Kort uitgelegd
Artikel 237 Rv bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld. Tussen echtgenoten, geregistreerde partners, andere levensgezellen, bloedverwanten in rechte lijn, broers en zussen of aanverwanten in dezelfde graad kunnen de kosten worden gecompenseerd, evenals wanneer partijen over en weer deels ongelijk krijgen. Nodeloos gemaakte kosten komen voor rekening van wie die veroorzaakte. Bij tussenvonnis kan de kostenbeslissing worden aangehouden. Het kostenbedrag wordt in het vonnis vastgesteld, latere kosten worden op verzoek begroot bij bevelschrift zonder hoger beroep. De rechter kan het griffierecht beperken bij onbillijkheid van overwegende aard, ook hiertegen staat geen hogere voorziening open.
Begrijpelijke samenvatting. Alleen de tekst van het artikel is juridisch bindend.
1De partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De kosten mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.
2Bij een tussenvonnis kan de beslissing over de kosten tot het eindvonnis worden aangehouden.
3Het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld, wordt, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt en niet aan haar zijde zijn gevallen, bij het vonnis vastgesteld.
4De na de uitspraak ontstane kosten worden op verzoek van de partij in het voordeel van wie een kostenveroordeling is uitgesproken, begroot door de rechter die het vonnis heeft gewezen. Deze geeft daarvoor een bevelschrift af. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten.
5De rechter kan bepalen dat het griffierecht tot betaling waarvan de partij, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt veroordeeld, niet hoger is dan het griffierecht dat van deze partij is geheven of, in het geval dat deze partij gedaagde is in een zaak bij de kantonrechter en van haar geen griffierecht is geheven, het griffierecht dat deze partij verschuldigd zou zijn geweest als zij eiser was geweest. De rechter kan hiertoe besluiten indien hij van oordeel is dat veroordeling tot betaling van het hogere griffierecht, gelet op de proceshouding van de in het gelijk gestelde partij, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten.
Tekst volgens de officiële bron. Alleen de officiële bekendmaking is rechtsgeldig.