Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

ECLI:NL:PHR:2026:296

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 25/00658 Zitting 24 maart 2026 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, hierna: de verdachte Inleiding 1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 12 februari 2025 (parketnr. 21-003037-22) wegens:

-Ten aanzien van het deelonderzoek Eend (16-659028-20) Primair: “medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord”
-Ten aanzien van de deelonderzoeken Mus en Barbera (16-659121-19) Feit 1, nog meer subsidiair: “medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord”

Feit 2, meer subsidiair: “medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord”

-Ten aanzien van het deelonderzoek Charlie17 (16-659031-20) Subsidiair: “medeplegen van uitlokking van medeplegen van moord”
-Ten aanzien van de deelonderzoeken Gezicht en Breuk (16-659121-19) Feit 6, nog meer meer subsidiair: “medeplegen van uitlokking van openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen”

Feit 8, primair: “medeplegen van moord”

-Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie (16-659035-20) “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Daarnaast heeft het hof, niet voor dit cassatieberoep relevante, beslissingen genomen over het beslag en over de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2.Er bestaat samenhang met de zaken 25/00579, 25/00542, 25/00537, 25/00524, 25/00690, 25/00689, 25/00688, 25/00667, 25/00659 en 25/00523. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3.Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van Dongen en D.J. Herbrink, beiden advocaat in Amsterdam, hebben zeven middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak 4. Deze zaak is één van de eenentwintig zaken die werden gestart op basis van het opsporingsonderzoek Eris. Het onderzoek Eris bestaat uit achttien deelonderzoeken, die onder andere gaan over vijf liquidaties die zijn uitgevoerd in 2017 en plannen om een aantal andere personen te vermoorden. Nadat een verdachte van één van de liquidaties een overeenkomst met het Openbaar Ministerie had gesloten om als kroongetuige op te treden, kwam het onderzoek in een stroomversnelling. In november 2018 vonden aanhoudingen en huiszoekingen plaats. Bij de hoofdverdachte (oprichter en leider van de [motorclub 1] ) werden diverse computers en andere gegevensdragers aangetroffen. Op die gegevensdragers vond de politie onder meer opnamen van gesprekken die de hoofdverdachte met anderen had gevoerd over liquidaties en opdrachten tot liquidaties. In totaal zijn in het onderzoek Eris eenentwintig personen vervolgd, van wie negentien hoger beroep hebben ingesteld. In elf zaken is beroep in cassatie ingesteld. Dat zijn de elf samenhangende zaken waarin ik vandaag zal concluderen.

5.De middelen betreffen de volgende onderwerpen, behandeld in deze volgorde:
(1). het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst;
(2). (geen) sanctionering van vormverzuimen op basis van ‘Landeck’ en ‘Prokuratuur’;
(3). de bewezenverklaring in deelonderzoek Eend;
(4). de verwerping van een verweer en de bewezenverklaring in deelonderzoek Mus;
(5). de bewezenverklaring in deelonderzoek Charlie17;
(6). de bewezenverklaring in deelonderzoek Gezicht;
(7). de oplegging van een levenslange gevangenisstraf.

Het eerste middel Inleiding 6. Het middel komt op tegen het oordeel over de rechtmatigheid van de met de kroongetuige gesloten overeenkomst en tegen de verwerping van een daarmee verband houdend niet-ontvankelijkheidsverweer. Geklaagd wordt dat het OM bij het bepalen van de strafeis is uitgegaan van een gevangenisstraf van twintig jaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van vierentwintig jaren stond vermeld.

Klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis 7. De door de rechter-commissaris rechtmatig bevonden overeenkomst hield in dat het OM zonder de afspraken met de kroongetuige een gevangenisstraf zou hebben geëist van vierentwintig jaren en dat die strafeis zou worden verminderd met 50% wanneer de kroongetuige zijn afspraken onverkort zou nakomen. De verlaging van de basisstrafeis van vierentwintig naar twintig jaren brengt, aldus de stellers van het middel, met zich dat deze afspraak is komen te vervallen. De gewijzigde afspraak is niet onderworpen geweest aan toetsing door de rechter-commissaris. Dit betekent dat de gewijzigde afspraak niet kan gelden als een rechtmatige afspraak tussen het OM en een kroongetuige als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr.

8.De wijziging van de vi-regeling die ingevolge de Wet straffen en beschermen is ingetreden, kan niet worden aangemerkt als een omstandigheid die een afwijking van de door de rechter-commissaris getoetste afspraak rechtvaardigt omdat die wijziging (naar het oordeel van de Hoge Raad) geen verzwaring oplevert van de straf die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was (als bedoeld in artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR), maar slechts een wijziging van de executie ervan. De vermindering van de geëiste straf met méér dan de helft van de basisstrafeis van vierentwintig jaar, was dan ook ontoelaatbaar. ‘s Hofs andersluidende oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
9.Bovendien heeft het hof bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de gewijzigde overeenkomst niet betrokken of de extra korting van vier jaar gevangenisstraf (nog) proportioneel is. De extra korting past niet binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het OM toekomt en het (impliciete) oordeel van het hof dat die strafeis niet zodanig onbegrijpelijk laag is dat zij moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
10.Ook het oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige door het verlagen van de basisstrafeis zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad, achten de stellers van het middel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De wetsgeschiedenis wijst uit dat een verklaring die is opgenomen na de totstandkoming van een als rechtmatig bestempelde afspraak door de zittingsrechter als bewijsmiddel terzijde moet worden geschoven wanneer “de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of […] hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.

Het juridisch kader: de kroongetuigeregeling 11. In HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604 (Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende: “3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.

De verdachte aan wie een toezegging wordt gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om als getuige een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte, wordt in het vervolg van deze voorafgaande beschouwing aangeduid als 'de getuige'.

3.4. Art. 44a Sr, waarnaar wordt verwezen in art. 226g, eerste lid, Sv, houdt in dat de rechter in de strafzaak tegen de getuige op vordering van de officier van justitie na een op grond van art. 226h, derde lid, Sv gemaakte afspraak de straf die hij overwoog op te leggen, kan verminderen. Het tweede lid van art. 44a Sr omschrijft waarin deze strafvermindering kan bestaan. Het gaat bij een onvoorwaardelijke tijdelijke vrijheidsstraf om een vermindering met maximaal de helft. De rechter houdt bij de strafvermindering ermee rekening dat door het afleggen van een getuigenverklaring een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven.

Het Wetboek van Strafvordering bevat voorts voorschriften met betrekking tot onder meer de rechtsbijstand aan de getuige (art. 226h, eerste lid, Sv), de toetsing door en de beschikking van de rechter-commissaris (art. 226h, tweede en derde lid, Sv en art. 226i Sv), het horen van de getuige in de strafzaak tegen de andere verdachte (art. 226j Sv) en de maatregelen tot bescherming van de getuige (art. 226l Sv). Deze voorschriften komen, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, hieronder nader aan de orde. (…) 3.12. De rechterlijke toetsing van afspraken die met de getuige worden gemaakt omvat enerzijds de toetsing door de rechter-commissaris en anderzijds de toetsing door de zittingsrechter.

3.13. Art. 226g, derde lid, Sv houdt in dat de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van de in het tweede lid bedoelde afspraak toetst. Het gaat daarbij om de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde door de officier van justitie voorgenomen afspraak die overeenkomstig de (vorm)voorschriften van art. 226g, tweede lid, Sv op schrift is gesteld. De rechtmatigheidstoets die de rechter-commissaris uitvoert, omvat allereerst een beoordeling of de afspraak in overeenstemming is met de in het eerste lid van art. 226g Sv genoemde voorwaarden. Bij de beoordeling of het maken van de afspraak voorts voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, houdt de rechter-commissaris rekening met de dringende noodzaak en het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring (art. 226h, derde lid eerste volzin, Sv). De rechter-commissaris geeft een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige nadat hij deze heeft gehoord (art. 226h, derde lid tweede volzin, Sv).

De officier van justitie is gehouden de rechter-commissaris de gegevens te verschaffen die laatstgenoemde voor zijn beoordeling nodig heeft (art. 226g, derde lid, Sv). Tot die gegevens behoort ook, voor zover daarvan in het concrete geval sprake is, het proces-verbaal dat de officier van justitie heeft opgemaakt op grond van art. 226g, vierde lid, Sv. Tevens dient, zoals onder 3.10 is vermeld, de rechter-commissaris in het door art. 226g, eerste lid, Sv bestreken geval te zijn geïnformeerd over de eventuele totstandkoming en de inhoud van een schikking als bedoeld in art. 511c Sv met de getuige.

De rechter-commissaris legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand.

3.14. Ook in zaken waarin een verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv bij de processtukken is gevoegd, geldt dat het is voorbehouden aan de (zittings)rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Ten aanzien van deze beslissing gelden, indien die verklaring voor de bewijsvoering wordt gebruikt, geen andere wettelijke bewijs(motiverings)voorschriften dan de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde.

Evenmin gelden in cassatie met betrekking tot de toetsing van de beslissing inzake de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal bijzondere regels. Dat betekent dat in cassatie kan worden onderzocht of door de feitenrechter de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde voorschriften zijn nageleefd, maar niet of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden, ook voor zover deze zijn ontleend aan de verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv, juist zijn. Dat laatste geldt tevens voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die op grond van de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht (vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001: AD3530).

3.15. Op grond van art. 360, tweede en vierde lid, Sv behoort de rechter, indien hij de verklaring van de getuige met wie op grond van art. 226h, derde lid, Sv een afspraak is gemaakt voor het bewijs gebruikt, dat gebruik nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht.

De in art. 360, tweede lid, Sv bedoelde motiveringsverplichting strekt zich niet uit tot de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv. In het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de getuige met wie de afspraak is gemaakt, ligt al besloten dat de rechter niet tot een andersluidend oordeel ter zake van de rechtmatigheid is gekomen dan in de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 226h, derde lid, Sv is vervat. (Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:64.) De rechter is bovendien gehouden, indien hij afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ertoe strekt dat vanwege onregelmatigheden bij de totstandkoming van de afspraak de verklaring van de getuige niet betrouwbaar kan worden geacht, in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Indien het verweer van de verdachte ertoe strekt dat sprake is van een vormverzuim – waaronder ook kan worden begrepen een schending van art. 6 EVRM – waaraan één van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen moet worden verbonden, is de rechter eveneens gehouden een met redenen omklede beslissing te geven, mits door of namens de verdachte duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden.”

Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof 12. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een “Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken” van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in: “2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.

2.3 Indien de resultaten van nader onderzoek aanleiding geven tot het vaststellen van een lagere basisstrafeis dan 24 jaren, bijvoorbeeld omdat een feit naar het oordeel van de zaaksofficier van justitie niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, dan zal de officier van justitie bij onverkorte nakoming door de getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, de strafeis navenant verminderen door de bijgestelde basisstrafeis te matigen met 50%.”

13.Het hof heeft, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen: “5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [kroongetuige] , omdat de overeenkomst met [kroongetuige] niet rechtmatig zou zijn.

Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [kroongetuige] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [kroongetuige] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [kroongetuige] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [kroongetuige] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 1] , omdat [kroongetuige] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [kroongetuige] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging.

Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [kroongetuige] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen.

Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk?

Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [kroongetuige] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven.

Het hof stelt vast dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [kroongetuige] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie.

Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst?

Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de (fictieve) datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Omdat de verklaringen al lang daarvoor zijn afgelegd, kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst, aldus het openbaar ministerie.

Het hof bespreekt het verweer over de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, aan het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. De Staat neemt ook een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze persoon op zich door zijn medewerking aan de opsporing te vragen.

Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat ten aanzien van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter geen toetsende rol is toebedeeld. De totstandkoming van de afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de specifieke maatregelen voor de bescherming van de getuige zijn juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk is geworden dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat hoe de kroongetuige de specifieke maatregelen voor zijn feitelijke bescherming ervaart en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke, toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook nu nog geen grond.

Het openbaar ministerie is niet gehouden de processenverbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van de bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. Het hof wijst er overigens in dit verband op dat [kroongetuige] de kluisverklaringen al heeft afgelegd voordat met hem de in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde afspraak is gemaakt, dus zonder dat hij wist of de afspraak zou worden gemaakt en, zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de toegezegde feitelijke maatregelen voor de bescherming van [kroongetuige] nóg later, pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf worden bepaald.

Er is dus geen aanwijzing dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst, laat staan dat onder invloed van verboden toezeggingen in strijd met de waarheid zou zijn verklaard.

Ook overigens is niet gebleken van verboden toezeggingen.

Overeenkomst proportioneel?

Het hof zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [kroongetuige] en het afzien van vervolging van de vader van [kroongetuige] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [kroongetuige] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen.

Bij requisitoir heeft het openbaar ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [kroongetuige] niet te vervolgen in het deelonderzoek Langenhorst ruim na het sluiten van de overeenkomst door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek is genomen en dat daarbij niet het opportuniteitsbeginsel is toegepast, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het openbaar ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het openbaar ministerie gelegen in het gegeven dat [kroongetuige] – in tegenstelling tot de andere verdachten – heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Zijn verklaringen hierover acht het openbaar ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen.

In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l van het Wetboek van Strafvordering. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van de Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten.

Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is, spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een niet toelaatbare toezegging in de zin van de Aanwijzing.

Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [kroongetuige] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [kroongetuige] is meegedeeld.

Ook is niet gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [kroongetuige] voor zijn handelingen in het deelonderzoek Langenhorst is te duiden als een niet toelaatbare toezegging. Artikel 226g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in de op schrift gestelde afspraak met de kroongetuige wordt vastgelegd voor welke strafbare feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor op dat moment al voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of waarvoor in ieder geval geldt dat de mogelijkheid van voldoende bewijs na verder onderzoek reëel is. Als het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of vervolging zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou volgens die interpretatie ernstig worden aangetast.

Het openbaar ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [kroongetuige] ontbrak. Het hof constateert dat ook [medeverdachte 1] niet is vervolgd in de zaak Langenhorst en dat er aanwijzingen zijn dat [medeverdachte 1] en [kroongetuige] zich in aanloop naar de liquidatie hebben teruggetrokken. Men kan er over twisten of daardoor het opzet niet is te bewijzen of dat er sprake is van vrijwillige terugtred, maar het hof acht de beoordeling van de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd van vervolging voor bepaalde feiten af te zien en het achterwege laten van vervolging, achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen.

Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het openbaar ministerie besloten dat de vader van de kroongetuige, [vader kroongetuige] , niet zal worden vervolgd voor mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten in het dossier Eris. Maar voor een toezegging aan [kroongetuige] dat zijn vader niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris, is geen aanwijzing gevonden.

Netto strafeis disproportioneel?

Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de strafeis niet disproportioneel laag is. Het openbaar ministerie heeft in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [kroongetuige] , toegezegd om 50% hiervan, dus twaalf jaren gevangenisstraf, als straf te eisen.

Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor de door de kroongetuige af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.

Het hof kan de rechtmatigheid van de basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die aan [kroongetuige] zijn ten laste gelegd. Zoals gezegd, gaat het om het medeplegen van moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat. Daarbij zijn ook de feiten in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie betrokken. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de andere omstandigheden van het geval en in aanmerking genomen zijn ruime beoordelingsvrijheid, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis kunnen komen. Die basisstrafeis, van 24 jaren gevangenisstraf, is niet zo laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Daarom acht het hof de overeenkomst met [kroongetuige] ook op dit punt niet onrechtmatig.

Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dat is ook gebeurd. De reden was dat sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel nog een nettostraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [kroongetuige] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan, aldus het openbaar ministerie. Uitgaande van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een nettostraf van tien jaren. De inhoud van de overeenkomst bood volgens het openbaar ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten. In eerste aanleg is daarom niet 24 jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaren (in plaats van twaalf jaren) gevangenisstraf.

Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in afwijking van de tekst van de overeenkomst met de kroongetuige een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Er zijn geen aanwijzingen dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd. Het openbaar ministerie heeft de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis gemotiveerd en de rechtbank heeft die motivering beoordeeld en de strafeis overgenomen. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige of de uitvoering daarvan onrechtmatig te achten. Er is geen reden om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. (…) Samenvatting en conclusie De overeenkomst met [kroongetuige] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [kroongetuige] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [kroongetuige] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [kroongetuige] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet.”

De bespreking van het eerste middel 14. Het hof heeft de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst beoordeeld en daarbij onder meer vastgesteld dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hadden op misdrijven als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv. Tevens heeft het hof geoordeeld dat het OM het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot de overeenkomst te komen. Een en ander wordt in cassatie niet bestreden.

15.Het hof heeft op het punt van de wijziging van de basisstrafeis vastgesteld dat het OM bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft aangekondigd een lagere straf te zullen eisen dan in de overeenkomst is toegezegd, en dat het OM daadwerkelijk in afwijking van de overeenkomst een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Het hof heeft vastgesteld dat het OM als reden daarvoor heeft opgegeven dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen het vorderen van een gevangenisstraf van twaalf jaren (50% van de in de overeenkomst opgenomen basisstrafeis) voor [kroongetuige] zou leiden tot een netto gevangenisstraf van tien jaren, terwijl de netto gevangenisstraf ten tijde van het sluiten van de overeenkomst acht jaren zou bedragen.

Het OM legde de overeenkomst volgens het hof zo uit dat de inhoud van de overeenkomst ruimte bood om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren gevangenisstraf moest ondergaan. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd, dat het OM de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto-eis heeft gemotiveerd en dat de rechtbank die motivering heeft beoordeeld en de strafeis heeft overgenomen. Gelet op deze gang van zaken heeft het hof geoordeeld dat er geen aanleiding is (a) om de kroongetuigeovereenkomst onrechtmatig te achten, en (b) om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad.

16.In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het hof, anders dan de stellers van het middel, er niet van uitgaat dat de kroongetuigeovereenkomst van 13 november 2018 is komen te vervallen, maar dat de door de rechter-commissaris als rechtmatig beoordeelde overeenkomst nog steeds geldt. Deze vaststelling acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het betoog van het OM kennelijk aldus opgevat dat het van oordeel was dat gewijzigde omstandigheden – i.c. de wijziging van de vi-regeling die door de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen is ingegaan – reden gaven om uit te gaan van een andere basisstrafeis. De aangepaste basisstrafeis strekt ertoe dat de getuige onder de vigerende vi-regeling eenzelfde gevangenisstraf ondergaat als waartoe de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren (onder de vi-regeling die gold ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst) strekte, te weten effectief acht jaren gevangenisstraf. Het OM heeft zich dus geconformeerd aan ‘de geest’ van de overeenkomst. Het hof acht dit toelaatbaar. Het OM mocht van het hof aan de overeenkomst een uitleg gegeven die strookt met de bedoelingen van de partijen zoals die naar buiten toe zijn gebleken. Ik meen dat zulks niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
17.Aan het voorgaande doet niet af dat de Hoge Raad – volgens de stellers van het middel – zou hebben geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling “geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.”
18.Voor zover het middel berust op de opvatting dat geen sprake meer is van een afspraak tussen het OM en een kroongetuige, als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr, die aan een rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris is onderworpen geweest, faalt het derhalve.
19.Ook faalt het middel voor zover wordt aangevoerd dat de vermindering van de gevorderde straf met méér dan de helft niet toelaatbaar zou zijn. Immers, er is geen sprake van een vermindering van de basisstrafeis met meer dan 50%: het OM is uitgegaan van een lagere basisstrafeis die het vervolgens met 50% heeft verminderd om tot de strafeis in de zaak van de kroongetuige te komen. Ik wijs erop dat het de rechter – en dus ook het OM – vrijstaat om bij de strafoplegging c.q. de eis rekening te houden met de manier waarop de straf ten uitvoer zal worden gelegd.
20.In de overwegingen van het hof ligt verder besloten dat het heeft geoordeeld dat de gewijzigde basisstrafeis niet zo laag is dat deze niet anders kan worden beschouwd dan als een ‘verkapte tegenprestatie’ voor het afleggen van verklaringen. In aanmerking genomen dat het oordeel van het hof dat de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren niet disproportioneel was, in cassatie niet is bestreden en gelet op de omstandigheid dat de gewijzigde basisstrafeis als gevolg van de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen leidt tot eenzelfde netto-detentietijd die de kroongetuige moest ondergaan, is dat oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Ik merk daarbij bovendien op dat de gewijzigde basisstrafeis zonder 50% korting als gevolg van de gewijzigde vi-regeling zelfs tot een langere netto-detentietijd zou leiden dan de oorspronkelijke basisstrafeis (achttien jaren ten opzichte van zestien jaren).
21.Gelet op het voorgaande was ten slotte geen nadere motivering vereist van ’s hofs oordeel dat er geen reden was om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. Alle klachten van het eerste middel falen.

Het tweede middel 22. Het middel is gericht tegen de beslissing om te volstaan met de constatering van vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan ‘elektronische gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken’ (hierna kortweg: gegevensdragers) en het vorderen van verkeers- en locatiegegevens bij aanbieders van elektronische-communicatiediensten (telecomproviders). De constatering van vormverzuimen heeft te maken met een aantal relatief recente uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), onder meer in de zaken Prokuratuur en Landeck.

De overwegingen van het hof 23. Het arrest bevat de volgende overwegingen: “5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan.

Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens.

Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/680. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.

Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan.

Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens.

Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt.

Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.

Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens).

In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte.

De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4).

Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.

Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken.

Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.) In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding.

Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden, zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving.

Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd.

De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.

Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan.”

Een nadere omschrijving van het tweede middel 24. Het middel komt met (voornamelijk) motiveringsklachten op tegen drie onderdelen van de beslissing van het hof om als reactie op de vastgestelde vormverzuimen te volstaan met de (ambtshalve) constatering ervan. Dat betreft de volgende oordelen: (a). de vormverzuimen leveren in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting op; (b). in geval van toegang tot PGP-toestellen is de kans om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken gering, omdat het voornamelijk gaat om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven; (c). aangenomen wordt dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en naar verkeers- en locatiegegevens toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd.

25.De stellers van het middel tekenen tot slot aan dat het feit dat ter zitting op dit punt geen verweer is gevoerd, niet aan de verdediging kan worden tegengeworpen, omdat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad pas ná het bestreden arrest is gewezen.

Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck 26. De afgelopen jaren hebben zich op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens in het Unierecht ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de normering van bepaalde opsporingsbevoegdheden in het Nederlandse strafprocesrecht. Het Hof van Justitie heeft een aantal uitspraken gedaan over Richtlijn 2002/58/EG, onder andere in de zaak Prokuratuur. Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak Landeck uitspraak over Richtlijn 2016/680.

27.In een arrest van 5 april 2022 ging de Hoge Raad in op de gevolgen van de rechtspraak van het Hof van Justitie over Richtlijn 2002/58/EG. Het arrest van de Hoge Raad ziet op de uitleg van de bepalingen die gaan over de bevoegdheid van de officier van justitie tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens) bij de aanbieder van een communicatiedienst (een telecomprovider, bedoeld in artikel 138g Sv). De Hoge Raad oordeelde dat de rechtspraak van het Hof van Justitie meebrengt dat de officier van justitie die van een telecomprovider verkeers- en locatiegegevens wil vorderen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, gehouden is éérst een schriftelijke (bij spoed: mondelinge) machtiging van de rechter-commissaris te verkrijgen. Bij zijn beslissing over de daartoe strekkende vordering beoordeelt de rechter-commissaris of daarmee wordt voldaan aan de wettelijke eisen en aan maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit.
28.De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck gaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.”
29.Verder is van belang dat Hoge Raad naar aanleiding van het Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers.
30.Uitgangspunt bij toepassing van de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen is dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot (1) de aard, (2) de ernst en (3) de gevolgen van het vormverzuim (d.w.z. het daardoor teweeggebrachte nadeel). Dit betekent dat bewijsuitsluiting slechts plaatsvindt om een schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen of onder bijzondere omstandigheden als rechtstatelijke waarborg bij ernstige schendingen van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door een voldoende ernstig vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat het vormverzuim concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast en dat strafvermindering vanwege het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. De rechter die ambtshalve een vormverzuim constateert en beslist om met die constatering te volstaan, moet dit motiveren.
31.Als het vormverzuim bestaat uit het uitoefenen van een opsporingsbevoegdheid zonder machtiging van de rechter-commissaris, kan de rechter bij zijn beslissing over toepassing van artikel 359a Sv meewegen dat de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk wel een machtiging zou hebben afgegeven als hem dat tijdig zou zijn gevraagd. Dat zegt immers iets over de aard, ernst en gevolgen van het verzuim. Verder komt bij die beoordeling betekenis toe aan wat de verdachte en zijn advocaat naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over het wel of niet concreet geleden nadeel.
32.Dat brengt mij tot slot op de stelling dat niet in het nadeel van de verdachte mag of had mogen werken dat over de (ambtshalve geconstateerde) vormverzuimen geen verweer als bedoeld in artikel 359a Sv is gevoerd. De stellers van het middel voeren daartoe aan dat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad d.d. 18 maart 2025 dateert van ná de bestreden uitspraak d.d. 12 februari 2025.
33.In dit verband merk ik op dat de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie al op 20 april 2023 concludeerde in de zaak Landeck. De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). Bovendien dateert het Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie).

De bespreking van het tweede middel 34. In deze zaak is het hof ambtshalve ingegaan op de (on)rechtmatigheid van het door de politie verrichte onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens. Het hof overweegt dat ermee rekening moet worden gehouden dat in het opsporingsonderzoek Eris door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar gegevensdragers in beslag zijn genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin opgeslagen gegevens, zonder dat de rechter-commissaris daarvoor een schriftelijke machtiging had afgegeven, terwijl een kans bestond dat daarbij nauwkeurige conclusies over iemands privéleven zouden (kunnen) worden getrokken. Ook gaat het hof ervan uit dat onderzoek is gedaan van verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) die de officier van justitie heeft gevorderd zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie. Waar deze situaties zich hebben voorgedaan in het voorbereidend onderzoek van de strafzaak tegen de verdachte is volgens het hof sprake van onherstelbare vormverzuimen wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan in het vervolg moet worden uitgegaan.

35.Het hof komt vervolgens tot de beslissing om aan die vormverzuimen géén rechtsgevolg(en) te verbinden. Voor die beslissing geeft het hof de volgende redenen: (i). De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting. Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager opgeslagen gegevens als dit een kans geeft om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. (ii). Waar onderzoek is gedaan aan gegevens in PGP-toestellen gaat het voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-toestellen alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om op basis daarvan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken, is gering. (iii). In het onderzoek Eris stonden verdenkingen van zeer ernstige strafbare feiten centraal. Het onderzoeken van de inhoud van de in beslag genomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden waren niet voorhanden. Gelet op de aard en de ernst van die verdenkingen waren de privacy-schendingen gerechtvaardigd en moet worden aangenomen dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens voorafgaande toestemming zou hebben verleend, als de officier van justitie deze had gevorderd. (iv). De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.
36.Het onder (i) genoemde oordeel dat de vormverzuimen die aan de orde zijn in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting opleveren, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (zie mijn opmerkingen onder randnummers 29 en 30). In de afwezigheid van een verweer waarmee het tegendeel is bepleit, vind ik de onder (ii) weergegeven overwegingen van het hof evenmin onbegrijpelijk. Deze getuigen bovendien niet van een onjuiste rechtsopvatting. Datzelfde geldt voor de onder (iii) en (iv) beschreven overwegingen van het hof (zie in het bijzonder nog randnummers 31, 32 en 33).
37.Het hof heeft daarmee toereikend gemotiveerd dat kan worden volstaan met de (ambtshalve) constatering van de genoemde vormverzuimen. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
38.Het tweede middel faalt.

Het derde middel 39. Het middel komt met vijf deelklachten op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord (deelonderzoek Eend). In het bijzonder wordt het volgende aangevochten: (a) het oordeel dat door de aanwending van de uitlokkingsmiddelen pas op 26 februari 2017 door [medeverdachte 2] het besluit is genomen om de organisatie van de moord op zich te nemen; (b) de vaststelling dat de verdachte en/of zijn medeverdachte aan [medeverdachte 2] middels PGP-toestellen informatie/inlichtingen/gegevens hebben gestuurd zoals een foto van [slachtoffer 2] ; (c) de bewezenverklaring dat [medeverdachte 2] door onder andere het verschaffen van beloften is gepoogd te bewegen om [slachtoffer 2] te vermoorden; (d) het opzet van de verdachte dat [slachtoffer 2] zou moeten worden vermoord; (e) de bewezen verklaarde periode.

De bewezenverklaring en bewijsvoering 40. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij: “op tijdstippen gelegen in de periode van 2 februari 2017 tot en met 26 februari 2017, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, door het verschaffen van inlichtingen en beloften, een ander heeft gepoogd te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven beroven, door [medeverdachte 2] middels PGP-telefoons informatie/inlichtingen/gegevens met betrekking tot de beoogde liquidatie [slachtoffer 2] te sturen of door te sturen zoals:

-het adres van de sportschool van [slachtoffer 2] , en
-dat [slachtoffer 2] voornoemde sportschool vaak alleen af zou sluiten, en
-in welk voertuig de vriendin van [slachtoffer 2] zou rijden (te weten een Porsche),
-een foto van [slachtoffer 2] ;”
41.Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord op [slachtoffer 2] , doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest, waarvan in het bijzonder de volgende (met weglating van verwijzingen): “2.1. De aangetroffen chats Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…) Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 2] ) Veronderstelde datum : 2 februari 2017 Tijdstip [accountnaam 1] [accountnaam 2] 00.37 Sportschool adres [a-straat 1] in [plaats] [bijnaam 1] 00.38 Huis adres is [b-straat 1] 00.38 Duidelijk 00.39 Oké [bijnaam 1] Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 2] ) Veronderstelde datum : 4 februari 2017 Tijdstip [accountnaam 1] [accountnaam 3] 20.41 Is zijn gym trouwens [bijnaam 1] !

20.41 [accountnaam 4] [02/04/2017 @ 8:38 pm] FW: [accountnaam 5] [02/04/2017 @ 8:37 pm] Hy sluit hem vaak af alleen 20.44 Moment stuur u zo alles Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 2] ) Veronderstelde datum : 26 februari 2017 Tijdstip [accountnaam 6] [accountnaam 4] .

16.30 FW: [accountnaam 5] [02/26/2017 @ 12:28 pm] In die porsche ryd zyn vriendin vaak klopt 16.31 FW: [accountnaam 5] [02/26/2017 @ 03:51 pm] [bijnaam 1] dat is die man precies op die foto die u stuurde 16.33 Ok ok 16.33 Dan weet ik zat Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 2] ) Veronderstelde datum : 6 december 2017 Tijdstip [accountnaam 6] [accountnaam 7] 12.44 Wat hebt u by sport gedaan [bijnaam 1] ?

12.44 Ja nu bezig [bijnaam 1] 12.44 Gaan nu weer 12.44 Deze week plaatsen we oog Oké maar wat hebt u concreet by sport gedaan [bijnaam 1] ?

12.48 Sport hebben we alles. Alleen oog nog. Een x goed filmen. Dan actie 12.49 Oké [bijnaam 1] hou my op de hoogte [bijnaam 1] wat op oog te zien is en u weet gaat bepaalde tyd mee dan omwisselen 12.49 Alles [bijnaam 1] 12.50 Gaan nu [plaats] uitkammen 12.50 Oké [bijnaam 1] duidelyk laten we even snel wat acties zetten ja die moeten goed gedaan worden [bijnaam 1] mogen geen fouten maken krygen 1 dag van tevoren te horen als afspraak staat 12.52 Ok [bijnaam 1] 12.53 Ik ga nu zelf route even rijden 12.53 Oké [bijnaam 1] 12.53 En dan perfectioneren Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2020, (…) Op 19 december 2016 is er een onderzoek gestart (...) naar de criminele activiteiten van [slachtoffer 2] (...).

De volgende informatie is door dit onderzoek aan onderzoek Eris verstrekt:

-In februari 2017 was er op de [c-straat 1] in [plaats] een democenter gevestigd van de sportschool [A] . De uiteindelijke belanghebbende van sportschool [A] is [slachtoffer 2] ;
-In februari 2017 had [slachtoffer 2] een vriendschappelijke en/of zakelijke relatie met [betrokkene 1] . Volgens de GBA was zij in 2017 woonachtig op de [b-straat 1] te [plaats] .

Van 17 april 2015 tot en met 25 februari 2017 had [betrokkene 1] een Porsche Panamera met [kenteken 1] op naam staan.

Proces-verbaal van bevindingen van 5 december 2019, (…) Tijdens mijn onderzoek naar de inhoud van de laptop van het merk Acer (...) met beslagnummer A.03.03.001 en SIN […] (...) heb ik, verbalisant, tags aangemaakt van onder andere foto’s van personen die ik aantrof in dit beslag. Ik herkende [slachtoffer 2] op vier foto’s op dit device. Ik zag dat de foto’s zijn genomen vanaf het beeldscherm van een andere gsm.

Bewijs zoals opgenomen bij de deelonderzoeken Mus, Kraai, Spreeuw en Duif Op 18 en 19 februari 2017 vindt er een chatgesprek plaats tussen ‘ [accountnaam 8] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [accountnaam 3] ’, veredeld als [medeverdachte 3] , waar min of meer op eenzelfde wijze informatie wordt gedeeld van personen (‘ [naam] ’, ‘ [naam] ’, ‘ [bijnaam betrokkene 2] ’ en ‘ [naam] en [naam] ’) die moeten worden geliquideerd. Het hof verwijst voor de inhoud van deze chatberichten naar de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen onder bovenstaande onderzoeken.”

42.Het hof heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde verder onder meer het volgende overwogen: “ 6.3.2. EEND Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

6.3.2.1. De aangetroffen chats Op 2 februari 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [accountnaam 1] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [accountnaam 2] ’. Dit account is niet veredeld. ‘ [accountnaam 2] ’ stuurt in dit gesprek aan [medeverdachte 2] : “Sportschool adres [a-straat 1] in [plaats] [bijnaam 1] . Huis adres is [b-straat 1] ”.

Op 4 februari 2017 stuurt ‘ [accountnaam 3] ’, veredeld als [medeverdachte 3] , naar [medeverdachte 2] : “Is zijn gym trouwens [bijnaam 1] !”. Vervolgens stuurt [medeverdachte 3] een bericht van ‘ [accountnaam 4] ’, veredeld als [verdachte] , door dat afkomstig is van het account ‘ [accountnaam 5] ’, door het hof aangeduid als de opdrachtgever. Hierin staat: “Hy sluit hem vaak af alleen”. [medeverdachte 3] stuurt daarna naar [medeverdachte 2] dat hij een klein moment moet hebben en dat [medeverdachte 3] zo alles zal doorsturen.

Uit het dossier van de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif en Spreeuw blijkt dat er op 18 en 19 februari 2017 eveneens een PGP-chatgesprek plaatsvindt tussen een account veredeld als [medeverdachte 2] , ‘ [accountnaam 8] ’, en [medeverdachte 3] waar min of meer op dezelfde manier informatie wordt gedeeld over personen (‘ [naam] ’, ‘ [naam] ’, ‘ [bijnaam betrokkene 2] ’ en ‘ [naam] en [naam] ’) die moeten worden geliquideerd.

Op 26 februari 2017 stuurt [verdachte] de berichten “In die porsche ryd zyn vriendin vaak klopt” en “ [bijnaam 1] dat is die man precies op die foto die u stuurde” door van ‘ [accountnaam 5] ’. [medeverdachte 2] reageert daarop door te stellen dat hij dan genoeg weet.

Er is nader onderzoek gedaan naar de inhoud van bovengenoemde gesprekken. Hieruit is gebleken dat in februari 2017 op de [c-straat 1] in [plaats] een democenter was gevestigd van de sportschool [A] . De uiteindelijke belanghebbende van deze sportschool was [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] had in februari 2017 een relatie met [betrokkene 1] . Zij woonde in 2017 op de [b-straat 1] in [plaats] . Deze [betrokkene 1] had van 17 april 2015 tot 25 februari 2017 een Porsche Panamera op naam staan.

Verder bleek uit onderzoek naar de onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen Acer-laptop dat hierop verschillende afbeeldingen van [slachtoffer 2] staan. (…) 6.3.2.3. De rol van [verdachte] Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat geprobeerd is [medeverdachte 2] uit te lokken tot het liquideren van [slachtoffer 2] door aan hem berichten te sturen waarin informatie over [slachtoffer 2] wordt gedeeld. Het hof overweegt over de strafbare betrokkenheid van [verdachte] daarbij het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat aanvankelijk op 2 februari 2017 ene ‘ [accountnaam 2] ’ via een PGP-toestel aan [medeverdachte 2] informatie geeft over een persoon die is veredeld als [slachtoffer 2] , te weten het adres van zijn sportschool en zijn huisadres. Op 4 februari 2017 stuurt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] : “Is zijn gym trouwens [bijnaam 1] !”. Daarmee geeft [medeverdachte 3] kennelijk aan [medeverdachte 2] informatie over de sportschool van [slachtoffer 2] . Aansluitend stuurt [medeverdachte 3] nadere informatie aan [medeverdachte 2] , te weten dat ‘hij’ [het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ] zijn gym vaak alleen afsluit. Dit bericht is afkomstig van een account van de opdrachtgever, die dit bericht naar [verdachte] heeft gestuurd, terwijl [verdachte] dit bericht op zijn beurt aan [medeverdachte 3] heeft gestuurd.

Aansluitend bericht [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] dat hij nog even een moment moet hebben en dat [medeverdachte 3] zo alles zal doorsturen. Op 26 februari 2017 stuurt [verdachte] een bericht van de opdrachtgever over de auto waarin de vriendin van [slachtoffer 2] rijdt en een tekst over een foto, althans de bevestiging dat “dat de man op de foto is die u stuurde”. Aangezien op gegevensdragers bij [medeverdachte 2] foto’s van [slachtoffer 2] zijn aangetroffen, neemt het hof als vaststaand aan dat [medeverdachte 2] een foto heeft gestuurd aan de organisatie van de opdrachtgever en dat daarnaar verwezen wordt. Op dat moment antwoordt [medeverdachte 2] dat hij genoeg weet. Het hof ziet dit als het moment waarop de uitlokking van [medeverdachte 2] is voltooid. [medeverdachte 2] weet dan genoeg en heeft daarmee zijn wil om de moord op [slachtoffer 2] te gaan organiseren bepaald.

Dat de informatie die [medeverdachte 3] , [verdachte] , de persoon achter ‘ [accountnaam 2] ’ en de opdrachtgever aan [medeverdachte 2] hebben verstrekt daadwerkelijk betrekking heeft op het plan om [slachtoffer 2] te liquideren, staat voor het hof vast. De informatie-uitwisseling moet worden gezien in de context van de andere contacten die [medeverdachte 3] en/of [verdachte] , [medeverdachte 2] en de opdrachtgever met elkaar hadden in de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif en Spreeuw en die het hof heeft geduid als onmiskenbaar betrekking hebbend op voorgenomen liquidaties. In die berichten wordt ook regelmatig gesproken over bedragen die betaald worden als de voorgenomen liquidaties zouden worden uitgevoerd. Bovendien blijkt ook uit het latere berichtenverkeer in november 2017 tussen [medeverdachte 2] en de opdrachtgever dat [medeverdachte 2] de opdracht tot de liquidatie heeft aanvaard, aangezien hij in die berichten verslag doet van de acties die hij tot dat moment heeft ondernomen en hij in die berichten opmerkt dat [slachtoffer 2] nog een keer gefilmd moet worden en dat er daarna ‘actie’ is.

Het hof volgt de verdediging van [verdachte] niet in het verweer dat [verdachte] slechts de doorgever van berichten was en dat hij in de zaak Eend niet op de hoogte was van de strekking van de berichten. Uit de bovengenoemde context van het deelonderzoek Mus, waarbij het hof strafbare betrokkenheid van [verdachte] aanneemt, blijkt dat [verdachte] weet had van de betekenis van de berichten die hij (door)zond. Uit enkel het eerste door [verdachte] in februari 2017 van de opdrachtgever aan ‘ [accountnaam 3] ’ doorgestuurde bericht kan nog niet worden opgemaakt dat het om een liquidatie gaat. Maar op 19 februari 2017 heeft [verdachte] een bericht van de opdrachtgever aan ‘ [accountnaam 3] ’ doorgestuurd met de volgende inhoud: “En [bijnaam 1] fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten [bijnaam 1] ”. Dit bericht gaat niet over het beoogde slachtoffer in de zaak Eend, maar maakt wel duidelijk dat de van en naar de opdrachtgever gestuurde berichten verband houden met liquidaties. Ondanks die duidelijke inhoud is [verdachte] verdergegaan met het doorsturen van berichten, ook over [slachtoffer 2] op 26 februari 2017. Daarmee heeft hij willens en wetens bijgedragen aan de poging tot uitlokking van [medeverdachte 2] . Dat de informatie die hij doorgaf van anderen afkomstig was en via ‘ [accountnaam 3] ’ weer bij [medeverdachte 2] terechtkwam, maakt zijn rol niet minder belangrijk.

In deze fase van de samenwerking vond de communicatie tussen de opdrachtgever en [medeverdachte 2] nog niet rechtstreeks plaats, maar via [verdachte] en [medeverdachte 3] . [verdachte] en [medeverdachte 3] waren op die manier een belangrijke schakel in het contact met de opdrachtgever. Gelet daarop is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] en de opdrachtgever, waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [verdachte] sprake is geweest van voorbedachte raad. Omdat de moord destijds niet is uitgevoerd, acht het hof op grond van het bovenstaande het ten laste gelegde medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen.

6.3.3. MUS Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

6.3.3.1. De aangetroffen chats Op 18 februari 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [accountnaam 8] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [accountnaam 3] ’, veredeld als [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 3] : “Wie zoek je” en “Wat staat op (...) hoofd [bijnaam 1] !!”. [medeverdachte 3] antwoordt dat hij “70 de hoofd geeft” met “onze yzers en fietsen”. De kroongetuige heeft verklaard dat met ‘70 de hoofd’ € 70.000,- per liquidatie wordt bedoeld en dat met ‘yzers’ en ‘fietsen’ vuurwapens en auto’s worden bedoeld. [medeverdachte 2] antwoordt aan [medeverdachte 3] dat hij de service van de organisatie goed vindt. Verder wordt nog besproken dat [medeverdachte 2] “niets aan vijanden verkoopt alleen de dood. Alleen de dood” en dat hij “wist dat er oorlogskast was”, waarop [medeverdachte 3] antwoordt dat “die kast leeg moet op hun allemaal” en dat de kas(t) “nog laaaaaaang niet leeg is”. [medeverdachte 3] noemt dat ze “ratten moeten bestrijden broer” en vraagt “we zijn 1 team toch [bijnaam 1] ?”. [medeverdachte 2] antwoordt hierop: “Jaaa” en “Meer dan 1”.

Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] via de chat aan het verkennen zijn wat zij voor elkaar kunnen betekenen en dat het daarbij om het liquideren van personen gaat. Ook leidt het hof uit het gesprek af dat [medeverdachte 3] zorgt voor vuurwapens en auto’s en dat hij geld in het vooruitzicht stelt. Uit het chatgesprek van 19 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] blijkt dat een ‘soldaat’ van [medeverdachte 2] ook daadwerkelijk een ‘yzer’ bij [medeverdachte 3] heeft opgehaald. [medeverdachte 2] geeft hiervan een ontvangstbevestiging aan [medeverdachte 3] .

In het vervolg van het chatgesprek van 18 februari 2017 worden door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] personen besproken die worden gezocht. Een van die personen wordt “ [bijnaam betrokkene 2] ”, “ [bijnaam betrokkene 2] ” of “ [bijnaam betrokkene 2] ” genoemd. Deze persoon zou in een witte Volkswagen Polo met het [kenteken 2] rijden. Uit de politiesystemen blijkt dat [betrokkene 2] in 2017 meermalen in een auto met dit kenteken is gecontroleerd. [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 3] of hij “ [bijnaam betrokkene 2] wil”. [medeverdachte 3] antwoordt hierop met “Ja graag!”. [medeverdachte 2] vraagt vervolgens voor “hoeveel” en zegt dat ‘ [bijnaam betrokkene 2] ’ “heeel dichtbij is” en “zeg met wat je met hem wilt en de prijs kan komende week”. [medeverdachte 3] antwoordt: “Laats wou hem lokken maar ging mis hij kwam met gepantserde wagen en nog aanhang met andere auto’s en die head was alleen hij zou ook zelf rijden!”. De kroongetuige heeft verklaard dat met ‘head’ schutter wordt bedoeld. [medeverdachte 3] noemt vervolgens de prijs waar [medeverdachte 2] om vraagt: “Als je hem dit weekend nog of maandag geef ik je 80 snel zonder gezeik!!!”. Het hof begrijpt dat met ‘80’ wordt bedoeld een bedrag van € 80.000,-. [medeverdachte 2] antwoordt: “Ok”, “Maak er werk van” en “Ik hou je op de hoogte”. [medeverdachte 3] geeft nog mee dat het ook top is als [medeverdachte 2] hem in de fiets kan verbranden.

Op 19 februari 2017 overdag en aan het begin van de avond stuurt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] een aantal berichten van ‘ [accountnaam 4] ’, veredeld als [verdachte] , door, al dan niet eerst doorgestuurd vanaf het account ‘ [accountnaam 9] ’ naar [verdachte] . Het hof beschouwt de persoon achter dit account als de opdrachtgever. Deze berichten luiden: “ [accountnaam 4] [02/19/2017 @ FW: [accountnaam 9] 15.20] En [bijnaam 1] fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten [bijnaam 1] ”, “ [accountnaam 4] [02/19/2017 @ 15.52] Hahahaha ok heel sterk bro mensen naar ons hart zijn dit” en “ [accountnaam 4] [02/19/2017 @ 15.51] Laat m aub vndg slapen zou mooi zijn”. [medeverdachte 3] stuurt naar [medeverdachte 2] dat “iedereen jullie begint te mogen broer is alleen maar goed teken!”.

Een paar uur later vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3] “Bro hoe bgaat t met [bijnaam betrokkene 2] hou me op de hoogte zien ze m vndg”. [medeverdachte 3] heeft dit doorgestuurd naar [medeverdachte 2] . Als [medeverdachte 2] hierop stuurt dat ze “al goed contact met degene die mee gaat helpen” hebben en dat “hij hem nu in positie moet zetten”, antwoordt de opdrachtgever via de accounts van [verdachte] en [medeverdachte 3] : “Met gods wil [bijnaam 1] whoooooooppppp (...) ooooooooooooooooppppp dat wil ik horen whoooppppppp whooooppppp Jij ook bedankt bro!”. Om 23.47 uur laat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] weten dat “hij er vandaag niet was”, dat “de mensen die hem rijden en thuiszetten ons gaan seinen” en “dus nog heel even geduld iedereen staat klaar”. [medeverdachte 2] laat [medeverdachte 3] weten dat hij naar huis gaat, maar dat hij er “morgen weer op is”, “hij [het hof begrijpt: [betrokkene 2] ] zit al in de net... nu timeren” en “je voelt me. deze gaat nergens dan naar boven”.

Op 22 februari 2017 om 21.4x uur geeft [betrokkene 3] aan [medeverdachte 2] het kenteken, type en kleur door van de auto die bij [betrokkene 2] in gebruik is. Enkele minuten later geeft [medeverdachte 2] het kenteken door aan [medeverdachte 3] .

Het hof leidt hieruit af dat zowel [medeverdachte 3] als [verdachte] betrokken is bij de opdracht aan [medeverdachte 2] tot het liquideren van [betrokkene 2] en dat [medeverdachte 2] aan beiden verslag uitbrengt over de voortgang. (…) 6.3.3.3. De rol van [verdachte] Het hof leidt uit de bewijsmiddelen onder meer af dat [medeverdachte 2] is uitgelokt tot het liquideren van [betrokkene 2] doordat aan hem berichten zijn gestuurd waarin informatie over [betrokkene 2] wordt gedeeld. Het hof overweegt over de strafbare betrokkenheid van [verdachte] daarbij het volgende. [verdachte] heeft in een reeks PGP-chatberichten tussen hem en [medeverdachte 3] , die onmiskenbaar over uit te voeren liquidaties gingen, gevraagd naar de voortgang van de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 2] , berichten van de opdrachtgever doorgestuurd en voor deze voorgenomen liquidatie informatie en instructies doorgegeven aan [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] heeft in een reeks chatberichten tussen hem en [medeverdachte 2] laten weten dat hij [betrokkene 2] wilde, daarbij aan [medeverdachte 2] ook de prijs voor deze voorgenomen liquidatie gemeld en duidelijk gemaakt wanneer hij wilde dat de liquidatie zou plaatsvinden. Bovendien heeft iemand namens [medeverdachte 2] een wapen voor de liquidatie bij [medeverdachte 3] opgehaald.

Ook heeft [medeverdachte 3] voornoemde berichten van [verdachte] doorgezonden aan [medeverdachte 2] . In deze fase van de samenwerking verliep de communicatie tussen de opdrachtgever en [medeverdachte 2] nog niet rechtstreeks, maar via [verdachte] en [medeverdachte 3] , zodat [verdachte] en [medeverdachte 3] een belangrijke schakel waren in het contact met de opdrachtgever. Zo vraagt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] om foto’s te sturen naar “ [accountnaam 4] ”, geeft [medeverdachte 2] in de chat met [medeverdachte 3] aan dat hij met “ [accountnaam 4] ” praat en stuurt [verdachte] op 26 februari 2017 een bericht van de opdrachtgever over een aan hem gestuurde foto rechtstreeks door naar [medeverdachte 2] .

Ook in deze zaak geldt dat de van [verdachte] afkomstige berichten bezien moeten worden tegen de achtergrond van de van [verdachte] afkomstige berichten in andere deelonderzoeken, waaronder Eend en Barbera. Het gaat dan niet alleen om berichten die naar het account ‘ [accountnaam 3] ’ zijn verstuurd, maar ook om berichten die rechtstreeks naar [medeverdachte 2] zijn verstuurd. Het is duidelijk dat dit berichtenverkeer zag op liquidaties en betalingen daarvoor. Op grond daarvan is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] en de opdrachtgever, waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

De verdediging van [verdachte] heeft aangevoerd dat – voor zover de genoemde berichten al aan [verdachte] kunnen worden toegeschreven – daaruit niet kan volgen dat hij de moord op [betrokkene 2] (samen met een of meer anderen) heeft uitgelokt. Daartoe zou zijn bijdrage te gering zijn en bovendien zou [medeverdachte 2] al zijn uitgelokt door ‘ [accountnaam 3] ’ op het moment dat de berichten die aan [verdachte] worden toegeschreven zouden zijn verzonden. Het hof verwerpt dit verweer. De berichten van [verdachte] zoals die uit de gebruikte bewijsmiddelen blijken, dragen in belangrijke mate bij aan de uitlokking van [medeverdachte 2] . Zij bevatten informatie over het tijdstip en de manier waarop de liquidatie moet plaatsvinden. Ten slotte is van belang dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat de berichten die door het hof aan [verdachte] worden toegeschreven niet van zijn hand zouden zijn dan wel niet door [verdachte] zouden zijn doorgezonden.

Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [verdachte] sprake is geweest van voorbedachte raad. Omdat de moord destijds niet is uitgevoerd, acht het hof op grond van het bovenstaande het ten laste gelegde medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord op [betrokkene 2] wettig en overtuigend bewezen.”

De bespreking van het derde middel Deelklacht (a): het tijdstip van de uitlokking 43. De klacht over het tijdstip waarop de uitlokking van [medeverdachte 2] voltooid is, faalt naar mijn inzicht. Deze klacht berust op de opvatting dat de uitlokking reeds op 4 februari 2017 voltooid was op het moment dat [medeverdachte 2] in reactie op het ontvangen van adresgegevens met “Duidelijk” antwoordde. Het hof heeft echter geoordeeld dat de uitlokking pas op 26 februari 2017 voltooid was, nadat eerst op 4 februari en later op die 26 februari 2017 aanvullende informatie was gestuurd, waaronder informatie over de sportschool van [slachtoffer 2] en dat hij die zelf afsluit, een bericht dat “zo alles” aan [medeverdachte 2] zal worden gestuurd, informatie over de Porsche waarin de vriendin van [slachtoffer 2] rijdt en dat het de man is op de foto die [medeverdachte 2] stuurde. In aanmerking genomen dat [medeverdachte 2] als reactie op die laatste twee berichten “Ok ok” en “Dan weet ik zat” heeft geantwoord, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd.

Deelklacht (b): bewezenverklaring versturen foto van [slachtoffer 2] 44. Het hof heeft vastgesteld dat [medeverdachte 2] een foto van [slachtoffer 2] heeft gestuurd aan de organisatie van de opdrachtgever en dat dat de foto is waarnaar in het door [medeverdachte 2] ontvangen bericht van 26 februari 2017 wordt gewezen. De stellers van het middel merken terecht op dat deze vaststelling strijdig is met de bewezenverklaring voor zover bewezen is verklaard dat [medeverdachte 2] middels PGP-toestellen informatie/inlichtingen/gegevens is gestuurd zoals “een foto van [slachtoffer 2] ”. De bewezenverklaring kan in zoverre niet worden afgeleid uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

45.De klacht is dus op zichzelf terecht voorgesteld. Echter, ook met weglating van dit onderdeel van de tenlastelegging bevat de bewezenverklaring voldoende uitlokkingsmiddelen en heeft het hof toereikend gemotiveerd dat de verdachte zich aan (het medeplegen van die) uitlokking schuldig heeft gemaakt. Weglating van dit onderdeel doet ook geen afbreuk aan de aard en ernst van het bewezen verklaarde in zijn geheel beschouwd. De verdachte heeft dus geen belang bij cassatie.

Deelklacht (c): bewezenverklaring beloften waardoor [medeverdachte 2] is bewogen 46. Ook de klacht dat uit niets blijkt wat de beloften zouden zijn geweest waarmee de verdachte [medeverdachte 2] heeft gepoogd te bewegen [slachtoffer 2] te vermoorden, faalt. De bewezenverklaring bevat weliswaar geen feitelijke uitwerking van wat deze beloften zijn geweest, maar dit blijkt wel uit de bewijsoverwegingen. Immers heeft het hof overwogen dat de “informatie-uitwisseling moet worden gezien in context van de andere contacten die [medeverdachte 3] en/of [verdachte] , [medeverdachte 2] en de opdrachtgever met elkaar hadden in de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif en Spreeuw en die het hof heeft geduid als onmiskenbaar betrekking hebbend op voorgenomen liquidaties”. In deze berichten wordt regelmatig gesproken over “bedragen die betaald worden als de voorgenomen liquidaties zouden worden uitgevoerd”. Hieruit blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat ook voor het uitvoeren van de moord op [slachtoffer 2] een geldbedrag in het vooruitzicht zal zijn gesteld. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is wat dat betreft dus voldoende met redenen omkleed.

Deelklacht (d): opzet verdachte op moord 47. De stellers van het middel voeren ter onderbouwing van de klacht aan dat het hof in de bewijsvoering gebruik heeft gemaakt van schakelbewijs, terwijl de redengevendheid van dat schakelbewijs niet begrijpelijk is. Immers komen de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verschillende feiten zijn begaan niet steeds op essentiële punten overeen en zijn ook de actoren niet dezelfde. Op "En [bijnaam 1] fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten [bijnaam 1] " kan niet de conclusie worden gebaseerd dat de van en naar de opdrachtgever gestuurde berichten verband houden met liquidaties. Dit blijkt ook uit de berichten in het deelonderzoek Gezicht. In die zaak staat vast dat het niet om een liquidatie ging, aldus de stellers van het middel.

48.Deze klacht faalt om de volgende reden. Het hof heeft in het deelonderzoek Eend vastgesteld dat [medeverdachte 3] op 4 februari 2017 een bericht van de verdachte aan [medeverdachte 2] heeft doorgestuurd met de tekst “Hy sluit hem vaak af alleen” en dat de verdachte op 26 februari 2017 zelf berichten aan [medeverdachte 2] heeft (door)gestuurd met de inhoud “In die porsche ryd zyn vriendin vaak klopt” en “[bijnaam 1] dat is die man precies op die foto die u stuurde”. Uit onderzoek is gebleken dat deze berichten betrekking hadden op [slachtoffer 2] . Het hof heeft overwogen dat deze informatie-uitwisseling in het deelonderzoek Eend “moet worden gezien in de context van de andere contacten die [medeverdachte 3] en/of [verdachte] , [medeverdachte 2] en de opdrachtgever met elkaar hadden in de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif en Spreeuw en die het hof heeft geduid als onmiskenbaar betrekking hebbend op voorgenomen liquidaties” en dat uit de context van het deelonderzoek Mus blijkt dat de verdachte weet had van de betekenis van de berichten die hij (door)zond.

In het deelonderzoek Mus heeft het hof vastgesteld dat [medeverdachte 3] berichten van de verdachte heeft doorgestuurd naar [medeverdachte 2] . Deze berichten hielden onder meer in “En [bijnaam 1] fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten [bijnaam 1] ”, “Laat m aub vndg slapen zou mooi zijn” en “ef “Bro hoe bgaat t met [bijnaam betrokkene 2] hou me op de hoogte zien ze m vndg”. Het hof heeft daarover overwogen dat de verdachte “in een reeks PGP-chatberichten tussen hem en [medeverdachte 3] , die onmiskenbaar over uit te voeren liquidaties gingen, [heeft] gevraagd naar de voortgang van de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 2] , berichten van de opdrachtgever [heeft] doorgestuurd en voor deze voorgenomen liquidatie informatie en instructies [heeft] doorgegeven aan [medeverdachte 3] ”.

49.De vaststelling dat de berichten van de verdachte in het deelonderzoek Mus ‘onmiskenbaar’ betrekking hebben op voorgenomen liquidaties acht ik niet onbegrijpelijk. Ook acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof de berichten van de verdachte in het deelonderzoek Eend daarmee in verband heeft gebracht. Ik merk daarbij op dat in beide deelonderzoeken sprake is van berichten die de verdachte (al dan niet via [medeverdachte 3] ) aan [medeverdachte 2] heeft gestuurd. Bovendien blijkt uit de combinatie van de berichten dat de focus van deze berichten telkens niet lag op een locatie, zoals de sportschool van [slachtoffer 2] , maar op de persoon zelf, waarbij uit de berichten in het deelonderzoek Mus zeer duidelijk de opzet op de dood van die persoon blijkt. Het oordeel dat de verdachte wetenschap had van het voornemen om [slachtoffer 2] te laten liquideren en daar ook opzet op had, is daarom niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.

Deelklacht (e): bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig 50. Ten slotte faalt ook de klacht dat de bewezen verklaarde periode tegenstrijdig is met de overweging van het hof dat uit enkel het eerste door [verdachte] in februari 2017 van de opdrachtgever aan ' [accountnaam 3] ' doorgestuurde bericht nog niet kan worden opgemaakt dat het om een liquidatie gaat, maar dat dit voor het eerst duidelijk werd op 19 februari 2017 met een doorgestuurd bericht in deelonderzoek Mus. De enkele omstandigheid dat pas uit een bericht van 19 februari 2017 blijkt dat de daarvoor gestuurde berichten betrekking hadden op liquidaties, betekent niet dat het hof niet kon vaststellen dat de poging tot uitlokking is gepleegd in de periode van 2 februari 2017, zijnde de datum van het eerste bericht van de verdachte dat betrekking had op [slachtoffer 2] , tot 26 februari 2017, de datum waarop de uitlokking volgens het hof was voltooid.

51.Het derde middel kan niet tot cassatie leiden.

Het vierde middel 52. Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer strekkende tot vrijspraak van medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen moord op [betrokkene 2] (deelonderzoek Mus), op de grond dat [medeverdachte 2] reeds door [medeverdachte 3] was uitgelokt vóórdat de verdachte in beeld kwam. De vaststelling dat de berichten van de verdachte in belangrijke mate bijdragen aan de uitlokking van [medeverdachte 2] getuigt volgens de stellers van het middel van een onjuiste rechtsopvatting en is onbegrijpelijk omdat bij de vraag wanneer sprake is van een voltooide uitlokking het gaat om het moment waarop het uiteindelijke wilsbesluit is genomen. De verdachte was volgens hen nog niet in beeld op het moment dat [medeverdachte 2] door [medeverdachte 3] was uitgelokt om de moord op [betrokkene 2] te plegen.

De bewezenverklaring en bewijsvoering 53. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij: “in de periode van 17 tot en met 19 februari 2017, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, door het verschaffen van inlichtingen en beloften, een ander heeft gepoogd te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 2] van het leven beroven, door aan [medeverdachte 2] :

-berichten inhoudende instructies met betrekking tot voornoemde beoogde liquidatie van [betrokkene 2] te sturen en door te sturen, waaronder – zakelijk weergegeven:
-dat hij ‘ [bijnaam betrokkene 2] ’ graag wil, en
-als [betrokkene 2] verband kan worden in ‘fiets’ (auto) dat top is, en
-of [betrokkene 2] nog dit weekend of uiterlijk maandag gedaan kan worden voor 80.000 euro, en
-wanneer hij/zij [betrokkene 2] vanavond kan/kunnen laten slapen dat mooi zou zijn,
-telefoons kunnen/moeten meegenomen worden en ‘yzers’ (vuurwapens) kunnen worden opgehaald, en
-hij [betrokkene 2] laatst wou lokken maar dat mis ging omdat deze met een gepantserde auto kwam;”
54.Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord op [betrokkene 2] , doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest, waarvan in het bijzonder de volgende (met weglating van verwijzingen): “4.1 De aangetroffen chats Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 28 november 2019, (…) V: Wat wordt bedoeld met ‘pap ’?

A: Geld.

V: Wat wordt bedoeld met ‘ijzer’?

A: Wapens.

V: Fiets?

A: Fiets, vervoer, auto.

V: Kan het ook gewoon een fiets zijn?

A: Ja, kan niet, in mijn optiek niet.

V: In jouw optiek niet?

A: Nee, fiets was bij ons auto.

V: En ‘heads ’ (fon) wat zijn dat?

A: ‘Heads’ (fon), ja... hoe moet ik dat zeggen. .. waren schutters.

V: Wat wordt bedoeld met de uitdrukking ’70 de hoofd ’?

A: Dat was een betaling 70 per hoofd. 70 duizend euro per hoofd, dus per liquidatie € 70.000.

Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…) Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 2] ) Veronderstelde datum : 18 februari 2017 Tijdstip [accountnaam 8] [accountnaam 3] (…) 21.37 Wat staat op (…) hoofd [bijnaam 1] !!

Geef je 70 de hoofd [bijnaam 1] En onze yzers en fietsen [bijnaam 1] (…) 21.47 We verkopen niets aan vijanden alleen de dood (…) 22.07 Ik wist dat er oorlogskast was (…) 22.09 Hahahaahaa en tuurlijk die kast moet leeg op hun allemaal en is nog laaaaaaang niet leeg broer 22.38 [bijnaam betrokkene 2] die rat was ook goed tot hij mensen liep af te persen met gwen z’n naam heeft i al waarschuwing gekregen maar die man gaat gewoon door die poot!

22.39 Jaa maar hem bedloelde ik met kleine 22.39 Dus toch niet goed?

22.39 Hij is heeel close 22.39 Handbereik 22.41 Klopt maar hij wist z’n plaats wel maar tegen, anderen heel stoer kwam i over ja klopt popie Liever gister dan vandaag Wie? [bijnaam betrokkene 2] ?

22.42 Nee dacht je bedoelt onze grote vriend met die kleine!

22.42 Ohhh 22.42 Wil je [bijnaam betrokkene 2] 22.43 Hij zit nu bij [motorclub 2] klopt dat Wie broer.

Ja [bijnaam betrokkene 2] 22.44 Nee is met rappers. [muziekformatie] . Schuilt 22.44 Ja graag!

22.44 Zit in onze terretorium 22.44 Hoeveel 22.45 Broer jij maakt me blij (…) 22.49 Zeg me wat je met hem wilt en de prijs kan komend week 22.49 Laats wou hem lokken maar ging mis hij kwam met gepantserde wagen en nog aanhang met andere auto’s en die head was alleen hij zou ook zelf rijden!

22.49 Had het daarna beter voorbereid maar hij durft niet meer is bang!

22.49 Kk rat 22.50 Ja hij is wel paranoia 22.50 Maar nogmaals heel dichtbij 22.50 Als je hem dit weekend nog of maandag geef ik je 80 snel zonder gezeik!!!

22.50 Ok 22.50 Maak er werk van 22.51 Hij loopt dagelijks met een neefje van ons 22.51 Ik hou je op hoogte Als je hem kan verbranden ook in fiets top!!!!

22.5 Omdat jij vriend van onze broeder was behandel ik je extra zou Niemand zo veel geven voor die hond maar is dichtbij jou en een goeie om ff de motor te starten 22.

Denk je dat je ‘m kan doen tot maandag uiterst!?

22.

Voor die 80 broer 22.57 Ik kan hem nu zelfs lokken. Maar mag geen argwaan 22.58 Hij is wel scherp maar verwacht dit nooit 22.58 Tnhx voor prijs.

22.58 Doe graag 22.58 Geef me even ben al in de auto om kort te sluiten (…) Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 2] ) Veronderstelde datum : 19 februari 2017 Tijdstip [accountnaam 8] [accountnaam 3] (…) Die yzer kan je wel alvast ophalen als je wilt Ja Wat alles loopt al Nu gesprekken met iemand dichtbij (…) Is het erg dat ik soldaat stuu Want ik ben niet in de buur Had je wel willen ontmoeten... maar dat komt Nee geen probleem bro Geen stres Komt gauw bro als hij na hel is Dan geef ik pap aan jou af als je w(...) (…) [accountnaam 4] [02/19/2017 @ FW: [accountnaam 9] 3:20 PM] En [bijnaam 1] fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten [bijnaam 1] Hahaha ik jou ook.. Je hebt me aangestoken Ok Ratten doe ik met pasie Oké broeder spreek je zo 15.54 Ja toch weg ermee 15.54 [accountnaam 4] [02/19/2017 @ 3:52pm] Hahahaha ok heel sterk bro mensen naar ons hart zijn dit 15.55 [accountnaam 4] [02/19/2017 @3:51pm] Laat m aub vndg slapen zou mooi zijn [accountnaam 4] [02/19/2017 @6:34pm] Bro hoe bgaat t met [bijnaam betrokkene 2] hou me op de hoogte zien ze m vndg We hebben al goed contact met degene die mee gaan helpen (...) 18.38 Nu moet hij hem in positie zetten 18.39 Hou je op de hoogte broer 18.56 Oke bro top 18.56 Bedankt voor je vertrouwen broer. Mijn man beschreef je strak [accountnaam 4] [02/19/2017 @6:37 pm] FW: [accountnaam 10] [02/19/2017 @ (...)] Met gods wil [bijnaam 1] whoooooooppppp (.. .)374 ooooooooooooooooppppp dat wil ik horen whoooppppppp whooooppppp Jij ook bedankt bro! (…) Zijn nu vollop op missie Ja ik heb. Komt goed 19.11 Ja komt goedje hebt nu wel 1 extra toch?

19.11 Ja En zelfs extra heads (...) Zat 19.12 Broer ik mag hem ook niet deze komt niet weg als ik hem in positie heb. .. Al moest t met een mes Oke top bro Hij moet na hellll Maar grootste werk is hem mooi in positie zetten zonder argwaan te wekken., want hij is ook een head Hij proeft dood 19.1 Wat heeft i gedaan in z’n leven broer Hij gaat dood ja Precies niks alleen gebluf Heeft hij bodies broer? Of alleen bluf 19.26 [accountnaam 4] [02/19/201 7@7:22pm] Hahaahha hij is gangster toch kk poepdoos Heeft alleen praatjes gangster praatjes daar is hij goed in 19.27 Dan gaan we hem naar gangsterparadise sturen Oké broeder ik reken op je (…) Brondevice - unieke SIN : Video’s (samengesteld document) Veronderstelde datum : 22 februari 2017 Tijdstip [accountnaam 8] [accountnaam 3] 21.24 Yo bro 21.25 Kan je die foto’s naar [accountnaam 4] sturen voor me aub 22.00 Oh dan moet ik ’t weer maken en meteen veilig sturen 22.01 (.. .)k maakte het en stuurde meteen (…) 22.19 Maar probeer voor vrijdag dan heb ik wat moois voor om de tafel broer 22.19 Ja is zo 22.19 Uilskuiken krijg je Loopt al (…) Ik praat nu met [accountnaam 4] Ik leg hem uit hoe die man eruit ziet en dat ik morgen weer nieuwe maak (…) Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 2] ) Veronderstelde datum : 22 februari 2017 Tijdstip [accountnaam 8] [accountnaam 6] [kenteken 2] witte polo 22.4 Ok mooi Brondevice - unieke SIN : Video’s (samengesteld document) Veronderstelde datum : 22 februari 2017 Tijdstip [accountnaam 6] [accountnaam 3] [22,49 of 22.50] [kenteken 2] 22.50 Kijk wat ik je stuurde ik van een witte polo die uilskuiken dagelijks ophaalt en afzet 22.50 Onthou die Tot klaar is Brondevice - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [medeverdachte 2] ) Veronderstelde datum : 22 februari 2017 Tijdstip [accountnaam 6] [accountnaam 3] Die ik je doorstuur af en toe [accountnaam 9] . Dat is [betrokkene 4] ! ! Whooop whoooop 23.50 Ohhhh 23.50 Hahahhaha Proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2019, (…) Uit bovenstaande chat valt op te maken dat ‘ [accountnaam 3] ’ op zoek is naar ene ‘ [bijnaam betrokkene 2] / [bijnaam betrokkene 2] ’. In de chat wordt [bijnaam betrokkene 2] ook wel uilskuikentje genoemd.

Uit de Rijkdienst voor het Wegverkeer (RDW) blijkt dat een witte Volkswagen Polo met [kenteken 2] van 24 juni 2016 tot 26 juni 2018 op naam heeft gestaan van [betrokkene 5] .

Uit het raadplegen van de politiesystemen (...) blijkt mij, verbalisant, dat op 17 februari 2017 bij een controle van de witte Volkswagen Polo met [kenteken 2] de inzittenden waren [betrokkene 5] , [betrokkene 2] (...) en [betrokkene 6] (...). Daarnaast is op 28 februari 2017 de witte Volkswagen Polo met het [kenteken 2] opnieuw gecontroleerd en waren de inzittenden [betrokkene 7] (...), [betrokkene 5] en [betrokkene 2] . De betrokkenen gaven aan het rapgroepje genaamd [muziekformatie] ( [muziekformatie] ) te heten (...). Tevens zaten op 10 maart 2017 [betrokkene 5] en [betrokkene 2] opnieuw in de witte Volkswagen Polo met [kenteken 2] .

Verder valt uit het chatgesprek op te maken dat ‘ [accountnaam 3] ’ aan ‘ [accountnaam 8] ’ uitleg geeft waarom [betrokkene 2] een doelwit is:

•“ [bijnaam betrokkene 2] die rat was ook goed tot hij mensen liep af te persen met gwen z’n naam heeft i al waarschuwing gekregen maar die man gaat gewoon door die poot!”.

Uit het raadplegen van de politiesystemen blijkt mij, verbalisant, dat op 30 april 2015 gemuteerd is dat [betrokkene 2] reeds eerder heeft verklaard dat hij de oud-bodyguard is van de onlangs in [plaats] geliquideerde [slachtoffer 3] (...). Daarnaast is op 15 februari 2019 geregistreerd dat [betrokkene 2] tegen een medewerker van justitie heeft gezegd dat hij beveiliging van de politie nodig had, omdat hij op een dodenlijst zou staan. Hij zou op een dodenlijst staan omdat hij in het verleden omging met [slachtoffer 3] .”

55.Het hof heeft daarnaast aanvullende overwegingen gewijd aan het bewezen verklaarde. Deze zijn reeds hierboven onder randnummer 42 weergegeven.

De bespreking van het vierde middel 56. Het hof heeft vastgesteld dat er op 18 februari 2017 een PGP-chatgesprek heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Het hof leidt uit dit gesprek af “dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] via de chat aan het verkennen zijn wat zij voor elkaar kunnen betekenen en dat het daarbij om het liquideren van personen gaat.” Het hof stelt vervolgens vast dat in het vervolg van dat chatgesprek personen worden besproken, waarvan “[bijnaam betrokkene 2]”, “[bijnaam betrokkene 2]” of “[bijnaam betrokkene 2]” er een is. [medeverdachte 3] geeft [medeverdachte 2] informatie over die persoon en zegt "Als je hem dit weekend nog of maandag geef ik je 80 snel zonder gezeik!!!". [medeverdachte 2] zegt "Ok", "Maak er werk van" en "Ik hou je op de hoogte".

Het hof stelt vast dat [medeverdachte 3] op 19 februari 2017 een aantal berichten van de verdachte – die al dan niet eerst aan de verdachte waren doorgestuurd – naar [medeverdachte 2] heeft gestuurd. In die berichten staat onder meer “En [bijnaam 1] fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten” en “Laat m aub vndg slapen zou mooi zijn". Een paar uur later vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3] "Bro hoe bgaat t met [bijnaam betrokkene 2] hou me op de hoogte zien ze m vndg.". [medeverdachte 3] heeft dit bericht doorgestuurd naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft hierop geantwoord, waarna de opdrachtgever via de accounts van de verdachte en [medeverdachte 3] "Met gods wil [bijnaam 1] whoooooooppppp (...) ooooooooooooooooppppp dat wil ik horen whoooppppppp whooooppppp Jij ook bedankt bro!" antwoordt.

Het hof heeft uit de vaststellingen omtrent de communicatie afgeleid dat zowel [medeverdachte 3] als de verdachte betrokken is bij de opdracht aan [medeverdachte 2] tot het liquideren van [betrokkene 2] en dat [medeverdachte 2] aan beiden verslag uitbrengt over de voortgang.

57.Met betrekking tot de rol van de verdachte heeft het hof in het bijzonder overwogen dat hij in een reeks PGP-chatberichten tussen hem en [medeverdachte 3] , die onmiskenbaar over uit te voeren liquidaties gingen, heeft gevraagd naar de voortgang van de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 2] , berichten van de opdrachtgever heeft doorgestuurd en voor deze voorgenomen liquidatie informatie en instructies heeft doorgegeven aan [medeverdachte 3] . Daarnaast heeft het hof overwogen dat in deze fase van de samenwerking de communicatie tussen de opdrachtgever en [medeverdachte 2] nog niet rechtstreeks verliep, maar via de verdachte en [medeverdachte 3] , zodat de verdachte en [medeverdachte 3] een belangrijke schakel waren in het contact met de opdrachtgever.

Het hof stelt daarbij ook vast dat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] heeft gevraagd om foto’s te sturen naar “[accountnaam 4]”, dat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] heeft aangegeven dat hij met “[accountnaam 4]” praat en dat de verdachte op 26 februari 2017 een bericht van de opdrachtgever rechtstreeks aan [medeverdachte 2] heeft gestuurd. Het hof concludeert dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [medeverdachte 3] en de opdrachtgever en dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Het hof is voorbijgegaan aan het verweer dat [medeverdachte 2] al zou zijn uitgelokt op het moment dat de berichten die aan de verdachte worden toegeschreven zijn verzonden en daartoe overwogen dat de berichten van de verdachte in belangrijke mate bijdroegen aan de uitlokking van [medeverdachte 2] omdat zij informatie bevatten over het tijdstip en de manier waarop de liquidatie moest plaatsvinden.

58.Ik acht het oordeel dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen ( [medeverdachte 3] en de opdrachtgever) inlichtingen en beloften heeft verschaft aan [medeverdachte 2] en een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de uitlokking van de liquidatie van [betrokkene 2] , ook in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk en het getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het door de stellers van het middel aangedragen argument dat de verdachte pas in beeld kwam nadat op 18 februari 2017 door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een gesprek was gevoerd waarin de opdracht al door [medeverdachte 2] was aangenomen, zodat op dat moment de uitlokking al voltooid was, noopt niet tot een ander oordeel.

Uit de berichten die de verdachte op 19 februari 2017 aan [medeverdachte 3] heeft gestuurd (en die door [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] zijn doorgestuurd), en de daaropvolgende communicatie (waaruit blijkt dat [medeverdachte 2] ook direct contact had met de verdachte), heeft het hof kunnen afleiden dat er tussen de verdachte, [medeverdachte 3] en de opdrachtgever nauw en bewust werd samengewerkt om [medeverdachte 2] uit te lokken en dat die samenwerking ook al bestond op 18 februari 2017, te weten op het moment dat [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] communiceerde. Het hof heeft ook uit de berichten van de verdachte (met informatie die betrekking had op de het tijdstip en de manier waarop de liquidatie moet plaatsvinden), kunnen afleiden dat de bijdrage van de verdachte voldoende substantieel was om als ‘medeplegen’ te kunnen worden aangemerkt.

59.Het vierde middel faalt.

Het vijfde middel 60. Dit middel gaat over de bewezenverklaring in het deelonderzoek Charlie17.

De bewezenverklaring en de bewijsvoering in deelonderzoek Charlie17 61. De bewezenverklaring houdt in dat: “[medeverdachte 2] en [betrokkene 8] en [betrokkene 9] op 17 april 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 4] van het leven hebben beroofd door met een vuurwapen kogels in het hoofd en op andere plaatsen in het lichaam van [slachtoffer 4] te schieten; welk feit verdachte in de periode van 1 april tot en met 17 april 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft uitgelokt door beloften, door aan [medeverdachte 2] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen”

62.Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

1.1.1. “6.3.5.1. De liquidatie van [slachtoffer 4] Op 17 april 2017 omstreeks 23.00 uur is [slachtoffer 4] op een parkeerplaats bij de [D] aan de [d-straat] in [plaats] neergeschoten en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden.

6.3.5.2. De verklaringen van [kroongetuige] [kroongetuige] heeft over de liquidatie van [slachtoffer 4] verklaard dat hij in de middag van 17 april 2017 samen met zijn vader [vader kroongetuige] een afspraak had met [medeverdachte 2] bij [B] aan de [m-straat ] waar zij hebben geluncht. Tijdens deze afspraak is ook [betrokkene 8] verschenen en zijn [betrokkene 8] en [medeverdachte 2] apart gaan zitten. Na de lunch heeft [vader kroongetuige] bij vertrek op verzoek van [medeverdachte 2] een tas met daarin een kalasjnikov van [betrokkene 8] aangepakt. Vervolgens heeft [kroongetuige] [medeverdachte 2] teruggereden naar [plaats] . [vader kroongetuige] reed er met het wapen in de auto achteraan. [betrokkene 8] is toen ook vertrokken. Aangekomen in [plaats] bij de verblijfplaats van [medeverdachte 2] , heeft [medeverdachte 2] de tas met het wapen uit de auto van [vader kroongetuige] gepakt en in de achterbak van zijn auto gelegd. Na een kort gesprek zijn [kroongetuige] en [vader kroongetuige] vertrokken en is [medeverdachte 2] buiten blijven staan in verband met een volgende afspraak. [kroongetuige] heeft na zijn vertrek bij [medeverdachte 2] [betrokkene 8] in een grijze stationwagen zien aan komen rijden richting [medeverdachte 2] .

Op 17 april 2017 ’s avonds was [kroongetuige] onderweg met [betrokkene 10] toen hij een bericht ontving van [medeverdachte 2] met het verzoek om [medeverdachte 2] en zijn vrouw op te halen. Het adres werd nog niet gedeeld en [kroongetuige] werd verzocht te wachten in de buurt van waar hij op dat moment reed. [kroongetuige] besloot te wachten bij een [C] -tankstation aan de [e-straat 1] in [plaats] . Uiteindelijk kreeg [kroongetuige] het adres [f-straat] in [plaats] door. Hij is daar samen met [betrokkene 10] naartoe gereden. Toen hij was aangekomen, kreeg [kroongetuige] het verzoek om zijn lichten aan te zetten. Op dat moment kwamen niet [medeverdachte 2] en zijn vrouw, maar drie in het zwart geklede mannen aangerend.

Een van hen herkende [kroongetuige] van de club als ‘ [bijnaam 2] ’. Aan de hand van een foto van [betrokkene 8] heeft [kroongetuige] de persoon die hij als [bijnaam 2] kende herkend. Een van de andere twee mannen heeft hij daarna nog een paar keer in het bijzijn van [bijnaam 2] gezien en heeft hij leren kennen als het ‘neefje van [bijnaam 2] ’. Aan de hand van een foto van [betrokkene 9] heeft [kroongetuige] de persoon die hij kende als het neefje van [bijnaam 2] herkend. De derde man herkende hij niet en heeft hij daarna niet meer gezien. De drie mannen stapten achterin de auto en op verzoek van [betrokkene 8] reed [kroongetuige] naar [plaats] . Tijdens de rit hoorde [kroongetuige] het geluid van ijzer op ijzer, waaruit hij afleidde dat de mannen wapens bij zich hadden. [kroongetuige] heeft de drie mannen vervolgens afgezet in de omgeving van de verblijfplaats van [betrokkene 8] in [plaats] en hij heeft [medeverdachte 2] bericht dat het was gelukt.

Hierop kreeg [kroongetuige] te horen dat hij de volgende dag bij [medeverdachte 2] in [plaats] langs moest komen.

Op 18 april 2017 was [kroongetuige] in [plaats] waar hij van [medeverdachte 2] te horen kreeg dat hij de schutters van de liquidatie van [slachtoffer 4] had opgehaald, waarvoor hij van [medeverdachte 2] € 500,- kreeg. [medeverdachte 2] vertelde [kroongetuige] dat [betrokkene 4] de opdrachtgever voor de liquidatie was. Op diezelfde dag was hij met [medeverdachte 2] in [plaats] waar zij [betrokkene 8] hebben ontmoet. Bij deze ontmoeting hebben [medeverdachte 2] en [betrokkene 8] elkaar omhelsd en gevierd dat de liquidatie was gelukt. [betrokkene 8] heeft daarbij in het bijzijn van [kroongetuige] uitgelegd hoe de liquidatie was verlopen. Ze hadden de auto van [slachtoffer 4] klemgereden, waren uitgestapt en hadden vervolgens eerst via de achterkant en daarna via de zijkant op hem geschoten. [betrokkene 8] beeldde daarbij een lang vuurwapen uit en hij vertelde dat hij zeker wist dat [slachtoffer 4] al door de eerste handelingen dood was, omdat ze zijn hersenen eruit zagen hangen. Daarna waren zij weggereden. [kroongetuige] heeft daarbij van [betrokkene 8] begrepen dat de derde persoon, niet zijnde [betrokkene 8] of [betrokkene 9] , de chauffeur was. [betrokkene 8] heeft verder tegen [kroongetuige] gezegd dat hij hun leven had gered, omdat de sleutel van de tweede vluchtauto was afgebroken. [kroongetuige] heeft ook verklaard dat hij op een later moment een Peugeot 308, die begin juli 2017 bij de liquidatie in [plaats] is gebruikt, heeft moeten ophalen en bij [betrokkene 8] heeft gestald. [betrokkene 8] moest toen lachen, omdat ‘ze’ zo’n zelfde auto al een keer eerder hadden gebruikt.

Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.

6.3.5.3. De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.