Artikel 4:59 BW – Uitsluiting van verzorgers van voordeel
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 4. Erfrecht › Titel 4. Uiterste willen › Afdeling 2. Wie uiterste wilsbeschikkingen kunnen maken en wie daaruit voordeel kunnen · niet-officieel opschrift
1De beroepsbeoefenaren op het gebied van de individuele gezondheidszorg, die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden, bijstand hebben verleend, alsmede de geestelijk verzorgers die hem gedurende die ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen die zodanig persoon gedurende de behandeling of de bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt.
2Ook kan degene die een voor de verzorging of verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden bestemde instelling exploiteert of die daarvan de leiding heeft of daarin werkzaam is, geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zodanig persoon gedurende een verblijf in die instelling te zijnen behoeve heeft gemaakt.
Rechtspraak over Artikel 4:59 BW
29
2025-08-13
2025-04-09
2024-04-30
2021-06-30
2021-06-17
Artikelen die naar dit artikel verwijzen
1
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 4:55Bekwaamheid tot het maken van uiterste wilsbeschikkingen
- Artikel 4:56Bestaansvereiste bij verkrijging van een making
- Artikel 4:57Uiterste wilsbeschikking ten voordele van voogd
- Artikel 4:58Uiterste wilsbeschikking ten voordele van leermeester
- Artikel 4:60Uitzonderingen op beperkingen bij uiterste wilsbeschikking
- Artikel 4:61Uitsluiting van bevoordeling van notaris en getuigen
- Artikel 4:62Vernietigbaarheid van uiterste wilsbeschikking