Artikel 1:1 Awb – Begrip bestuursorgaan
Algemene wet bestuursrecht (Awb) · Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen › Titel 1.1. Definities en reikwijdte · niet-officieel opschrift
Kort uitgelegd
Dit artikel definieert bestuursorgaan als een orgaan van een publiekrechtelijke rechtspersoon, of een andere persoon of college met openbaar gezag. Uitgezonderd zijn onder meer de wetgevende macht, de Staten-Generaal, onafhankelijke rechtsprekende organen, de Raad voor de rechtspraak, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, bepaalde ombudsmannen en -commissies, hun voorzitters, leden, griffiers en besturen, en twee commissies inzake inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Deze uitgezonderde organen gelden wel als bestuursorgaan bij besluiten over de ambtelijke hoedanigheid van een persoon of diens nagelaten betrekkingen, behalve bij voor het leven benoemde ambtenaren bij Raad van State of Rekenkamer. Vermogensrechtelijke gevolgen treffen de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort.
Begrijpelijke samenvatting. Alleen de tekst van het artikel is juridisch bindend.
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of
b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
a. de wetgevende macht;
b. de kamers en de verenigde vergadering der Staten-Generaal;
c. onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Raad voor de rechtspraak en het College van afgevaardigden;
d. de Raad van State en zijn afdelingen;
e. de Algemene Rekenkamer;
f. de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman , en ombudsmannen en ombudscommissies als bedoeld in artikel 9:17, onderdeel b ;
g. de voorzitters, leden, griffiers en secretarissen van de in de onderdelen b tot en met f bedoelde organen, de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal en de advocaten-generaal bij de Hoge Raad, de besturen van de in onderdeel c bedoelde organen alsmede de voorzitters van die besturen, alsmede de commissies uit het midden van de in de onderdelen b tot en met f bedoelde organen;
h. de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en haar afdelingen, bedoeld in artikel 97 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 ;
i. de toetsingscommissie inzet bevoegdheden, bedoeld in artikel 32 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 .