Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.077

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 juni 2018 ECLI nr:

ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.077 Vervangt nummer:

ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.20180621.6 Arrest- Rolnummer:

77/2018 Rechtsgebied:

Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum:

2018-06-29 Raadplegingen:

643 - laatst gezien 2026-06-29 12:37 Versie(s):

Versie FR Versie DE Fiche Het Hof 1. vernietigt in artikel 508/17 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 7 van de wet van 6 juli 2016 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand :

-paragraaf 1, tweede, derde en vierde lid; - in paragraaf 2, de woorden « naast de bijdragen bedoeld in paragraaf 1 »; - in paragraaf 3, de woorden « 1 en » en de woorden « tenzij in geval van vrijstelling van bijdragebetaling voorzien in de paragrafen 4 of 5 »; - de paragrafen 4, 5 en 6; 2. handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen in artikel 508/17 van het Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van de bijdragen die door de advocaten zijn geïnd in de zaken waarvoor de advocaat, op 31 augustus 2018, verslag heeft gedaan aan het bureau voor juridische bijstand overeenkomstig artikel 508/19, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; 3. onder voorbehoud dat artikel 508/19, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 9, 2°, van de wet van 6 juli 2016, wordt geïnterpreteerd zoals in B.33.2 wordt aangegeven, verwerpt de beroepen voor het overige.

UTU-thesaurus:

GERECHTELIJK RECHT - JURIDISCHE BIJSTAND - Algemeen (juridische bijstand) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden:

Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 6 juli 2016 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand, ingesteld door E.M. en door de vzw « Aimer Jeunes » en anderen. Gerechtelijk recht - Juridische bijstand en rechtsbijstand

-Hervorming van het stelsel.

Wettelijke bepalingen:

Gerechtelijk Wetboek - 08-10-1967 - 508/17,§1,L2 - 02 Link Justel databank 19671008-02 Gerechtelijk Wetboek - 08-10-1967 - 508/17,§1,L3 - 02 Link Justel databank 19671008-02 Gerechtelijk Wetboek - 08-10-1967 - 508/17,§1,L4 - 02 Link Justel databank 19671008-02 Gerechtelijk Wetboek - 08-10-1967 - 508/17,§2 - 02 Link Justel databank 19671008-02 Gerechtelijk Wetboek - 08-10-1967 - 508/17,§3 - 02 Link Justel databank 19671008-02 Gerechtelijk Wetboek - 08-10-1967 - 508/17,§4 - 02 Link Justel databank 19671008-02 Gerechtelijk Wetboek - 08-10-1967 - 508/17,§5 - 02 Link Justel databank 19671008-02 Gerechtelijk Wetboek - 08-10-1967 - 508/17,§6 - 02 Link Justel databank 19671008-02 Gerechtelijk Wetboek - 08-10-1967 - 508/19,§2,L2 - 02 Link Justel databank 19671008-02 Wet - 06-07-2016 - 7 - 01 ELI link Pub nr 2016009356 Wet - 06-07-2016 - 9,2° - 01 ELI link Pub nr 2016009356 Tekst van de beslissing Rolnummers 6596 en 6598 Arrest nr. 77/2018 van 21 juni 2018 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 6 juli 2016 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand, ingesteld door E.M. en door de vzw « Aimer Jeunes » en anderen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter E. De Groot, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest :

2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij twee verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 16 januari 2017 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 17 en 18 januari 2017, zijn beroepen tot gehele of gedeeltelijke (de artikelen 3 tot 9, 11 en 13 tot 19) vernietiging ingesteld van de wet van 6 juli 2016 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 juli 2016) respectievelijk door E.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Fonteyn, advocaat bij de balie te Brussel, en door de vzw « Aimer Jeunes », de vzw « Association pour le droit des Etrangers », de vzw « Association Syndicale des Magistrats », de vzw « ATD Vierde Wereld België », de vzw « Belgisch Netwerk Armoedebestrijding », de vzw « Bureau d’Accueil et de Défense des Jeunes », de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Etrangers », de vzw « Defense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) », de vzw « Intact », de vzw « Ligue des Droits de l’Homme », de vzw « luttes solidarités travail », de vzw « Medimmigrant », de vzw « ORCA : Organisatie voor clandestiene arbeidsmigranten », de vzw « Point d’appui. Service d’aide aux personnes sans papiers », de vzw « Réseau wallon de lutte contre la pauvreté », de vzw « Service d’Action Sociale Bruxellois », de vzw « Service International de Recherche, d’Education et d’Action sociale », de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie », de vzw « Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen », de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen » en Dominique Andrien, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Doutrepont en Mr. C. Forget, advocaten bij de balie te Brussel.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6596 en 6598 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

Memories zijn ingediend door :

-de vzw « Liga voor Mensenrechten », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Pattyn, advocaat bij de balie te Brugge (in de twee zaken);
-de vzw « Atelier des Droits Sociaux », de vzw « Ligue des familles », de vzw « Dokters van de Wereld », de vzw « Medimmigrant », de vzw « Planning Familial Leman », de vzw « Sociale Dienst Socialistische Solidariteit », de vzw « Ulysse », de vzw « Woman’do » en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van Evere, van Vorst en van Sint-Gillis, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Doutrepont en Mr. C. Forget (in de zaak nr. 6598);
-de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. E. de Lophem, Mr. C.-H. de la Vallée Poussin, Mr. M. Chomé, Mr. M. Lambert de Rouvroit en Mr. C. Pietquin, advocaten bij de balie te Brussel (in de twee zaken).

De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend.

Memories van wederantwoord zijn ingediend door :

-de vzw « Atelier des Droits Sociaux », de vzw « Ligue des familles », de vzw « Dokters van de Wereld », de vzw « Medimmigrant », de vzw « Planning Familial Leman », de vzw « Sociale Dienst Socialistische Solidariteit », de vzw « Ulysse », de 3 vzw « Woman’do » en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van Evere, van Vorst en van Sint-Gillis;
-de Ministerraad.

Bij beschikking van 13 december 2017 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. Derycke te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 17 januari 2018 en de zaken in beraad zullen worden genomen.

Ingevolge de verzoeken van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 17 januari 2018 de dag van de terechtzitting bepaald op 7 februari 2018.

Op de openbare terechtzitting van 7 februari 2018 :

-zijn verschenen : . E.M., in eigen persoon; . Mr. M. Doutrepont, Mr. Lambert, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. C. Forget, en Mr. R. Fonteyn, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 6598 en voor de vzw « Atelier des Droits Sociaux » en anderen; . Mr. S. Depré, Mr. C.-H. de la Vallée Poussin en Mr. M. Lambert de Rouvroit, voor de Ministerraad;
-hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. Derycke verslag uitgebracht;
-zijn de voornoemde partijen gehoord;
-zijn de zaken in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen A.1.1. E.M., verzoekende partij in de zaak nr. 6596, voert aan dat hij is betrokken bij verschillende gerechtelijke procedures. Hij geeft aan dat de wet van 6 juli 2016 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand tot gevolg heeft dat hij het recht op juridische bijstand, dat hij vóór de inwerkingtreding ervan genoot, verliest.

4 A.1.2. De eerste, de tweede en de vierde tot de twintigste verzoekende partij in de zaak nr. 6598 zijn vzw’s waarvan het maatschappelijk doel erin bestaat de belangen te verdedigen van verschillende categorieën van personen die kunnen worden beschouwd als kansarm of kwetsbaar, of in een precaire situatie te verkeren. Zij voeren aan dat de bestreden wet van 6 juli 2016 afbreuk doet aan de specifieke belangen die zij verdedigen, daar die een rechtstreekse en negatieve weerslag heeft op de toegang tot het gerecht van de personen die zij vertegenwoordigen. De derde verzoekende partij, de vzw « Association syndicale des magistrats » en de achttiende verzoekende partij, de vzw « Syndicat des avocats pour la démocratie », verdedigen met name het belang van een goede rechtsbedeling, van de rechtzoekenden en van de advocaten.

A.1.3. D. Andrien, eenentwintigste verzoekende partij in de zaak nr. 6598, voert aan dat hij advocaat is, de juridische tweedelijnsbijstand uitgebreid beoefent en dat de bij de bestreden wet ingevoerde hervorming, enerzijds, een grote onzekerheid teweegbrengt omtrent de vergoedingen die hij zal ontvangen voor de in dat kader geleverde prestaties en, anderzijds, ertoe leidt het bedrag van de voor die prestaties geïnde vergoedingen in het algemeen te verminderen. Hij voegt eraan toe dat die vermindering dermate groot zal zijn dat het voor hem onmogelijk of op zijn minst uiterst moeilijk zal zijn, bij ontstentenis van een gewaarborgde minimale vergoeding, zijn opdracht van verdediging correct uit te voeren. Hij preciseert dat het voor hem een ethische keuze was om te werken in het kader van de juridische bijstand, zodat hij van oordeel is dat zijn belang legitiem is.

A.1.4. De Ministerraad is van mening dat sommige verzoekende partijen klaarblijkelijk niet doen blijken van het vereiste belang om het beroep in te stellen. Hij verwijst evenwel naar de rechtspraak van het Hof volgens welke, wanneer een van de verzoekende partijen doet blijken van een belang, het niet nodig is het belang van de andere verzoekende partijen te onderzoeken. Hij geeft toe dat, in elk van de samengevoegde zaken, minstens een van de verzoekende partijen belang heeft bij het beroep.

Ten aanzien van de tussenkomsten A.2.1. De vzw « Liga voor Mensenrechten », tussenkomende partij, voert aan dat de bestreden wet afbreuk doet aan haar maatschappelijk doel. Ten gronde sluit zij zich aan bij de middelen die de verzoekende partijen in de zaak nr. 6598 afleiden.

A.2.2. De vzw « Ateliers des Droits sociaux » en anderen, tussenkomende verzoekende partijen, voeren aan dat zij belang erbij hebben in de rechtspleging tussen te komen, daar hun maatschappelijk doel of, wat de drie tussenkomende openbare centra voor maatschappelijk welzijn betreft, hun opdracht erin bestaat de belangen van categorieën van uitgesloten en kansarme personen te verdedigen. Ten gronde steunen die partijen het in de zaak nr. 6598 ingestelde beroep.

Ten gronde Wat het eerste middel in de twee zaken betreft A.3.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door de artikelen 5, 1° en 3°, 7, 13, 14, 15, 16 en 18 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 2°, in fine, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet, met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene beginselen van wettigheid, gewettigd vertrouwen en rechtszekerheid.

Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen het begrip « inkomsten » vervangen door het begrip « bestaansmiddelen » in de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het recht op juridische bijstand en rechtsbijstand. Zij verwijten die bepalingen delegaties aan de uitvoerende macht in te houden met betrekking tot bepalende aspecten van het recht op juridische bijstand, met name de definitie en de omvang van de bestaansmiddelen waaronder de rechtzoekende toegang heeft tot die bijstand, de neer te leggen bewijsstukken, de personen die worden gelijkgesteld met diegenen van wie de bestaansmiddelen ontoereikend zijn en de inaanmerkingneming van de bestaansmiddelen voor het bepalen van het bedrag van de forfaitaire bijdragen die 5 de begunstigden van de bijstand moeten betalen. Zij zijn van mening dat die delegaties niet voldoende nauwkeurig zijn gedefinieerd en betrekking hebben op de uitvoering van maatregelen waarvan de essentiële elementen niet vooraf door de wetgever zijn vastgesteld.

A.3.2. De Ministerraad stelt vast dat artikel 23 van de Grondwet aan de wetgevende overheid de zorg toevertrouwt om het recht op juridische bijstand te waarborgen, zonder de inhoud ervan te definiëren. Hij herinnert eraan dat de wetgever, in het Gerechtelijk Wetboek, het recht op juridische bijstand heeft verankerd en voert aan dat het bestaan en de inhoud van dat recht niet zijn gewijzigd door de bestreden bepalingen. Hij is van mening dat artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek, door te bepalen dat de bijstand gedeeltelijk of volledig kosteloos kan zijn, de contouren en de inhoud van het in artikel 23 van de Grondwet verankerde recht aangeeft en dat, door het criterium te bepalen waardoor het niveau van kosteloosheid van de bijstand kan worden vastgesteld, namelijk de bestaansmiddelen van de rechtzoekende, de wetgever het recht op juridische bijstand zeer duidelijk en nauwkeurig afbakent en dus de essentiële elementen ervan vaststelt. Hij besluit hieruit dat de elementen waarop de machtiging aan de Koning betrekking heeft, geen verband houden met het recht op juridische bijstand zelf, maar enkel met de voorwaarden inzake de uitoefening van dat recht, zodat de bekritiseerde delegatie niet in strijd is met artikel 23 van de Grondwet. Hij voegt eraan toe dat de kritiek van de verzoekende partijen in werkelijkheid veeleer is gericht tegen de koninklijke besluiten die ter uitvoering van de bestreden wet zijn genomen.

A.3.3. De verzoekende partijen zijn van mening dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad verklaart, het begrip « ontoereikende bestaansmiddelen » een essentieel element, zo niet een sleutelelement, is van het recht op juridische bijstand, aangezien het een voorwaarde vormt voor de toegang tot dat recht. Zij verklaren niet te begrijpen waarom de bestaansmiddelen die door de Koning zijn gepreciseerd (artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand) niet door de wetgever zelf hadden kunnen worden gepreciseerd. Zij lichten toe dat hun kritiek geen betrekking heeft op de door de Koning in het voormelde besluit gekozen criteria, maar wel op de afstand, door de wetgever, van zijn bevoegdheid om het begrip « bestaansmiddelen » te definiëren.

Ten aanzien van het tweede middel in de twee zaken A.4.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door de artikelen 5, 1° en 3°, 7, 13, 14, 15, 16 en 18 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet, met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene beginselen van wettigheid, gewettigd vertrouwen en rechtszekerheid. Zij zetten uiteen dat de bestreden bepalingen het begrip « inkomsten » vervangen door het begrip « bestaansmiddelen » en de Raad van de Orde van advocaten ermee belasten, onder de voorwaarden inzake de toekenning van juridische bijstand, het gebrek aan bestaansmiddelen van de rechtzoekende te controleren. Zij bekritiseren enerzijds het feit dat dat begrip niet door de wetgever is gedefinieerd en anderzijds het feit dat het Gerechtelijk Wetboek de actie van het bureau voor juridische bijstand niet afbakent. Zij zijn van mening dat de wetgever aldus het aan het recht op de naleving van het privéleven verbonden wettigheidsbeginsel, krachtens hetwelk alleen hij bevoegd is om te voorzien in uitzonderingen op de naleving van dat recht, schendt.

A.4.2. De Ministerraad merkt op dat het beginsel van de controle niet nieuw is. Hij is van mening dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de controle van de bestaansmiddelen het recht op de eerbiediging van het privéleven in grotere mate zou aantasten dan de controle van de inkomsten. Hij voert aan dat de regeling van de juridische bijstand die toelaat de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid te genieten, noodzakelijkerwijs een controle en dus een inmenging in het privéleven veronderstelt. Hij voegt eraan toe dat in die inmenging is voorzien door de wetgever, die zelf het recht op juridische bijstand afhankelijk maakt van een controle van de bestaansmiddelen en dat de rol van de Koning zich ertoe beperkt uitvoeringsmaatregelen aan te nemen. Hij is van mening dat de kritiek van de verzoekende partijen is gericht tegen de besluiten tot uitvoering van de bestreden wet. Ten slotte voegt hij eraan toe dat de bureaus voor juridische bijstand het recht hebben de 6 betrokken gegevens te verzamelen en te bewaren, enerzijds, omdat de wet hen dat toestaat en, anderzijds, omdat het bewaren van die gegevens beantwoordt aan de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de artikelen 4 en 5 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

A.4.3. De verzoekende partijen merken op dat de bestreden wet de aard van de gegevens die bij derden kunnen worden opgevraagd en in de gegevensbank van elk bureau voor juridische bijstand van het land kunnen worden opgenomen, niet preciseert, zodat het niet vaststaat dat die gegevens zich beperken tot die welke noodzakelijk en relevant zijn voor het onderzoek van de in het geding zijnde bestaansmiddelen, in de zin van met name artikel 5, eerste lid, e), van de voormelde wet van 8 december 1992. Daarnaast merken zij op dat niets toelaat te bepalen welke personen binnen de bureaus voor juridische bijstand ertoe gemachtigd zijn de gegevens op te vragen en die te verwerken, dat de wet niet voorziet in de duur tijdens welke de gegevens kunnen worden bewaard, noch de personen die tot die gegevens toegang hebben, en dat niet erin is voorzien dat de aanvragers uitdrukkelijk instemmen met de verzameling van die gegevens.

A.4.4. In zijn memorie van wederantwoord is de Ministerraad van mening dat de verzoekende partijen niet aanvoeren dat de bestreden bepaling een bewaring van de gegevens gedurende een overdreven lange termijn mogelijk zou maken of dat het bureau voor juridische bijstand niet de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens zou kunnen zijn. Hij merkt op dat de aanvragers van bijstand weten dat het recht op bijstand die controles impliceert en dus aanvaarden dat zij daaraan worden onderworpen. Ten slotte is hij van mening dat de bestreden wet in elk geval kan afwijken van de wet van 8 december 1992, waarbij die wet geen bepaling is waaraan het Hof kan toetsen.

Ten aanzien van het derde middel in de twee zaken A.5.1.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door de artikelen 5, 3°, en 7 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33, 37 en 106 van de Grondwet, met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het algemeen wettigheidsbeginsel. In het eerste onderdeel van dat middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepalingen het in artikel 22 van de Grondwet vervatte wettigheidsbeginsel te schenden door de bureaus voor juridische bijstand ertoe te machtigen de bestaansmiddelen van de rechtzoekenden te controleren. In het tweede onderdeel van dat middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepalingen datzelfde beginsel te schenden door de bureaus voor juridische bijstand ertoe te machtigen een kopie te bewaren van de stukken waaruit die bestaansmiddelen blijken. In het derde onderdeel van dat middel verwijten zij de bestreden bepalingen het gelijkheidsbeginsel te schenden in zoverre zij toelaten dat de controlevoorwaarden alsook de voorwaarden inzake de bewaring van de stukken variëren van het ene bureau voor juridische bijstand tot het andere en dus van de ene begunstigde tot de andere.

A.5.1.2. De verzoekende partijen voeren aan dat de inmenging in het privéleven wel degelijk groter is dan toen het erom ging de inkomsten van het gezin van de rechtzoekende te controleren. Zij verwijzen op dat punt naar het koninklijk besluit van 3 augustus 2016 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand », dat aangeeft dat, voor het bepalen van de bestaansmiddelen, met name rekening moet worden gehouden met de « tekenen en aanwijzingen waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen ». Zij voegen eraan toe dat die inmenging tot uiting komt in de oprichting van repertoria van persoonsgegevens. Zij zijn van mening dat de Ordes aldus de hoedanigheid van administratieve overheid in de functionele zin toegekend krijgen, terwijl zij niet zijn onderworpen aan enige hiërarchische controle, hun actie niet wordt gedekt door een minister die zich hiervoor zou kunnen verantwoorden voor een verkozen vergadering, de werking van de bureaus voor juridische bijstand niet wordt begeleid door de aanwezigheid van regeringscommissarissen en de reglementen van de bureaus voor juridische bijstand niet het voorwerp kunnen uitmaken van een jurisdictionele wettigheidscontrole.

A.5.2. De Ministerraad ziet niet in hoe de aanpassing van de terminologie door de bestreden bepalingen een grotere impact zou hebben op het recht op het privéleven van de betrokkenen. In verband met de grief met betrekking tot de door de bestreden wet ingevoerde discriminaties is de Ministerraad van mening dat de hypothese dat de verschillende bureaus voor juridische bijstand de gegevens op verschillende manieren zouden bewaren, theoretisch is en dat het bovendien niet mogelijk zou zijn daaruit een discriminatie af te leiden, 7 aangezien zij alle gehouden zijn tot de naleving van het algemene kader dat bij de wet van 8 december 1992 die betrekking heeft op de bescherming van de persoonsgegevens is vastgesteld. Ten slotte wijst hij erop dat het onjuist is dat er geen controle zou zijn op de opdrachten die worden uitgeoefend door de bureaus voor juridische bijstand, aangezien de artikelen 508/15 en 508/16 van het Gerechtelijk Wetboek erin voorzien dat de beslissingen tot weigering met redenen worden omkleed en dat tegen die beslissingen beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank, die bij die gelegenheid de wijze waarop het bureau voor juridische bijstand het gebrek aan bestaansmiddelen van een individu controleert, daadwerkelijk kan bestraffen.

A.5.3. De verzoekende partijen voegen bij hun memorie van antwoord schriftelijke verklaringen die op grond van artikel 961/2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn opgesteld door 69 advocaten die gewoonlijk werkzaam zijn in het kader van de juridische bijstand, en waarin wordt gewezen op de problemen waartoe de bestreden wetswijziging in de praktijk leidt : een oneindig lange en onvoorzienbare lijst van gevarieerde documenten die moeten worden voorgelegd, een lange en onzekere aanstellingsprocedure, talrijke uitwisselingen met de bureaus voor juridische bijstand om een aanstelling te verkrijgen, enz. Zij besluiten hieruit dat het onjuist is ervan uit te gaan dat de bestreden bepaling geen enkele impact zou hebben op het recht op het privéleven van de betrokken rechtzoekenden. Zij voegen eraan toe dat de bewering dat de verschillen tussen de bureaus voor juridische bijstand marginaal zouden zijn en slechts een geringe impact zouden hebben op het recht op het privéleven, een loutere petitio principii is. Ten slotte bekritiseren zij het feit dat de aanvrager van juridische bijstand niet beschikt over de mogelijkheid om de hem betreffende gegevens daadwerkelijk te controleren en dat die gegevens in voorkomend geval de grondslag kunnen vormen voor een weigering van latere juridische bijstand of voor de beslissing van de aangestelde advocaat om zijn optreden te weigeren om reden dat de aldus verzamelde gegevens de juridische aanspraken van zijn cliënt tegenspreken.

A.5.4. De Ministerraad verklaart begrip te hebben voor de talrijke getuigenissen die de verzoekende partijen hebben ingediend. Hij is evenwel van mening dat de problemen die daarin worden vermeld, niet voortvloeien uit de bestreden wet, maar uit de uitvoering ervan en dat de hervorming, om correct te worden toegepast, een aanpassingstijd vergt. Uit de brieven van het Bureau voor juridische bijstand te Brussel, die hij aanhaalt, leidt hij af dat de opstartmoeilijkheden thans worden opgelost.

Ten aanzien van het vierde middel in de twee zaken A.6.1.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door artikel 3 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 2°, in fine, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33, 37 en 106 van de Grondwet, met de artikelen 6.1, 6.3, c), en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 26 ven het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het algemeen wettigheidsbeginsel. Zij voeren aan dat de bestreden bepaling de Ordes van advocaten ertoe machtigt, volgens de daarin vastgestelde nadere regels en voorwaarden, de lijst op te maken van de advocaten die prestaties van juridische tweedelijnsbijstand wensen te verrichten en te voorzien in de verplichte inschrijving van advocaten wanneer dat noodzakelijk is voor de doeltreffendheid van de juridische bijstand. Zij verwijten die bepaling toe te laten dat, enerzijds, sommige advocaten die die prestaties wensen te verrichten, daartoe worden verhinderd omdat zij niet zouden voldoen aan de nadere regels en voorwaarden die de Orde heeft vastgesteld en, anderzijds, sommige advocaten ertoe worden verplicht prestaties van juridische tweedelijnsbijstand tegen hun wil te verrichten.

A.6.1.2. In de eerste twee onderdelen van dat middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling delegaties aan de Ordes van advocaten in te houden met betrekking tot de nadere regels en voorwaarden om te worden opgenomen op de lijst en met betrekking tot de criteria inzake het noodzakelijke en daadwerkelijke karakter van de juridische bijstand die een voorwaarde vormen voor de verplichte inschrijving van advocaten op de lijst, die niet voldoende nauwkeurig zijn en betrekking hebben op de uitvoering van maatregelen waarvan de essentiële elementen niet vooraf door de wetgever zijn vastgesteld. In het derde onderdeel van dat middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling de advocaten die de in het geding zijnde prestaties wensen te verrichten, naargelang zij al dan niet op de lijst worden aanvaard op grond van de door de Ordes aangenomen nadere regels en voorwaarden, zonder verantwoording op identieke wijze te behandelen.

In het vierde onderdeel van dat middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling de advocaten die de in het geding zijnde prestaties wensen te verrichten en diegenen die dat niet wensen, maar tegen hun wil op de lijst zijn opgenomen, zonder verantwoording op identieke wijze te behandelen. In het vijfde onderdeel van dat middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling artikel 23, tweede lid, van de Grondwet te schenden, daar de nadere regels en voorwaarden inzake de inschrijving op de lijst niet het voorwerp 8 kunnen uitmaken van een wettigheidstoetsing door de Raad van State, maar uitsluitend van een toetsing door het Hof van Cassatie. In het zesde onderdeel van dat middel verwijten zij de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling in te voeren tussen verschillende categorieën van personen die prestaties van juridische tweedelijnsbijstand verrichten, naargelang die personen al dan niet advocaten zijn, waarbij alleen de advocaten zijn onderworpen aan een reglement dat niet het voorwerp kan uitmaken van een wettigheidstoetsing door de Raad van State. In het zevende onderdeel van dat middel verwijten zij de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling in te voeren tussen verschillende categorieën van begunstigden van de juridische tweedelijnsbijstand, naargelang de personen die die prestaties verrichten al dan niet advocaten zijn, daar, wanneer het advocaten betreft, de begunstigde zijn keuze beperkt ziet door de door de Orde opgemaakte lijst, terwijl, wanneer het geen advocaten betreft, een dergelijke beperking niet bestaat.

A.6.2. De Ministerraad is van mening dat de stelling volgens welke elke aan de beroepsordes toevertrouwde bevoegdheid zou ontsnappen aan de democratische controle, feitelijk onjuist is, omdat de organen van die ordes bestaan uit verkozen leden, afkomstig uit het korps dat hen verkiest, namelijk de advocaten. De suggestie die de verzoekende partijen lijken te doen en volgens welke de Ordes van advocaten zouden moeten worden onderworpen aan een voogdijcontrole of aan de aanwezigheid van een regeringscommissaris, vindt hij overigens juridisch eigenaardig. Hij voegt eraan toe dat het toevertrouwen van de controle aan het Hof van Cassatie ertoe bijdraagt de onafhankelijkheid van het beroep van advocaat te waarborgen.

In verband met de verplichte inschrijving van advocaten op de lijst van de advocaten die prestaties van juridische bijstand wensen te verrichten, stelt hij vast dat de verzoekende partijen een situatie aanklagen die geen betrekking heeft op hen, terwijl noch de advocaten, noch de verenigingen die hen verdedigen de minste kritiek in dat verband hebben geformuleerd. Hij is van mening dat het onderwerpen van alle advocaten die zijn ingeschreven op de lijst van de juridische tweedelijnsbijstand aan de in artikel 508/8 van het Gerechtelijk Wetboek beoogde regeling, onverantwoord noch onevenredig is. Ten aanzien van de vergelijking tussen de advocaten en de andere personen die prestaties van juridische bijstand verrichten, herinnert de Ministerraad eraan dat de rechtzoekenden hun lasthebber kunnen blijven kiezen en dat zij de aan die keuze verbonden gevolgen moeten aanvaarden.

Ten slotte is hij van mening dat de waaier aan mogelijkheden waarover de rechtzoekende beschikt, namelijk de advocaten die op de lijst zijn opgenomen en dus prestaties van juridische bijstand wensen te verrichten, of een andere verstrekker wanneer artikel 728 van het Gerechtelijk Wetboek daarin voorziet, voldoende uitgebreid is, zodat de bestreden bepaling niet onevenredig is.

A.6.3. De verzoekende partijen betwisten dat de Ordes van advocaten zijn onderworpen aan een democratische controle, daar die laatste moet worden uitgeoefend namens de bevolking in het algemeen en niet alleen namens de betrokken beroepsmensen. Zij onderstrepen het feit dat de rechtzoekenden niet in staat zijn de reglementaire beslissingen te betwisten die de Ordes in verband met de juridische bijstand nemen. Zij voeren aan dat de rechtzoekenden belang erbij hebben dat de criteria inzake de kwaliteit van het optreden van de advocaten worden opgesteld door een verkozen beraadslagende vergadering of door een politiek orgaan dat hiervoor verantwoording kan afleggen voor een dergelijke vergadering. De laatste verzoekende partij, die advocaat is, is van mening dat zij belang erbij heeft te betwisten dat sommige advocaten ertoe kunnen worden verplicht juridische prestaties tegen hun wil te verrichten, hetgeen de waarborg inzake de kwaliteit van die bijstand noodzakelijkerwijs aantast. De verzoekende partij vzw « Syndicat des avocats pour la démocratie » is overigens van mening dat de bestreden bepaling rechtstreeks betrekking heeft op haar. De partijen verwijzen daarnaast naar de zaak die is ingeschreven op de rol van het Hof onder het nummer 6574, namelijk een beroep tegen die bepaling ingesteld door de Orde van advocaten van de balie van Brugge.

A.6.4. De Ministerraad is van mening dat het middel in strijd is met de belangen die de vzw « Syndicat des avocats pour la démocratie » verdedigt.

Ten aanzien van het vijfde middel in de zaak nr. 6598 A.7.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door artikel 4 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 2°, in fine, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet, met de artikelen 6.1, 6.3, c), en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 26 ven het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het algemeen wettigheidsbeginsel. Zij verwijten de bestreden bepaling, die de Ordes ertoe 9 machtigt het daadwerkelijke karakter en de kwaliteit van de in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand verrichte prestaties te controleren, een delegatie aan de Ordes van advocaten in te houden die in strijd is met het wettigheidsbeginsel, daar de machtiging niet voldoende nauwkeurig is gedefinieerd en betrekking heeft op de uitvoering van maatregelen waarvan de essentiële elementen niet vooraf door de wetgever zijn vastgesteld.

A.7.2. De Ministerraad zet uiteen dat de bestreden wet de regeling heeft vervangen waarin de wet van 23 november 1998 voorzag voor de controle van de kwaliteit van de prestaties en van het regelmatige karakter van de inschrijvingen en van de afhandelingen van de dossiers inzake juridische bijstand. Hij geeft aan dat de bestreden wet de naleving van het wettigheidsbeginsel versterkt door een duidelijk gedefinieerde procedure in het Gerechtelijk Wetboek in te voegen en het aantal maatregelen die door de raad van de Orde kunnen worden genomen, uitbreidt. Hij merkt op dat het Gerechtelijk Wetboek het beroep van advocaat omlijnt en een zeker aantal organen opricht, teneinde de onafhankelijkheid van de advocaat in de organisatie van zijn beroep en van zijn verschillende opdrachten te verzekeren. Hij is van mening dat, aangezien de juridische bijstand integraal deel uitmaakt van die opdracht, het in overeenstemming is met het wettigheidsbeginsel en de aan het beroep inherente regels dat de bestreden wet voorziet in een kader van regels om de kwaliteit van de prestaties van juridische bijstand te verzekeren en de tekortkomingen in dat opzicht te bestraffen. Hij voegt eraan toe dat een andere aanpak in strijd zou zijn geweest met de onafhankelijkheid van de advocaat.

A.7.3. De verzoekende partijen zien niet in hoe de vereiste dat de wet de kwaliteitscriteria bepaalt waaraan het werk van de advocaten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand moet beantwoorden, in strijd zou zijn met de onafhankelijkheid van de advocaat. Zij zijn van mening dat de rechtzoekenden belang erbij hebben dat de criteria inzake de kwaliteit van het door een advocaat uit te voeren werk in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand wettelijk worden bepaald.

Ten aanzien van het vijfde middel in de zaak nr. 6596 en het zesde middel in de zaak nr. 6598 A.8.1.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door de artikelen 5, 1° en 3°, 7, 13, 14, 15, 16 en 18 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 13 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1, 6.3, c), en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en standstill. Zij zijn van mening dat de bestreden bepalingen, door het begrip « inkomsten » te vervangen door het begrip « bestaansmiddelen » in verschillende bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek als voorwaarde voor het recht op juridische bijstand, een grote onzekerheid teweegbrengen in verband met de aard van de in aanmerking te nemen bestaansmiddelen, de bewijsregeling en de controles met betrekking tot die bestaansmiddelen, en dat zij de uitsluiting van het voordeel van de juridische bijstand van categorieën van rechtzoekenden die vroeger daarop recht hadden, mogelijk maken.

A.8.1.2. In de zaak nr. 6596 is de verzoekende partij in het eerste onderdeel van dat middel van mening dat, door de rechtzoekende te verhinderen met redelijke zekerheid te voorzien of hij de juridische bijstand kan genieten, de ontstentenis van een definitie van het begrip « bestaansmiddelen » tot gevolg heeft hem te ontmoedigen een beroep te doen op de bijstand waarop hij nochtans recht zou kunnen hebben. In het tweede onderdeel van dat middel voert de verzoekende partij aan dat die onnauwkeurigheid de rechtzoekende, die per definitie een persoon is die in een onzekere sociale situatie verkeert, benadeelt. In het derde onderdeel van dat middel voert zij aan dat de advocaten worden ontmoedigd om aan hun cliënt voor te stellen een beroep te doen op juridische bijstand, daar zij niet op redelijke wijze kunnen voorzien of die aan hen zal worden toegekend, waardoor zij tevens worden ontmoedigd om hun activiteit in het kader van de juridische bijstand voort te zetten.

In het vierde onderdeel van dat middel voert zij aan dat de overdreven grote last die op de advocaten weegt, die met toepassing van het op grond van de bestreden bepalingen aangenomen koninklijk besluit uiterst diverse elementen moeten controleren, zoals de beroepsinkomsten, de inkomsten uit vastgoed, de inkomsten uit roerende en diverse goederen, uit kapitaal, de « voordelen » en de « tekenen en aanwijzingen » van bestaansmiddelen, de beroepsbeoefenaars ertoe brengt hun prestaties in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand op te geven, wat geleidelijk leidt tot het verdwijnen ervan.

A.8.1.3. In de zaak nr. 6598 verwijten de verzoekende partijen, in het eerste onderdeel van dat middel, de wetgever een onevenredige hindernis en een onevenredige onzekerheid in te voeren ten aanzien van het recht op juridische bijstand en aldus het recht op een redelijk proces te schenden. In het tweede onderdeel van dat middel verwijten zij de wetgever een discriminatie te hebben ingevoerd tussen de rechtzoekenden die recht zullen hebben op juridische bijstand en diegenen die daar geen recht op zullen hebben, door elementen van het vermogen, zoals het bezit van een wagen of de hulp van derden, in aanmerking te nemen, die geen werkelijke 10 invloed hebben op hun beschikbare inkomsten om de kosten van een gerechtelijke procedure te dragen. In het derde onderdeel van dat middel voeren zij aan dat die feitelijke toestand een achteruitgang ten aanzien van de toegang tot de juridische bijstand vormt die in strijd is met het standstill-beginsel. In dat verband voeren zij aan dat het doel van de wetgever om het aantal rechtsplegingen in het kader van de juridische bijstand te verminderen, naast het feit dat het niet wordt ondersteund door betrouwbare en gedetailleerde statistieken, niet legitiem is, daar het geen onderscheid maakt tussen de onrechtmatige procedures en de andere. Zij zijn van mening dat de onzekerheid die met de bestreden bepalingen wordt ingevoerd, onrechtvaardig en onverenigbaar met het door de wetgever aangevoerde doel is. Zij voegen eraan toe dat, daar de vastgestelde achteruitgang niet geschikt is om het door de wetgever nagestreefde doel te bereiken, die niet noodzakelijk, noch daarmee evenredig kan zijn.

A.8.2.1. De Ministerraad voert aan dat de draagwijdte van het recht op jurisdictionele bijstand varieert volgens de strafrechtelijke of burgerrechtelijke aard van de rechtspleging, waarbij de draagwijdte van dat recht kleiner is in burgerlijke zaken dan in strafzaken. Hij geeft aan dat, in burgerlijke zaken, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de Staat alleen ertoe gehouden is een juridische bijstand te organiseren wanneer die absoluut noodzakelijk is om de rechtzoekenden te verzekeren dat zij toegang hebben tot een rechter en die bijstand moet niet noodzakelijk bestaan in een kosteloze rechtsbijstand. Hij herinnert eraan dat de hervorming alleen tot doel heeft het algemeen vermogen van de aanvragers van juridische bijstand beter te kunnen beoordelen teneinde de overheidsmiddelen beter toe te wijzen. Hij geeft aan dat, in strafzaken, de reglementering een vermoeden van ontoereikende inkomsten voor de gedetineerde personen invoert.

De Ministerraad verwijst naar het compendium over juridische bijstand, opgesteld door een team van vertegenwoordigers van de bureaus voor juridische bijstand van de « OBFG » en van de OVB, dat bepaalde aanwijzingen geeft over de interpretatie van het begrip « bestaansmiddelen ». Hij zet uiteen dat de daarin opgenomen elementen toelaten te bepalen of de betrokkene al dan niet via de traditionele weg toegang kan hebben tot de rechter, waarbij de situatie van elkeen geval per geval dient te worden beoordeeld. Hij voegt eraan toe dat de vroegere vermoedens behouden blijven, ook al kunnen zij thans worden omgekeerd en dat alleen wanneer de rechtzoekende meer inkomsten lijkt te hebben dan die welke hij aangeeft, een aanvullend onderzoek plaatsheeft, waarbij de bewijslast op dat ogenblik rust op het bureau voor juridische bijstand.

Hij leidt hieruit af dat de aanvrager nooit het negatieve bewijs moet leveren dat hij niet beschikt over bestaansmiddelen maar dat het bureau voor juridische bijstand in voorkomend geval, wanneer het een rechtzoekende het voordeel van de juridische bijstand wil ontnemen, moet vragen om de bewijselementen te leveren waaruit blijkt dat de rechtzoekende over meer middelen dan enkel zijn inkomsten beschikt. Gelet op die elementen is de Ministerraad van mening dat de belemmering van de toegang tot de rechter evenredig is met het nagestreefde doel, namelijk de toewijzing van de begroting van de juridische bijstand aan de personen die deze nodig hebben. Daarnaast herinnert hij eraan dat elke daaromtrent genomen beslissing het voorwerp kan uitmaken van een beroep.

A.8.2.2. De Ministerraad is van mening dat de bestreden bepaling niet discriminerend is, aangezien de in het geding zijnde categorieën van rechtzoekenden zich in verschillende situaties bevinden volgens het bedrag van hun inkomsten en, dientengevolge, hun mogelijkheid om via de traditionele weg toegang te hebben tot de rechter.

A.8.2.3. Ten aanzien van de grief in verband met de schending van het standstill-beginsel is de Ministerraad in de eerste plaats van mening dat de vermeende achteruitgang door de nieuwe reglementering niet betekenisvol is, omdat de nieuwe bepalingen enkel de nadere regels wijzigen volgens welke de juridische bijstand gewaarborgd is voor de rechtzoekenden en dus geen enkele vermindering van de aan hen geboden bescherming inhouden. Hij is van mening dat het in aanmerking nemen van de « bestaansmiddelen » in plaats van de « inkomsten » het mogelijk maakt de algemene vermogenssituatie van de rechtzoekende beter in te schatten. Hij voegt eraan toe dat die wijziging niet ertoe leidt rechtzoekenden die juridische bijstand nodig hebben, gelet op hun inkomsten, van het voordeel ervan uit te sluiten. Vervolgens stelt hij dat, zelfs indien zou moeten worden besloten dat de bestreden bepaling een aanzienlijke achteruitgang van de bescherming van de rechtzoekenden met zich meebrengt, die achteruitgang verantwoord zou zijn door het doel dat erin bestaat een op lange termijn leefbare regeling te verzekeren die toelaat de juridische bijstand toe te kennen aan diegenen die die werkelijk nodig hebben. Ten slotte voert hij aan dat de bestreden maatregel evenredig is met dat doel.

A.8.3.1. De verzoekende partijen zijn van mening dat het onjuist is dat de vervanging, door de bestreden wet, van het woord « inkomsten » door het woord « bestaansmiddelen » een eenvoudige terminologische aanpassing zou zijn. Zij voeren aan dat het integendeel gaat om de wil van de wetgever om de toegang tot de juridische bijstand te beperken door sommige categorieën van rechtzoekenden die voorheen daartoe toegang hadden, daarvan uit te sluiten. Zij voegen eraan toe dat die wijziging tot gevolg heeft dat bijna stelselmatig een 11 grondig onderzoek moet worden uitgevoerd naar aanleiding van elke aanvraag tot aanstelling in het kader van de juridische bijstand. Zij zijn van mening dat de loutere vaststelling dat een dergelijk aantal verenigingen en OCMW’s die zich bezighouden met kwetsbare categorieën van de bevolking het onderhavige beroep hebben ingesteld of zich daarbij hebben aangesloten, op zich het door hen aangeklaagde probleem aantoont.

In verband met het compendium waarnaar de Ministerraad verwijst, voeren de verzoekende partijen aan dat dat document, dat geen enkele juridische waarde heeft en geen enkele plaats heeft in de hiërarchie der normen, de onwettigheid van de aan de Koning verleende machtiging om de omvang te bepalen van de in aanmerking te nemen bestaansmiddelen, niet kan dekken. Zij verwijzen naar de schriftelijke verklaringen die de advocaten hebben opgesteld en bij hun memorie zijn gevoegd, waarin de concrete moeilijkheden worden omschreven waarmee zij worden geconfronteerd wanneer zij, naar aanleiding van de inwerkingtreding van de bestreden hervorming, trachten zich te laten aanstellen.

A.8.3.2. De verzoekende partijen zijn van mening dat de categorieën die zij vergelijken, wel degelijk vergelijkbaar zijn in het licht van hun concrete vermogen om de diensten van een advocaat te financieren, waarbij het bezit van een wagen bijvoorbeeld in dat opzicht geen invloed heeft.

Ten aanzien van het standstill-beginsel betwisten de verzoekende partijen de motieven van algemeen belang die de Ministerraad aanvoert. Zij zijn van mening dat het doel dat erin bestaat het aantal procedures in het kader van de juridische bijstand te beperken, zonder onderscheid te maken tussen de procedures waarin misbruik is aangetoond en de andere, geen gewettigd doel is en afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter. Zij zijn overigens van mening dat het doel dat erin bestaat de advocaten een betere vergoeding te verzekeren, niet kan verantwoorden dat voor de meest kwetsbaren van de maatschappij de toegang tot de rechter wordt beperkt.

A.8.4. De verzoekende partij in de zaak nr. 6596 voegt eraan toe dat het in aanmerking nemen van de inkomsten uit kapitaal van de huurder die laatstgenoemde discrimineert ten opzichte van de eigenaar voor wie de waarde van de huisvesting niet in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de bestaansmiddelen en onderstreept dat het Hof rekening moet houden met de verhoging van de rolrechten, gehandhaafd bij het arrest nr. 13/2017 voor de aanvragen die bij een rechtscollege zijn ingediend tot 31 augustus 2017.

A.8.5. In zijn memorie van wederantwoord herinnert de Ministerraad eraan dat de intentie van de wetgever reeds bij de invoering van de juridische bijstand steeds erin bestond alle werkelijke bestaansmiddelen van de rechtzoekende in aanmerking te nemen en leidt hij hieruit af dat de bestreden wijziging slechts van terminologische aard is. Hij voegt eraan toe dat aan de klachten van de verzoekende partijen tegemoet zou moeten worden gekomen door de nieuwe modus operandi die is ingevoerd bij het Bureau voor juridische bijstand van Brussel.

Ten aanzien van het zesde middel in de zaak nr. 6596 en het zevende middel in de zaak nr. 6598 A.9.1.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door artikel 7 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 13 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1, 6.3, c), en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met de algemene beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en standstill.

A.9.1.2. In het eerste onderdeel van dat middel verwijten zij de bestreden bepaling, die voor de rechtzoekenden de verplichting invoert om vooraf een bijdrage te betalen per aanleg en voor elke gerechtelijke procedure, dat zij ten aanzien van het openstellen van het recht op juridische bijstand een onevenredige belemmering en een onevenredige onzekerheid teweegbrengt die onverenigbaar zijn met het recht op een eerlijk proces. In het tweede onderdeel van dat middel voeren zij aan dat die belemmering eveneens een achteruitgang inhoudt ten aanzien van de juridische bijstand die die rechtzoekenden vroeger genoten. In het derde onderdeel van dat middel voeren zij aan dat het instellen van een nieuwe procedure niet altijd afhangt van de wil van de betrokkene of van diens advocaat, maar ook bijvoorbeeld kan gebeuren op initiatief van de tegenpartij of van het openbaar ministerie, of zelfs van de rechter. Zij zetten uiteen dat, in dat geval, de begunstigde van de juridische bijstand ertoe kan worden gebracht verschillende forfaitaire bijdragen te betalen, waardoor hij in een minder gunstige situatie wordt geplaatst dan die van een andere begunstigde van de juridische bijstand die niet wordt geconfronteerd met dergelijke initiatieven van andere procespartijen of van de rechter. In het vierde onderdeel van dat middel verwijten zij de bestreden bepaling een verschil in behandeling mogelijk te maken onder de 12 rechtzoekenden afhankelijk van de arrondissementen, daar, aangezien de bureaus voor juridische bijstand bevoegd zijn om te bepalen of de bijdrage al dan niet verschuldigd is, het risico bestaat dat uiteenlopende praktijken ontstaan. In het vijfde onderdeel van dat middel verwijten zij de bestreden bepaling een verschil in behandeling in te voeren onder de rechtzoekenden die niet in staat zijn de bijdrage te betalen, naargelang hun advocaat aanvaardt om een aanvraag tot vrijstelling in te dienen, afziet van de inning van de bijdrage of een betaaltermijn toestaat.

A.9.2. De Ministerraad zet uiteen dat de forfaitaire bijdrage is ingevoerd om tegemoet te komen aan drie doelstellingen, namelijk het gebruik bevorderen van de alternatieve wijzen van geschillenregeling, de rechtzoekende en zijn advocaat responsabiliseren door onnodige procedures te ontmoedigen en een beginsel invoeren van solidariteit onder alle betrokkenen bij de juridische bijstand. Hij wijst erop dat, teneinde de vrije toegang tot de rechter niet te belemmeren, de bedragen van de forfaitaire bijdrage gering zijn, er is voorzien in vrijstellingen voor de bijzonder kwetsbare personen en in extra vrijstellingen is voorzien op verzoek van de begunstigde, wanneer de opeenstapeling van procedures of de betaling van bijdragen de toegang tot de rechter ernstig zou belemmeren of het proces oneerlijk zou maken. Ten aanzien van het standstill-beginsel is hij van mening dat de invoering van de forfaitaire bijdrage niet kan worden beschouwd als een aanzienlijke achteruitgang, althans voor de aanvragers van juridische bijstand die de gedeeltelijk kosteloze bijstand genieten.

Daarnaast onderstreept hij dat het geringe bedrag van de bijdrage en de vrijstellingen waarin is voorzien, aangeven dat de wetgever ervoor heeft gezorgd dat de meest behoeftigen toegang blijven hebben tot de volkomen kosteloze juridische bijstand. Hij voegt eraan toe dat, indien zou moeten worden geoordeeld dat het gaat om een aanzienlijke achteruitgang, deze verantwoord zou zijn door doelstellingen van algemeen belang die met de bestreden bepaling worden nagestreefd. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel herinnert de Ministerraad eraan dat de forfaitaire bijdrage ook verantwoord is door het doel dat erin bestaat een mechanisme van solidariteit onder alle betrokkenen bij de juridische bijstand in te voeren, zodat de gelijke behandeling van de rechtzoekenden als eiser of verweerder of die meer dan één aanleg tegen hun wil moeten ondergaan, door dat doel wordt verantwoord. Ten aanzien van de andere aangeklaagde verschillen in behandeling is hij van mening dat die niet voortvloeien uit de wet, maar wel uit, ofwel, de manier waarop het systeem van juridische bijstand in België is georganiseerd, ofwel, het gedrag van de advocaten.

A.9.3. De verzoekende partijen onderstrepen eerst dat het « geringe » karakter van de bijdrage zeer relatief is. Zij merken op dat voor een alleenstaande persoon die leeft van een leefloon, indien het deel voor huisvesting wordt afgetrokken, 50 euro ongeveer 10 pct. vertegenwoordigt van het maandelijkse budget dat beschikbaar is om te eten, zich te kleden, zich te verplaatsen of zich te laten verzorgen. Zij verwijzen naar de getuigenissen die zij bij hun memorie hebben gevoegd en herinneren eraan dat het om die reden is dat die personen, vóór de bestreden wet, vrijgesteld waren van elke financiële bijdrage. Zij klagen voorts de onnauwkeurigheid van de uitzonderingen aan, met name die in verband met de « opeenstapeling van procedures ». Ten aanzien van het doel dat erin bestaat een solidariteit of een responsabilisering van de rechtzoekenden in te voeren, voeren de verzoekende partijen aan dat dat doel op meer doeltreffende wijze had kunnen worden bereikt door de verplichting om een forfaitaire bijdrage te betalen uitsluitend op te leggen aan de rechtzoekenden die een rechtsvordering instellen. Ten slotte onderstrepen zij dat, wanneer advocaten weigeren om de aan de aanvraag tot vrijstelling verbonden prestaties te verrichten, zij dat doen omdat zij geen andere keuze hebben dan die kosteloos te verrichten, hetgeen de Ministerraad niet kan ontkennen.

A.9.4. De Ministerraad antwoordt, in verband met het « geringe » karakter van het bedrag, dat het doel ook erin bestaat de rechtzoekenden te responsabiliseren, hetgeen verklaart dat het bedrag van de bijdrage niet te verwaarlozen is. In verband met het feit dat de aanvraag tot vrijstelling geen recht geeft op enige vergoeding van de advocaat, is hij van mening dat die aanvraag niet moet worden beschouwd als het indienen van een verzoekschrift, aangezien de bewijslast helemaal is overgedragen aan het bureau voor juridische bijstand. Voor het overige herinnert hij eraan dat de wetgever een bijdragesysteem wenste dat geval per geval aanpasbaar was, hetgeen verenigbaar is met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Ten aanzien van het zevende middel in de zaak nr. 6596 en het achtste middel in de zaak nr. 6598 A.10.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door artikel 19 van de bestreden wet, van artikel 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen, niet-retroactiviteit van de wetten en standstill. In het eerste onderdeel van dat middel verwijten zij de bestreden bepaling onzekerheid teweeg te brengen ten aanzien van de vergoeding van de advocaten die in het kader van de juridische bijstand prestaties hebben verricht vóór 1 september 2016 en 13 dus ten aanzien van de schuldvordering van die advocaten jegens de Belgische Staat voor de verrichte prestaties.

In dat verband zetten zij uiteen dat, voor de vóór die datum geopende dossiers, de advocaten geen bijdrage hebben ontvangen van hun cliënt, terwijl een bedrag dat overeenstemt met de bijdrage in aanmerking zal worden genomen voor de berekening van het bedrag van hun vergoeding, hetgeen afbreuk doet aan de schuldvordering die zij jegens de Belgische Staat hebben. Zij voegen eraan toe dat er geen enkel element van voorzienbaarheid bestaat ten aanzien van de waarde van het punt die in aanmerking zal worden genomen bij de betaling van de vergoedingen voor de reeds verrichte prestaties. In het tweede onderdeel van dat middel klagen zij aan dat niet is voorzien in overgangsbepalingen, hetgeen met zich meebrengt dat de bestreden wet onmiddellijk van toepassing is op de hangende geschillen. Zij voeren in dat verband aan dat de gewettigde verwachtingen van de rechtzoekenden worden doorkruist.

A.10.2. De Ministerraad zet uiteen dat de vrees die de verzoekende partijen in het eerste onderdeel van het middel uiten, kennelijk berust op een verkeerd begrip van het bij de bestreden wet ingevoerde mechanisme. Hij meent aan te tonen dat het nieuwe mechanisme voor de berekening van het punt, zoals het uit de bestreden wet voortvloeit, geen afbreuk doet aan de vergoeding van de advocaten, maar, integendeel, hun situatie verbetert. Hij herinnert eraan dat, daar de bijdrage pas in werking is getreden op 1 september 2016, gedurende het gerechtelijk jaar 2015-2016 geen enkele bijdrage is betaald, zodat de inaanmerkingneming van die bijdragen bij de berekening van de eenheidswaarde van het punt neutraal is.

In verband met het verwijt dat de wet retroactief is, voegt hij eraan toe dat de advocaten in elk geval geen enkele tot stand gekomen situatie, noch enig verworven recht kunnen aanvoeren, daar de bedragen die aan de advocaten verschuldigd zijn voor prestaties die zijn verricht in dossiers die zijn geopend vóór 1 september 2016 en zijn gesloten na die datum, niet zijn vereffend. Ten slotte ziet de Ministerraad, aangezien de waarde van het punt variabel is van het ene tot het andere jaar, niet in op welke grond de verzoekende partijen de door hen aangevoerde « gewettigde verwachting » doen steunen.

A.10.3. De verzoekende partijen voeren aan dat, zelfs indien het systeem inhoudt dat de advocaat het bedrag van zijn schuldvordering pas kent na de toewijzing van de punten door het bureau voor juridische bijstand en nadat de waarde van het punt door de minister is bepaald, het toch zo is dat hij niet kosteloos werkt en dat de gewettigde verwachting om te worden vergoed, een schuldvordering vormt in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij betwisten de verklaring volgens welke de hervorming noodzakelijkerwijs zou leiden tot een verhoging van de vergoeding van de advocaten. Zij geven toe dat de bestreden wet geen weerslag zou hebben op de berekening van het bedrag van de vergoedingen voor de vóór 1 september 2016 afgesloten dossiers, maar zijn van mening dat dit niet het geval is voor de dossiers die niet vóór die datum konden worden afgesloten.

A.10.4. De Ministerraad is van mening dat het feit dat de schuldvordering van de advocaat ten aanzien van de Belgische Staat heeft doen ontstaan, niet de verrichting van prestaties in het kader van de juridische bijstand is, maar wel de beslissing van het bureau voor juridische bijstand om hem een bepaald aantal punten voor een gegeven prestatie toe te kennen.

Ten aanzien van het achtste middel in de zaak nr. 6596 en het negende middel in de zaak nr. 6598 A.11.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door de artikelen 7, § 3, en 9, 3°, van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11 en 23, tweede lid, 1° en 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Twaalfde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 7, a), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het standstill-beginsel. In het eerste onderdeel van dat middel verwijten zij artikel 7, § 3, van de bestreden wet, dat bepaalt dat de advocaat pas optreedt vanaf het ogenblik dat hij de betaling ontvangt van de bijdragen die de rechtzoekende verschuldigd is, behoudens uitzonderingen, het risico van niet-betaling van die bijdragen uitsluitend doet wegen op de advocaat, aangezien hij wordt verondersteld daarvan af te zien indien hij die bij de aanvang van het dossier niet heeft kunnen ontvangen.

In het tweede onderdeel van dat middel verwijten zij artikel 9, 3°, van het bestreden decreet, dat de bureaus voor juridische bijstand toestaat om geen punten toe te kennen of om de punten te verminderen vooraleer de waarde van het punt bekend is, toe te laten dat discriminaties ontstaan onder advocaten die tot verschillende bureaus voor juridische bijstand behoren, daar de vermindering van de punten niet gepaard gaat met enig richtinggevend beginsel en derhalve wordt overgelaten aan elk bureau. Zij voegen eraan toe dat de wetgever geen enkele overgangsmaatregel heeft aangenomen om 14 rekening te houden met de hervorming van de nomenclatuur die een drastische en veralgemeende vermindering van het aantal per procedure toegekende punten invoert.

A.11.2. De Ministerraad zet uiteen dat de bestreden wet tot doel heeft het recht op de vergoeding van de advocaten die prestaties van juridische bijstand verrichten, te versterken door hun een gepaste vergoeding te waarborgen. Hij geeft aan dat aan de begunstigde van de bijstand voortaan een financiële bijdrage wordt gevraagd teneinde dat doel te bereiken. Hij voegt eraan toe dat de bestreden bepaling het mogelijk maakt de verplichting tot betaling van de bijdrage door de begunstigde van de juridische bijstand doeltreffender te maken.

Hij preciseert dat de mogelijkheid, voor de advocaat, om te voorzien in een betaalplan met zijn cliënt of om af te zien van de inning van de bijdrage niet afhankelijk is van de goede wil van de advocaat, maar is bepaald bij de wet, bij het koninklijk besluit of, uitzonderlijk, door het bureau voor juridische bijstand.

A.11.3. De verzoekende partijen preciseren dat zij de invoering bekritiseren van een onweerlegbaar vermoeden van verzaking aan de inning van de financiële bijdrage door de advocaat wanneer de cliënt in gebreke blijft. Zij merken op dat, daar het vermeende geringe bedrag van de aan de rechtzoekenden gevraagde sommen en het bedrag van de door de advocaat voor het dossier verwachtte vergoeding moeten worden afgewogen, de in het geding zijnde verzaking regelmatig 10 pct. van de vergoeding van de advocaat kan bereiken, hetgeen een aanzienlijke achteruitgang is. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel voeren zij aan dat de Ministerraad geen enkele uitleg geeft in verband met de bij de wet ingevoerde mogelijkheid om de punten niet toe te kennen of te verminderen, en niet het eindbedrag van de vergoeding zoals dat vroeger het geval was.

Ten aanzien van het tiende middel in de zaak nr. 6598 A.12.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door artikel 17 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 13, 23 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1, 6.3, c), en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij zetten uiteen dat de bestreden bepaling, die het voordeel van de rechtsbijstand toekent aan de illegaal verblijvende vreemdelingen mits zij voldoen aan drie voorwaarden, een onverantwoord en discriminerend verschil in behandeling teweegbrengt onder vreemdelingen ten aanzien van de toegang tot de rechtsbijstand (eerste onderdeel) en een onevenredige belemmering invoert ten aanzien van de toegang tot de rechtsbijstand (tweede onderdeel). Zij voeren aan dat de vereiste dat een poging wordt ondernomen om het verblijf te regulariseren, onnauwkeurig is en niet in verhouding staat met het nagestreefde doel. Zij zijn van mening dat de vereiste om het dringende karakter van de aanvraag aan te tonen, door de wetgever niet wordt verantwoord door enig gewettigd doel. Ten slotte zijn zij van mening dat de vereiste dat de aanvraag verband houdt met een fundamenteel recht, evenmin wordt verantwoord door een gewettigd doel.

A.12.2. Inleidend is de Ministerraad van mening dat het middel grondslag mist in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 191 van de Grondwet, omdat het bekritiseerde verschil in behandeling bij de wet is bepaald.

Vervolgens voert de Ministerraad aan dat de vreemdelingen wier situatie onregelmatig is, zich bevinden in een situatie die objectief verschilt van die van de vreemdelingen met legaal verblijf. Hij wijst erop dat de wetgever, met de voorwaarden die in de bestreden bepaling worden gesteld, de lering uit het arrest Anakomba Yula t. België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (10 maart 2009) vrijwel letterlijk heeft overgenomen. Hij leidt hieruit af dat die voorwaarden niet onverantwoord, noch onevenredig zijn. Hij voegt eraan toe dat die voorwaarden alleen betrekking hebben op de rechtsbijstand en niet op de juridische tweedelijnsbijstand en preciseert voorts dat zij geen betrekking hebben op de procedures waarin de wet op de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen voorziet. Ten aanzien van het criterium van de poging om het verblijf te regulariseren, preciseert hij dat het niet is beperkt tot de in de artikelen 9bis en 9ter van de wet van 15 december 1980 bepaalde hypothesen.

A.12.3. De verzoekende partijen herinneren allereerst aan de vaste rechtspraak van het Hof inzake artikel 191 van de Grondwet, op grond waarvan die bepaling niet tot doel heeft de wetgever ertoe te machtigen, wanneer hij een verschil in behandeling tussen vreemdelingen en Belgen invoert, zich ervan vrij te stellen om ervoor te zorgen dat die niet discriminerend is. Zij geven vervolgens een andere lezing van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarnaar de Ministerraad verwijst en zijn van mening dat het wezenlijke criterium dat uit dat arrest volgt, dat van de fundamentele rechten is, waarbij het feit dat het Hof 15 onderstreept dat de verzoekende partij had getracht haar verblijf te regulariseren overbodig is. Zij zijn overigens van mening dat het feit dat de bekritiseerde voorwaarden betrekking hebben op de rechtsbijstand en niet op de juridische bijstand niet relevant is, aangezien het evident is dat de toegang tot de rechter evenzeer afhankelijk is van de mogelijkheid om de procedurekosten te betalen (rechtsbijstand) als van de toegang tot een raadsman (juridische bijstand). Voorts zijn zij van mening dat het feit dat de procedures waarin de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen voorziet, zijn vrijgesteld van de bekritiseerde voorwaarden, niet toelaat de aangevoerde discriminatie te herstellen. Ten slotte hebben zij vragen bij de bron die de Ministerraad toelaat de voorwaarde in verband met de poging om het verblijf te regulariseren, te interpreteren zoals hij dat doet.

A.12.4. De Ministerraad is van mening dat zijn interpretatie de enige logische is in het licht van de letter van de wet.

Ten aanzien van het negende middel in de zaak nr. 6596 en het elfde middel in de zaak nr. 6598 A.13.1.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door de artikelen 5, 3°, en 7, § 2, van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1, 6.3, c), en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Twaalfde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de artikelen 14, lid 1 en lid 3, d), en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het beginsel van de onafhankelijkheid van de advocaat en dat van het beroepsgeheim, met name verankerd in de artikelen 1.1 tot 1.4 van de deontologische code van de advocaat, bindend verklaard bij het Reglement van 12 november 2012 van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », en met het beginsel van de vertrouwensrelatie die moet bestaan tussen de advocaat en zijn cliënt. De bestreden bepalingen machtigen enerzijds de Koning ertoe de omvang van de bestaansmiddelen te bepalen die in aanmerking moeten worden genomen om het recht op juridische bijstand toe te kennen en behouden anderzijds de verplichting voor de bureaus voor juridische bijstand om zelf na te gaan of aan de voorwaarden inzake kosteloosheid is voldaan.

A.13.1.2. In het eerste onderdeel van dat middel verwijt de verzoekende partij in de zaak nr. 6596 de bestreden bepalingen de advocaten ertoe te verplichten zich te mengen in het privéleven van de rechtzoekenden en zelf de intieme aspecten van het privéleven en van de gedragingen van de betrokken personen te controleren en te bestraffen, door hun hulp te weigeren. In het tweede onderdeel van dat middel klaagt die partij een onverantwoorde en onevenredige afwijking van het beroepsgeheim van de advocaat aan en derhalve van de rechten van verdediging van de rechtzoekenden. In het derde onderdeel van dat middel voert zij aan dat die verplichting de belangenconflicten bevordert. In het vierde onderdeel van dat middel voert zij aan dat die verplichting in fine de onafhankelijkheid van de advocaat aantast. In het vijfde onderdeel van dat middel is zij van mening dat die situatie een discriminatie teweegbrengt onder de rechtzoekenden naargelang zij al dan niet aanspraak maken op het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand.

A.13.1.3. In het eerste onderdeel van dat middel klagen de verzoekende partijen in de zaak nr. 6598 de verplichting aan, voor de advocaten, om zich te mengen in het privéleven van hun toekomstige cliënten, alsook de aantasting van de onafhankelijkheid van de advocaat die daaruit voortvloeit. In het tweede onderdeel van dat middel zijn zij van mening dat de machtiging aan de Koning een onverantwoord onderscheid invoert, dat uitsluitend op het vermogen steunt, tussen de rechtzoekenden die worden bijgestaan door een advocaat in een betalend kader, die de waarborg hebben dat al wat hem wordt toevertrouwd zal worden gedekt door het beroepsgeheim, en de rechtzoekenden die een beroep moeten doen op juridische bijstand, die niet dezelfde waarborg hebben. In het derde onderdeel van dat middel zijn zij van mening dat de verplichting, voor de advocaat, om aan derden gegevens mee te delen die zijn gedekt door artikel 458 van het Strafwetboek, zonder dwingende verantwoording en op onevenredige wijze afwijkt van het beroepsgeheim van de advocaten en de rechten van verdediging schendt. In het vierde onderdeel van dat middel voeren zij aan dat die verplichting de belangenconflicten bevordert.

A.13.2. De Ministerraad voert inleidend aan dat het Hof niet bevoegd is om te oordelen over de overeenstemming van de bestreden wet met de zogenaamde beginselen van het « belangenconflict » en van de « onafhankelijkheid van de advocaat ». Vervolgens benadrukt hij dat, hoewel sommige personen door het effect van de bestreden wet zijn uitgesloten van het voordeel van de juridische bijstand, het personen zijn die inkomsten boven de schalen genoten, maar die toch toegang hadden dankzij een zeer beperkende toepassing van het begrip inkomsten. Ten slotte preciseert hij dat de onzekerheid over de aanvaarding van de aanstelling van de 16 advocaat niet eigen is aan de bestreden wet, maar reeds was opgenomen in het vroegere artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek.

Ten aanzien van de vermeende schending van het beroepsgeheim merkt de Ministerraad op dat de advocaten die de dossiers binnen het bureau voor juridische bijstand behandelen, eveneens zijn gebonden door het beroepsgeheim. Hij verwijst naar de deontologische code van de advocaten die ertoe strekt de spanning tussen het beroepsgeheim en het bepalen van de inkomsten van de begunstigde van de juridische bijstand te regelen. Ten slotte merkt hij, in verband met de mogelijke belangenconflicten, op dat, indien de advocaat de werkelijke inkomsten van zijn cliënt opgeeft om de juridische bijstand te beëindigen, hij enkel de wet naleeft en dat, in het omgekeerde geval, indien de advocaat gegevens achterhoudt die zijn cliënt van de juridische bijstand zouden uitsluiten, hij medeplichtige of mededader is bij het misbruiken van de juridische bijstand.

A.13.3. De verzoekende partijen merken op dat de beginselen van de onafhankelijkheid van de advocaat en van het beroepsgeheim centraal staan in de rechten van verweer en dus in het recht op een eerlijk proces, die onder de toetsing van het Hof vallen. Vervolgens verwijzen zij naar de getuigenissen van advocaten en maatschappelijk werkers die zij neerleggen en waaruit, volgens hen, blijkt dat de door hen bekritiseerde wetswijziging wel degelijk leidt tot een toegenomen inmenging in het privéleven van de rechtzoekenden die juridische bijstand vermogen te genieten. Zij herhalen eveneens dat die wijziging een aanzienlijke weerslag heeft op het administratief werk dat van de advocaten wordt gevraagd teneinde een aanstelling door het bureau voor juridische bijstand te verkrijgen. Zij voegen eraan toe dat onder de personen die geen toegang meer hebben tot de juridische bijstand sinds de inwerkingtreding van de bestreden wet, velen daarop nog recht zouden moeten hebben, maar dat niet kunnen aantonen. Ten slotte delen zij mee dat, aangezien de personen die zijn belast met de behandeling van de aanvraag tot aanstelling binnen de bureaus voor juridische bijstand geen advocaten maar wel bedienden van die bureaus zijn, die personen, in tegenstelling tot de advocaten, niet door het beroepsgeheim gebonden zijn.

A.13.4. Opnieuw verwijst de Ministerraad naar de ontwikkeling van de praktijk van het Bureau voor juridische bijstand van Brussel, die volgens hem toelaat de kritiek van de verzoekende partijen te weerleggen.

Ten aanzien van het twaalfde middel in de zaak nr. 6598 A.14.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door artikel 3 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 12, eerste lid, 16, 17, 22 en 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 1°, in limine, en 2°, in fine, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de artikelen 2 en 14, lid 1, van het Verdrag nr. 29 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de gedwongen of verplichte arbeid en met artikel 1 van het Verdrag nr. 105 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de afschaffing van de dwangarbeid. In het eerste onderdeel van dat middel voeren zij aan dat de mogelijkheid, voor de Orde van advocaten, om te voorzien in de verplichte inschrijving van advocaten op de lijst van de advocaten die prestaties in het kader van de juridische bijstand wensen te verrichten, in strijd is met het recht op de vrije keuze van een beroepsactiviteit. In het tweede onderdeel van dat middel zijn zij van mening dat het gaat om een vordering van werk die in strijd is met de aangevoerde bepalingen, aangezien het nagestreefde doel in te algemene bewoordingen is gedefinieerd en niet gepaard gaat met minimale waarborgen die in de wet worden vastgesteld. In het derde onderdeel van dat middel klagen zij aan dat het aldus verplicht gemaakte werk niet billijk en vooraf wordt vergoed.

A.14.2. Inleidend merkt de Ministerraad op dat geen enkele van de verzoekende partijen wordt geraakt door de bestreden bepaling; de vzw's zijn niet betrokken en de verzoekende advocaat zet zelf uiteen dat hij de juridische bijstand vrijwillig uitgebreid beoefent. Hij is van mening dat die vaststelling op zijn minst de geloofwaardigheid van het middel aantast.

De Ministerraad zet uiteen dat de bestreden maatregel tot doel heeft het daadwerkelijke karakter van de juridische bijstand te waarborgen en alleen in noodzakelijke gevallen kan worden uitgevoerd. Hij leidt hieruit af dat die maatregel bijdraagt tot een verbetering van de toegang tot de juridische bijstand en is dus verwonderd dat de verzoekende partijen de vernietiging ervan vorderen. Ten slotte herinnert hij eraan dat de vergoeding van de advocaten die prestaties van juridische bijstand verrichten, bij de wet is bepaald en dat de advocaat die verplicht zou worden ingeschreven op de lijst in elk geval niet ertoe zou worden gedwongen zijn volledige beroepswerkzaamheid aan de juridische bijstand te wijden.

17 A.14.3. De verzoekende partijen antwoorden dat, op zijn minst, de vzw « Syndicat des avocats pour la démocratie » onbetwistbaar belang heeft bij het middel in zoverre zij de individuele vrijheden van de advocaten verdedigt. Zij zijn overigens van mening dat het feit dat Mr. Andrien de juridische bijstand thans op vrijwillige wijze beoefent, zijn belang niet aantast om bepalingen aan te vechten op grond waarvan hij daartoe in de toekomst zou kunnen worden verplicht in een kader dat hem niet zou schikken. Ten slotte verwijzen zij naar het beroep tot vernietiging ingesteld door de Orde van advocaten van de balie van Brugge en ingeschreven op de rol van het Hof onder nr. 6574. Ten gronde betwisten de verzoekende partijen dat de bestreden maatregel bijdraagt tot het verbeteren van de toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand, aangezien het moeilijk is om van een advocaat, die verplicht is een dossier te verdedigen tegen een vergoeding die niet in verhouding staat met het te leveren werk, te eisen dat hij meer dan de « minimumdienst » verstrekt. Ten slotte zijn zij van mening dat de Ministerraad zijn verantwoordelijkheid voor de invoering van een verplichting tot gedwongen werk niet kan afschuiven onder het voorwendsel dat de advocaat daarnaast in staat zou zijn om in privédossiers voldoende te verdienen.

Ten aanzien van het dertiende middel in de zaak nr. 6598 A.15.1.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending, door de artikelen 3, 5, 1°, 2° en 3°, en 7 van de bestreden wet, van de artikelen 10, 11, 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 2°, in fine, en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 34 van de Grondwet, met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de bepalingen van het Europees recht in verband met de vrijheid van ondernemen en met name artikel 16 van het voormelde Handvest, met de bepalingen van het Europees recht betreffende het vrij verkeer van werknemers en met name artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met de bepalingen van het Europees recht betreffende de vrije vestiging en met name artikel 49 van het VWEU, met de bepalingen van het Europees recht betreffende het vrije verkeer van diensten en kapitaal en met name artikel 56 van het VWEU, met de bepalingen van het Europees recht betreffende de vrije mededinging en met name de artikelen 101 en 102 van het VWEU, met de bepalingen van het Europees recht betreffende de staatssteun en met name artikel 107, lid 1, van het VWEU en met de artikelen 1, 3 en 5 van de richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten.

A.15.1.2. In het eerste onderdeel van dat middel verwijten de verzoekende partijen artikel 3 van de bestreden wet de juridische tweedelijnsbijstand voor te behouden aan de ordes van advocaten en aldus een onverantwoord verschil in behandeling in te voeren tussen verschillende vergelijkbare categorieën van personen die die juridische bijstand kunnen verstrekken, waaronder de in de juridische en rechtsbijstand aan personen gespecialiseerde verenigingen. In het tweede onderdeel van dat middel voeren zij aan dat dat monopolie toegekend aan de beroepsverenigingen van advocaten een in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU verboden staatssteun vormt. In het derde onderdeel van dat middel klagen zij een discriminatie aan tussen de advocaten en andere categorieën van verstrekkers van juridische bijstand in de toegang tot werk, tot het vrije verkeer van werknemers, tot de vrijheid van vestiging en tot de vrije mededinging, alsook in de toegang tot de vrije dienstverrichting. In het vierde onderdeel van dat middel klagen zij een discriminatie aan tussen de advocaten die zijn ingeschreven bij de Belgische beroepsordes en de advocaten die vallen onder andere lidstaten van de Europese Unie.

A.15.2.1. In hoofdorde merkt de Ministerraad op dat het « monopolie » ten gunste van de advocaten niet voortvloeit uit de bestreden wet, maar zijn oorsprong vindt in de wet van 23 november 1998 betreffende de juridische bijstand en dat artikel 3 van de bestreden wet slechts een nadere regel vormt inzake de uitvoering van de opdracht inzake het beheer van de juridische tweedelijnsbijstand die het eerste lid, onveranderd gebleven, van artikel 508/7 van het Gerechtelijk Wetboek toekent aan de raad van de Orde. In ondergeschikte orde voert hij aan dat de exclusiviteit die de advocaat geniet in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand objectief en evenredig verantwoord is. Hij herinnert in dat opzicht aan het verband tussen de juridische tweedelijnsbijstand en de toegang tot de rechter en leidt hieruit af dat het contentieux en het pleidooi wel degelijk de wezenlijke activiteiten van de juridische bijstand vormen, waarbij de activiteit van de raadsman slechts bijkomend is. Hij voegt eraan toe dat het verschil tussen de juridische eerstelijnsbijstand en de juridische tweedelijnsbijstand precies ertoe strekt de activiteiten die onder de juridische bijstand vallen, open te stellen voor andere beroepsmensen dan de advocaten.

A.15.2.2. Ten aanzien van de kritiek in verband met de staatssteun is de Ministerraad van mening dat de juridische bijstand een dienst van algemeen economisch belang vormt, dat die dienst niet zou kunnen worden 18 verricht zonder het optreden van de Staat, aangezien, zonder dat optreden, de betrokkenen geen toegang zouden hebben tot de bijstand van een advocaat, dat de compensatie is berekend op basis van parameters die objectief en transparant zijn vastgesteld, en dat zij niet hoger ligt dan hetgeen noodzakelijk is om alle of een deel van de kosten te dekken die voortvloeien uit de uitvoering van de verplichtingen van openbare dienst. Ten slotte ziet de Ministerraad niet goed hoe die prestaties zouden kunnen worden toegewezen door middel van een openbare aanbesteding, maar is hij van mening dat de vergoeding die in het kader van de juridische bijstand aan de advocaten wordt toegekend in elk geval niet meer bedraagt dan de gemiddelde vergoeding van de advocaten van het Rijk. Hij besluit hieruit dat het mechanisme van de juridische bijstand beantwoordt aan de vereisten van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

A.15.2.3. De Ministerraad merkt ten slotte op dat geen enkele bepaling van de bestreden wet verbiedt om in de beoogde lijst advocaten op te nemen die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie.

A.15.3. De verzoekende partijen zijn van mening dat het wel degelijk de bestreden bepaling is die de exclusiviteit van de prestaties die vallen onder de juridische tweedelijnsbijstand voorbehoudt aan de advocaten en niet de artikelen 508/1, 2°, of 508/7, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Zij zijn van mening dat te dezen niet is voldaan aan de criteria die toelaten staatssteun geldig te verklaren. -B- Ten aanzien van de bestreden wet en het onderzoek van de middelen B.1.1. De samengevoegde beroepen strekken tot de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 6 juli 2016 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand. Uit de verzoekschriften blijkt dat de middelen betrekking hebben op de artikelen 3 tot 5, 7, 9 en 13 tot 19 van die wet.

B.1.2. Luidens artikel 508/1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek is de juridische tweedelijnsbijstand : « de juridische bijstand die wordt verleend aan een natuurlijke persoon in de vorm van een omstandig juridisch advies, bijstand al dan niet in het kader van een procedure of bijstand bij een geding met inbegrip van de vertegenwoordiging in de zin van artikel 728 ».

B.1.3. De bestreden bepalingen wijzigen eveneens de voorwaarden inzake de toekenning van rechtsbijstand. Artikel 664 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 15 van de bestreden wet, bepaalt : « Rechtsbijstand bestaat erin degenen die niet over de nodige bestaansmiddelen beschikken om de kosten van rechtspleging, zelfs van een buitengerechtelijke rechtspleging, te bestrijden, geheel of ten dele te ontslaan van de betaling van de diverse rechten, registratie-, griffie- en uitgifterechten en van de andere kosten welke deze rechtspleging medebrengt. Hij 19 verschaft aan de betrokkene ook kosteloos de tussenkomst van openbare en ministeriele ambtenaren onder de hierna bepaalde voorwaarden.

Hij biedt de betrokkene tevens de mogelijkheid kosteloos bijstand te genieten van een technisch adviseur bij gerechtelijke deskundigenonderzoeken ».

B.1.4. Luidens de memorie van toelichting van de bestreden wet, beoogt die laatste « de filosofie te behouden van het systeem van kosteloze juridische bijstand, namelijk de toegang tot justitie voor iedereen, rekening houdend met een belangrijk aantal verzoeken om juridische bijstand in België [en] hervormt en moderniseert [zij] het systeem van juridische tweedelijnsbijstand zodat we het duurzaam kunnen garanderen voor wie er daadwerkelijk recht op heeft » en te « zoeken naar een evenwicht tussen de toegang van de rechtszoekende tot het gerecht en een billijke vergoeding van de advocaten voor de werkelijk geleverde prestaties » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1819/001, p. 4).

B.1.5. Om dat doel te bereiken, voorziet de wetgever met name in de volgende maatregelen :

-de invoering van het beginsel van de betaling van een bijdrage door de begunstigde;
-een betere definitie van de bestaansmiddelen van de kandidaat voor de juridische bijstand die in aanmerking moeten worden genomen om na te gaan of hij voldoet aan de voorwaarden om die te verkrijgen;
-de invoering van een meer adequate controle van de bestaansmiddelen van de aanvrager;
-het weerlegbare karakter van de verschillende vermoedens van ontoereikende inkomsten ten behoeve van sommige categorieën van rechtzoekenden;
-de invoering van een aangepast controlemechanisme waardoor de bureaus voor juridische bijstand de verrichte prestaties adequater kunnen controleren;

20

-de inschrijving, door de Ordes, van de advocaten die de prestaties van juridische bijstand willen verrichten, op een lijst en de mogelijkheid voor de Ordes om sommige advocaten ambtshalve in te schrijven;
-de invoering van een mechanisme waardoor de advocaten een vergoeding rechtstreeks van de begunstigde kunnen vorderen wanneer hun optreden het die laatste mogelijk heeft gemaakt een bepaald bedrag te ontvangen;
-de herziening van de « nomenclatuur » teneinde de punten rechtvaardiger toe te kennen en de puntwaardes te harmoniseren voor de gelijkwaardige procedures (ibid., pp. 5-8).

B.2. Het Hof onderzoekt de middelen door die als volgt te groeperen :

1.de middelen betreffende het begrip « bestaansmiddelen » (artikelen 5, 7, 13 tot 16 en 18 van de bestreden wet) : B.3.1 - B.12.6;
2.de middelen betreffende de door de rechtzoekende te betalen bijdragen (artikel 7 van de bestreden wet) : B.13.1 - B.17.4;
3.de middelen betreffende de rol van de Ordes van advocaten in de aanstelling van de bijstandsverstrekkers en in de controle van de prestaties (artikelen 3 en 4 van de bestreden wet) : B.18.1 - B.28;
4.de middelen betreffende het recht op de vergoeding van de advocaten (artikelen 7 en 9 van de bestreden wet) : B.29 - B.34;
5.het middel betreffende het monopolie van de Belgische Ordes van advocaten inzake de prestaties van juridische tweedelijnsbijstand (artikelen 3, 5 en 7 van de bestreden wet) :

B.35 - B.37;

6.het middel betreffende het recht op rechtsbijstand van de vreemdelingen die niet gemachtigd zijn tot het verblijf (artikel 17 van de bestreden wet) : B.38.1 - B.44;

21 7. de middelen betreffende de inwerkingtreding van de bestreden wet (artikel 19 van de bestreden wet) : B.45.1 - B.48.

Ten aanzien van de middelen betreffende het begrip « bestaansmiddelen »

B.3.1. Artikel 5, 1° en 3°, van de bestreden wet van 6 juli 2016 brengt de volgende wijzigingen aan in artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek : « 1° in het eerste lid, worden de woorden ‘ onvoldoende inkomsten ’ vervangen door de woorden ‘ ontoereikende bestaansmiddelen ’; […] 3° het tweede lid wordt vervangen als volgt : ‘ De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de omvang van die bestaansmiddelen, de over te leggen bewijsstukken en wie gelijkgesteld wordt met de personen met ontoereikende bestaansmiddelen. ’; […] ».

Het bestreden artikel 7 vervangt artikel 508/17 van het Gerechtelijk Wetboek. Die bepaling schrijft, in paragraaf 2 ervan, voor dat de begunstigde van de gedeeltelijk kosteloze juridische bijstand ertoe gehouden is een bijdrage te betalen « die afhankelijk is van zijn bestaansmiddelen » en dat de Koning het bedrag van die bijdrage « die afhankelijk is van de bestaansmiddelen » vaststelt.

Het bestreden artikel 13 vervangt, in de artikelen 508/22, eerste lid, en 508/23, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, het woord « inkomensvoorwaarden » door de woorden « voorwaarden betreffende de bestaansmiddelen ».

Het bestreden artikel 14 vervangt, in artikel 508/25 van het Gerechtelijk Wetboek, het woord « inkomsten » door het woord « bestaansmiddelen ».

Het bestreden artikel 15 vervangt, in artikel 664, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, het woord « inkomsten » door het woord « bestaansmiddelen ».

22 Het bestreden artikel 16 vervangt artikel 667 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de rechtsbijstand. Krachtens het eerste lid van de nieuwe bepaling wordt het voordeel van de rechtsbijstand toegekend aan de personen van Belgische nationaliteit die aantonen dat hun bestaansmiddelen ontoereikend zijn.

Het bestreden artikel 18 vervangt, in de artikelen 669, 677, eerste lid, 693, eerste lid, en 699ter van het Gerechtelijk Wetboek, het woord « inkomsten » door het woord « bestaansmiddelen ».

B.3.2. Uit die wijzigingen vloeit voort dat de toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand en tot de rechtsbijstand voortaan afhankelijk is van het bewijs dat de aanvrager niet beschikt over toereikende « bestaansmiddelen » om de diensten van zijn advocaat te vergoeden en om de gerechtskosten volgens de toepasselijke regels en schalen te betalen.

B.3.3. In de memorie van toelichting wordt in verband met die bepalingen aangegeven : « Bovendien zal een meer adequate controle van de bestaansmiddelen van de verzoeker worden ingevoerd.

Het huidige systeem van onderzoek van de inkomsten toont aan dat heel wat van die inkomsten niet voldoende in aanmerking worden genomen, inzonderheid het inkomen uit onroerende goederen, roerende goederen of het spaargeld als dusdanig.

Zo worden de teksten van het Gerechtelijk Wetboek inzake de financiële voorwaarden voor toegang tot juridische tweedelijnsbijstand en tot rechtsbijstand geharmoniseerd en wordt verwezen naar het begrip bestaansmiddelen. Het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand (BS 24 december 2003) zal ook worden gewijzigd teneinde rekening te houden met alle bestaansmiddelen van de begunstigde.

Door alle bestaansmiddelen van de verzoekers te onderzoeken, kan juridische bijstand worden gewaarborgd aan diegenen die het nodig hebben en kan dit voordeel worden geweigerd aan diegenen die, in werkelijkheid, beschikken over een toegang tot het gerecht via de traditionele weg » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1819/001, p. 6).

Er wordt eveneens op gewezen dat de wijzigingen een terminologische harmonisatie beogen :

23 « Het huidige voorontwerp heeft tot doel terug te grijpen naar het begrip ‘ bestaansmiddelen ’ en dit begrip zowel te gebruiken voor de juridische tweedelijnsbijstand als voor de rechtsbijstand; toch is het ook noodzakelijk de taalkundige versies met elkaar in overeenstemming te brengen.

De Franstalige versie van artikel 508/13 maakt gebruik van het begrip ‘ ressources ’, hetgeen overeenstemt met het doel van dit ontwerp. Desalniettemin, komt in het Nederlands het begrip ‘ inkomsten ’ niet helemaal overeen met het begrip ‘ ressources ’. Om die redenen hebben wij in het Nederlands het begrip ‘ bestaansmiddelen ’ ingevoerd. Om tot een overeenstemmende vertaling te komen gebruiken we derhalve in het Frans de woorden ‘ moyens d’existence ’ eerder dan ‘ ressources ’ dat nochtans ook overeenkomt met het doel van het huidige voorontwerp » (ibid., p. 11).

In verband met de delegatie aan de Koning vervat in artikel 508/13, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt in de memorie van toelichting gepreciseerd : « […] dat het Koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand, uitvoering geeft aan dit artikel en preciseert met welke vermogensbestanddelen rekening moet worden gehouden om in aanmerking te komen voor juridische bijstand. Dit KB zal moeten aangepast worden opdat rekening zou worden gehouden met alle bestaansmiddelen van de begunstigde, met name beroepsinkomsten, inkomsten van onroerende goederen, inkomsten van roerende goederen, diverse inkomsten, kapitalen, voordelen, het onroerend goed behoudens de enige en eigen woning, enz. » (ibid.).

B.3.4. In verband met de bestreden terminologische wijziging heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt : « Vraag is evenwel of die terminologische aanpassing volstaat om volledige duidelijkheid te verschaffen omtrent de vraag welke elementen van de financiële situatie van de betrokkene in aanmerking dienen te worden genomen bij de beslissing over het al dan niet toekennen van de juridische tweedelijnsbijstand. Zo kan de vraag rijzen of en eventueel in welke mate of op welke wijze patrimoniumelementen in rekening kunnen worden gebracht bij de berekening van de bestaansmiddelen » (ibid., p. 49).

B.4.1. De grieven hebben betrekking op de schending van het wettigheidsbeginsel inzake het recht op juridische bijstand dat met name wordt gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet (eerste middel in de twee zaken), de schending van de standstill-verplichting inzake het recht op juridische bijstand vervat in artikel 23 van de Grondwet (vijfde middel in de zaak nr. 6596 en zesde middel in de zaak nr. 6598), de schending van het 24 wettigheidsbeginsel inzake het recht op de bescherming van het privéleven (tweede en derde middel in de twee zaken) en de schending van het recht op de bescherming van het privéleven en van de rechten van verweer (negende middel in de zaak nr. 6596 en elfde middel in de zaak nr. 6598).

B.4.2. Het Hof onderzoekt allereerst de middelen in zoverre zij zijn afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.5.1. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

Die rechten omvatten inzonderheid : […] 2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand; […] ».

B.5.2. Door het recht op juridische bijstand vast te leggen in het voormelde artikel 23, derde lid, 2°, naast het recht op sociale en geneeskundige bijstand, beoogde de Grondwetgever in eerste instantie « de mens in nood te beschermen ».

Volgens de parlementaire voorbereiding « beoogt [het artikel] echter meer, namelijk een groter welzijn. Het gebrek aan juridische kennis of maatschappelijke weerbaarheid mag de particulier het genot van een recht niet ontnemen noch hem de formulering van een verweer ontzeggen » (Parl. St., Senaat, B.Z.

1991-1992, nr. 100-2/1°, p. 11, en nr. 100-2/3°, p. 19).

B.5.3. Artikel 23 houdt aldus ter zake een standstill-verplichting in die de bevoegde wetgever verbiedt het door de toepasselijke wetgeving geboden beschermingsniveau aanzienlijk te verminderen, zonder dat daartoe redenen van algemeen belang bestaan.

25 B.5.4. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt overigens dat de wet, het decreet of de ordonnantie de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op juridische bijstand bepalen.

Die grondwetsbepaling verbiedt de wetgever echter niet machtigingen aan de uitvoerende macht te verlenen, voor zover die machtigingen betrekking hebben op het nemen van de maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp heeft aangegeven. Zij verplicht de wetgever dus niet om alle essentiële elementen van het recht op juridische bijstand te regelen en verbiedt hem niet om de uitvoerende macht ertoe te machtigen die te regelen.

B.5.5. Te dezen klagen de verzoekende partijen zowel een aanzienlijke achteruitgang van de bescherming van het recht op juridische bijstand en op rechtsbijstand aan, die in strijd is met het standstill-beginsel vervat in artikel 23 (vijfde middel in de zaak nr. 6596 en zesde middel in de zaak nr. 6598), als een schending van het bij die bepaling gewaarborgde wettigheidsbeginsel in zoverre de voorwaarde inzake de uitoefening van het recht op juridische bijstand en op rechtsbijstand onvoldoende nauwkeurig zou zijn en het voorwerp zou uitmaken van een te ruime delegatie aan de uitvoerende macht (eerste middel in de twee zaken).

B.6.1. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ».

Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ’s lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden.

26 […] 3. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft ten minste de volgende rechten : […]

c)zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze, of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien het belang van de rechtspraak dit eist; […] ».

Artikel 13 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgen het recht op toegang tot de rechter.

B.6.2. In strafzaken maakt de kosteloze bijstand van een advocaat voor de beschuldigden die niet de middelen hebben om hem te vergoeden, krachtens het voormelde artikel 6.3 rechtstreeks deel uit van het recht op een eerlijk proces. In de andere zaken dan de strafzaken kan de kosteloze bijstand van een advocaat eveneens, in sommige omstandigheden, een voorwaarde zijn om dat fundamenteel recht te genieten (EHRM, 9 oktober 1979, Airey t. Ierland, § 26; 16 juli 2002, P.C. en S. t. Verenigd Koninkrijk, § 100; 15 februari 2005, Steel en Morris t. Verenigd Koninkrijk, § 72; 27 juni 2006, Tabor t. Polen, § 47).

B.6.3. De rechtsbijstand valt, in zoverre die sommige rechtzoekenden vrijstelt van de betaling van kosten die hen de toegang tot de rechter zouden kunnen belemmeren, eveneens onder het toepassingsgebied van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 12 juni 2007, Bakan t. Turkije, §§ 77 en 78; 10 maart 2009, Anakomba Yula t. België, § 32).

B.6.4. Hieruit vloeit voort dat de juridische bijstand en de rechtsbijstand voor de personen die niet over toereikende middelen beschikken om de kosten te kunnen dragen die zijn verbonden aan het voeren van een jurisdictionele procedure, een fundamenteel element van het recht op een eerlijk proces vormen.

B.7.1. Zoals blijkt uit de in B.3.3 aangehaalde uittreksels uit de parlementaire voorbereiding betreffende de bestreden bepalingen, heeft de wetgever, door te kiezen voor het 27 begrip « ontoereikende bestaansmiddelen », een van de voorwaarden bepaald voor de uitoefening van het recht op juridische bijstand en op rechtsbijstand en heeft hij het onderwerp van de aan de Koning verleende delegatie derhalve voldoende bepaald. Gelet op het technische aspect van de materie en de verscheidenheid van de situaties, alsook op de noodzaak om de drempels te kunnen aanpassen waaronder een persoon moet worden geacht niet over toereikende bestaansmiddelen te beschikken om zelf de kosten van een gerechtelijke procedure te dragen, kan worden aangenomen dat de wetgever de aard en de omvang van de in aanmerking te nemen bestaansmiddelen niet zelf diende te preciseren.

B.7.2. In zoverre zij de Koning ertoe machtigen de aard en de omvang te bepalen van de bestaansmiddelen die in aanmerking moeten worden genomen voor de toekenning van het recht op juridische bijstand en op rechtsbijstand, schenden de bestreden bepalingen het in artikel 23 van de Grondwet vervatte wettigheidsbeginsel niet.

Daar de grief die de verzoekende partijen in de twee zaken in hun eerste middel uiteenzetten, uitsluitend betrekking heeft op de verenigbaarheid van de delegatie aan de Koning met het wettigheidsbeginsel, kan het onderzoek van de bestreden bepalingen in het licht van de andere door de verzoekende partijen in dat middel aangevoerde normen niet tot een andere conclusie leiden.

Het eerste middel in de twee zaken is niet gegrond.

B.8.1. In hun vijfde (zaak nr. 6596) en zesde (zaak nr. 6598) middel verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepalingen voornamelijk de standstill-verplichting te schenden vervat in artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.8.2. Door het woord « inkomsten », dat in het Frans door « ressources » of « revenus » werd vertaald, te vervangen door de uitdrukking « bestaansmiddelen », in het Frans vertaald door « moyens d’existence », in de wetsbepalingen betreffende de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op juridische bijstand en op rechtsbijstand, beoogt de wetgever niet alleen de gebruikte termen te harmoniseren, maar tevens de juridische bijstand en de rechtsbijstand voor te behouden aan de rechtzoekenden die er werkelijk nood aan hebben :

28 « Zo wordt bij de toekenning van de al dan niet kosteloze bijstand rekening gehouden met alle bestaansmiddelen waarover de rechtzoekende beschikt en niet meer beperkend tot zijn inkomsten, zoals vandaag het geval is. […] Door alle bestaansmiddelen van de rechtzoekende bij de toekenning van de al dan niet volledige kosteloosheid te betrekken, blijft de juridische bijstand verzekerd voor wie er daadwerkelijk nood aan heeft » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1819/003, p. 6).

De bestreden bepalingen zijn derhalve van aard rechtzoekenden uit te sluiten die voorheen van dat recht zouden hebben kunnen genieten.

B.8.3. Het doel, dat erin bestaat de duurzaamheid van de regeling van de juridische bijstand voor de minst bedeelde rechtzoekenden te verzekeren (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1819/001, p. 4; DOC 54-1819/003, p. 6), kan worden aangenomen, gelet op de budgettaire beperkingen waarmee de overheid wordt geconfronteerd en kan derhalve een reden van algemeen belang vormen.

De daartoe genomen maatregelen zijn evenwel alleen verenigbaar met de vereisten die voortvloeien uit artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien zij de toegang tot de juridische bijstand en tot de rechtsbijstand werkelijk waarborgen voor de rechtzoekenden voor wie het recht op toegang tot een rechter en het recht op een eerlijk proces, zonder die bijstand, verdwijnt of ernstig wordt belemmerd, rekening houdend met alle kosten van een gerechtelijke procedure.

B.8.4. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de aard en de omvang van de bestaansmiddelen zo door de Koning moeten worden bepaald dat zij werkelijk waarborgen dat alle rechtzoekenden die zonder juridische bijstand en zonder rechtsbijstand geen toegang zouden hebben tot de rechter, of voor wie het fundamenteel recht op een eerlijk proces niet zou zijn gewaarborgd, worden geacht niet over toereikende bestaansmiddelen te beschikken.

In dat opzicht dient het begrip « bestaansmiddelen » te worden omschreven door de Koning teneinde alleen de inkomsten en de elementen van het vermogen van de rechtzoekende in aanmerking te nemen die het hem daadwerkelijk mogelijk maken de gerechtskosten en de erelonen van advocaten te betalen en teneinde de elementen uit te sluiten die, hoewel zij middelen vormen die de rechtzoekende en zijn gezin toelaten te leven, hem niet helpen om de onvoorziene en uitzonderlijke uitgaven naar aanleiding van een gerechtelijke procedure te betalen. Het staat aan de Koning, onder het toezicht van de bevoegde rechter, niet alleen de 29 aard van de in aanmerking te nemen bestaansmiddelen nauwkeurig te bepalen, maar tevens de omvang ervan, teneinde de naleving van de standstill-verplichting vervat in artikel 23 van de Grondwet te waarborgen.

B.8.5. De bestreden bepalingen doen op zich geen afbreuk aan de standstill-verplichting vervat in artikel 23 van de Grondwet.

B.8.6. Voor het overige wordt aan de kritiek van de verzoekende partijen betreffende de rechtsonzekerheid verbonden aan het begrip « bestaansmiddelen » en de verschillen in behandeling onder rechtzoekenden naar gelang van de manier waarop het begrip zal worden geïnterpreteerd, tegemoetgekomen door de interpretatie van dat begrip zoals het door de Koning moet worden bepaald, onder het toezicht van de bevoegde rechter. Ten slotte valt de kritiek betreffende de aantasting van het recht op een eerlijk proces met betrekking tot een mogelijke afkeer van de advocaten die prestaties in het kader van de juridische bijstand willen verrichten, onder de tenuitvoerlegging van de wet en ontsnapt die om die reden aan de bevoegdheid van het Hof.

B.8.7. Aangezien de door de verzoekende partijen in die middelen uiteengezette grief uitsluitend betrekking heeft op de verenigbaarheid van de bestreden bepalingen met de standstill-verplichting vervat in artikel 23 van de Grondwet inzake juridische bijstand, kan het onderzoek van de bestreden bepalingen in het licht van de andere normen die de verzoekende partijen in die middelen aanvoeren, niet tot een andere conclusie leiden.

Het vijfde middel in de zaak nr. 6596 en het zesde middel in de zaak nr. 6598 zijn niet gegrond.

B.9.1. Het tweede en het derde middel in de twee zaken zijn afgeleid uit de schending van het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 22 van de Grondwet, dat het recht op de eerbiediging van het privéleven waarborgt, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11, 23, 33, 37, 105, 106 en 108 van de Grondwet, met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene beginselen van wettigheid, gewettigd vertrouwen en rechtszekerheid.

30 B.9.2. De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepalingen, in zoverre zij het begrip « inkomsten » vervangen door het begrip « bestaansmiddelen », in zoverre zij de Koning ertoe machtigen de omvang te bepalen van de bestaansmiddelen die in aanmerking moeten worden genomen om het recht op juridische bijstand en rechtsbijstand toe te kennen of te weigeren en in zoverre zij tot gevolg hebben dat de bureaus voor juridische bijstand ertoe worden gebracht de bestaansmiddelen van de rechtzoekenden concreet na te gaan, een schending in te houden van het wettigheidsbeginsel verbonden aan het recht op de eerbiediging van het privéleven, alsook een schending van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie.

B.10.1. Doordat artikel 22 van de Grondwet aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehoudt om vast te stellen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven, waarborgt het aan elke burger dat geen enkele inmenging in de uitoefening van dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.

Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.

Naast de formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet eveneens de verplichting op dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven in duidelijke en voldoende nauwkeurige bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging toestaat.

B.10.2. Door aan de Koning de bevoegdheid toe te kennen om de aard en de omvang vast te stellen van de bestaansmiddelen waarmee rekening moet worden gehouden om de kosteloze of gedeeltelijk kosteloze juridische bijstand en de rechtsbijstand toe te kennen, heeft de wetgever de essentiële elementen vastgesteld van de regelgeving die hij Hem machtigt aan te nemen. Daarenboven heeft de door de wetgever toegestane inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven enkel betrekking op het geval waarin een rechtzoekende 31 vraagt om gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische bijstand te kunnen genieten, alsook op het geval waarin een rechtzoekende vraagt om rechtsbijstand te genieten. Die gevallen worden op voldoende nauwkeurige en voorzienbare wijze afgebakend bij de bestreden wet.

Voor het overige komt het de Koning toe, onder het toezicht van de bevoegde rechter, de aard en de omvang van de in aanmerking te nemen bestaansmiddelen te bepalen zonder een onverantwoorde inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken rechtzoekenden te veroorzaken.

B.11.1. De rechtzoekende die een beroep wenst te doen op juridische bijstand en op rechtsbijstand weet dat hij, om dat recht te genieten, moet aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden die de wetgever vaststelt om daartoe toegang te hebben. Een van die voorwaarden is dat men niet beschikt over toereikende bestaansmiddelen. Het nagaan van die voorwaarde door de bureaus voor juridische bijstand, net als het nagaan, voorheen, van de voorwaarde dat men geen inkomsten bezit boven een bepaald plafond, leidt onvermijdelijk tot een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken rechtzoekende. Een dergelijke inmenging is evenwel verantwoord door het nagestreefde doel, namelijk de toegang tot de rechter en het recht op een eerlijk proces waarborgen voor de rechtzoekenden voor wie die fundamentele rechten, zonder die bijstand, niet zouden kunnen worden gewaarborgd.

B.11.2. Zoals in B.8.4 is vermeld, staat het aan de Koning, onder het toezicht van de bevoegde rechter, om de aard en de omvang van de in aanmerking te nemen bestaansmiddelen nauwkeurig te omschrijven. Aangezien het begrip « bestaansmiddelen » in de reglementaire teksten moet worden gedefinieerd met naleving van de vereisten die voortvloeien uit artikel 23 van de Grondwet, is de inmenging, door de bureaus voor juridische bijstand, in het recht op eerbiediging van het privéleven ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het recht op juridische bijstand en op rechtsbijstand niet zonder redelijke verantwoording.

B.11.3. Ten aanzien van de grief van de verzoekende partijen met betrekking tot de machtiging aan de bureaus voor juridische bijstand om de stukken van de rechtzoekenden te bewaren (derde middel in de twee zaken, tweede onderdeel), dient te worden opgemerkt dat die betrekking heeft op artikel 508/13, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat niet is gewijzigd door de bestreden wet.

32 B.11.4. Ten slotte zouden de definitie van het begrip « bestaansmiddelen » door de Koning en de rol van de Ordes van advocaten, die ertoe gemachtigd zijn gedragsregels vast te stellen teneinde de praktijk van de verschillende bureaus voor juridische bijstand uniform te maken, moeten voorkomen dat onder rechtzoekenden verschillen in behandeling ontstaan ten aanzien van het recht op juridische bijstand of op rechtsbijstand, of nog, ten aanzien van de nadere regels inzake het bewaren van de stukken.

B.11.5. Het tweede en het derde middel in de twee zaken zijn niet gegrond.

B.12.1. De verzoekende partijen leiden nog een negende (in de zaak nr. 6596) en een elfde (in de zaak nr. 6598) middel af uit de schending, door dezelfde bepalingen, van het recht op eerbiediging van het privéleven, van de rechten van verweer van de rechtzoekende en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Zij verwijten de bestreden bepalingen de advocaat die prestaties in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand verricht, ertoe te verplichten zich in het recht op eerbiediging van het privéleven van de rechtzoekende te mengen om na te gaan of hij niet beschikt over meer bestaansmiddelen dan hetgeen de Koning heeft vastgesteld voor de toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand.

Zij zijn van mening dat die inmenging het risico inhoudt dat de onafhankelijkheid van de advocaat wordt aangetast (eerste onderdeel van het middel in de twee zaken en vierde onderdeel van het middel in de zaak nr. 6596), alsook een onevenredige afwijking van het beginsel van het beroepsgeheim van de advocaat inhoudt (tweede onderdeel van het middel in de zaak nr. 6596 en derde onderdeel van het middel in de zaak nr. 6598), het risico van belangenconflicten voor de advocaten vergroot (derde onderdeel van het middel in de zaak nr. 6596 en vierde onderdeel van het middel in de zaak nr. 6598) en onverantwoorde verschillen in behandeling invoert onder rechtzoekenden naargelang zij in staat zijn hun advocaat zelf te betalen en geen inmenging van die advocaat hoeven te ondergaan in hun recht op eerbiediging van hun privéleven, dan wel een beroep moeten doen op juridische tweedelijnsbijstand (vijfde onderdeel van het middel in de zaak nr. 6596 en tweede onderdeel van het middel in de zaak nr. 6598).

B.12.2. Zoals is vermeld in B.11.1 en B.11.2, is de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van de rechtzoekende die een beroep doet op de regeling van de juridische tweedelijnsbijstand, in beginsel verantwoord door het met die regeling 33 nagestreefde doel. Die verantwoording is dezelfde, ongeacht of men ervan uitgaat dat de inmenging gebeurt door het bureau voor juridische bijstand of door de aangestelde of door de rechtzoekende gekozen advocaat die nagaat of hij voldoet aan de voorwaarden om juridische bijstand te genieten of die zijn cliënt begeleidt in de stappen die moeten worden gezet om zijn aanstelling in het kader van de juridische bijstand te verkrijgen.

B.12.3. Evenzo is het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit onder rechtzoekenden, naargelang zij al dan niet een beroep doen op de juridische tweedelijnsbijstand, redelijk verantwoord door het doel dat met de regeling van de juridische bijstand wordt nagestreefd.

B.12.4. Voor het overige zijn alle gegevens die aan de advocaat worden toevertrouwd met betrekking tot de bestaansmiddelen van de aanvrager, gedekt door het beroepsgeheim dat hem, alsook de leden van het bureau voor juridische bijstand die de dossiers moeten behandelen, met toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek, bindt, zodat de bestreden bepalingen geen afbreuk doen aan het beroepsgeheim van de advocaat.

B.12.5. Ten slotte is het risico van belangenconflicten voor de advocaat die optreedt in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand, op voorwaarde dat het kan worden aangetoond, niet groter sinds de aanneming van de bestreden bepalingen dan ervoor en valt het onder de deontologie van de advocaat die door de overheden van de Ordes wordt gecontroleerd.

B.12.6. Het negende (in de zaak nr. 6596) en elfde (in de zaak nr. 6598) middel zijn niet gegrond.

Ten aanzien van de middelen betreffende de door de rechtzoekende verschuldigde bijdragen B.13.1. Artikel 7 van de bestreden wet vervangt artikel 508/17 van het Gerechtelijk Wetboek door de volgende bepaling :

34 « Art. 508/17. § 1. Wanneer de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand, stelt het bureau voor juridische bijstand een advocaat aan die voorkomt op de in artikel 508/7 bedoelde lijst.

Behoudens in geval van opvolging van advocaten, geeft elke aanstelling aanleiding tot de inning door de advocaat van een forfaitaire bijdrage ten laste van de begunstigde.

De begunstigde is er bovendien toe gehouden om, ten behoeve van zijn advocaat, een forfaitaire bijdrage te betalen per aanleg voor elke gerechtelijke procedure waarin hij door die laatste wordt vertegenwoordigd of bijgestaan.

Lire la suite ↓

Guide juridique

1

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.