Artikel 476a Rv – Verklaringsplicht van de derde-beslagene
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) · niet-officieel opschrift
Kort uitgelegd
De bepaling houdt in dat de derde-beslagene binnen twee weken na beslaglegging verklaring moet doen over getroffen vorderingen en zaken. Verzoekt de geëxecuteerde dit schriftelijk binnen die twee weken, dan geldt vier weken. Bij schorsing van de executie door een rechtsmiddel of verzet loopt de termijn vanaf betekening van de uitspraak die dit verwerpt, afwijst, opheft of weigert. De gedateerde en ondertekende verklaring bevat onder meer of iets verschuldigd is, aard en omvang van vorderingen, een opgave van zaken, andere beslagen met deurwaarders en tijdstippen, bekende pandrechten met pandhouders, en overige dienstige gegevens. Kosten worden bij AMvB geregeld.
Begrijpelijke samenvatting. Alleen de tekst van het artikel is juridisch bindend.
a. de met redenen omklede opgave of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden, dan wel of hij al dan niet iets voor deze onder zich heeft;
b. de aard en het beloop van de door het beslag getroffen vorderingen en eventueel de tijdsbepalingen of voorwaarden die daaraan zijn verbonden;
c. een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken;
d. een opgave van eventuele andere, onder de derde-beslagene ten laste van de geëxecuteerde liggende beslagen met vermelding van de deurwaarders die ze hebben gelegd en de tijdstippen waarop ze zijn gelegd;
e. een opgave van de aan de derde-beslagene bekende pandrechten die op door het beslag getroffen goederen rusten, met vermelding van de pandhouders;
f. de verdere gegevens die voor het vaststellen van de rechten van partijen dienstig mochten zijn.