Rechtbank Gelderland – ECLI:NL:RBGEL:2026:4406
RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/089075-21 Datum uitspraak: 4 juni 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] (hierna: [verdachte] ), geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Turkije), wonende aan [adres] te [woonplaats] .
Raadsman: mr. Frijns, advocaat in Arnhem .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
Inhoudsopgave 1 De inhoud van de tenlastelegging 7 2 Geldigheid van de dagvaarding 10 2.1 Het standpunt van de raadsman 10 2.2 Het standpunt van de officier van justitie 10 2.3 De beoordeling door de rechtbank 10 3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs 11 3.1 Inleiding 11 3.2 De standpunten 12 3.2.1 Het standpunt van de officier van justitie 12 3.2.2 Het standpunt van de verdediging 12 3.3 Beoordeling door de rechtbank van feit 1 14 3.3.1 Inleiding 14 3.3.2 Door [verdachte] gebruikte identiteiten, telefoonnummers, SkyECC-account en panden 14 3.3.2.1 Identiteiten 14 3.3.2.1.1 De door [medeverdachte 3] gebruikte namen voor [verdachte] 14 3.3.2.1.2 [alias verdachte] 15 3.3.2.1.3 [persoon 1] 15 3.3.2.2 Telefoonnummers 16 3.3.2.2.1 Telefoonnummer + [telefoonnummer] 16 3.3.2.2.2 Telefoonnummer + [telefoonnummer] 17 3.3.2.2.3 Telefoonnummer + [telefoonnummer] 17 3.3.2.2.4 Telefoonnummer + [telefoonnummer] 18 3.3.2.2.5 Telefoonnummer + [telefoonnummer] 18 3.3.2.2.6 Telefoonnummer + [telefoonnummer] 18 3.3.2.2.7 Telefoonnummer + [telefoonnummer] 19 3.3.2.2.8 Telefoonnummer + [telefoonnummer] 19 3.3.2.2.9 Telefoonnummer + [telefoonnummer] 20 3.3.2.3 SkyECC-account [SkyECC-account] 20 3.3.2.4 Locaties 21 3.3.2.4.1 [adres] te [plaats] 21 3.3.2.4.2 [adres] te [plaats] 21 3.3.3 [bedrijf] BV ( [bedrijf] BV) 22 3.3.3.1 De vennootschap 22 3.3.3.2 Inkomende geldstromen 23 3.3.3.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen 23 3.3.3.4 Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen 24 3.3.3.5 Betrokkenheid [medeverdachte 2] bij de geldstromen en goudaankopen 24 3.3.3.6 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen 27 3.3.3.7 Vermoeden van criminele herkomst 28 3.3.4 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) 29 3.3.4.1 De vennootschap 29 3.3.4.2 Inkomende geldstromen 29 3.3.4.3 Uitgaande geldstroom en goudaankopen 30 3.3.4.4 Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen 31 3.3.4.5 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen 31 3.3.4.6 Vermoeden van criminele herkomst 32 3.3.5 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) 33 3.3.5.1 De vennootschap 33 3.3.5.2 Inkomende geldstromen 33 3.3.5.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen 34 3.3.5.4 Betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij de geldstromen en goudaankopen 35 3.3.5.5 Betrokkenheid van [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen 37 3.3.5.6 Vermoeden van criminele herkomst 38 3.3.6 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) 39 3.3.6.1 De vennootschap 39 3.3.6.2 Inkomende geldstroom 39 3.3.6.3 Uitgaande geldstroom en goudaankopen 39 3.3.6.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen 40 3.3.6.5 Vermoeden van criminele herkomst 41
3.3.7 [bedrijf] BV 42 3.3.7.1 De vennootschap 42 3.3.7.2 Inkomende geldstroom 42 3.3.7.3 Uitgaande geldstroom en goudaankopen 43 3.3.7.4 Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen 43 3.3.7.5 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen 44 3.3.7.6 Vermoeden van criminele herkomst 45 3.3.8 [bedrijf] BV 45 3.3.8.1 De vennootschap 45 3.3.8.2 Inkomende geldstromen 46 3.3.8.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen 46 3.3.8.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen 46 3.3.8.5 Vermoeden van criminele herkomst 48 3.3.9 [bedrijf] / [bedrijf] 48 3.3.9.1 De onderneming 48 3.3.9.2 Inkomende geldstromen 48 3.3.9.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen 49 3.3.9.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen 49 3.3.9.5 Vermoeden van criminele herkomst 50 3.3.10 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) 50 3.3.10.1 De vennootschap 50 3.3.10.2 Inkomende geldstromen 51 3.3.10.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen 51 3.3.10.4 Betrokkenheid [verdachte] 51 3.3.10.5 Vermoeden van criminele herkomst 52 3.3.11 Rekeningen op naam van [medeverdachte 3] 53 3.3.11.1 Inkomende geldstromen 53 3.3.11.2 Uitgaande geldstromen en goudaankopen 53 3.3.11.3 Betrokkenheid [medeverdachte 3] bij de geldstromen 53 3.3.11.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen 53 3.3.11.5 Vermoeden van criminele herkomst 55 3.3.12 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) 56 3.3.12.1 De vennootschap 56 3.3.12.2 Inkomende geldstromen 56 3.3.12.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen 56 3.3.12.4 Betrokkenheid [medeverdachte 3] bij de geldstromen 57 3.3.12.5 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen 59 3.3.12.6 Vermoeden van criminele herkomst 60 3.3.13 Rekeningen op naam van [persoon 2] 61 3.3.13.1 Inkomende geldstromen 61 3.3.13.2 Uitgaande geldstromen en aankopen cryptovaluta 61 3.3.13.3 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en bitcoinaankopen 62 3.3.13.4 Vermoeden van criminele herkomst 63 3.3.14 Rekeningen op naam van [bedrijf] BV ( [bedrijf] / [bedrijf] ) 63 3.3.14.1 De vennootschap 63 3.3.14.2 Inkomende geldstromen 64 3.3.14.3 Uitgaande geldstromen 64 3.3.14.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en aankopen van cryptovaluta 65 3.3.14.5 Vermoeden van criminele herkomst 66 3.3.15 Rekeningen op naam van [persoon 1] 67 3.3.15.1 In- en uitgaande geldstromen en aankopen cryptovaluta 67 3.3.15.2 Betrokkenheid [verdachte] 68 3.3.15.3 Vermoeden van criminele herkomst 68 3.3.16 Rekeningen op naam van [medeverdachte 1] 68 3.3.16.1 Inkomende geldstromen 68 3.3.16.2 Uitgaande geldstromen 69 3.3.16.3 Betrokkenheid [medeverdachte 1] 69
3.3.16.4 Betrokkenheid [verdachte] 70 3.3.16.5 Vermoeden van criminele herkomst 71 3.3.17 Betrokkenheid [verdachte] bij het Dwerguil -cluster 72 3.3.18 De criminele herkomst en de wetenschap van [verdachte] 76 3.3.19 Witwashandelingen van [verdachte] 77 3.3.20 Medeplegen 77 3.3.21 Gewoonte en handelen in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf 77 3.3.22 Conclusie feit 1 78 3.4 Beoordeling door de rechtbank van feit 2 80 3.4.1 De overzichten verstuurd via SkyECC 80 3.4.2 De vergoeding en bestedingen 82 3.4.3 De witwashandelingen 84 3.4.4 De periode 84 3.4.5 Gewoontewitwassen 84 3.5 Het verzoek tot het horen van [getuige] 84 3.5.1 Het verzoek van de verdediging en het standpunt van de officier van justitie 84 3.5.2 De beoordeling door de rechtbank 84 3.6 Samenloop van de feiten 1 en 2 85 4 De bewezenverklaring 86 5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde 89 5.1 Het beroep op de kwalificatieuitsluitingsgrond voor het onder feit 2 tenlastegelegde 89 5.1.1 De standpunten 89 5.1.2 De beoordeling door de rechtbank 90 5.2 De kwalificatie 90 6 De strafbaarheid van de feiten 90 7 De strafbaarheid van de verdachte 90 8 De overwegingen ten aanzien van straf 90 8.1 Het standpunt van de officier van justitie 90 8.2 Het standpunt van de verdediging 91 8.3 De beoordeling door de rechtbank 91 9 De beslissing over het beslag 94 9.1 Het standpunt van de officier van justitie 94 9.2 Het standpunt van de verdediging 94 9.3 De beoordeling door de rechtbank 94 10 De toegepaste wettelijke bepalingen 94 11 De beslissing 95 1De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1 hij, in of omstreeks de periode van 3 september 2019 tot en met 25 februari 2021 te
A:
2 Hij in of omstreeks de periode van 1 september 2019 tot en met 30 augustus 2022, te [woonplaats] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders, (telkens) één of meer geldbedragen van (in totaal) (ongeveer) EUR 358.739, althans een of meer (grote) geldbedragen, (zijnde de vergoeding voor de beroeps- en/of bedrijfsmatig door verdachte en/of zijn mededaders verrichtte witwasactiviteiten, te weten 5% van EUR 7.174.792) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt en/of van die/dat geldbedrag de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(en) voorhanden had, door (onder andere):
2Geldigheid van de dagvaarding 2.1 Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat sprake is van een nietige dagvaarding, aangezien deze onvoldoende feitelijk en gespecificeerd is, bezien tegen de achtergrond van het dossier. Niet duidelijk is welk deel van het totale bedrag van € 358.739,00 contant is opgenomen; hoe vaak, op welk moment en vanaf welke bankrekening. Welke (luxe) vakanties worden bedoeld, welke reizen, welke kleding en welke luxe artikelen? Er wordt niet verwezen naar concrete bedragen, bankrekeningen, momenten, goederen en reizen, luxe artikelen etcetera, terwijl het een heel omvangrijk dossier betreft. Hierdoor is niet duidelijk waartegen [verdachte] zich zou moeten verweren.
2.2 Het standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie is sprake van een geldige dagvaarding. De dagvaarding is voldoende duidelijk en sluit aan bij de verschillende ambtshandelingen. Bovendien is bij de bespreking van het tweede feit ter terechtzitting gebleken dat [verdachte] wist waartegen hij zich moest verdedigen.
2.3 De beoordeling door de rechtbank Op grond van artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) behelst de inleidende dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding van de tijd en de plaats waar het feit begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de inleidende dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog worden gehouden dat de vraag centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De opgave van het feit moet duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Bij de verdachte mag er – tegen de achtergrond van het strafdossier en het voorbereidend onderzoek – redelijkerwijs geen twijfel over bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten.
Het onder feit 2 tenlastegelegde houdt het verwijt in dat [verdachte] samen met anderen € 358.739,00 heeft witgewassen, zijnde een vergoeding van 5% voor het witwassen van in totaal € 7.174.792,00. Het witwassen van die vergoeding zou hebben plaatsgevonden door deze vergoeding te besteden aan contante opnames, vakanties, reizen, (merk)kleding en luxe artikelen.
De tenlastelegging dient te worden gelezen in samenhang met het dossier. Het onderzoek met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde is beschreven in zaaksdossier 7 en de onderliggende brondocumenten. De rechtbank is van oordeel dat, tegen de achtergrond van het strafdossier en in het bijzonder zaaksdossier 7, het onder feit 2 tenlastegelegde duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk is. Bij de verdediging kon er dan ook redelijkerwijs geen twijfel over bestaan welke specifieke gedragingen [verdachte] worden verweten. Dat in de tenlastelegging niet is vermeld welke exacte contante opnames, vakanties, reizen, (merk)kleding en luxe artikelen worden bedoeld, maakt dat niet anders. In het dossier komt namelijk naar voren op welke bankrekeningen het verwijt ziet en hoe deze bankrekeningen zijn gebruikt door [verdachte] . Ook tijdens de bespreking van het onder feit 2 tenlastegelegde ter terechtzitting is niet gebleken dat [verdachte] niet wist waartegen hij zich moest verweren. De rechtbank verwerpt het verweer. De dagvaarding is geldig.
3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs 3.1 Inleiding Op 5 oktober 2020 is door de Eenheid Oost-Nederland een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam Dwerguil . De start van het onderzoek was een rapport van de Financial Intelligence Unit (FIU) dat op 5 oktober 2020 aan het onderzoeksteam ter beschikking werd gesteld. In dit rapport zijn dertien verdachte transacties gemeld (door de Bunq Bank en betaalprovider Mollie BV) die betrekking hebben op de rechtspersoon [bedrijf] . Uit hierop volgend onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [bedrijf] onderdeel uitmaakt van een groter geheel van ondernemingen en daaraan gerelateerde bankrekeningen (door het onderzoeksteam het Dwerguil -cluster genoemd). Dit cluster is volgens de politie verantwoordelijk voor het in de periode van september 2019 tot en met februari 2021 witwassen van ruim 7 miljoen euro aan vermeende fraudegelden, door deze gelden te ontvangen en vervolgens ruim 6,4 miljoen euro om te zetten in edelmetalen, contanten en cryptocurrency. Onduidelijk is waar deze edelmetalen (goud) en contanten uiteindelijk gebleven zijn en wat er gebeurd is met het geld dat overgeboekt werd naar een cryptocurrency exchange.
In het onderzoek Dwerguil zijn door het openbaar ministerie naast verdachte, [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) gedagvaard.
Uit het dossier kan worden afgeleid dat volgens de politie het Dwerguil -cluster bestaat uit verschillende vennootschappen en eenmanszaken, al dan niet onder gebruikmaking van één of meerdere handelsnamen. Het gaat dan om: [bedrijf] BV ( [bedrijf] BV), [bedrijf] BV ( [bedrijf] ), [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] ), [bedrijf] BV ( [bedrijf] ), [bedrijf] BV ( [bedrijf] ), [bedrijf] BV ( [bedrijf] ), [bedrijf] ( [bedrijf] ), [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] ), [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] ) en [bedrijf] BV ( [bedrijf] , [bedrijf] ).
Ook zou gebruik gemaakt zijn van bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en de personen [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ).
De verschillende geldstromen en vennootschappen/ondernemingen zullen hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de tenlastelegging, aan de orde komen.
3.2 De standpunten 3.2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en dat gewoontewitwassen bewezen kan worden, gelet op het duur en intensiteit van de handelingen, waarbij het gaat om verwerven, voorhanden hebben en omzetten van de geldbedragen. [verdachte] wist dat de zeer grote geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren en deze gelden werden bewust en voor het merendeel omgezet in aankopen goud en crypto. Hetzelfde geldt voor de contant opgenomen geldbedragen. Voor de contante opnames dient te worden uitgegaan van het bedrag genoemd in de oorspronkelijke tenlastelegging (€ 278.963,00) en dient verdachte van het overige te worden vrijgesproken. Ook het medeplegen kan bewezen worden, nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met andere personen. Van het handelen in beroep of bedrijf heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevraagd, nu daarvan geen sprake was. Ook het medeplegen van feit 2 kan in de visie van de officier van justitie bewezen worden. [verdachte] heeft een vergoeding van 5% van de inkomende geldstroom uit enig misdrijf verworven, voorhanden gehad en omgezet c.q. daarvan gebruik gemaakt door contante opnames en bestedingen.
3.2.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit en daartoe, kort gezegd, het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van feit 1 Door de beperkte informatie over de herkomst van het geld, kan niet geconcludeerd worden dat sprake is van beleggingsfraude. Ook kan hierdoor niet worden uitgesloten dat het gaat om mensen/rechtspersonen die wilden investeren in goud, zoals [verdachte] verklaard heeft. Het onderzoek naar de herkomst van de gelden is erg summier gebleven, waardoor niet gesteld kan worden dat het op basis van de aanwezige witwastypologieën onmogelijk is dat de gelden een legale herkomst hebben. De wanpraktijken met de BV’s staan los van de vraag wat de herkomst is van de gelden.
Het ontbreken van een volledig onderzoek weegt mee bij de vraag hoe hoog de eisen moeten zijn die gesteld worden aan de verklaring van een verdachte. Dat [verdachte] pas op enig moment is gaan verklaren, is overigens geen relevante factor. De schriftelijke verklaring van [verdachte] , zoals toegelicht ter terechtzitting, is min of meer verifieerbaar. Hij heeft namen genoemd van personen. Die personen hadden benaderd moeten worden voor verhoor. Het dossier is echter vrijwel volledig toegespitst op [verdachte] en onderzoek naar de betrokkenheid van anderen is niet of nauwelijks verricht.
Het voorgaande brengt mee dat het bestanddeel ‘van enig misdrijf afkomstig’ niet bewezen kan worden. Ook het (voorwaardelijk) opzet kan niet bewezen worden. Het openbaar ministerie stelt dat de overgemaakte gelden niet zijn besteed op de wijze zoals die aan de beleggers is voorgehouden. Bij [verdachte] ontbreekt wetenschap op dit punt. Hij ging uit van wat hem verteld was en had geen reden om te vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig was.
Verder is er onvoldoende bewijs om de conclusie te rechtvaardigen dat [verdachte] de beschikking had over de privérekening van [medeverdachte 1] en via die rekening een bedrag van € 310.047,00 contant heeft gemaakt. Ook ontbreekt bewijs voor betrokkenheid van [verdachte] bij [bedrijf] en de contante opnames via de rekening [bedrijf] ten bedrage van € 22.634,32. Bovendien kan het totaalbedrag van ruim zeven miljoen euro niet bewezen worden, nu ingeval van [bedrijf] sprake is van een bedrag van ruim € 91.000,00 en niet € 125.803,00. Tot slot kan het bestanddeel ‘in beroep of bedrijf’ niet bewezen worden.
Ten aanzien van feit 2 De verdediging heeft de conclusie dat [verdachte] het SkyECC-account [SkyECC-account] heeft gebruikt en/of daarvan de enige gebruiker was, niet kunnen controleren doordat diverse onderzoekswensen zijn afgewezen. Nu feit 2 enkel is gebaseerd op de (onjuiste) aanname dat alleen [verdachte] dit account heeft gebruikt, kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen en dient reeds daarom vrijspraak te volgen.
Mocht de rechtbank daarin niet meegaan dan geldt het volgende.
Ten aanzien van gedragingen als het uitgeven van geldbedragen aan vakanties, reizen, kleding en luxe artikelen kan niet gezegd worden dat die tot doel hebben om de herkomst van die geldbedragen te verhullen of het zicht daarop te bemoeilijken. Wat betreft het bestanddeel ‘voorhanden hebben/verwerven’ is voorts sprake van een kwalificatie-uitsluitingsgrond. Het gronddelict voor feit 2 is een deel van het onder feit 1 tenlastegelegde. Als feit 1 bewezen wordt, dan leidt die bewezenverklaring tot de gevolgtrekking dat het genoemde bedrag onder feit 2 van eigen misdrijf afkomstig is. Het witwassen onder feit 1 is dan het gronddelict. Om ‘voorhanden hebben’ of ‘verwerven’ te bewijzen, is nodig dat de gedragingen van [verdachte] ook daadwerkelijk gericht zijn geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag in kwestie. Nu daarvan niet is gebleken, dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.
3.3 Beoordeling door de rechtbank van feit 1 3.3.1 Inleiding Aan verdachte is onder feit 1 kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen in vereniging door in de periode van 3 september 2019 tot en met 25 februari 2021 op diverse rekeningen ongeveer € 7.174.792,00 te ontvangen, voor een € 5.798.054,00 edelmetalen aan te kopen, ongeveer € 310.047,00 contant op te nemen en voor ongeveer € 394.217,00 cryptocurrency aan te kopen, terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.
Ten aanzien van het in edelmetalen omgezette bedrag overweegt de rechtbank dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag (€ 5.798.54) een kennelijke verschrijving betreft. Zoals ter terechtzitting besproken is bedoeld het bedrag van € 5.798.054,00 ten laste te leggen; gelijk het bedrag genoemd in de voorlopige tenlastelegging en zoals volgt uit het dossier.
Alvorens in te gaan op de verschillende ten laste gelegde geldstromen zal de rechtbank in paragraaf 3.3.2 ingaan op het gebruik door [verdachte] van identiteiten van andere personen, een SkyECC-account, telefoonnummers, en panden, zodat in de overige paragrafen verwezen kan worden naar vaststellingen gedaan in deze paragraaf. In de paragrafen 3.3.3 tot en met 3.3.16 zal de rechtbank telkens per bankrekening op naam van de betrokken vennootschap, eenmanszaak of natuurlijk persoon de ten laste gelegde geldstromen (in- en uitgaand) en de aankopen van edelmetalen en cryptovaluta bespreken. Ook zal de rechtbank in die paragrafen ingaan op de betrokkenheid van verdachte en/of zijn medeverdachten bij die geldstromen en de vraag beantwoorden of sprake is van een vermoeden van criminele herkomst.
Vervolgens zal de rechtbank in de paragraaf 3.3.17 voor [verdachte] in een afzonderlijke conclusie bespreken in hoeverre hij betrokken is bij het Dwerguil -cluster in het algemeen en de in de tenlastelegging genoemde geldstromen in het bijzonder. Daarna zal de rechtbank in de paragrafen 3.3.18 tot en met 3.3.20 beoordelen of de geldstromen afkomstig zijn uit enig misdrijf en of verdachte en zijn medeverdachten dat wisten, welke witwashandelingen verdachte heeft verricht en of sprake is van medeplegen. Tot slot zal de rechtbank in paragraaf 3.3.21 ingaan op de vraag of verdachte en zijn medeverdachten een gewoonte hebben gemaakt van witwassen en/of zij hebben witgewassen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf en in paragraaf 3.3.22 een conclusie trekken ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.
3.3.2 Door [verdachte] gebruikte identiteiten, telefoonnummers, SkyECC-account en panden 3.3.2.1 Identiteiten 3.3.2.1.1 De door [medeverdachte 3] gebruikte namen voor [verdachte] [medeverdachte 3] herkent de foto van [verdachte] als de persoon die zichzelf [alias verdachte] of [alias verdachte] noemt. [medeverdachte 3] denkt dat hij zoiets als [roepnaam verdachte] heet. [medeverdachte 3] heeft de nummers van [verdachte] opgeslagen in zijn telefoon onder de namen [alias verdachte] ( [telefoonnummer] ), [alias verdachte] (+ [telefoonnummer] en [telefoonnummer] ) en [alias verdachte] ( [telefoonnummer] ). De naam [alias verdachte] en het daaraan gekoppelde telefoonnummer + [telefoonnummer] , die naar voren komen in whatsapp-chats tussen [medeverdachte 3] en [alias verdachte] is van de [alias verdachte] waarvan de politie hem ‘zojuist’ de foto heeft laten zien, van [verdachte] of [roepnaam verdachte] dus. Ook de persoon die in whatsapp-chats door [medeverdachte 3] ‘ [alias verdachte] ’ wordt genoemd en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] is [alias verdachte] . Hetzelfde geldt voor de persoon die in chats door [medeverdachte 3] ‘ [alias verdachte] ’ wordt genoemd en die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [roepnaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) noemt hij inmiddels [verdachte] .
De roepnaam van [verdachte] is [roepnaam verdachte] .
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de persoon die door [medeverdachte 3] (in zijn telefoon) [alias verdachte] , [alias verdachte] (1, 2, 4 en [alias verdachte] ), [alias verdachte] , [roepnaam verdachte] , [verdachte] en [roepnaam verdachte] wordt genoemd [verdachte] is.
3.3.2.1.2 [alias verdachte] [verdachte] heeft verklaard dat hij zich één keer heeft voorgedaan als [alias verdachte] .
Zoals uit paragraaf 3.3.2.1.1 volgt noemt [medeverdachte 3] [verdachte] in zijn telefoon [alias verdachte] of [alias verdachte] .
Uit gegevens ontvangen van [bedrijf] BV volgt dat [alias verdachte] de contactpersoon was van [bedrijf] ( [bedrijf] BV) en dat hij gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Soms belde [alias verdachte] op de zakelijke telefoon met het nummer in beeld en soms anoniem. Zoals de rechtbank in paragraaf 3.3.2.2.4 zal vaststellen is [verdachte] de gebruiker van dit telefoonnummer.
Op basis van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] meermalen gebruik heeft gemaakt van de identiteit ‘ [alias verdachte] ’. Dat [verdachte] slechts eenmaal gebruik heeft gemaakt van de identiteit van [alias verdachte] vindt de rechtbank gelet op de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV niet geloofwaardig.
3.3.2.1.3 [persoon 1] Hierna in paragraaf 3.3.2.2.1 zal de rechtbank vaststellen dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] . In het dossier bevinden zich verschillende uitgewerkte tapgesprekken van het telefoonnummer + [telefoonnummer] waarbij de verbalisant aangeeft dat hij de stem van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) herkent. In enkele van die gesprekken noemt [verdachte] zich “ [persoon 1] ” (op 9 juni 2021), “ [persoon 1] , van [bedrijf] ” en “ [geboortedatum] , voorletter is [voorletter] , [persoon 1] ” (in een gesprek met een medewerker van de ING op 16 juni 2021). [geboortedatum] is de geboortedatum van [persoon 1] . In een gesprek met de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) met betrekking tot [bedrijf] BV op 7 september 2021 noemt [verdachte] zich “ [persoon 1] ” en “ [persoon 1] ”.
Van [bedrijf] zijn camerabeelden en overige gegevens ontvangen. Uit de verstrekte cameragegevens blijkt dat [verdachte] diverse malen een bezoek heeft gebracht aan [bedrijf] . Het betroffen telkens transacties van [bedrijf] BV. [verdachte] ontkent dat overigens ook niet. In een e-mailbericht van 14 juni 2021 van [naam] van [bedrijf] aan de politie, schrijft [naam] dat één van de personen op een door [bedrijf] verstrekte foto (de rechtbank begrijpt de foto op pagina 100928 van het dossier) [persoon 1] is en dat deze persoon al twee keer eerder [bedrijf] had bezocht. Volgens de politie kan aan de hand van de aangeleverde camerabeelden blijken dat het [verdachte] was die op 9 juni 2021 samen met [verhuurder] een bezoek bracht aan [bedrijf] .
Op grond van het voorgaande, bezien in samenhang met de verklaring van [persoon 1] (waarover hierna in paragraaf 3.3.14.4 meer), stelt de rechtbank vast dat [verdachte] meermalen gebruik heeft gemaakt van de identiteit van [persoon 1] . Tijdens het politieverhoor van [verdachte] is een gedeelte van het hiervoor genoemde gesprek van 16 juni 2021 afgespeeld. [verdachte] verklaart vervolgens dat het zijn broertje [naam] is (V01.05, aanvullend dossier, p. 9) die in dat gesprek te horen is. De rechtbank vindt deze verklaring van [verdachte] niet geloofwaardig.
3.3.2.2 Telefoonnummers 3.3.2.2.1 Telefoonnummer + [telefoonnummer] Zoals uit paragraaf 3.3.2.1.1 volgt staat het telefoonnummer [telefoonnummer] in de telefoon van [medeverdachte 3] opgeslagen onder de naam [alias verdachte] en is dit [verdachte] . [persoon 1] verklaart dat [verdachte] hem heeft gebeld met het nummer [telefoonnummer] . Met [roepnaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) bedoelt hij [verdachte] .
In het dossier bevinden zich verschillende uitgewerkte tapgesprekken van het telefoonnummer + [telefoonnummer] waarbij de verbalisant aangeeft dat hij de stem van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) herkent. In enkele van die gesprekken noemt de beller zich [roepnaam verdachte] of [verdachte] uit [woonplaats].
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] .
3.3.2.2.2 Telefoonnummer + [telefoonnummer] Zoals uit paragraaf 3.3.2.1.1 volgt, is de [alias verdachte] uit de whatsapp-chats tussen [medeverdachte 3] en [alias verdachte] gekoppeld aan het telefoonnummer + [telefoonnummer] . De persoon die [medeverdachte 3] [alias verdachte] noemt, is [verdachte] .
Op 20 juli 2020 vraagt [alias verdachte] aan [medeverdachte 3] : “Kun je om 10 uur op kantoor in [plaats] zijn”. Zoals hierna volgt uit paragraaf 3.3.2.4.1 huurt [verdachte] een ruimte in het pand aan [adres] in [plaats] en is hij daar ook wel eens.
In de telefoon van [naam] (hierna: [naam] ) is het telefoonnummer + [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam ( [roepnaam verdachte] ). [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is. Op 11 juni 2020 ontvangt [naam] op zijn telefoon een bericht van de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] . In dat bericht staat vermeld “Nieuw nr [roepnaam verdachte] ”.
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] en daarmee ook de persoon is die in de telefoon van [medeverdachte 3] staat opgeslagen onder de naam [alias verdachte] (zie paragraaf 3.3.2.1.1).
3.3.2.2.3 Telefoonnummer + [telefoonnummer] Zoals uit paragraaf 3.3.2.1.1 volgt is de [alias verdachte] uit de whatsapp-chats tussen [medeverdachte 3] en [alias verdachte] , die gekoppeld is aan het telefoonnummer [telefoonnummer] , [alias verdachte] . De persoon die [medeverdachte 3] [alias verdachte] noemt, is [verdachte] .
Tussen [alias verdachte] en [medeverdachte 3] vindt de volgende whatsapp-conversatie plaats:
28-09-2020 [alias verdachte] aan [medeverdachte 3] Ben vanavond terug (…) 28-09-2020 [alias verdachte] aan [medeverdachte 3] Zit in vliegtuig (…) 14-10-2020 [alias verdachte] aan [medeverdachte 3] Ik ga morgen ff naar Turkije (…) 21-10-2020 [alias verdachte] aan [medeverdachte 3] Ik ben morgen terug Uit de analyse van de passagierslijsten ontvangen van Turkish Airlines volgt dat [verdachte] op 28 september 2020 van Istanbul naar Amsterdam is gevlogen, op 15 oktober 2020 van Amsterdam naar Istanbul en op 22 oktober 2020 van Istanbul naar Amsterdam.
In de telefoon van [naam] is het telefoonnummer [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam ( [roepnaam verdachte] ). [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is.
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] en daarmee ook de persoon die in de telefoon van [medeverdachte 3] staat opgeslagen onder de naam ‘ [alias verdachte] ’ (zie paragraaf 3.3.2.1.1) en in de telefoon van [naam] onder de naam ( [roepnaam verdachte] ).
3.3.2.2.4 Telefoonnummer + [telefoonnummer] Het telefoonnummer [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam] geregistreerd onder de naam [roepnaam verdachte] . [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is.
In de telefoon van [naam] is chatcommunicatie aangetroffen tussen [naam] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Op 24 september 2020 chat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] “Ik kom pas volgende week terug”. Uit de gegevens ontvangen van Turkish Airlines kan worden opgemaakt dat [verdachte] op 28 september 2020 van Istanbul naar Amsterdam vliegt. Ook appt de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] op 15 september 2020 een spraakbericht naar [naam] . Volgens de verbalisant die het spraakbericht heeft beluisterd, komt de stem in het spraakbericht overeen met die van [verdachte] .
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
3.3.2.2.5 Telefoonnummer + [telefoonnummer] Zoals uit paragraaf 3.3.2.1.1 volgt, is het telefoonnummer [telefoonnummer] in de telefoon van [medeverdachte 3] opgeslagen onder de naam [alias verdachte] en is de persoon die [medeverdachte 3] [alias verdachte] noemt [verdachte] .
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer + [telefoonnummer] komt naar voren dat dit telefoonnummer op 28 september 2020, 15 oktober 2020, 22 oktober 2020, 28 oktober 2020, 22 november 2020 en 28 november 2020 een zendmast aanstraalde op Schiphol en omgeving. Uit gegevens ontvangen van Turkish Airlines kan worden opgemaakt dat [verdachte] de volgende vluchtbewegingen heeft gemaakt: op 28 september 2020 van Istanbul naar Amsterdam; op 15 oktober 2020 van Amsterdam naar Istanbul; op 22 oktober 2020 van Istanbul naar Amsterdam; op 28 november 2020 van Amsterdam naar Istanbul; op 28 november 2020 van Istanbul naar Amsterdam.
Op grond van deze bevindingen, en gezien het verloop van de chats tussen [medeverdachte 3] aan de ene kant en [alias verdachte] en [alias verdachte] aan de andere kant (zie paragraaf 3.3.12.4), stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
3.3.2.2.6 Telefoonnummer + [telefoonnummer] Binnen het onderzoek is de telecommunicatie via het telefoonnummer + [telefoonnummer] opgenomen. Dit telefoonnummer was in gebruik bij één persoon. In een gesprek op 9 maart 2021 met de gebruiker van het telefoonnummer + [telefoonnummer] , wordt de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] [verdachte] genoemd. In een gesprek met de politie op 10 maart 2021, noemt de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] zich [verdachte] . De naam [verdachte] wordt op diezelfde datum genoemd in een gesprek met de wijkagent [wijkagent] . [wijkagent] geeft in dat gesprek aan dat hij bij de woning van [verdachte] is geweest. Op basis van een mutatie in de politiesystemen blijkt dat de woning waar [wijkagent] is geweest het adres [adres] te [woonplaats] betreft. Dat is het woonadres van [verdachte] .
Het nummer + [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam] opgeslagen onder de naam [roepnaam verdachte] Prive. [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is.
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de enige gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Overigens heeft [verdachte] verklaard dat hij denkt dat dit zijn telefoonnummer was.
3.3.2.2.7 Telefoonnummer + [telefoonnummer] Het nummer + [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam] opgeslagen onder de naam [roepnaam verdachte] . [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is.
In de telefoon van [naam] is chatcommunicatie aangetroffen tussen [naam] en [roepnaam verdachte] . Op 19 februari 2021 stuurt [roepnaam verdachte] naar [naam] : “Nieuwe nr [roepnaam verdachte] ”.
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
3.3.2.2.8 Telefoonnummer + [telefoonnummer] Het nummer + [telefoonnummer] staat in de telefoon van [naam] opgeslagen onder de naam [roepnaam verdachte] . [naam] heeft verklaard dat ‘ [roepnaam verdachte] ’ [verdachte] is.
In de telefoon type Samsung S10 die in beslag is genomen onder [medeverdachte 2] staat het nummer + [telefoonnummer] opgeslagen onder de naam [roepnaam verdachte] 1. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [verdachte] altijd [roepnaam verdachte] noemt.
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] en dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van de onder hem in beslag genomen Samsung S10.
3.3.2.2.9 Telefoonnummer + [telefoonnummer] Het telefoonnummer + [telefoonnummer] staat in de Samsung S10 van [medeverdachte 2] opgeslagen onder de naam [alias verdachte] . Het nummer + [telefoonnummer] staat in die telefoon opgeslagen onder de naam [alias verdachte] . De chats tussen [alias verdachte] en [medeverdachte 2] lopen tot 1 mei 2020. De chats tussen [alias verdachte] en [medeverdachte 2] lopen vanaf 1 mei 2020. Op 1 mei 2020 stuurt [alias verdachte] het bericht “Nieuw nummer” naar [medeverdachte 2] .
In paragraaf 3.3.2.2.3 heeft de rechtbank vastgesteld dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] . Verder volgt uit de voorgaande paragraaf dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [verdachte] [roepnaam verdachte] noemt. [alias verdachte] en [roepnaam verdachte] worden op dezelfde manier uitgesproken.
Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer + [telefoonnummer] en dus de persoon die door [medeverdachte 2] in zijn telefoon is vermeld als [alias verdachte] / [alias verdachte] .
3.3.2.3 SkyECC-account [SkyECC-account] [verdachte] heeft verklaard dat hij het SkyECC-account [SkyECC-account] wel eens heeft gebruikt, uit nieuwsgierigheid. Hij was niet de hoofdgebruiker van het account. Hij heeft zo’n telefoon (de rechtbank begrijpt: de pgp-telefoon) wel eens in zijn auto gehad. Die was van [naam] .
Binnen het onderzoek Argus is SkyECC-communicatie opgevangen tussen de accounts [SkyECC-account] en [naam] . De communicatie in het dossier ziet op de periode van 15 september 2019 tot en met 4 november 2020. Bij die opgevangen communicatie bevinden zich diverse spraakberichten van de gebruiker [SkyECC-account] , verstuurd in de periode van 15 september 2020 tot en met 29 oktober 2020. De stem in die spraakberichten is door de tolk die de gesprekken uitluisterde herkend als die van [verdachte] . Verbalisant [verbalisant 1] heeft de stem in de spraakberichten vergeleken met de stem in de opgenomen telecommunicatie van het telefoonnummer + [telefoonnummer] en heeft vastgesteld dat het om dezelfde stem gaat. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld in paragraaf 3.3.2.2.6 is [verdachte] de enige gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
In de chat- en spraakberichten worden verder diverse namen genoemd, die overeenkomen met de namen van vennootschappen of namen van natuurlijke personen met bankrekeningen op naam. Het gaat dan onder andere om [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.5), [bedrijf] BV/ [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.7), [bedrijf] / [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.9) en [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.10). De rechtbank zal ten aanzien van deze vennootschappen/ondernemingen telkens vaststellen dat [verdachte] daarbij betrokken is, zonder daarbij gebruik te maken van de SkyECC-communicatie.
Op grond van deze bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de enige gebruiker was van het SkyECC-account [SkyECC-account] . De verklaring van [verdachte] dat hij niet de hoofdgebruiker was van dit account en dat [naam] de eigenaar was van de pgp-telefoon waarin dit account kennelijk werd gebruikt, acht de rechtbank ongeloofwaardig, mede omdat in de communicatie tussen de gebruikers van de accounts [SkyECC-account] en [naam] door [SkyECC-account] geen enkele keer wordt aangegeven wie hij is en hier bij [naam] ook geen twijfel over lijkt te bestaan. Concrete aanwijzingen dat achter het account [SkyECC-account] een andere persoon (dan [verdachte] ) schuil gaat, bijvoorbeeld [naam] , ontbreken ook in het dossier.
3.3.2.4 Locaties 3.3.2.4.1 [adres] te [plaats] Zoals hierna zal blijken, waren meerdere vennootschappen die betrokken zijn bij de in de tenlastelegging genoemde geldstromen gevestigd op het adres [adres] te [plaats] .
De verhuurder van het pand gelegen aan [adres] te [plaats] , [verhuurder] , heeft verklaard dat [verdachte] een oud huurder is van het pand in [plaats] en dat hij hem daar wel eens zag. Ook [medeverdachte 2] kwam wel eens in [plaats] (de rechtbank begrijpt: het pand aan [adres] ). [naam] heeft verklaard dat hij [verhuurder] kent van de [adres] , daar is [verhuurder] eigenaar van (de rechtbank begrijpt: het pand aan [adres] te [plaats] ). [naam] heeft daar een postadres. [bedrijf] en [bedrijf] BV staan ingeschreven op dat adres. Hij betaalt 200 euro huur aan [verhuurder] . Daarvoor krijgt hij een brievenbus en kan hij gebruik maken van de ruimte die [verdachte] huurt. [verdachte] krijgt hierdoor korting op de huur die hij aan [verhuurder] betaalt. Met [roepnaam verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) bedoelt hij [verdachte] . [verdachte] heeft verklaard dat, als hij het heeft over “op kantoor”, zij dan zaten aan [adres] te [plaats] .
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] een ruimte huurde in het pand gelegen aan [adres] te [plaats] en dat hij daar ook wel eens was. De betrokkenheid van [verdachte] bij het pand aan [adres] te [plaats] blijkt verder uit de telefoongesprekken tussen hem en [medeverdachte 2] direct nadat op 8 september 2021 de doorzoeking van dat pand had plaatsgevonden. De rechtbank verwijst naar de weergave van deze gesprekken in paragraaf 3.3.3.5.
3.3.2.4.2 [adres] te [plaats] Op 18 juni 2020 ontvangt [naam] op zijn telefoon een bericht van de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] (in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.2): “Ik ga zaterdag voor een paar dagen naar Turkije Oké kun je de post van [adres] (de rechtbank begrijpt: [adres] ) aan zijbrievwnbus doen”. [naam] heeft verklaard dat [roepnaam verdachte] ( [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.2) BV’s heeft gevestigd aan [adres] . [naam] had daar ook een bv. In reactie op de hiervoor genoemde chat heeft [naam] verklaard, dat [verdachte] hem vroeg of hij de post wilde halen en naar de [adres] wilde brengen.
Op 22 oktober 2020 vindt de volgende chatconversatie plaats tussen [naam] en de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] (in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.2): [verdachte] aan [naam] Ben morgen op kantoor eventjes [verdachte] aan [naam] Zou je voor mij alle post mee kunnen nemen [naam] aan [verdachte] Gisteren geweest, er is geen post… alleen van [bedrijf] en die heb ik retour afzender gestuurd… waren oa rekeningen van bol.com… wat er was ligt al op kantoor… [naam] heeft over deze chatconversatie verklaard dat het gaat over [adres] .
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] , minst genomen als postadres, gebruik maakte van het pand gelegen aan [adres] te [plaats] .
3.3.3 [bedrijf] BV ( [bedrijf] BV) 3.3.3.1 De vennootschap De vennootschap [bedrijf] BV, in het dossier ook aangeduid als [bedrijf] , had vanaf 14 juni 2020 als vestigingsadres [adres] te [plaats] . In de periode van 25 april 2019 tot en met 14 juni 2019 was de vennootschap gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . Dit is tevens het woonadres van [medeverdachte 2] .
Op 5 juni 2019 was [medeverdachte 1] één dag bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] BV. Van 29 februari 2016 tot 18 oktober 2019 was de [stichting] bestuurder van [bedrijf] BV. Na 18 oktober 2019 stonden er geen bestuurders van de vennootschap [bedrijf] BV geregistreerd. [medeverdachte 2] was van 3 december 2018 tot en met 16 juni 2020 de enige bestuurder van de [stichting] .
Op 4 februari 2020 is de vennootschap [bedrijf] BV opgeheven ten gevolge van een faillissement.
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank blijkt dat het account van [bedrijf] BV bij die bank op 8 juli 2019 is geopend. [medeverdachte 1] stond bij de bank geregistreerd als bestuurder en enig aandeelhouder. Hij was ook de enige gemachtigde tot de rekeningen bij de Bunq-bank van [bedrijf] BV.
3.3.3.2 Inkomende geldstromen In de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in totaal een bedrag van € 382.990,00 ontvangen van zestien Duitse bankrekeningen en één Oostenrijkse bankrekening op naam van particulieren.
In de periode van 3 september 2019 tot en met 29 januari 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in totaal een bedrag van € 588.300,00 ontvangen van 47 Duitse en drie Oostenrijkse bankrekeningen op naam van particulieren.
Daarnaast komt op deze bankrekening in de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 februari 2020 in totaal een bedrag van € 323.000,00 binnen vanaf de hiervoor genoemde bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV.
Verder komt op deze bankrekening in de periode van 9 augustus 2019 tot en met 22 januari 2019 in totaal een bedrag van € 214.866,00 binnen vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.4).
3.3.3.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen In de periode van 25 september 2019 tot en met 16 januari 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in negentien transacties voor een totaalbedrag van € 836.643,82 geld overgemaakt naar [bedrijf] BV.
Verder wordt in de periode van 6 september 2019 tot en met 28 januari 2020 in 79 transacties in totaal een bedrag van € 25.062,50 contant opgenomen in Nederland (onder andere in Amsterdam en [woonplaats] ) en Duitsland.
In de periode van 5 augustus 2019 tot en met 4 februari 2020 wordt in 29 transacties een bedrag van € 200.976,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4).
Vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV wordt in de periode van 21 januari 2020 tot en met 28 januari 2020 in totaal een bedrag van € 59.990,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4).
Uit de stukken ontvangen van [bedrijf] BV volgt dat door [bedrijf] BV in de periode van 25 september 2019 tot en met 20 januari 2020 21 goudbestellingen zijn gedaan. [bedrijf] BV was een dochteronderneming van [bedrijf] BV en was net als die vennootschap gevestigd aan het adres [adres] te [plaats] . Naast [bedrijf] BV waren er, in ieder geval op 20 januari 2020, geen andere aandeelhouders of bestuurders van [bedrijf] BV. Het door [bedrijf] BV bestelde goud werd betaald vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV, met uitzondering van de betaling op 20 januari 2020. Die betaling was afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4).
3.3.3.4 Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen Uit paragraaf 3.3.3.1 volgt dat [medeverdachte 1] één dag bestuurder en enig aandeelhouder is geweest van [bedrijf] BV. Hij heeft als bestuurder het account van [bedrijf] BV geopend bij de Bunq-bank en stond als enige als gemachtigde tot de rekeningen geregistreerd. [medeverdachte 1] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als contactpersoon en eigenaar van [bedrijf] BV.
3.3.3.5 Betrokkenheid [medeverdachte 2] bij de geldstromen en goudaankopen Zoals onder 3.3.3.1 besproken was [medeverdachte 2] in de periode dat de in de tenlastelegging bedoelde geldstromen plaatsvonden tot 18 oktober 2019 via [stichting] de enige bestuurder van [bedrijf] BV. Aan wie hij het (indirecte) bestuur van [bedrijf] BV heeft overgedragen, kan niet worden afgeleid uit het register van de Kamer van Koophandel noch uit enig ander processtuk. Daarnaast stond de vennootschap voorafgaand aan de geldstromen ingeschreven op het woonadres van [medeverdachte 2] .
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [medeverdachte 2] edelmetalen heeft opgehaald bij [bedrijf] BV, maar wel dat hij dat heeft gedaan bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV voor de vennootschappen [bedrijf] BV en [bedrijf] BV ( [bedrijf] ). Ook heeft hij bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV edelmetalen besteld namens [bedrijf] en/of stond hij als contactpersoon bij [bedrijf] geregistreerd.
Op 8 september 2021 heeft in het kader van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) uit Duitsland een doorzoeking plaatsgevonden op onder andere het adres [adres] te [plaats] (het vestigingsadres van zowel [bedrijf] BV als van [bedrijf] BV) en het adres [adres] te [plaats] (het woonadres van [medeverdachte 2] , tevens het vestigingsadres van [bedrijf] BV tot en met 14 juni 2019).
Na deze doorzoeking probeert [verdachte] (+ [telefoonnummer] ) om 12:43 uur telefonisch contact te leggen met het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 2] (+ [telefoonnummer]). Om 13:26 uur vindt er via het telefoonnummer dat in gebruik is bij [naam] (+ [telefoonnummer] ) een gesprek plaats tussen [verdachte] ( [verdachte] ) en [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ). In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd: “ [naam] zegt tegen [verdachte] dat hij vast [medeverdachte 2] moest hebben, maar dat ze allebei hun telefoon in de auto hadden laten liggen. [naam] geeft de telefoon aan [medeverdachte 2] . [verdachte] : [medeverdachte 2] , groot probleem, [NTV], niks mee te maken [medeverdachte 2] : Wat zeg je? [verdachte] : Er is een probleem, we hebben er in principe niks mee te maken. [medeverdachte 2] : Wat? [verdachte] : Ze hebben een inval gedaan in [plaats] [medeverdachte 2] : In [plaats] ? Ja bij mij ook. [verdachte] : Bij jou ook? [medeverdachte 2] : Ja [verdachte] : Oh? [medeverdachte 2] : Want ik kon je niet bereiken, dus vandaar. [verdachte] : En wat hebben ze gedaan? [medeverdachte 2] : Nou, eerlijk gezegd ze hebben niks meegenomen [verdachte] : Maar wat kwamen ze doen dan? [medeverdachte 2] : Ja dat hebben ze niet verteld. Het kwam van de Statsanwaltschaft Dresden. Ik heb geen idee. [verdachte] : Oke, maar wat was er dan? [medeverdachte 2] : Weet ik ook niet [verdachte] : Zijn jouw telefoons meegenomen? [medeverdachte 2] : Ja, nee ook niet. Ze hebben mijn telefoon meegenomen, maar ehh... Ja, dat vertel ik je... kan ik niet over de telefoon vertellen want die wordt afgeluisterd natuurlijk [verdachte] : Ja, daarom. Maar was was het probleem dan? [medeverdachte 2] : Weet ik niet, ik weet niet wat er aan de hand is? Ik heb hier de administratie van die GmbH liggen en álles laten liggen. Er is wat anders aan de hand maar daar hebben wij nieks mee te maken. [verdachte] : Ze kwamen in [plaats] voor [bedrijf] . Met een man of 15-20. [medeverdachte 2] : Ja, daar loopt een onderzoek op he, op [bedrijf] . [verdachte] : Maar waarvoor? [medeverdachte 2] : Ja dat weet ik niet, dat weet ik niet. Ik heb geen idee. [verdachte] : Zal die [naam] (FON: [naam] ) niks uitgespookt hebben? [medeverdachte 2] : Ik heb geen idee, ik weet ook niet waarvoor ze kwamen”
Onder het tapgesprek staat vermeld dat de tweede uitluisteraar in plaats van ‘ [naam] ’ verstaat.
Om 15:09 uur belt [verdachte] wederom uit met het nummer van [naam] . In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd: “ [naam] neemt op: [naam] spreekt u mee [verdachte] : [naam] , mag ik meneer [medeverdachte 2] ? (…) [medeverdachte 2] komt ondertussen aan de lijn. [verdachte] : [medeverdachte 2] , zullen we even afspreken in Doetinchem? [verdachte] : [medeverdachte 2] , heb je hem terug? [medeverdachte 2] : Wie? [verdachte] : De telefoon [medeverdachte 2] : Uh.. Natuurlijk. Die ene wel, die ander niet, maar die andere mocht niet. [verdachte] : Heb je de goeie in handen? [medeverdachte 2] : Ja [verdachte] : Oke, zullen we in Doetinchem afspreken? Ik had net een telefoon voor je gekocht, nieuwe simkaart, nieuwe telefoon. [medeverdachte 2] : Ja dat is helemaal goed, maar die simkaart die heb ik nog [verdachte] : Nee ik heb nieuwe telefoon gekocht met nieuwe simkaart [medeverdachte 2] : Ja prima, maar dan kan die oude simkaart van mij erin dan kan ik bankieren ermee [verdachte] : Oke ik neem alles mee. Eh.. Café de Veemarkt. [medeverdachte 2] : Ja weet ik. In Haaksbergen ?”
Een uur later, om 16:11 uur, belt [verdachte] wederom met [medeverdachte 2] via de telefoon van [naam] . In dit gesprek wordt onder andere het volgende gezegd: “ [medeverdachte 2] : Ja? [verdachte] : Ze staan hier te observeren [medeverdachte 2] : Ja [verdachte] : Ga maar naar café Masselink [medeverdachte 2] : Masselink? [verdachte] : Café Masselink. [medeverdachte 2] : Oke, prima [verdachte] : Ik ga even afschudden want ze zijn al vanaf [plaats] achter ons aan en nu staan ze hier te observeren [medeverdachte 2] : Oke, prima, yo yo [verdachte] : Café Masselink”
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. [medeverdachte 2] was weliswaar niet in de gehele periode dat de geldstromen en goudaankopen via [bedrijf] BV plaatsvonden als (indirect) bestuurder betrokken bij de vennootschap, maar zijn betrokkenheid voor die gehele periode volgt wel uit zijn meer algemene betrokkenheid bij de goudaankopen en de tapgesprekken die zijn opgevangen na de doorzoeking op 8 september 2021, ruim nadat de ten laste gelegde geldstromen en goudaankopen plaatsvonden. Uit die gesprekken volgt dat [medeverdachte 2] weet dat de doorzoekingen plaatsvonden voor “ [bedrijf] ” en kennelijk ook dat er met die onderneming of ondernemingen iets aan de hand is dat de politie niet mag weten. Immers, [medeverdachte 2] zegt op bepaalde momenten dat hij niet wil praten over de telefoon, omdat die “natuurlijk” afgeluisterd wordt. Dat [medeverdachte 2] en ook [verdachte] betrokken zijn bij dingen die verborgen moeten blijven, blijkt ook uit het feit dat [verdachte] een nieuwe telefoon met simkaart voor [medeverdachte 2] heeft aangeschaft en dat [verdachte] observanten (de rechtbank begrijpt: een observatieteam van de politie) heeft moeten “afschudden”.
Daar komt nog het volgende bij.
Zoals uit paragraaf 3.3.3.1 volgt, was [medeverdachte 1] slechts één dag, op 5 juni 2019, enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] BV. [medeverdachte 2] was via [stichting] gedurende de hele periode van 3 december 2018 tot en met 18 oktober 2019 indirect bestuurder van [bedrijf] BV. Op 8 juli 2019 is er op naam van [bedrijf] BV door [medeverdachte 1] een account geopend bij de Bunq-bank. [medeverdachte 1] was op dat moment weliswaar formeel niet meer betrokken bij de vennootschap, maar kennelijk is dat door de bank niet onderkend en kon hij het account openen. [medeverdachte 1] moet daarbij gebruik hebben gemaakt van zijn registratie als bestuurder van [bedrijf] BV (ook al duurde dat maar één dag). Het kan niet anders dan dat de één dag durende rol van [medeverdachte 1] als bestuurder bij [bedrijf] BV is gebruikt voor het openen van het account bij de Bunq-bank, met als bedoeling het afschermen van anderen, waaronder [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] werd gebruikt als katvanger. Nu [medeverdachte 2] zowel voor als na 5 juni 2019 (indirect) de enige bestuurder was van [bedrijf] BV, in samenhang bezien met de hiervoor besproken telefoongesprekken, is de rechtbank van oordeel dat hij moet hebben geweten dat [medeverdachte 1] gebruikt werd als katvanger.
3.3.3.6 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen Uit de voorgaande paragraaf en de omstandigheid dat [verdachte] huurder was van een ruimte in het pand aan [adres] te [plaats] (zie paragraaf 3.3.2.4.1), in welk pand ook [bedrijf] BV en [bedrijf] BV gevestigd waren, volgt de betrokkenheid van [verdachte] bij [bedrijf] BV en de geldstromen en goudaankopen via deze vennootschap. Die betrokkenheid volgt verder uit het volgende.
Op 4 oktober 2019 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV een betaling gedaan aan Thuisbezorgd.nl. Deze betaling zag op een bestelling die geleverd moest worden een persoon genaamd ‘ [verdachte] ’, met het e-mailadres [e-mailadres] op het adres [adres] te [woonplaats] , het woonadres van [verdachte] . [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn e-mailadres is.
Uit het onderzoek van de politie volgt dat er vanaf de bankrekening [rekeningnummer] dagelijks één of meerdere transacties zijn verricht, met uitzondering van de periode van 24 oktober 2019 tot 26 oktober 2019 waarin [verdachte] in Spanje verbleef.
Uit de gegevens verstrekt door de Bunq-bank blijkt dat het telefoonnummer + [telefoonnummer] zowel gekoppeld is aan de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] als aan het account van [bedrijf] BV. Verder volgt uit de informatie van de Bunq-bank, in combinatie met de resultaten van een CIOT-bevraging, dat onder andere vanaf het IP-adres gekoppeld aan het adres [adres] te [plaats] is ingelogd op de bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV. Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.4.1 huurde [verdachte] een ruimte in het pand aan dit adres en was hij ook wel eens in dit pand.
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien, gebruik maakte van verschillende bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV en daar dus toegang toe had, waaronder de bankrekeningen [rekeningnummer] en [rekeningnummer] waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstromen zijn gelopen. [verdachte] heeft dit overigens ook niet ontkend. [verdachte] heeft namelijk verklaard dat het best zou kunnen dat zijn telefoonnummer gekoppeld stond aan de bankrekening van [bedrijf] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] BV) en dat het zou kunnen dat hij kon inloggen op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] , maar dat hij dat niet meer weet (V01.05, p. 4).
3.3.3.7 Vermoeden van criminele herkomst Op 3 februari 2020 ontving de Bunq-bank van de Swiss Financial Market Supervisory Authority (hierna: FINMA) een bericht dat de overboekingen van de Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen naar [bedrijf] BV vermoedelijk te maken hadden met oplichtingspraktijken.
Zoals hiervoor vermeld is [bedrijf] BV een dag later, per 4 februari 2020, opgeheven als gevolg van een faillissement. [naam] , medewerker van de Bunq-bank, heeft verklaard dat zij zagen dat vlak voor het faillissement de gelden van de vier bankrekeningen op naam van [bedrijf] BV overgeboekt werden naar de vennootschap [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.4). Dit bedrag werd vervolgens doorgeboekt naar [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5) en vrijwel direct daarna naar een bankrekening van [bedrijf], een handelsnaam van [bedrijf] BV.
Zoals hiervoor besproken is [medeverdachte 1] één dag, op 5 juni 2019, enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap geweest. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij nooit iets voor de vennootschap heeft gedaan. Hij had niet de beschikking over de bankrekening en was ook niet betrokken bij de afwikkeling van het faillissement. Hij gebruikte in die tijd veel drugs.
Verder was [medeverdachte 2] via [stichting] tot en met 18 oktober 2019 bestuurder en hebben er daarna geen bestuurders meer geregistreerd gestaan. Uit het zevende faillissementsverslag van 2 september 2021 van [bedrijf] BV blijkt dat [medeverdachte 2] tegen de curator heeft gezegd dat hij nooit werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf] BV en dat hij ook niets weet van de activiteiten van de vennootschap. De bank van [bedrijf] BV heeft de curator laten weten dat [medeverdachte 1] de contactpersoon en tevens de gemachtigde tot de bankrekeningen was van de vennootschap. [medeverdachte 1] is in het kader van het faillissement gehoord door de rechter-commissaris. Hij heeft toen aangegeven dat hij niet de feitelijk leidinggevende was en dat hij (vrijwel) niets kan vertellen over de activiteiten van [bedrijf] BV.
Verder volgt uit het faillissementsverslag dat de curator op het moment van verslaglegging op 2 september 2021 niet de beschikking heeft gekregen over een boekhouding. Ook beschikte de curator op dat moment slechts over een jaarrekening over het boekjaar 2017, in welke jaarrekening bovendien geen winst- en verliesrekening was opgenomen. Bij de Belastingdienst zijn de (fiscale) gegevens gevorderd van [bedrijf] BV over de periode van 1 januari 2019 tot en met 8 februari 2022. Daaruit volgt dat over die periode geen omzetgegevens bekend zijn van de vennootschap.
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.3.3 stond [medeverdachte 1] ook bij [bedrijf] BV geregistreerd als de contactpersoon en eigenaar van [bedrijf] BV.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, bezien in combinatie met de inkomende geldstromen afkomstig van de Duitse en Oostenrijkse natuurlijke personen en de eerdergenoemde telefoongesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] , is de rechtbank van oordeel dat er een gerechtvaardigd vermoeden is dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.3.2 en 3.3.3.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.4 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) 3.3.4.1 De vennootschap De vennootschap [bedrijf] BV, in het zaaksdossier ook aangeduid als [bedrijf] , maakte tevens gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . Vanaf 1 april 2019 was de vennootschap gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . Van 24 mei 2019 tot de ontbinding van de vennootschap op 22 mei 2020 stond [medeverdachte 1] geregistreerd als bestuurder van de vennootschap.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat met de in de tenlastelegging genoemde [bedrijf] BV, feitelijk de vennootschap [bedrijf] BV wordt bedoeld.
Het account van [bedrijf] BV de bij de Bunq-bank is op 9 mei 2019 geopend. [naam] stond bij Bunq-bank geregistreerd als bestuurder en enig aandeelhouder.
3.3.4.2 Inkomende geldstromen In de periode van 16 januari 2020 tot en met 25 maart 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] in totaal een bedrag van € 241.600,00 ontvangen afkomstig van negen Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. In de periode van 28 januari 2020 tot en met 18 maart 2020 komt er in 26 transacties een bedrag van in totaal € 412.100,00 binnen vanaf de andere bankrekening, [rekeningnummer] , op naam van [bedrijf] .
Verder komen de volgende geldbedragen binnen op de bankrekening: in de periode van 5 augustus 2019 tot en met 4 februari 2020 in 29 transacties in totaal een bedrag van € 200.976,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.3); in de periode van 21 januari 2020 tot en met 28 januari 2020 in drie transacties in totaal een bedrag van € 59.990,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 2.3.3); in de periode van 28 januari 2020 tot en met 25 februari 2020 in vier transacties in totaal een bedrag van € 10.909,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.7); in de periode van 30 januari 2020 tot en met 13 maart 2020 in negen transacties in totaal een bedrag van € 17.785,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5); in de periode van 31 mei 2019 tot en met 21 november 2019 in vier transacties in totaal een bedrag van € 5.200,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] .
In de periode van 23 januari 2020 tot en met 2 april 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] in totaal een bedrag van € 558.820,00 ontvangen afkomstig van één Oostenrijkse en 38 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren.
Daarnaast komt op 3 maart 2020 een geldbedrag van € 2000,00 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5).
In de periode van 31 januari 2020 tot en met 17 februari 2020 komt in totaal een bedrag van € 13.630,00 binnen vanaf de hiervoor genoemde bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] .
3.3.4.3 Uitgaande geldstroom en goudaankopen Op 20 januari 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van[bedrijf] BV / [bedrijf] een bedrag van € 43.535,80 overgemaakt naar [bedrijf] BV. Op 23 januari 2020 en 6 februari 2020 wordt in totaal een bedrag van € 37.465,00 overgemaakt naar [bedrijf] en op 11 maart 2020 een bedrag van € 4.841,90 naar [bedrijf] ( [bedrijf] BV). De rechtbank wijst in dit verband op de overboekingen van in totaal € 214.866,20 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV, zoals beschreven in paragraaf 3.3.3.2 en de overboeking naar de andere bankrekeningen op naam van [bedrijf] , zoals beschreven in paragraaf 3.3.4.2.
Naast het hiervoor beschreven geldbedrag van in totaal € 412.100,00 dat vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] wordt overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] , worden vanaf laatstgenoemde bankrekening nog de volgende betalingen gedaan: in de periode van 12 februari 2020 tot en met 13 maart 2020 in vijf transacties in totaal een bedrag van € 52.850,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5); in de periode van 7 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 in twee transacties een bedrag van in totaal € 1.100,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.7).
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV, welk bedrijf gevestigd is in [plaats] in de gemeente Weststellingwerf, kan worden opgemaakt dat de hiervoor genoemde betaling van € 4.841,90 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] zag op een goudbestelling van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5).
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de betaling van € 43.535,80 zag op een goudbestelling van [bedrijf] BV.
Uit de gegevens van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de twee betalingen van in totaal € 37.465,00 zagen op een goudbestelling van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5) en dat die bestellingen zijn opgehaald door [medeverdachte 1] .
3.3.4.4 Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen In de periode van 31 mei 2019 tot en met 21 november 2019 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] in vier transacties in totaal € 5.200,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] . Dat [medeverdachte 1] ook zelf gebruik maakte van deze bankrekening op zijn naam volgt uit paragraaf 3.3.16.3. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat [medeverdachte 1] op de hoogte moet zijn geweest van het bestaan van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] op het moment dat de geldstromen als bedoeld in de tenlastelegging plaatsvonden. Hij was toen ook bestuurder was van de vennootschap [bedrijf] BV.
Dat [medeverdachte 1] op de hoogte was van het bestaan van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] kan de rechtbank niet vaststellen. Het account bij de Bunq-bank is geopend voordat [medeverdachte 1] op 24 mei 2019 bestuurder werd. Ook overigens blijkt niet [medeverdachte 1] op de hoogte moet zijn geweest van het bestaan van deze bankrekening.
3.3.4.5 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen [bedrijf] BV was gevestigd aan [adres] te [plaats] . Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.4.1 was [verdachte] huurder van een ruimte in het pand aan [adres] te [plaats] en was hij ook wel eens in dit pand. De betrokkenheid van [verdachte] bij [bedrijf] BV en de geldstromen en goudaankopen via deze vennootschap volgt verder uit het volgende.
Uit de gegevens verstrekt door de Bunq-bank blijkt dat het telefoonnummer + [telefoonnummer] zowel gekoppeld is aan de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] als aan het account van [bedrijf] . Verder volgt uit de informatie van de Bunq-bank, in combinatie met de resultaten van een CIOT-bevraging, dat vanaf het IP-adres dat gekoppeld is aan de [adres] te [woonplaats] (het woonadres van [verdachte] ) in de periode van 28 april 2020 tot en met 8 september 2020 73 maal is ingelogd op het Bunq-account van [bedrijf] , en ook dat op dat account in de periode van 26 mei 2020 tot en met 12 juni 2020 10 maal is ingelogd vanaf het IP-adres dat gekoppeld is aan [adres] te [plaats] .
Uit het onderzoek van de politie volgt dat er diverse betalingen zijn verricht via de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] die overeen komen met betalingen verricht via de bankrekening op naam van [echtgenote] (de rechtbank begrijpt: [echtgenote] ), de echtgenote van [verdachte] .
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] toegang had tot en gebruik maakte van verschillende bankrekeningen op naam van [bedrijf] . [verdachte] heeft dit overigens ook niet ontkend. Hij heeft namelijk verklaard dat het best zou kunnen dat het IP-adres van zijn woning gekoppeld was aan het Bunq-account van [bedrijf] . (V01.06, p. 3).
3.3.4.6 Vermoeden van criminele herkomst Zoals besproken in paragraaf 3.3.3.7 volgt uit het bericht van FINMA dat de overboekingen van de Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen naar [bedrijf] BV vermoedelijk te maken hadden met oplichtingspraktijken. Verder is in die paragraaf ingegaan op de verklaring van [naam] , waaruit kan worden opgemaakt dat de bankrekening op naam van [bedrijf] onderdeel is van een geldstroom van [bedrijf] BV, via [bedrijf] en [bedrijf] naar [bedrijf] BV. Dat er grote geldbedragen heen en weer gaan tussen bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] en de hierna te bespreken ondernemingen volgt ook de in- en uitgaande geldstromen zoals besproken in de paragrafen 3.3.4.2 en 3.3.4.3. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij bestuurder is geweest van [bedrijf] BV. Hij gebruikte in die tijd veel drugs en was er niet bij. Hij was zo onder invloed dat hij alles deed wat hem werd gevraagd. Hij denkt dat er misbruik van hem is gemaakt.
Opvallend is dat de betalingen aan [bedrijf] BV en [bedrijf] BV vanaf de bankrekeningen op naam van [bedrijf] zagen op goudaankopen door de vennootschap [bedrijf] BV, handelend onder de namen [bedrijf] en [bedrijf] , terwijl die vennootschappen formeel geen relatie met elkaar hebben (zie de paragrafen 3.3.4.3 en 3.3.5.1).
Uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat de omzet van [bedrijf] BV achtereenvolgens € 4.300,00 in 2017, € 10.900 in 2018 en € 86.550,00 in 2019 bedroeg. In 2020 was er geen omzet (opgegeven). De rechtbank merkt op dat de omzetstijging van 2019 ten opzichte van 2017 en 2018 opvallend is. Bovendien valt op dat in het jaar dat de gelden vanaf de Duitse bankrekeningen op naam van particulieren binnenkomen (2020), welke gelden bovendien een totale omvang hebben die ligt ruim boven het omzetcijfer van 2018, er geen omzet is opgegeven bij de Belastingdienst. Ook valt op dat kort na de binnenkomst en het vervolgens weer uitstromen van deze gelden, de vennootschap wordt ontbonden.
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [verdachte] bij [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en de hierna nog te bespreken ondernemingen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.4.2 en 3.3.3.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.5 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) 3.3.5.1 De vennootschap De vennootschap [bedrijf] BV maakte tevens gebruik van de handelsnamen [bedrijf] , [bedrijf] en [bedrijf] . De vennootschap stond geregistreerd als gevestigd op [adres] te [plaats] en heeft sinds 17 december 2019 ook geregistreerd gestaan als gevestigd op het adres [adres] te [plaats] (het woonadres van [medeverdachte 2] ). Uit de gegevens van de KvK kan de rechtbank niet afleiden wanneer het vestigingsadres is overgegaan naar [adres] te [plaats] . Van 19 juli 2012 tot 10 december 2019 had [naam] een volledige volmacht om te handelen namens de vennootschap. Vanaf 17 december 2019 tot de ontbinding van de vennootschap op 31 augustus 2020 was [medeverdachte 2] enig aandeelhouder en enig bestuurder van de vennootschap.
Het account van [bedrijf] bij de Bunq-bank is op 3 januari 2020 geopend. Bij die bank staat [medeverdachte 2] geregistreerd als bestuurder en enig aandeelhouder.
3.3.5.2 Inkomende geldstromen In de periode van 25 maart 2020 tot en met 31 maart 2020 wordt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] een bedrag van € 115.000,00 ontvangen afkomstig van vijf Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Op 6 en 7 april 2020 wordt in totaal € 124.395,93 (€ 50.000 + € 74.395,93) afgeschreven door de ABN AMRO-bank, omdat sprake zou zijn van fraude. Op 17 april 2020 wordt door de ABN AMRO-bank een bedrag van € 9.395,93 teruggestort naar de rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] , omdat er ten aanzien van dit geldbedrag toch geen sprake zou zijn van fraude. Per saldo is het gehele bedrag afkomstig van de vijf Duitse bankrekeningen op naam van particulieren (€ 124.395,93 -/- € 9.395,93 = € 115.000,00), dus weer afgeboekt door de ABN AMRO-bank. Dat neemt niet weg, dat het volledige bedrag wel (korte tijd) op de bankrekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] heeft gestaan.
De vennootschap [bedrijf] BV had onder de handelsnaam [bedrijf] de bankrekening [rekeningnummer] . Op deze bankrekening kwamen onder andere de volgende geldbedragen binnen: in de periode van 28 januari 2020 tot en met 18 maart 2020 twee bedragen van € 548.004,44 en € 52.850,00 afkomstig van twee verschillende bankrekeningen op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4.3); op 30 januari 2020 een bedrag van € 2.900,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.3); in de periode van 5 februari 2020 tot en met 13 maart 2020 in veertien transacties een bedrag van in totaal € 140.450,00 afkomstig van bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.6).
3.3.5.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen Naast de onder paragraaf 3.3.5.2 genoemde afboeking door de ABN AMRO-bank is in de periode van 25 maart 2020 tot en met 25 mei 2020 in negen transacties een bedrag van in totaal € 16.300,00 contant opgenomen van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] .
Van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] zijn de volgende betalingen gedaan: in de periode van 30 januari 2020 tot en met 18 maart 2020 in 21 transacties in totaal een bedrag van € 597.621,61 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV); in de periode van 28 januari 2020 tot en met 6 februari 2020 in twee transacties in totaal een bedrag van € 94.754,50 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] ; op 11 maart 2020 een bedrag van € 9.594,40 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV; op 11 maart 2020 een bedrag van € 9.020,00 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV; op 3 maart 2020 een bedrag van € 2.000,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4); in de periode van 30 januari 2020 tot en met 13 maart 2020 in negen transacties een bedrag van in totaal € 17.785,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4.2).
Daarnaast werd van deze bankrekening in de periode van 6 februari 2020 tot en met 17 maart 2020 in elf transacties in totaal een bedrag van € 3.655,99 contant opgenomen, onder andere in [woonplaats] en [plaats] .
Uit deze uitgaande geldstromen volgt dat er vanaf de rekeningen op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] in totaal € 606.641,61 (€ 597.621,61 + € 9.020,00) is betaald aan [bedrijf] BV. Dit is € 105,87 minder (€ 606.747,48 -/- € 606.641,61) dan het bedrag genoemd in tabel 4 op pagina 31-32 van het dossier, welke tabel de basis vormt voor het in de tenlastelegging genoemde bedrag aan goudaankopen bij [bedrijf] BV. De rechtbank zal hierna daarom uitgaan van een bedrag dat is omgezet in goud dat € 105,87 lager ligt dan het bedrag genoemd in de tenlastelegging.
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat [bedrijf] in de periode van 30 januari 2020 tot en met 23 juli 2020 goud heeft gekocht bij [bedrijf] BV voor een totaalbedrag van € 1.252.936,41. Deze goudbestellingen zijn betaald vanaf de bankrekeningen op naam van [bedrijf] , [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4), [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.7), [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.8), Recyling [naam] (zie paragraaf 3.3.9) en [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.6). [medeverdachte 2] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] sinds 17 december 2019. Hij was de eerste contactpersoon van [bedrijf] . [medeverdachte 2] is ook een paar keer bij [bedrijf] BV geweest. Ook [naam] stond geregistreerd als contactpersoon.
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden afgeleid dat de hiervoor genoemde overboeking van € 9.594,40 zag op een goudaankoop van [bedrijf] bij [bedrijf] BV. [medeverdachte 2] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als de contactpersoon van [bedrijf] .
Uit de gegevens van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat [bedrijf] in de periode van 23 januari 2020 tot en met 6 februari 2020 voor een bedrag van € 132.219,50 vier keer goud heeft gekocht bij [bedrijf] BV. Deze goudaankopen zijn naast de betalingen vanaf de bankrekening op naam van [bedrijf] , ook voldaan vanaf een bankrekening op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4.3). Het goud van deze aankopen is opgehaald door [medeverdachte 2] (op 28 januari 2020) en [medeverdachte 1] (op 23 januari 2020 en 6 februari 2020).
3.3.5.4 Betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij de geldstromen en goudaankopen Zoals uit paragraaf 3.3.5.1 volgt was [medeverdachte 2] in de periode dat de in de tenlastelegging bedoelde geldstromen en goudaankopen plaatsvonden enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf] BV. Verder volgt uit die paragraaf dat het account van [bedrijf] bij de Bunq-bank is geopend in de tijd dat [medeverdachte 2] bestuurder was en dat hij bij die bank ook geregistreerd staat als bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap.
Daarnaast stond de vennootschap in ieder geval voorafgaand en mogelijk ook gedurende een deel van de periode dat de geldstromen en goudaankopen plaatsvonden, ingeschreven op het woonadres van [medeverdachte 2] .
Ook stond [medeverdachte 2] als contactpersoon van [bedrijf] geregistreerd bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV, is hij een paar keer bij [bedrijf] BV geweest en heeft hij namens [bedrijf] goud opgehaald bij [bedrijf] BV (zie de paragrafen 3.3.3.5 en 3.3.5.3).
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank, bezien in combinatie met de CIOT-gegevens, volgt verder dat de bankgegevens van [bedrijf] van 3 januari tot en met 6 januari 2020 825 maal zijn benaderd via een IP-adres dat staat geregistreerd op het woonadres van [medeverdachte 2] ( [adres] te [plaats] ).
Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] op de hoogte was van de Bunq-bankrekening op naam van [bedrijf] en daar ook toegang toe had.
Dat [medeverdachte 2] op de hoogte was van het bestaan van de bankrekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] bij de ABN AMRO-bank en de op die bankrekening binnenkomende geldbedragen leidt de rechtbank af uit de volgende chatgesprekken tussen hem en [alias verdachte] (+ [telefoonnummer] ; in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.9):
20 maart 2020 [verdachte] Kun jij langs abn daar vragen of ze internet bankieren willen aanzetten [medeverdachte 2] Kan dat niet via de telefoon [verdachte] Je kan proberen (…) [medeverdachte 2] Oké. Bel even 25 maart 2020 [verdachte] Kun je nog een keer met abn bellen [verdachte] Doet nog niet Zoals volgt uit paragraaf 3.3.5.2 komt op 25 maart 2020 de eerste van de vijf betalingen binnen vanaf de Duitse rekeningen op naam van particulieren. Uit die paragraaf volgt verder dat op 6 en 7 april 2020 de ABN AMRO-bank het bedrag van € 124.395,93 afboekt, omdat sprake zou zijn van fraude.
Vervolgens vinden de volgende chatgesprekken plaats tussen [alias verdachte] ( [verdachte] ) en [medeverdachte 2] :
6 april 2020 [medeverdachte 2] Weet je ook welke andere mensen geld naar pmr overgeboekt hebben ca de mensen uit Duitsland [verdachte] [bedrijf] 15 april 2020 [medeverdachte 2] Gisteren gesproken met abn:
Goed gesprek gehad. Afgesproken dat we een brief moeten schrijven waarom het geld wel in orde is. We kunnen dar allerlei redenen voor opgeven. Wacht niet te lang.
Doen we het zelf om met een advocaat. [verdachte] We doen met advocaat (…) [medeverdachte 2] Heb de advocaat bericht en ik wacht op antwoord.
Hij wil een opdrachtbevestiging sturen en een voorschot nota. Houd je op de hoogte.
1 mei 2020 [medeverdachte 2] Tel met abn-amro dd. 01.05.2020 Langdurig gesprek gevoerd. Uitkomst is alsvolgt: ik moet aantonen dat het geld aan de firma of aan mij toebehoord en dan wordt het vrij gegeven. Heb gezegd dat het dan niks met crimineel geld uit te staan heeft. Dat klopt zei de ABN man. Bewijskan zijn een app naar mij , een eventuele rekening en meerdere mogelijkheden.het moet schriftelijk verstuurd worden naar het adres op de brief van de bank welke de advocaat heeft. Dus kort gezegd , aantonen dat het ontvangen geld daadwerkelijk op de juiste rekening is aangekomen. Wil de man van laisser ook wel ontmoeten Op 24 april 2020 vindt er een betaling plaats van € 1.500,00 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] .
Wat verder opvalt is dat de ABN AMRO-rekening op naam staat van [bedrijf] BV / [bedrijf] . [naam] heeft verklaard dat hij denkt dat [bedrijf] een nieuwe naam is voor een oude BV die hij heeft verkocht aan [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ). De rechtbank leidt daaruit af dat deze handelsnaam pas is toegevoegd, nadat [naam] de vennootschap heeft overgedragen aan [medeverdachte 2] en dat het dus [medeverdachte 2] moet zijn geweest die deze handelsnaam heeft doorgegeven aan de ABN AMRO-bank.
Gelet op de inhoud van de weergegeven chatgesprekken en de betaling aan [bedrijf] vanaf de ABN AMRO-rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] , stelt de rechtbank vast dat de chatgesprekken zien op de afboeking door de ABN AMRO-rekening van het bedrag van € 124.395,93, omdat sprake zou zijn van fraude. De rechtbank stelt op basis van deze gesprekken verder het volgende vast. [medeverdachte 2] moet voorafgaand aan de eerste betaling afkomstig van Duitse rekeningen op naam van particulieren op de hoogte zijn geweest van het bestaan van de ABN AMRO-rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] en had daar ook toegang toe. Ook wist [medeverdachte 2] dat de geldbedragen van mensen uit Duitsland binnenkwamen op die rekening.
3.3.5.5 Betrokkenheid van [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen Zoals volgt uit paragraaf 3.3.5.1 stond [bedrijf] BV gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.4.1 was [verdachte] huurder van een ruimte in het pand aan [adres] te [plaats] en was hij ook wel eens in dit pand.
Zoals in de voorgaande paragraaf vermeld heeft [naam] verklaard dat hij denkt dat [bedrijf] een nieuwe naam is voor een oude BV die hij heeft verkocht aan [medeverdachte 2] (“ [medeverdachte 2] ”). [naam] verklaart verder dat [roepnaam verdachte] de BV heeft gebruikt die hij aan [medeverdachte 2] heeft verkocht. Met [roepnaam verdachte] bedoelt hij [verdachte] . [verdachte] heeft [naam] verteld dat hij werkzaam was voor PMR (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] ).
Vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] hebben in de periode van 29 januari 2020 tot en met 12 februari 2020 vier overboekingen plaatsgevonden naar een bankrekening op naam van Zalando Payments GmbH. Uit gegevens ontvangen van Zalando bleek dat dit om vier aankopen ging op naam van [alias verdachte] , met als aflever- en factuuradres ‘ [roepnaam verdachte] [verdachte] , [adres] [woonplaats] ’, het woonadres van [verdachte] . Over deze betalingen heeft [verdachte] verklaard dat hij dan kon beschikken over de rekening. Wat hij bestelde ging van zijn provisie af.
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank, bezien in combinatie met de CIOT-gegevens, volgt verder dat de bankgegevens van [bedrijf] van 8 januari tot en met 31 maart 2020 964 maal zijn benaderd via een IP-adres dat staat geregistreerd op [adres] te [plaats] . [verdachte] heeft (schriftelijk) verklaard dat hij af en toe handelde in edelmetalen via [bedrijf] . Hij deed inkoop en verkoop (de rechtbank begrijpt: van edelmetalen) voor [bedrijf] . Daar kreeg hij een provisie voor. Hij handelde daarbij voor zichzelf en kwam voor die handel bij [bedrijf] .
Dat [verdachte] op de hoogte was van en toegang had tot de ABN ARMO-rekening op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] , en dat hij op de hoogte was van de bedragen die binnenkwamen op die bankrekening en de afboeking door de ABN AMRO-bank, omdat sprake zou zijn van fraude, leidt de rechtbank af uit de chatgesprekken tussen hem en [medeverdachte 2] , zoals die zijn weergegeven in de voorgaande paragraaf. Uit die chatgesprekken leidt de rechtbank ook af dat [verdachte] [medeverdachte 2] aanstuurde door hem te vertellen wat hij moest doen.
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien, gebruik maakte van [bedrijf] BV en de bankrekeningen op naam van deze vennootschap waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstromen zijn gelopen.
3.3.5.6 Vermoeden van criminele herkomst Zoals besproken in paragraaf 3.3.3.7 volgt uit het bericht van FINMA dat de overboekingen van de Duitse en Oostenrijkse bankrekeningen naar [bedrijf] BV vermoedelijk te maken hadden met oplichtingspraktijken. Verder is in die paragraaf ingegaan op de verklaring van [naam] , waaruit kan worden opgemaakt dat de bankrekening op naam van [bedrijf] onderdeel is van een geldstroom van [bedrijf] BV, via [bedrijf] en [bedrijf] naar [bedrijf] BV, een geldstroom die vermoedelijk te maken had met oplichtingspraktijken. Dat er (grote) geldbedragen heen en weer gaan tussen bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] en [bedrijf] volgt ook uit de in- en uitgaande geldstromen zoals besproken in de paragrafen 3.3.5.2 en 3.3.5.3. Dat er sprake was van een mogelijke criminele herkomst van de geldstroom via de ABN AMRO-bankrekening op naam van de vennootschap volgt ook uit de afboeking (blokkade) van die geldstroom door de ABN AMRO-bank en het feit dat slechts een klein deel van het geblokkeerde geld wordt vrijgegeven (zie paragraaf 3.3.5.2).
Verder valt op dat de goudbestellingen door [bedrijf] bij [bedrijf] BV en [bedrijf] BV afkomstig waren van meerdere vennootschappen die hiervoor al aan de orde zijn gekomen of hierna nog worden besproken en die door de politie in het dossier worden aangeduid als behorend tot het Dwerguil -cluster.
Uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat de omzet van [bedrijf] BV een opvallende stijging vertoont vanaf 2020. In de jaren 2016 tot en met 2019 bedroeg die omzet steeds tussen de € 61.500,00 en € 43.214,00, met een maximum van € 107.000,00 in 2017. In 2020 was de omzet € 10.348.810,00, terwijl de vennootschap op 30 augustus van dat jaar is ontbonden. Het jaar 2020 is ook het jaar dat de geldstromen plaatsvinden zoals besproken in de paragrafen 3.3.5.2 en 3.3.5.3.
Gelet hierop, en ook gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [medeverdachte 2] en [verdachte] bij [bedrijf] BV, [bedrijf] BV (alleen [verdachte] ), [bedrijf] BV en de hierna nog te bespreken ondernemingen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.5.2 en 3.3.5.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.6 [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) 3.3.6.1 De vennootschap De vennootschap [bedrijf] BV maakte onder andere gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . Vanaf 17 januari 2020 was [naam] enig aandeelhouder en vanaf 22 januari 2020 ook enig bestuurder van de vennootschap. Daarvoor was [naam] enig aandeelhouder en enig bestuurder van de vennootschap. De activiteiten van de vennootschap zijn op 30 september 2020 gestaakt.
Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank kan worden opgemaakt dat het account op naam van [bedrijf] op 2 januari 2020 is geopend.
3.3.6.2 Inkomende geldstroom Op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] komt in de periode van 4 februari 2020 tot en met 13 maart 2020 een geldbedrag van in totaal € 180.000,00 binnen afkomstig van negen Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Verder komt op deze bankrekening in de periode van 30 januari 2020 tot en met 19 maart 2020 in zeven transacties een geldbedrag van in totaal € 2.230,00 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5).
3.3.6.3 Uitgaande geldstroom en goudaankopen Op 21 februari 2020 vindt er vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] een betaling van € 37.070,00 plaats naar de bankrekening op naam van [bedrijf] BV. Verder wordt er in de periode van 21 februari 2020 tot en met 25 februari 2020 in vier transacties een geldbedrag van in totaal € 1.500,00 contant opgenomen vanaf de bankrekening. Tot slot wordt er in de periode van 5 februari 2020 tot en met 13 maart 2020 in veertien transacties een geldbedrag van in totaal € 140.450,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] ).
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de genoemde betaling van € 37.070,00 ziet op een goudbestelling op naam van [bedrijf] . Verder kan uit de gegevens van [bedrijf] BV worden opgemaakt dat [bedrijf] uit eigen naam in de periode van 6 augustus 2020 tot en met 12 oktober 2020 voor een totaalbedrag van € 1.287.994,43 goud heeft besteld bij [bedrijf] BV. Die bestellingen zijn betaald vanaf de rekeningen op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.9), [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.10), [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.11) en [medeverdachte 3] (zie paragraaf 3.3.11). Opvallend is dat de betalingen dus niet worden gedaan vanaf een rekening op naam van [bedrijf] BV zelf. Wat verder opvalt is dat een deel van deze bestellingen plaatsvindt nadat de activiteiten van [bedrijf] BV al zijn gestaakt. [naam] stond bij [bedrijf] BV geregistreerd als de contactpersoon van [bedrijf] . Zij heeft ook enkele keren goud opgehaald bij [bedrijf] BV.
3.3.6.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen Uit de gegevens ontvangen van de Bunq-bank, bezien in combinatie met de CIOT-gegevens, volgt verder dat de bankgegevens van [bedrijf] in de periode van 25 september 2019 tot en met 27 november 2019 98 maal zijn benaderd via een IP-adres dat staat geregistreerd op de [adres] te [woonplaats] , het woonadres van [verdachte] . Uit die gegevens blijkt verder dat in de periode van 8 juli 2019 tot 16 juli 2019 en tussen 23 juli 2019 en 5 februari 2020 in totaal 2143 maal (538 + 1605) is ingelogd vanaf twee verschillende IP-adressen die staan geregistreerd op [adres] te [plaats], het adres van het pand waarin [verdachte] een ruimte huurde en waar hij wel eens was (zie paragraaf 3.3.2.4.1).
Op 4 februari 2020 vindt er vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] een betaling plaats van € 439,63 naar Zalando. Uit de gegevens ontvangen van Zalando volgt dat deze betaling ziet op een aankoop gedaan op naam van [alias verdachte] met als afleveradres ‘ [roepnaam verdachte] [verdachte] , [adres] te [woonplaats] ’, het woonadres van [verdachte] . Daarbij is het e-mail adres [e-mailadres] gebruikt. Zoals hierna in paragraaf 3.3.7.5 zal blijken, is [verdachte] de gebruiker van dit e-mailadres.
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn whatsapp-chats aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias verdachte] (telefoonnummer + [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , zie de paragrafen 3.3.2.1.1 en 3.3.2.2.2). In die chats wordt op 16 juni 2020 onder andere het volgende gezegd: “ [medeverdachte 3] aan [verdachte] : Heb jij gegeven van de bv s voor mij? Dan maak ik facturen en debiteuren lijst en ga ik het regelen (…) [verdachte] aan [medeverdachte 3] : Je krijgt zo van mij de gegevens”
Vervolgens stuurt [alias verdachte] ( [verdachte] ) de KvK-uittreksels van onder andere de vennootschappen [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.5), [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.10), [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.7), [bedrijf] / [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.9) en [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.8).
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn verder whatsapp-gesprekken aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias verdachte] (telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , zie de paragrafen 3.3.2.1.1 en 3.3.2.2.3).
Op 8 oktober 2020 stuurt [verdachte] een foto aan [medeverdachte 3] met daarop een schermafdruk van vermoedelijk een site van de KvK. Op de schermafdruk zijn de gegevens te zien van [bedrijf] BV. Vervolgens vindt in de periode van 8 tot en met 12 oktober 2020 het volgende chatgesprek plaats tussen [alias verdachte] ( [verdachte] ) en [medeverdachte 3] :
8 oktober 2020 [verdachte] Directrice [naam] [verdachte] Per 1 oktober [medeverdachte 3] Ok 11 oktober 2020 [verdachte] Kun je morgen in [plaats] Komen [verdachte] Met de huurcontracten [medeverdachte 3] Ok [medeverdachte 3] Doe ik [verdachte] Oké 12 oktober 2020 [verdachte] Geen huurcontract maken [verdachte] Deze bv gaan we opheffen [medeverdachte 3] Ok Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien, gebruik maakte van en toegang had tot de vennootschap [bedrijf] BV en de bankrekening op naam van deze vennootschap waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen. [verdachte] heeft overigens ook verklaard dat het zou kunnen dat hij gebruik heeft gemaakt van de bankrekening op naam van [bedrijf] en dat er via die rekening betalingen zijn gedaan aan onder andere Zalando. Hij zou dat dan hebben gedaan op verzoek van [naam] (V01.06, p. 5).
3.3.6.5 Vermoeden van criminele herkomst Het bedrag van in totaal € 180.000,00 dat binnenkomt op de bankrekening op naam van [bedrijf] is afkomstig van negen Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarmee vertonen deze inkomende bedragen gelijkenis met de bedragen die, al dan niet direct, binnenkomen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude.
Uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat de omzet van [bedrijf] BV in 2020 € 15.352,00 bedraagt. Deze omzet is opvallend laag in vergelijking met het bedrag van € 180.000,00 dat binnenkomt op de bankrekening van de vennootschap.
In paragraaf 3.3.6.3 zijn bestellingen van goud bij en betalingen aan [bedrijf] BV door [bedrijf] BV (onder de handelsnaam [bedrijf] ) beschreven. Daarbij valt op dat de bestellingen op naam van [bedrijf] niet zijn betaald vanaf een rekening van [bedrijf] BV. Verder valt op dat de betaling vanaf de bankrekening van [bedrijf] BV aan [bedrijf] BV juist zien op een goudbestellingen van [bedrijf] .
Door de Bunq-bank is schriftelijke communicatie tussen de bank en [bedrijf] BV, gebruik makend van het e-mailadres [e-mailadres] , verstrekt. Die communicatie ziet op de periode van 6 januari 2020 tot en met 16 juli 2020. De communicatie is in het Engels. In het begin van de periode, bij het openen van de bankrekening, worden de berichten namens [bedrijf] BV ondertekend met de naam [naam] en worden ook bewijsstukken overgelegd van de verblijfplaats van [naam] , onder andere een bankafschrift van de ING en een energierapport. Op een gegeven moment wordt de communicatie overgenomen door een persoon die zich [naam] noemt, en later [naam] . [naam] heeft verklaard dat hij de communicatie niet van hem is. Hij heeft niet in het Engels gecorrespondeerd met de bank. Hij herkent wel het e-mailadres dat is gebruikt bij de correspondentie ( [e-mailadres] ) als het e-mailadres van [naam] . Zij heeft hem dat e-mailadres gegeven. Hij denkt dat er stiekem een foto is gemaakt van zijn bankafschrift. Ook het energierapport heeft hij niet naar de bank verzonden.
Gelet hierop en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.6.2 en 3.3.6.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.7 [bedrijf] BV 3.3.7.1 De vennootschap De vennootschap [bedrijf] BV maakte tevens gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . [medeverdachte 1] was vanaf 7 januari 2020 de enige bestuurder van [bedrijf] BV. [naam] was de enig aandeelhouder. De vennootschap was gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . De vennootschap is opgeheven per 31 maart 2021.
3.3.7.2 Inkomende geldstroom In de periode van 23 maart 2020 tot en met 16 april 2020 komt er op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV in negentien transacties een geldbedrag van in totaal € 125.803,00 binnen afkomstig van Duitse bankrekeningen op naam van particulieren.
Daarnaast komt er in de periode van 21 november 2020 tot en met 3 december 2020 in vijf transacties een bedrag binnen van in totaal € 49.748,50 vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.12). In de periode van 7 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 komt in vijf transacties een bedrag van € 11.900,02 binnen vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] .
3.3.7.3 Uitgaande geldstroom en goudaankopen Vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV vinden onder andere de volgende uitgaande geldstromen plaats: op 23 maart 2020 een bedrag van € 3.257,97 naar de bankrekening op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV); in de periode van 30 juli 2020 tot en met 5 december 2020 wordt in 27 transacties een bedrag van in totaal € 22.634,32 contant opgenomen vanaf de bankrekening; in de periode van 12 maart 2020 tot en met 3 juli 2020 in 57 transacties een bedrag van € 159.314,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] ; in de periode van 27 januari 2020 tot en met 25 februari 2020 in vier transacties een bedrag van € 10.909,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.4); op 25 maart 2020 een bedrag van € 10.050,00 naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV / [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.5).
Uit de stukken ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de overboeking op 23 maart 2020 van € 3.257,97 naar de rekening op naam van [bedrijf] zag op een goudbestelling op naam van [bedrijf] .
3.3.7.4 Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij de geldstromen Zoals uit paragraaf 3.3.7.1 volgt was [medeverdachte 1] de enige bestuurder van de vennootschap op het moment dat de hiervoor genoemde in- en uitgaande geldstromen van en naar de bankrekening op naam van de vennootschap en de genoemde goudaankoop plaatsvonden. [medeverdachte 1] moet ook, voorafgaand aan de inkomende geldstromen vanaf de Duitse bankrekeningen op naam van particulieren, op de hoogte zijn geweest van het bestaan van de ING-rekening op naam van [bedrijf] BV. Vanaf die bankrekening worden namelijk vanaf 12 maart 2020 overboekingen gedaan naar de ING-rekening op naam van [medeverdachte 1] (zie paragraaf 3.3.7.3). Dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van die ING-rekening op zijn naam volgt uit paragraaf 3.3.16.3.
3.3.7.5 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen Uit de gegevens verstrekt door de Bunq-bank blijkt dat het telefoonnummer + [telefoonnummer] zowel gekoppeld is aan de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] als aan het account van [bedrijf] (de rechtbank begrijpt: [bedrijf] BV).
Zoals volgt uit paragraaf 3.3.6.4 heeft [verdachte] op 16 juni 2020 een KvK-uittreksel van onder andere [bedrijf] BV naar [medeverdachte 3] gestuurd. Op 30 oktober 2020 stuurt [alias verdachte] ( [verdachte] ) via whatsapp een foto van het rijbewijs op naam van [medeverdachte 1] en de identiteitskaart op naam van [naam] naar [medeverdachte 3] . Direct daarna vindt de volgende chatcommunicatie plaats tussen [alias verdachte] ( [verdachte] ) en [medeverdachte 3] : [verdachte] aan [medeverdachte 3] [bedrijf] BV [verdachte] aan [medeverdachte 3] [adres] [plaats] [medeverdachte 3] aan [verdachte] Alleen bankpas nog dan als het kan [verdachte] aan [medeverdachte 3] Ben ik aan het zoeken [verdachte] aan [medeverdachte 3] Verstuurd (…) [medeverdachte 3] aan [verdachte] Wat is je e-mailadres? (…) [verdachte] aan [medeverdachte 3] [e-mailadres] Op 31 oktober 2020 stuurt [alias verdachte] ( [verdachte] ) via whatsapp een foto van de bankpas op naam van [bedrijf] BV / [naam] en het bankrekeningnummer [rekeningnummer] naar [medeverdachte 3] .
In de periode van 29 maart 2020 vinden er zes betalingen plaats vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV aan Lebara. Daarbij is als contactgegeven vermeld [e-mailadres] (de rechtbank: het e-mailadres dat [verdachte] via whatsapp heeft doorgegeven aan [medeverdachte 3] als zijnde zijn e-mailadres). De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat [verdachte] de gebruiker is van het e-mailadres [e-mailadres] .
In de periode van 23 tot en met 27 november 2020 worden vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV zes pinbetalingen in Turkije verricht, waaronder betalingen aan naar de bankrekening op naam van Titanic Hotel Antalya en Titanic OT Yeni Mag Antalya. [verdachte] is op 22 november 2020 naar Turkije gevlogen en op 28 november 2020 vanuit Turkije naar Amsterdam.
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien, toegang had tot en gebruik maakte van [bedrijf] BV en de bankrekening op naam van deze vennootschap waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen. [verdachte] heeft overigens ook verklaard dat het zou kunnen dat hij gebruik heeft gemaakt van de bankrekening op naam van [bedrijf] BV. Hij had € 10.000,00 ontvangen voor bemiddeling. Dat geld heeft hij via de zakelijke rekening van [bedrijf] BV aangewend voor het doen van privé-uitgaven en hij denkt dat hij er een vakantie mee heeft betaald (Schriftelijke verklaring [verdachte] , p. 3). Hij denkt dat hij ook een pasje had (V01.05, p. 9).
3.3.7.6 Vermoeden van criminele herkomst Het bedrag van in totaal € 125.803,00 dat binnenkomt op de bankrekening op naam van [bedrijf] BV is afkomstig van negentien Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarmee vertonen deze inkomende bedragen gelijkenis met de bedragen die, al dan niet direct, binnenkomen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij enkel op papier eigenaar was van [bedrijf] BV. Hij kreeg daar een aantal honderden euro’s voor. Hij heeft nooit vragen gesteld. Hij gebruikte in die periode veel drugs.
Verder valt op dat, zoals volgt uit paragraaf 3.3.7.5, het rijbewijs van [medeverdachte 1] , het legitimatiebewijs van [naam] en de betaalpas op naam van [bedrijf] BV / [naam] via whatsapp door [verdachte] zijn verstuurd aan [medeverdachte 3] .
Ook valt op dat de betaling aan [bedrijf] BV niet ziet op een goudaankoop door [bedrijf] BV zelf, maar op een goudaankoop door [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.7.3).
Tot slot is het opvallend dat, zoals hierna zal volgen uit paragraaf 3.3.16.2, het bedrag van in totaal € 159.314,00 dat vanaf de rekening op naam van [bedrijf] BV wordt overgeboekt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] , vervolgens contant wordt opgenomen.
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.7.2 en 3.3.7.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.8 [bedrijf] BV 3.3.8.1 De vennootschap De vennootschap [bedrijf] BV maakt tevens gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . [naam] is vanaf het moment van oprichting de enig aandeelhouder van de vennootschap. [naam] is sinds 15 april 2020 de enige bestuurder. De vennootschap is gevestigd op het adres [adres] te [plaats] . [naam] is de ex-partner van [medeverdachte 1] .
Uit de gegevens van de Bunq-bank kan worden afgeleid dat de bankrekening [rekeningnummer] en de bankrekening [rekeningnummer] , beide op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] , op 8 april 2020 zijn geopend.
3.3.8.2 Inkomende geldstromen Op de bankrekening [rekeningnummer] komt in de periode van 28 mei 2020 tot en met 21 oktober 2020 een bedrag van in totaal € 540.123,01 binnen afkomstig van 48 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Op 9 juli 2020 komt een bedrag van € 5.650,00 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] . Ook komt er een bedrag van € 700,00 binnen vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV.
Op de bankrekening [rekeningnummer] komt in de periode van 13 juli 2020 tot en met 17 juli 2020 in drie transacties een bedrag van in totaal € 2.400,00 binnen afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] .
3.3.8.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen In de periode van 29 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] in 21 transacties een bedrag van in totaal € 476.855,30 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV). Verder wordt in de periode van 29 mei 2020 tot en met 14 juli 2020 in 22 transacties een bedrag van in totaal € 7.500,00 contant opgenomen vanaf de bankrekening. Ook wordt in zeven transacties een geldbedrag van € 4.900,00 overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] en met als omschrijving ‘Vloeten’.
In de periode van 13 juli 2020 tot en met 17 juli 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] in drie transacties een bedrag van in totaal € 1.150,00 contant opgenomen.
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV volgt dat de betalingen aan dat bedrijf zagen op goudbestellingen op naam van [bedrijf] .
3.3.8.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen en goudaankopen Zoals volgt uit paragraaf 3.3.6.4 heeft [verdachte] op 16 juni 2020 een KvK-uittreksel van onder andere [bedrijf] BV naar [medeverdachte 3] gestuurd. [bedrijf] BV stond geregistreerd als gevestigd aan [adres] te [plaats] . Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.4.2 maakte [verdachte] , minst genomen als postadres, gebruik van deze locatie en had hij volgens [naam] vennootschappen gevestigd op het adres.
Op 22 oktober 2020 vindt de volgende chatconversatie plaats tussen [naam] en de gebruiker van het nummer + [telefoonnummer] (in gebruik bij [verdachte] , zie paragraaf 3.3.2.2.2): [verdachte] aan [naam] Ben morgen op kantoor eventjes [verdachte] aan [naam] Zou je voor mij alle post mee kunnen nemen [naam] aan [verdachte] Gisteren geweest, er is geen post… alleen van [bedrijf] en die heb ik retour afzender gestuurd… waren oa rekeningen van bol.com… wat er was ligt al op kantoor… [naam] aan [verdachte] Hoe laat ben je er… kijk ik of ik er ook kan zijn [verdachte] aan [naam] Ik verwacht die code voor m&r [verdachte] aan [naam] Kan ik snel ff die Corona aanvragen [naam] aan [verdachte] Snap het.. misschien ligt dat al op kantoor.. [naam] aan [verdachte] Ik hou het in de gaten [naam] heeft over deze chatconversatie verklaard dat het gaat over [adres] en dat hij vermoedt dat [verdachte] Corona-steun wilde aanvragen op naam van [bedrijf] .
Op 20 november 2020 vindt er een chatconversatie plaats tussen [naam] en [roepnaam verdachte] ( [verdachte] ), dit keer gebruik makend van telefoonnummer + [telefoonnummer] (zie paragraaf 3.3.2.2.3). [naam] stuurt een foto van twee enveloppen door aan [verdachte] , gericht aan [bedrijf] BV.
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn whatsapp-chats aangetroffen tussen ‘ [medeverdachte 3] ’ ( [medeverdachte 3] ) en [alias verdachte] (telefoonnummer + [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , zie de paragrafen 3.3.2.1.1 en 3.3.2.2.2). Op 13 juni 2020 stuurt [medeverdachte 3] verschillende betaalverzoeken aan [alias verdachte] ( [verdachte] ). Die betaalverzoeken komen overeen met de transacties van de rekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] . Vanaf deze rekening zijn op 13 juni 2020 zeven overboekingen verricht naar de rekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] .
In de periode van 15 juni 2020 tot en met 15 juli 2020 vinden er vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] elf betalingen plaats naar een bankrekening op naam van Lebara. Uit de gegevens van Lebara kan worden opgemaakt dat als contactgegeven het e-mailadres [e-mailadres] is opgegeven. [verdachte] maakte gebruik van dit e-mailadres (zie paragraaf 3.3.7.5).
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien toegang had tot en gebruik maakte van [bedrijf] BV en de bankrekeningen op naam van deze vennootschap waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen.
3.3.8.5 Vermoeden van criminele herkomst Het bedrag van in totaal € 540.123,01 dat binnenkomt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV & [bedrijf] is afkomstig van 48 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren. Daarmee vertonen deze inkomende bedragen gelijkenis met de bedragen die, al dan niet direct, binnenkomen op de bankrekeningen van [bedrijf] BV, [bedrijf] BV en [bedrijf] BV en die in verband worden gebracht met fraude.
Ook valt op dat de betalingen aan [bedrijf] BV niet zien op goudaankopen door [bedrijf] BV zelf, maar op goudaankopen door [bedrijf] (zie paragraaf 3.3.8.3). [naam] heeft verklaard dat hij aandeelhouder is van [bedrijf] . Hij heeft daar gedoe mee gehad. Hij denkt dat zijn boekhouder, ene [naam] , hem heeft opgelicht. Hij heeft [naam] zijn bedrijfsgegevens moeten aanleveren en ook een kopie van zijn identiteitskaart. [naam] had ook de bankpasjes van de rekeningen bij de ING-bank en ABN AMRO-bank in zijn bezit. [naam] denkt dat hij bij de overdracht van het bedrijf een rekening bij de Bunq-bank heeft aangevraagd. Met het bedrijf [bedrijf] BV / [bedrijf] kan niets gedaan zijn. In 2016 is het btw-nummer ingetrokken en er zitten geen zakelijke rekeningen aan (rechtbank begrijpt: aan de vennootschap).
Gelet hierop, en gezien de overige overeenkomsten tussen de in- en uitgaande geldstromen en de betrokkenheid van [verdachte] bij de hiervoor besproken en hierna nog te bespreken ondernemingen, bankrekeningen en geldstromen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat zowel de inkomende geldstromen als de uitgaande geldstromen, als besproken onder respectievelijk de paragrafen 3.3.8.2 en 3.3.8.3, afkomstig zijn uit enig misdrijf.
3.3.9 [bedrijf] / [bedrijf] 3.3.9.1 De onderneming [bedrijf] was een eenmanszaak. De eenmanszaak maakte tevens gebruik van de handelsnaam [bedrijf] . Zaakvoerder was [naam] . De eenmanszaak is gestart op 1 februari 2020 en opgeheven op 7 oktober 2020 en heeft dus ruim een half jaar bestaan.
Uit de gegevens van de Bunq-bank kan worden afgeleid dat het account op naam van [bedrijf] op 29 april 2020 is geopend.
3.3.9.2 Inkomende geldstromen In de periode van 17 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 komt op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] / [bedrijf] een bedrag van in totaal € 427.236,10 binnen afkomstig van 42 Duitse bankrekeningen op naam van particulieren en ondernemingen. Daarnaast komen op de bankrekening de volgende geldbedragen binnen: in de periode van 23 juli 2020 tot en met 19 augustus 2020 in zes transacties een bedrag van € 78.150,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] BV (zie paragraaf 3.3.10); op 10 augustus 2020 een bedrag van € 5.000,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] ; in de periode van 15 september 2020 tot en met 30 september 2020 in vier transacties een bedrag van € 1.290,00 afkomstig van de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] .
3.3.9.3 Uitgaande geldstromen en goudaankopen In de periode van 23 juli 2020 tot en met 25 augustus 2020 wordt vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] / [bedrijf] in zeventien transacties in totaal € 397.989,74 overgemaakt naar de bankrekening op naam van [bedrijf] ( [bedrijf] BV). Daarnaast wordt in de periode van 31 juli 2020 tot en met 23 september 2020 in 38 transacties in totaal € 10.180,00 contant opgenomen vanaf de bankrekening.
Uit de gegevens ontvangen van [bedrijf] BV kan worden opgemaakt dat de betaling aan deze vennootschap ziet op goudbestellingen van [bedrijf] en [bedrijf] .
3.3.9.4 Betrokkenheid [verdachte] bij de geldstromen Zoals volgt uit paragraaf 3.3.6.4 heeft [verdachte] op 16 juni 2020 een KvK-uittreksel van onder andere de onderneming [bedrijf] / [bedrijf] naar [medeverdachte 3] gestuurd.
In de periode van 20 juli 2020 tot en met 6 september 2020 zijn vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] / [bedrijf] vijftien betalingen gedaan naar de bankrekening op naam van Lebara. Uit de gegevens ontvangen van Lebara blijkt dat als contactgegeven het e-mailadres [e-mailadres] is opgegeven. [verdachte] maakte gebruik van dit e-mailadres (zie paragraaf 3.3.7.5).
In de periode van 21 juli 2020 tot en met 17 augustus 2020 zijn vanaf de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [bedrijf] / [bedrijf] vier betalingen gedaan naar een bankrekening op naam van Zalando Payments GmbH. Uit gegevens ontvangen van Zalando kan worden opgemaakt dat twee van deze betalingen aankopen betreffen die zijn gedaan door het account ‘ [roepnaam verdachte] ’ die zijn afgeleverd op het adres [adres] te [plaats] . Zoals volgt uit paragraaf 3.3.2.2.2 noemt [naam] [verdachte] [roepnaam verdachte] . Ook volgt uit die paragraaf dat [verdachte] deze naam ook zelf gebruikt (“Nieuw nr. [roepnaam verdachte] ”). Dat volgt ook uit paragraaf 3.3.2.2.1. Uit paragraaf 3.3.2.4.1 volgt dat [verdachte] een ruimte huurde in het pand aan [adres] te [plaats] en dat hij daar ook wel eens was.
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat hierna volgt in paragraaf 3.3.17, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] in de periode waarop de ten laste gelegde geldstromen zien toegang had tot en gebruik maakte van [bedrijf] / [bedrijf] en de bankrekening op naam van deze onderneming waarover de in de tenlastelegging genoemde geldstroom is gelopen.
3.3.9.5 Vermoeden van criminele herkomst