Artikel 392 Rv – Prejudiciële vraag aan de Hoge Raad
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) · niet-officieel opschrift
Kort uitgelegd
Dit artikel bepaalt dat de rechter, op verzoek van een partij of ambtshalve, de Hoge Raad een rechtsvraag kan voorleggen bij wijze van prejudiciële beslissing, mits het antwoord nodig is voor de beslissing en rechtstreeks van belang is voor veel soortgelijke vorderingen of geschillen. Deze bevoegdheid komt niet toe aan de rechter die een verzoek over een collectieve schikking behandelt. Partijen moeten zich eerst kunnen uitlaten over het voornemen en de inhoud van de vraag. Tegen het stellen van de vraag staat geen rechtsmiddel open, en de rechter houdt zijn beslissing aan totdat de Hoge Raad antwoordt; ook in andere lopende procedures kan aanhouding plaatsvinden.
Begrijpelijke samenvatting. Alleen de tekst van het artikel is juridisch bindend.
a. voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen, of
b. voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet.
De bevoegdheid, bedoeld in de vorige volzin, komt niet toe aan de rechter bij wie een verzoek, bedoeld in artikel 907, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, in behandeling is.