Artikel 6:108 BW – Schadevergoeding bij overlijden
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 6. Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht › Titel 1. Verbintenissen in het algemeen › Afdeling 10. Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding · niet-officieel opschrift
Kort uitgelegd
Deze bepaling regelt dat wie aansprakelijk is voor iemands overlijden, schade moet vergoeden aan bepaalde nabestaanden: gederfd levensonderhoud voor echtgenoot, geregistreerde partner en minderjarige kinderen, voor andere familieleden die al werden onderhouden, voor huisgenoten die afhankelijk waren, en voor wie de huishouding moet overnemen. Ook redelijke kosten van lijkbezorging, passend bij de omstandigheden van de overledene, komen voor vergoeding in aanmerking, evenals een bij AMvB vastgesteld bedrag voor affectieschade aan specifiek genoemde naasten. De aansprakelijke mag dezelfde verweren voeren als tegen de overledene. Geen recht op affectieschade bestaat voorzover al een vergoeding krachtens artikel 107 lid 1 onder b is ontvangen.
Begrijpelijke samenvatting. Alleen de tekst van het artikel is juridisch bindend.
a. aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud;
b. aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was;
c. aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien;
d. aan degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding moet worden voorzien.
a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene;
b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;
c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is;
d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;
e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft;
f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;
g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.
Rechtspraak over Artikel 6:108 BW
Verwijzingen in dit artikel
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 6:97Begroting van schade
- Artikel 6:98Causaal verband bij schadevergoeding
- Artikel 6:99
- Artikel 6:100Verrekening van voordeel met schade
- Artikel 6:101
- Artikel 6:102Hoofdelijkheid bij meerdere aansprakelijke personen
- Artikel 6:103Vorm van schadevergoeding
- Artikel 6:104Winstafdracht bij schadebegroting
- Artikel 6:105Begroting van toekomstige schade
- Artikel 6:106Vergoeding van immateriële schade
- Artikel 6:107Vergoeding van letselschade aan derden en naasten
- Artikel 6:107aVerrekening van loondoorbetaling bij letselschade
- Artikel 6:109Matiging van schadevergoeding
- Artikel 6:110Maximering van aansprakelijkheid bij algemene maatregel van bestuur