die wederrechtelijke bevoordeling niet slechts voorwaardelijk opzet had, ligt in de bewijsvoering besloten. Daarmee is derhalve ook niet sprake van een ‘omslagpunt’ waarop voorwaardelijk opzet zou zijn overgegaan in (minst genomen) noodzakelijkheidsbewustzijn, zoals de steller van het middel meent, en behoefde het hof in de bewijsvoering ook niet een dergelijk omslagpunt vast te stellen.
Het tweede middel 16. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring, in het bijzonder wat betreft het bewijs van de oplichtingsmiddelen en meer in het bijzonder wat betreft het oplichtingsmiddel ‘valse hoedanigheid’ niet steunt op de inhoud van in het arrest opgenomen bewijsmiddelen en/of onvoldoende, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd.
In dat verband heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 31 december 2011 in strijd met de waarheid heeft verzekerd dat hun salaris over de voorafgaande maand was overgemaakt en hun vervolgens – wetende dat geen overboeking had plaatsgevonden – heeft gezegd dat er 'kennelijk bij de bank iets was misgegaan', waarna [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun werkzaamheden voor de verdachte op 3 respectievelijk 4 januari 2012 hebben voortgezet. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte bij het bedrijf [B] vanaf 5 januari 2012 leveringen van bloemen heeft weten te verkrijgen door twee voorafgaande leveringen ter plaatse te betalen en vervolgens met hele en halve leugens over beslaglegging en beweerdelijk door de verdachte verrichte betalingen het onbetaald blijven van die vervolgleveringen te verklaren.
Ten slotte heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte op 26 januari 2012 mondelinge betalingsafspraken heeft gemaakt met het bedrijf [A], terwijl de verdachte wist dat hij, gelet op zijn toen reeds nijpende financiële situatie, zijn verplichtingen naar aanleiding van zijn daarop volgende bestellingen niet zou kunnen nakomen. 's Hofs oordeel geeft gelet op deze vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, en in aanmerking genomen hetgeen de Hoge Raad in zijn arresten van 20 december 2016, ECLI:NL: HR:2016:2889, rov. 2.3.4 en 2.3.6 en ECLI:NL:HR:2016:2892, rov. 2.3.4 en 2.3.6 heeft overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.’ 24. Zoals aangegeven heeft het hof uit de bewijsmiddelen afgeleid en kunnen afleiden ‘dat verdachte in de uitvoering van een incassobureau de aangevers in deze zaak facturen heeft gestuurd betreffende incassowerkzaamheden, wetende dat hij die werkzaamheden niet had verricht, noch zou gaan verrichten’ en dat verdachte ‘door zo te handelen zich in ieder geval ten aanzien van de aangevers ten onrechte (heeft) voorgedaan als een bonafide incassobureau’. In deze overweging en de onderliggende vaststellingen ligt besloten dat de verdachte (met het incassobureau) een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Deze presentatie berust voorts op voldoende specifieke gedragingen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat door gedragingen van de verdachte bij de aangevers de indruk is ontstaan dat de verdachte hun vorderingen op derden zou gaan innen, dat namens hen vorderingsprocedures zijn gestart en gewonnen en dat de vorderingen zouden worden overgenomen door [F] . Verder heeft verdachte facturen verstuurd voor aan incasso te relateren werkzaamheden en konden klanten via de site www. [C] .nl zien ‘wat er al voor je was gedaan’ (bewijsmiddel 8). Voorts kan worden gesproken van misbruik maken van ‘een in het maatschappelijk verkeer geldend verwachtingspatroon’ en van het ‘veelvuldig herhalen van identieke gedragingen in relatie tot telkens weer andere (beoogde) slachtoffers’.
Van een ‘enkele vaststelling dat vooraf duidelijk is dat bepaalde (…) beloftes niet (kunnen) worden nagekomen’ is geen sprake. Al met al kan de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte de valse hoedanigheid van bonafide incassobureau heeft aangenomen uit de bewijsmiddelen volgen en is de bewezenverklaring in zoverre toereikend met redenen omkleed.
Ontzetting van het recht tot uitoefening van bepaalde beroepen 27. Art. 9 Sr kent al sinds 1886 de bijkomende straf van ‘ontzetting van bepaalde rechten’. Art. 28 Sr geeft, eveneens al vanaf 1886, invulling aan de rechten waarvan de veroordeelde, in de bij de wet bepaalde gevallen, kan worden ontzet; daartoe behoort ‘de uitoefening van bepaalde beroepen’. Nadere instructies betreffende de duur van de ontzetting van rechten vloeien voort uit art. 31, eerste lid, Sr. Bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis wordt deze bepaald op ‘een tijd de duur van de hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaar te boven gaande’. Bij afzonderlijke oplegging wordt de bijkomende straf opgelegd ‘voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren’. Deze uitgangspunten gelden ook in gevallen van meerdaadse samenloop, in welk geval de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden opgelost in één straf (art. 60 Sr). De ontzetting gaat in ‘op de dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd’ (art. 31, tweede lid, Sr).
Als de verdachte beroep in cassatie instelt en dit beroep wordt verworpen, gaat de ontzetting van rechten veel later in dan in het geval de verdachte in de veroordeling berust. Daar komt bij dat de verdachte die tot een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren is veroordeeld in beginsel voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld wanneer hij tweederde deel daarvan heeft ondergaan, maar dat op deze regel belangrijke uitzonderingen bestaan (art. 6:2:10 Sv). Ook dat brengt mee dat het voor de rechter lastig kan zijn in te schatten in welke mate de bijkomende straf een aanvulling op de hoofdstraf zal zijn die na de tenuitvoerlegging daarvan effect sorteert.
Aan een voorwaardelijke gevangenisstraf kan een proeftijd van maximaal drie jaren en in sommige gevallen maximaal tien jaren zijn verbonden (art. 14b Sr). Daar komt bij dat aan het opleggen van bijzondere voorwaarden van rechtswege de voorwaarde verbonden is dat de veroordeelde medewerking verleent aan reclasseringstoezicht (art. 14c, derde lid, Sr). Bij de bijkomende straf is toezicht niet geregeld. Een verschil is voorts dat de wet erin voorziet dat de proeftijd begint op ‘de dag dat het vonnis of arrest onherroepelijk is geworden danwel op de dag van de uitspraak indien de rechter dadelijke uitvoerbaarheid beveelt’, en dat de proeftijd niet loopt ‘gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen’ (vgl. art. 6:1:18, eerste en derde lid, Sv).
De ontzetting van het recht tot de uitoefening van een beroep gaat – zo bleek - in op de dag waarop de rechterlijke uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd (art. 31 Sr); in aansluiting op de vrijheidsbenemende straf of een vorm van dadelijke uitvoerbaarheid is niet voorzien.
Vaak wordt gedacht dat het bij genoemde misdrijven handelt om relatief «slachtofferloze criminaliteit». In werkelijkheid is het tegendeel echter het geval. Wat na het plegen van de genoemde misdrijven overblijft zijn groot financieel nadeel voor schuldeisers, belastingschulden aan de Staat en in voorkomende gevallen grote kosten verbonden aan andersoortige schade, bijvoorbeeld milieuverontreiniging, die uiteindelijk ten laste komen van de gemeenschap.
Ook andere vormen van financiële criminaliteit worden gepleegd binnen het verband van een naamloze of besloten vennootschap, of andere rechtspersonen. Gedacht kan worden aan recente «boekhoudschandalen», waarin bestuurders van grote ondernemingen zich willens en wetens onttrokken aan het toezicht dat de overheid op de financiële sector houdt, het publiek misleidden ter zake van de financiële huishouding van de onderneming, en daartoe openbare stukken valselijk op lieten maken. In al deze gevallen is het belangrijk voor ogen te houden dat de strafbare feiten waar het om gaat niet zozeer worden gepleegd door de rechtspersoon, als wel door de natuurlijke personen die de rechtspersoon besturen. Zij maken daarbij vaak op zuiver instrumentele wijze gebruik van het juridische karakter van de rechtspersoon. Het biedt hun ook gelegenheid om te pogen het eigen handelen te verdoezelen en de aansprakelijkheid voor ontstane schade te ontlopen. Daarmee wordt echter nog niet voorkomen dat daders, na executie van hun straf, wederom dezelfde strafbare praktijken ontplooien, met als gevolg wederom benadeling van schuldeisers en schade voor de maatschappij. De vraag dringt zich op, of in geval van veroordeling, niet meer zou moeten worden gedaan om te voorkomen dat personen zich wederom in de positie bevinden om dergelijke misdrijven te plegen.
Ik ben dan ook van mening dat vaker gebruik zou dienen te worden gemaakt van de mogelijkheden om personen in geval van veroordeling voor bepaalde duur het recht te ontzeggen een bepaald beroep uit te oefenen, daaronder begrepen het optreden als bestuurder van een rechtspersoon. Voorts dient het aantal gevallen waarin een dergelijke ontzetting kan worden opgelegd, te worden uitgebreid.’ 44. Waar het de wetgever om gaat, zo kan uit deze passage worden afgeleid, is dat ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder kan voorkomen dat de verdachte opnieuw ‘op zuiver instrumentele wijze’ gebruik kan maken van het juridische karakter van de rechtspersoon, bijvoorbeeld teneinde ‘eigen handelen te verdoezelen’ en ‘aansprakelijkheid voor ontstane schade te ontlopen’. Aanleiding kan ook zijn, zo begrijp ik, dat bestuurders op hen rustende verplichtingen in verband met de boekhouding en openbaarmaking van stukken niet naleven.
In de eerste plaats moeten de verrichtingen die in het kader van de activiteit plaatsvinden een zekere samenhang vertonen, wil er sprake zijn van een beroep. Het gaat er daarbij bijvoorbeeld om dat iemand de diverse taken vervult die bij het desbetreffende beroep behoren. Zo maakt het regelmatig schetsen van bouwplannen iemand nog geen architect als hij de overige aan dit beroep verbonden werkzaamheden niet verricht.
Het tweede aspect betreft de duurzaamheid. Pas wanneer de werkzaamheden met een zekere bestendigheid plaatsvinden, kan van de uitoefening van een beroep worden gesproken. De eenmalige uitvoering van een specifieke last is dus geen beroepsuitoefening. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verschil tussen het optreden als executeur-testamentair in de privé-hoedanigheid van familielid en in de uitoefening van het beroep van notaris.
Niet relevant is verder of betrokkene de werkzaamheid uitvoert als hoofdberoep dan wel als nevenberoep. Het is namelijk goed voorstelbaar dat iemand verschillende beroepen naast elkaar uitoefent. «Beroep» beperkt zich evenmin tot kostwinning. Een bezigheid die praktisch als beroep wordt verricht, verliest het beroepsmatig karakter niet wanneer zij om niet of enkel tegen vergoeding van onkosten wordt verricht. Activiteiten van een zekere samenhang en duurzaamheid kunnen derhalve, ook zonder bezoldiging, worden aangemerkt als het uitoefenen van een beroep.
In de praktijk wordt de wettelijke regeling inzake de ontzetting van het recht tot uitoefening van een bepaald beroep door de rechter ook op deze wijze toegepast. Zo zijn door de rechter in strafzaken bijvoorbeeld de (zakelijke) activiteiten van de opkoper, zaakwaarnemer, nachtverpleger, caféhouder, archivaris, conservator, masseur, turnleraar, arts, apotheker, paranormaal genezer, advocaat, accountant en financieel-adviseur aangemerkt als beroep in de zin van artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr.’ 46. Deze omschrijving loopt niet helemaal synchroon met de uitleg in de literatuur. Fokkens stelt in de betreffende aantekening inderdaad dat men beroep ‘in de meest uitgebreide zin’ mag opvatten, maar verbindt dat aan de uitleg die in HR 30 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1376, NJ 1999/482 aan het begrip ‘beroep’ is gegeven. In die zaak was de verdachte uit het recht tot uitoefening van het beroep van masseur ontzet. En Fokkens neemt vervolgens het standpunt in dat men aan het begrip ‘de betekenis van kostwinning’ kan geven. Onbezoldigde betrekkingen vallen volgens hem buiten het begrip; zij worden zijns inziens nooit met de naam ‘beroep’ aangeduid. Fokkens voegt daaraan toe: ‘Overigens zal een bezigheid die praktisch altijd als beroep wordt verricht dat karakter niet verliezen, wanneer iemand haar gratis uitoefent maar overigens op geheel gelijke voet als gebruikelijk is’. Ik begrijp dat aldus dat een kapper die een klant gratis knipt een beroep uitoefent. Wie zijn of haar partner privé een (gratis) knipbeurt geeft, oefent geen beroep uit. De oriëntatie op het begrip kostwinning is in de toelichting losgelaten en verruild voor een benadering waarin de samenhang en duurzaamheid van verrichtingen de kern vormen.
Binnen het kader van een rechtspersoon kunnen gewoonlijk tal van functies worden onderscheiden. Te denken valt aan accountants, financieel adviseurs, juristen en administratief en commercieel personeel. Niet zelden worden de functies, behorende tot het hogere kader van de rechtspersoon, ook wel aangeduid met het verzamelbegrip «bestuurders». Het gaat dan bijvoorbeeld om de beleidsbepalende en leidinggevende functies. Dit neemt niet weg dat ook deze zogenoemde bestuurders doorgaans ook een bepaalde functie bekleden, bijvoorbeeld die van chief executive officer (CEO), directeur of commissaris. De toepasselijkheid van artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr is daarmee gegeven.
Het voorgaande geldt eveneens voor functies binnen stichtingen en verenigingen. De bovengenoemde in de rechtspraak ontwikkelde criteria om van de uitoefening van een beroep te kunnen spreken zijn ook op activiteiten in het kader van een stichting of vereniging van toepassing. Voor zover binnen een stichting of vereniging dan wel een andere rechtspersoon van geringe omvang geen specifieke differentiatie heeft plaatsgevonden naar afzonderlijke en nader bepaalde functies, kan de rechter met het oog op de toepassing van artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr terugvallen op de ontzetting van het recht tot het beroepsmatig zijn van bestuurder van een vereniging of stichting.
Op de keper beschouwd kan de term «bestuurder» derhalve zowel worden gebruikt als verzamelbegrip voor een aantal ( top )functies die worden uitgeoefend in het kader van een samenhangende bedrijfseconomische activiteit, alsook gelden als benaming voor een werkzaamheid die niet gekoppeld is aan een specifieke functie maar desondanks aangemerkt kan worden als een vorm van beroepsuitoefening in de zin van artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr.
Ook het wetboek zelf biedt overigens aanknopingspunten voor deze interpretatie. Zo benoemt het misdrijf van artikel 336 Sr (bedrog in jaarstukken) onder andere de bestuurder van een rechtspersoon of vennootschap expliciet als normadressaat. Daarbij biedt artikel 339, eerste lid, Sr de mogelijkheid om degene die zich in de hoedanigheid van bestuurder van een rechtspersoon of vennootschap schuldig maakt aan bedrog in jaarstukken, uit zijn beroep te ontzetten.
Ik vermeld hier nog dat in het rapport «De sanctie van ontzetting uit de bevoegdheid bestuurder van een rechtspersoon te zijn, een rechtsvergelijkend onderzoek naar strafrechtelijke en andere beroeps- en bestuursverboden (januari 1998)» van het T.M.C. Asser Instituut, ook wordt gewezen op de mogelijkheid ten aanzien van bestuurders ontzetting uit het beroep te vorderen op grond van artikel 28, eerste lid, onder 5°.
Het OM heeft evenwel in zijn advies een aantal kanttekeningen geplaatst bij het gebruik van het begrip «beroep» met betrekking tot bestuurders. Het OM stelt dat het beter zou zijn om in dit kader te spreken van «functie» en artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr in die zin aan te vullen. Ik zie daar echter geen aanleiding toe. Uit het bovenstaande blijkt dat het begrip «beroep» in de rechtspraktijk ruim wordt uitgelegd. Niet is gebleken dat het begrip «beroep» met betrekking tot bestuurders te beperkt is. Met het advies van de NVvR ben ik van mening dat uiteindelijk de rechter in een concrete zaak zal moeten uitmaken of bepaalde werkzaamheden voldoende specifiek zijn om van een beroep te kunnen spreken en wat de precieze omvang van dat beroep is.’ 49. Kern is de vaststelling dat de term beroep voldoende ruim is om personen die als bestuurders en commissarissen deel uitmaken van de organen van de rechtspersoon (waaronder naast kapitaalvennootschappen tevens stichtingen en verenigingen) als beroepsbeoefenaren aan te merken. Die vaststelling vindt een basis in de elementen die in het voorgaande als kenmerkend voor een beroep aan de orde kwamen. Op de bestuurder van een rechtspersoon rusten uit hoofde van de wet een aantal taken. Alleen al de uitoefening van die taken brengt mee dat er sprake is van verrichtingen die samenhang vertonen; aan die taken zit voorts een aspect van duurzaamheid. Daarbij is aan het zijn van bestuurder veelal een bezoldiging verbonden.
Ook het als nevenfunctie verrichten van werkzaamheden als bestuurder kan derhalve als een beroepsmatige activiteit worden aangemerkt. De begrippen beroep en functie zijn nauw aan elkaar verwant. Naar mijn mening is het begrip beroep evenwel ruimer dan het begrip functie. Het begrip functie wordt voornamelijk gehanteerd om de verschillende posities binnen het kader van een organisatie formeel te duiden. Het begrip beroep is meer verbonden aan het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Geenszins uitgesloten is dat wanneer iemand uit een bepaalde functie zou worden ontzet, deze persoon dezelfde werkzaamheden onder de noemer van een andere functie zou kunnen blijven verrichten. De ontzetting uit een «functie» heeft daarmee naar mijn mening een beperkter bereik, waardoor de sanctie aan effectiviteit inboet.
Bij deze stand van zaken zie ik geen aanleiding om naast de mogelijkheid tot ontzetting uit het beroep te voorzien in de mogelijkheid tot ontzetting uit een «functie».
Deze leden vroegen voorts naar de reikwijdte van de ontzetting uit het beroep. De ontzetting heeft betrekking op het beroep waarin het misdrijf is begaan. Degene die door de rechter is ontzet uit het recht tot uitoefening van het beroep bestuurder, zal die werkzaamheid voor de duur van de ontzetting nergens mogen uitoefenen. De ontzetting is derhalve niet beperkt tot de specifieke betrekking binnen de bij het strafbare feit betrokken rechtspersoon, maar ziet op de werkzaamheden die aan de beroepsuitoefening van de bestuurder verbonden zijn. De desbetreffende werkzaamheden zullen voor de duur van de ontzetting niet beroepsmatig mogen worden verricht.’ 54. Deze passage kan aldus worden begrepen dat de term ‘functie’ naar het oordeel van de Minister aansluit bij aanduidingen als ‘CEO’ en ‘directeur’ en dat voor de term ‘beroep’ en oriëntatie op het begrip ‘bestuurder’ is gekozen omdat daarbij sprake is van min of meer vastomlijnde (deels door de wettelijke regeling gedicteerde) verantwoordelijkheden en bevoegdheden en daarmee werkzaamheden. Dat de tot ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder veroordeelde de betreffende werkzaamheden ‘niet beroepsmatig’ zal mogen verrichten, impliceert dat de betreffende werkzaamheden ook buiten de context van een beroep kunnen worden verricht. Dat past bij een benadering waarin betekenis wordt gehecht aan het element van bezoldiging.
En art 1bis bepaalt dat de rechter bij een veroordeling wegens nader omschreven strafbare feiten oordeelt ‘of de veroordeelde al dan niet verbod wordt opgelegd om persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen’. Het verbod mag in beide gevallen niet minder dan drie en niet meer dan tien jaren bedragen.
Het derde middel