Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Omgevingsplan gemeente Medemblik (Medemblik)

Waar gaat deze regeling over?

Dit omgevingsplan van de gemeente Medemblik regelt het gebruik van de fysieke leefomgeving, met specifieke aandacht voor het behoud van stolpboerderijen en de ontwikkeling van het woongebied Wilgenrak. Het stelt regels vast voor sloopactiviteiten van stolpboerderijen en voor diverse activiteiten binnen het Wilgenrak-gebied, zoals wonen, groen, verkeer en water.

Voor wie: Eigenaren en gebruikers van stolpboerderijen in Medemblik; Inwoners en ontwikkelaars in het gebied Wilgenrak.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Vervoersrecht
Artikelen
358
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • Het behoud en herstel van de hoofdvorm van stolpboerderijen.
  • Sloopactiviteiten van stolpboerderijen, inclusief vergunningsplichten en uitzonderingen.
  • De ontwikkeling van het woongebied Wilgenrak, inclusief functies en activiteiten.
  • Gebruiksactiviteiten in specifieke zones binnen Wilgenrak, zoals groen, verkeer en water.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Eigenaren en gebruikers van stolpboerderijen in Medemblik.
  • Inwoners en ontwikkelaars in het gebied Wilgenrak.

Wat zijn de kernpunten?

  • Het is verboden een stolpboerderij geheel of gedeeltelijk te slopen zonder omgevingsvergunning.
  • Een omgevingsvergunning voor sloop van een stolpboerderij wordt alleen verleend als een onafhankelijk bouwkundig rapport aantoont dat herstel redelijkerwijs niet mogelijk is.
  • Binnen het gebied 'Woningbouw Wilgenrak' zijn bepaalde activiteiten verboden, zoals de opslag van schroot en het storten van puin.
  • Bij bouw- en gebruiksactiviteiten in Wilgenrak moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, conform de Nota parkeernormen Gemeente Medemblik 2021 of diens opvolger.

Vervoersrecht

1

Vervoersrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (358)
  1. Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  2. Artikel 4.1 Aanwijzing stolpboerderijen
  3. Artikel 4.2 Voorrangsbepaling
  4. Artikel 8.1 Toepassingsbereik
  5. Artikel 8.2 Oogmerken
  6. Artikel 8.3 Omgevingsvergunning slopen stolpboerderij
  7. Artikel 8.4 Uitzondering vergunningsplicht
  8. Artikel 8.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  9. Artikel 8.6 Aanvullende beoordelingsregels omgevingsvergunning
  10. Artikel 21.1 Toepassingsbereik
  11. Artikel 21.2 Oogmerken
  12. Artikel 21.3 Voorrangsregels
  13. Artikel 21.4 Algemeen verbod
  14. Artikel 21.5 Anti-dubbeltelregel
  15. Artikel 21.6 Parkeren
  16. Artikel 21.7 Toepassingsbereik
  17. Artikel 21.8 Oogmerken
  18. Artikel 21.9 Voorrangsbepaling
  19. Artikel 21.10 Verboden activiteiten
  20. Artikel 21.11 Toepassingsbereik activiteiten in Groen
  21. Artikel 21.12 Oogmerken groenactiviteiten
  22. Artikel 21.13 Algemene regels groen
  23. Artikel 21.14 Toepassingsbereik verkeersactiviteiten
  24. Artikel 21.15 Oogmerken verkeersactiviteiten
  25. Artikel 21.16 Algemene regels verkeer
  26. Artikel 21.17 Toepassingsbereik wateractiviteiten in water
  27. Artikel 21.18 Oogmerken wateractiviteiten
  28. Artikel 21.19 Algemene regels water
  29. Artikel 21.20 Verboden activiteiten water
  30. Artikel 21.21 Toepassingsbereik woonactiviteiten
  31. Artikel 21.22 Oogmerken woonactiviteiten
  32. Artikel 21.23 Algemene regels wonen
  33. Artikel 21.24 Vergunningplicht logiesverstrekking
  34. Artikel 21.25 Aanvraagvereisten logiesverstrekking
  35. Artikel 21.26 Beoordelingsregels logiesverstrekking
  36. Artikel 21.27 Verboden activiteiten wonen
  37. Artikel 21.28 Algemene regels kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten
  38. Artikel 21.29 Toepassingsbereik
  39. Artikel 21.30 Oogmerken
  40. Artikel 21.31 Verboden activiteiten gewasbeschermingsmiddelen
  41. Artikel 21.32 Toepassingsbereik
  42. Artikel 21.33 Oogmerken bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten
  43. Artikel 21.34 Meetbepalingen
  44. Artikel 21.35 Aanvullende vergunningplicht algemene afwijkingen
  45. Artikel 21.36 Beoordelingsregels aanvullende vergunningplicht algemene afwijkingen
  46. Artikel 21.37 Toepassingsbereik hoofdgebouw bouwen
  47. Artikel 21.38 Beoordelingsregels hoofdgebouw bouwen
  48. Artikel 21.39 Toepassingsbereik bijbehorende bouwwerken
  49. Artikel 21.40 Aanvulling artikel 22.27 en 22.36
  50. Artikel 21.41 Beoordelingsregels overige bouwwerken bouwen
  51. Artikel 21.42 Aanvullende beoordelingsregels overige bouwwerken doorvaarthoogte
  52. Artikel 21.43 Toepassingsbereik overige bouwwerken
  53. Artikel 21.44 Beoordelingsregels andere bouwwerken wonen
  54. Artikel 21.45 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken wonen
  55. Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  56. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelij
  57. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
  58. Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  59. Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
  60. Artikel 22.6
  61. Artikel 22.7 Repressief welstand
  62. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  63. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  64. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  65. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
  66. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  67. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  68. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  69. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  70. Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  71. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  72. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  73. Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  74. Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  75. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  76. Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  77. Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  78. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  79. Artikel 22.25 Mantelzorg
  80. Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  81. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onver
  82. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  83. Artikel 22.29
  84. Artikel 22.30
  85. Artikel 22.31
  86. Artikel 22.32
  87. Artikel 22.33
  88. Artikel 22.34
  89. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  90. Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenste
  91. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  92. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
  93. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
  94. Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
  95. Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  96. Artikel 22.42 Oogmerken
  97. Artikel 22.43 Normadressaat
  98. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  99. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  100. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
  101. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  102. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en
  103. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  104. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  105. Artikel 22.51 Toepassingsbereik
  106. Artikel 22.52 Energie: maatregelen, overgangsrecht maatregelen en informatieplicht
  107. Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil
  108. Artikel 22.54 Toepassingsbereik
  109. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  110. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
  111. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
  112. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
  113. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
  114. Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  115. Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden
  116. Artikel 22.62 Toepassingsbereik
  117. Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
  118. Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
  119. Artikel 22.65
  120. Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binn
  121. Artikel 22.67
  122. Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
  123. Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
  124. Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
  125. Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd indus
  126. Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
  127. Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
  128. Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  129. Artikel 22.75 Toepassingsbereik
  130. Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
  131. Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
  132. Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  133. Artikel 22.79 Toepassingsbereik
  134. Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
  135. Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
  136. Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  137. Artikel 22.83 Toepassingsbereik
  138. Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  139. Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
  140. Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding
  141. Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding
  142. Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
  143. Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen
  144. Artikel 22.90 Toepassingsbereik
  145. Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  146. Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
  147. Artikel 22.93 Geur: functionele binding
  148. Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
  149. Artikel 22.95 Geur: cumulatie
  150. Artikel 22.96 Toepassingsbereik
  151. Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
  152. Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
  153. Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking b
  154. Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere
  155. Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s
  156. Artikel 22.102
  157. Artikel 22.103
  158. Artikel 22.104
  159. Artikel 22.105
  160. Artikel 22.106
  161. Artikel 22.107
  162. Artikel 22.108
  163. Artikel 22.109
  164. Artikel 22.110
  165. Artikel 22.111
  166. Artikel 22.112
  167. Artikel 22.113 Subparagraaf
  168. Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
  169. Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorspron
  170. Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
  171. Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
  172. Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of n
  173. Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
  174. Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
  175. Artikel 22.121 Toepassingsbereik
  176. Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
  177. Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige
  178. Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
  179. Artikel 22.125 Toepassingsbereik
  180. Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  181. Artikel 22.127 Toepassingsbereik
  182. Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  183. Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  184. Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
  185. Artikel 22.131 Toepassingsbereik
  186. Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
  187. Artikel 22.133
  188. Artikel 22.134
  189. Artikel 22.135
  190. Artikel 22.136
  191. Artikel 22.137 Toepassingsbereik
  192. Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
  193. Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
  194. Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
  195. Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
  196. Artikel 22.142 Toepassingsbereik
  197. Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
  198. Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
  199. Artikel 22.145 Toepassingsbereik
  200. Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
  201. Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
  202. Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  203. Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  204. Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
  205. Artikel 22.151 Toepassingsbereik
  206. Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
  207. Artikel 22.153 Koelwater
  208. Artikel 22.154 Toepassingsbereik
  209. Artikel 22.155 Periodiek reinigen
  210. Artikel 22.156 Toepassingsbereik
  211. Artikel 22.157 Inerte goederen
  212. Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
  213. Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
  214. Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
  215. Artikel 22.161
  216. Artikel 22.162 Toepassingsbereik
  217. Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelse
  218. Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
  219. Artikel 22.165 Toepassingsbereik
  220. Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
  221. Artikel 22.167 Toepassingsbereik
  222. Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
  223. Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
  224. Artikel 22.170 Toepassingsbereik
  225. Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
  226. Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
  227. Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  228. Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
  229. Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
  230. Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
  231. Artikel 22.177 Toepassingsbereik
  232. Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
  233. Artikel 22.179 Water
  234. Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
  235. Artikel 22.181 Toepassingsbereik
  236. Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
  237. Artikel 22.183 Water
  238. Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
  239. Artikel 22.185 Toepassingsbereik
  240. Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
  241. Artikel 22.187 Water: lozingsroute
  242. Artikel 22.188 Toepassingsbereik
  243. Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
  244. Artikel 22.190 Water
  245. Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
  246. Artikel 22.192 Toepassingsbereik
  247. Artikel 22.193 Bodem
  248. Artikel 22.194 Water
  249. Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
  250. Artikel 22.196 Toepassingsbereik
  251. Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
  252. Artikel 22.198 Water
  253. Artikel 22.199 Geur
  254. Artikel 22.200 Toepassingsbereik
  255. Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
  256. Artikel 22.202 Toepassingsbereik
  257. Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
  258. Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
  259. Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
  260. Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening
  261. Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  262. Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem
  263. Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  264. Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  265. Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  266. Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
  267. Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
  268. Artikel 22.214 Toepassingsbereik
  269. Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  270. Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
  271. Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding
  272. Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding
  273. Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie
  274. Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
  275. Artikel 22.221 Toepassingsbereik
  276. Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening
  277. Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  278. Artikel 22.224 Toepassingsbereik
  279. Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
  280. Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
  281. Artikel 22.227 Toepassingsbereik
  282. Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
  283. Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid
  284. Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
  285. Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  286. Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
  287. Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  288. Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  289. Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  290. Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
  291. Artikel 22.237 Toepassingsbereik
  292. Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
  293. Artikel 22.239 Licht
  294. Artikel 22.240 Toepassingsbereik
  295. Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
  296. Artikel 22.242 Bodem: opslag
  297. Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  298. Artikel 22.244 Water: lozingsroute
  299. Artikel 22.245 Geur
  300. Artikel 22.246 Toepassingsbereik
  301. Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
  302. Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
  303. Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  304. Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  305. Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  306. Artikel 22.252 Toepassingsbereik
  307. Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
  308. Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
  309. Artikel 22.255 Bodem: logboek
  310. Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  311. Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
  312. Artikel 22.258 Toepassingsbereik
  313. Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
  314. Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
  315. Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
  316. Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  317. Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  318. Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
  319. Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens
  320. Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
  321. Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
  322. Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
  323. Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
  324. Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
  325. Artikel 22.271 Toepassingsbereik
  326. Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
  327. Artikel 22.273 Aandachtsgebied
  328. Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  329. Artikel 22.275
  330. Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
  331. Artikel 22.277 Toepassingsbereik
  332. Artikel 22.278
  333. Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen
  334. Artikel 22.280
  335. Artikel 22.281
  336. Artikel 22.282
  337. Artikel 22.283 Toepassingsbereik
  338. Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk,
  339. Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
  340. Artikel 22.286
  341. Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
  342. Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om e
  343. Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
  344. Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zov
  345. Artikel 22.291
  346. Artikel 22.292
  347. Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik o
  348. Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.
  349. Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
  350. Artikel 22.296
  351. Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
  352. Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
  353. Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
  354. Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
  355. Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
  356. Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd
  357. Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
  358. Artikel 23.1 (citeertitel)

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696314 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0420/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-03-27 2026-03-27 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696314/nld@2026-04-24 /join/id/proces/gm0420/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0420/2024/procedure2fb715d56ec74664a76658238d221c86 /join/id/proces/gm0420/2025/procedurec2182eeabbc341e7857827830bd7b274 /join/id/proces/gm0420/2025/procedurecb29de7f2a4c4765b8c5e7b96d9518ef 2026-04-24 2026-04-24 /akn/nl/act/gm0420/2020/omgevingsplan/nld@2026-03-26;10220499 /akn/nl/act/gm0420/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0420/2020/omgevingsplan/nld@2026-03-26;10220499 /join/id/stop/work_019 4 Omgevingsplan gemeente Medemblik

Hoofdstuk 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1Begripsbepalingen

1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan.

2.

Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

Afdeling 4.1

Cultureel erfgoed

Paragraaf 4.1.1

Stolpen

Artikel 4.1Aanwijzing stolpboerderijen

De locatie 'beschermde stolpboerderijen' is aangewezen voor het behoud en het herstel van de bestaande hoofdvorm van een stolpboerderij.

Artikel 4.2Voorrangsbepaling

1.

De regels voor 'beschermde stolpboerderijen' gelden: a. in afwijking van het bepaalde in de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet waar een sloopactiviteit van toepassing is; b. in aanvulling op het bepaalde in de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet waar geen sloopactiviteit van toepassing is.

2.

De regels bedoeld in het eerste lid, aanhef, vervangen uitsluitend de regels voor sloopactiviteiten die zijn opgenomen in de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.

3.

De regels in hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing op de locaties 'beschermde stolpboerderijen' zover deze in strijd zijn met de regels die gelden voor deze locatie.

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 7

Hoofdstuk 8

SLOOPACTIVITEITEN

Afdeling 8.1

Cultureel erfgoed

Paragraaf 8.1.1

Stolpboerderijen

Artikel 8.1Toepassingsbereik

Deze paragaaf gaat over het slopen van stolpboerderijen binnen de locatie beschermde stolpboerderijen.

Artikel 8.2Oogmerken

De regels in deze paragaaf zijn gesteld met het oog op het behouden van stolpboerderijen.

Artikel 8.3Omgevingsvergunning slopen stolpboerderij

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een stolpboerderij geheel of gedeeltelijk te slopen.

Artikel 8.4Uitzondering vergunningsplicht

De vergunningsplicht zoals opgenomen in artikel 8.3 is niet van toepassing voor zover het de sloop betreft a. ten behoeve van gewoon onderhoud en herstel, of; b. van inpandige delen van een stolpboerderij die niet medebepalend zijn voor het uiterlijk van de stolpboerderij, of; c. ten behoeve van het uitvoeren van destructief onderzoek dat nodig is voor de instandhouding van een stolpboerderij, of; d. die noodzakelijk is ter voorkoming van instortingsgevaar, waarbij de veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing acuut dreigt en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen.

Artikel 8.5Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning voor het slopen zoals bedoeld in artikel 8.3, wordt alleen verleend als: a.

De initiatiefnemer aantoont met een onafhankelijk bouwkundig rapport, dat de bouwkundige staat van de stolpboerderij dusdanig slecht is dat herstel in redelijkheid niet mogelijk is, zulks ter beoordeling van de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en de archeologische dienst Archeologie West-Friesland. Het bouwkundig rapport is opgesteld door een deskundige met aantoonbare ervaring in het beoordelen van stolpboerderijen en is ten hoogste zes maanden oud op het moment van indiening. De inhoud van dit rapport moet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in "Beleidsnotitie regels ter voorkoming van sloop voor sloop van stolpboerderijen" of diens opvolger; b.

Het slopen van delen van een stolpboerderij uitsluitend plaatsvindt indien:

1.uit een onafhankelijk bouwhistorisch(e) verkenning/onderzoek blijkt dat het te slopen deel op zichzelf niet als cultuurhistorisch waardevol is aan te merken, zulks ter beoordeling van de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en de archeologische dienst Archeologie West-Friesland ; en 2. sloop daarvan geen onevenredige aantasting veroorzaakt van de waardevolle hoofdvorm van de stolp, zulks ter beoordeling van de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit;

Artikel 8.6Aanvullende beoordelingsregels omgevingsvergunning

Bij de beoordeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.3, wordt tevens in ogenschouw genomen: a. de cultuurhistorische waarde van het te slopen geheel of onderdeel; b. de mate waarin sloop leidt tot aantasting van de hoofdvorm , de erfstructuur en de visuele samenhang van het ensemble van gebouwen op het erf; c. de redelijkheid van herstel, gelet op bouwkundige staat;

Hoofdstuk 9

Hoofdstuk 10

Hoofdstuk 11

Hoofdstuk 12

Hoofdstuk 13

Hoofdstuk 14

Hoofdstuk 15

Hoofdstuk 16

Hoofdstuk 17

Hoofdstuk 18

Hoofdstuk 19

Hoofdstuk 20

Hoofdstuk 21

Gebiedsontwikkelingen

Afdeling 21.1

Wilgenrak

Paragraaf 21.1.1

Algemene regels

Artikel 21.1Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op de gronden binnen het werkingsgebied Woningbouw Wilgenrak.

Artikel 21.2Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties passend bij een woongebied; b. het mogelijk maken van de woningbouwontwikkeling Wilgenrak;

Artikel 21.3Voorrangsregels

1.

De regels in hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

Artikel 21.4Algemeen verbod

1.

Het is verboden locaties waar op grond van dit omgevingsplan bepaalde activiteiten zijn toegestaan, te gebruiken in strijd met de regels van dit hoofdstuk.

2.

Activiteiten die niet zijn benoemd in dit omgevingsplan en die een mogelijk effect kunnen hebben op de fysieke leefomgeving zijn niet toegestaan.

Artikel 21.5Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 21.6Parkeren

a.

Een bouwactiviteit en/of gebruiksactiviteit, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is verboden wanneer op het bouwperceelof in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. b.

Bij een omgevingsvergunning, dan wel bij de beoordeling of het gebruik in overeenstemming is met het omgevingsplan wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels (die zijn neergelegd in Nota parkeernormen Gemeente Medemblik 2021, dan wel de opvolger daarvan) bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. c.

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.

Paragraaf 21.1.2

Gebiedstypen Subparagraaf 21.1.2.1 Milieuzone gewasbescherming

Artikel 21.7Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten het gebied 'Wilgenrak Spuitvrije zone.

Artikel 21.8Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid.

Artikel 21.9Voorrangsbepaling

1.

In aanvulling op artikel 3 - 'Agrarisch', artikel 5 'Agrarisch - Glastuinbouw 2' en artikel 37 'Water' zoals opgenomen in ‘ bestemmingsplan Buitengebied’ met kenmerk NL.IMRO.0420.14410105-VA01 is het gebied aangewezen voor ‘spuitvrije zone’.

2.

De regels in hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing op de locatie 'Wilgenrak Spuitvrije zone' voor zover deze in strijd zijn met de regels die gelden voor deze locatie.

Paragraaf 21.1.3

Gebruiksactiviteiten Subparagraaf 21.1.3.1 Algemeen

Artikel 21.10Verboden activiteiten

Het is verboden de gronden en/of opstallen binnen het gebied ‘Woningbouw Wilgenrak’ te gebruiken of laten gebruiken ten behoeve van: a. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden; b. het gebruik van de gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; c. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- en/of vliegtuigen; d. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een prostitutiebedrijf; e. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

Subparagraaf 21.1.3.2 Groenactiviteiten

Artikel 21.11Toepassingsbereik activiteiten in Groen

Deze paragraaf gaat over de functies en activiteiten in Wilgenrak - groen.

Artikel 21.12Oogmerken groenactiviteiten

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. beheer en onderhoud van het openbaar groen; b. het realiseren en behouden van een veilige, leefbare en aantrekkelijke openbare ruimte.

Artikel 21.13Algemene regels groen

De volgende functies en activiteiten zijn toegestaan: a. groenvoorzieningen; b. parkeervoorzieningen; c. fiets- en voetpaden; d. speelvoorzieningen; e. recreatief medegebruik; met daaraan ondergeschikt: a. wegen en woonstraten; b. tuinen, erven en terreinen; c. waterlopen en waterpartijen; d. nutsvoorzieningen; met de daarbij behorende: a. andere bouwwerken.

Subparagraaf 21.1.3.3 Verkeersactiviteiten

Artikel 21.14Toepassingsbereik verkeersactiviteiten

Deze paragraaf gaat over functies en activiteiten in Wilgenrak - verkeer.

Artikel 21.15Oogmerken verkeersactiviteiten

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beheer en onderhoud van openbare wegen; b. verkeersveiligheid; c. goede doorstroming van de verkeersstromen.

Artikel 21.16Algemene regels verkeer

De volgende functies en activiteiten zijn toegestaan: a. wegen en woonstraten; b. fiets- en voetpaden; c. parkeervoorzieningen; d. speelvoorzieningen; e. groenvoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: a. nutsvoorzieningen; b. waterlopen en waterpartijen; met de daarbij behorende: a. andere bouwwerken Subparagraaf 21.1.3.4 Wateractiviteiten

Artikel 21.17Toepassingsbereik wateractiviteiten in water

Deze paragraaf gaat over functies en activiteiten in Wilgenrak - water.

Artikel 21.18Oogmerken wateractiviteiten

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beheer en onderhoud van openbare wateren; b. het behoud van de kwaliteit van het openbare water.

Artikel 21.19Algemene regels water

De volgende functies en activiteiten zijn toegestaan: a. waterlopen en waterpartijen; b. oevers, bermen en beplanting; c. groenvoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: a. nutsvoorzieningen; b. wegen, straten en paden; met de daarbij behorende: a. andere bouwwerken, waaronder bruggen, dammen en/of duikers.

Artikel 21.20Verboden activiteiten water

Het gebruik als ligplaats voor woonschepen of woonarken of casco's (caissons) die tot woonschip of woonark kunnen worden omgebouwd is verboden.

Subparagraaf 21.1.3.5 Woonactiviteiten

Artikel 21.21Toepassingsbereik woonactiviteiten

Deze paragraaf gaat over: a. functies en activiteiten in Wilgenrak - wonen; b.

Ondergeschikte woonactiviteiten.

Artikel 21.22Oogmerken woonactiviteiten

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. een goed woon- en leefklimaat voor bewoners en omwonenden.

Artikel 21.23Algemene regels wonen

De volgende functies en activiteiten zijn toegestaan: a. het wonen in woningenal dan niet in combinatie kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten; met daaraan ondergeschikt: a. wegen, straten en paden; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen; d. speelvoorzieningen; e. nutsvoorzieningen; f. waterlopen en waterpartijen; met de daarbij behorende: a. tuinen, erven en terreinen.

Artikel 21.24Vergunningplicht logiesverstrekking

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken binnen het gebied 'Wilgenrak - wonen' te gebruiken voor logiesverstrekking.

Artikel 21.25Aanvraagvereisten logiesverstrekking

Bij een aanvraag om een vergunning voor logiesverstrekking worden ten minste gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

1.de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
2.de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
3.de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
4.de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing;
5.het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; en 6. het aantal kamers dat verhuurd kan worden. c. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein, dan wel een rapport waaruit blijkt dat er voldoende parkeergelegenheid is in de openbare ruimte; d. hoe rekening wordt gehouden met de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 21.26Beoordelingsregels logiesverstrekking

De in artikel artikel 21.24 genoemde omgevingsvergunning wordt verleend voor logiesverstrekking ten behoeve van recreatieve bewoning indien: a. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, een goede milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; b. de oppervlakte voor logiesverstrekking niet meer bedraagt dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning; c. de bijbehorende bouwwerken op het bouwperceel maximaal 60 m² bedragen; d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersontsluiting- en parkeersituatie (de eventuele extra benodigde parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd).

Artikel 21.27Verboden activiteiten wonen

De de volgende gebruiksactiviteiten zijn verboden: a. het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning; b. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning; c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor horeca; d. het gebruik van de gronden ten behoeve van een paardrijbak.

Artikel 21.28Algemene regels kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten

Binnen het gebied 'Wilgenrak - wonen' gelden de volgende regels voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten: a. de omvang van de activiteit bedraagt maximaal 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing (woonhuis en bijbehorende bouwwerken) met een maximum van 50 m²; b. er wordt geen afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat in de omgeving; c. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer; d. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; e. er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van kleinschalige verkoop in verband met de beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten; f. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner en/of de werknemers; g. er vindt geen opslag van goederen in het kader van de bedrijfsvoering plaats;

Subparagraaf 21.1.3.6 Spuitzone

Artikel 21.29Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten het gebied 'Wilgenrak Spuitvrije zone'.

Artikel 21.30Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid.

Artikel 21.31Verboden activiteiten gewasbeschermingsmiddelen

Binnen het gebied ‘Wilgenrak Spuitvrije zone’ is het verboden de gronden te gebruiken dan wel laten gebruiken voor: a. het toepassen van (synthetische – chemische) gewasbeschermingsmiddelen; b. gevoelig gebruik in de zin van spuitzonering, anders dan ten behoeve van regulier agrarisch gebruik.

Paragraaf 21.1.4

Bouw- en sloopactiviteiten Subparagraaf 21.1.4.1 Algemene bouwregels

Artikel 21.32Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op het bouwen, verbouwen en in stand houden van: a. hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. bouwwerken geen gebouw zijnde.

Artikel 21.33Oogmerken bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van het woon- en leefklimaat; c. het beschermen van de gezondheid; d. het waarborgen van de veiligheid; e. het voorkomen van hinder en overlast.

Artikel 21.34Meetbepalingen

In aanvulling op en in afwijking van artikel 22.24 gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: a. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; c. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen; d. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; e. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. f. de afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens: de kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de (zijdelingse) perceelgrens.

Artikel 21.35Aanvullende vergunningplicht algemene afwijkingen

Het is verboden om binnen het gebied 'Woningbouw Wilgenrak' zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 de volgende activiteiten te verrichten: a. de bij recht in afdeling 21.1 gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10 % van die maten, afmetingen en percentages; b. een overschrijding van de werkingsgebiedgrenzen uit afdeling 21.1 indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; c.

Het verhogen van de bouwregels tot ten hoogste 10,00m ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde uit afdeling 21.1; d.

Het verrichten van plaatselijke verhogingen van het betreffende gebouw, voor onderdelen zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen met een maximum oppervlak tot 10% van de oppervlakte van het gebouw en maximale hoogte van 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het gebouw zoals bepaald in afdeling 21.1; e.

Het overschrijden van de bouwgrenzen zoals opgenomen in de werkingsgebieden in afdeling 21.1 tot maximaal 1,50 m door:

1.plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;
2.gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
3.één erker per (hoofd)gebouw over maximaal de halve gevelbreedte;
4.ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen.

Artikel 21.36Beoordelingsregels aanvullende vergunningplicht algemene afwijkingen

Voor de in artikel artikel 21.35 genoemde onderdelen geldt in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 dat de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend indien er tevens geen onevenredige afbreuk plaatsvindt aan: a. het straat- en bebouwingsbeeld, waarbij ten aanzien van de toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient gestreefd te worden naar het instandhouden c.q. tot-stand-brengen van een, in stedenbouwkundig en landschappelijk opzicht, samenhangend straat- en bebouwingsbeeld. In het algemeen wordt bij bebouwing gestreefd naar:

1.een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;
2.een goede hoogte-/breedte-verhouding tussen de bebouwing onderling; b. de woonsituatie, waarbij ten aanzien van de toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het instandhouden c.q. garanderen van een redelijke lichttoetreding en een redelijk uitzicht, alsmede de aanwezigheid van voldoende privacy. c. de milieusituatie, waarbij ten aanzien van de toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met de milieuaspecten, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient bij de situering en omvang van milieubelastende functies erop te worden gelet dat de mogelijke uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt; d. de sociale veiligheid, waarbij ten aanzien van de toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient voorkomen te worden dat een ruimtelijke situatie ontstaat die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet sociaal controleerbaar is; e. de verkeersveiligheid, waarbij ten aanzien van de toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het instandhouden c.q. tot-stand-brengen van een verkeersveilige situatie; f. en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Subparagraaf 21.1.4.2 Hoofdgebouw bouwen

Artikel 21.37Toepassingsbereik hoofdgebouw bouwen

Deze paragraaf gaat over het bouwen en verbouwen van hoofdgebouwen.

Artikel 21.38Beoordelingsregels hoofdgebouw bouwen

1.

De vergunning wordt verleend als het hoofdgebouw uitsluitend als woonhuizen en woongebouwen wordt gebouwd;

2.

De vergunning wordt verleend als het hoofdgebouw gelegen is binnen Wilgenrak bouwvlak;

3.

De vergunning wordt verleend als de goothoogte ter plaatse van de omgevingsnorm 'maximale goothoogte' niet hoger is dan de opgenomen goothoogte;

4.

De vergunning wordt verleend als de bouwhoogte ter plaatse van de omgevingsnorm 'maximale bouwhoogte' niet hoger is dan de opgenomen bouwhoogte;

5.

De vergunning wordt verleend als het aantal woningen niet meer bedraagt dan binnen het 'woningaantalnormgebied’ aangegeven aantal woningen;

6.

De vergunning wordt verleend als de afstand van een hoofdgebouw van een vrijstaande woning of een twee-onder-één-kapwoningen tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 2,50 m bedraagt;

7.

De vergunning wordt verleend als een blok met rijwoningen maximaal tot op de zijdelingse perceelgrens wordt gebouwd;

8.

De vergunning wordt verleend als een hoofdgebouw voor woonhuizen is voorzien van een kap.

Subparagraaf 21.1.4.3 Bijbehorende bouwwerken bouwen

Artikel 21.39Toepassingsbereik bijbehorende bouwwerken

Deze paragraaf gaat over het bouwen en verbouwen van bijbehorende bouwwerken.

Artikel 21.40Aanvulling artikel 22.27 en 22.36

Bij de toepassing van artikel 22.27 en 22.36 van het plan moet ook worden voldaan aan de volgende regel: de oppervlakte van een bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bedraagt niet meer dan 50 m2.

Artikel 21.41Beoordelingsregels overige bouwwerken bouwen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend voor uitsluitend bouwwerken die geen gebouw, geen bijbehorend bouwwerk en geen overkappingzijn binnen de werkingsgebieden ‘Wilgenrak - groen’ ‘Wilgenrak - verkeer’ en ‘Wilgenrak - water’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van oeverbeschoeiingen bedraagt ten hoogste 0,40 m, gemeten vanaf het streefpeil; b. de doorvaarthoogte van bruggen, duikers en andere overspanningen of overkluizingen en naar de aard daarmee gelijk te stellen andere bouwwerken zal ten minste 1,50 m bedragen; c. de doorvaartbreedte van bruggen en andere overspanningen of overkluizingen en naar de aard daarmee gelijk te stellen andere bouwwerken zal ten minste 3,00 m bedragen; d. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen; e. de bouwhoogte van andere bouwwerken ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, zal ten hoogste 10,00 m bedragen. f. de bouwhoogte van de overige andere bouwwerken bedraagt ten hoogste 5,00 m,

Artikel 21.42Aanvullende beoordelingsregels overige bouwwerken doorvaarthoogte

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend voor de doorvaarthoogte van minder dan 3.00 m van bruggen, duikers en andere overspanningen of overkluizingen en naar de aard daarmee gelijk te stellen andere bouwwerken indien er tevens geen onevenredige afbreuk plaatsvindt aan: a. het straat- en bebouwingsbeeld, waarbij ten aanzien van de toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient gestreefd te worden naar het instandhouden c.q. tot-stand-brengen van een, in stedenbouwkundig en landschappelijk opzicht, samenhangend straat- en bebouwingsbeeld. In het algemeen wordt bij bebouwing gestreefd naar:

1.een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;
2.een goede hoogte-/breedte-verhouding tussen de bebouwing onderling; b. de woonsituatie, waarbij ten aanzien van de toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het instandhouden c.q. garanderen van een redelijke lichttoetreding en een redelijk uitzicht, alsmede de aanwezigheid van voldoende privacy. c. de milieusituatie, waarbij ten aanzien van de toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met de milieuaspecten, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient bij de situering en omvang van milieubelastende functies erop te worden gelet dat de mogelijke uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt; d. de sociale veiligheid, waarbij ten aanzien van de toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient voorkomen te worden dat een ruimtelijke situatie ontstaat die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet sociaal controleerbaar is; e. de verkeersveiligheid, waarbij ten aanzien van de toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het instandhouden c.q. tot-stand-brengen van een verkeersveilige situatie; f. de geluidssituatie Subparagraaf 21.1.4.4 Overige bouwwerken bouwen

Artikel 21.43Toepassingsbereik overige bouwwerken

Deze paragraaf gaat over het bouwen en verbouwen van overige bouwwerken.

Artikel 21.44Beoordelingsregels andere bouwwerken wonen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend voor bouwen van andere bouwwerken binnen het gebied ‘Wilgenrak - wonen’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheiding bedraagt ten hoogste 2.00 meter voor wat betreft afscheidingen gelegen achter de voorgevelrooilijn, en ten hoogste 1.00 meter voor dat wat betreft afscheidingen gelegen vóór de voorgevelrooilijn. b. de bouwhoogte van de overige andere bouwwerken, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

Artikel 21.45Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken wonen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk binnen het gebied ‘Wilgenrak - wonen’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. bijbehorende bouwwerken zullen ten minste 2,00 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 60 m² per hoofdgebouw; c. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken zal ten hoogste 50% van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover gelegen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, en minus de oppervlakte van het hoofdgebouw, bedragen; d. de goothoogte van een uit- of aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag niet hoger zijn dan de goothoogte van de woning waartegen wordt gebouwd, met een maximum van 3,50 m; e. de bouwhoogte van een uit- of aangebouwd bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 6,50 m; f. de goot- en bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bedraagt ten hoogste 3,00 m respectievelijk 6,00 m; g. de goot- en bouwhoogte van een overkapping bedraagt ten hoogste 3,00 m respectievelijk 6,00 m; h. bij vrijstaande hoofdgebouwen worden aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op ten minste 1,00 m afstand van de erfgrens gebouwd; i. voor een uitbouw aan de voorzijde van het hoofdgebouw geldt een maximale bouwhoogte van 3,25 m, een diepte van maximaal 1,50 m en een breedte van maximaal tweederde van de oorspronkelijke voorgevel.

Hoofdstuk 22

ACTIVITEITEN

Afdeling 22.1

ALGEMEEN

Artikel 22.1Voorrangsbepaling

1.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

1.

Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2.

Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2

ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

Paragraaf 22.2.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2

Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.6

Paragraaf 22.2.3

Bouwen en in stand houden van bouwwerken

Artikel 22.7Repressief welstand

1.

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3.

Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2.

De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3.

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4.

Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 22.13Bluswatervoorziening

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2.

De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3.

De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5.

Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3.

De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5.

Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 22.2.4

Gebruik van bouwwerken

Artikel 22.16Overbewoning woonruimte

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 22.2.5

In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

1.

Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

1.de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
2.de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4.

Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

5.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.

50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.

1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

1.

De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

3.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Paragraaf 22.2.6

Cultureel erfgoed

Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek

1.

Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.

Paragraaf 22.2.7

Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen

1.

De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24Meetbepalingen

1.

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 22.25Mantelzorg

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.27Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1.op de grond staand;
2.gelegen in achtererfgebied;
3.op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
4.niet hoger dan 5 m;
5.de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.op de grond staand;
2.niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
2.voorzien van een plat dak;
3.gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
4.onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
5.bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
2.op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
1.een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
2.geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 22.28Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

1.

Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.

2.

Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

3.

Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

4.

Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Artikel 22.29

Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

1.de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

Artikel 22.30

Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.

De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

3.

Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

Artikel 22.31

Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.

Artikel 22.32

Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.

In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.33

Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.

In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 22.34

Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.

Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.

2.

Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.35Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

1.de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
2.de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
3.de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
4.de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
1.tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
2.principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
3.kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
1.de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 22.36Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

1.voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

I.

5 m;

II.

0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw;

2.voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

3.de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:

I. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;

II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

I. een woonwagen;

II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.37Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

1.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

2.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.

Artikel 22.38Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 22.39Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

1.artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
2.artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
3.artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
4.artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
5.artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
6.artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
7.artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
8.artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
9.artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
10.artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
11.artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
12.artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 13. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

Paragraaf 22.2.8

Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Artikel 22.40Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.

Afdeling 22.3

MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.3.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.41Algemeen toepassingsbereik

1.

Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

2.

Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:

1.dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
2.dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

3.

Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

4.

Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7.

Artikel 22.42Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:

1.het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
2.het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 22.43Normadressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 22.44Specifieke zorgplicht

1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

3.

De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

4.

Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.45Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.46Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.

Artikel 22.47Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

1.

Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.48Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

1.

Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 22.49Informeren over een ongewoon voorval

1.

Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Artikel 22.50Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

1.

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Paragraaf 22.3.2

Energiebesparing

Artikel 22.51Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.52Energie: maatregelen, overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

1.

Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

4.

De leden 1 tot en met 3 van dit artikel zijn van toepassing tot 1 december 2023.

5.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

6.

Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, zijn gedurende de periode, bedoeld in dat lid, de leden 1 tot en met 4 niet van toepassing.

Paragraaf 22.3.3

Zwerfafval

Artikel 22.53Afval: zwerfvuil

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Paragraaf 22.3.4

Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.54Toepassingsbereik

1.

Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.

In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

4.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 22.55Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

1.

In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

1.het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
1.het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.56Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.57Geluid: waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 22.58Geluid: functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.59Geluid: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 22.60Geluid: onderzoek

1.

In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

1.in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: i.

70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii.

80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

2.

Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

3.

Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

4.

Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 22.61Gegevens en bescheiden

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

3.

Het zesde en zevende lid zijn van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.

4.

Het zesde en zevende lid zijn niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

1.

70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

2.

80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

5.

Het zesde en zevende lid zijn ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

6.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

1.de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

7.

Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.62Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.63Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.

Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.

Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) 3.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.

Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 4.

De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

Artikel 22.64Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 – 21.00 uur 21.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 60 dB(A) 2.

De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 22.65

Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.

06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.

Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.66Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.

Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.

Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.

Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.67

Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening 1.

Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

2.

Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 22.65, eerste lid, en 22.66, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

Artikel 22.68Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 22.63, eerste lid, 22.64, eerste lid, 22.65, eerste lid en 22.66, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012: a. voor een woonschip was bestemd; of b. in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

1.voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of 2. de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 22.69Geluid: eerbiedigende werking

1.

Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

2.

Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 22.70Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

1.

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69 en 22.71, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; c. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten; d. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; e. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang; f. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; g. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; h. het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; i. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en j. het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

2.

Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.67 en 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

3.

De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 22.71Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 22.63, eerste lid, en 22.64, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.72Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

1.

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

2.

Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op: a. de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt; b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en c. het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.73Geluid: festiviteiten

1.

De waarden, bedoeld in de in artikelen 22.63 tot en met 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

2.

Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 22.74Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines

Artikel 22.75Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

2.

Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.76Geluid: waarden windturbines

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 22.77Registratie gegevens windturbines

1.

De volgende gegevens worden geregistreerd: a. de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

2.

De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.78Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.79Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen: a. civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of b. militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 22.80Geluid: waarden buitenschietbanen

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.

Artikel 22.81Registratie gegevens buitenschietbanen

1.

De volgende gegevens worden geregistreerd: a. dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en b. voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

2.

De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.82Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 22.80, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.5

Trillingen

Artikel 22.83Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit: a. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en b. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.84Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In afwijking van artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.85Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.86Trillingen: functionele binding

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.87Trillingen: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

Artikel 22.88Trillingen: waarden voor continue trillingen

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9.

2.

Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.

Tabel 22.3.9 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten Soort waarden 07.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur A1 trillingssterkte Vmax 0,1 0,1 A2 trillingssterkte Vmax 0,4 0,2 A3 trillingssterkte Vper 0,05 0,05

Artikel 22.89Trillingen: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.6

Geur Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.90Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

2.

In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.91Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

1.

In afwijking van artikel 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.