Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Ordonnantie houdende het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing

Kort samengevat

Deze ordonnantie regelt het lucht-, klimaat- en energiebeleid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met als doel de impact op het milieu te verminderen en de energieprestatie te verbeteren. Het zet diverse Europese richtlijnen om in Brusselse wetgeving.

Wat het regelt

  • Een geïntegreerd gewestelijk lucht-, klimaat- en energiebeleid.
  • De minimalisering van primaire energiebehoeften en vermindering van afhankelijkheid van niet-hernieuwbare energiebronnen.
  • De verbetering van de energieprestatie en het binnenklimaat van gebouwen.
  • De vermindering van emissies van luchtverontreinigende stoffen en broeikasgassen.

Wie het aanbelangt

  • Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en zijn instellingen.
  • Overheden (federaal, gewestelijk, gemeentelijk, openbaar nut, Europese en internationale instellingen) die gebouwen betrekken of activiteiten uitoefenen in het Gewest.

Kernpunten

  • Het Wetboek zet diverse Europese richtlijnen om, waaronder die over nationale emissieplafonds, energieprestatie van gebouwen en handel in broeikasgasemissierechten.
  • Doelstellingen omvatten het bevorderen van rationeel energieverbruik en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.
  • Het Gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan wordt om de vijf jaar opgemaakt en bevat richtsnoeren en maatregelen voor een periode van tien jaar (doelstellingen) en vijf jaar (maatregelen).
  • Het plan wordt onderworpen aan een milieu-evaluatie, inclusief een milieu-effectenrapport, en een openbaar onderzoek van minstens zestig dagen.
Wettekst
Wettekst

Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing (1) Het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement heeft aangenomen en Wij, Executieve, bekrachtigen, het geen volgt : BOEK 1. - ALGEMENE BEPALINGEN TITEL 1. -

Artikel 1

.1.1 Onderhavig Wetboek regelt een materie als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet. Artikel 1.1.2 Onderhavig Wetboek zet de volgende richtlijnen om in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : 1° gedeeltelijk, Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen;2° Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen;3° Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad, Richtlijn 2004/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 houdende wijziging van Richtlijn 2003/87/EG, met betrekking tot de projectgebonden mechanismen van het Protocol van Kyoto, en Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden;4° Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht;5° gedeeltelijk, Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG;6° Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa;7° gedeeltelijk, Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;8° gedeeltelijk, Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht. TITEL 2. - Doelstellingen Artikel 1.2.1 Onderhavig Wetboek streeft de volgende doelstellingen na : 1° een geïntegreerd gewestelijk lucht-, klimaat- en energiebeleid;2° de minimalisering van de primaire energiebehoeften en vooral de vermindering van de afhankelijkheid van niet hernieuwbare energiebronnen;3° het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;4° de bevordering van het rationele energieverbruik;5° de verbetering van de energieprestatie en van het binnenklimaat van de gebouwen;6° de vermindering van de impact op het milieu voortvloeiend uit de mobiliteitsbehoeften;7° de evaluatie en verbetering van de luchtkwaliteit en van de binnenlucht om de schadelijke gevolgen voor de gezondheid en het leefmilieu te voorkomen en te verminderen;8° de vermindering van de emissies van luchtverontreinigende stoffen die precursoren zijn van eutrofiërende, verzurende en troposferische ozon, van broeikasgassen, van persistente organische verontreinigende stoffen en van verontreinigende stoffen die de stratosferische ozonlaag aantasten;9° het voorbeeldgedrag van de overheden inzake energieprestatie van de gebouwen, transport en rationeel energieverbruik. De maatregelen die door of krachtens onderhavig Wetboek genomen worden om de doelstellingen verkondigd in het eerste lid te halen houden rekening met de verschillende implicaties op sociaal en economisch vlak, alsook met de diverse aspecten van duurzaam bouwen. TITEL 3. - Definities Artikel 1.3.1 In de zin van onderhavig Wetboek dient men te verstaan onder : 1° « Gewest » : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;2° « Regering » : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;3° « Het Instituut » : het Brussels Instituut voor Milieubeheer opgericht door het koninklijk besluit van 8 maart 1989Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 08/03/1989 pub. 07/11/2014 numac 2014031896 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Koninklijk besluit tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer sluiten;4° « Overheid » : een rechtspersoon die, om welke reden ook, een gebouw betrekt op het grondgebied van het Gewest of er activiteiten uitoefent en die tot één van de volgende categorieën behoort :

  1. a)de federale, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, de lokale plaatselijke besturen en de instellingen van openbaar nut;
  2. b)elke instelling niet beoogd in punt
  3. a): - opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn en - waarvan de activiteit grotendeels wordt gefinancierd door de overheden beoogd in punten
  4. a)en b), of waarvan het beheer onderworpen is aan een controle door deze laatste, en - waarvan het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan samengesteld is uit leden waarvan meer dan de helft aangesteld wordt door de overheden beoogd in punten
  5. a)en b);
  6. c)de verenigingen gevormd door één of meer overheden beoogd in punten
  7. a)en b);
  8. d)de Europese en internationale instellingen;5° « Plaatselijke besturen » : de gemeenten, de autonome gemeentelijke regieën, de OCMW's en verenigingen van OCMW's, de intercommunales waarvan het ambtsgebied het grondgebied van het Gewest niet overschrijdt;6° « Gewestelijke overheden » : het Gewest en de instellingen van openbaar nut en overheidsbedrijven opgericht of gecontroleerd door het Gewest of waarmee het Gewest een beheersovereenkomst heeft gesloten;7° « BWRO » : Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, vastgelegd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 09/04/2004 pub. 26/05/2004 numac 2004031182 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende vaststelling van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening sluiten;8° « Biomassa » : de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (inclusief plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, de visvangst en de aquacultuur inbegrepen, alsmede de afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;9° « Energie uit hernieuwbare bronnen » : energie uit hernieuwbare niet fossiele bronnen, namelijk : wind-, zonne-, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;10° « Primaire energie » : energie uit hernieuwbare of niet hernieuwbare bronnen die geen omzettings- of verwerkingsproces ondergaan heeft;11° « Energie-efficiëntie » : de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie, en de energietoevoer hiervoor;12° « Milieucollege » : college bedoeld in artikel 79 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. TITEL 4. - Gewestelijk lucht-klimaat-energieplan HOOFDSTUK 1. - Inhoud en draagwijdte van het plan Artikel 1.4.1 Het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan, hierna « het plan » genoemd, legt de richtsnoeren alsook de maatregelen vast die moeten worden genomen om ten minste de doelstellingen vastgelegd in onderhavig Wetboek te bereiken, overeenkomstig het beleid van de Europese Unie en het internationaal recht inzake lucht, klimaat en energie. Het is samengesteld uit de volgende delen : 1° een deel dat betrekking heeft op de stand van zaken in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;2° een deel dat handelt over de te bereiken doelstellingen over een periode van tien jaar en de indicatieve doelstellingen op lange termijn;3° een deel dat de maatregelen opsomt die over een periode van vijf jaar moeten worden ingevoerd om deze doelstellingen te bereiken. De minimuminformatie vervat in het plan is opgenomen in bijlage 1.1. Artikel 1.4.2 De plannen, de programma's en de politieke beleidsdocumenten uitgewerkt door het Gewest of door de gewestelijke overheden of plaatselijke besturen voor wat huisvesting, mobiliteit of onderzoek en innovatie betreft, alsook de plannen en programma's beoogd in het BWRO sluiten aan bij de doelstellingen die het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan nastreeft. Hetzelfde geldt voor de beheersovereenkomsten en andere overeenkomsten die het Gewest met de gewestelijke overheden heeft gesloten. Het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan sluit aan op de doelstellingen van het Gewestelijk Plan voor Duurzame Ontwikkeling. Artikel 1.4.3 Het plan wordt om de vijf jaar opgemaakt. Het blijft van toepassing zolang het niet wordt vervangen. HOOFDSTUK 2. - Procedure voor de opstelling van het plan Afdeling 1. - Milieu-evaluatie Artikel 1.4.4 Het plan wordt onderworpen aan een milieu-evaluatie overeenkomstig de bepalingen van onderhavig Wetboek of de bepalingen genomen in uitvoering van dat Wetboek. Artikel 1.4.5 In samenwerking met de gewestelijke besturen bevoegd inzake mobiliteit, huisvesting, economie en ruimtelijke ordening werkt het Instituut een voorstel van voorontwerp van plan uit alsook een voorstel van bestek betreffende het milieu-effectenrapport bedoeld in artikel 1.4.6. Het legt het voorstel van voorontwerp van plan en bestek betreffende het milieu-effectenrapport ter goedkeuring voor aan de Regering. Artikel 1.4.6 Het voorontwerp van plan, zoals goedgekeurd door de Regering, vormt het voorwerp van een milieu-effectenrapport dat de vermoedelijk zichtbare gevolgen voor het milieu van de invoering van het plan alsook de redelijke alternatieve oplossingen identificeert, beschrijft en evalueert, rekening houdend met de doelstellingen en het geografisch toepassingsgebied van het plan. Het omvat minstens de informatie opgenomen in bijlage 1.2. Zodra de Regering het voorstel van voorontwerp van plan en bestek heeft goedgekeurd, wordt dit verslag binnen een termijn van zes maanden opgesteld. Het wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Regering. Zij stelt de lijst op van de overheden voor wie de uitvoering van het plan gevolgen kan hebben en wier advies zal worden gevraagd overeenkomstig artikel 1.4.10. De Regering kan het voorontwerp van plan wijzigen in functie van de inhoud van het milieu-effectenrapport. Artikel 1.4.7 De Regering bezorgt het ontwerp van plan aan het Instituut met het oog op het openbaar onderzoek. Het ontwerp van plan wordt ook aan het Parlement ter informatie bezorgd. Artikel 1.4.8 Ingeval de uitvoering van het plan merkbare gevolgen voor het milieu van een ander Gewest of een andere Lidstaat kan hebben, of wanneer een Gewest of een Lidstaat daarom verzoekt, bezorgt de Regering aan dit Gewest of aan deze Staat een kopie van het ontwerpplan en van het milieu-effectenrapport binnen een termijn van maximum dertig dagen, samen met een voorstel dat de samenwerkingsmodaliteiten vastlegt. Afdeling 2. - Openbaar onderzoek en adviezen Artikel 1.4.9 § 1. Het Instituut onderwerpt het ontwerpplan en het bijhorende milieu-effectenrapport aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek wordt door middel van aanplakkingen aangekondigd in elk van de gemeenten van het Gewest, door middel van een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Franstalige kranten en drie Nederlandstalige kranten die in het Gewest worden verspreid, alsook door middel van een mededeling verspreid over radio en televisie. De bekendmaking vermeldt de begin- en einddata van het openbaar onderzoek. Naast de voornoemde bekendmakingsmaatregelen wordt het openbaar onderzoek ook aangekondigd op de site van het Instituut. § 2. Nadat die bekendmakingen zijn geschied, worden het ontwerpplan en het milieueffectenrapport gedurende minstens zestig dagen op het gemeentehuis van elke gemeente van het Gewest ter beschikking van het publiek gesteld alsook via de website van de gemeente. Minstens de helft van de termijn van zestig dagen valt buiten de schoolvakanties. Het ontwerpplan en het milieu-effectenrapport worden bovendien op de website van het Instituut gepubliceerd. § 3. De bezwaren en opmerkingen, waarvan de indieners een kopie naar het College van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten mogen opsturen, worden tot het Instituut gericht binnen de onderzoekstermijn, hetzij via de post, hetzij elektronisch. Artikel 1.4.10 Samen met het openbaar onderzoek legt het Instituut het ontwerpplan en het milieu-effectenrapport om advies voor aan de volgende instanties : 1° de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Raad van Gebruikers van Elektriciteit en Gas, de Adviesraad voor Huisvesting, de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; 2° de overheden bedoeld in artikel 1.4.6, derde lid. De adviezen worden gericht tot het Instituut via de post of langs elektronische weg. Indien ze niet voor het verstrijken van de termijn van het openbaar onderzoek worden bezorgd, wordt er geen rekening mee gehouden. Afdeling 3. - Goedkeuring van het plan Artikel 1.4.11 Het Instituut vervolledigt, wijzigt of verduidelijkt het ontwerpplan om rekening te houden met de adviezen en opmerkingen die binnen de termijn van het openbaar onderzoek werden uitgebracht overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2. Het Instituut stelt ook een ontwerp van milieuverklaring op dat de wijze samenvat waarop deze adviezen en opmerkingen en het milieu-effectenrapport reeds in aanmerking zijn genomen in het ontwerpplan alsook de redenen voor de keuze van het aldus opgestelde ontwerpplan, rekening houdend met de overige redelijke oplossingen die werden overwogen. Artikel 1.4.12 Het vervolledigde, gewijzigde of verduidelijkte ontwerpplan, het milieu-effectenrapport en het ontwerp van milieuverklaring worden binnen negentig dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek aan de Regering overgemaakt. Artikel 1.4.13 De Regering legt het plan in zijn definitieve vorm vast uiterlijk twaalf maanden na de goedkeuringsdatum van het voorstel van voorontwerp van plan. Het besluit van de Regering waarbij het plan wordt goedgekeurd, wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De Regering bezorgt het plan, het milieu-effectenrapport en de milieuverklaring over aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. Artikel 1.4.14 Het Instituut publiceert de eindversie van het plan, het effectenrapport en de milieuverklaring op zijn website. HOOFDSTUK 3. - Opvolging en wijziging van het plan Artikel 1.4.15 In overleg met de regionale besturen bedoeld in artikel 1.4.5, eerste lid, evalueert het Instituut de uitvoering van het plan, meer bepaald om de onvoorziene negatieve gevolgen te identificeren en, in voorkomend geval, een wijzigingsprocedure aan te vangen. Het Instituut publiceert jaarlijks een synthese van de prestatie-indicatoren van de tenuitvoerlegging. Elke substantiële wijziging van het plan wordt onderworpen aan de goedkeurings- en bekendmakingsregels waarin voorzien in hoofdstuk 2. In afwijking van het vorige lid, wordt elke wijziging van het plan voortvloeiend uit verplichtingen afgeleid van de Europese regelgeving of internationale instrumenten die nog niet waren verschenen op het tijdstip dat de Regering het voorstel van voorontwerp van plan heeft goedgekeurd, slechts aan de bepalingen van hoofdstuk 2 onderworpen wanneer de uitvoering van die verplichtingen vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar waarin het plan van toepassing is verplicht moet worden aangevangen. In deze hypothese, wijzigt de Regering zelf het plan op voorstel van het Instituut en maakt het gewijzigde plan eraan over opdat het Instituut het overeenkomstig artikel 1.4.14. zou kunnen bekendmaken. TITEL 5. - Gewestelijk lucht-klimaat-energierapport Artikel 1.5.1 Het Instituut wordt belast met de opstelling van het gewestelijk lucht-klimaat-energierapport dat de vooruitgang in de uitvoering van het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan evalueert. Het Instituut legt het ontwerp van gewestelijk rapport om advies voor aan de overheden bedoeld in artikel 1.4.6, derde lid. Indien zij hun advies niet binnen 45 dagen na het verzoek meedelen, wordt dit verwaarloosd. Het gewestelijk lucht-klimaat-energierapport wordt bezorgd aan de Regering uiterlijk vier jaar na de goedkeuring van het plan. De Regering maakt dit rapport over aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en aan de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aan de Adviesraad voor Huisvesting, aan de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, aan de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie en aan de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gewestelijk lucht-klimaat-energierapport wordt op de internetsite van het Instituut gepubliceerd. TITEL 6. - Toegang tot de informatie Artikel 1.6.1 Op vraag van het Instituut, delen de overheden, binnen de kortst mogelijke termijnen, de informatie mee die noodzakelijk geacht wordt voor de follow-up van de uitvoering van het gewestelijk Lucht-Klimaat-Energieplan en voor de naleving van de Europese en internationale verplichtingen die het Gewest inzake rapportering dient na te leven. BIJLAGE 1.1 Structuur en minimuminhoud van het lucht-klimaat-energieplan I. Het gewestelijk lucht-klimaat-energieplan, hierna « het plan » genoemd, steunt op de volgende kernelementen : 1) De stand van zaken inzake lucht, klimaat en energie in de Brusselse context en de verwachte evolutie bij ongewijzigd beleid.2) De belangrijkste sociaaleconomische en milieu-eigenschappen van het Brussels Gewest die de stand van zaken vermeld in punt 1 bepalen.3) De doelstellingen die op korte, middellange en lange termijn worden nagestreefd op het vlak van : - beheersing van het energieverbruik; - verbetering van de energie-efficiëntie van de gebouwen; - verhoging van de energieproductie uit hernieuwbare bronnen en het gebruik van dat type energie; - vermindering van de impact op het milieu van de mobiliteitsbehoeften; - daling van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen; - verbetering van de luchtkwaliteit; - daling van de emissies van broeikasgassen. 4) De richtsnoeren die aan de basis van het plan liggen.5) De omstandige beschrijving van de voorgestelde maatregelen om de in het plan beoogde doelstellingen te bereiken.6) De planning van de te ondernemen acties en de identificatie van de betrokken actoren.7) De raming van de middelen die nodig zijn voor de uitvoering van het plan. II. Het plan wordt overkoepelend opgesteld en wijst uitdrukkelijk op de verbanden tussen het energieverbruik en de mobiliteitsbehoeften, de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, de luchtkwaliteit en de klimaatveranderingen. Het omvat minstens de volgende elementen : 1) Een beknopte beschrijving van de huidige situatie en van de evolutie van het verbruik van producten, exploitatie van installaties, energieproductie en -verbruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alsook de volgende elementen :
  9. a)De evaluatie van de maatregelen met het oog op de vermindering van het energieverbruik, de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen en de toegankelijkheid van de energie voor iedereen.
  10. b)De evaluatie van de milieumaatregelen op het vlak van transport.
  11. c)De gegevens betreffende het transport die relevant zijn in termen van luchtvervuiling.
  12. d)De evaluatie van de emissies voortvloeiend uit de energie- en mobiliteitsbehoeften.2) De maatregelen tot vermindering van het verbruik van producten, de exploitatie van installaties, de energieproductie en -verbruik. In dat kader omvat het plan, in overeenstemming met de geldende Europese Richtlijnen, het volgende :
  13. a)Op het vlak van de energieprestatie van de gebouwen :
  14. i)tussentijdse doelstellingen om de energieprestatie van de nieuwe gebouwen te verbeteren;
  15. ii)een gedetailleerde beschrijving van de toepassing, in de praktijk, van de definitie van de « zero energie »-verbruikgebouwen die een numerieke indicator van het primaire energieverbruik uitgedrukt in kwh/m2 omvat; iii) de maatregelen ter bevordering van de « zero energie »-verbruikgebouwen, met inbegrip van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.
  16. b)Op het vlak van de energie-efficiëntie :
  17. i)de maatregelen die de vooropgestelde energie-efficiëntie dienen te verbeteren om de gewestelijke doelstelling op het vlak van energiebesparing te halen;
  18. ii)de maatregelen die gevolg geven aan de verplichtingen voorzien in onderhavig Wetboek op het vlak van het voorbeeldgedrag van de overheden en het verstrekken van informatie en advies aan de eindafnemers. 3) De maatregelen die energie uit hernieuwbare bronnen en het gebruik van dat type energie op het grondgebied van het Gewest bevorderen en in dat kader :
  19. a)De informatie betreffende het aandeel van de energie uit hernieuwbare bronnen in het voorziene eindenergieverbruik, met name het bruto-eindverbruik van energie voor elektriciteit, vervoer, verwarming en koeling in 2020, rekening houdend met het effect van beleidsmaatregelen inzake energie-efficiëntie.
  20. b)De sectorale doelstellingen voor 2020 en de geraamde evolutie van het aandeel van de energie uit hernieuwbare bronnen voor elektriciteit, verwarming, koeling en transport.4) De maatregelen tot vermindering van de emissies van luchtverontreinigende stoffen en broeikasgassen voortvloeiend uit de mobiliteitsbehoeften.5) De maatregelen voor toezicht op en beheer van de luchtkwaliteit; overeenkomstig de Europese normen, vermeldt het plan op dat vlak volgende gegevens :
  21. a)De plaatsen waar de luchtkwaliteitsnormen eventueel overschreden worden, per zone en meetstation (kaart, geografische coördinaten).
  22. b)De volgende algemene informatie : - Soort gebied (stad, industriezone of landelijk gebied). - Raming van de omvang van het verontreinigde gebied (km2) en van de bevolking die aan de verontreiniging is blootgesteld. - Relevante klimatologische gegevens. Relevante topografische gegevens. - Voldoende gegevens over de beschermingsbehoeften in het betrokken gebied.
  23. c)De aard en de beoordeling van de verontreiniging : in de voorgaande jaren waargenomen concentraties (vóór de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter verbetering), sedert de start van het project gemeten concentraties alsook de technieken die voor de beoordeling worden gebruikt.
  24. d)De bronnen van de verontreiniging : de lijst van de belangrijkste emissiebronnen die verantwoordelijk zijn voor de verontreiniging (kaart), de totale emissie van deze bronnen (ton/jaar), en informatie over de verontreiniging vanuit andere gebieden.
  25. e)De analyse van de situatie : bijzonderheden over de factoren die verantwoordelijk zijn voor de overschrijding (bv.vervoer, ook grensoverschrijdend; vorming van secundaire verontreinigende stoffen in de atmosfeer), en mogelijke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.
  26. f)Bijzonderheden over de verbeteringsmaatregelen of -projecten alvorens het ontwerp van plan wordt opgesteld : de plaatselijke, gewestelijke, nationale en internationale maatregelen en de waargenomen gevolgen van deze maatregelen.
  27. g)Bijzonderheden over goedgekeurde maatregelen of projecten ter beperking van de verontreiniging alvorens het ontwerp van plan wordt opgesteld : opsomming en beschrijving van alle maatregelen die zijn opgenomen in het project, tijdschema voor de uitvoering en raming van de verwachte verbetering van de luchtkwaliteit en van de tijd die nodig is om die doelstellingen te realiseren.
  28. h)Bijzonderheden over de maatregelen of projecten die voor de lange termijn worden gepland of overwogen.
  29. i)De lijst van publicaties, documenten, werkzaamheden, enz.ter aanvulling van de in deze bijlage vereiste informatie. 6) Een beschrijving van de problematiek van de klimaatveranderingen en van de maatregelen om zich aan die klimaatveranderingen aan te passen.7) De mechanismen om de emissierechten van broeikasgassen te financieren, te volgen en te beheren.8) De mechanismen om de ontwikkelingslanden financieel en technologisch te ondersteunen om de klimaatveranderingen te bestrijden en zich aan die situatie aan te passen.9) De punten waarover overleg zal worden gepleegd met de overige entiteiten om de doelstellingen uiteengezet in punt 1 te bereiken.10) De voorwaarden voor de actieve bekendmaking van de informatie over lucht, klimaat en energie, met inbegrip van de gegevens ingezameld met toepassing van de verordening (EG) 2008/1099 van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken. BIJLAGE 1.2 Minimuminhoud van het milieu-effectenrapport bedoeld in artikel 1.4.6 Het milieu-effectenrapport dient de volgende informatie te verstrekken : 1) De beschrijving van de verwachte gevolgen voor het milieu in geval van ongewijzigd beleid.2) De doelstellingen inzake milieubescherming vastgelegd op internationaal, communautair of gewestelijk niveau die relevant zijn voor het plan en de wijze waarop die doelstellingen en de zorg voor het milieu in acht zijn genomen tijdens de opstellen ervan.3) De samenvatting van de doelstellingen die het plan nastreeft, de voorgestelde maatregelen om die doelstellingen te bereiken en de relevante verbanden met de overige plannen en programma's.4) Wat de door het plan voorgestelde maatregelen betreft, een beschrijving van :
  30. a)de geschiktheid van die maatregelen voor de doelstellingen die het plan nastreeft;
  31. b)de mogelijke positieve en negatieve gevolgen voortvloeiend uit de toepassing van de maatregelen op korte, middellange en lange termijn;
  32. c)de voorgenomen maatregelen om de aanzienlijke negatieve effecten op het milieu van de geplande maatregelen te voorkomen, te beperken of teniet te doen;
  33. d)de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn.5) Een overzicht van de redenen voor de selectie van de overwogen oplossingen en een beschrijving van de wijze waarop de beoordeling is uitgevoerd.6) Een beschrijving van de voorgenomen monitoringsmaatregelen.7) Een niet-technische samenvatting van de in de bovenstaande punten verstrekte informatie. BOEK 2. - SECTORALE MAATREGELEN TITEL 1. -

Artikel 2

.1.1 In de zin van onderhavig boek, verstaat men onder : 1° « Energieprestatie van een gebouw (EPB) » : de hoeveelheid energie die effectief wordt verbruikt of nodig geacht wordt om te voldoen aan de verschillende behoeften bij een standaard gebruik van het gebouw, met onder andere verwarming, warm water, koelsysteem, ventilatie en verlichting.Deze hoeveelheid wordt uitgedrukt in één of meer cijfermatige indicatoren die door berekening worden verkregen, rekening houdend met de isolatie, de technische kenmerken van de installaties, het ontwerp van het gebouw en met de ligging ervan, rekening houdend met de klimaatparameters, de blootstelling aan de zon en de aanwezigheid van aanpalende structuren, eigen energieproductie en andere factoren, zoals het binnenklimaat, die de energievraag beïnvloeden; 2° « EPB-eenheid » : een verzameling van aangrenzende lokalen ondergebracht in eenzelfde gebouw dat op autonome wijze verkocht of verhuurd zou kunnen worden en dat beantwoordt aan de definitie van een bestemming vastgelegd door de Regering;3° « Nieuw » : kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid die het voorwerp vormt van bouwwerkzaamheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is;4° « Zwaar gerenoveerd » : wanneer een stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt, kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid die het voorwerp vormt van werkzaamheden die de energieprestatie beïnvloeden en die op meer dan 50 % van de warmteverliesoppervlakte slaan, en werkzaamheden in verband met de technische installaties ervan, kunnen deze criteria nader bepaald worden door de Regering;5° « Eenvoudig gerenoveerd » : kwalificatie gegeven aan een EPB-eenheid onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning die het voorwerp vormt van werkzaamheden met warmteverliesoppervlakte van de EPB-eenheid waarbij de werkzaamheden niet onder de criteria voor de kwalificatie van zwaar gerenoveerd vallen;6° « EPB-eisen » : alle voorwaarden waaraan een EPB-eenheid en/of een technische installatie moet voldoen op het vlak van energieprestatie, thermische isolatie, binnenklimaat en ventilatie;7° « Kostenoptimaal niveau » : het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt, die worden bepaald aan de hand van de energiegerelateerde investeringskosten en, desgevallend de onderhouds- en bedrijfskosten (met inbegrip van energiekosten en -besparingen, de categorie van het desbetreffende gebouw, de opbrengst van de energieproductie) en verwijderingskosten.Het kostenoptimaal niveau ligt binnen het scala van prestatieniveaus waarvoor de berekende kosten-batenanalyse over de geraamde economische levensduur van een gebouw positief is; 8° « Zero energieverbruik » : geen of zeer laag energieverbruik, verkregen dankzij een hoge energie-efficiëntie en die in zeer aanzienlijke mate dient te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen, met name de energie die ter plaatse of dichtbij uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd;9° « EPB-aangifte » : het document dat de getroffen maatregelen beschrijft met het oog op de naleving van de EPB-eisen en dat door berekening bepaalt of die eisen nageleefd zijn;10° « Aangever » : natuurlijke of rechtspersoon die ertoe gehouden is de EPB-eisen na te leven en in wiens naam en voor wiens rekening de bouwwerkzaamheden of de renovatie worden uitgevoerd;11° « EPB-certificaat » : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van een EPB-eenheid in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft;12° « EPB-certificaat openbaar gebouw » : document dat de indicatoren voor de energieprestatie van alle EPB-eenheden die door een overheid worden gebruikt in eenzelfde gebouw, in numerieke, alfabetische en grafische vorm weergeeft, en daarbij rekening houdt met het reële jaarlijkse verbruik;13° « Aanvraag » : een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning bedoeld in artikel 98 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening;14° « Aanvrager » : natuurlijke of rechtspersoon, openbaar of privé, die een aanvraag indient;15° « EPB-adviseur » : natuurlijke of rechtspersoon erkend om het EPB-voorstel, de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden en de EPB-aangifte op te maken;16° « Certificateur » : natuurlijke of rechtspersoon die erkend is om de EPB-certificaten en of EPB-certificaten openbaar gebouw uit te reiken;17° « Technicus » : erkende natuurlijke persoon belast met het onderhoud van technische installaties;18° « Controleur » : erkende natuurlijke persoon, onafhankelijk van de persoon die de EPB-eisen van toepassing op technische installaties moet naleven, belast met de controle van technische installaties;19° « Kwaliteitswarmtekrachtkoppeling » : de gelijktijdige omzetting van primaire brandstoffen in mechanische of elektrische en thermische energie waarbij voldaan wordt aan de criteria vastgelegd conform artikel 16 van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;20° « Klimaatregelingssysteem » : een combinatie van alle noodzakelijke componenten om een vorm van luchtbehandeling te verzekeren in een gebouw, waardoor de temperatuur wordt gecontroleerd of kan worden verlaagd, eventueel in combinatie met een regeling van de verluchting, de vochtigheid en/of de zuiverheid van de lucht;21° « Verwarmingssysteem » : combinatie van de noodzakelijke componenten om de lucht van een gebouw en/of het sanitaire warme water te verwarmen, met inbegrip van de warmtegenerator(en), de verdeel-, opslag- en emissiecircuits en de regelsystemen;22° « Ketel » : warmtegenerator bestaande uit een brander en een ketellichaam, bedoeld om de door verbranding vrijgekomen warmte af te geven aan een vloeistof;23° « Technische installatie » :

  1. a)ventilatiesystemen;
  2. b)klimaatregelingssystemen;
  3. c)verwarmingssystemen;
  4. d)verlichtingssystemen;
  5. e)vaste systemen voor het vervoeren van personen of lasten van de ene verdieping naar de andere in het gebouw;
  6. f)een combinatie van die installaties;24° « Nuttig thermisch vermogen » (uitgedrukt in kilowatt) : het maximale vermogen dat door de constructeur wordt opgegeven en gewaarborgd in continu bedrijf, met inachtneming van het door de constructeur opgegeven nuttige rendement overeenkomstig de normen die terzake vastgelegd zijn;25° « Warmtepomp » : een inrichting of installatie die bij lage temperatuur warmte opneemt uit de lucht, het water of de aarde en deze afgeeft aan het gebouw;26° « Beschermd volume » : het geheel van de lokalen waarin doorlopend of met tussenpozen energie wordt verbruikt om het binnenklimaat te regelen en het comfort van de gebruikers te verzekeren;27° « Warmteverliesoppervlakte » : de som van alle wanden die het beschermd volume scheiden van het buitenklimaat, van de grond en van een aanpalende ruimte die niet tot het beschermd volume behoort;28° « PLAGE » : Plan voor lokale actie voor het gebruik van energie;29° « Energiekadaster » : vergelijkende jaarlijkse inventaris van de energie-efficiëntie van de gebouwen;30° « Energieboekhouding » : periodieke staat van het energieverbruik, per energievector en per gebouw, volgens een frequentie die door de Regering moet worden bepaald; 31° « PLAGE-coördinator » : natuurlijke persoon die de organen bedoeld in artikel 2.2.22 onder hun personeel aanstellen, en die belast is met de coördinatie en de uitvoering van het PLAGE; 32° « PLAGE-revisor » : natuurlijke persoon, onafhankelijk van de instellingen bedoeld in artikel 2.2.22, belast met de controle van de informatie die wordt verstrekt door die instellingen in het kader van de uitvoering van het PLAGE; 33° « Motorvoertuig » : elk voertuig dat is uitgerust met een motor en bestemd is om op eigen kracht te rijden, zoals gedefinieerd door het koninklijk besluit van 1 september 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer;34° « MIVB » : de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel, publiekrechtelijke vereniging opgericht krachtens de ordonnantie van 22 november 1990 betreffende de organisatie van het openbaar vervoer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;35° « Taxidiensten » : de diensten die het bezoldigde vervoer van personen met bestuurder verzekeren in de zin van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;36° « Diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur » : alle diensten van bezoldigd vervoer van personen door middel van autovoertuigen die geen taxidiensten zijn en die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;37° « Autodeeldienst » : een voor het publiek toegankelijke dienst voor het systematische en beurtelingse door vooraf bepaalde personen gebruik van één of meerdere auto's tegen betaling via een vereniging voor autodelen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop;38° « Toeristische busdiensten » : de diensten van geregeld vervoer en de bijzondere vormen van geregeld vervoer per autobus of autocar die geheel of gedeeltelijk verzekerd worden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals bedoeld in de Besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, en die door de keuze van het traject en de stopplaatsen of door het aanbieden van aanvullende diensten in hoofdzaak gericht zijn op reizigers die bezienswaardigheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wensen te bezichtigen of er informatie over wensen te verkrijgen;39° « Installateur HE » : persoon belast met het plaatsen van systemen voor het gebruik van energie geproduceerd op basis van hernieuwbare energiebronnen zoals verwarmingsketels en kachels op biomassa, fotovoltaïsche of thermische systemen op zonne-energie, ondiepe geothermische systemen, windmolens of warmtepompen. TITEL 2. - Bepalingen betreffende de gebouwen HOOFDSTUK 1. - Energieprestatie van de gebouwen Afdeling 1. - Toepassingsgebied Artikel 2.2.1 Onderhavig hoofdstuk is van toepassing op alle EPB-eenheden van een gebouw waarin energie wordt gebruikt om het binnenklimaat te regelen, met uitzondering van : 1° de lokalen gebruikt als erkende plaatsen voor erediensten en zedenleer;2° de lokalen met industriële of artisanale activiteiten;3° de werkplaatsen, landbouwlokalen;4° de rouwcentra;5° de alleenstaande gebouwen met een oppervlakte van minder dan 50 m2 tenzij ze een EPB-eenheid bevatten die als wooneenheid wordt bestemd;6° de voorlopige constructies vergund voor een gebruiksduur van twee jaar of minder;7° de residentiële gebouwen die worden gebruikt of bestemd zijn om voor minder dan vier maanden per jaar buiten de winterperiode te worden gebruikt. Afdeling 2. - Berekeningsmethodes Artikel 2.2.2 § 1. De Regering legt de berekeningsmethodes vast voor de energieprestatie van de EPB-eenheden op basis van de elementen vermeld in bijlage 2.1. § 2. De Regering kan bepalen dat EPB-eenheden die gebruik maken van concepten of bouwtechnologieën die niet in aanmerking worden genomen door de methodes die de Regering krachtens paragraaf één heeft vastgelegd, een alternatieve berekeningsmethode mogen toepassen. De Regering bepaalt de principes die aan de basis liggen van de alternatieve berekeningsmethodes en de categorieën van EPB-eenheden die ze kunnen genieten. § 3. De Regering bepaalt alle Richtlijnen en criteria die nodig zijn voor het berekenen van de energieprestatie van de EPB-eenheden en van de naleving van de EPB-eisen. Afdeling 3. - EPB-eisen van toepassing op de nieuwe EPB-eenheden en op de zwaar of eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden Onderafdeling 1. - Principes Artikel 2.2.3 § 1. De Regering bepaalt de EPB-eisen waaraan de nieuwe EPB-eenheden alsook de zwaar en eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden moeten voldoen. Deze vereisten beantwoorden minstens aan het kostenoptimaal niveau, dat wordt vastgesteld op basis van de geraamde economische levensduur van de EPB-eenheid of één van de elementen ervan. § 2. Bij het bepalen van de EPB-eisen, mag de Regering een onderscheid maken tussen verschillende categorieën van EPB-eenheden, rekening houdend met de bestemming, de uitgevoerde werken en de omvang. De EPB-eisen mogen voor de volledige gerenoveerde EPB-eenheid worden vastgelegd of enkel voor de gerenoveerde systemen of onderdelen. De EPB-eisen worden ten laatste om de vijf jaar herzien en, in voorkomend geval, aangepast aan de technische vooruitgang. De EPB-eisen op het vlak van energieprestatie worden uitgedrukt in kWh/m2 per jaar. De EPB-eisen beoogd in § 1 mogen ook slaan op de inrichtingen die het beheer van de energiebehoefte van de EPB-eenheid verbeteren. § 3. Vanaf 1 januari 2021, beantwoorden de nieuwe EPB-eenheden aan de EPB-eisen « zero energieverbruik ». Artikel 2.2.4 § 1. De nieuwe en gerenoveerde EPB-eenheden kunnen vooraf een volledige of gedeeltelijke afwijking van de EPB-eisen bekomen wanneer de gedeeltelijke of volledige naleving van die eisen technisch, functioneel of economisch niet haalbaar is. § 2. De verzoeken tot afwijking bedoeld in § 1 worden ingediend bij de overheid waaraan de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden bedoeld in artikel 2.2.8 wordt bezorgd en dit vóór het indienen van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden. De Regering bepaalt de procedure voor het onderzoek van de aanvragen tot het bekomen van een afwijking en bepaalt de criteria en drempels voor het toekennen van die afwijking. De afwijkingen worden toegekend door het Instituut of de vergunningverlenende overheid. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van hoger beroep bij het Milieucollege behalve als de uitreikende overheid de Regering is. De modaliteiten van het hoger beroep worden vastgelegd door de Regering. § 3. De toekenning van een afwijking van een EPB-eis ontheft de aanvrager niet van de andere verplichtingen die onderhavig Wetboek oplegt. § 4. Voor de goederen die krachtens het BWRO beschermd zijn of ingeschreven staan op de bewaarlijst en die het voorwerp uitmaken van renovatie, mag de uitreikende overheid gedeeltelijk of volledig afwijken van de eisen voorzien in artikel 2.2.3 binnen het kader van de toekenning van de vergunning, in het geval dat het volledig naleven van die eisen het behoud van het beschermde erfgoed op het spel zet. De toekenning van de afwijking wordt via elektronische weg meegedeeld aan het Instituut. Onderafdeling 2. - De aanvraag Artikel 2.2.5 § 1. Bij elke aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot een nieuwe, zwaar gerenoveerde of eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid, moet een EPB-voorstel worden gevoegd. Desgevallend voegt de aanvrager de afwijking die hij krachtens artikel 2.2.4. heeft verkregen toe aan zijn voorstel. § 2. Het EPB-voorstel wordt opgemaakt door : 1° de EPB-adviseur voor de nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;2° de architect of de EPB-adviseur als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de aanvraag vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect. § 3. In afwijking van de vorige paragraaf, maakt de EPB-adviseur het EPB-voorstel voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid op ingeval een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid zich in hetzelfde gebouw bevindt als een nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid en in dezelfde aanvraag is inbegrepen. § 4. Op vraag van de EPB-adviseur of van de architect, verstrekt het Instituut een advies over de keuze van de kwalificatie van de bestemming en de aard van de werken die aan de EPB-eenheid gegeven worden. § 5. Indien uit het EPB-voorstel blijkt dat de aanvraag onderworpen is aan de EPB-eisen, informeert de vergunningverlenende overheid het Instituut over de aard van de werken in de aanvraag. Artikel 2.2.6 Het EPB-voorstel bevat de onderverdeling van het project bedoeld in de aanvraag in nieuwe, zwaar of eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden alsook de elementen gekoppeld aan de energie en aan het binnenklimaat die een impact hebben op de stedenbouwkundige voorschriften alsook de rechtvaardiging van de gedeeltelijke of volledige uitsluiting van het project uit het toepassingsgebied van onderhavig hoofdstuk. De Regering preciseert de inhoud van het EPB-voorstel. Ze kan de inhoud van het EPB-voorstel aanpassen volgens het belang van de werken, de omvang en de bestemming van de EPB-eenheid. Artikel 2.2.7 § 1. Wanneer het project waarvoor een aanvraag is ingediend uit één of meer nieuwe EPB-eenheden bestaat of samengesteld is uit één of meerdere zwaar gerenoveerde EPB-eenheden die samen meer dan 5.000 m2 bestrijken, verricht de EPB-adviseur een technische, milieu- en economische haalbaarheidsstudie die betrekking heeft op de mogelijkheden voor de installatie van thermische zonne-energie, fotovoltaïsche zonne-energie en warmtekrachtkoppeling of andere door de Regering bepaalde alternatieve systemen die een besparing van primaire energie mogelijk maken. De Regering bepaalt de bijdrage van de systemen die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen in de totale energie-behoefte van de EPB-eenheden bedoeld in het vorig lid. De EPB-adviseur maakt de haalbaarheidsstudie over aan de aanvrager vooraleer de aanvraag wordt ingediend. § 2. Wanneer het project waarvoor er een aanvraag wordt ingediend uit één of meerdere nieuwe EPB-eenheden bestaat die samen meer dan 10.000 m2 bestrijken, of samengesteld is uit één of meerdere zwaar gerenoveerde EPB-eenheden die samen meer dan 10.000 m2 bestrijken, wordt er een geïntegreerde haalbaarheidsstudie opgesteld die betrekking heeft op de mogelijkheid om de EPB-eisen voor « zero energieverbruik » te halen. Deze paragraaf is van toepassing tot de EPB-eisen bedoeld in artikel 2.2.3., § 2, derde lid worden herzien. De aanvrager bezorgt de geïntegreerde haalbaarheidsstudie samen met de plannen aan het Instituut vooraleer hij de aanvraag indient. § 3. De Regering definieert de inhoud van de haalbaarheidsstudie en van de geïntegreerde haalbaarheidsstudie en kan de draagwijdte ervan beperken in functie van kosten-batencriteria en de kenmerken van de nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheid. In afwijking van § 1, kan het Instituut een algemene haalbaarheidsstudie verrichten waarvan het de resultaten aan de aanvrager bezorgt. § 4. Het Instituut beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de geïntegreerde haalbaarheidsstudie en van de plannen om zijn eventuele aanbevelingen aan de aanvrager te bezorgen. De eventuele aanbevelingen van het Instituut worden bij de vergunning gevoegd. Onderafdeling 3. - De uitvoering van de werken voor nieuwe en gerenoveerde EPB-eenheden Artikel 2.2.8 § 1. Uiterlijk acht dagen voor het begin van de werkzaamheden, verstuurt de aangever de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden naar het Instituut voor de nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden of naar de vergunningverlenende overheid voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden met vergunning. Deze verzending dient met een aangetekende brief, langs elektronische weg of via drager te gebeuren. § 2. De kennisgeving van het begin van de werkzaamheden vermeldt de datum van het begin van de werkzaamheden en, desgevallend, de melding dat de berekeningen inzake de naleving van de EPB-eisen werden verricht en beschikbaar zijn. De Regering kan de vorm en de inhoud van de kennisgeving van het begin van de werkzaamheden nader bepalen. § 3. Deze kennisgeving van het begin van de werkzaamheden wordt opgesteld door : 1° de EPB-adviseur voor de nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;2° de architect of de EPB-adviseur als hij door de aangever aangewezen wordt, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;3° de aangever voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden waarvan de aanvraag vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect. Artikel 2.2.9 § 1. Uiterlijk op het tijdstip waarop het EPB-voorstel voor de nieuwe en zwaar gerenoveerde EPB-eenheden wordt opgesteld, wijst de aangever een EPB-adviseur aan. § 2. De aangever verwittigt het Instituut, voor de nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, of de vergunningverlenende overheid, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden met vergunning, van elke verandering van aangever, EPB-adviseur of architect wanneer die verandering vóór het indienen van de EPB-aangifte plaatsvindt. § 3. De EPB-adviseur heeft vrij toegang tot de werf. § 4. De aangever verstrekt de EPB-adviseur elk document en alle nodige informatie voor de follow-up van het project en de opstelling van de EPB-aangifte. Vanaf de aanvang van zijn opdracht wordt de EPB-adviseur schriftelijk ingelicht over alle wijzigingen die aan het project worden aangebracht. Artikel 2.2.10 § 1. De aangever informeert de EPB-adviseur of de architect over alle gegevens die hij nodig heeft voor de berekening van de energieprestatie en de follow-up van de EPB-eisen, op basis waarvan deze laatste een berekening maakt die hij aan de aangever bezorgt vóór het begin van de werf. Voor nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden, houden de EPB-adviseur en de architect de gegevens die nodig zijn voor de berekening ter beschikking van het Instituut of, voor de eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, van de vergunningverlenende overheid. § 2. Zodra de werkzaamheden aanvangen en de EPB-adviseur of de architect tijdens de uitvoering van het project vaststelt dat dit afwijkt van de EPB-eisen zoals berekend vóór het begin van de werkzaamheden, maakt hij een nieuwe berekening en verwittigt hij de aangever. § 3. De EPB-adviseur of de architect evalueert en neemt op de plaats van de werkzaamheden akte van de maatregelen die getroffen worden om aan de EPB-eisen te voldoen en die nodig zijn voor het opstellen van de EPB-aangifte. Hij berekent of de EPB-eisen van de nieuwe of gerenoveerde EPB-eenheden, zoals ze gerealiseerd werden, nageleefd worden. § 4. Zodra de werkzaamheden voltooid zijn, wordt een EPB-aangifte die overeenstemt met de werkelijkheid opgesteld door : 1° de EPB-adviseur voor nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden;2° de architect of de EPB-adviseur indien hij werd aangesteld door de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden;3° de aangever, voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden, waarvoor de aanvraag is vrijgesteld van de tussenkomst van een architect. De EPB-adviseur of architect verzendt naar de aangever de eindberekening van de EPB-eisen en de EPB-aangifte die ze op basis van alle voor de berekening noodzakelijke gegevens en vaststellingen opstellen. § 5. De EPB-adviseur, de architect of de aangever, in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, bewaart de gegevens en vaststellingen die nodig zijn voor de berekening, de technische rechtvaardigingen en de rekenbestanden gedurende een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de verzending van de EPB-aangifte. Op vraag van het Instituut of de vergunningverlenende overheid, zal de EPB-adviseur, de architect of de aangever in geval van een eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheid die vrijgesteld is van de tussenkomst van een architect, een exemplaar van die documenten ter beschikking stellen. § 6. De Regering kan de toepassingsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen. Artikel 2.2.11 § 1. De EPB-aangifte wordt door de aangever per aangetekend schrijven, langs elektronische weg of via een drager, bezorgd aan het Instituut uiterlijk zes maanden na het einde van de werkzaamheden en, in voorkomend geval, uiterlijk twee maanden na de voorlopige oplevering van de werken wanneer het gaat om nieuwe of zwaar gerenoveerde EPB-eenheden of aan de vergunningverlenende overheid voor eenvoudig gerenoveerde EPB-eenheden. In voorkomend geval voegt de aangever de afwijking bedoeld in artikel 2.2.4, §§ 1 en 2 bij de EPB-aangifte. § 2. De EPB-adviseur of de architect die de EPB-aangifte overeenkomstig artikel 2.2.10 heeft opgemaakt, bezorgt, binnen dezelfde termijn, het rekenbestand in elektronische vorm respectievelijk aan het Instituut of aan de vergunningverlenende overheid. § 3. De koper of de huurder van een EPB-eenheid waarvoor een EPB-voorstel bij de aanvraag werd gevoegd, verwerft de hoedanigheid van aangever en dient de EPB-aangifte in wanneer de volgende drie voorwaarden vervuld zijn : 1° de verkoop- of huurovereenkomst bepaalt dat de koper of de huurder de aangever is;2° bij de verkoopakte is een tussentijds verslag gevoegd, opgesteld door de EPB-adviseur of de architect en ondertekend door de verkoper of verhuurder en de koper of huurder.Het tussentijds verslag vermeldt alle maatregelen die zijn uitgevoerd of moeten worden uitgevoerd om te voldoen aan de EPB-eisen, alsook de berekening van de naleving van de EPB-eisen. Het tussentijds verslag vermeldt eveneens de persoon die belast is met de uitvoering van de verschillende maatregelen; 3° bij het einde van de werkzaamheden, stelt de verkoper of verhuurder de nodige informatie betreffende de werkzaamheden die hij heeft uitgevoerd of die voor zijn rekening werden uitgevoerd, ter beschikking van de koper of huurder met het oog op het opstellen van de EPB-aangifte. § 4. De Regering bepaalt de inhoud en de vorm van de EPB-aangifte. § 5. De installaties of constructies vermeld in de EPB-aangifte mogen slechts worden gewijzigd of vervangen in de mate dat die wijzigingen of vervangingen geen nadelige gevolgen hebben voor de berekening van de naleving van de EPB-eisen, zoals vermeld in de EPB-aangifte. Afdeling 4. - Certificering Onderafdeling 1. - Inhoud en geldigheid van het EPB-certificaat Artikel 2.2.12 § 1. Het EPB-certificaat bevat referentiewaarden op basis waarvan de belanghebbenden de energieprestatie van de EPB-eenheid kunnen bekijken en deze kunnen vergelijken met die van andere EPB-eenheden. Het EPB-certificaat geeft ook aanbevelingen voor de rendabele verbetering van de energieprestatie van de EPB-eenheid. De energieprestatie van een EPB-eenheid wordt uitgedrukt door een indicator voor het energieverbruik in kWh/m2 per jaar en een indicator voor de CO2-uitstoot in kg/m2 per jaar. § 2. De geldigheidsduur van het EPB-certificaat bedraagt tien jaar. § 3. De Regering preciseert de vorm en de inhoud van het EPB-certificaat. § 4. De Regering bepaalt de voorwaarden waarin het EPB-certificaat wordt herroepen of bijgewerkt. Onderafdeling 2. - Opstelling van het EPB-certificaat en van het EBP-certificaat openbaar gebouw Artikel 2.2.13 § 1. Na de bouwwerken voor een nieuwe EPB-eenheid stelt het Instituut een EPB-certificaat op uitgaand van de EPB-aangifte en bezorgt dit aan de aangever binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van de EPB-aangifte met de rekenbestanden zoals bedoeld in artikel 2.2.11, bij het Instituut. § 2. Om te voldoen aan de verplichtingen bedoeld in artikel 2.2.14, § 1 en met betrekking tot de verkoop van EPB-eenheden, met inbegrip van de gedeeltelijke verkoop, de verhuring, de overdracht van huur, de sluiting van een onroerende leasingovereenkomst, de overdracht van een zakelijk recht of de vestiging onder levenden van een zakelijk recht, met uitzondering van erfdienstbaarheden, hypotheekvestiging, huwelijkscontracten en de wijzigingen ervan, beschikt de houder of de overdrager van de rechten op het goed over een geldig EPB-certificaat. Indien hij hier in toepassing van § 1 niet over beschikt, laat hij er een opstellen door een erkende certificateur. Indien de transactie bedoeld in het vorige lid betrekking heeft op een nieuwe EPB-eenheid en plaatsvindt vooraleer het in § 1 bedoelde EPB-certificaat beschikbaar is, wordt een door de EPB-adviseur, bedoeld in artikel 2.2.11, § 3, opgesteld tussentijds verslag toereikend geacht. In dat geval, wordt het tussentijds verslag uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van § 1. § 3. Om haar verplichting bedoeld in artikel 2.2.14, § 2, na te komen, beschikt de overheid over een geldig EPB-certificaat openbaar gebouw dat door een erkende certificateur werd opgesteld. De Regering kan de vorm, de inhoud, de voorwaarden tot herroeping of bijwerking en de periodiciteit van het EPB-certificaat openbaar gebouw bepalen. Voor de toepassing van deze paragraaf, bepaalt de Regering wat onder de definitie van overheid valt en mag die uitbreiden buiten wat bedoeld wordt onder artikel 1.3.1, 4°. § 4. Voor gelijkaardige EPB-eenheden van eenzelfde gebouw of van gehelen van gelijkaardige EPB-eenheden ontworpen voor apart gebruik, kan het certificaat worden opgesteld door een erkende certificateur op basis van de evaluatie van een andere representatieve EPB-eenheid die gelegen is in hetzelfde gebouw of in hetzelfde geheel dat over dezelfde energiekenmerken beschikt. Onderafdeling 3. - Bekendmaking en informatie Artikel 2.2.14 § 1. Elke persoon die voor eigen rekening of als tussenpersoon wil overgaan tot een vastgoedtransactie met betrekking tot een EPB-eenheid bedoeld in artikel 2.2.13, § 2 : 1° duidt in de bekendmaking hiervan ondubbelzinnig de energieprestatie van het goed aan; 2° bezorgt op elk verzoek gratis een kopie van het EPB-certificaat of van het tussentijds verslag bedoeld in artikel 2.2.13, § 2; 3° verzekert er zich van dat de informatie over het EPB-certificaat voorkomt in de akte van de vastgoedtransactie. § 2. Wanneer de totale oppervlakte van de EPB-eenheden die door overheden worden betrokken in eenzelfde gebouw meer dan 250 m2 bestrijkt, wordt het EPB-certificaat openbaar gebouw uitgehangen op een voor het publiek zichtbare plaats. § 3. De Regering kan de uitvoeringsmodaliteiten van de vorige paragrafen nader bepalen, meer bepaald de inhoud van de informatie betreffende het EPB-certificaat opgenomen in de akte van de vastgoedtransactie. Afdeling 5. - EPB-eisen van de technische installaties Artikel 2.2.15 De Regering bepaalt de EPB-eisen waaraan de technische installaties moeten voldoen tijdens hun installatie, hun gebruik of hun vervanging of modernisering. Wanneer ze EPB-eisen vastlegt, kan de Regering een onderscheid maken volgens de categorie, de ouderdom en de omvang van de uitrusting. Artikel 2.2.16 § 1. Een volledige of gedeeltelijke afwijking van de EPB-eisen kan worden toegekend voor technische installaties wanneer de gedeeltelijke of volledige naleving van die eisen technisch, functioneel of economisch niet haalbaar is. § 2. De verzoeken tot afwijking worden ingediend bij het Instituut vóór het onderhoud of de controle bedoeld in artikel 2.2.17. De Regering bepaalt de procedure voor het onderzoek van de aanvragen tot het bekomen van een afwijking en bepaalt de criteria en drempels voor de toekenning ervan. De afwijkingen worden toegekend door het Instituut. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van beroep bij het Milieucollege. De modaliteiten van dat beroep worden bepaald door de Regering. § 3. De toekenning van een afwijking van een EPB-eis ontheft de aanvrager niet van de andere verplichtingen die zijn opgelegd door onderhavige ordonnantie. Artikel 2.2.17 § 1. De verwarmingssystemen en de klimaatregelingssystemen worden onderhouden door technici. Het onderhoud van een verwarmingssysteem omvat met name een evaluatie van het rendement van de verwarmingsketel. De verwarmingssystemen uitgerust met een ketel met een nuttig nominaal thermisch vermogen gelijk aan of hoger dan 100 kW en die werken op niet-hernieuwbare brandstoffen, worden minstens om de twee jaar onderhouden. Die termijn kan tot vier jaar worden verlengd voor de gasketels. § 2. De toegankelijke delen van de verwarmingssystemen met ketels met een nuttig nominaal thermisch vermogen van meer dan 20 kW en de klimaatregelingssystemen met een nuttig nominaal thermisch vermogen van meer dan 12 kW worden periodiek gecontroleerd door controleurs. § 3. De periodieke controle behelst een evaluatie van het rendement van de ketel of van de klimaatregeling en van zijn afmetingen in verhouding tot de behoeften van de EPB-eenheid op het vlak van verwarming of afkoeling. De evaluatie van de afmeting wordt niet herhaald zolang er intussen geen wijziging werd aangebracht aan de verwarmings- of klimaatregelingssystemen van de EPB-eenheid of aan de eisen inzake verwarming en afkoeling van de EPB-eenheid die erop van toepassing zijn. De controleur verstrekt gepaste adviezen aan de gebruikers over de eventuele verbetering of vervanging van het verwarmings- of klimaatregelingssysteem en over de overige oplossingen die kunnen worden overwogen, vooral op het vlak van hernieuwbare energie. § 4. De Regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van de vorige paragrafen en kan ook het onderhoud of de controle van andere technische installaties opleggen alsook de frequentie en de inhoud van het onderhoud en de controle opleggen in functie van het type en het nuttig nominaal thermisch vermogen van de ketel of de installatie. Wanneer ze de frequentie vastlegt, houdt de Regering rekening met de kost van de controle van de technische installatie en met de waarde van de geraamde energiebesparingen die uit het onderhoud of de controle kunnen voortvloeien. De Regering kan de onderhouds- of controlefrequentie, naar gelang van het geval, verminderen of verlichten wanneer er een elektronisch controlesysteem aanwezig is. Afdeling 6. - Bewaring en verwerking van de gegevens Artikel 2.2.18 Het Instituut bewaart en kan de gegevens voortkomend uit de aangifte, de certificering, het onderhoud en de controle die respectievelijk worden bedoeld in artikelen 2.2.11, 2.2.13 en 2.2.17, alsook de gegevens over de erkende personen elektronisch verwerken. HOOFDSTUK 2. - Evaluatie van de energie- en milieuprestatie van de gebouwen Artikel 2.2.19 § 1. De Regering erkent of voert een evaluatiesysteem in van de milieu- en energieprestatie van de gebouwen dat meer bepaald rekening houdt met de volgende aspecten : 1° de behoeften aan primaire energie, de energiebronnen en de uitstoot van kooldioxide gekoppeld aan het gebruik van het gebouw;2° het verbruik van niet-hernieuwbare bronnen voor de bouw, de renovatie of het beheer van het gebouw en de impact van dat verbruik op het milieu;3° de emissies van luchtverontreinigende stoffen betreffende het gebruik van het gebouw en hun onmiddellijke impact op de directe omgeving;4° de levenskwaliteit dat het gebouw aan zijn bewoners biedt. § 2. Op basis van het evaluatiesysteem bedoeld in § 1, kan de Regering certificerings- en labelingsmechanismen invoeren voor de evaluatie van de energie- en milieuprestatie van gebouwen. Die mechanismen beantwoorden aan de volgende principes :
  7. a)het certificeringsmechanisme onderscheidt zich van het labelingsmechanisme omdat het een groter aantal uit te voeren maatregelen en een strengere bewijsregeling die steunt op de controle van deze bewijzen door een onafhankelijk organisme omvat;
  8. b)het gebruik van één van deze mechanismen gebeurt op vrijwillige basis;
  9. c)de certificering of het toekennen van een label kunnen verplicht worden gemaakt voor de gebouwen die voor een bepaald type van bestemming voorbehouden zijn of voor de gebouwen die door de overheid worden betrokken of daartoe bestemd zijn, alsook voor de gebouwen die het voorwerp uitmaken van werkzaamheden waarvan een overheid bouwmeester is, volgens modaliteiten die door de Regering moeten worden vastgelegd. § 3. Om het evaluatiesysteem bedoeld in § 1 en de certificerings- en labelingsmechanismen vermeld in § 2 in te voeren, kan de Regering deelnemen in een vereniging zonder winstoogmerk die hoofdzakelijk de volgende activiteiten zal uitoefenen : 1. de certificering en de labeling van gebouwen organiseren, en zorgen voor het toezicht op de actoren die eraan deelnemen;2. de evaluatie-instrumenten voor de energie- en milieuprestatie van gebouwen beheren en actualiseren en, desgevallend, bijkomende instrumenten ontwikkelen;3. opleidingen organiseren met betrekking tot de certificerings- en labelingssystemen en deze systemen promoten. HOOFDSTUK 3. - Energieaudits Artikel 2.2.20 De Regering voert efficiënte en kwaliteitsvolle energieauditsystemen in. De methodologie van de energieaudits en hun verplicht of facultatief karakter kunnen variëren volgens de bestemming of de oppervlakte van de gebouwen. Deze audits worden uitgevoerd door erkende auditoren overeenkomstig de bepalingen van titel 5 van dit boek. HOOFDSTUK 4. - Plan voor lokale actie voor het gebruik van energie Artikel 2.2.21 Het PLAGE heeft tot doel een coherent geheel van acties te ondernemen om het energieverbruik van een geheel van gebouwen te beheersen en een becijferde doelstelling tot vermindering van het energieverbruik in die gebouwen te bereiken. Artikel 2.2.22 Het volgende orgaan is ertoe gehouden een PLAGE in te voeren : - elke onderneming die eigenaar is en/of gebouwen betrekt die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en samen een totale oppervlakte van meer dan 100.000 m2 innemen; - elke vereniging bedoeld in de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1921 pub. 19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten op de verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen die eigenaar is en/of gebouwen betrekt die gelegen zijn op het grondgebied van het Gewest en samen een totale oppervlakte van meer dan 100.000 m2 innemen. De Regering kan het toepassingsgebied van deze paragraaf uitbreiden. In afwijking van het eerste lid, heeft elk orgaan dat onderworpen is aan de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten bedoeld in boek 3, titel 3, hoofdstuk 1 niet de verplichting een PLAGE in te voeren. Artikel 2.2.23 § 1. Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk en bij elke verandering van PLAGE-coördinator, bezorgt het orgaan aan het Instituut de gegevens van de PLAGE-coördinator die het heeft aangewezen en de documenten waaruit blijkt dat de PLAGE-coördinator de opleiding bedoeld in het tweede lid heeft gevolgd. De PLAGE-coördinator volgt een specifieke, door het Instituut erkende opleiding over de implicaties van het PLAGE. § 2. In het kader van het PLAGE, moet het orgaan onder de controle van de PLAGE-coördinator twee actiefasen doorvoeren. De eerste fase behelst de volgende acties : - de opstelling van het energiekadaster van de gebouwen waarvan het orgaan eigenaar of betrekker is; - de identificatie van de gebouwen die als prioritair worden beschouwd volgens het gerealiseerde energiekadaster en de invoering van een energieboekhouding voor deze gebouwen; - de uitwerking van een actieprogramma met het oog op een daling van het energieverbruik. De tweede fase bestaat in de uitvoering van het actieprogramma. De eerste fase wordt uitgevoerd binnen een termijn van 18 maanden te rekenen vanaf de aanwijzing van de PLAGE-coördinator. De tweede fase wordt uitgevoerd binnen 36 maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van het Instituut bedoeld in § 3, derde lid. § 3. Het orgaan legt het ontwerp van actieprogramma voor aan de PLAGE-revisor die de geloofwaardigheid en de relevantie ervan evalueert en, indien nodig, aanbevelingen doet. Het orgaan bezorgt het actieprogramma aan het Instituut samen met het verslag van de PLAGE-revisor. Gelet op het actieprogramma en het verslag van de PLAGE-revisor, bepaalt het Instituut de becijferde doelstelling van de te bereiken vermindering van het energieverbruik na afloop van de uitvoering van het actieprogramma en deelt dit mee aan het orgaan. § 4. Op het einde van de tweede fase, maakt het orgaan een verslag op waarin wordt nagegaan of de becijferde doelstelling beoogd in § 3 nageleefd is en legt dit ter onderzoek voor aan de PLAGE-revisor die de daarin vermelde gegevens en informatie nagaat. Indien deze doelstelling niet is nageleefd, beoordeelt de revisor de relevantie en de waarachtigheid van de bijzondere omstandigheden die het orgaan eventueel heeft ingeroepen om deze tekortkoming te rechtvaardigen. Het orgaan deelt zijn verslag alsook het verslag van de PLAGE-revisor mee aan het Instituut. § 5. Op verzoek van het Instituut, bezorgt het orgaan alle bijkomende informatie inzake de uitvoering van het PLAGE. § 6. De PLAGE-revisor wordt erkend overeenkomstig de procedure beschreven in titel 5 van dit boek. § 7. De Regering bepaalt hoe het PLAGE dient te worden opgesteld en uitgevoerd. Zo legt zij de lijst van maatregelen vast die in het actieprogramma bedoeld in onderhavig artikel kunnen voorkomen. Ze bepaalt ook de kwaliteitscriteria waaraan de verslagen van de PLAGE-revisor moeten voldoen en de inhoud en de modaliteiten van de opleiding tot PLAGE-coördinator. Artikel 2.2.24 Zodra de uitvoering van het PLAGE is voltooid, voert het organisme een nieuw plan uit overeenkomstig artikel 2.2.23. In afwijking van artikel 2.2.23, § 2, wordt de eerste fase van de volgende PLAGE's uitgevoerd binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de mededeling van het verslag bedoeld in artikel 2.2.23, § 4. Artikel 2.2.25 Overeenkomstig de ordonnantie van 29 april 2004 betreffende de milieuovereenkomsten, kan het orgaan de verplichtingen die uit dit hoofdstuk voorvloeien vervullen door middel van een milieuovereenkomst. HOOFDSTUK 5. - Begeleiding van de gezinnen op het vlak van energie en ecoconstructie Artikel 2.2.26 De Regering organiseert een begeleidingsdienst om de gezinnen te helpen op het vlak van : - rationeel energiegebruik; - energie-efficiëntie van de gebouwen en installaties; - energie uit hernieuwbare bronnen; - technische keuzes en materiaalkeuze; - toegang tot financiële stimuli. Deze dienst berust op de volgende principes : 1° ) de gepersonaliseerde begeleiding van de gezinnen wordt verzekerd door lokale structuren aangewezen door de Regering;2° ) in het kader van die begeleidingsdienst, wordt het Instituut belast met de volgende opdrachten : - het publiek informeren over het bestaan en de modaliteiten van deze begeleidingsdienst; - de rol van expertise- en opleidingscentrum vervullen; - de lokale structuren bedoeld in punt 1° ) bijstaan bij het vervullen van hun opdrachten en hun acties coördineren; - de samenwerking organiseren tussen de verschillende betrokkenen van de renovatiesector. De Regering kan de principes vermeld in punten 1° ) tot 2° ) nader toelichten en aanvullen. TITEL 3. - Bepalingen betreffende het vervoer HOOFDSTUK 1. - Vervoerplannen Afdeling 1. -

Artikel 2

.3.1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk, verstaat men onder : 1° « Bestuur » : de door de Regering aangestelde administratieve dienst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Mobiliteit en Openbare Werken;2° « Vervoerplan » : de studie, implementatie, beoordeling en update van acties die bedoeld zijn om een duurzaam beheer van de verplaatsingen te promoten die gelinkt zijn aan « verkeersgeneratoren » zoals scholen, bedrijven, winkels en recreatiecentra.Het plan beoogt de rationalisering van de gemotoriseerde verplaatsingen, de modale overstap met het oog op de verbetering van de mobiliteit en de vermindering van de milieuoverlast dat deze laatste met zich meebrengt; 3° « Audit » : het beoordelingsproces met betrekking tot de stappen ondernomen door het bedrijf, de school, de sitebeheerder en de sitegebruiker betreffende het vervoerplan, om : - de conformiteit ervan met onderhavig Wetboek na te gaan; - het te verbeteren door de efficiëntie ervan te verhogen om een dynamiek te creëren die bijdraagt tot de doelstellingen van mobiliteit, leefmilieu en luchtkwaliteit. De audit waarborgt een uitvoerige aanpak door een bezoek aan de site; 4° « Site » : de plaats waarop een vervoerplan betrekking heeft, zijnde :

  1. a)ofwel een gebouw en zijn aanhorigheden;
  2. b)ofwel een zone waar meerdere gebouwen staan en die over meerdere ingangen beschikt die via het meest directe voetgangerstraject op minder dan vijfhonderd meter van elkaar verwijderd zijn;
  3. c)ofwel de openbare ruimte;5° « Toegankelijkheidsplan van de site » : het document waarin alle nodige inlichtingen beknopt worden samengevat om zich met alle beschikbare vervoermiddelen (trein, bus, tram, metro, auto, taxi, fiets, te voet), inclusief het parkeeraanbod voor auto's en fietsen, naar een bepaalde plaats te begeven en dat als doel heeft de multimodale verplaatsingen aan te sporen;6° « Schoolpubliek » : de leerlingen, de ouders van leerlingen, de leerkrachten, de personeelsleden van de school en alle overige personen die zich regelmatig van of naar de school verplaatsen;7° « Bedrijf » : elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon die werknemers tewerkstelt;8° « Contactpersoon » : de natuurlijke persoon die in het kader van het bedrijfsvervoerplan door het bedrijf, de sitebeheerder of de sitegebruiker wordt aangesteld als gesprekspartner met het Bestuur en/of het Instituut in het kader van de bedrijfsvervoerplannen of activiteiten;9° « Werknemers » : het personeel van het bedrijf dat onder zijn gezag staat;worden niet beschouwd als deel uitmakend van dit personeel, de bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of de zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf; 10° « Formulier » : document van het Bestuur en/of het Instituut dat betrekking heeft op de diagnose en de bestaande en toekomstige maatregelen rond mobiliteit;11° « Activiteit » : elke culturele, commerciële of sportactiviteit, tijdelijk, occasioneel, periodiek of permanent, betalend of gratis, op een site;12° « Sitebeheerder » : de natuurlijke of rechtspersoon die, als eigenaar of in een andere hoedanigheid, verantwoordelijk is voor het beheer van de site waar een activiteit of door hem of door de gebruiker van de site wordt uitgeoefend;indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt, dan wordt de beheerder ervan niet beschouwd als sitebeheerder; 13° « Deelnemers » : de natuurlijke personen die aan de activiteit deelnemen of de bezoekers die de site van de activiteit betreden, met uitzondering van de personeelsleden van de sitebeheerder en van de sitegebruiker en hun uitvoerders van werken, hun dienstverleners en hun leveranciers van goederen; 14° « Sitegebruiker » : de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de sitebeheerder het gebruik van de site toevertrouwt, in de zin van artikel 2.3.1, 4°,
  4. a)of b), om er een activiteit uit te oefenen, of de persoon die een activiteit uitoefent in de openbare ruimte. Artikel 2.3.2 § 1. Onverminderd hun specifieke opdrachten bij elk soort plan, hebben het Bestuur en het Instituut als algemene opdracht om : 1° een school, een bedrijf, een sitebeheerder of een sitegebruiker de methodologische hulpmiddelen aan te reiken voor de opmaak van een vervoerplan;2° een antwoord te geven op elke vraag met betrekking tot de vervoerplannen die wordt gesteld door een school, een bedrijf, een sitebeheerder of een sitegebruiker. § 2. Bij de uitoefening van hun algemene en specifieke opdrachten en op ieder moment kunnen het Bestuur en het Instituut, in overleg met de school, het bedrijf, de sitebeheerder of de sitegebruiker, een audit verrichten van elke site die onderworpen is aan de onderhavige ordonnantie, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek. § 3. Het Bestuur en het Instituut kunnen aan de scholen, bedrijven, sitebeheerders en sitegebruikers die een vervoerplan opstellen en uitvoeren een mobiliteitsprijs uitreiken. § 4. De stappen die het Bestuur en het Instituut ondernemen, blijven verenigbaar en vormen een aanvulling op de voorschriften van de milieuvergunningen. Artikel 2.3.3 De Regering bepaalt de modaliteiten van de samenwerking tussen het Bestuur en het Instituut alsook de termijnen en alle andere modaliteiten van de procedures. De Regering bepaalt ook de inhoud, het model en de vorm van verzending aan het Bestuur en/of het Instituut van de documenten, hierna « formulieren » en « vervoerplan » genoemd, die de scholen, de bedrijven, de sitebeheerders en de sitegebruikers op straffe van nietigheid dienen te gebruiken. Afdeling 2. - Het schoolvervoerplan Artikel 2.3.4 Deze afdeling is van toepassing op de kleuter-, basis- en secundaire scholen, voor alle netten en alle onderwijstypes. Afdeling 4 van dit hoofdstuk betreffende de activiteitenvervoerplannen is niet van toepassing op deze scholen wanneer zij buitenschoolse activiteiten in hun lokalen of in de omgeving ervan organiseren. Artikel 2.3.5 § 1. De scholen maken een prediagnose waarbij de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk worden nageleefd. De prediagnose heeft met name tot doel : 1° de schooldirectie te sensibiliseren voor de mobiliteit, de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit in de schoolomgeving;2° de schooldirectie aan te zetten om een schoolvervoerplan op te maken. § 2. De prediagnose bevat : 1° het overzicht van de gegevens van de schoolinstelling, met name het aantal leerlingen en leerkrachten, de lesroosters;2° de beschrijving van de bereikbaarheid van de school voor de verschillende vervoerswijzen;3° de analyse van de verplaatsingen van de leerlingen tussen hun woonplaats en de school en van de schoolverplaatsingen in het algemeen;4° de beschrijving van de ondernomen acties rond verkeersveiligheid en duurzame mobiliteit binnen de schoolinstelling;5° de analyse van de mogelijke verbeteringen inzake verkeersveiligheid en mobiliteit. Artikel 2.3.6 De schooldirectie stelt de prediagnose op aan de hand van een formulier dat zij invult. Het Bestuur voorziet in een administratieve begeleiding voor alle scholen en een informatiepunt waar alle schooldirecties terecht kunnen om relevante informatie te vinden. Dit informatiepunt zal opgestart worden op 1 september van het schooljaar bepaald door de Regering. De schooldirectie stuurt dit formulier naar het Bestuur uiterlijk op 31 december van het jaar bepaald door de Regering. Artikel 2.3.7 De schooldirectie actualiseert om de drie jaar de prediagnose aan de hand van het in artikel 2.3.6 bedoelde formulier, tenzij de school een schoolvervoerplan opstelt. Zij stuurt dit formulier naar het Bestuur. Artikel 2.3.8 § 1. De school die overeenkomstig artikel 2.3.6 een prediagnose heeft opgesteld en verzonden naar het Bestuur kan, indien zij dit wenst, een schoolvervoerplan opstellen waarbij de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk worden nageleefd. § 2. Meerdere scholen die op een zelfde site gevestigd zijn, kunnen een gemeenschappelijk schoolvervoerplan opstellen. Artikel 2.3.9 Het schoolvervoerplan heeft met name tot doel : 1° het schoolpubliek te sensibiliseren voor veiligheid en duurzame mobiliteit;2° de verkeersveiligheid en de leefkwaliteit op de weg naar school en in de schoolomgeving te verbeteren;3° de verplaatsingsgewoontes van het schoolpubliek te veranderen met het oog op een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de school door andere vervoerswijzen te promoten. Artikel 2.3.10 De schooldirectie schrijft zich bij het Bestuur in door het een door haar ingevuld formulier te bezorgen. In overleg met de schooldirectie, stelt het Bestuur een tijdsschema op waarin de toepassingstermijnen van de artikelen 2.3.12, § 1, 2.3.14, § 1, 2.3.15, § 1, 2.3.17 en 2.3.18 zijn bepaald en stuurt deze naar de schooldirectie. Artikel 2.3.11 § 1. De prediagnose, bedoeld in artikel 2.3.6, maakt integraal deel uit van de diagnose. § 2. De diagnose bevat : 1° een kaart met aanduiding van de woonplaats van de leerlingen;2° de beschrijving van de werking en de analyse van de omgeving van de schoolinstelling;3° het bereikbaarheidsprofiel van de school;4° de analyse van de vervoerswijzen van het schoolpubliek in al haar verschillende componenten;5° de beschrijving van het verkeer op de wegen in de omgeving van de schoolinstelling en van de problemen voor de verschillende gebruikers;6° de analyse van de in de voorafgaande punten bedoelde inlichtingen. De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden. Artikel 2.3.12 § 1. Mits naleving van artikel 2.3.11, stelt de schooldirectie de diagnose op aan de hand van een formulier dat zij invult. De schooldirectie stuurt dit formulier naar het Bestuur binnen de termijn bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema. § 2. Indien het Bestuur oordeelt dat de diagnose onvolledig is, dan vraagt het aan de schooldirectie om deze aan te vullen. De schooldirectie stuurt de aanvulling op de diagnose naar het Bestuur. § 3. Indien de schooldirectie de diagnose of de aanvulling niet binnen de voorgeschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de plannen. Artikel 2.3.13 De schooldirectie maakt een actieplan op uitgaand van de diagnose. Dat plan bepaalt de volgende acties : 1° informatie en communicatie over de doelstellingen en de acties van het plan ten behoeve van het schoolpubliek, de buurtbewoners, de gemeente en de politiezone;2° opvoeding en sensibilisering van het schoolpubliek inzake verkeersveiligheid, duurzame mobiliteit en een beter leefkader in de schoolomgeving;3° organisatie van de verplaatsingen van het schoolpubliek met het oog op een rationeel gebruik van de auto;4° voorstellen tot verbetering van de inrichtingen en uitrustingen van de weg en van het openbaar vervoer in de schoolomgeving;5° de specifieke en operationele acties om een vervuilingspiek aan te pakken en de toepassing van de dringende maatregelen te garanderen om luchtvervuilingspieken te voorkomen. Artikel 2.3.14 § 1. De schooldirectie stelt op basis van de diagnose, het actieplan op aan de hand van een formulier dat zij invult. Ze stuurt dit formulier naar het Bestuur binnen de termijn bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema. § 2. Indien het Bestuur oordeelt dat het actieplan onvolledig is, dan vraagt het aan de schooldirectie om het aan te vullen. De schooldirectie stuurt de aanvulling op het actieplan naar het Bestuur. § 3. Indien de schooldirectie het oorspronkelijke of aangevulde actieplan niet binnen de voorgeschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen. § 4. Samen met het actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.47 bedoelde steun indienen. Artikel 2.3.15 § 1. De schooldirectie implementeert de acties van het plan binnen de termijn bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema. § 2. Het Bestuur stelt de betrokken wegbeheerder en maatschappij van openbaar vervoer voor om de voorstellen bedoeld in artikel 2.3.13, tweede lid, 4° te onderzoeken. § 3. Het Bestuur deelt aan de schooldirectie de beslissing mee van de Regering met betrekking tot de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48. Artikel 2.3.16 Het schoolbestuur gaat over tot de beoordeling van het actieplan om lessen te trekken uit de door de school ondernomen stappen om de acties, de planning van de operaties en de toekomstige beslissingen te verbeteren. Daartoe analyseert de beoordeling de relevantie en de efficiëntie van de genomen maatregelen alsook de weerslag ervan op de gedragswijziging van het schoolpubliek. Artikel 2.3.17 § 1. Op basis van de in artikel 2.3.16 bedoelde beoordeling, actualiseert de schooldirectie het actieplan volgens de termijn die vastgelegd is in het tijdsschema bedoeld in artikel 2.3.10, tweede lid. De schooldirectie stuurt het geactualiseerde plan naar het Bestuur. Indien de schooldirectie het geactualiseerde plan niet binnen de voorschreven termijn opstuurt, dan wordt beschouwd dat de school zich gedurende drie jaar niet meer wil aansluiten bij de schoolvervoerplannen. § 2. Samen met het geactualiseerde actieplan kan de schooldirectie een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun indienen. Het Bestuur deelt aan de schooldirectie de beslissing van de Regering mee met betrekking tot de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.48. Artikel 2.3.18 Na afloop van een periode vastgelegd door de Regering en bepaald in het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema, vervalt het schoolvervoerplan ambtshalve en van rechtswege. De school kan, indien zij dit wenst, een nieuw schoolvervoerplan opstellen. In dit geval, zijn de artikelen 2.3.8 tot 2.3.17 van toepassing. Artikel 2.3.19 De school wordt als in gebreke blijvend beschouwd indien zij binnen de voorgeschreven termijn de prediagnose, met toepassing van artikel 2.3.6, niet naar het Bestuur stuurt. Artikel 2.3.20 Het Bestuur stuurt, per aangetekend schrijven, een verwittiging naar de school en bepaalt een termijn zodat deze een eind kan stellen aan het vastgestelde in gebreke blijven. Indien de school binnen de voorgeschreven termijn geen gevolg geeft aan de in het eerste lid bedoelde verwittiging, dan kan zij geen beroep doen op steun in toepassing van artikel 2.3.46. Afdeling 3. - Het bedrijfsvervoerplan Artikel 2.3.21 Het bedrijfsvervoerplan heeft tot doel een langetermijnstrategie te creëren binnen de bedrijven door een reeks concrete maatregelen geleidelijk in te voeren om een juist evenwicht te garanderen tussen het algemene mobiliteitsbelang, de kwaliteit van het leefmilieu waaronder de luchtkwaliteit en de sociaal-economische belangen van de bedrijven. Het bedrijf zal doelstellingen bepalen voor een verdeling van de vervoerswijzen. Het plan wil de verplaatsingsgewoontes van de werknemers en de bezoekers van het bedrijf veranderen ten gunste van vervoerswijzen die aansluiten bij een duurzaam mobiliteitsbeheer en die milieuvriendelijk zijn. Artikel 2.3.22 § 1. Deze afdeling is van toepassing op het bedrijf dat meer dan honderd werknemers op een zelfde site tewerkstelt. § 2. Het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers waarmee rekening moet worden gehouden voor de toepassing van deze afdeling wordt op dezelfde wijze berekend als die welke wordt gebruikt voor het verzamelen van de gegevens betreffende het woon-werkverkeer van de werknemers door de federale overheid. § 3. Indien op eenzelfde site meerdere bedrijven gevestigd zijn die elk meer dan honderd werknemers tewerkstellen, dan kunnen zij een gemeenschappelijk vervoerplan opstellen. § 4. Indien in eenzelfde gebouw meerdere bedrijven gevestigd zijn die elk minder dan honderd werknemers, maar samen meer dan honderd werknemers tewerkstellen, dan kunnen zij een gemeenschappelijk vervoerplan opstellen. Artikel 2.3.23 § 1. Het bedrijf maakt een diagnose die het volgende omvat : 1° de inventaris en de analyse van de verplaatsingen van de werknemers, zowel hun woon-werkverplaatsingen als hun beroepsverplaatsingen en van de goederen die door de werking van het bedrijf gegenereerd worden, alsook een schatting van het aantal bezoekers;2° het aantal bezoldigde werknemers die onder het gezag staan van een andere persoon dan het bedrijf of van zelfstandigen die werken uitvoeren voor en diensten of goederen leveren aan het bedrijf, voor zover zij meer dan tien dagen per maand op de site aanwezig zijn;3° de gegevens met aanduiding van de gemeente waar de werknemers bedoeld in punt 1° wonen, alsook hun vervoermiddel;4° de werkroosters van de in punt 1° bedoelde werknemers;5° de analyse van het wagenpark van het bedrijf : dienstwagens, bedrijfswagens, bestelwagens, vrachtwagens en al dan niet gemotoriseerde tweewielers;6° de analyse van het parkeeraanbod in en in de omgeving van het bedrijf;7° de analyse van de bereikbaarheid van het bedrijf met het openbaar vervoer, te voet, per fiets en met de wagen;8° de beschrijving van de reeds door het bedrijf ondernomen acties om de mobiliteit en de bereikbaarheid van het bedrijf te verbeteren;9° de lijst van bedrijven op eenzelfde of nabijgelegen site, waarmee een gemeenschappelijk vervoerplan of gemeenschappelijke acties voordelen zouden kunnen opleveren;10° de analyse van de in de voorgaande punten bedoelde inlichtingen. De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden indien dit nodig zou zijn voor de uitvoering van het actieplan. § 2. Het bedrijf stelt deze diagnose op aan de hand van een formulier dat het invult en verstuurt naar het Instituut. Wanneer het Instituut oordeelt dat de diagnose onvolledig is, vraagt het aan het bedrijf om ze aan te vullen. Het bedrijf verstuurt de bijkomende informatie naar het Instituut binnen een door de Regering vastgelegde termijn. De volledige diagnose wordt dan door het Instituut bezorgd aan het Bestuur. Artikel 2.3.24 § 1. Op basis van de diagnose bedoeld in artikel 2.3.23, maakt het bedrijf een actieplan op. Het actieplan bevat de volgende verplichte acties : 1° de doelstellingen inzake de verdeling van de vervoerswijzen die overeenstemmen met een raming van de impact van het bedrijfsactieplan op het gewijzigde gedrag van de werknemers voor hun verplaatsingen;2° de aanstelling van een contactpersoon binnen het bedrijf, van wie de identiteit aan de werknemers wordt bekendgemaakt;3° de informatie en communicatie over het volledige bedrijfsvervoerplan aan de werknemers en hun vakbondsafgevaardigden;4° de terbeschikkingstelling van een bereikbaarheidsplan van de site aan de werknemers en bezoekers van het bedrijf;5° de terbeschikkingstelling van een fietsenstalling aan de werknemers van het bedrijf;de Regering kan de kenmerken van de fietsenstalling bepalen; 6° de specifieke en operationele acties om een vervuilingspiek aan te pakken en de toepassing van de dringende maatregelen te garanderen om luchtvervuilingspieken te voorkomen; 7° andere acties die overeenstemmen met alle middelen die het bedrijf wil inzetten om de in artikel 2.3.21 bedoelde doelstellingen te bereiken. De Regering kan andere verplichte acties bepalen die tegemoetkomen aan de in artikel 2.3.21 bedoelde doelstellingen. § 2. Het bedrijf stelt het actieplan op aan de hand van een formulier dat het invult. Het ingevulde formulier wordt aan het Instituut bezorgd binnen de door de Regering voorgeschreven termijn. Op basis van dit formulier, beslist het Instituut om een audit uit te voeren. Artikel 2.3.25 § 1. De contactpersoon stuurt het bedrijfsvervoerplan naar het Instituut. § 2. Indien het Instituut oordeelt dat het bedrijfsvervoerplan onvolledig is, dan wordt aan de contactpersoon gevraagd om het te laten aanvullen door het bedrijf. De contactpersoon stuurt de aanvulling op het bedrijfsvervoerplan naar het Instituut. Het Instituut stuurt het aangevulde plan naar het Bestuur. Artikel 2.3.26 Het bedrijf implementeert op zijn minst de verplichte acties bedoeld in artikel 2.3.24. Artikel 2.3.27 Het bedrijf actualiseert zijn vervoerplan met inachtneming van artikelen 2.3.23 tot 2.3.26. Artikel 2.3.28 Een bedrijf wordt als in gebreke blijvend beschouwd indien het binnen de voorgeschreven termijn : 1° het formulier en/of zijn oorspronkelijke of aangevulde vervoerplan niet naar het Instituut opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.25; 2° de verplichte acties van zijn vervoerplan niet implementeert, met toepassing van artikel 2.3.26; 3° de update van zijn vervoerplan niet naar het Instituut opstuurt, met toepassing van artikel 2.3.27. Artikel 2.3.29 Het Instituut stuurt, per aangetekend schrijven, een verwittiging naar het bedrijf en bepaalt een termijn zodat het een eind kan stellen aan de vastgestelde tekortkoming. Afdeling 4. - Het activiteitenvervoerplan Onderafdeling 1. -

Artikel 2

.3.30 Het activiteitenvervoerplan heeft met name tot doel : 1° de mobiliteit, het leefmilieu, de luchtkwaliteit en de leefkwaliteit, zowel op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt als rondom de site en in de omgeving ervan, te verbeteren om de impact van de activiteit hierop te verminderen;2° de verplaatsingsgewoontes van de deelnemers te veranderen met het oog op meer verplaatsingen te voet, met de fiets of het openbaar vervoer, een rationeel gebruik van de auto en een vermindering van het aantal auto's in de omgeving van de site waar de activiteit plaatsvindt door andere vervoerswijzen te promoten. Artikel 2.3.31 Onderhavige afdeling geldt voor de activiteiten waaraan, op een zelfde site, meer dan duizend mensen per dag deelnemen. Artikel 2.3.32 §

  1. Aan de hand van een formulier dat ze invullen, maken elke sitebeheerder en sitegebruiker : 1° zichzelf en hun contactpersoon bekend aan het Bestuur;2° kenbaar aan het Bestuur welke soort activiteit ze organiseren alsook het geschatte aantal mensen dat aan hun activiteiten zal deelnemen. §
  2. De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker versturen het formulier bepaald in § 1 naar het Bestuur. Artikel 2.3.33 §
  3. Aan de hand van een formulier dat zij invullen, informeren de sitebeheerder en de sitegebruiker het Bestuur over de verplaatsing van de activiteit op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of erbuiten en bezorgen het hun nieuw adres. De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker versturen dit formulier naar het Bestuur. §
  4. Indien de activiteit georganiseerd op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest er verplaatst wordt, dan moet er hiervoor een nieuw activiteitenvervoerplan worden opgesteld. Onderafdeling
  5. - Activiteiten met duizend tot zesduizend deelnemers per dag Artikel 2.3.34 §
  6. Voor de sites met een capaciteit van duizend tot zesduizend deelnemers per dag, kan de sitebeheerder de volgende acties uitvoeren : 1° de opmaak van een bereikbaarheidsplan van de site dat aan de sitegebruiker wordt overhandigd;2° de terbeschikkingstelling van een fietsenstalling aan de sitegebruiker;de Regering kan de kenmerken van de fietsenstalling bepalen. De uitvoering van deze acties is voor rekening van de sitegebruiker indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt. §
  7. De Regering kan andere acties bepalen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen in artikel 2.3.30 te behalen. Artikel 2.3.35 §
  8. Voor de activiteiten met duizend tot zesduizend deelnemers per dag, kan de sitegebruiker de volgende acties uitvoeren : 1° de verspreiding van het bereikbaarheidsplan van de site, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 1°, op de website van de activiteit, aangepast aan het type van activiteit en de herkomst van de betrokken bezoekers; 2° de terbeschikkingstelling van de fietsenstalling, bedoeld in artikel 2.3.34, § 1, 2°, aan de deelnemers; 3° de vermelding van de dichtsbijgelegen haltes van openbaar vervoer en van de fietsenstalling op de toegangskaarten in voorverkoop en op de affiches. §
  9. De Regering kan andere acties bepalen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen in artikel 2.3.30 te behalen. Artikel 2.3.36 De sitebeheerder en de sitegebruiker kunnen een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun bij het Bestuur indienen. Het Bestuur deelt aan de sitebeheerder en de sitegebruiker de beslissing van de Regering mee over de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.
  10. Onderafdeling
  11. - Activiteiten met meer dan zesduizend deelnemers per dag Artikel 2.3.37 §
  12. Indien de activiteit in de openbare ruimte plaatsvindt, dan zijn de bepalingen van de onderhavige onderafdeling enkel van toepassing op de sitegebruiker. §
  13. Wanneer de activiteit betrekking heeft op een site met meer dan zesduizend betalende deelnemers per dag en onderworpen is aan een milieuvergunning, dan zijn de bepalingen van afdeling 3 van toepassing op de sitebeheerder, ook wat de specifieke bepalingen van artikelen 2.3.38 en 2.3.39 met betrekking tot de opmaak van de diagnose en het actieplan betreft. §
  14. De Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze onderafdeling, en meer bepaald de categorieën van activiteiten die meer dan zesduizend deelnemers per dag samenbrengen en waarvoor artikel 2.3.38, § 1, punt 3° en § 2, punt 4° en artikel 2.3.39, § 1, punt 2°, laatste streepje van toepassing zijn. Artikel 2.3.38 §
  15. Aan de hand van een formulier dat hij invult, stelt de sitebeheerder een diagnose op die het volgende bevat : 1° de analyse van de bereikbaarheid van de site voor de verschillende vervoerswijzen van de deelnemers en van de parkeercapaciteit;2° de beschrijving van de reeds ondernomen acties om de verplaatsingen van de deelnemers te organiseren;3° een evaluatie van de behoeften op het vlak van het aanbod aan openbaar vervoer. De Regering kan beslissen om de gevraagde informatie in de diagnose uit te breiden. §
  16. Aan de hand van een formulier dat hij invult, stelt de sitegebruiker een diagnose op die het volgende bevat : 1° de analyse van de vermoedelijke of geschatte vervoerswijzen van de deelnemers op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt;2° de analyse van het vermoedelijke aantal goederen dat nodig is voor de activiteit en van de vervoerswijzen ervan op de weg naar de site waar de activiteit plaatsvindt;3° de beschrijving van de reeds ondernomen acties om de verplaatsingen van de deelnemers te organiseren;4° een evaluatie van de behoeften op het vlak van het aanbod aan openbaar vervoer. Artikel 2.3.39 §
  17. Aan de hand van een formulier dat zij invullen, stellen de sitebeheerder en de sitegebruiker een actieplan op dat het volgende bevat : 1° de acties bepaald in de artikelen 2.3.34 en 2.3.35; 2° alsook de volgende verplichte maatregelen : - sensibiliserings- en aansporingsmaatregelen bestemd voor de deelnemers om andere vervoerswijzen dan de privéwagen te gebruiken; - specifieke maatregelen voor personen met beperkte mobiliteit; - signalisatiemaatregelen met betrekking tot de zachte vervoerswijzen, bestemd voor voetgangers en fietsers, evenals signalisatiemaatregelen met betrekking tot eventuele omleidingen veroorzaakt door de activiteit; - informatie-uitwisseling tussen de buurtbewoners en de sitebeheerder en/of sitegebruiker. 3° andere acties die overeenstemmen met het geheel van de middelen die de sitebeheerder en de sitegebruiker ter beschikking stellen om de doelstellingen vermeld in artikel 2.3.30 te bereiken. §
  18. De sitebeheerder stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.
  19. §
  20. De sitegebruiker stelt het actieplan op met betrekking tot de acties bedoeld in § 1, 2° en in artikel 2.3.
  21. §
  22. De regels voor de tenlasteneming van de eventuele meerkost voor de MIVB van een betalende activiteit met meer dan zesduizend deelnemers per dag en welke door de regering wordt bepaald, worden vastgesteld in het kader van de beheersovereenkomst van de MIVB. Artikel 2.3.40 §
  23. De contactpersoon van de sitebeheerder en die van de sitegebruiker sturen het activiteitenvervoerplan naar het Bestuur. §
  24. Samen met het activiteitenvervoerplan kunnen de sitebeheerder en de sitegebruiker een aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in artikel 2.3.46 bedoelde steun indienen alsook het advies bedoeld in artikel 2.3.41, § 1 vragen. §
  25. Indien het Bestuur oordeelt dat het activiteitenvervoerplan onvolledig is, vraagt het de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker om het te laten aanvullen. De contactpersoon van de sitebeheerder en die van de sitegebruiker sturen de aanvulling op het activiteitenvervoerplan naar het Bestuur. Artikel 2.3.41 §
  26. Indien het Bestuur het opportuun acht of indien de sitebeheerder of de sitegebruiker hierom vraagt, kan het het advies van het Instituut, de betrokken politiezone(s), de betrokken gemeente(n) of de betrokken maatschappij(en) van openbaar vervoer vragen over het oorspronkelijke of aangevulde activiteitenvervoerplan. De personen bedoeld in het eerste lid sturen hun advies naar het Bestuur. §
  27. Het Bestuur stuurt zijn advies, gebaseerd op het advies bedoeld in § 1, naar de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker. Artikel 2.3.42 De contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker sturen het op basis van het advies van het Bestuur gewijzigde activiteitenvervoerplan naar het Bestuur. Artikel 2.3.43 De sitebeheerder en de sitegebruiker implementeren op zijn minst de verplichte acties van het activiteitenvervoerplan. Het Bestuur deelt aan de contactpersoon van de sitebeheerder en deze van de sitegebruiker, de beslissing van de Regering mee over de toekenning of weigering van de steun met toepassing van artikel 2.3.
  28. Artikel 2.3.44 De sitebeheerder en de sitegebruiker actualiseren hun vervoerplan met inachtneming van de artikelen 2.3.37 tot 2.3.
  29. Artikel 2.3.45 De sitebeheerder of de sitegebruiker wordt als in gebreke blijvend beschouwd indien hij binnen de voorgeschreven termijn : 1° zichzelf en zijn contactpersoon niet bekendmaakt aan het Bestuur, met toepassing van artikel 2.3.32, § 1, 1° ; 2° het Bestuur niet op de hoogte stelt van de verplaatsing van zijn activiteit en zijn nieuwe adres niet meedeelt, met toepassing van artikel 2.3.33, § 1; 3° zijn met toepassing van artikel 2.3.40 oorspronkelijke of aangevulde of met toepassing van artikel 2.3.42 gewijzigde activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt; 4° de acties niet implementeert, met toepassing van de artikelen 2.3.34, 2.3.35, 2.3.39 en 2.3.43; 5° de update van zijn activiteitenvervoerplan niet naar het Bestuur stuurt, met toepassing van artikel 2.3.
  30. Het Bestuur stuurt een verwittiging, bij aangetekend schrijven, aan de overtreder en bepaalt een termijn zodat deze een einde kan stellen aan het vastgestelde in gebreke blijven. Afdeling
  31. - De toekenning van financiële of materiële steun Artikel 2.3.46 §
  32. Overeenkomstig de bepalingen van onderhavige afdeling, kan de Regering financiële of materiële steun toekennen om de opmaak en de implementatie van een vervoerplan aan te moedigen. Deze steun wordt vastgelegd binnen de beschikbare budgetten. §
  33. Kunnen deze steun genieten : 1° de in afdeling 2 van onderhavig hoofdstuk bedoelde scholen;2° de personen die een in afdeling 4 van onderhavig hoofdstuk bedoelde activiteit organiseren indien deze zonder winstoogmerk gebeurt. §
  34. De Regering bepaalt de toekenningscriteria, de aard en het bedrag van de steun. Artikel 2.3.47 §
  35. De aanvraag voor een principeakkoord voor de toekenning van de in de artikelen 2.3.14, § 4, 2.3.17, § 2, 2.3.36 en 2.3.40, § 2 bedoelde steun is ontvankelijk indien : 1° de school het in artikel 2.3.10, tweede lid bedoelde tijdsschema heeft nageleefd, en dat de toepassingstermijnen van de artikelen 2.3.12, § 1, 2.3.14, § 1, 2.3.15, § 1 en 2.3.18 bepaalt; 2° de sitebeheerder of de sitegebruiker niet valt onder een van de in artikel 2.3.45 bedoelde gevallen van tekortkoming. De Regering kan andere ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de aanvraag bepalen dan deze die in het eerste lid worden bedoeld. §
  36. De Regering bepaalt de samenstelling van het aanvraagdossier voor een principeakkoord voor de toekenning van de steun. Artikel 2.3.48 De Regering deelt aan de begunstigde haar beslissing mee tot toekenning of weigering van de steun en stuurt een kopie van haar kennisgeving naar het Bestuur. Het Bestuur verleent de steun aan de begunstigde. Artikel 2.3.49 §
  37. De Regering kan de teruggave van de steun eisen indien binnen de voorgeschreven termijn : 1° de school het actieplan, overeenkomstig artikel 2.3.15, niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend; 2° de sitebeheerder of sitegebruiker de verplichte acties van zijn actieplan, overeenkomstig artikelen 2.3.34, 2.3.35 en 2.3.43 niet implementeert of de steun gebruikt voor andere doeleinden dan deze waarvoor hij werd toegekend. De Regering kan andere voorwaarden voor de teruggave van de steun bepalen dan deze vermeld in het eerste lid. §
  38. Indien de teruggave van de steun niet binnen de door de Regering bepaalde termijn wordt uitgevoerd, dan wordt de overtreder bestraft met een administratieve boete die gelijk is aan maximum het dubbele van het bedrag van de in artikel 2.3.46, § 3 bedoelde steun. HOOFDSTUK
  39. - Verbetering van de milieuprestatie van de voertuigen Artikel 2.3.50 §
  40. De Regering definieert milieuprestatie-eisen die van toepassing zijn voor de aan te kopen of te leasen voertuigen van natuurlijke of rechtspersonen die op het grondgebied van het Gewest één of meer van de volgende activiteiten uitoefenen : 1° een taxidienst;2° een dienst voor het verhuren van voertuigen met of zonder chauffeur of voor autodelen;3° een toeristische busdienst. §
  41. De Regering kan premies toekennen om de aankoop van voertuigen die beantwoorden aan de milieudoelstellingen gedefinieerd krachtens § 1 aan te moedigen. HOOFDSTUK
  42. - Parkings buiten de openbare weg Afdeling
  43. -

Artikel 2

.3.51 Met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk, verstaat men onder : 1° « Aanvraag » : een aanvraag om milieuvergunning in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, een aanvraag om milieucertificaat in de zin van artikel 8 van dezelfde ordonnantie of een aanvraag tot verlenging van een milieuvergunning in de zin van artikel 62 van dezelfde ordonnantie;2° « Aanvrager » : elke publieke of privépersoon die een aanvraag indient;3° « Parkeerplaats » : een plaats buiten de openbare weg voor het stationeren van een autovoertuig op twee tot vier wielen en waarvan de toegang voorbehouden is aan sommige gebruikers, in tegenstelling tot de openbare parking; 4° « Overtollige parkeerplaats » : een parkeerplaats zoals gedefinieerd in punt 3° die het aantal toegestane plaatsen, zoals bepaald krachtens de artikelen 2.3.53 en 2.3.54, met inbegrip van § 4 van artikel 2.3.54 overschrijdt; 5° « Woning » : geheel van lokalen bestemd voor bewoning, die samen een wooneenheid vormen;6° « Parking » : elke ingedeelde inrichting in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen die parkeerplaatsen of overtollige parkeerplaatsen behelst in de zin van punten 3° en 4° van onderhavig artikel;7° « Openbare parking » : elke parking die, gratis of tegen betaling, toegankelijk is voor het publiek en die voldoet aan de voorwaarden van de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, of als dusdanig erkend is in de milieuvergunning waaraan ze onderworpen is, met inbegrip van die welke aan het Gewest of elke andere publiekrechtelijke rechtspersoon toebehoren, met inbegrip van de transitparkings;8° « Milieuvergunning » of « milieucertificaat » : de vergunning of het certificaat uitgereikt met toepassing van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;9° « Vloeroppervlakte » : som van de overdekte vloeren met een vrije hoogte van minstens 2,20 meter in alle lokalen, met uitsluiting van de lokalen gelegen onder het terreinniveau die voor parkeerplaatsen, kelders, technische voorzieningen en opslagplaatsen bestemd zijn;10° « Dienstvoertuig » : voertuig bestemd voor leveringen of diensten of een ander voertuig nodig voor de technische activiteiten van een onderneming, met uitsluiting van dienstwagens met chauffeur en van de ter beschikking van het personeel gestelde wagens, zoals de bedrijfswagens. Afdeling

  1. - Toepassingsgebied Artikel 2.3.52 §
  2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de aan te leggen parkings in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, evenals op de bestaande parkings die minstens drie overtollige plaatsen tellen in de zin van de artikel 2.3.51, 4°. §
  3. Het aantal toegestane parkeerplaatsen in een parking wordt bepaald volgens de regels waarin voorzien in de artikelen 2.3.53 en 2.3.54 rekening houdend met : - enerzijds, de bereikbaarheidszone gedefinieerd in artikel 2.3.53 waarin het gebouw of deel van het gebouw gelegen is dat de inrichting moet bedienen waarvoor een milieuvergunning, een milieucertificaat of een verlenging van milieuvergunning wordt aangevraagd; - en anderzijds, de vloeroppervlakte van dat gebouw of deel van gebouw. §
  4. Die bepalingen zijn echter niet van toepassing : 1° op de parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie;2° op de parkeerplaatsen die fungeren als publieke parking;3° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor ambachts-, nijverheids-, logistieke, opslagactiviteiten of voor activiteiten voor de vervaardiging van materiële diensten, voor handelszaken, voor groothandel, voor grote speciaalzaken, voor voorzieningen van collectief belang of van openbare dienst en voor hotelinrichtingen.Al deze begrippen moeten worden verstaan in de zin van het Gewestelijk Bestemmingsplan; 4° op de parkeerplaatsen die exclusief bestemd zijn voor taxidiensten zoals gedefinieerd onder artikel 2, 1° van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten, voor de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur of voor een autodeeldienst.In voorkomend geval, zal de aanvrager, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen vermelden die voor deze functies gebruikt moeten worden. De Regering kan een begeleidingsdienst aanstellen voor aanvragers die al hun parkeerplaatsen of een deel daarvan wensen te herbestemmen als parkeerplaatsen bestemd voor een woonfunctie, openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° of andere bestemmingen dan parkeerplaatsen voor voertuigen. Om de vergunningsaanvrager te garanderen dat hij zich slechts tot één instantie moet richten tijdens de aanvraagprocedure van de milieuvergunning, zal het Instituut de contactinstantie voor de aanvrager zijn voor alles wat die milieuvergunning betreft (van de aanvraag van de vergunning tot de aflevering ervan). Deze opdracht zal worden uitgevoerd met de steun van het Parkeeragentschap voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als « openbare parking ». Na de aflevering van de vergunning zal het Parkeeragentschap de taak hebben om voor de milieuvergunningshouder de instantie te worden voor wat de aspecten betreft die betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als « openbare parkings » (eventuele bijstand, controle van de naleving van de voorwaarden verbonden aan de toekenning van het label « openbaar gebouw », bijwerking van het kadaster, eventuele exploitatie van plaatsen enz.). Op verzoek van de milieuvergunningshouder zal het Parkeeragentschap het beheer van de overtollige parkeerplaatsen in de zin van artikel 2.3.51,4° met een herbestemming als openbare parking in de zin van artikel 2.3.51, 7° op zich kunnen nemen. Afdeling
  5. - Aantal toegestane parkeerplaatsen Artikel 2.3.53 §
  6. Met het oog op de toepassing van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk, wordt het gewestelijk grondgebied opgedeeld in drie zones op grond van de bereikbaarheid met het openbaar vervoer : 1° zone A, met een zeer goede bediening door het openbaar vervoer;2° zone B, met een goede bediening door het openbaar vervoer;3° zone C, met een matige bediening door het openbaar vervoer. §
  7. Zone A omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen : 1° op een wandelafstand van minder dan 500 meter van een IC/IR-spoorwegstation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens tien reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag;2° op een wandelafstand van minder dan 400 meter : - van een metrostation waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig metrostellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag; - of van een premetrostation, vanaf het Zuidstation tot en met het Noordstation, waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens vijfendertig tramstellen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag. §
  8. Zone B omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen gelegen : 1° op een wandelafstand van minder dan 400 meter : - van een spoorwegstation of -halte die niet bedoeld is in § 2 en waar, op weekdagen, beide richtingen samengeteld, minstens zes reizigerstreinen per uur stoppen, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag; - of van een metrostation dat niet wordt bedoeld in § 2; - of van een premetrostation dat niet wordt bedoeld in § 2; - of van een tramhalte voor zover deze op weekdagen bediend wordt, beide richtingen samengeteld, door minstens vijftien tramstellen per uur, tijdens minstens een volledig uur en dit twee keer per dag; 2° op een wandelafstand tussen 500 meter en 800 meter van een spoorwegstation dat wordt bedoeld in § 2, 1° ;3° op een wandelafstand tussen 400 meter en 700 meter van een metro- of een premetrostation dat wordt bedoeld in § 2, 2°. §
  9. Zone C omvat de terreinen grenzend aan de wegen of delen van wegen die niet vallen onder de zones bepaald in § 2 en §
  10. §
  11. De volgende regels zijn van toepassing op de bereikbaarheidszones bedoeld in § 1 tot 4 : 1° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg;2° in het bijzondere geval van een ingesloten terrein geldt de regeling van het terrein dat dit ingesloten terrein de voornaamste voetgangerstoegang verschaft tot de openbare weg;3° de afstanden worden berekend vanaf de as van de weg die het dichtst ligt bij elke toegang tot een spoorweghalte of -station, tot een metro-, premetro- of tramstation zoals bedoeld in § 2 en § 3; §
  12. In het geval van gebouwen met meerdere ingangen die uitgeven op verschillende wegen, wordt de regeling van de meest restrictieve zone toegepast. §
  13. De Regering maakt en publiceert om de twee jaar een kaart die door het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt bijgewerkt. Artikel 2.3.54 §
  14. Onverminderd § 4 van onderhavig artikel, laat een milieucertificaat, een milieuvergunning of een verlenging van milieuvergunning maximum het volgend aantal parkeerplaatsen bij gebouwen of delen van gebouwen toe : 1° voor de gebouwen gelegen in zone A : 2 parkeerplaatsen voor de eerste schijf van 250 m2 vloeroppervlakte plus 1 parkeerplaats per bijkomende schijf van 200 m2 vloeroppervlakte;2° voor de gebouwen gelegen in zone B : 1 parkeerplaats per schijf van 100 m2 vloeroppervlakte;3° voor de gebouwen gelegen in zone C : 1 parkeerplaats per schijf van 60 m2 vloeroppervlakte. §
  15. Het aantal toegestane parkeerplaatsen dat overeenkomstig de vorige paragraaf wordt bepaald, wordt naar de hogere eenheid afgerond. §
  16. Het aantal toegestane parkeerplaatsen wordt bepaald rekening houdend met het gebied waarin het gebouw of deel van het gebouw zich bevindt op het ogenblik dat de vergunningsaanvraag wordt ingediend. De wijziging van de gebieden in de loop van de daaropvolgende jaren doet geen afbreuk aan de geldigheid van de lopende milieuvergunning. §
  17. In afwijking van §§ 1 tot 3 van onderhavig artikel, mag de bevoegde overheid, op verzoek van de aanvrager, een milieucertificaat of een milieuvergunning of een verlenging van milieuvergunning uitreiken die een hoger aantal parkeerplaatsen toestaat dan dat wat voortvloeit uit de toepassing van §§ 1 en
  18. In dat geval, worden de parkeerplaatsen niet beschouwd als overtollige parkeerplaatsen. Deze afwijking mag slechts worden verleend als ze afdoende gerechtvaardigd is door de noodzaak om over bijkomende plaatsen te beschikken voor de dienstvoertuigen, de bezoekers of de klanten, door de economische of sociale noodwendigheden eigen aan de beoogde activiteit in het gebouw of deel van het gebouw dat door de parking bediend wordt of door zijn beperkte bereikbaarheid gelet op de algemene kenmerken van de zone, gedefinieerd in toepassing van artikel 2.3.53 van onderhavig Wetboek, waarin dat gebouw of deel van gebouw gelegen is. Indien die afwijking verband houdt met een overschrijding van meer dan tien bijkomende plaatsen ten opzichte van het aantal dat voortvloeit uit de toepassing van § 1 tot § 3, voegt de aanvrager die om een dergelijke afwijking verzoekt, bij zijn aanvraag van milieucertificaat of -vergunning een raming van de impact van de gevraagde overschrijding op het milieu. Deze beoordeling wordt onafhankelijk opgemaakt door een daartoe geregistreerde of erkende persoon, in overeenstemming met titel
  19. De houders van de erkenning die vereist is om een effectenbeoordeling uit te voeren, worden geacht erkend of geregistreerd te zijn met toepassing van deze bepaling. De kosten van de effectenbeoordeling vallen ten laste van de aanvrager. Afdeling
  20. - Milieubelasting Artikel 2.3.55 §
  21. Er bestaat een jaarlijkse belasting, « milieubelasting » genoemd, verschuldigd door de houders van de milieuvergunningen die, bij een aanvraag tot verlenging krachtens artikel 62 van de verordening van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen of van een nieuwe vergunning voor een bestaande installatie die voordien toegestaan was overeenkomstig artikel 13ter, § 2 of § 3 van dezelfde ordonnantie, ervoor gekozen hebben één of meer overtollige parkeerplaatsen te behouden, alsook door de personen die dergelijke plaatsen zonder vergunning of in strijd met de voorwaarden van hun milieuvergunning behouden of ingericht hebben. §
  22. Deze belasting is verschuldigd op 1 januari van het jaar volgend op het ogenblik van de beslissing tot verlenging of vernieuwing van de milieuvergunning waarbij de schuldenaar heeft gekozen voor de toepassing van artikel 13ter, § 2 of § 3, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. De belasting is ook verschuldigd op 1 januari van het jaar volgend op de verjaardag van de verlenging of de uitreiking van een nieuwe milieuvergunning die aanleiding gaf tot de belasting die in het vorige lid vermeld wordt. Artikel 2.3.56 De schuldenaars van de milieubelasting zijn de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° en 2°, en vanaf 1 januari 2022 die bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°. Die houders zijn zowel de natuurlijke als de privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen die de milieuvergunning voor zichzelf gevraagd en verkregen hebben als de overnemers van dergelijke vergunning, voor zover de overname conform artikel 63, § 1, 6°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen gebeurd is. Indien meerdere personen samen houder zijn van een milieuvergunning, zal de milieubelasting hoofdelijk en ondeelbaar aan elk van hen opgelegd worden. Het basisbedrag van de milieubelasting is vastgesteld op : a) 450 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 1° ; b) 350 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 2° ; c) 250 euro voor de houders van een milieuvergunning bedoeld in artikel 2.3.54, § 1, 3°. Die basisbedragen worden jaarlijks, op 1 januari, aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Koninkrijk van de maand december van het voorafgaande jaar. De milieubelasting voor het eerste volledige jaar waarin één of meer overtollige parkeerplaatsen behouden worden, is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen. Voor de volgende jaren, wordt het basisbedrag jaarlijks met 10 % vermeerderd tijdens de geldigheidsduur van de milieuvergunning waarin de parkeerplaatsen worden toegestaan. Die verhoging wordt van jaar tot jaar gecumuleerd en dat gedurende een periode van 15 jaar. De milieubelasting voor deze jaren is gelijk aan het vermeerderde basisbedrag vermenigvuldigd met het aantal overtollige parkeerplaatsen. Artikel 2.3.57 De milieubelasting wordt jaarlijks geïnd via een kohier dat op basis van de gegevens van het Instituut opgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt. Deze door het Instituut geleverde gegevens worden ook bezorgd aan het Parkeeragentschap en aan het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest stuurt elk jaar een aanslagbiljet naar de schuldenaars met vermelding van de indieningstermijn voor de vordering bedoeld in artikel 2.3.60 en de mogelijkheid om een vraag bedoeld in artikel 2.3.61, § 2 in te dienen. Artikel 2.3.58 §
  23. De schuldenaar van de milieubelasting die beslist om de overtollige parkeerplaatsen niet langer te behouden of hun aantal te verminderen overeenkomstig artikel 13ter, § 1, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, deelt dit mee conform artikel 7bis van de vermelde ordonnantie. Het Instituut is gemachtigd om na te gaan of de kennisgeving juist is door bezoeken aan het gebouw of deel van het betrokken gebouw af te leggen. §
  24. De ingekohierde milieubelasting voor het jaar waarin de kennisgeving bedoeld in § 1 plaatsgevonden heeft, wordt ontheven volgens het aantal nog te verstrijken dagen tussen de kennisgeving en de volgende inkohiering en het aantal geschrapte overtollige parkeerplaatsen. Artikel 2.3.59 §
  25. De milieubelasting wordt ook ingekohierd ten laste van hij die parkeerplaatsen behouden of ingericht heeft in overtreding van de voorwaarden van zijn vergunning of zonder vergunning. In dat geval, wordt het bedrag ervan verdubbeld. De milieubelasting wordt ingekohierd voor het jaar waarin de inbreuk vastgesteld wordt door de bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen alsook voor de vijf verstreken jaren sedert de inwerkingtreding van de taks waarvoor die dienst over bewijselementen beschikt die aantonen dat de onwettige parkeerplaatsen bestonden. De betaling van de milieubelasting door de overtreder geeft hem niet het recht om de onwettige plaatsen te behouden. Indien die plaatsen behouden worden of een nieuwe inbreuk tijdens een daaropvolgend jaar gepleegd wordt, wordt het bedrag van de milieubelasting verdrievoudigd. §
  26. De bevoegde dienst die toeziet op de naleving van de milieuvergunningen verricht de nodige onderzoeken om overtreders van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk op te sporen. De schuldenaars dienen de ambtenaren die daartoe gemandateerd zijn door de Regering toegang te verschaffen tot de gebouwen of delen van

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.