Artikel 7:270 BW – Machtiging tot ruil van woonruimte
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 7. Bijzondere overeenkomsten › Titel 4. Huur › Afdeling 5. Huur van woonruimte › Onderafdeling 3. Medehuur en voortzetting van de huur · niet-officieel opschrift
1De huurder die een ruil van woonruimte wenst te bewerkstelligen, kan vorderen dat de rechter hem zal machtigen om een ander in zijn plaats als huurder te stellen. Indien op de woonruimte hoofdstuk 2 van de Huisvestingswet 2014 van toepassing is, moet de eiser een ten behoeve van de voorgestelde huurder afgegeven huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 8 van die wet met betrekking tot woonruimte overleggen.
2De rechter beslist met inachtneming van de omstandigheden van het geval, met dien verstande dat hij de vordering slechts kan toewijzen, indien de huurder een zwaarwichtig belang bij de ruil van woonruimte heeft en dat hij deze afwijst, indien de voorgestelde huurder vanuit financieel oogpunt niet voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. De rechter kan aan de machtiging voorwaarden verbinden of daarbij een last opleggen.
3Van deze bepaling kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Rechtspraak over Artikel 7:270 BW
21
2025-08-28
2025-01-29
2024-10-17
2024-10-01
2024-07-02
2024-03-28
2024-01-19
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 7:266Medehuurderschap echtgenoot of partner
- Artikel 7:267Medehuurderschap op verzoek aan de rechter
- Artikel 7:268Voortzetting van de huur door medehuurder
- Artikel 7:268aOverlijden van huurder van ligplaats
- Artikel 7:269Voortzetting van huur na onderhuur
- Artikel 7:270aMededelingsplicht bij voortzetting van de huur
- Artikel 7:270bIndeplaatsstelling bij huur van ligplaats