Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

ECLI:NL:RBDHA:2026:16115

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 71/013355-23, 71/187276-25 (t.t.z. gev.) en 71/118734-25 (t.t.z. gev.) Datum uitspraak: 15 juni 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), op dit moment gedetineerd in het ‘ [instelling] ’ te [plaats] .

Kern van het vonnis De rechtbank stelt vast dat de verdachte in 2013 en 2014 tijdens de Syrische opstand tegen het regime van president Bashar al-Assad in en rond de stad Salamiyah verhoorder van de National Defence Forces (NDF) was, een paramilitaire organisatie van het regime. De NDF sloeg protesten tegen het regime met geweld neer en arresteerde tegenstanders en demonstranten. De NDF had eigen detentiecentra waar arrestanten werden verhoord en maakte zich jegens hen schuldig aan ernstige misdrijven. De rechtbank stelt vast dat vanaf april 2011 sprake was van een wijdverbreide en stelselmatige aanval op de Syrische burgerbevolking, ter uitvoering van het beleid van de Syrische staat, waarvan de verdachte als verhoorder van de NDF moet hebben geweten. De rechtbank acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, waarin hij vals wordt beschuldigd, niet aannemelijk.

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich in zijn rol als verhoorder van de NDF in drie detentiecentra in en rond de stad Salamiyah als medepleger of alleen heeft schuldig gemaakt aan:

1.foltering en marteling als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ;2. verkrachting als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 6] .; 3. seksueel geweld als misdrijf tegen de menselijkheid jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] .

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van:

1.foltering, marteling als misdrijf tegen de menselijkheid en seksueel geweld als misdrijf tegen de menselijkheid jegens [slachtoffer 9] . De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 9] . heeft verhoord en dus evenmin dat hij de tenlastegelegde misdrijven heeft gepleegd;2. seksueel geweld als misdrijf tegen de menselijkheid jegens [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] .

Het is voor het eerst dat iemand in Nederland terechtstaat voor ‘enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst’ als misdrijf tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder g van de Wet internationale misdrijven (Wim). De rechtbank heeft daarom in het vonnis een juridisch kader opgenomen waaraan een verdenking, gelet op internationale jurisprudentie en literatuur, kan worden getoetst. Zij komt in het geval van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] tot een vrijspraak. De rechtbank oordeelt dat in het geval van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] wel sprake is van seksueel geweld, maar dat dit geweld niet de juridische drempel ‘van vergelijkbare ernst’ als bedoeld in artikel 4 Wim haalt. De rechtbank komt in het geval van [slachtoffer 8] tot de conclusie dat het gebeurde geen seksueel geweld oplevert.

In het geval van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] . komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring, omdat naar haar oordeel sprake is van seksueel geweld, en ook de juridische drempel ‘van vergelijkbare ernst’ wordt gehaald.

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren op, met aftrek van voorarrest. Bij de strafmaat spelen de aard en uitzonderlijke ernst van de 19 bewezenverklaarde, internationale misdrijven en het leed van de slachtoffers een grote rol. De verdachte heeft de slachtoffers tijdens de zittingsdagen vele malen beledigd, zwartgemaakt en zich laatdunkend uitgelaten over hen, hun familie en hetgeen zij hebben verklaard. Hiermee heeft de verdachte wéér pijn veroorzaakt bij de slachtoffers. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.

Alle slachtoffers hebben zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces gevoegd. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van de feiten waarop de vorderingen zijn gebaseerd, was aan te merken als een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder van de aan de Syrische overheid gelieerde NDF. Hij heeft zijn handelingen verricht in de uitoefening van die publieke functie. Daardoor komt hem, voor zover het gaat om de civiele schade, naar internationaal gewoonterecht een beroep op ‘functionele immuniteit van jurisdictie’ toe. Dat betekent dat de rechtbank op dit punt geen rechtsmacht heeft. De rechtbank verklaart de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding.

Inhoudsopgave 1. Het onderzoek ter terechtzitting 3 2. De tenlastelegging 4 3. Rechtsmacht en bevoegdheid van de rechtbank 4 4. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 4 4.1. Het standpunt van de verdediging 4 4.2. Het standpunt van de officier van justitie 5 4.3. Het oordeel van de rechtbank 5 5. Juridische kaders 5 5.1. Misdrijven tegen de menselijkheid 5 5.1.1 Marteling 6 5.1.2. Verkrachting 8 5.1.3. Enige andere vorm van seksueel geweld 9 5.2. Foltering 11 6. De beoordeling van de tenlasteleggingen 12 6.1. Het standpunt van de officier van justitie 12 6.2. Het standpunt van de verdediging 13 6.3. Het oordeel van de rechtbank 13 6.3.1. Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusies met betrekking tot de situatie in Syrië in aanloop naar en in de tenlastegelegde periode 13 6.3.2. Dagvaarding I – [slachtoffer 1] (feiten 1 tot en met 3) 19 6.3.3. Dagvaarding I – [slachtoffer 2] (feiten 4 tot en met 6) 25 6.3.4. Dagvaarding I – [slachtoffer 3] (feiten 7 tot en met 9) 31 6.3.5. Dagvaarding I – [slachtoffer 7] (feiten 18 en 19) 36 6.3.6. Dagvaarding II – [slachtoffer 8] 40 6.3.7. Dagvaarding I – [slachtoffer 4] (feiten 10 en 11) 46 6.3.8. Dagvaarding I – [slachtoffer 5] (feiten 12 en 13) 50 6.3.9. Dagvaarding I – [slachtoffer 6] . (feiten 14 tot en met 17) 53 6.3.10. Dagvaarding III – [slachtoffer 9] . 59 6.4. De bewezenverklaring 60 7. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde 71 8. De strafbaarheid van de verdachte 72 9. De strafoplegging 72 9.1. De vordering van de officier van justitie 72 9.2. Het standpunt van de verdediging 72 9.3. Het oordeel van de rechtbank 72 10. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen 75 11. De toepasselijke wetsartikelen 79 Bijlage I - tenlasteleggingen 83 Bijlage II – bewijsmiddelenoverzicht 101 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 5 maart 2024, 20 maart 2024, 18 juni 2024, 10 september 2024, 2 december 2024, 17 februari 2025, 15 april 2025, 14 juli 2025, 6 oktober 2025, 10 december 2025, 11 februari 2026 (pro forma) en de terechtzitting van 8 april 2026, 9 april 2026, 13 april 2026, 14 april 2026, 21 april 2026, 22 april 2026, 23 april 2026, 12 mei 2026, 26 mei 2026 en 9 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. M. Blom en mr. A.J. van Dooren (hierna tezamen: de officier van justitie) en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mr. A.M. Seebregts en mr. M.C. Levy naar voren is gebracht.

2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de drie dagvaardingen, die zijn gewijzigd op de terechtzitting van 8 april 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Dagvaarding I heeft parketnummer 71/013355-23. Dagvaarding II heeft parketnummer 71/187276-25. Dagvaarding III heeft parketnummer 71/118734-25.

De verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de foltering en marteling als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] ., [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , en [slachtoffer 9] ; seksueel geweld als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] ., [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] .; en verkrachting als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 6] .

3Rechtsmacht en bevoegdheid van de rechtbank De verdachte wordt verweten dat hij in 2013 en 2014 betrokken is geweest bij foltering (meermalen) en misdrijven tegen de menselijkheid. Deze feiten zijn strafbaar gesteld in de Wet internationale misdrijven (hierna: Wim). De verdachte is in 2021 in Nederland aangekomen en verblijft hier sindsdien.

Artikel 2 lid 1 onder a Wim bepaalt dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de in de Wim omschreven misdrijven, wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt.

Nu de verdachte zich ten tijde van de aanhouding in Nederland bevond, stoelt de rechtsmacht in deze zaak op de hiervoor genoemde bepaling. Er is daarmee sprake van toepassing van (secundaire) universele rechtsmacht.

De rechtbank Den Haag is ingevolge artikel 15 Wim exclusief bevoegd kennis te nemen van de tenlastegelegde misdrijven.

4De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 4.1.

Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) niet-ontvankelijk is in de vervolging van de feiten aangaande [slachtoffer 6] . en [slachtoffer 9] ., omdat – kort gezegd – het dossier belangrijke aanwijzingen bevat dat de verdachte gedurende zijn detentie bij de National Defence Forces (hierna: NDF) vanwege het seksueel misbruiken van gedetineerde vrouwen bij de NDF in Salamiyah , ernstig is gemarteld. Niet-ontvankelijkheid van het OM kan volgens de Hoge Raad in zeer uitzonderlijke gevallen volgen bij onrechtmatig handelen dat buiten het bereik ligt van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv). De verdediging noemt hierbij onder meer het onrechtmatig handelen jegens een verdachte onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten. Het langdurig en ernstig martelen van de verdachte door de NDF betreft een zeer ernstige schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), en levert een dergelijk uitzonderlijk geval op. Door de marteling van de verdachte door de NDF is zonder meer tekortgedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het OM wel ontvankelijk is in de vervolging van de feiten aangaande [slachtoffer 6] . en [slachtoffer 9] ., omdat het handelen van de NDF jegens de verdachte geen enkele invloed heeft gehad op (het onderzoek in) onderhavige zaak en uit het dossier niet blijkt dat de martelingen van de verdachte rechtstreeks verband houden met de nu tenlastegelegde feiten die zien op [slachtoffer 6] . en [slachtoffer 9] . Er dient dan ook geen rechtsgevolg verbonden te worden aan de door de verdachte ondergane martelingen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe als volgt.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere (buitenlandse) functionaris of persoon dan een (Nederlandse) opsporingsambtenaar. In deze rechtspraak ligt als algemene overkoepelende maatstaf besloten dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit (ECLI:NL:HR:2020:1889).

Op grond van het dossier is het aannemelijk dat de verdachte in februari 2014 door de NDF is aangehouden, gedetineerd en gemarteld. Zodoende lijkt sprake van onrechtmatig handelen jegens hem door de NDF. Echter, anders dan gesteld, bevinden zich in het dossier geen aanknopingspunten op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat genoemd handelen iets te maken had met de tenlastegelegde seksuele handelingen jegens [slachtoffer 9] . en [slachtoffer 6] ., laat staan dat de marteling van de verdachte door de NDF van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek daarnaar.

Het OM is ontvankelijk in de vervolging van de feiten aangaande [slachtoffer 9] . en [slachtoffer 6] .

5Juridische kaders In deze zaak zijn diverse juridische vraagstukken van internationale aard aan de orde. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis bespreekt de rechtbank in dit hoofdstuk alle relevante juridische kaders. Op de daarvoor bestemde plaatsen zal de rechtbank bij de beoordeling van de feiten, indien nodig, terugverwijzen naar deze kaders.

5.1.

Misdrijven tegen de menselijkheid De tenlastelegging is onder meer toegesneden op de misdrijven tegen de menselijkheid marteling (dagvaarding I: feiten 2, 5, 8, 11, 13, 15, 19; dagvaarding II: feit 2, dagvaarding III: feit 2), verkrachting (dagvaarding I: feit 17) en enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst (dagvaarding I: feiten 3, 6, 9, 16; dagvaarding II: feit 3, dagvaarding III: feit 3). Hieronder volgt een uiteenzetting van de bestanddelen.

Artikel 4 lid 1 Wim luidt – voor zover relevant in de onderhavige zaak – als volgt: ‘Als schuldig aan een misdrijf tegen de menselijkheid wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie, hij die een van de volgende handelingen begaat, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval: (…) f. marteling; g. verkrachting, (…) of enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst;’ Voorts wordt in artikel 4 lid 2 onder a Wim uitgelegd wat wordt verstaan onder ‘aanval gericht tegen een burgerbevolking’, te weten ‘een wijze van optreden die met zich brengt het meermalen plegen van in het eerste lid bedoelde handelingen tegen een burgerbevolking ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een staat of organisatie, dat het plegen van een dergelijke aanval tot doel heeft’.

De in artikel 4 lid 2 Wim gehanteerde definitie is overgenomen van artikel 7 lid 2 onder c, van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: Statuut van Rome).

Voor de invulling van de (contextuele) bestanddelen behorend bij misdrijven tegen de menselijkheid (zie hierna), heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het toepasselijke internationaal recht.

Contextuele bestanddelen van misdrijven tegen de menselijkheid Uit jurisprudentie van het Internationaal Strafhof (hierna: ICC), gebaseerd op het Statuut van Rome en de voor de interpretatie en toepassing daarvan vastgestelde Elements of Crimes, komt naar voren dat aan de volgende contextuele bestanddelen moet worden voldaan wil een strafbare gedraging als misdrijf tegen de menselijkheid kunnen worden gekwalificeerd: i. er vond een aanval plaats die gericht was tegen de burgerbevolking; ii. ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een staat of organisatie; iii. de aanval was wijdverbreid of stelselmatig van aard; iv. er bestond een nauw verband (nexus) tussen de handeling(en) van de verdachte en de aanval; en v. de verdachte wist dat zijn handeling(en) onderdeel uitmaakte(n) van een wijdverbreide of stelselmatige aanval.

Deze eisen vormen het kader waarbinnen het handelen van de verdachte dient te worden beoordeeld.

5.1.1 Marteling In artikel 4 lid 1 onder f Wim is de strafbaarstelling van marteling als misdrijf tegen de menselijkheid opgenomen. In artikel 1 lid 1 onder d Wim wordt marteling als volgt gedefinieerd: “marteling: het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn of ernstig lijden, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, bij een persoon die zich in gevangenschap of in de macht bevindt van degene die beschuldigd wordt, met dien verstande dat onder marteling niet wordt verstaan pijn of lijden dat louter het gevolg is van, inherent is aan of samenhangt met rechtmatige sancties.”

Wat marteling onderscheidt van vergelijkbare internationale misdrijven, zoals wrede of onmenselijke behandeling, is de mate van ernst van het veroorzaakte leed. Hoewel het ernst-criterium niet nader wordt gedefinieerd, blijkt uit vaste internationale jurisprudentie dat er een aanzienlijke mate van pijn en lijden moet zijn bereikt voordat een strafbaar feit als marteling kan worden beschouwd.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van marteling zal de rechtbank onder meer rekening houden met de volgende factoren: ( a) de aard, duur en intensiteit van de handelingen waaraan een slachtoffer is onderworpen; ( b) de lichamelijke conditie en gezondheidstoestand van het slachtoffer; ( c) de leeftijd en het geslacht van het slachtoffer; ( d) de context waarin de pijn en/of het lijden wordt veroorzaakt; ( e) het georganiseerde en geïnstitutionaliseerde karakter van het handelen.

Zowel mishandelingen, seksueel geweld, langdurige onthouding van slapen of voedsel, hygiëne of medische zorg, als ook bedreiging met marteling, met een misdrijf tegen het leven gericht van het slachtoffer of zijn familieleden of met verkrachting, tijdens detentie, zijn voldoende ernstig geacht om als marteling, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, te worden gekwalificeerd.

Het blootstellen van een persoon aan de angst voor, of bedreiging met de dood of executie, kan zorgen voor extreem ernstige vormen van geestelijk lijden. Geestelijk lijden kan ook ontstaan door personen die gedetineerd zijn te dwingen te leven in een constante situatie van extreme angst en spanning dat ze zullen worden onderworpen aan lichamelijk geweld of zelfs de dood kunnen vinden. Dit kan in het bijzonder het geval zijn wanneer gedetineerden: ( i) getuige zijn van het ernstig lichamelijk pijn toebrengen aan andere gedetineerden; (ii) getuige zijn van het meenemen van andere gedetineerden met dat doel, eventueel gecombineerd met een schijnbaar willekeurige selectie van de gedetineerden; (iii) het waarnemen van het letsel bij terugkomst van de gedetineerden.

De verdachte moet opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, hebben gehad op de hem verweten gedragingen en bij het slachtoffer moet door deze gedragingen ernstige pijn of leed kunnen worden vastgesteld. Niet is vereist dat de verdachte wist dat de pijn of het leed ernstig was, of dat hij dat beoogde.

Verder dient het slachtoffer zich in gevangenschap of in de macht van de van marteling beschuldigde verdachte te bevinden. Deze begrippen dienen ruim te worden uitgelegd. De term ‘gevangenschap’ houdt iedere vorm van detentie of gevangenneming in, waaronder arrestaties, andere vrijheidsbeperkende maatregelen zoals menigtebeheersing door veiligheidstroepen, evenals gedwongen verdwijningen.

5.1.2.

Verkrachting In artikel 4 lid 1 onder g Wim is de strafbaarstelling van verkrachting als misdrijf tegen de menselijkheid opgenomen. Artikel 4 lid 1 onder g Wim weerspiegelt artikel 7 lid 1 onder g-1 van het Statuut van Rome. De rechtbank heeft acht geslagen op de bijbehorende Elements of Crimes welke – zonder de eerder genoemde contextuele elementen – als volgt luiden:

The perpetrator invaded the body of a person by conduct resulting in penetration, however slight, of any part of the body of the victim or of the perpetrator with a sexual organ, or of the anal or genital opening of the victim with any object or any other part of the body.

The invasion was committed by force, or by threat of force or coercion, such as that caused by fear of violence, duress, detention, psychological oppression or abuse of power, against such person or another person, or by taking advantage of a coercive environment, or the invasion was committed against a person incapable of giving genuine consent.

De definitie van ‘verkrachting’ volgend uit de Elements of Crimes is genderneutraal. Er kan sprake zijn van mannelijke en vrouwelijke plegers en slachtoffers. Zo omvat de definitie ook penetratie door en bij personen van hetzelfde geslacht.

Eerste non-contextuele element: penetratie Er is sprake van penetratie wanneer het lichaam van het slachtoffer wordt binnengedrongen, ook in die gevallen dat de pleger niet zelf penetreert. De definitie omvat ook situaties waarin de pleger wordt gepenetreerd, alsmede situaties waarin de pleger een ander laat penetreren.Daarnaast valt pijpen onder ‘penetratie’. Volgens de Trial Chamber in Bemba dient dit te worden bezien als: ‘a degrading fundamental attack on human dignity which can be as humiliating and traumatic as vaginal or anal penetration’.

Tweede non-contextuele element: dwang Bij verkrachting moet sprake zijn van dwang (coercion). Deze dwang ontstaat wanneer sprake is van geweld, dreigen met geweld, iemand dwingen iets te doen of te dulden, misbruik maken van een onderdrukkende omgeving, of een situatie waarin het slachtoffer niet in staat is toestemming te geven. Dwang hoeft daarmee niet te bestaan uit het uitoefenen van directe fysieke kracht op het slachtoffer. Dwang kan inherent aanwezig zijn en volgen uit de omstandigheden waarin het slachtoffer zich bevindt. Omstandigheden zoals de aanwezigheid van een gewapend conflict kunnen op zichzelf al een dwingende context scheppen. Het vaststellen van het ontbreken van consent is niet noodzakelijk. De aanwezigheid van één van de genoemde omstandigheden is voldoende.

5.1.3.

Enige andere vorm van seksueel geweld In artikel 4 lid 1 onder g Wim is de strafbaarstelling van ‘enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst’ als misdrijf tegen de menselijkheid opgenomen. Artikel 4 lid 1 onder g Wim weerspiegelt artikel 7 lid 1 onder g-6 van het Statuut van Rome. De rechtbank heeft voor de interpretatie en toepassing acht geslagen op de bijbehorende Elements of Crimes die – zonder de eerder genoemde contextuele elementen – als volgt luiden:

The perpetrator committed an act of a sexual nature against one or more persons or caused such person or persons to engage in an act of a sexual nature by force, or by threat of force or coercion, such as that caused by fear of violence, duress, detention, psychological oppression or abuse of power, against such person or persons or another person, or by taking advantage of a coercive environment or such person’s or persons’ incapacity to give genuine consent.

Such conduct was of a gravity comparable to the other offences in article 7, paragraph 1 (g), of the Statute.

The perpetrator was aware of the factual circumstances that established the gravity of the conduct.

Eerste non-contextuele element: geweld van seksuele aard onder dwang Wat dient te worden verstaan onder ‘an act of sexual nature’, geweld van seksuele aard, volgt niet uit het Statuut van Rome noch uit de Elements of Crimes. Uit internationale jurisprudentie van de tribunalen volgen diverse factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of een bepaalde handeling enige (andere) vorm van seksueel geweld oplevert.

In de onderhavige zaak neemt de rechtbank onder meer de volgende factoren mee in haar overwegingen:

-Het geweld/de handelingen richt(en) zich op delen van het lichaam die geassocieerd worden met seksualiteit (zoals de geslachtsdelen). Fysiek contact is daarbij niet per definitie vereist.
-Dwang om bepaalde vernederende of degraderende seksuele handelingen te verrichten of te aanschouwen. Hierbij wordt opgemerkt dat bij de kwalificatie van belang is dat de handelingen het slachtoffer op seksuele wijze vernederen en/of degraderen.

Het geweld/de handelingen maakt/maken een inbreuk op de fysieke of morele integriteit van het slachtoffer.

Het geweld/de handelingen is/zijn seksueel vernederend voor het slachtoffer.

De, al dan niet seksuele, motieven en/of intentie van de pleger.

Tot slot merkt de rechtbank op dat het beantwoorden van de vraag of een bepaalde handeling enige (andere) vorm van seksueel geweld oplevert, een casuïstische afweging vereist waarbij naast de bovengenoemde factoren alle relevante feiten en omstandigheden worden gewogen.

Om te komen tot de kwalificatie seksueel geweld dient sprake te zijn van dwang. Zoals de rechtbank heeft uiteengezet onder paragraaf 5.1.2 ontstaat dwang wanneer sprake is van geweld, dreigen met geweld, iemand dwingen iets te doen of te dulden, misbruik maken van een onderdrukkende omgeving of een situatie waarin het slachtoffer niet in staat is toestemming te geven.

Tweede non-contextuele element: van vergelijkbare ernst Het geweld van seksuele aard dient ‘van vergelijkbare ernst’ te zijn als de andere seksuele misdrijven genoemd in artikel 4 lid 1 onder g, Wim, zijnde verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap en gedwongen sterilisatie. Het vereiste ‘van vergelijkbare ernst’ is specifiek opgenomen in het Statuut van Rome. Gelet hierop kijkt de rechtbank voor de interpretatie van de term ‘van vergelijkbare ernst’ in eerste instantie naar de jurisprudentie van het ICC. Het ICC heeft zich tot nu toe eenmaal uitgelaten over dit vereiste. De Pre-Trial Chamber oordeelde in Bemba dat het dwingen van mensen om zich in het openbaar uit te kleden niet van vergelijkbare ernst was als de andere seksuele misdrijven in artikel 7 lid 1 onder g-6, van het Statuut van Rome. De rechtbank ziet dat dit oordeel is bekritiseerd in de literatuur en afwijkt van de jurisprudentie van de Tribunalen, waarin ‘gedwongen ontkleden’ wel is gekwalificeerd als ‘geweld van seksuele aard’. Hierbij moet worden opgemerkt dat die Tribunalen, anders dan het ICC, geen speciale strafbaarstelling voor deze categorie (seksuele) misdrijven ter beschikking stond en dat in die zaken het vereiste ‘van vergelijkbare ernst’ ontbrak.

Omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen vastomlijnd juridisch kader is voor de toepassing van het vereiste ‘van vergelijkbare ernst’, zal zij aan hand van het hieronder geschetste kader bepalen of een tenlastegelegde gedraging van vergelijkbare ernst is als de andere misdrijven genoemd in artikel 4 lid 1 onder g Wim. De rechtbank slaat daarbij acht op de omstandigheden van het geval, alsmede de volgende uit de literatuur geïdentificeerde factoren: de aard en de ernst van de handeling(en); de gevolgen voor het slachtoffer; de omstandigheden van het slachtoffer zoals diens leeftijd, gender en kwetsbaarheid; het aantal slachtoffers; de langetermijneffecten van de handeling op het slachtoffer, de gevolgen voor de familie van het slachtoffer; het herhaalde karakter van het gedrag en/of de handeling(en); de context waarin de gedraging(en) en/of handeling(en) werden gepleegd; discriminatoire motieven; en het beschermde rechtsgoed.

Derde non-contextuele element: wetenschap Ten slotte diende de pleger op de hoogte te zijn van de feitelijke omstandigheden die de ernst van de handeling aantonen. Hiertoe is niet vereist dat de pleger een juridische afweging heeft gemaakt van de ernst van diens handelen.

5.2.

Foltering De strafbaarstelling van het misdrijf van foltering is opgenomen in artikel 8 Wim. Foltering wordt in artikel 1 lid 1 onder e Wim als volgt gedefinieerd: “marteling van een persoon met het oogmerk om van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor een handeling die hij of een derde heeft begaan of waarvan hij of een derde wordt verdacht, of hem of een derde vrees aan te jagen of te dwingen iets te doen of te dulden, dan wel om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie uit welke grond dan ook, van overheidswege gepleegd.”

Hoewel de definitie van foltering als zelfstandig misdrijf afwijkt van de definities van marteling als oorlogsmisdrijf en als misdrijf tegen de menselijkheid, wordt volgens de wetsgeschiedenis uitgegaan van dezelfde grondgedraging.

Uit de definitie van foltering in artikel 1 lid 1 onder e Wim volgt dat het gaat om martelen van overheidswege. In aanvulling op deze definitie, is in artikel 8 Wim een bijkomend bestanddeel opgenomen met betrekking tot de kwaliteit van de dader. Artikel 8 Wim luidt als volgt:

1.Foltering door een ambtenaar of anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2.Met gelijke straffen wordt gestraft: a. de ambtenaar of anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon die in de uitoefening van zijn functie door een der in artikel 47, lid 1, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) vermelde middelen tot de foltering uitlokt of die opzettelijk toelaat dat een ander die foltering pleegt; b. hij die foltering pleegt, indien een ambtenaar of een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie zulks door een der in artikel 47, lid 1, onder 2°, Sr vermelde middelen heeft uitgelokt of zulks opzettelijk heeft toegelaten.

Foltering is daarmee een kwaliteitsdelict. Een wezenlijk kenmerk van foltering is het misbruik van overheidsbevoegdheden. Het gaat om praktijken waarvoor personen die met publiek gezag bekleed zijn op enigerlei wijze verantwoording dragen. Dit kunnen Nederlandse ambtenaren en daarmee gelijkgestelden zijn waarbij de wetgever verwijst naar het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor de uitleg van het begrip ambtenaar. De Hoge Raad heeft het begrip ambtenaar in artikel 84 Sr ruim uitgelegd. Een ambtenaar is eenieder die door het openbaar gezag is aangesteld tot een openbare betrekking om een deel van de taak van de staat of zijn organen te verrichten.

Naast ambtenaren kunnen ook anderszins ten dienste van de overheid werkende personen die in de uitoefening van hun functie zijn, foltering plegen. Niet alleen Nederlandse ambtenaren of daarmee gelijkgestelden, maar ook diegenen die ten dienste van een vreemde staat een openbaar ambt bekleden vallen onder het bereik van de strafbaarstelling van artikel 8 Wim (zie artikel 1 lid 2 Wim).

Tot slot dient de dader bij foltering een specifiek door de wetgever omschreven oogmerk te hebben. Onder meer worden genoemd het oogmerk om een bekentenis te verkrijgen, het slachtoffer te bestraffen of het slachtoffer vrees aan te jagen.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat oogmerk in het verband van dit delict strenger moet worden uitgelegd dan de gebruikelijke betekenis van het bestanddeel oogmerk, die erop neerkomt dat de dader moet hebben beseft dat zijn gedraging noodzakelijk en dus door hem gewild bepaalde door hem beoogde doelen of gevolgen zou hebben. Het gaat om het door de dader beoogde doel, ook aangeduid als diens ‘innerlijke kenmerken of motieven’. De rechtbank moet kunnen vaststellen met welke intentie of bedoeling de verdachte de feitelijke handelingen heeft verricht.

6De beoordeling van de tenlasteleggingen 6.1.

Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, met dien verstande dat de officier van justitie met betrekking tot het bij dagvaarding 1 onder 14 tot en met 17 tenlastegelegde het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen acht en slechts de periode 10 tot en met 11 juli 2013 wettig en overtuigend bewezen vindt; en met betrekking tot het bij dagvaarding 1 onder 18 en 19 tenlastegelegde slechts de periode 14 oktober tot en met 24 oktober 2013 wettig en overtuigend bewezen vindt.

6.2.

Het standpunt van de verdediging De raadslieden hebben namens de verdachte vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit. Voor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de verdediging.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Deze zijn leidend. De in deze paragraaf opgenomen bewijsoverwegingen vormen steeds een samenvatting daarvan. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

6.3.1.

Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusies met betrekking tot de situatie in Syrië in aanloop naar en in de tenlastegelegde periode 6.3.1.1. De situatie in Syrië vanaf 2011 In maart 2011 brak in Syrië een opstand uit om hervormingen af te dwingen bij het regime van president Bashar al-Assad. Het Syrische regime trachtte de burgerlijke onrust met geweld de kop in te drukken en liet in heel Syrië op grote schaal demonstranten arresteren, martelen en vermoorden. De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Verenigde Naties (hierna: IICISAR) heeft gerapporteerd dat in de periode van 15 maart 2011 tot 15 februari 2012 6.399 burgers en 1.680 deserteurs zijn gedood, dat sinds het najaar in 2011 het geweld is geëscaleerd en dat het regime scherpschutters en mortieren heeft ingezet tegen burgers. IICISAR heeft gevallen van marteling sinds 2011 gedocumenteerd in 38 met naam genoemde detentielocaties.

Rond 27 maart 2011 vormde het regime een Central Crisis Management Cel (hierna: Crisis Cel) om de reactie op de demonstraties, en later het gewapende verzet, te coördineren. Aan de Crisis Cel namen de belangrijkste overheidsfunctionarissen, zoals de minister van Defensie en de hoofden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, van het regime deel. De Crisis Cel gaf instructies om demonstraties met harde hand neer te slaan, stuurde legertroepen en veiligheidsdiensten aan in het gebruik van geweld tegen opstandelingen en speelde een actieve rol in de aanmoediging, mobilisatie en bewapening van volkscomités.

Volkscomités en shabiha groepen (zie ook hierna onder 6.3.1.2) speelden bij de gewelddadige onderdrukking een grote rol. In vrijwel alle periodieke verslagen van de IICISAR sinds 2012 en rapporten opgesteld door mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International, Human Rights Watch en andere gerenommeerde internationale organisaties en onderzoekers, wordt melding gemaakt van ernstige mensenrechtenschendingen waarvoor pro-regime milities verantwoordelijk waren, of waar zij bij betrokken waren.

Detentie als repressie In april 2011 gaf de Crisis Cel opdracht tot het op grote schaal arresteren, vasthouden en ondervragen van vreedzame demonstranten. De arrestaties vonden plaats gedurende demonstraties, maar ook tijdens gerichte (woning)doorzoekingen en bij checkpoints. In opdracht van de Crisis Cel werden de demonstraties met harde hand neergeslagen en werd er met scherp op demonstranten geschoten. In reactie op de arrestaties en het toegenomen geweld tegen demonstranten, verspreidden de demonstraties zich steeds sneller en nam het gewapende verzet toe. In augustus van dat jaar gaf de Crisis Cel de opdracht tot aanvullende repressieve maatregelen die leidden tot nog meer arrestaties en verhoren. De maatregelen richtten zich niet alleen op demonstranten, maar ook op activisten, oppositieleden, burgers die vanwege hun beroep antiregime geacht werden te zijn alsmede burgers (waaronder kinderen) die geenszins betrokken waren bij de demonstraties.

De resultaten van de verhoren werden via de verschillende veiligheidsdiensten rondgezonden, zodat nieuwe mogelijke tegenstanders van het regime geïdentificeerd en uitgeschakeld konden worden. De verschillende veiligheidsdiensten kregen in lijn met het beleid van de Crisis Cel instructies ten aanzien van de arrestaties, de verhoren, de detentie en het vrijlaten van gevangenen alsmede hun behandeling in gevangenschap en het omgaan met eventuele dodelijke slachtoffers. Er was sprake van een gecoördineerde aanpak tussen de verschillende veiligheidsdiensten die samenwerkten om de grote aantallen gevangenen te laten doorstromen en informatie van verhoren uit te wisselen.

Het beleid om burgers massaal te arresteren resulteerde in overvolle gevangenissen. De detentieomstandigheden in de gevangenissen waren slecht. Er was een gebrek aan water, voedsel, slaap, hygiëne en medische voorzieningen. Naast de slechte detentieomstandigheden werden gevangenen op grote schaal onderworpen aan martelingen en seksueel geweld. Het doel van de martelingen en het seksueel geweld was – naast het verkrijgen van informatie – het afschrikken en onderdrukken van enige vorm van oppositie tegen het regime. De martelingen resulteerden in de dood van duizenden gevangenen. Het seksueel geweld, waaronder verkrachting, richtte zich op mannen, vrouwen en kinderen en werd gepleegd door veiligheidstroepen, strijdkrachten en aangesloten milities. Het seksueel geweld werd ingezet om informatie te verkrijgen, als straf of vernedering en om de oppositie en hun omgeving te terroriseren. Het seksuele geweld vond plaats in (onofficiële) detentiecentra, maar ook tijdens grondoperaties, doorzoekingen en bij checkpoints.

6.3.1.2. De NDF Vanaf het begin van de opstand in 2011 maakte het Syrische regime gebruik van bestaande Ba’ath-partij structuren om pro-regime Syriërs te mobiliseren. Deze volkscomités – in de volksmond ook wel aangeduid als shabiha - waren in heel Syrië zichtbaar en werden door president al-Assad in een toespraak ‘jonge mensen die gevaren confronteren’ genoemd.

De volkscomités waren een eerste poging om pro-Assad militanten macht te verschaffen en te structureren. Ze moesten lokaal optreden als de ogen en oren van het inlichtingenapparaat, demonstraties verstoren, controleposten bemannen en patrouilles uitvoeren. Na verloop van tijd dienden ze daarnaast tegenstanders van het regime op te sporen en aan te vallen.

De volkscomités werden ondersteund en geleid door de inlichtingendiensten en opereerden onder auspiciën van de National Security Office. Het regime voorzag de volkscomités van wapens en middelen om nieuwe leden te ronselen en deze in te zetten tegen voornamelijk ongewapende demonstranten en activisten. In 2011 rapporteerde IICISAR dat het aantal shabiha groepen die door het Syrische regime bewapend werden, rond de 10.000 burgers betrof.

Vanaf 2012 werden de volkscomités en andere milities gereorganiseerd via de oprichting van de NDF. Hiermee werden deze milities onder controle van het leger gebracht. President Assad omschreef de NDF in 2013 als een nieuwe overkoepelende structuur van ‘lokale burgers die naast het leger strijden om hun gemeenschappen en regio’s te verdedigen’. De NDF ontpopte zich steeds meer als een belangrijk onderdeel van de militaire infrastructuur van het regime. Zo namen zij frontlinietaken op zich en werden zij gesignaleerd op locaties waar heftig gevochten werd. Op 9 januari 2013 werd in een video het bestaan van de NDF bekend gemaakt.

De belangrijkste reden voor de vorming van de NDF was het gebrek aan mankracht van het regeringsleger. In reactie op het gewelddadig neerslaan van de protesten, kwam naast de vreedzame protesten van de opposanten ook een gewapend verzet op. De confrontaties tussen aanhangers en opposanten van het regime werden steeds heftiger. De NDF-milities werden vooral ingezet om de gewapende oppositie uit de thuisgebieden te verdrijven en de protesten neer te slaan.

Syrische provincies beschikten over eigen NDF-afdelingen die onder bevel stonden van een plaatselijke militair officier, of civiele leiders die zich via de volkscomités hadden weten op te werken. De meeste hooggeplaatste NDF-leiders werden rechtstreeks aangesteld door het regeringsleger. De NDF-afdelingen werkten nauw samen met het leger en de inlichtingendiensten. Een NDF-commandocentrum in Damascus coördineerde de financiële en logistieke steun met het Ministerie van Defensie en de lokale afdelingen. Financiering kwam van het veiligheidsapparaat van het regime, maar ook van particuliere bedrijven en zakenlieden met persoonlijke banden met de familie al-Assad. Daarnaast waren NDF-eenheden betrokken bij onder meer plunderingen en ontvoeringen voor losgeld.

Voormalig legerofficieren kregen leidinggevende rollen binnen de NDF, waardoor het regime op informele wijze controle kon uitoefenen. Voor wapens, voertuigen en voedselvoorzieningen waren NDF-eenheden volledig afhankelijk van de bevoorradingscentra van het reguliere leger.

Toetreding tot de NDF gebeurde op vrijwillige basis. Het was burgers toegestaan hun militaire dienstplicht bij de NDF te vervullen. NDF-leden werden geacht eigen uniformen te dragen of identificerende badges, maar dit lijkt niet altijd het geval te zijn geweest.

De NDF groeide uit tot een paramilitaire organisatie met eigen gevangenissen en bevoegdheden om onderzoeken en verhoren in te stellen. Uit de rapportages van IICISAR volgt dat de NDF zelfstandig arrestaties verrichtte en de arrestanten vasthield in ‘niet officiële centra’ voordat ze werden overgedragen aan de veiligheidsdiensten. De NDF maakte zich schuldig aan ernstige mishandeling, seksueel geweld, verkrachting en andere onmenselijke behandelingen, met name in detentiecentra en gevangenissen, maar ook tijdens huiszoekingen. Ook werden bekentenissen afgedwongen onder bedreiging van verkrachting. Daarnaast was de NDF verantwoordelijk voor gedwongen verdwijningen van personen door hen te ontvoeren en naar onbekende locaties te brengen.

6.3.1.3. De Syrische opstand in Salamiyah Uit solidariteit met de demonstranten in Daraa en Damascus besloten activisten in Salamiyah op 25 maart 2011 te demonstreren bij de Imam Ismail Moskee . De aantallen deelnemers aan die protesten waren aanvankelijk gering, maar het aantal demonstranten nam toe bij hierop volgende protesten. Bij sommige van deze demonstraties in april en mei kregen de demonstranten te maken met aanvallen van de shabiha en agenten van de veiligheidsdiensten. Toen er bij anti-regeringsdemonstraties in Hama doden en gewonden vielen, leidde dit tot nieuwe protesten in Salamiyah . Op 19 augustus 2011 riepen activisten op tot protesten voor wat ‘de belofte van de overwinning’ werd genoemd. Die dag mondde een grote demonstratie in het centrum van Salamiyah uit in een confrontatie tussen demonstranten en het leger, veiligheidsagenten en shabiha. Meer dan 450 activisten werden gearresteerd. Op toegangswegen naar de stad wierp het leger controleposten op die door shabiha bemand werden. Openbare demonstraties gingen door tot medio 2012. Het verzet ging daarna ondergronds en honderden burgers werden gedetineerd.

6.3.1.4. De NDF in Salamiyah Het regime ging ertoe over om in Salamiyah , zoals in andere steden, plaatselijk te werven voor ordehandhaving door gewapende milities. Er werden gewapende bendes gevormd onder de overkoepelende benaming van de NDF. Tientallen jonge mannen afkomstig van het platteland van Salamiyah werden gerekruteerd door onder meer Saleh al-Salama. Deze alawitische pro-Assad militie wierp wegversperringen op en voerde controles uit in de stad. Militieleden beschikten over wapens en munitie en ontvingen een maandsalaris. De leider van de NDF in Salamiyah was [naam 1] , de zoon van het hoofd van de Ismaelitische Raad in Salamiyah . Onder hem opereerden onder anderen [naam 2] (hierna ook: [naam 2] ), een Ismaeliet uit Salamiyah en [naam 3] (hierna ook: [naam 3] ).

Het geweld nam tussen 2011 en 2015 hand over hand toe. De bevolking leed onder de terreur en misdadige praktijken van de NDF. Er was sprake van een golf van ontvoeringen en geweld, uitgeoefend door gewapende elementen onder de paraplu van de NDF. De lokale NDF nam de macht in de stad over.

Diverse getuigen in het dossier, onder wie [naam 4] en [slachtoffer 3] verklaren over de aanwezigheid van de NDF in Salamiyah .

6.3.1.5. Is sprake van een wijdverbreide of stelselmatige aanval op de burgerbevolking ter uitvoering van het beleid van het Syrische regime?

Uit de hiervoor weergegeven feitelijke vaststellingen volgt dat het Syrische regime vanaf maart 2011 in samenwerking met groeperingen zoals de volkscomités vreedzame demonstraties met harde hand de kop indrukte door de demonstranten met geweld uiteen te drijven en aan te houden. De Crisis Cel van het regime stuurde de verschillende veiligheidsdiensten en het leger aan en gaf opdracht met harde hand op te treden tegen de oppositie. Naarmate de vreedzame demonstraties toenamen, trad het Syrische regime met meer geweld op. Het regime voorzag groeperingen, zoals de NDF, van wapens en andere middelen en zette het leger, de veiligheidsdiensten en deze groeperingen in om burgers te doden, op te pakken, te martelen en onder zeer erbarmelijke omstandigheden vast te houden, hetgeen resulteerde in de dood van duizenden burgers. Deze gedragingen, gelet op de aard en omvang daarvan, moeten worden aangemerkt als een aanval op een burgerbevolking.

Het massaal en structureel oppakken en (onbeperkt) vasthouden van burgers was volgens de Crisis Cel het hoofdbestanddeel van het repressie arsenaal waarmee het regime de demonstraties bestreed. Dit gewelddadig optreden werd doelbewust ingezet als middel om vrees aan te jagen en diende ook ter onderdrukking van de bevolking met als doel het regime van al-Assad te beschermen. Doelwit van het geweld waren (vermeende) oppositieleden, demonstranten en activisten, maar ook burgers (waaronder kinderen) die niet betrokken waren bij de demonstraties. De burgerbevolking die onderwerp van de aanval was, bestond voornamelijk uit Syrische burgers. Mogelijke betrokkenheid bij protesten of kritische uitlatingen over het regime of iemand kennen die daarvan verdacht werd, was voldoende om doelwit van onderdrukking en geweld te worden. De rechtbank is van oordeel dat deze aanval zowel een wijdverbreid als een stelselmatig karakter droeg, gelet op de grote schaal en het structurele en planmatige karakter ervan.

Tussenconclusie: wijdverbreide en stelselmatige aanval op de burgerbevolking ter uitvoering van het beleid van het Syrische regime Vanaf april 2011 werden de beslissingen van de Crisis Cel geïmplementeerd en was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijdverbreide en stelselmatige aanval op de Syrische burgerbevolking, ter uitvoering van het beleid van de Syrische staat.

6.3.1.6. De rol van de verdachte binnen de NDF in de tenlastegelegde periode De verdachte werkte als griffier op de rechtbank in Salamiyah . Hij heeft zich volgens getuigen daarnaast vrijwillig aangemeld bij de NDF in Salamiyah . Volgens de buurman van de verdachte begon hij in 2013 te werken bij de NDF. Deze getuige zag de verdachte een aantal keer met zijn militaire uniform van de NDF aan: een camouflagepak, met tactisch vest en een Kalasjnikov. In Salamiyah waren er volgens getuigen drie leiders van de NDF: [naam 1] , [naam 2] en de verdachte. [naam 1] was het hoofd en moest verantwoording afleggen aan [naam 5] , de algemeen commandant, die op zijn beurt verantwoording aflegde aan Bashar al-Assad. In de leidinggevende structuur stond [naam 2] onder [naam 1] . [naam 2] was sectorhoofd informatie. Daaronder stond de verdachte als onderzoeker/verhoorder. Hij stond ook in contact met de inlichtingendienst. Onder de verdachte stonden diverse personen die aan hem verantwoording moesten afleggen. De verhoorder had macht, in die zin dat hij informatie verkreeg en bepaalde over het lot van een gedetineerde. De verhoorder had een mandaat om beslissingen te nemen over of een gedetineerde werd vrijgelaten of werd overgebracht naar een ander detentiecentrum zoals [detentiecentrum 1] .

Dat de verdachte verhoorder bij de NDF in (de omgeving van) Salamiyah was, blijkt behalve uit getuigenverklaringen ook uit diverse (foto’s van) documenten. Zo heeft [slachtoffer 3] (hierna ook: [slachtoffer 3] ) aan de politie laten zien dat de naam van de verdachte voorkwam in de mappenstructuur op de laptop van een NDF-lid en heeft hij de politie daarnaast de volgende stukken aangeleverd (samengevat weergegeven):

i)een brief d.d. 15 augustus 2013 van de streekcommandant van de NDF in Salamiyah waarin de verdachte ‘strijder uit de gelederen van de Nationale Defensiestrijdkrachten in Salamiyah ’ wordt genoemd en waarin hij wordt opgeroepen voor een onderhoud;
ii)een brief d.d. 15 september 2013 van de verdachte aan de streekcommandant van de NDF waarin hij onder meer schrijft dat hij werkzaamheden heeft uitgevoerd bij de afdeling Informatie en Verhoor en de streekcommandant verzoekt terroristische arrestanten door te sturen naar de Staatsveiligheidsdienst, en waarin hij ook meldt dat hij niet kan verschijnen voor het onderhoud; en iii) twee veiligheidsstudies van de Algemene Inlichtingendienst over de verdachte, waarin onder meer is vermeld dat hij zich heeft aangesloten bij de Nationale Defensie te Salamiyah en daar verantwoordelijk is geweest voor verhoren, tot hij begin 2014 werd aangehouden door de NDF vanwege het seksueel misbruiken van een arrestante.

De door [slachtoffer 3] aangeleverde documenten zijn door het Syria Justice and Accountability Center (hierna: SJAC) als authentiek beoordeeld, onder meer vanwege het format, briefhoofd en de NDF-stempel. [slachtoffer 3] heeft de politie ook een distributie-overzicht van Zakharov-geweren van de NDF in Salamiyah aangeleverd, waarschijnlijk gedateerd op 18 juni 2014, waarop de verdachte staat vermeld als voormalig verhoorder. Dit gegeven stemt overeen met zijn genoemde aanhouding begin 2014. De rechtbank hecht mede in het licht van het rapport van het SJAC geen enkele waarde aan de verklaring van de verdachte, die kort gezegd en zonder overtuigende onderbouwing, inhoudt dat het bij de voornoemde stukken om valse en/of vervalste documenten gaat.

In het dossier zitten verder foto’s uit oktober 2013 van de zoons van de verdachte, die thuis een soortgelijk geweer vasthouden als vermeld op het distributieoverzicht. De rechtbank gaat er tegen die achtergrond en gelet op het navolgende van uit dat het om (een) NDF-wapen(s) van de verdachte gaat en hecht geen geloof aan zijn verklaring dat het wapens van de militaire politie waren, die vaak bij hem thuis zouden zijn komen eten.

Er zitten ook vijf foto’s in het dossier waarop de verdachte is afgebeeld in een militair camouflage-uniform. Op vier van deze foto’s heeft hij een op een automatisch vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen.

Dat de verdachte als verhoorder voor de NDF werkte, wordt bevestigd door geolocating onderzoek van de politie waaruit naar het oordeel van de rechtbank overtuigend blijkt dat in ieder geval drie van de hiervóór genoemde vier foto’s van de verdachte met een automatisch vuurwapen in zijn handen, op 1 augustus 2013 zijn gemaakt op een van de detentielocaties van de NDF bij Salamiyah . De verklaring van de verdachte, kort gezegd inhoudende dat hij daar nooit is geweest maar dat hij op die dag ter ere van de Syrische ‘dag van het leger’ op een andere locatie, te weten de boerderij van een brigadegeneraal, puur voor een korte fotoshoot het uniform van een chauffeur van de militaire politie heeft aangetrokken, die vervolgens in zijn onderbroek wachtte tot die shoot klaar was, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.

Tussenconclusie: de verdachte was verhoorder bij de NDF Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in de tenlastegelegde periode was aan te merken als een ten dienste van de (Syrische) overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder van de aan de Syrische overheid gelieerde NDF.

6.3.1.7. Wetenschap van de verdachte van de aanval De rechtbank heeft hiervoor - zakelijk weergegeven - het volgende vastgesteld. De Crisis Cel zette de NDF in om massaal en structureel burgers op te pakken en (onbeperkt) vast te houden. De Crisis Cel zag dit als het belangrijkste middel van het regime om de demonstraties te bestrijden. Het diende om vrees aan te jagen en ter onderdrukking van de bevolking met als doel het beschermen van het regime van Assad.

De NDF maakte zich met name in de detentiecentra en gevangenissen schuldig aan ernstige mishandeling, seksueel geweld, verkrachting en andere onmenselijke behandelingen. Daarnaast was de NDF verantwoordelijk voor gedwongen verdwijningen van personen door hen te ontvoeren en naar onbekende locaties te brengen.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdachte als verhoorder van de NDF moet hebben geweten van de wijdverbreide en stelselmatige aanval op de burgerbevolking.

6.3.1.8. Alternatief scenario De verdachte heeft op de terechtzitting en tijdens de politieverhoren op 3, 4 en 5 maart 2026 verklaard dat hij vals wordt beschuldigd. De mensen die deze beschuldigingen hebben geuit, zijn door de NDF dan wel ‘mensen van [naam 1] ’ geïnstrueerd, vanwege alle belastende informatie die hij door zijn voormalige functie als griffier in zijn hoofd heeft. Daarnaast zit de communistische action arbeiderspartij erachter: ze zijn boos op hem, want hij komt zelf uit een Ba’ath familie. De leden van die arbeiderspartij die in het dossier voorkomen hebben zelf misdaden gepleegd en zijn naar Europa gevlucht. De mensenrechtenadvocaat [naam 6] heeft die mensen bescherming gegeven. De verdachte heeft informatie over die partij en ze waren bang dat hij die informatie ging doorvertellen. Toen hij in Europa kwam, hebben ze hem zwart gemaakt.Tenslotte wordt de verdachte vals beschuldigd door mensen van “ [bataljon] ” en mensen van de staatsveiligheidsdienst.

De rechtbank acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk. De rechtbank overweegt hiertoe dat in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden is voor de stelling dat de verdachte door de getuigen vals wordt beschuldigd. De enkele stelling van de verdachte is daartoe onvoldoende. Het verweer wordt dan ook verworpen.

6.3.2.

Dagvaarding I – [slachtoffer 1] (feiten 1 tot en met 3) 6.3.2.1. Feitelijke vaststellingen Op 3 januari 2013 is [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ) door de NDF gearresteerd in zijn kapperszaak in Salamiyah . Enkele dagen eerder vond zijn vriend in het internetcafé waar hij werkte een usb-stick met daarop een rapport over [slachtoffer 1] en diens broer met betrekking tot hun deelname aan demonstraties en de berichten die zij plaatsten op Facebook. [slachtoffer 1] en zijn vriend werden gearresteerd en naar de tapijtfabriek gebracht.

Bij aankomst werd [slachtoffer 1] geblinddoekt en werden zijn handen op zijn rug geboeid. [slachtoffer 1] werd samen met zijn vriend naar een cel gebracht waar de blinddoek werd afgedaan. Op de tweede dag werden [slachtoffer 1] en zijn vriend weer geblinddoekt en naar verschillende verhoorkamers gebracht. De verhoorder beschuldigde [slachtoffer 1] ervan eerste hulp te hebben geboden aan de gewapende oppositie en vroeg [slachtoffer 1] of hij met een vriendin van hem naar bed ging. De verhoorder wilde een bekentenis. [slachtoffer 1] werd geslagen door de verhoorder. Hij werd met de hand in het gezicht geslagen en meermalen geschopt op zijn bovenbeen. Het tweede verhoor dat plaatsvond op de derde dag van zijn detentie verliep op dezelfde wijze. [slachtoffer 1] heeft tijdens alle drie zijn verhoren dezelfde stem gehoord.

Deze verhoorder sprak met het dialect van Salamiyah . Tijdens het derde verhoor waren er - naast de verhoorder - nog twee NDF-leden aanwezig die hem vasthielden. [slachtoffer 1] was geblinddoekt en zijn handen waren geboeid op zijn rug. Hij werd vanuit meerdere richtingen geslagen en met de loop van een geweer in zijn voeten gestoken. De verhoorder sloeg hem met platte hand in zijn gezicht. De blinddoek verschoof en [slachtoffer 1] zag [naam 3] , die hij kende van vroeger. Ook zag hij de verhoorder wiens stem hij herkende van de eerdere twee verhoren. [slachtoffer 1] herkende het gezicht van de verhoorder niet. [naam 3] sloeg met het geweer op de voet van [slachtoffer 1] , pakte het geweer en deed de loop van het geweer tussen de billen van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] droeg een trainingsbroek.

De verhoorder zei niets en verhoogde de intensiteit van het slaan. De verhoorder bedreigde bij alle drie de verhoren [slachtoffer 1] en diens familie. Hij zei dat als [slachtoffer 1] niet zou bekennen, hij diens moeder en zus zou arresteren.

Na het derde verhoor beschreef [slachtoffer 1] in de cel het gezicht van de verhoorder aan zijn vriend. Zijn vriend vertelde [slachtoffer 1] dat [slachtoffer 1] was verhoord door [verdachte] . Zijn vriend kende [verdachte] persoonlijk. [slachtoffer 1] kende de naam van [verdachte] en wist dat hij een verhoorder was bij de NDF.

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij vermoedelijk in 2020 een foto zag op internet van [verdachte] met zijn naam eronder. [slachtoffer 1] herkende [verdachte] als zijn verhoorder, omdat het beeld in zijn geheugen was blijven hangen.

Na het incident met het geweer wilde [slachtoffer 1] in de cel niet meer geholpen worden bij het urineren. [slachtoffer 1] en zijn vriend hadden elkaar hierbij eerder geholpen, omdat hun handen ook in de cel op hun rug gebonden waren. [slachtoffer 1] wilde niet langer dat iemand hem aanraakte en urineerde in zijn broek.

Op de vierde dag werd [slachtoffer 1] vrijgelaten in het kader van een gevangenenruil tussen de oppositie en het regime. De moeder van [slachtoffer 1] , [naam 7] , omschrijft hoe [slachtoffer 1] thuiskwam. [slachtoffer 1] nam meteen een douche vanwege de viezigheid. Zijn kleding had een vieze geur van urine. Het was duidelijk dat hij zichzelf had onder geplast. Hij liep mank. [slachtoffer 1] vertelde zijn moeder dat hij was geslagen met de kolf van een geweer op zijn been. Op de voet was een rood/ blauwe plek te zien van ongeveer vijf centimeter. [slachtoffer 1] vertelde verder aan zijn moeder dat [verdachte] zijn verhoorder was geweest. De moeder van [slachtoffer 1] kende [verdachte] , wist dat hij shabiha was en dat hij betrokken was bij het martelen van gedetineerden en demonstranten.

In het dossier bevindt zich openbronnen-onderzoek, uitgevoerd naar aanleiding van het getuigenverhoor van [slachtoffer 1] . Op 6 januari 2013 is er een Facebookbericht geplaatst door het profiel van [naam 8] bestaande uit een foto van [slachtoffer 1] . Uit de opmerkingen onder het bericht blijkt dat er zorgen zijn met betrekking tot [slachtoffer 1] : ‘(i) als God het wil, komen ze ongedeerd terug; (ii) Hij is een held en als God het wil, zal hij zichzelf redden; (iii) Moge God je veilig en wel terugbrengen.’ De Facebookpagina van de ‘Jeugdbeweging voor Democratische Verandering in Syrië’ plaatste op 6 januari 2013 een bericht en een foto van [slachtoffer 1] , inhoudende: ‘vrijheid voor [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] is gisteren aangehouden in zijn zaak in de stad Salamiyah .’ Op de webpagina van Violations Documentation Center in Syria stond informatie over de detentie en vrijlating van [slachtoffer 1] , namelijk dat hij op 5 januari 2013 is aangehouden en op 9 januari 2013 is vrijgelaten als gevolg van een gevangenenruil tussen het regime en het Vrije Leger.

6.3.2.2. Bewijsoverwegingen 6.3.2.2.1. Betrouwbaarheidsverweer herkenning De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat de verdachte de verhoorder was van [slachtoffer 1] . Kortgezegd wijst de verdediging hierbij op het feit dat [slachtoffer 1] zijn verhoorder de eerste twee keer niet heeft gezien en stelt dat hij twijfelt over of de verhoorder bij het derde verhoor dezelfde stem had als bij zijn eerdere verhoren. Verder wijst de verdediging erop dat [slachtoffer 1] zich niet meer kan herinneren hoe hij de verdachte heeft omschreven aan zijn vriend, dat hij bij het Syrian Center for Media and Freedom of Expression heeft verklaard dat hij bij zijn derde verhoor door een andere verhoorder is verhoord en ten slotte dat de herkenning die later plaatsvond aan de hand van een foto op internet niet voldoende is, omdat de naam van de verdachte bij de foto stond. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar. Hij heeft in zijn verklaringen bij de Belgische politie en bij de rechter-commissaris gedetailleerd en consistent verklaard over zijn aanhouding, de detentie en de verhoren. Ten aanzien van de herkenning van de verdachte is het zo dat [slachtoffer 1] bij alle drie zijn verhoren dezelfde stem van de verhoorder hoorde. Bij zijn derde verhoor heeft hij de verhoorder ook gezien. Hij beschreef het uiterlijk van de verhoorder aan zijn vriend en medegevangene, die daarop aangaf dat dan de verdachte de verhoorder was geweest. Deze vriend kende de verdachte persoonlijk. Het was in Salamiyah verder bekend dat de verdachte een verhoorder was bij de NDF. [slachtoffer 1] herkende de naam van de verdachte toen zijn vriend deze noemde. Later heeft [slachtoffer 1] de verdachte zelf op een foto als zijn verhoorder herkend. De rechtbank vindt de herkenning al met al betrouwbaar, omdat deze uiteenvalt in meerdere onderdelen, die elkaar naarmate de tijd voortschreed steeds verder versterkten, totdat [slachtoffer 1] de verdachte uiteindelijk zelf op de foto herkende.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat de verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer 1] heeft verhoord.

6.3.2.2.2. Verweer medeplegen De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een aantal van de feitelijke handelingen niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, omdat deze door iemand anders werden uitgevoerd. De verdachte had er geen rekening mee hoeven te houden dat andere aanwezigen het specifieke geweld met het geweer zouden toepassen en het geweer tussen de billen van [slachtoffer 1] zouden houden.

De rechtbank overweegt dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een of meerdere anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van nauwe en bewuste samenwerking kan de rechtbank rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Al met al is de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

Uit het dossier en het onderzoek op de terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de marteling en foltering van [slachtoffer 1] het volgende af. [slachtoffer 1] is gedurende zijn drie verhoren door de NDF - zoals later zal worden vastgesteld - gemarteld en gefolterd. Tijdens het derde verhoor werd de verdachte bijgestaan door twee leden van de NDF. [slachtoffer 1] werd tijdens dit verhoor vanuit meerdere richtingen geslagen. De verdachte en de twee NDF-leden deden dit samen en gelijktijdig. Op enig moment stak [naam 3] met een geweer in de voet van [slachtoffer 1] . Ook stak hij de loop van een geweer tussen de billen van [slachtoffer 1] . De verdachte stopte hierna niet met het slaan van [slachtoffer 1] , noch met het verhoor. De rechtbank rekent daarom ook het steken van de loop van het geweer tussen de billen en in de voet van verdachte toe aan de verdachte. De verdachte - in zijn rol als verhoorder - en de twee NDF-leden martelden [slachtoffer 1] gezamenlijk. Het handelen van de verdachte en de andere twee bestaat in de kern uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij de individuele bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. De rechtbank acht daarom het tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.

6.3.2.2.3. Marteling (feit 2) De verdediging stelt dat er onvoldoende bewijs is voor het duwen van de loop tussen de billen en dat – indien dit aspect buiten beschouwing wordt gelaten – niet wordt voldaan aan de vereiste ‘degree of seriousness’ van marteling.

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van het duwen van de loop van het geweer tussen de billen en verwerpt het verweer van de verdediging. De rechtbank wijst hierbij op hetgeen [slachtoffer 1] hierover in zijn verhoren bij de Belgische politie en de rechter-commissaris heeft verklaard. De rechtbank ziet hiervoor ondersteuning in de omstandigheid dat [slachtoffer 1] na het duwen van de loop tussen zijn billen niet langer geholpen wilde worden in de cel bij het plassen en ervoor koos in zijn broek te plassen, en verwijst daarbij ook naar de verklaring van zijn moeder. Immers duidt dit er op dat [slachtoffer 1] onder geen beding meer wilde worden aangeraakt in de buurt van zijn billen en/of geslachtsdelen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door de rechtbank vastgestelde en door de verdachte in vereniging gepleegde geweldshandelingen kwalificeren als marteling als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onder f Wim: het tegen het gezicht van [slachtoffer 1] en zijn lichaam slaan; het tegen het been van [slachtoffer 1] schoppen; met een geweer op [slachtoffer 1] ’s tenen slaan; en de loop van een geweer tussen de billen van [slachtoffer 1] duwen (hierna tezamen: ‘de geweldshandelingen’).

De rechtbank is van oordeel dat de genoemde geweldshandelingen jegens [slachtoffer 1] zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn en lijden, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij zich in gevangenschap van de NDF bevond. Het gaat om ernstig geweld, waarbij gebruik werd gemaakt van attributen om [slachtoffer 1] pijn te doen, uitgeoefend op meerdere momenten en voor langere duur, door meerdere personen. De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van marteling.

6.3.2.2.4. Nadere overwegingen inzake artikel 4 Wim Onder verwijzing naar het juridisch kader inzake artikel 4 Wim zoals hiervoor uiteengezet zal de rechtbank hieronder bespreken of de bewezenverklaarde marteling kan worden gekwalificeerd als een misdrijf tegen de menselijkheid. De Romeinse cijfers verwijzen naar de nummering van de bestanddelen in het juridisch kader. (i), (ii) en (iii) een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking De rechtbank concludeerde onder paragraaf 6.3.1.5. dat sprake was van een stelselmatige en wijdverbreide aanval op de burgerbevolking ter uitvoering van het beleid van de Syrische staat. (iv) nauw verband (nexus) tussen de handelingen van de verdachte en de aanval De rechtbank heeft hiervóór het volgende vastgesteld. Vanaf 2012 werden de volkscomités en andere milities gereorganiseerd via de oprichting van de NDF. Het regime voorzag de NDF van wapens en andere middelen om burgers te doden, op te pakken, te martelen en onder zeer erbarmelijke omstandigheden vast te houden. Het gewelddadig optreden werd doelbewust door de Crisis Cel ingezet als middel om de bevolking vrees aan te jagen en diende ook ter onderdrukking van de bevolking met als doel het regime van al-Assad in het zadel te houden.

Bij de beoordeling van de vraag of de martelingen van [slachtoffer 1] deel uitmaakten van de wijdverbreide en stelselmatige aanval komt betekenis toe aan de kenmerken, het doel, de aard en gevolgen van de gepleegde handelingen. Dat in acht nemende, komt de rechtbank tot het oordeel dat het martelen van [slachtoffer 1] naadloos past in het hiervóór geschetste patroon. [slachtoffer 1] nam immers deel aan de demonstraties in Salamiyah . Hij is gearresteerd door de NDF en naar de tapijtfabriek - één van de locaties in gebruik bij de NDF - gebracht. Hier is hij meermalen verhoord en gemarteld, met als kennelijk doel om hem zodanig vrees aan te jagen dat hij zijn oppositie zou staken. (v) wetenschap van de verdachte van de aanval en dat zijn gedraging deel uitmaakte van de aanval De rechtbank concludeerde onder paragraaf 6.3.1.7. dat de verdachte gelet op zijn rol als verhoorder van de NDF moet hebben geweten dat sprake was van een aanval gericht tegen de burgerbevolking waarbij geweld tegen burgers werd ingezet om hen vrees aan te jagen. De vraag die openstaat is of de verdachte wist dat zijn gedragingen deel uitmaakten van de aanval. De verdachte heeft [slachtoffer 1] meermalen verhoord in een detentiecentrum van de NDF. Tijdens deze verhoren is [slachtoffer 1] geslagen, geschopt, is de loop van een geweer tussen zijn billen geduwd en is hij geslagen met een geweer.

Onder die omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, moet de verdachte hebben geweten dat deze handelingen deel uitmaakten van een wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.

Conclusie De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van marteling in de zin van artikel 4 lid 1 onder f Wim.

6.3.2.2.5. Enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst (feit 3) Ter beoordeling ligt voor of de fysieke geweldshandeling gepleegd jegens [slachtoffer 1] , kwalificeert als enige andere vorm van seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder g Wim en, indien dat het geval is, of dit van vergelijkbare ernst is als het aangehaalde seksueel geweld in dat artikellid. De rechtbank heeft onder paragraaf 6.3.2.1. vastgesteld dat de volgende fysieke geweldshandeling heeft plaatsgevonden:

-het vasthouden van [slachtoffer 1] en het duwen van de loop van een geweer tussen de billen.

Op grond van het dossier stelt de rechtbank verder vast dat de geweldshandeling eenmalig plaatsvond, tijdens één verhoor waarbij de verdachte als verhoorder optrad, bijgestaan door twee NDF-leden.

De rechtbank concludeert dat het duwen van de loop van een geweer tussen de billen moet worden gekwalificeerd als seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder g Wim. Het is een feit van algemene bekendheid dat de billen een lichaamsdeel zijn dat wordt geassocieerd met seksualiteit. Het duwen van een voorwerp tussen iemands billen is daarmee een inbreuk op diens fysieke integriteit. Daaraan doet niet af dat [slachtoffer 1] een broek aan had. Daarbij heeft [slachtoffer 1] het ook als een seksueel vernederende handeling ervaren, zo leidt de rechtbank af uit zijn verklaring. Het duwen van de loop van een geweer tussen iemands billen is verder degraderend voor het slachtoffer. De rechtbank betrekt hierbij ook de context waarin de geweldshandeling plaatsvond en wijst daarbij op de volgende vier aspecten: [slachtoffer 1] bevond zich in detentie, werd meerdere dagen achter elkaar verhoord, zijn handen waren geboeid achter zijn rug en gedurende de handeling werd hij door NDF-leden bij zijn armen vastgehouden. Gelet op deze aspecten concludeert de rechtbank eveneens dat er sprake was van dwang.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of is voldaan aan het tweede non-contextuele element, namelijk of het seksueel geweld van vergelijkbare ernst is als de in artikel 4 lid 1 onder g Wim genoemde vormen van seksueel geweld.

De rechtbank is zich bewust van de heftigheid van de handeling en de gevolgen die dit heeft gehad voor [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] beschrijft ook hoe hij nadien hulp heeft gehad van een psycholoog om zijn trauma’s te verwerken. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat het gaat om een eenmalige handeling: het duwen van de loop tussen de billen vond één keer plaats. [slachtoffer 1] had een broek aan. De loop van het geweer duwde dus tegen zijn broek aan en er vond geen penetratie plaats. Dit maakt dat de rechtbank het duwen van de loop van het geweer tussen de billen, in dit geval niet van vergelijkbare ernst acht als de in artikel 4 lid 1 onder g Wim genoemde vormen van seksueel geweld.

Gelet daarop spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het bij dagvaarding I onder 3 tenlastegelegde.

6.3.2.2.6. Foltering (feit 1) De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft gemarteld met het oogmerk om van hem inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen over het al dan niet bieden van eerste hulp aan de gewapende oppositie. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het oogmerk had om hem vrees aan te jagen. Dit volgt uit de dreigementen die zijn geuit gedurende de verhoren om zijn moeder en zus te arresteren.

De verdachte martelde [slachtoffer 1] van overheidswege. Hij was immers een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie. [slachtoffer 1] werd vastgehouden op een locatie van de NDF en zijn martelingen werden uitgevoerd door de verdachte als verhoorder van de NDF, al dan niet in samenwerking met andere NDF-leden. De NDF trad conform het beleid van het Syrische regime zeer gewelddadig op tegen opposanten van het regime. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers behoorde tot de standaardwerkwijze van de NDF.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van foltering in de zin van artikel 8 Wim.

6.3.3.

Dagvaarding I – [slachtoffer 2] (feiten 4 tot en met 6) 6.3.3.1. Feitelijke vaststellingen Op 18 oktober 2013 viel de veiligheidsdienst de woning van de familie van [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2] ) binnen. De vader van [slachtoffer 2] werd meegenomen. Via de telefoon kreeg [slachtoffer 2] te horen dat hij zich moest melden bij de NDF. Hij sprak aan de telefoon met [naam 9] (hierna ook: [naam 9] ), die lid zou zijn van de NDF. [slachtoffer 2] werd door vier auto’s opgehaald en werd gebracht naar een boerderij ten westen van Salamiyah . [naam 9] was daar ook bij aanwezig. [slachtoffer 2] was op dat moment niet geblinddoekt. Daarna werd hij wel geblinddoekt en geboeid. Hij zat in een cel en werd meegenomen voor verhoren. [slachtoffer 2] is door de verdachte verhoord. Hij heeft de verdachte gezien tijdens zijn verhoren. Eerst hoorde hij zijn stem, toen wist hij het nog niet 100 procent zeker. Hij zag de verdachte voor de eerste keer van onder zijn blinddoek toen hij ondersteboven was opgehangen. Hij heeft de verdachte makkelijk kunnen herkennen, omdat hij hem goed kende. De verdachte kwam bij zijn vaders groentekraam op de markt, in ieder geval een keer in de week. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] de verdachte ook in het ouderlijk huis van de verdachte ontmoet. Hij zegt dat hij hem voorafgaand aan zijn detentie meer dan 100 keer heeft gezien. [slachtoffer 2] hoorde dat hij werd beschuldigd van het meedoen aan demonstraties, het hebben van banden met terroristen en het dragen van wapens tegen het regime. Tijdens één van de verhoren dreigde de verdachte om zijn vader opnieuw op te pakken en hem, zijn moeder, broertje en geliefde te doden. [slachtoffer 2] werd vier keer verhoord. De verdachte was bij al deze verhoren aanwezig. Hij werd ondersteboven opgehangen, geboeid aan enkels en polsen. Hij werd door meerdere personen geslagen. Hij kreeg schoppen tegen zijn hoofd. De verdachte sloeg zo hard tegen zijn kaak dat hij dagen niet kon eten en heeft hem herhaaldelijk geslagen op zijn oog. Hij werd geslagen met een lederen riem, een viervoudige elektriciteitskabel, een stok, een ketting en een slipper. Verder heeft de verdachte hem in meerdere verhoren geëlektrocuteerd met twee kabels tegen zijn voeten.

Er is twee of drie keer geweld uitgeoefend op het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] door de verdachte. Zo is met een riem op zijn geslachtsdeel geslagen. De verdachte sloeg op zijn achterwerk, pakte zijn bil en kneep. Dit gebeurde meerdere keren. De verdachte heeft ook zijn hak in het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] gedrukt, bewoog toen zijn voet heen en weer en zei: “Wat vind je ervan hoerenzoon als ik jou nu castreer zodat je geen hoerenzonen maakt zoals jezelf?”. [slachtoffer 2] was naakt tijdens het geweld tegen zijn geslachtsdeel. [slachtoffer 2] heeft tot slot gezien dat medegevangenen werden mishandeld en letsel hadden. Zij vertelden hem dat de verdachte hen had geslagen op momenten dat zij samen in de cel zaten.

6.3.3.2. Bewijsoverwegingen 6.3.3.2.1. Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 2] De verdediging heeft bepleit dat de verklaring van [slachtoffer 2] niet voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat zijn verklaring niet betrouwbaar zou zijn. Kortgezegd wijst de verdediging hierbij op het feit dat [slachtoffer 2] pas op een later moment heeft verklaard over (seksuele) geweldshandelingen en het ontkleed zijn tijdens de verhoren. Volgens de verdediging zijn deze handelingen op deze latere momenten – al dan niet bewust – steviger aangezet. Verder stelt de verdediging dat de verklaring van [slachtoffer 2] op essentiële punten sterk afwijkt van de verklaring van [slachtoffer 7] (hierna ook: [slachtoffer 7] ), terwijl zij juist naar eigen zeggen samen gedetineerd zijn geweest.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en overweegt daartoe als volgt. [slachtoffer 2] is over een periode van meerdere jaren door verschillende instanties verhoord. In iedere verklaring heeft hij consistent verklaard over de aanloop naar de detentie, de detentie, de verhoren, de betrokken personen en de handelingen.

Dat hij over bepaalde handelingen of feitelijkheden pas op een later moment heeft verklaard is, naar het oordeel van de rechtbank, ingegeven door het feit dat er pas op dát moment specifiek en direct naar werd gevraagd en doorgevraagd. [slachtoffer 2] begon hier immers niet zelf over. Verder overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 2] diens verklaring over het zich wel of niet branden aan de verwarming, voor de verdachte juist in ontlastende zin heeft aangepast. Voor wat betreft het uiteenlopen van de verklaringen van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 2] overweegt de rechtbank dat beiden verklaren geblinddoekt te zijn geweest. Tevens bevonden zij zich in een zeer stressvolle situatie waardoor het aannemelijk is dat zij niet dezelfde details hebben waargenomen of in meer of mindere mate niet bezig zijn geweest met andere personen dan henzelf.

De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 2] dan ook betrouwbaar en zal deze gebruiken voor het bewijs.

6.3.3.2.2. Ander bewijs De verklaring van [slachtoffer 2] vindt steun in onder meer de verklaringen van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] en [naam 10] . [slachtoffer 3] , die heeft verklaard dat hij van 20 tot 24 oktober 2013 op de boerderij ten westen van Salamiyah gedetineerd was, benoemt dat hij na zijn eigen verhoor in de cel kwam en daar zijn goede vriend [slachtoffer 2] zag. [slachtoffer 2] was de eerste persoon die hij tegenkwam in detentie bij de NDF op de boerderij ten westen van Salamiyah . [slachtoffer 7] omschrijft dat hij samen met [slachtoffer 2] werd verhoord en dat zij van dezelfde feiten werden beschuldigd. Hij heeft bij [slachtoffer 2] sporen van letsel gezien bij zijn pols en enkel, van toen hij opgehangen werd. Tot slot heeft [slachtoffer 3] op het moment dat hij op de boerderij ten westen van Salamiyah was en naar een kamer werd gebracht een stem van een andere gedetineerde gehoord. Die stem was van een oud-leerling van hem, genaamd [slachtoffer 2] . [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 2] wijzen alle drie de verdachte aan als verhoorder.

De rechtbank overweegt dat met deze drie verklaringen de door [slachtoffer 2] verklaarde detentieperiode, aanwezigheid van de verdachte, rol van de verdachte als verhoorder en gepleegde geweldshandelingen worden ondersteund.

In het dossier bevindt zich een foto van de enkels van [slachtoffer 2] , genomen bij de rechter-commissaris, waarop verkleuringen rondom de enkel zijn te zien. Verder is er een medische verklaring van een arts overgelegd. In deze verklaring worden verschillende fysieke letsels genoemd, die passen bij de door [slachtoffer 2] benoemde geweldshandelingen, zoals het breken van de kaak en het ophangen aan de enkels. De rechtbank is van oordeel dat de letselbeschrijving, evenals de foto’s bij de rechter-commissaris, steun bieden voor de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring over de geweldshandelingen.

Verder bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen van de politie waarin gewezen wordt op een bericht van een nieuwssite [nieuwssite] met de titel ‘Photos of more than 200 detainees, including children, in National Defense prisons’. [slachtoffer 3] heeft toegelicht dat [slachtoffer 2] op een van de foto’s staat. Ook wordt een facebookbericht benoemd waarin de data van de detentie van [slachtoffer 2] worden vermeld.

6.3.3.2.3. Marteling (feit 5) De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de volgende door de rechtbank vastgestelde (fysieke) (gewelds)handelingen kwalificeren als marteling als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onder f Wim:

-tegen [slachtoffer 2] ’s lichaam slaan met een stok en een leren riem en een ijzeren ketting,
-de handen van [slachtoffer 2] op zijn rug binden en zijn voeten vastbinden en hem ondersteboven aan een touw hangen,
-een elektrische kabel tegen het lichaam van [slachtoffer 2] houden,
-op het hoofd van [slachtoffer 2] stampen,
-slaan met een riem op het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] en met de hak drukken op zijn geslachtsdeel en in/op zijn achterwerk knijpen en slaan, en
-[slachtoffer 2] blootstellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan, (hierna tezamen: ‘de geweldshandelingen’).

De rechtbank is van oordeel dat deze jegens [slachtoffer 2] gepleegde geweldshandelingen zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn en lijden, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij zich in gevangenschap van de NDF bevond. [slachtoffer 2] werd vier keer op verschillende dagen verhoord, waarbij iedere keer grof geweld werd toegepast, gedreigd werd met gevangenschap en/of de dood van familieleden en hij volledig was overgeleverd aan de verdachte en de andere NDF-leden die aanwezig waren. De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling.

6.3.3.2.4. Enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst (feit 6) Ter beoordeling ligt voor of bepaalde (fysieke) (gewelds)handelingen die de verdachte jegens [slachtoffer 2] heeft gepleegd, kwalificeren als enige andere vorm van seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder g van de Wim en, indien dat het geval is, of dit van vergelijkbare ernst is als het aangehaalde seksueel geweld in dat artikellid.

De officier van justitie heeft in dat kader verschillende feitelijkheden en bepaalde omstandigheden ten laste gelegd. De rechtbank heeft onder paragraaf 6.3.3.1. vastgesteld dat de volgende (fysieke) (gewelds)handelingen hebben plaatsgevonden: het meerdere malen slaan op en knijpen in de billen van [slachtoffer 2] ; het slaan met een riem op het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] , het meermalen met de hak van de voet duwen op het geslachtsdeel en deze hak heen en weer bewegen; terwijl [slachtoffer 2] naakt was tijdens deze handelingen; en dat deze handelingen gepaard gingen met de woorden: “Wat vind je ervan hoerenzoon als ik jou nu castreer zodat je geen hoerenzonen maakt zoals jezelf?”(hierna tezamen: “de geweldshandelingen”).

Op grond van het dossier stelt de rechtbank verder vast dat de geweldshandelingen achtereenvolgens en in een kort tijdsbestek plaatsvonden, tijdens één verhoor en door één persoon, namelijk de verdachte. Gelet hierop komt zij tot de conclusie dat de geweldshandelingen als één geheel moeten worden beschouwd en als zodanig dienen te worden beoordeeld. Bij de beoordeling zal de rechtbank de geweldshandelingen daarom tezamen en in onderlinge samenhang toetsen aan het toepasselijke juridisch kader.

Seksueel geweld De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of de geweldshandelingen kunnen worden gekwalificeerd als geweld van seksuele aard. De rechtbank zal dit beoordelen aan de hand van het kader zoals onder paragraaf 5.1.3. opgesteld.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat de billen en het geslachtsdeel lichaamsdelen zijn die met seksualiteit worden geassocieerd. In dit geval waren de geweldshandelingen specifiek gericht tegen deze lichaamsdelen, waarbij de lichaamsdelen ontbloot waren tijdens de uitoefening van het geweld. Uit het feit dat het meerdere achtereenvolgende geweldshandelingen/aanrakingen van de billen en geslachtsdelen betreft – op verschillende wijzen uitgeoefend – leidt de rechtbank af dat de verdachte deze lichaamsdelen doelbewust heeft gekozen.

De rechtbank overweegt daarnaast dat de aard van de geweldshandelingen en de wijze waarop deze werden uitgeoefend op zichzelf al een schending van de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2] opleveren. Naast de aard van de geweldshandelingen betrekt de rechtbank hierbij ook de context waarin de geweldshandelingen plaatsvonden. [slachtoffer 2] zat als minderjarige in detentie, werd meerdere dagen achter elkaar verhoord, waarbij hij volledig geboeid en op sommige dagen ook naakt was.

Tot slot hebben de geweldshandelingen naar het oordeel van de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvorm seksuele vernedering tot doel gehad. De rechtbank wijst daarbij onder meer op de verbale uitlatingen van de verdachte tijdens het geweld, de omstandigheid dat [slachtoffer 2] naakt was en de verklaring van [slachtoffer 2] , die het genoemde geweld als vernederend heeft ervaren.

In het dossier bevindt zich geen aanknopingspunt dat de verdachte een seksuele intentie had bij het plegen van de geweldshandelingen en zodoende valt dit niet vast te stellen. Het ontbreken van een seksuele intentie bij de verdachte zou volgens de verdediging moeten leiden tot de conclusie dat de genoemde geweldshandelingen niet als seksueel geweld gekwalificeerd kunnen worden.

De rechtbank acht de al dan niet seksuele intentie van de verdachte in dit specifieke geval echter niet doorslaggevend. Bij de vaststelling of bepaald geweld van seksuele aard is, moet – zoals uiteengezet in het kader onder paragraaf 5.1.3. – worden gekeken naar de feiten en omstandigheden van het geval en de verschillende (niet constitutieve) vereisten die daaraan kunnen worden gesteld. Daarbij kan de intentie van de dader zwaar wegen, maar dat hoeft niet. De rechtbank weegt in dit geval de hierboven toegelichte factoren, te weten de schending van de lichamelijke en morele integriteit van [slachtoffer 2] , de vernederende aard van de geweldshandelingen en de doelbewuste keuze van de verdachte om geweld te plegen tegen lichaamsdelen die geassocieerd worden met seksualiteit, zwaarder mee.

Tot slot dient de rechtbank vast te stellen dat er sprake was van dwang. Het seksueel geweld vond plaats terwijl [slachtoffer 2] gedetineerd was. Daarnaast overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 2] gedurende het seksueel geweld geboeid was. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake was van dwang.

De rechtbank concludeert dat de geweldshandelingen, in onderlinge samenhang bezien, gekwalificeerd kunnen worden als seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder g van de Wim.

Vergelijkbare ernst De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of dit seksuele geweld van vergelijkbare ernst is als de andere seksuele misdrijven genoemd in artikel 4 lid 1 onder g Wim.

De rechtbank stelt vast dat het seksuele geweld meerdere handelingen betreft die specifiek tegen het geslachtsdeel en de billen waren gericht en werden uitgeoefend met verschillende voorwerpen en op verschillende wijzen, namelijk het met slaan met een riem en hand, het duwen en draaien met de hak en het knijpen met de hand. De handelingen vonden achtereenvolgens plaats terwijl [slachtoffer 2] volledig geboeid en naakt was, waarmee [slachtoffer 2] zich in een situatie van complete afhankelijkheid bevond en zich op geen enkele manier kon verweren.

Het seksuele geweld ging daarnaast gepaard met verbale uitlatingen: “Wat vind je ervan hoerenzoon als ik jou nu castreer zodat je geen hoerenzonen maakt zoals jezelf?”. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geïnterpreteerd dan als een doelbewuste dreiging met castratie in de richting van [slachtoffer 2] . De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat het slaan/duwen op het geslachtsdeel in combinatie met die woorden, de reële angst bij [slachtoffer 2] moet hebben opgeleverd dat hij daadwerkelijk gecastreerd zou worden. Hij was op dat moment immers al uren tot meerdere dagen gemarteld, had geen uitzicht dat zijn verhoren, laat staan zijn detentie, op korte termijn zouden eindigen en heeft zelf verklaard dat het geweld wreder werd naarmate de tijd vorderde.

De rechtbank weegt verder zwaar mee dat [slachtoffer 2] ten tijde van zijn detentie en het seksuele geweld slechts 17 jaar oud was, in tegenstelling tot de verdachte die een veel oudere, volwassen man was; de verdachte opdrachten aan anderen gaf voor de martelingen in zijn hoedanigheid als verhoorder en zelf het seksuele geweld tegen [slachtoffer 2] uitvoerde.

Tot slot heeft het seksuele geweld forse mentale gevolgen gehad voor [slachtoffer 2] . De rechtbank is van oordeel dat het seksuele geweld tegen hem zo’n grove normschending oplevert, dat het niet anders kan zijn dan dat de psychische problematiek waar hij naar eigen zeggen mee kampt in ieder geval deels het directe gevolg is van het seksuele geweld dat de verdachte heeft uitgeoefend.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de aard en de intensiteit van het seksuele geweld, de reële dreiging met gedwongen castratie, de weerloze situatie van [slachtoffer 2] , het feit dat hij als minderjarige door de verdachte in deze situatie is gebracht en de gevolgen die het seksuele geweld voor hem heeft gehad meebrengen dat sprake is geweest van seksueel geweld van vergelijkbare ernst als de andere seksuele misdrijven genoemd in artikel 4 lid 1 onder g Wim.

Wetenschap De rechtbank overweegt dat ook aan het laatste vereiste – de wetenschap van de verdachte – is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen andere uitleg mogelijk dan dat de verdachte wist van, en inzicht had in, de ernst van zijn handelen, nu hij als verhoorder een minderjarige jongen, geboeid en naakt, doelbewust sloeg en met zijn hak drukte op zijn geslachtsdeel.

Tussenconclusie De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich jegens [slachtoffer 2] schuldig heeft gemaakt aan enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst.

6.3.3.2.5. Nadere overwegingen inzake artikel 4 Wim Hierboven is door de rechtbank overwogen dat seksueel geweld en marteling wijdverbreid en stelselmatig werden ingezet in een aanval gericht tegen de burgerbevolking. Zowel seksueel geweld als marteling past naadloos in het patroon van het gewelddadig onderdrukken van de burgerbevolking. Zoals vastgesteld onder paragraaf 6.3.1.7. had de verdachte kennis van de aanval tegen de burgerbevolking. De verdachte wist dan ook dat het seksueel geweld en de marteling zoals door hem gepleegd tegen [slachtoffer 2] onderdeel uitmaakten van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.

De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling in de zin van artikel 4 lid 1 onder f Wim en aan enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onder g Wim.

6.3.3.2.6. Foltering (feit 4) De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van foltering in de zin van artikel 8 Wim. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft gemarteld met het oogmerk om inlichtingen of een bekentenis te krijgen over het meedoen aan demonstraties, het hebben van banden met terroristen en het dragen van wapens tegen het regime. [slachtoffer 2] is ook gemarteld met het oogmerk om hem vrees aan te jagen. Dit volgt uit de dreigementen die zijn geuit gedurende de verhoren om zijn vader opnieuw op te pakken en hem, zijn moeder, broertje en geliefde te doden.

Dat de martelingen werden gepleegd van overheidswege en door een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie, staat vast. [slachtoffer 2] werd vastgehouden op een locatie van de NDF en de martelingen werden uitgevoerd door de verdachte als verhoorder van de NDF, in samenwerking met leden van de NDF. De verdachte handelde in de uitoefening van zijn functie. De NDF trad conform het beleid van het Syrische regime zeer gewelddadig op tegen opposanten van het regime. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers behoorde tot de standaardwerkwijze van de NDF.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan foltering in de zin van artikel 8 Wim.

6.3.3.2.7. Medeplegen Op grond van het procesdossier en het onderzoek op de terechtzitting overweegt de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde medeplegen het volgende. [slachtoffer 2] is viermaal verhoord. Gedurende deze verhoren is hij gemarteld, gefolterd en is hij het slachtoffer geworden van seksueel geweld. De verdachte was aanwezig bij de vier verhoren. Hij was de verhoorder en heeft samen met andere personen van de NDF geweld uitgeoefend op [slachtoffer 2] . Op grond van voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij de individuele bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Daarmee acht de rechtbank het medeplegen ten aanzien van alle hierboven bewezenverklaarde feiten wettig en overtuigend bewezen.

6.3.4.

Dagvaarding I – [slachtoffer 3] (feiten 7 tot en met 9) 6.3.4.1. Feitelijke vaststellingen Op 20 oktober 2013 werd [slachtoffer 3] gearresteerd door de NDF en beschuldigd van het dragen van een wapen, deelname aan operaties tegen het leger en de NDF en het opzetten van terroristische daden. Op 20 oktober 2013 werd eerst de broer van [slachtoffer 3] meegenomen, waarna ze hem belden en vertelden dat ze zijn broer hadden opgepakt. Als hij zich niet zou melden zouden ze ook zijn moeder arresteren. [slachtoffer 3] heeft zich toen samen met zijn moeder, oom en iemand van de familie die contacten had met de regering, gemeld bij het hoofdkwartier van de militie in Salamiyah . Ze reden daar zelf naartoe, [slachtoffer 3] kon alles zien. Het was een boerderij van iemand in het gebied genaamd [boerderij] (de rechtbank begrijpt de boerderij ten westen van Salamiyah ).

Hij werd door iemand opgehaald en naar een kamer gebracht. Voor die kamer moest hij knielen, werden zijn handen achter zijn rug vastgebonden en kreeg hij een blinddoek om. Vervolgens moest hij de kamer in lopen. Hij hoorde de verhoorder zeggen: “Niemand mag hem slaan tot zijn familie hier is vertrokken”. Een half uur later kwam de broer van [slachtoffer 3] binnen. Hij herkende zijn stem toen hij binnenkwam. De verdachte stelde vragen aan de broer van [slachtoffer 3] en sloeg hem. [slachtoffer 3] hoorde de klappen. Een tijd later mocht de broer van [slachtoffer 3] met zijn familie mee naar huis.

De verdachte vroeg [slachtoffer 3] wat zijn probleem was tegen Bashar al-Assad. Hij vroeg of hij soms met de moeder van [slachtoffer 3] naar bed was gegaan. Hierna begon hij met een kabel te slaan. Hij wilde dat [slachtoffer 3] acties tegen het leger zou bekennen. Twee uur lang werd [slachtoffer 3] geslagen en verhoord door de verhoorder. Er waren ook anderen in de kamer die hem sloegen. Zijn voeten werden vastgebonden aan een geel plastic touw en hij werd ondersteboven opgehangen. Hij hing zo laag dat zijn voorhoofd de grond raakte en zijn handen waren op zijn rug gebonden. Hij droeg alleen nog zijn onderbroek. Na een tijd voelde [slachtoffer 3] niets meer en werd hij een poos onwel. Er werd water over hem heen gegooid waardoor hij zijn bewustzijn terugkreeg. Hij zei toen dat hij alles zou bekennen wat zij maar wilden. Toen hebben ze hem losgemaakt. [slachtoffer 3] vertelde hun dat hij wapens gedragen had en noemde willekeurige namen van mensen uit Salamiyah die bij de oppositie hoorden. [slachtoffer 3] werd een tweede keer ondersteboven gehangen en gemarteld. Hierbij werd hij nog meer en nog harder geslagen. De meeste slagen kreeg hij op de achterkant van zijn bovenbeen, dij, onderbeen en rug. Zijn hele gezicht raakte de grond, omdat hij lager hing. De verdachte trapte tegen zijn onderrug, dat deed zoveel pijn dat hij weer buiten westen raakte. Hij werd steeds door andere mannen geslagen. [slachtoffer 3] werd tijdens het verhoor ook geëlektrocuteerd. Zijn handen waren bij elkaar gebonden en opeens voelde hij een heet brandend gevoel in zijn handen. Hij besefte dat het elektriciteit was. De verdachte heeft hem twee keer via zijn handen geëlektrocuteerd, ongeveer tien minuten na elkaar. [slachtoffer 3] lag daarbij op de grond en kon zich niet meer bewegen. Er ging iemand op zijn hoofd staan en [naam 2] spuugde in zijn mond. De verdachte schopte met zijn militaire laarzen tegen zijn mond (hij zei: je moet mijn militaire laarzen opeten), in zijn buik en tegen zijn geslachtsdelen. Hij zei dat hij dat deed zodat [slachtoffer 3] geen nageslacht zou kunnen voortbrengen. De verdachte wilde niet dat [slachtoffer 3] kinderen zou krijgen, aldus [slachtoffer 3] . Uiteindelijk moest hij zijn vingerafdruk achterlaten op een verklaring. Ze deden inkt op zijn vinger en drukten die op de verklaring. Dit was midden in de nacht, terwijl hij zich in de ochtend had gemeld.

De martelingen hebben veertien uur geduurd. Daarna sleepten zij [slachtoffer 3] naar een kamer waar tien tot vijftien andere gevangenen zaten. Onderweg stootten zij zijn hoofd tegen twee ijzeren palen.

In de collectieve cel zag [slachtoffer 3] andere gevangenen, onder meer zijn vriend [slachtoffer 2] . Hij herkende hem maar lastig, omdat zijn hoofd gezwollen was, zijn ogen blauw en zijn voeten zo dik waren van het ondersteboven hangen. Zijn haar zat vol met geronnen bloed. Hij was ook heel mager. Andere gevangenen waren erg toegetakeld. Op een bepaald moment is [slachtoffer 3] ook aanwezig geweest bij een verhoor van [slachtoffer 7] . Hier hoorde hij hoe [slachtoffer 7] werd geslagen en hoe [slachtoffer 7] smeekte om genade. Later heeft hij letsel bij [slachtoffer 7] waargenomen.

Op 24 oktober 2013 is [slachtoffer 3] overgebracht naar Damascus .

Tijdens het verhoor vertelde de verdachte aan [slachtoffer 3] wie hij was. Hij stelde zich voor. [slachtoffer 3] wist wie ‘ [verdachte] ’ was. [slachtoffer 3] werkte in een winkel waar schoonmaakmiddelen en hulpmiddelen werden verkocht. Uit die winkel bracht hij wel eens hulpmiddelen en pampers naar de moeder van de verdachte, die slecht ter been was. Hij had de verdachte ook al eens eerder gezien en begroet. Toen het verhoor klaar was en [slachtoffer 3] naar een cel werd gebracht en zijn blinddoek af was, heeft hij het gezicht van de verdachte en van [naam 22] gezien. Na zijn vrijlating uit detentie heeft de verdachte meerdere malen contact gezocht met [slachtoffer 3] om zijn excuses aan te bieden. Hij zei dat hij gedwongen werd en dat hij nu ook aan de kant van [slachtoffer 3] en anderen stond.

6.3.4.2. Bewijsoverwegingen 6.3.4.2.1. Verweer herkenning van de verdachte De verdediging heeft betoogd dat [slachtoffer 3] tegenstrijdig heeft verklaard over de herkenning van de verdachte. Zij wijst daarbij onder meer op de herkenning van de stem van de verdachte door [slachtoffer 3] , waar hij in een later verhoor op terug is gekomen.

De rechtbank ziet dat [slachtoffer 3] op punten tegenstrijdig heeft verklaard over de herkenning van de verdachte. Dat betreft de stemherkenning en het Alawitische accent dat de verdachte zou hebben aangenomen tijdens het verhoor. Deze twee aspecten maakt [slachtoffer 3] zijn verklaring over de herkenning van de verdachte niet direct onbetrouwbaar. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat de verdachte tijdens het verhoor zelf aan hem vertelde dat hij ‘ [verdachte] ’ was en dat hij de verdachte kende, omdat hij hulpmiddelen bij de invalide moeder van de verdachte bracht. Ook de specifieke opmerking van [slachtoffer 3] , die [slachtoffer 3] blijkens zijn verklaring tijdens het verhoor maakte, namelijk: “Bij Allah, [verdachte] stop deze marteling”, acht de rechtbank in dit kader sprekend. Daarnaast heeft [slachtoffer 3] verklaard dat hij de verdachte vanuit zijn cel door een gat in de deur heeft gezien, zijn hele lichaam. Hij was buiten. [slachtoffer 3] zijn blinddoek was toen een beetje omhoog. De verdachte stond daar te praten. De verdachte wilde verder na de detentie van [slachtoffer 3] excuses aan hem maken en heeft dat ook gedaan.

De rechtbank vindt dat [slachtoffer 3] over al deze factoren gedetailleerd, authentiek en consistent heeft verklaard.

Tot slot vindt zijn verklaring dat het om de verdachte ging, steun in de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] , die tegelijkertijd met [slachtoffer 3] op dezelfde locatie waren gedetineerd.

De rechtbank verwerpt het verweer.

6.3.4.2.2. Ander bewijs De verklaring van [slachtoffer 3] vindt allereerst steun in de verklaring van de broer van [slachtoffer 3] , [naam 10] . Hij bevestigt de verklaring van [slachtoffer 3] ten aanzien van zijn arrestatie en dat [slachtoffer 3] zich vervolgens kwam melden. [naam 10] heeft voorts verklaard wat [slachtoffer 3] na zijn detentie aan hem heeft verteld en ook verklaard over het letsel dat zijn broer heeft overgehouden aan de marteling. Ook vindt de verklaring van [slachtoffer 3] steun in de verklaring van [slachtoffer 7] . [slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer 3] gedetineerd was en dat hij de verdachte de opdracht heeft horen geven om [slachtoffer 3] te halen voor verhoor. [slachtoffer 7] heeft tevens verklaard dat zij samen werden verhoord. [slachtoffer 2] heeft ook verklaard dat hij [slachtoffer 3] in de cel heeft gezien en heeft gezien dat hij letsel had.

Verder is naar aanleiding van openbronnen-onderzoek een Facebookbericht van het account van ‘ [groep 1] ’ aangetroffen waarin de detentieperiode van [slachtoffer 3] wordt bevestigd.

Ten aanzien van de detentielocatie merkt de rechtbank op dat [slachtoffer 3] de coördinaten van die locatie aan de politie heeft verstrekt en dat ook de verdachte op die locatie te plaatsen is als verhoorder. [slachtoffer 3] is daarnaast terug geweest naar de detentielocatie, waar hij verschillende foto’s en filmpjes van de locatie heeft gemaakt.

6.3.4.2.3. Marteling (feit 8) De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de volgende door de rechtbank vastgestelde en door de verdachte gepleegde geweldshandelingen kwalificeren als marteling als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onder f Wim: [slachtoffer 3] met een stok en een kabel tegen zijn rug en/of lichaam slaan; de handen van [slachtoffer 3] op zijn rug binden en zijn voeten vastbinden, hem ondersteboven aan een touw hangen en hem slaan tegen zijn rug en benen, terwijl hij enkel een onderbroek droeg; tegen de rug van [slachtoffer 3] schoppen; een voorwerp onder stroom tegen de armen en handen van [slachtoffer 3] aanhouden; tegen het hoofd, in de buik en tegen de geslachtsdelen van [slachtoffer 3] schoppen; met handen en vuisten tegen het lichaam van [slachtoffer 3] slaan en stompen; en [slachtoffer 3] blootstellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan(hierna tezamen: de geweldshandelingen).

De rechtbank is van oordeel dat deze jegens [slachtoffer 3] gepleegde geweldshandelingen zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn en letsel, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij zich in gevangenschap van de NDF bevond. [slachtoffer 3] werd veertien uur achter elkaar verhoord, waarbij hij bijna continu werd mishandeld, geboeid en/of geblinddoekt was. Er werden verschillende martelmethodes op hem toegepast en hij nam waar hij hoe zijn vriend [slachtoffer 2] toegetakeld was en hoe [slachtoffer 7] werd mishandeld.

De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling.

6.3.4.2.4. Enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst (feit 9) Ter beoordeling ligt voor of bepaalde (fysieke) (gewelds)handelingen die de verdachte jegens [slachtoffer 3] heeft gepleegd, kwalificeren als enige andere vorm van seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder g van de Wim en, indien dat het geval is, of dit van vergelijkbare ernst is als het aangehaalde seksueel geweld in dat artikellid.

De officier van justitie heeft in dat kader verschillende feitelijkheden en bepaalde omstandigheden ten laste gelegd. De rechtbank heeft onder paragraaf 6.3.4.1. vastgesteld dat de volgende (fysieke) (gewelds)handelingen hebben plaatsgevonden: een schop op de geslachtsdelen van [slachtoffer 3] ; terwijl [slachtoffer 3] enkel gekleed was in zijn onderbroek en geboeid en geblinddoekt was; en dat deze handeling gepaard ging met de woorden: “Om nageslacht te voorkomen”(hierna tezamen: “de geweldshandelingen”).

Bij de beoordeling zal de rechtbank de geweldshandelingen tezamen en in onderlinge samenhang toetsen aan het toepasselijke juridisch kader.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de geweldshandelingen kunnen worden gekwalificeerd als geweld van seksuele aard. De rechtbank stelt allereerst vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat de geslachtsdelen lichaamsdelen zijn die met seksualiteit worden geassocieerd. In dit geval waren de geweldshandelingen specifiek gericht tegen deze lichaamsdelen. Uit het feit dat het een harde schop op de geslachtsdelen betreft, vergezeld door de woorden “Om nageslacht te voorkomen”, leidt de rechtbank af dat de verdachte deze lichaamsdelen doelbewust heeft gekozen.

De rechtbank overweegt daarnaast dat de aard van de geweldshandelingen en de wijze waarop deze werden uitgeoefend op zichzelf al een schending van de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 3] opleveren. Naast de aard van de geweldshandelingen betrekt de rechtbank hierbij ook de context waarin de geweldshandelingen plaatsvonden. [slachtoffer 3] zat in detentie, werd gedurende een dag meer dan veertien uren verhoord, waarbij hij geboeid en geblinddoekt was.

Tot slot hebben de geweldshandelingen naar het oordeel van de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvorm seksuele vernedering tot doel gehad. De rechtbank wijst daarbij onder meer op de verbale uitlatingen van de verdachte tijdens het geweld, de omstandigheid dat [slachtoffer 3] alleen een onderbroek aan had en de verklaring van [slachtoffer 3] zelf, die het genoemde geweld als vernederend heeft ervaren.

In het dossier bevindt zich geen aanknopingspunt dat de verdachte een seksuele intentie had bij het plegen van de geweldshandelingen en zodoende valt dit niet vast te stellen. Het ontbreken van een seksuele intentie bij de verdachte zou volgens de verdediging moeten leiden tot de conclusie dat de genoemde geweldshandelingen niet als seksueel geweld gekwalificeerd kunnen worden.

De rechtbank acht de al dan niet seksuele intentie van de verdachte in dit specifieke geval echter niet doorslaggevend. Bij de vaststelling of bepaald geweld van seksuele aard is, moet – zoals uiteengezet in het kader onder paragraaf 5.1.3. – worden gekeken naar de feiten en omstandigheden van het geval en de verschillende (niet constitutieve) vereisten die daaraan kunnen worden gesteld. Daarbij kan de intentie van de dader zwaar wegen, maar dat hoeft niet. De rechtbank weegt in dit geval de hierboven toegelichte factoren, te weten de schending van de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 3] , de vernederende aard van de geweldshandelingen en de doelbewuste keuze van de verdachte om geweld te plegen tegen lichaamsdelen die geassocieerd worden met seksualiteit, zwaarder mee.

Tot slot dient de rechtbank vast te stellen dat sprake was van dwang. Het seksueel geweld vond plaats terwijl [slachtoffer 3] gedetineerd was. Daarnaast overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 3] tijdens het seksueel geweld geboeid en geblinddoekt was.

De rechtbank concludeert dat de geweldshandelingen, in onderlinge samenhang bezien, gekwalificeerd kunnen worden als seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder g van de Wim.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of dit seksuele geweld van vergelijkbare ernst is als de andere seksuele misdrijven genoemd in artikel 4 lid onder g, Wim. De rechtbank acht dat niet het geval, nu sprake is geweest van één enkele schop tegen de geslachtsdelen, vergezeld van de verbale uitlating “Om nageslacht te voorkomen”. Hoewel de rechtbank de impact daarvan op [slachtoffer 3] niet onderschat, komt zij tot het oordeel dat niet kan worden gesproken van vergelijkbare ernst als de andere seksuele misdrijven genoemd in artikel 4 lid onder g, Wim.

De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het bij dagvaarding I onder 9 tenlastegelegde.

6.3.4.2.5. Nadere overwegingen inzake artikel 4 Wim Hierboven heeft de rechtbank overwogen dat marteling wijdverbreid en stelselmatig werd ingezet in een aanval gericht tegen de burgerbevolking. Marteling past naadloos in het patroon van het gewelddadig onderdrukken van de burgerbevolking. Zoals vastgesteld onder paragraaf 6.3.1.7. had de verdachte kennis van de aanval tegen de burgerbevolking. De verdachte wist dan ook dat de marteling van [slachtoffer 3] onderdeel uitmaakte van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.

De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling in de zin van artikel 4 lid 1 onder f Wim.

6.3.4.2.6. Foltering (feit 7) De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 3] heeft gemarteld met het oogmerk om inlichtingen of een bekentenis te krijgen over kort gezegd gedragingen gericht tegen het regime.

Dat de martelingen werden gepleegd van overheidswege en door een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie, staat vast. [slachtoffer 3] werd vastgehouden op een locatie van de NDF en de martelingen werden uitgevoerd door een verhoorder van de NDF, in samenwerking met leden van de NDF. De verdachte en de leden van de NDF handelden in de uitoefening van hun functie. De NDF trad conform het beleid van het Syrische regime zeer gewelddadig op tegen opposanten van het regime. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers behoorde tot de standaardwerkwijze van de NDF.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan foltering in de zin van artikel 8 Wim.

6.3.4.2.7. Medeplegen Uit het dossier en het onderzoek op de terechtzitting overweegt de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde medeplegen het volgende. [slachtoffer 3] is veertien uur lang verhoord. Gedurende deze verhoren is hij gemarteld en gefolterd. De verdachte was aanwezig bij dit verhoor. Hij was de verhoorder en heeft samen met andere personen van de NDF geweld uitgeoefend op [slachtoffer 3] . Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering waarbij de individuele bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Daarmee acht de rechtbank het medeplegen ten aanzien van alle hierboven bewezenverklaarde feiten wettig en overtuigend bewezen.

6.3.5.

Dagvaarding I – [slachtoffer 7] (feiten 18 en 19) 6.3.5.1. Feitelijke vaststellingen Detentieperiode en locatie [slachtoffer 7] heeft twee verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris. Hij heeft verklaard dat hij op 14 of 18 oktober 2013 werd aangehouden door de NDF. [slachtoffer 7] was thuis met zijn broer toen de NDF aan de deur kwam. Zijn broer deed de deur open en zei dat [slachtoffer 7] niet thuis was. De NDF heeft zijn broer opgepakt zodat [slachtoffer 7] zich zou aangeven. [slachtoffer 7] heeft zich vervolgens op straat gemeld bij het oude gemeentehuis en is vanaf daar met de auto naar een boerderij gebracht, ongeveer twee kilometer ten westen van Salamiyah . Ze hebben hem naar een kamer gebracht. Daar werd tegen hem gezegd: ‘Wacht hier tot de verhoorder komt.’ Iemand kwam de cel binnen en zei tegen hem: ‘ga met je gezicht tegen de muur staan met je handen naar achteren’. [slachtoffer 7] werd toen geboeid en geblinddoekt, en werd beschuldigd van terrorisme. Hij denkt dat hij ongeveer een week op de boerderij heeft vastgezeten.

De verhoorder kwam de cel binnen en gaf leden van de NDF de opdracht om [slachtoffer 7] mee te sleuren. Op dat moment kon hij de verhoorder van onder zijn blinddoek voor een moment, ongeveer een deel van een seconde, zien. Ook verschoof de blinddoek tijdens het mishandelen en het slaan. Het gezicht dat hij op dat moment zag, was van iemand met relatief dikke wenkbrauwen, een bril en een baard. De verhoorder was gezet, dikkig. [slachtoffer 7] heeft de verdachte na zijn vrijlating op foto’s gezien en herkend. Tevens had hij voorafgaand aan zijn detentie al een keer een foto van de verdachte gezien op sociale media, met daarbij de waarschuwing dat dit iemand van de NDF betrof.

Nadat [slachtoffer 7] al mishandeld was, werd hem verteld wat de beschuldigingen waren. De NDF heeft hem ervan beschuldigd deel te nemen aan demonstraties, lid te zijn van bataljon [bataljon] en van lidmaatschap van een gewapende groepering. [slachtoffer 7] is vier tot zeven keer verhoord. De mishandelingen en martelingen werden uitgevoerd door meerdere NDF-leden. De verhoren werden uitsluitend door de verdachte gedaan. 90 tot 95 procent van de tijd dat hij zich in de verhoorkamer bevond, was de verdachte aanwezig. De verdachte hield toezicht op de martelingen.

Tijdens een van de verhoren werd hij één of twee uur lang achter elkaar door geslagen totdat de NDF-leden moe werden. Vervolgens stopten ze hem in een ruimte waarvan hij denkt dat het een badkamer was. Het was daar ijskoud. Dit werd bewust gedaan, omdat als je lichaam koud wordt na zo’n flinke mishandeling, je blauwe en rode plekken krijgt op je lichaam en zo wisten ze waar ze moesten duwen om hem te pijnigen, aldus [slachtoffer 7] . [slachtoffer 7] werd mishandeld in verschillende houdingen: staand, hangend, soms op zijn knieën. Er was in het midden een touw dat aan het plafond hing. Ze maakten zijn voeten vast aan het touw en hij werd vervolgens omhoog gehesen als een schaap. Zijn hoofd hing naar beneden.

Dat is meer dan één keer gebeurd, aldus [slachtoffer 7] . Zijn hoofd raakte de grond en ze bewogen het touw, waardoor hij heen en weer ging. [slachtoffer 7] voelde zijn hoofd de grond raken. Hij werd dan ook geschopt en geslagen. Dat hield niet op. De handen van [slachtoffer 7] waren op zijn rug geboeid en hij was geblinddoekt. Hij werd met handen, met platte hand, en vuisten geslagen. Ook werd hij geschopt en getrapt met militaire schoenen. Op een gegeven moment werden de NDF-leden moe. Toen gebruikten zij voorwerpen om mee te slaan zoals stokken en touw. De verdachte heeft een pistool in zijn mond gezet zei: “Als je niet praat, ga ik je doodschieten.” [slachtoffer 7] werd meerdere malen op zijn schouder geslagen.

Hierdoor is zijn schouder gevoelig geworden en heeft hij een blijvend litteken op zijn linkerschouder. In de cel moesten de gedetineerden soms ook een paar uren achter elkaar geblinddoekt en geboeid op hun knieën zitten. Van de schouder van [slachtoffer 7] bevindt zich een foto in het dossier. Op deze foto is een fors litteken op de linkerschouder te zien. [slachtoffer 7] werd mishandeld door de verdachte samen met [naam 23] en ook tegelijkertijd met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Ook liet de verdachte hem en andere gedetineerden kopstoten aan elkaar geven. Zij werden gepakt en tegen elkaar geduwd met het hoofd van de een tegen het hoofd van de ander terwijl ze elkaar niet zagen.

6.3.5.2. Bewijsoverwegingen 6.3.5.2.1. Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 7] en herkenning van de verdachte De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer 7] niet betrouwbaar zijn en wijst daarbij op discrepanties tussen de twee verhoren bij de rechter-commissaris die met name zien op de herkenning van de verdachte.

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 7] betrouwbaar, evenals – voor zover de verdediging heeft betoogd dat dat niet het geval zou zijn – de herkenning van de verdachte door [slachtoffer 7] . Zij overweegt daartoe als volgt. [slachtoffer 7] heeft consistent verklaard over zijn aanhouding, het overbrengen naar de detentielocatie, de verhoren en de feitelijke handelingen. Zo weet hij nauwgezet een plattegrond te maken, wijst hij aan de hand van de plattegrond aan waar hij bijvoorbeeld in de badkamer heeft gezeten en ook verklaart hij authentiek over bepaalde terugkerende gebeurtenissen tijdens zijn gevangenschap, zoals het op appel staan in de cellen. Hij geeft het meerdere malen aan dat hij iets niet zeker weet, zoals de precieze tijdstippen van de verhoren, en heeft ook verklaard dat het kan dat beelden van foto’s en het daadwerkelijk zien van de verdachte door elkaar heen kunnen lopen en dat hij daar voorzichtig mee wil omspringen. Ook dat maakt zijn verklaring betrouwbaar.

Over de herkenning van de verdachte is [slachtoffer 7] naar het oordeel van de rechtbank duidelijk. Hij heeft voorafgaand aan zijn detentie een foto van de verdachte gezien, die circuleerde op het internet als zijnde een foto van iemand van het regime. Toen kende [slachtoffer 7] hem nog niet. Pas later, na zijn detentie, heeft hij een verband gelegd tussen de foto die hij eerder had gezien en zijn verhoorder. Hij had de verdachte onder zijn blinddoek door gezien en heeft hem na zijn vrijlating herkend op de foto. De naam van de verdachte heeft hij gehoord in Damascus , waar een van zijn lotgenoten vertelde dat de verdachte de verhoorder in Salamiyah was. Dit heeft hij ook na zijn vrijlating van verschillende mensen gehoord. [slachtoffer 7] weet 100 procent zeker dat de verdachte zijn verhoorder was. De rechtbank twijfelt door al deze omstandigheden niet aan de herkenning van de verdachte door [slachtoffer 7] . Verder merkt de rechtbank op dat de verklaring ten aanzien van de aanwezigheid van de verdachte op de boerderij in die periode, alsmede zijn herkenning, door ander bewijs wordt ondersteund. De rechtbank gaat daar hierna op in.

6.3.5.2.2. Ander bewijs

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.