Decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit
Kort samengevat
Deze codex regelt de fiscale aangelegenheden van het Vlaamse Gewest en definieert verschillende belastingen en de bijbehorende begrippen. Het omvat regels voor onder andere onroerende voorheffing, verkeersbelasting en belastingen op leegstand.
Wat het regelt
- Definities van belastingen en toebehoren, zoals interesten en boetes.
- Specifieke belastingen zoals de onroerende voorheffing, verkeersbelasting, belasting op de inverkeerstelling, eurovignet, leegstandsheffing bedrijfsruimten en verkrottingsheffing woningen en gebouwen.
- De interpretatie van begrippen die in de verschillende hoofdstukken van de codex worden gebruikt.
- De bevoegdheid van de Vlaamse Regering om het gebruik van specifieke documenten en formulieren op te leggen.
Wie het betreft
- Natuurlijke personen of rechtspersonen in wiens hoofde een belasting wordt geheven (belastingplichtigen).
- Natuurlijke personen of rechtspersonen die gehouden zijn tot betaling van een belasting (belastingschuldigen).
Kernpunten
- De codex regelt een gewestaangelegenheid.
- Belastingen en toebehoren omvatten hoofdsom, opcentiemen/opdeciem, interesten, administratieve geldboetes, belastingverhogingen en kosten van vervolging of tenuitvoerlegging.
- De onroerende voorheffing wordt geheven op inkomsten uit onroerende goederen in het Vlaamse Gewest, gebaseerd op het kadastraal inkomen op 1 januari van het aanslagjaar.
- Het standaardtarief voor de onroerende voorheffing bedraagt 2,5%, met een verlaagd tarief van 1,6% voor sociale woningen die toebehoren aan openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gemeenten, de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, erkende sociale huisvestingsmaatschappijen of het Vlaams Woningfonds.
Wettekst
13 DECEMBER 2013. - Decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit TIT
Art. 2.1.1.0.1.
Overeenkomstig artikel 249 van het federale WIB 92 wordt de belasting geheven op inkomsten uit onroerende goederen, gelegen in het Vlaamse Gewest. Afdeling
- - Belastingplichtigen Art. 2.1.2.0.
- De belastingplichtige is degene die op 1 januari van het aanslagjaar de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is van de belastbare goederen. Afdeling
- - Belastbare grondslag Art. 2.1.3.0.
- De onroerende voorheffing wordt vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van de belastbare goederen dat op 1 januari van het aanslagjaar bekend is. Art. 2.1.3.0.
- Voor de vaststelling van de belastbare grondslag wordt geen rekening gehouden met de vermindering overeenkomstig artikel 15 van het federale WIB
- Afdeling
- - Tarieven Art. 2.1.4.0.
- §
- Het tarief van de onroerende voorheffing bedraagt 2,5 %. §
- In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief 1,6 % voor : 1° de eigendommen die aan openbare centra voor maatschappelijk welzijn of aan gemeenten toebehoren en als sociale woningen worden verhuurd;2° de eigendommen die aan de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen of aan de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in artikel 40 van het decreet van 15 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/07/1997 pub. 19/08/1997 numac 1997036023 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de Vlaamse Wooncode sluiten houdende de Vlaamse Wooncode, toebehoren en als sociale woningen worden verhuurd;3° de eigendommen die aan het Vlaams Woningfonds toebehoren en als sociale woningen worden verhuurd. Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op gelijkaardige onroerende goederen van gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een staat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben. §
- In afwijking van paragraaf 1 bedraagt het tarief voor materieel en outillage als vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, 2,5 % vermenigvuldigd met de coëfficiënt, vermeld in het tweede lid. De toepassing van de coëfficiënt mag geen aanleiding geven tot een hoger tarief dan het tarief dat van toepassing is in het vorige aanslagjaar. De coëfficiënt wordt verkregen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar 1996 te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten. Daarbij worden de volgende afrondingen toegepast : 1° het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt;2° de coëfficiënt wordt afgerond op het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt;3° na de toepassing van de coëfficiënt wordt het verkregen tariefbedrag afgerond op het hogere of lagere honderdste naargelang het cijfer van de duizendsten al of niet vijf bereikt. Art. 2.1.4.0.
- Overeenkomstig artikel 464, 1°, van het federale WIB 92, zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de onroerende voorheffing. Afdeling
- - Verminderingen Art. 2.1.5.0.
- §
- Er wordt een vermindering verleend van : 1° 25 % van de onroerende voorheffing voor de woning waar de belastingplichtige volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn hoofdverblijfplaats heeft, als het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 745 euro;2° de onroerende voorheffing berekend volgens de volgende tabel voor de kinderen die in aanmerking komen voor een kinderbijslag, voor de woning die op 1 januari van het aanslagjaar wordt betrokken door een gezin met ten minste twee kinderen die daar volgens het bevolkingsregister hun woonplaats hebben en die in aanmerking komen voor kinderbijslag.Daarbij wordt een gehandicapt kind voor twee gerekend. aantal kinderen dat in aanmerking komt totaalbedrag van de vermindering in euro 2 5,40 3 8,55 4 11,97 5 15,69 6 19,68 7 23,97 8 28,56 9 33,42 10 38,60 Eenheden boven het tiende geven recht op een verhoging van de vermindering met 5,40 euro. De totale bedragen, vermeld in de tabel, en het bedrag van de voormelde verhoging van de vermindering met 5,40 euro worden jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. Die aanpassing gebeurt op basis van een coëfficiënt die verkregen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de inkomsten, te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar
- Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond door weglating van de centgedeelten na de tweede decimaal; 3° de onroerende voorheffing per gehandicapte persoon, met uitsluiting van de gehandicapte kinderen, vermeld in punt 2°, voor de woning waar de gehandicapte persoon volgens het bevolkingsregister op 1 januari van het aanslagjaar zijn woonplaats heeft.Deze vermindering wordt berekend alsof het een gehandicapt kind betreft. §
- Er wordt een vermindering verleend van : 1° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E60;2° 20 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor andere gebouwde onroerende goederen dan woningen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E70;3° 40 % van de onroerende voorheffing gedurende tien jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend vóór 1 januari 2013 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E40;4° 50 % van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben volgens de volgende tabel : datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning E-peil vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 E50 vanaf 1 januari 2014 E40 5° 100 % van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben van ten hoogste E
- Het E-peil, vermeld in het eerste lid, is het peil van primair energieverbruik, zoals berekend ter uitvoering van titel XI van het Energie decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1968 pub. 21/10/1998 numac 1998000446 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer . - Duitse vertaling De hi(...) - de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 31 oktober (...) sluiten
- De grens van het E-peil waaraan het gebouwde onroerend goed moet voldoen voor de vermindering, wordt vastgesteld rekening houdend met het ogenblik waarop de volledige aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend. De termijn van tien jaar, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, neemt een aanvang in het jaar dat volgt op het jaar waarin het E-peil dat recht geeft op een vermindering, voor de eerste keer is bepaald voor het gebouwde onroerend goed in kwestie. Die termijn kan op zijn vroegst een aanvang nemen vanaf het aanslagjaar
- De termijn van vijf jaar, vermeld in het eerste lid, 4° en 5°, neemt een aanvang in het jaar dat volgt op het jaar waarin het E-peil dat recht geeft op een vermindering, voor de eerste keer is bepaald voor het gebouwde onroerend goed in kwestie. Die termijn kan op zijn vroegst een aanvang nemen vanaf het aanslagjaar
- Alleen de gebouwde onroerende goederen waarvoor het vereiste E-peil voor het gebouw als geheel is bepaald, komen in aanmerking voor de verminderingen, vermeld in het eerste lid. De verminderingen worden alleen toegekend als het gaat om de gebouwen, vermeld in artikel 9.1.11, § 1, artikel 9.1.15, eerste lid, en artikel 9.1.18 van het Energiebesluit van 19 november
- Bij de overdracht van een onroerend goed waarvoor een vermindering als vermeld in het eerste lid, is verleend, wordt de vermindering vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar van de overdracht, verder toegekend aan de verkrijger van het goed, voor de nog resterende aanslagjaren in de periode van tien jaar of vijf jaar. Art. 2.1.5.0.
- §
- Op aanvraag van de belastingschuldige wordt : 1° de vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1°, op 50 % gebracht voor een tijdperk van vijf jaar dat aanvangt met het eerste jaar waarvoor de onroerende voorheffing is verschuldigd, als het een woning betreft die de belastingplichtige heeft laten bouwen of nieuw gebouwd heeft aangekocht; 2° een vermindering van 20 % van de onroerende voorheffing verleend voor de woning die wordt betrokken door een oorlogsverminkte die het voordeel geniet van artikel 13 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, gecoördineerd op 5 oktober 1948;3° een kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend als het belastbaar inkomen overeenkomstig artikel 15 van het federale WIB 92 kan worden verminderd; 4° de vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2°, verleend voor de kinderen van grensarbeiders die ingevolge de regelgeving in het land waar de grensarbeiders zijn tewerkgesteld, van ieder stelsel van kinderbijslag zijn uitgesloten, als ze volgens de Belgische regelgeving inzake kinderbijslag in aanmerking zouden komen voor kinderbijslag. §
- Voor onroerende goederen die langer dan twaalf maanden niet in gebruik zijn genomen, rekening houdend met het vorige aanslagjaar, kan de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, alleen worden verleend voor : 1° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed, opgenomen in een onteigeningsplan;2° een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed in renovatie of verbouwing met sociaal of cultureel doel, uitgevoerd door een sociale woonorganisatie of in opdracht van een overheid;3° een onroerend goed waarvan door toedoen van een ramp, overmacht, een lopende gerechtelijke of administratieve procedure of onderzoek of een niet-afgehandelde procedure van erfenis de belastingplichtige zijn zakelijke rechten niet kan uitoefenen. De kwijtschelding of proportionele vermindering voor het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, kan worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar. In het geval, vermeld in het eerste lid, 3°, is de onroerende voorheffing opnieuw verschuldigd vanaf 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op het jaar waarin de omstandigheden die het vrije genot van het onroerend goed belemmerden, wegvallen. Art. 2.1.5.0.
- De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1° tot en met 3°, artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 1° tot en met 5°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 1° en 2°, worden beoordeeld naar de toestand op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar van de onroerende voorheffing wordt genoemd. Die verminderingen kunnen worden samengevoegd, met uitzondering van de vermindering, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 3°, die niet samengevoegd kan worden met de verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 2, eerste lid, 1° en 2°. Art. 2.1.5.0.
- De verminderingen, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 2° en 3°, en artikel 2.1.5.0.2, § 1, 2°, zijn van de huur aftrekbaar, niettegenstaande elk beding dat strijdig is daarmee. De verminderingen zijn niet van toepassing op het gedeelte van de woning of van het onroerend goed dat wordt bewoond door personen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin of die niet tot het gezin van de betrokken oorlogsverminkte of van het gehandicapt kind of de gehandicapte persoon behoren. Art. 2.1.5.0.
- Als de grens van 745 euro, vermeld in artikel 2.1.5.0.1, § 1, 1°, wordt overschreden, blijft de vermindering van 25 % ingevolge die bepaling niettemin behouden voor de belastingplichtige die ze genoten heeft voor het aanslagjaar 1979, zolang : 1° de belastingplichtige zijn woning volledig blijft betrekken;2° het overschrijden van de grens van 745 euro uitsluitend het gevolg is van de algemene perequatie van de kadastrale inkomens die van toepassing is met ingang van het aanslagjaar 1980;3° het kadastraal inkomen van zijn gezamenlijke, in het Vlaamse Gewest gelegen, onroerende goederen niet meer bedraagt dan 992 euro. Art. 2.1.5.0.
- Voor de onbebouwde onroerende goederen in het Vlaams Ecologisch Netwerk, vermeld in artikel 17 van het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1968 pub. 21/10/1998 numac 1998000446 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer . - Duitse vertaling De hi(...) - de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 31 oktober (...) sluiten0 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wordt aan de belastingplichtige een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan 2,5 % van het kadastraal inkomen. Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, komt volledig ten laste van het Vlaamse Gewest en kan nooit meer bedragen dan de onroerende voorheffing, zoals bepaald in artikel 2.1.4.0.
- Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, geldt vanaf de inwerkingtreding van het definitief vastgestelde plan, vermeld in artikel 21, § 9, van het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1968 pub. 21/10/1998 numac 1998000446 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer . - Duitse vertaling De hi(...) - de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 31 oktober (...) sluiten0 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, vermeld in artikel 2.2.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei
- Art. 2.1.5.0.
- Aan de belastingplichtige rechtspersoon wordt een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan het bedrag van de onroerende voorheffing, zoals bepaald in artikel 2.1.4.0.
- Het belastingkrediet, vermeld in het eerste lid, komt volledig ten laste van het Vlaamse Gewest. Afdeling
- - Vrijstellingen Art. 2.1.6.0.
- Op aanvraag van de belastingschuldige wordt een vrijstelling van de onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van : 1° de onroerende goederen of delen ervan, gelegen in het Vlaamse Gewest die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen;2° de onroerende goederen die een vreemde staat heeft bestemd voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, op voorwaarde van wederkerigheid;3° de onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt;4° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 een kadastraal inkomen wordt vastgesteld vanaf 1 januari 2008;5° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, die overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92 na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998;6° de nieuwe onroerende goederen, vermeld in artikel 471, § 3, van het federale WIB 92, waarvoor voor de eerste keer, overeenkomstig artikel 472, § 2, van het federale WIB 92, een kadastraal inkomen is vastgesteld na 1 januari 1998 en voor 1 januari 2008;7° de onroerende goederen die onder de toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990 vallen en die met toepassing van artikel 16 van het voormelde decreet als milieubeschermend bos zijn erkend, of die met toepassing van artikel 22 van het voormelde decreet als bosreservaat zijn erkend of aangewezen, of die erkend zijn voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal als vermeld in artikel 42 van het voormelde decreet;8° de als monument beschermde onroerende goederen of delen van dergelijke onroerende goederen die de Vlaamse Regering in erfpacht heeft gegeven of in volle eigendom heeft afgestaan aan een openmonumentenvereniging als vermeld in artikel 1, 11°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/05/1999 pub. 23/09/1999 numac 1999003346 bron ministerie van financien Wet houdende vierde aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom. 07/05/1999 pub. 30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom. 07/05/1999 pub. 07/09/1999 numac 1999003333 bron ministerie van financien Wet houdende tweede aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1999 - Sectie 23 « Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid » en Sectie 26 - « Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu » sluiten7 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten. De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is van de drie voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 3°, samen afhankelijk. De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 5°, wordt verleend voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt. De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, worden ook verleend als het onroerend goed in kwestie het voorwerp uitmaakt van een financiering door middel van financiële leasing of huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht voor de duur van de overeenkomst. Onder die overeenkomsten worden zowel de leasingovereenkomsten, vermeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, als de leasingovereenkomsten, vermeld in de uitvoeringsbesluiten van het Wetboek van Vennootschappen, begrepen. In afwijking van het eerste lid, 4°, wordt de vrijstelling verleend, hetzij voor nieuwe onroerende goederen waarvoor voor de eerste keer een kadastraal inkomen is vastgesteld, hetzij voor het gedeelte dat het kadastraal inkomen, vastgesteld op 1 januari 1998, overschrijdt voor nieuwe onroerende goederen die na 1 januari 1998 aanleiding hebben gegeven tot een verhoogd kadastraal inkomen in vergelijking met het kadastraal inkomen per 1 januari 1998, voor de belastingplichtige die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering, met toepassing van artikel 7.7.1, § 2, van het Energie decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1968 pub. 21/10/1998 numac 1998000446 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer . - Duitse vertaling De hi(...) - de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 31 oktober (...) sluiten9, een ontwerp van energiebeleidsovereenkomst heeft voorgelegd aan het Vlaams Parlement, en de belastingplichtige die overeenkomst niet heeft ondertekend of niet naleeft. De nieuwe onroerende goederen die geplaatst worden in industriële, nijverheids- of handelsgebouwen die met toepassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 in overtreding zijn inzake de bouwvergunning, komen niet in aanmerking voor de toepassing van het eerste lid, 4° en 5°. Art. 2.1.6.0.
- Op aanvraag van de belastingschuldige wordt ook een vrijstelling van de onroerende voorheffing verleend voor het kadastraal inkomen van : 1° de onroerende goederen met een maximale vloeroppervlakte van 15 are waarvan minstens 50 % wordt gebruikt voor het uitoefenen van een kleinhandel of voor het bedrijf van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek en die, op grond van een geldige stedenbouwkundige vergunning, verbouwd worden tot een woning die bestemd is voor de huisvesting van een gezin of van een alleenstaande;2° de onroerende goederen die aanleiding geven tot een verhoogd kadastraal inkomen ingevolge de uitvoering van renovatiewerkzaamheden als vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 18°, van het decreet van 15 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/07/1997 pub. 19/08/1997 numac 1997036023 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de Vlaamse Wooncode sluiten houdende de Vlaamse Wooncode, alsook sloopwerkzaamheden, gevolgd door vervangingsbouw. De vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, kunnen niet worden samengevoegd en zijn overdraagbaar op de rechtsopvolger. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de aanvraag van de vrijstellingen. De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt verleend voor een periode van drie jaar vanaf het aanslagjaar dat volgt op het jaar van effectieve bewoning dat blijkt uit de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister. De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt verleend voor het gedeelte dat meer bedraagt dan het vastgestelde kadastraal inkomen vóór de aanvang van de renovatiewerkzaamheden. De vrijstelling wordt verleend voor een periode van vijf jaar vanaf het aanslagjaar waarin het verhoogde kadastraal inkomen als grondslag van de onroerende voorheffing wordt gebruikt. De volgende goederen komen in aanmerking voor de toepassing van het eerste lid, 2° : de onroerende goederen die opgenomen zijn in de inventaris van de verwaarloosde gebouwen of woningen of van de ongeschikte of onbewoonbare woningen met toepassing van hoofdstuk VIII, afdeling 2, van het decreet van 22 december
- Afdeling
- - Wijze van heffing Art. 2.1.7.0.
- De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 1°, en tweede lid, 1°. Hoofdstuk
- - Verkeersbelasting Afdeling
- -
Art. 2.2.1.0.1.
Overeenkomstig artikel 3 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wordt er een belasting geheven op de stoom- of motorvoertuigen dienende hetzij tot het vervoer van personen, hetzij tot het vervoer van goederen of van om het even welke voorwerpen over de wegen. Afdeling 2. - Belastingplichtigen Art. 2.2.2.0.1. § 1. De belastingplichtige is degene die een of meer van de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.1.0.1, aanwendt voor eigen gebruik of ze exploiteert, hetzij als ze zijn eigendom of persoonlijk bezit zijn, hetzij als hij er bestendig of gewoonlijk over beschikt door huur of andere overeenkomst. § 2. De belasting ontstaat ten aanzien van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die vermeld is of vermeld moet zijn op het inschrijvingsbewijs zolang een voertuig op naam van die persoon is ingeschreven of ingeschreven moet zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. De bedoelde voertuigen zijn de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de trage auto's voor dubbel gebruik, de minibussen, de ziekenauto's, de motorfietsen, de motorfietsen-driewielers, de motorfietsen-vierwielers, de lichte vrachtauto's, de trage lichte vrachtauto's, de bootaanhangwagens, de kampeeraanhangwagens, de kampeerauto's, de aanhangwagens en opleggers met een maximaal toegelaten massa tot 3500 kg. Deze paragraaf is niet van toepassing op : 1° de voertuigen van alle aard die niet worden bedoeld in het eerste lid;2° de voertuigen van alle aard die niet onderworpen zijn aan de reglementering voor de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens. Afdeling 3. - Belastbare grondslag Art. 2.2.3.0.1. De belasting wordt, naargelang van het geval, vastgesteld op basis van het vermogen van de motor, van zijn cilinderinhoud of van de maximaal toegelaten massa van het voertuig, vastgesteld door de bevoegde overheid, tenzij anders is bepaald in deze codex. Art. 2.2.3.0.2. § 1. Het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (
- pk)wordt berekend volgens de volgende formule : pk = k * d2 * c * n. § 2. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden gedefinieerd als volgt : 1° d = de cilinderboring, in meter;2° c = de zuigerslag, in meter;3° n = het aantal cilinders;4° k = een coëfficiënt in functie van de cilinderboring, vermeld in de volgende tabel : cilinderboring in millimeter tot en met coëfficiënt 69 6000 70 5887 71 5777 72 5672 73 5570 74 5471 75 5376 76 5284 77 5194 78 5108 79 5024 80 4943 81 4864 82 4788 83 4714 84 4642 85 4572 86 4504 87 4438 88 4373 89 4310 90 en meer 4250 Voor de voertuigen waarvan de motor met zware olie wordt aangedreven en die uitsluitend worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, wordt de coëfficiënt k vastgesteld als volgt : 1° cilinderboring tot en met 89 : 3400;2° cilinderboring 90 en meer : 3500. Cilinderboring en zuigerslag worden uitgedrukt in millimeter. Gedeelten van een millimeter worden voor een millimeter aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de halve millimeter overschrijden. § 3. Het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (
- pk)mag echter niet hoger zijn dan het belastbaar vermogen dat wordt berekend volgens de volgende formule : pk = 4 * Cy + Gew / 4. § 4. De parameters, vermeld in paragraaf 3, worden gedefinieerd als volgt : 1° Cy = de cilinderinhoud van de motor, in liter;2° Gew = het gewicht van het rijklare voertuig, in honderden kilogram. Gedeelten van een deciliter worden voor een deciliter aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de halve deciliter overschrijden. Gedeelten van honderd kilogram worden voor honderd kilogram aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de vijftig kilogram overschrijden. Art. 2.2.3.0.3. § 1. In afwijking van de bepalingen van artikel 2.2.3.0.2 wordt het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (
- pk)die uitgerust zijn met motoren met draaiende zuigers, berekend volgens de volgende formule : pk = 4 * V + Gew / 4. § 2. De parameters, vermeld in paragraaf 1, worden gedefinieerd als volgt : 1° V = het nuttige volume van de verbrandingskamers, in liter;2° Gew = het gewicht van het rijklare voertuig, in honderden kilogram. Het nuttige volume van de verbrandingskamers is gelijk aan de gemiddelde cilinderinhoud van motoren met heen- en weergaande zuigers, waarvan de werkelijke motorkracht volgens de normen die aangenomen zijn door de automobielconstructeurs, overeenstemt met die van motoren met draaiende zuigers. Gedeelten van honderd kilogram worden voor honderd kilogram aangerekend of weggelaten, naargelang ze al dan niet de vijftig kilogram overschrijden. Art. 2.2.3.0.4. In afwijking van de bepalingen van artikel 2.2.3.0.2 wordt het belastbaar vermogen van de motor van de voertuigen (
- pk)die uitgerust zijn met elektromotoren, berekend volgens de volgende formule : pk = 0,0012 * n * e * i. De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt : 1° n = het aantal elementen;2° e = de gemiddelde elektromotorische kracht aan de klemmen van een element bij gewone regeling, in volt;3° i = de gemiddelde sterkte van de stroom bij dezelfde regeling, in ampère. Art. 2.2.3.0.5. Het belastbaar vermogen van de motor van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen die niet zijn uitgerust met elektromotoren en die vanaf 1 januari 1972 in de belasting moeten worden aangegeven, wordt uitsluitend berekend volgens de formules, vermeld in artikel 2.2.3.0.2, § 3, en artikel 2.2.3.0.3, § 1, waarin de parameter Gew / 4 wordt vervangen door een coëfficiënt in functie van de cilinderinhoud van de motor of van het nuttige volume van de verbrandingskamers, vermeld in de volgende tabel : cilinderinhoud of nuttig volume van de verbrandingskamers, in liter coëfficiënt tot en met 0,9 1,50 1 tot met 1,2 1,75 1,3 tot en met 1,5 2,00 1,6 en 1,7 2,25 1,8 en 1,9 2,50 2 en 2,1 2,75 2,2 en 2,3 3,00 2,4 tot en met 2,6 3,25 2,7 tot en met 3,3 3,50 3,4 tot en met 3,9 3,75 4 tot en met 4,9 4,00 5 tot met 5,9 4,50 6 en meer 5,00 Art. 2.2.3.0.6. De opname en de controle van de elementen die nodig zijn voor de vaststelling van het belastbaar vermogen en het belastbaar gewicht, gebeuren door middel van aanduidingen op facturen, in catalogussen, beschrijvende handleidingen, weegbons of in andere bewijskrachtige documenten. Zo nodig gaat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie over tot het wegen van het voertuig of tot een grondig onderzoek ervan. Art. 2.2.3.0.7. De plaats, de datum en het uur van de weging of van het volledige onderzoek van het voertuig worden ten minste vijf dagen vooraf meegedeeld aan de betrokkenen, die ertoe gehouden zijn het voertuig in bedrijfsvaardige toestand aan te bieden. Art. 2.2.3.0.8. Breuken van fiscale paardenkracht worden naar boven of naar beneden afgerond, naargelang ze al dan niet de helft overschrijden. Breuken van deciliter van de cilinderinhoud worden naar boven of naar beneden afgerond, naargelang ze al dan niet de halve deciliter overschrijden. Afdeling 4. - Tarieven Art. 2.2.4.0.1. § 1. De belasting wordt, ofwel per periode van twaalf opeenvolgende maanden, ofwel per kalenderjaar, berekend op de wijze die in de hierna volgende paragrafen wordt vermeld. § 2. Voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen wordt de belasting berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel : aantal pk totaalbedrag van de belasting in euro 4 en minder 69,72 5 87,24 6 126,12 7 164,76 8 203,76 9 242,64 10 281,16 11 364,92 12 448,56 13 532,08 14 615,84 15 699,48 16 916,20 17 1133,16 18 1350,00 19 1566,36 20 1783,20 meer dan 20 1783,20 verhoogd met 97,20 per pk boven 20 § 3. Voor de lichte vrachtauto's bedraagt de belasting 19,32 euro per 500 kg maximaal toegelaten massa. § 4. Voor de motorfietsen bedraagt de belasting 49,44 euro. § 5 Voor de autobussen en de autocars bedraagt de belasting 4,44 euro per fiscale paardenkracht als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht niet te boven gaat, met een minimum van 69,94 euro. Als het belastbaar vermogen 10 fiscale paardenkracht te boven gaat, wordt de belasting voor de autobussen en de autocars berekend, op basis van fiscale paardenkracht (pk), volgens de volgende tabel : aantal pk totaalbedrag van de belasting in euro 11 51,48 12 59,04 13 67,08 14 75,60 15 84,60 16 94,08 17 104,04 18 114,48 19 125,40 20 136,80 21 148,68 22 161,04 23 173,88 24 187,20 25 201,00 26 215,28 27 230,04 28 245,28 29 261,00 30 277,20 31 293,88 32 311,04 33 328,68 34 346,80 35 365,40 36 384,48 37 404,04 38 424,08 39 444,60 40 465,60 41 487,08 42 509,04 43 531,48 44 549,12 meer dan 44 549,12, verhoogd met 12,48 per pk boven 44 § 6. Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan de maximaal toegelaten massa 3 500 kg overschrijdt, wordt de belasting, afhankelijk van het aantal assen van het voertuig en de aard van de ophanging, berekend volgens de volgende bepalingen en tabellen : 1° voor de alleenrijdende motorvoertuigen is de in aanmerking te nemen maximaal toegelaten massa (MTM) voor de toepassing van tabel 1 tot en met 4 de eigen maximaal toegelaten massa van het motorvoertuig. Tabel 1 - Motorvoertuig met hoogstens twee assen MTM in kg één as of twee assen van tot en met luchtvering of vering van de aangedreven as(sen) die als gelijkwaardig erkend is andere ophangings- systemen van de aangedreven as(sen) totaalbedrag van de belasting in euro 3501 3999 59,97 74,96 4000 4999 74,96 93,70 5000 5999 89,94 112,44 6000 6999 104,93 131,19 7000 7999 119,93 149,93 8000 8999 134,68 168,37 9000 9999 149,68 187,11 10.000 10.999 164,68 205,85 11.000 11.999 179,67 224,59 12.000 12.999 194,65 243,33 13.000 13.999 209,64 262,07 14.000 14.999 224,64 280,81 15.000 15.999 239,64 299,55 16.000 16.999 254,64 318,30 17.000 > 17.000 269,61 337,04 Tabel 2 - Motorvoertuig met drie assen MTM in kg drie assen van tot en met luchtvering of vering van de aangedreven as(sen) die als gelijkwaardig erkend is andere ophangings- systemen van de aangedreven as(sen) totaalbedrag van de belasting in euro 3501 15.999 209,67 299,55 16.000 16.999 222,81 318,30 17.000 17.999 235,92 337,04 18.000 18.999 249,03 355,78 19.000 19.999 262,15 374,52 20.000 20.999 262,15 374,52 21.000 21.999 265,69 379,57 22.000 22.999 277,76 396,83 23.000 23.999 289,84 414,08 24.000 24.999 301,93 431,33 25.000 > 25.000 314,01 448,59 Tabel 3 - Motorvoertuig met vier assen MTM in kg vier assen van tot en met luchtvering of vering van de aangedreven as(sen) die als gelijk- waardig erkend is andere ophangings- systemen van de aangedreven as(sen) totaalbedrag van de belasting in euro 3501 23.999 248,44 414,08 24.000 24.999 258,80 431,33 25.000 25.999 269,14 448,59 26.000 26.999 279,50 465,84 27.000 27.999 289,84 483,09 28.000 28.999 300,20 500,35 29.000 29.999 337,21 517,60 30.000 30.999 337,21 534,86 31.000 > 31.000 337,21 552,11 Tabel 4 - Motorvoertuig met meer dan vier assen MTM in kg meer dan vier assen van tot en met luchtvering of vering van de aangedreven as(sen) die als gelijkwaardig erkend is andere ophangingssystemen van de aangedreven as(sen) totaalbedrag van de belasting in euro 3501 3999 59,97 74,96 4000 4999 74,96 93,70 5000 5999 89,94 112,44 6000 6999 104,93 131,19 7000 7999 119,93 149,93 8000 8999 134,68 168,37 9000 9999 149,68 187,11 10.000 10.999 164,68 205,85 11.000 11.999 179,67 224,59 12.000 12.999 194,65 243,33 13.000 13.999 209,64 262,07 14.000 14.999 224,64 280,81 15.000 15.999 224,67 299,55 16.000 16.999 238,72 318,30 17.000 17.999 252,78 337,04 18.000 18.999 249,03 355,78 19.000 19.999 262,15 374,52 20.000 20.999 262,15 374,52 21.000 21.999 265,69 379,57 22.000 22.999 277,76 396,83 23.000 23.999 269,14 414,08 24.000 24.999 280,37 431,33 25.000 25.999 291,57 448,59 26.000 26.999 279,50 465,84 27.000 27.999 289,84 483,09 28.000 28.999 300,20 500,35 29.000 29.999 337,21 517,60 30.000 30.999 337,21 534,86 31.000 > 31.000 337,21 552,11 2° Voor de samengestelde voertuigen is de in aanmerking te nemen maximaal toegelaten massa (MTM) voor de toepassing van tabel 5 tot en met 10 de som van de eigen maximaal toegelaten massa van de voertuigen die deel uitmaken van het samenstel. Tabel 5 - Motorvoertuig met hoogstens twee assen en aanhangwagen of oplegger met één enkele as MTM in kg 1 + 1 of 2 + 1 assen van tot en met luchtvering of vering van de aangedreven as(sen) die als gelijkwaardig erkend is andere ophangingssystemen van de aangedreven as(sen) totaalbedrag van de belasting in euro 3501 3999 59,97 74,96 4000 4999 74,96 93,70 5000 5999 89,94 112,44 6000 6999 104,93 131,19 7000 7999 119,93 149,93 8000 8999 134,68 168,37 9000 9999 149,68 187,11 10.000 10.999 164,68 205,85 11.000 11.999 179,67 224,59 12.000 12.999 210,71 243,33 13.000 13.999 223,10 262,07 14.000 14.999 235,50 280,81 15.000 15.999 247,89 299,55 16.000 16.999 260,29 318,30 17.000 17.999 272,68 337,04 18.000 18.999 285,08 355,78 19.000 19.999 297,47 374,52 20.000 20.999 309,87 393,26 21.000 21.999 322,26 412,00 22.000 22.999 334,66 430,74 23.000 23.999 347,05 449,48 24.000 24.999 359,45 468,22 25.000 25.999 371,84 486,96 26.000 26.999 384,23 505,41 27.000 > 27.000 396,63 524,15 Tabel 6 - Motorvoertuig met twee assen en aanhangwagen of oplegger met twee assen MTM in kg 2 + 2 assen van tot en met luchtvering of vering van de aangedreven as(sen) die als gelijkwaardig erkend is andere ophangingssystemen van de aangedreven as(sen) totaalbedrag van de belasting in euro 3501 23.999 260,29 449,48 24.000 24.999 269,58 468,22 25.000 25.999 278,88 486,96 26.000 26.999 288,18 505,41 27.000 27.999 297,47 524,15 28.000 28.999 409,02 542,89 29.000 29.999 421,42 561,63 30.000 30.999 433,81 580,37 31.000 31.999 446,21 580,37 32.000 32.999 485,60 580,37 33.000 33.999 466,04 705,98 34.000 34.999 480,91 705,98 35.000 35.999 485,87 705,98 36.000 36.999 490,83 705,98 37.000 > 37.000 495,79 705,98 Tabel 7 - Motorvoertuig met twee assen en aanhangwagen of oplegger met drie assen MTM in kg 2 + 3 assen van tot en met luchtvering of vering van de aangedreven as(sen) die als gelijkwaardig erkend is andere ophangings- systemen van de aangedreven as(sen) totaalbedrag van de belasting in euro 3501 36.999 471,00 648,79 37.000 37.999 483,39 666,34 38.000 38.999 515,62 683,89 39.000 39.999 515,62 701,14 40.000 40.999 515,62 718,69 41.000 41.999 515,62 736,24 42.000 42.999 515,62 753,79 43.000 > 43.000 515,62 771,35 Tabel 8 - Motorvoertuig met drie assen en aanhangwagen of oplegger met hoogstens twee assen MTM in kg 2 + 3 assen van tot en met luchtvering of vering van de aangedreven as(sen) die als gelijkwaardig erkend is andere ophangings- systemen van de aangedreven as(sen) totaalbedrag van de belasting in euro 3501 36.999 429,20 648,79 37.000 37.999 434,16 666,34 38.000 38.999 453,99 683,89 39.000 39.999 453,99 701,14 40.000 40.999 571,00 844,70 41.000 41.999 571,00 844,70 42.000 42.999 571,00 844,70 43.000 > 43.000 571,00 844,70 Tabel 9 - Motorvoertuig met drie assen en aanhangwagen of oplegger met drie assen MTM in kg 3 + 3 assen van tot en met luchtvering of vering van de aangedreven as(sen) die als gelijkwaardig erkend is andere ophangings- systemen van de aangedreven as(sen) totaalbedrag van de belasting in euro 3501 36.999 286,07 648,79 37.000 37.999 291,03 666,34 38.000 38.999 298,41 683,89 39.000 39.999 305,95 701,14 40.000 40.999 313,61 718,69 41.000 41.999 313,61 736,24 42.000 42.999 313,61 753,79 43.000 > 43.000 313,61 771,35 Tabel 10 - Samengestelde voertuigen met een andere configuratie dan de configuraties, vermeld in tabel 5 tot en met 9 MTM in kg Andere van tot en met luchtvering of vering van de aangedreven as(sen) die als gelijkwaardig erkend is andere ophangings- systemen van de aangedreven as(sen) totaalbedrag van de belasting in euro 3501 3999 59,97 74,96 4000 4999 74,96 93,70 5000 5999 89,94 112,44 6000 6999 104,93 131,19 7000 7999 119,93 149,93 8000 8999 134,68 168,37 9000 9999 149,68 187,11 10.000 10.999 164,68 205,85 11.000 11.999 179,67 224,59 12.000 12.999 210,71 243,33 13.000 13.999 223,10 262,07 14.000 14.999 235,50 280,81 15.000 15.999 247,89 299,55 16.000 16.999 260,29 318,30 17.000 17.999 272,68 337,04 18.000 18.999 285,08 355,78 19.000 19.999 297,47 374,52 20.000 20.999 309,87 393,26 21.000 21.999 322,26 412,00 22.000 22.999 334,66 430,74 23.000 23.999 303,67 449,48 24.000 24.999 314,50 468,22 25.000 25.999 325,36 486,96 26.000 26.999 336,19 505,41 27.000 27.999 347,05 524,15 28.000 28.999 409,02 542,89 29.000 29.999 421,42 561,63 30.000 30.999 433,81 580,37 31.000 31.999 446,21 580,37 32.000 32.999 485,60 580,37 33.000 33.999 466,04 705,98 34.000 34.999 480,91 705,98 35.000 35.999 485,87 705,98 36.000 36.999 419,26 663,07 37.000 37.999 426,08 676,23 38.000 38.999 422,66 683,89 39.000 39.999 425,19 701,14 40.000 40.999 442,29 781,68 41.000 41.999 442,29 790,46 42.000 42.999 442,29 799,23 43.000 > 43.000 442,29 808,01 § 7. De aanhangwagens en de opleggers zijn onderworpen aan een belasting van respectievelijk 32,64 euro of 67,80 euro, naargelang de maximaal toegelaten massa niet hoger is dan 500 kg, of 501 kg bereikt zonder 3500 kg te overschrijden. In afwijking van het eerste lid zijn de aanhangwagens en opleggers waarvan de maximaal toegelaten massa 750 kg niet overschrijdt en die uitsluitend getrokken worden door een personenauto, een auto voor dubbel gebruik, een minibus, een ziekenauto, een motorfiets, een lichte vrachtauto, een kampeerwagen, een autobus of een autocar, vrijgesteld van de belasting. Die vrijstelling geldt alleen als de belastingplichtige geen rechtspersoon is. § 8. Voor de kampeerwagens wordt de belasting berekend volgens de volgende tabel : MTM in kg totaalbedrag van de belasting in euro van tot en met 0 1500 84 1501 3500 120 3501 7999 132 8000 10.999 168 11.000 > 11.000 264 Deze bepaling is alleen van toepassing op natuurlijke personen. De kampeerwagens vallen buiten de toepassing van artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 13°, en artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°. Art. 2.2.4.0.2. § 1. In afwijking van artikel 2.2.4.0.1 bedraagt de belasting 31,61 euro voor : 1° de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de minibussen en de motorfietsen die bij het ontstaan van de belastingplicht sedert meer dan vijfentwintig jaar in het verkeer zijn gebracht;2° de kampeeraanhangwagens en de aanhangwagens die speciaal zijn ontworpen voor het vervoer van één boot; 3° de militaire voertuigen uit verzamelingen, die niet onder de toepassing vallen van artikel 2.2.7.0.2, § 1, eerste lid, en die bij het ontstaan van de belastingschuld sedert meer dan dertig jaar in het verkeer zijn gebracht en slechts bij uitzondering op de openbare weg worden gebruikt ter gelegenheid van behoorlijk toegelaten manifestaties om zich naar die manifestaties te begeven of voor proefritten met het oog op die manifestaties, uitgevoerd binnen een straal van 25 kilometer, tussen zonsopgang en zonsondergang. Artikel 2.2.6.0.3, eerste lid, artikel 2.2.6.0.4, artikel 3.3.2.0.1 en artikel 3.4.7.0.3 zijn niet van toepassing op de belasting, vermeld in het eerste lid. § 2. Als de belastingplichtige belasting voor een voertuig is verschuldigd, mag de belasting voor dat voertuig niet minder dan 31,61 euro bedragen. Art. 2.2.4.0.3. De belasting, vastgesteld volgens artikel 2.2.4.0.1, § 2 en § 4, de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 5, de belastingen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 7, alsook de belasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 1, en de minimumbelasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De belastingbedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De belastingbedragen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1 en artikel 2.2.4.0.2, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2013. De aangepaste belastingbedragen, vermeld in het eerste lid, kunnen met maximaal 0,11 euro worden verlaagd om een veelvoud van twaalf te vormen. Art. 2.2.4.0.4. De personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, met inbegrip van de lichte vrachtauto's, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, laatste zin, waarvan de motor, zelfs gedeeltelijk of tijdelijk, gedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, zijn onderworpen aan een aanvullende verkeersbelasting van 89,16 euro, 148,68 euro of 208,20 euro, naargelang het belastbaar vermogen niet hoger is dan 7 pk, 8 pk bereikt zonder 13 pk te overschrijden of meer bedraagt dan 13 pk. De aanvullende verkeersbelasting, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld volgens de bepalingen die van toepassing zijn op de verkeersbelasting, met uitzondering van de bepalingen van artikel 2.2.4.0.2, § 2, artikel 2.2.4.0.3, artikel 2.2.4.0.5, § 2, artikel 2.2.5.0.2 en artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 9° en 11°. Als de belastingplichtige, met toepassing van het eerste en het tweede lid, aanvullende verkeersbelasting verschuldigd is voor een voertuig, mag de belasting voor dat voertuig niet minder bedragen dan 23,16 euro. Art. 2.2.4.0.5. § 1. Overeenkomstig artikel 42 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de verkeersbelasting of enigerlei belasting op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.1.0.1, behoudens wat betreft de vaartuigen, de bootjes, de bromfietsen en de motorfietsen respectievelijk bedoeld in artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 6° en 10° . § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de gemeenten een opdeciem geheven op de verkeersbelasting die het Vlaamse Gewest op autovoertuigen heft. Als de gemeente deel uitmaakt van een agglomeratie van gemeenten, wordt 20 % van de opbrengst van die opdeciem toegekend aan de agglomeratie van gemeenten. § 3. In afwijking van paragraaf 2 wordt de opdeciem niet toegepast op de belasting op : 1° voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars; 2° voertuigen waarvoor de belasting verminderd is met toepassing van artikel 2.2.5.0.2. Afdeling 5. - Verminderingen Art. 2.2.5.0.1. De belasting wordt verminderd met 25 % voor elk voertuig dat uitsluitend wordt gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars, dat bij het ontstaan van de belastingplicht sedert ten minste vijf jaar in het verkeer is gebracht. De datum waarop het voertuig voor het eerst in het verkeer is gebracht, is die welke op het inschrijvingsbewijs van het voertuig is vermeld. De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt ook verleend voor aanhangwagens die uitsluitend worden getrokken door voertuigen als vermeld in het eerste lid. Art. 2.2.5.0.2. De belasting wordt verminderd met 75 % voor elk voertuig dat uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van goederen of voorwerpen, als het voertuig uitsluitend wordt gebruikt in het kader van de havenactiviteit binnen de havenomheining, zoals bepaald door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan de nodige controlemaatregelen bepalen. Dit artikel is niet van toepassing op de belasting vastgesteld conform artikel 2.2.4.0.2, § 1. Art. 2.2.5.0.3. De belasting wordt met 10 % verminderd als ze is verschuldigd krachtens een regelmatige aangifte, ingediend door een belastingplichtige die op 1 januari van het aanslagjaar, en dit tot minstens 30 juni drie of meer motorvoertuigen aangeeft die zijn geïnvesteerd in een handels- of nijverheidsbedrijf en die uitsluitend worden gebruikt voor het bezoldigd vervoer van personen krachtens een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van autocardiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars. De vermindering van 10 % is niet van toepassing op de belasting, verminderd met toepassing van artikel 2.2.5.0.2. Afdeling 6. - Vrijstellingen Art. 2.2.6.0.1. § 1. Met uitzondering van de motorvoertuigen en van de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg met een maximaal toegelaten massa van minstens twaalf ton, wordt er een vrijstelling van de belasting verleend voor : 1° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten of de gemeenten;2° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor gemeenschappelijk vervoer van personen krachtens :
- a)een machtiging uitgereikt voor de exploitatie van openbare autobusdiensten of van bijzondere autobusdiensten, ter uitvoering van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars;
- b)een machtiging afgeleverd ter uitvoering van het decreet van 20 april 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1968 pub. 21/10/1998 numac 1998000446 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer . - Duitse vertaling De hi(...) - de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 31 oktober (...) sluiten1 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg;
- c)een concessie van de openbare machten;3° de ziekenauto's die uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van gewonden en zieken;4° de personenauto's die als persoonlijk vervoermiddel worden gebruikt door grootoorlogsinvaliden of door personen met een handicap;5° de voertuigen die uitsluitend op proef worden gebruikt door de fabrikanten of handelaars of door hun bedienden;6° de vaartuigen en bootjes;7° de eigenlijke tractoren, de voertuigen-werktuigmachines die speciaal zijn ontworpen voor de landbouw, en de aanhangwagens, als die voertuigen uitsluitend worden gebruikt om landbouwarbeid te verrichten, zelfs als ze het personeel, de voorwerpen of de producten vervoeren die daarvoor onmisbaar zijn en om de vruchten van de uitvoering van die arbeid te vervoeren naar om het even welke plaats van de onderneming van de landbouwer voor de rekening van wie de werken zijn uitgevoerd.Voor zover hij er eigenaar van is of er het bestendige of gewoonlijke gebruik van heeft, mag de landbouwer die voertuigen, met vrijstelling van belasting, ook gebruiken voor het vervoer van vee, waren of goederen, die voortkomen van zijn landbouwbedrijf of ervoor zijn bestemd, alsook van brandhout, bestemd voor eigen verbruik. Dat geldt ook als die voertuigen toebehoren aan een van de leden van een groep landbouwers die, zij het tijdelijk, in gemeenschap werken, en als er vee, waren of goederen mee worden vervoerd die voortkomen van het bedrijf van een van hen of die ervoor zijn bestemd; 8° de vrachtauto's, lichte vrachtauto's en de auto's voor dubbel gebruik die door de landbouwer voor eigen rekening worden aangewend binnen de perken en onder de voorwaarden, vermeld in 7°, zijn ook vrijgesteld als de landbouwer sedert een datum vóór 1 juli 1965 eigenaar is van die voertuigen of er het bestendige of gewoonlijke gebruik van heeft;9° de tractoren en aanhangwagens die aan de ondernemingen van vlasroting en vlaszwingeling toebehoren en die uitsluitend voor de noodwendigheden van de onderneming van de eigenaar binnen een straal van ten hoogste tien kilometer worden gebruikt, hetzij om het vlas naar de installaties van die ondernemingen te brengen, hetzij om het vlas tijdens de roting- en zwingelverrichtingen te vervoeren, met inbegrip van het vervoer van het gezwingeld vlas naar de plaats van levering;10° de bromfietsen en de motorfietsen voorzien van een motor met een cilinderinhoud van maximaal 250 kubieke centimeter;11° de autovoertuigen die uitsluitend aangewend worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder;12° de autovoertuigen die gebruikt worden door een Belgische verblijfhouder en ter beschikking zijn gesteld van hem door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, en die in het buitenland zijn ingeschreven;13° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het goederenvervoer over de weg, die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing;14° de voertuigen die ingezet worden door vervoerders die gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Regering en die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van personen met een handicap of met een ernstig beperkte mobiliteit. De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van : 1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet;2° een invaliditeitsattest, uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid, met de vermelding dat de betrokkene recht heeft op vrijstelling van de verkeersbelasting, of dat hij is getroffen door volledige blindheid of volledige verlamming van de bovenste ledematen, of dat die ledematen geamputeerd zijn, of dat hij is aangetast door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt. De volgende voertuigen komen in aanmerking voor de toepassing van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 11° : 1° de autovoertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor taxidiensten onder de voorwaarden, vermeld in het decreet van 20 april 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1968 pub. 21/10/1998 numac 1998000446 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer . - Duitse vertaling De hi(...) - de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 31 oktober (...) sluiten1 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg, en die ingericht zijn krachtens een vergunning die regelmatig afgeleverd is ter uitvoering van het voormelde decreet;2° de autovoertuigen die, naar constructie en uitrusting, geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste negen personen, de bestuurder inbegrepen, en die, met uitsluiting van elk ander gebruik, met bestuurder worden verhuurd om personen te vervoeren, op voorwaarde dat de duur van elke verhuring niet meer dan één dag bedraagt en dat de verhuring op het voertuig en niet op elk van de plaatsen slaat;3° de autovoertuigen die tegelijk worden gebruikt voor taxidiensten als vermeld in 1°, en voor verhuring met bestuurder als vermeld in 2°. § 2. Wat betreft de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg met een maximaal toegelaten massa van minstens twaalf ton, wordt er een vrijstelling van de belasting verleend voor : 1° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor de landsverdediging, voor de diensten van de burgerbescherming en de rampeninterventie, voor de brandweerdiensten en andere hulpdiensten, voor de diensten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de openbare orde en voor de diensten voor onderhoud en beheer van de wegen en die als zodanig geïdentificeerd zijn;2° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing. § 3. De vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 13°, en paragraaf 2, 2°, kunnen alleen worden verleend als ze worden aangevraagd voor het begin van het belastbare tijdperk. Het begrip `af en toe', vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 13°, en paragraaf 2, 2°, is voldaan als het voertuig in kwestie maximaal dertig dagen op de openbare weg wordt gebruikt. De vrijstelling kan worden bewezen door een rittenblad bij te houden dat moet worden aangevraagd bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het rittenblad moet zich op elk moment aan boord van het voertuig bevinden. De geldigheidsduur van een rittenblad is maximaal twaalf opeenvolgende maanden vanaf de aanvangsdatum van het rittenblad. Als het belastbare tijdperk minder dan twaalf maanden bedraagt, wordt de geldigheidsduur van het rittenblad overeenkomstig ingekort. De belastingplichtige die zijn aangifte of inschrijving stopzet en vervolgens opnieuw aangifte doet voor hetzelfde voertuig binnen een periode van twaalf maanden na de aanvangsdatum van het laatste geldige rittenblad, kan geen nieuw rittenblad aanvragen. De belastingplichtige die een rittenblad aanvraagt dat wordt geweigerd wegens laattijdige aanvraag, kan geen nieuw rittenblad aanvragen voor de periode van twaalf maanden die volgt op het begin van het lopende belastbare tijdperk waarvoor de aanvraag van een rittenblad werd geweigerd. Art. 2.2.6.0.2. Er wordt een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de aanvullende verkeersbelasting verleend aan : 1° de niet-verblijfhouders als, in de staat waar ze verblijf houden, geen soortgelijke belasting bestaat of als de Belgische verblijfhouders daarvan vrijgesteld zijn, en naargelang van die vrijstelling;2° de internationale organisaties, hun vertegenwoordigers, ambtenaren en leden, voor zover ze vrijgesteld zijn van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, ingevolge de voorrechten en immuniteiten die aan hen toegestaan zijn overeenkomstig het internationale recht. Art. 2.2.6.0.3. Als de voorwaarden tot vrijstelling in de loop van een aanslagjaar niet meer vervuld zijn, is de belasting verschuldigd in verhouding tot de niet-verstreken maanden. Dit artikel is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid. Art. 2.2.6.0.4. De belasting, betaald voor vrachtauto's, tractors, aanhangwagens en opleggers, wordt terugbetaald als die voertuigen afstanden afleggen in het kader van gecombineerd vervoer als vermeld in artikel 1 van Richtlijn nr. 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen Lid-Staten. De terugbetaling, vermeld in het eerste lid, wordt op forfaitaire wijze berekend, maar kan nooit meer bedragen dan 80 % van het jaarlijkse bedrag van de belasting. Art. 2.2.6.0.5. § 1. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, de minibussen, met inbegrip van de aanhangwagens van die voertuigen, en de motorfietsen die tijdelijk in België worden ingevoerd door een natuurlijke persoon die zijn gewone verblijfplaats in een andere staat van de Europese Economische Ruimte heeft, en die op het Belgische grondgebied voor persoonlijk of voor beroepsmatig gebruik van de invoerder worden aangewend. De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook verleend aan de natuurlijke personen met gewone verblijfplaats in een land dat geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, als in dat land dezelfde vrijstelling wordt toegekend aan de Belgische verblijfhouders. § 2. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, wordt verleend voor een al dan niet ononderbroken duur van niet meer dan zes maanden per tijdvak van twaalf maanden. In afwijking van het eerste lid wordt : 1° de duur van de vrijstelling op zeven maanden vastgesteld per tijdvak van twaalf maanden bij beroepsmatig gebruik van het voertuig door een tussenpersoon in handel, industrie of ambacht;2° de duur van de vrijstelling niet in de tijd beperkt als het voertuig door de invoerder wordt gebruikt voor de weg die hij in België regelmatig aflegt om zich uitsluitend van zijn verblijfplaats naar de arbeidsplaats van de onderneming in België en terug te begeven;3° de vrijstelling verleend voor de werkelijke duur van de studies als het voertuig wordt gebruikt door een student die in België verblijft, met als enig doel er te studeren. § 3. De tijdelijk ingevoerde voertuigen moeten zijn verkregen of moeten zijn ingevoerd met toepassing van de algemene belastingregeling voor de binnenlandse markt van een andere staat en mogen niet wegens de uitvoer in aanmerking komen voor ontheffing of teruggave van omzetbelastingen, accijnzen of andere verbruiksbelastingen. De voertuigen, verkregen of ingevoerd in een andere staat, met vrijstelling van alle belastingen in het kader van de voorrechten, verleend aan de diplomatieke zendingen en consulaire posten en aan hun leden, aan de internationale instellingen en aan hun leden, en aan de krijgsmachten van de staten die toegetreden zijn tot het Noord-Atlantisch Verdrag, andere dan de Belgische krijgsmacht, en aan hun leden, worden geacht te hebben voldaan aan de algemene belastingregeling voor de binnenlandse markt van die staat. § 4. De tijdelijk ingevoerde voertuigen mogen in België niet worden overgedragen, noch verhuurd, noch uitgeleend. Bij tijdelijke invoer voor persoonlijk gebruik, met uitsluiting van het gebruik, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, en als ze toebehoren aan een verhuuronderneming met maatschappelijke zetel in het buitenland, kunnen ze aan een niet-verblijfhouder worden wederverhuurd met het oog op de wederuitvoer, als ze zich in België bevinden ingevolge de uitvoering van een huurovereenkomst die hier te lande is verstreken. De voertuigen mogen ook naar de staat van de plaats van oorspronkelijke huur worden teruggebracht door een personeelslid van de verhuuronderneming, zelfs als dat personeelslid zijn gewone verblijfplaats in België heeft. § 5. Als de tijdelijke invoer plaatsvindt voor beroepsmatig gebruik en voor het gebruik, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 2° en 3°, moet de voorwaarde, vermeld in paragraaf 3, vervuld zijn in de staat waarin de gebruiker zijn gewone verblijfplaats heeft. Die voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de voertuigen voorzien zijn van een gewone nummerplaat van die staat, met uitzondering van alle tijdelijke nummerplaten. Voor voertuigen die ingeschreven zijn in een staat waar de afgifte van nummerplaten niet verbonden is aan de inachtneming van de algemene belastingregeling voor de buitenlandse markt, moeten de gebruikers, met alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed, bewijzen dat ze de verbruiksbelastingen hebben betaald. De voertuigen die voor dezelfde doeleinden worden ingevoerd, mogen bovendien niet worden gebruikt voor vervoer van personen tegen betaling of ander materieel voordeel, of voor om het even welk vervoer van goederen, al dan niet tegen betaling. Afdeling 7. - Wijze van heffing Art. 2.2.7.0.1. De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 2° en 3°, en tweede lid, 2° en 3°. Art. 2.2.7.0.2. § 1. Met toepassing van artikel 2.2.7.0.1 is de belasting verschuldigd voor het aantal maanden dat begrepen is tussen de eerste dag van de maand waarin het voertuig in de loop van een kalenderjaar in gebruik is genomen op de openbare weg en 31 december van hetzelfde jaar, voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid. Het verschuldigde bedrag is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse belasting, vermenigvuldigd met het aantal maanden, vermeld in het eerste lid. § 2. In afwijking van paragraaf 1 en artikel 3.3.1.0.1, eerste lid, is geen enkele belasting verschuldigd voor de maand december als het gebruik na 15 december begint. § 3. Als het gebruik in de loop van het aanslagjaar ophoudt, is de belasting die betaald moet worden, het bedrag dat verschuldigd is voor de verstreken maanden. Dat bedrag mag niet lager zijn dan het minimum, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 2. § 4. Als het voertuig wordt gewijzigd, is de belasting die betaald moet worden, het bedrag dat verschuldigd is voor de verstreken maanden. Hoofdstuk 3. - Belasting op de inverkeerstelling Afdeling 1. -
Art. 2.3.1.0.1.
Overeenkomstig artikel 94 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wordt er een belasting geheven op de wegvoertuigen, de luchtvaartuigen en de boten, als ze op de openbare weg in het verkeer worden gesteld of worden gebruikt in België. Afdeling 2. - Belastingplichtigen Art. 2.3.2.0.1. § 1. De belastingplichtige is degene die vermeld is, naargelang het geval, op het inschrijvingsbewijs of op de vlaggenbrief op het ogenblik van de eerste inverkeerstelling op de openbare weg van het wegvoertuig of op het ogenblik van een eerste gebruik van een luchtvaartuig of van een boot door de vermelde natuurlijke persoon of rechtspersoon. De wegvoertuigen worden geacht in het verkeer te zijn gesteld als ze ingeschreven zijn of moeten zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid. De luchtvaartuigen worden geacht in België te zijn gebruikt als ze ingeschreven zijn of moeten zijn door het Directoraat-generaal Luchtvaart. De boten worden geacht in België te zijn gebruikt als daarvoor een vlaggenbrief is uitgereikt of moet zijn uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit. § 2. In afwijking van paragraaf 1 is de belasting niet verschuldigd voor een wegvoertuig of een luchtvaartuig dat wordt ingeschreven, of voor een boot waarvoor een vlaggenbrief wordt uitgereikt naar aanleiding van een overdracht tussen echtgenoten of een overdracht tussen uit de echt gescheiden personen ingevolge de echtscheiding, op voorwaarde dat de overdrager voor hetzelfde wegvoertuig, hetzelfde luchtvaartuig of dezelfde boot de belasting al heeft betaald. Afdeling 3. - Belastbare grondslag Art. 2.3.3.0.1. § 1. Voor de wegvoertuigen wordt de belasting vastgesteld op basis van het vermogen van de motor, uitgedrukt in fiscale paardenkracht of in kilowatt. § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de belasting op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, vastgesteld op basis van milieukenmerken. De milieukenmerken van het wegvoertuig worden uitgedrukt in functie van de CO2-uitstoot en de milieuklasse euronorm 0, 1, 2, 3, 4, 5 of 6. De aanwezigheid van een roetfilter wordt ook in rekening gebracht. Euronormen zijn de maximumdrempels voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van autovoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen. Afdeling 4. - Tarieven Onderafdeling 1. - Bedrag van de belasting voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest Art. 2.3.4.1.1. De belasting op de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de voertuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, wordt berekend op de wijze, vermeld in artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7 en artikel 2.3.6.0.2. Art. 2.3.4.1.2. De belasting wordt berekend volgens de volgende formule : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt : 1° CO2 = de CO2-uitstoot van het wegvoertuig, gemeten tijdens de homologatie ervan volgens de geldende Europese regelgeving;2° f = 0,88 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door lpg; f = 0,93 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door aardgas; f = 0,744 voor wegvoertuigen die aangedreven worden door zowel aardgas als benzine, als ze als benzinewagen gehomologeerd zijn; f = 1 voor andere wegvoertuigen; 3° x = CO2-correctie in functie van de technologische evolutie;x is gelijk aan 0 g CO2/km en wordt jaarlijks verhoogd met 4,5 g CO2/km vanaf het jaar 2013; 4° c = constante (luchtcomponent) in functie van de euronorm en de brandstofsoort van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel : Brandstofsoort euronorm bedrag in euro diesel euro 0 2215,96 euro 1 650,13 euro 2 471,60 euro 3 371,59 euro 3 + roetfilter 351,23 euro 4 351,23 euro 4 + roetfilter 345,26 euro 5 345,26 euro 6 12,74 benzine, lpg en aardgas euro 0 881,37 euro 1 394,16 euro 2 117,87 euro 3 73,94 euro 4 17,75 euro 5 15,96 euro 6 15,96 5° LC = leeftijdscorrectie in functie van de ouderdom van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel : ouderdom van het wegvoertuig op basis van de datum van de eerste inschrijving ervan, in het binnenland of in het buitenland, vermeld op het inschrijvingsbewijs waarde LC in % minder dan 12 volle maanden 100 van 12 volle maanden tot en met 23 volle maanden 90 van 24 volle maanden tot en met 35 volle maanden 80 van 36 volle maanden tot en met 47 volle maanden 70 van 48 volle maanden tot en met 59 volle maanden 60 van 60 volle maanden tot en met 71 volle maanden 50 van 72 volle maanden tot en met 83 volle maanden 40 van 84 volle maanden tot en met 95 volle maanden 30 van 96 volle maanden tot en met 107 volle maanden 20 meer dan 107 volle maanden 10 Art.2.3.4.1.3. De belasting bedraagt nooit minder dan 41,61 euro en nooit meer dan 10.402 euro. In afwijking van artikel 2.3.4.1.2 bedraagt de belasting op wegvoertuigen die een eerste keer in het verkeer zijn gesteld 25 jaar geleden of eerder 41,61 euro. Art. 2.3.4.1.4. De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, en de bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.3, zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. De bedragen worden aangepast op 1 juli van elk jaar op grond van de schommelingen van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, vastgesteld tussen de maand mei van het vorige jaar en de maand mei van het lopende jaar. De bedragen, vermeld in artikel 2.3.4.1.2 en artikel 2.3.4.1.3, zijn de bedragen die van toepassing waren op 1 juli 2013. Art. 2.3.4.1.5. Als de euronorm van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter bepaald aan de hand van de datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig, vermeld in de volgende tabel : datum van de eerste inschrijving van het wegvoertuig in het binnenland of in het buitenland euronorm tot en met 31 december 1993 euro 0 vanaf 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 euro 1 vanaf 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 euro 2 vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 euro 3 vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010 euro 4 vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2015 euro 5 vanaf 1 september 2015 euro 6 Art. 2.3.4.1.6. Als de CO2-uitstoot van het wegvoertuig niet bekend is, wordt die parameter bepaald aan de hand van de brandstofsoort, de cilinderinhoud en de euronorm, vermeld in de volgende tabel : brandstofsoort cilinderinhoud in cc Euronorm 6 5 4 3 2 1 0 CO2-emissies in g/km benzine en lpg minder dan 1400 117 125 140 150 164 173 175 1400 tot en met 2000 150 159 172 185 200 211 213 meer dan 2000 228 238 247 259 279 295 297 diesel minder dan 1400 98 103 120 116 125 132 133 1400 tot en met 2000 117 125 144 151 163 173 174 meer dan 2000 159 169 201 199 214 226 228 aardgas minder dan 1400 94 100 112 120 131 139 140 1400 tot en met 2000 120 127 138 148 160 169 171 meer dan 2000 182 190 198 207 223 236 238 Art. 2.3.4.1.7. De aanwezigheid van een roetfilter als vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, wordt vastgesteld op basis van de PM-gegevens of op basis van de gegevens over de premie voor de aankoop en installatie van emissieverminderende voorzieningen in wegvoertuigen met een dieselmotor. Onder PM wordt verstaan : de uitstoot van deeltjes, gemeten tijdens de homologatie van het wegvoertuig volgens de geldende Europese regelgeving. Een roetfilter als vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, is een halfopen of een gesloten roetfilter. Een gesloten roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen van euronorm 3 en 4 met een uitstoot kleiner dan of gelijk aan 10 mg/km PM. Als in de waarden de combinatie van 0 mg/km PM en 0 g/km CO2 voorkomt, wordt er geacht geen gesloten roetfilter aanwezig te zijn. Een halfopen roetfilter wordt geacht aanwezig te zijn bij wegvoertuigen als de premieaanvraag voor de aankoop en installatie van de roetfilter door de Vlaamse overheid is goedgekeurd. Art. 2.3.4.1.8. Met behoud van de toepassing van artikel 2.3.6.0.2 wordt de belasting op de wegvoertuigen die niet voor de eerste keer worden ingeschreven, gedeeltelijk berekend op basis van de bepalingen van artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7, en op basis van artikel 2.3.4.2.1, volgens de verdeling, vermeld in de volgende tabel : periode waarin een afzonderlijke verdeling wordt toegepast, zowel op basis van artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7 als op basis van artikel 2.3.4.2.1 percentage dat onderhevig is aan de belasting van artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7 percentage dat onderhevig is aan de belasting van artikel 2.3.4.2.1 wegvoertuigen die ingeschreven waren of ingeschreven hadden moeten zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van 1 maart 2012 tot en met 31 december 2012 33 67 wegvoertuigen die ingeschreven zijn of ingeschreven zouden moeten zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 67 33 Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen die niet voor de eerste keer worden ingeschreven door een natuurlijke persoon. Art. 2.3.4.1.9. De belasting op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, die ingeschreven waren of ingeschreven hadden moeten zijn in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid vanaf 1 maart 2012 tot en met 30 april 2012, betreft het laagste bedrag dat verkregen wordt enerzijds op basis van artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7 en 2.3.6.0.2, en anderzijds op basis van dezelfde artikelen, met dien verstande dat : 1° de formule, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, eerste lid, als volgt wordt gewijzigd : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2° de tabel, vermeld in artikel 2.3.4.1.2, tweede lid, 4°, voor diesel wordt vervangen door wat volgt : brandstofsoort euronorm bedrag in euro diesel euro 0 8521,27 euro 1 2500,00 euro 2 1813,47 euro 3 731,42 euro 3 + roetfilter 190,89 euro 4 190,89 euro 4 + roetfilter 93,72 euro 5 93,72 euro 6 49,01 Onderafdeling 2. - Bedrag van de belasting voor motorfietsen, luchtvoertuigen, boten en andere voertuigen dan de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1 Art. 2.3.4.2.1. § 1. De belasting op andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1, wordt berekend op de wijze die hierna wordt vermeld : 1° voor de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen wordt de belasting berekend op basis van de volgende tabel : aantal pk aantal kW totaalbedrag van de belasting in euro 8 en minder 70 en minder 61,50 9 tot en met 10 71 tot en met 85 123 11 86 tot en met 100 495 12 tot en met 14 101 tot en met 110 867 15 111 tot en met 120 1239 16 tot en met 17 121 tot en met 155 2478 meer dan 17 meer dan 155 4957 Als het vermogen van eenzelfde motor, uitgedrukt in fiscale paardenkracht (
- pk)en in kilowatt (kW), aanleiding geeft tot de heffing van een verschillend belastingbedrag, is de belasting voor het hoogste bedrag verschuldigd;2° de belasting bedraagt 619 euro voor ultralichte motorluchtvaartuigen en 2478 euro voor alle andere luchtvaartuigen;3° de belasting bedraagt 2478 euro voor boten. § 2. Voor de wegvoertuigen die beantwoorden aan de emissienorm "euro 4", wordt de belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, verminderd met de bedragen, vermeld in de volgende tabel, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting : brandstofsoort en euronorm aanslagjaar 2002, in euro aanslagjaar 2003, in euro diesel euro 4 - 620 - 496 benzine euro 4 - 323 - 248 Voor de wegvoertuigen waarvan de motor, ook al is het maar gedeeltelijk of tijdelijk, aangedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstoffen, wordt de belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, verminderd met 298 euro, in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de belasting. Als de verbrandingsmotor van een wegvoertuig wordt aangedreven door verschillende brandstofsoorten en het voertuig daardoor in aanmerking komt voor een combinatie van de vermindering voor benzine en lpg, wordt de toe te kennen vermindering beperkt tot het hoogste bedrag dat voor dat aanslagjaar voor een bepaalde soort van brandstof van toepassing is. De wegvoertuigen waaraan het Europese homologatieattest 98/69B of 1999/102B of 1999/96B is toegekend, worden geacht te beantwoorden aan de emissienorm "euro 4". § 3. De belasting, berekend conform paragraaf 1, 1°, en paragraaf 2, wordt verminderd tot het percentage van de belasting voor de wegvoertuigen, vermeld in de volgende tabel, naargelang de voertuigen al ingeschreven zijn geweest in het binnenland of in het buitenland voor ze definitief ingevoerd werden : Termijn Percentage van 1 jaar tot 2 jaar 90 van 2 jaar tot 3 jaar 80 van 3 jaar tot 4 jaar 70 van 4 jaar tot 5 jaar 60 van 5 jaar tot 6 jaar 55 van 6 jaar tot 7 jaar 50 van 7 jaar tot 8 jaar 45 van 8 jaar tot 9 jaar 40 van 9 jaar tot 10 jaar 35 van 10 jaar tot 11 jaar 30 van 11 jaar tot 12 jaar 25 van 12 jaar tot 13 jaar 20 van 13 jaar tot 14 jaar 15 van 14 jaar tot 15 jaar 10 In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor de voertuigen die vijftien jaar en meer ingeschreven geweest zijn 61,50 euro. Na toepassing van het eerste lid mag de belasting voor een voertuig niet minder dan 61,50 euro bedragen. De belasting, berekend conform paragraaf 1, 2° en 3°, wordt verminderd tot het percentage van de belasting voor de luchtvaartuigen en boten, vermeld in de volgende tabel, naargelang de luchtvaartuigen en boten al normaal ingeschreven geweest zijn of voorzien geweest zijn van een vlaggenbrief in het binnenland of in het buitenland voor ze definitief ingevoerd werden : Termijn Percentage van 1 jaar tot 2 jaar 90 van 2 jaar tot 3 jaar 80 van 3 jaar tot 4 jaar 70 van 4 jaar tot 5 jaar 60 van 5 jaar tot 6 jaar 50 van 6 jaar tot 7 jaar 40 van 7 jaar tot 8 jaar 30 van 8 jaar tot 9 jaar 20 van 9 jaar tot 10 jaar 10 In afwijking van het vierde lid bedraagt de belasting voor de luchtvaartuigen en boten die tien jaar of ouder zijn, en voor zelfbouwvliegtuigen van natuurlijke personen 61,50 euro. Art. 2.3.4.2.2. Overeenkomstig artikel 107 van het federale Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zijn de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd om opcentiemen te heffen op de belasting op de inverkeerstelling. Afdeling 5. - Verminderingen Art. 2.3.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik. Afdeling 6. - Vrijstellingen Art. 2.3.6.0.1. § 1. Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor : 1° de luchtvaartuigen en de boten die uitsluitend gebruikt worden voor een openbare dienst van de staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten of de gemeenten;2° de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van zieke of gewonde personen en, als het wegvoertuigen betreft, die ingeschreven zijn als ziekenauto's;3° de voertuigen die als persoonlijk vervoermiddel gebruikt worden door :
- a)de militaire of burgerlijke grootoorlogsinvaliden die een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % genieten;
- b)de personen die volledig blind zijn, volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of van wie de bovenste ledematen geamputeerd zijn, en de personen die aangetast zijn door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt. De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van : 1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet;2° een invaliditeitsattest, uitgereikt door de FOD Sociale Zekerheid, met de vermelding dat de betrokkene recht heeft op vrijstelling van de verkeersbelasting, of dat hij is getroffen door volledige blindheid of volledige verlamming van de bovenste ledematen, of dat die ledematen geamputeerd zijn, of dat hij is aangetast door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt. § 2. Er wordt ook een vrijstelling van de belasting verleend voor de wegvoertuigen, luchtvaartuigen en boten die binnen zes maanden na de inschrijving conform artikel 2.3.2.0.1, § 1, tweede en derde lid, of na de uitreiking van een vlaggenbrief conform artikel 2.3.2.0.1, § 1, vierde lid, worden overgebracht naar een andere staat van de Europese Economische Ruimte en daar onder een definitieve regeling worden ingeschreven of van een vlaggenbrief worden voorzien. De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is afhankelijk van de voorlegging van de volgende documenten : 1° naargelang het geval, het bewijs van de afvoering van het wegvoertuig in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, van de doorhaling van het luchtvaartuig in het Belgisch luchtvaartuigregister of van het terugzenden van de vlaggenbrief aan de autoriteit die hem heeft afgeleverd;2° het bewijs van de inschrijving van het wegvoertuig of het luchtvaartuig, of van de aflevering van een vlaggenbrief of een gelijkwaardig document, volgens een definitieve regeling, in de betrokken staat van de Europese Economische Ruimte. Als een wegvoertuig in een andere staat van de Europese Economische Ruimte door een beroepshandelaar uit de automobielsector geleverd wordt, kan het document, vermeld in het tweede lid, 2°, geldig worden vervangen door een afschrift van de factuur die de overdracht bekrachtigt, en het bewijs van betaling van die factuur. Art. 2.3.6.0.2. Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof, en op plug-in hybride voertuigen wordt geen belasting geheven. Een plug-in hybride voertuig is een voertuig dat aangedreven wordt door een elektrische motor en een verbrandingsmotor waarvoor de energie geleverd wordt aan de elektrische motor door batterijen die volledig opgeladen kunnen worden via een aansluiting aan een externe energiebron buiten het voertuig. Dit artikel is alleen van toepassing op de wegvoertuigen, vermeld in artikel 2.3.4.1.1. Afdeling 7. - Wijze van heffing Art. 2.3.7.0.1. De belasting wordt geheven in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 4°. Hoofdstuk 4. - Eurovignet Afdeling 1. -
Art. 2.4.1.0.1.
Overeenkomstig artikel 2, eerste lid, en artikel 3, eerste lid, van de federale wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober
- - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, wordt er een recht voor gebruik van het wegennet geheven, hierna te noemen "eurovignet", op de voertuigen die bedoeld zijn of uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer over de weg van goederen, en waarvan de maximaal toegelaten massa minstens twaalf ton bedraagt. Art. 2.4.1.0.
- Overeenkomstig artikel 2bis van de federale wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober
- - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, zijn de staat en de gemeenschappen niet gemachtigd om het eurovignet te heffen voor andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.4.1.0.1, of om een vermindering van die rechten toe te kennen. Afdeling
- - Belastingplichtigen Art. 2.4.2.0.
- De belastingplichtige is degene die de eigenaar is van het voertuig. Afdeling
- - Belastbare grondslag Art. 2.4.3.0.
- Het eurovignet wordt vastgesteld op basis van de geldigheidsduur ervan, het aantal assen van het voertuig en de emissienorm van het voertuig, tenzij het anders is bepaald in deze codex. Afdeling
- - Tarieven Art. 2.4.4.0.
- Het eurovignet, met inbegrip van de administratiekosten, wordt berekend volgens de volgende tabel : geldigheids-duur eurovignet type voertuig emissienorm niet-EURO, in euro emissienorm EURO I, in euro emissienorm EURO II en schoner, in euro 1 jaar voertuigen met maximaal drie assen 960 850 750 voertuigen met minimaal vier assen 1550 1400 1250 1 maand voertuigen met maximaal drie assen 96 85 75 voertuigen met minimaal vier assen 155 140 125 1 week voertuigen met maximaal drie assen 26 23 20 voertuigen met minimaal vier assen 41 37 33 Het eurovignet, met inbegrip van de administratiekosten, voor één dag is voor alle voertuigklassen gelijk en bedraagt 8 euro. Art. 2.4.4.0.
- Overeenkomstig artikel 2bis van de federale wet van 27 december 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/1994 pub. 02/02/2016 numac 2016015011 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 type wet prom. 27/12/1994 pub. 03/09/2019 numac 2019041954 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober
- - Addendum sluiten tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, zijn de staat en de gemeenschappen niet gemachtigd om opcentiemen te heffen op het eurovignet. Afdeling
- - Verminderingen Art. 2.4.5.0.
- Voorbehouden voor toekomstig gebruik. Afdeling
- - Vrijstellingen Art. 2.4.6.0.
- §
- Er wordt een vrijstelling van het eurovignet verleend voor : 1° de voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor de landsverdediging, voor de diensten van de burgerbescherming en de rampeninterventie, voor de brandweerdiensten en andere hulpdiensten, voor de diensten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde en voor de diensten voor het onderhoud en beheer van de wegen die als zodanig geïdentificeerd zijn;2° de voertuigen die in België ingeschreven zijn en slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer dat met die voertuigen plaatsvindt, beperkt is tot het Belgische grondgebied. §
- De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, 2°, kan alleen worden toegekend als ze wordt aangevraagd voor het begin van het belastbare tijdperk. Het begrip `af en toe', vermeld in paragraaf 1, 2°, is voldaan als het voertuig in kwestie maximaal dertig dagen op de openbare weg wordt gebruikt. De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, 2°, kan worden bewezen door een rittenblad bij te houden dat moet worden aangevraagd bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het rittenblad moet altijd in het voertuig liggen. De geldigheidsduur van een rittenblad is beperkt tot maximaal twaalf opeenvolgende maanden vanaf de aanvangsdatum ervan. Als het belastbare tijdperk minder dan twaalf maanden bedraagt, wordt de geldigheidsduur van het rittenblad overeenkomstig ingekort. De belastingplichtige die zijn aangifte of inschrijving stopzet en vervolgens opnieuw aangifte doet voor hetzelfde voertuig binnen een periode van twaalf maanden na de aanvangsdatum van het laatst geldige rittenblad, kan geen nieuw rittenblad aanvragen. De belastingplichtige die een rittenblad aanvraagt dat wordt geweigerd wegens laattijdige aanvraag, kan geen nieuw rittenblad aanvragen voor de periode van twaalf maanden die volgt op het begin van het lopende belastbare tijdperk waarvoor de aanvraag van een rittenblad werd geweigerd. Afdeling
- - Wijze van heffing Art. 2.4.7.0.
- Het eurovignet is verschuldigd vanaf het ogenblik dat de voertuigen, vermeld in artikel 2.4.1.0.1, op het wegennet rijden dat is aangeduid door de bevoegde overheid. Voor de voertuigen die in België ingeschreven zijn of ingeschreven moeten zijn, is het eurovignet verschuldigd vanaf het ogenblik waarop ze op de openbare weg rijden. Art. 2.4.7.0.
- Voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.4.7.0.1, tweede lid, is het eurovignet verschuldigd voor het volledige jaarbedrag per opeenvolgende tijdvakken van twaalf achtereenvolgende maanden, waarvan het eerste tijdvak ingaat op de dag dat het voertuig voor het eerst op de openbare weg rijdt. Hoofdstuk
- - Verkrottingsheffing woningen en gebouwen Afdeling
- -
Art. 2.5.1.0.1.
Er wordt een verkrottingsheffing geheven op verwaarloosde gebouwen en verwaarloosde, ongeschikte of onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris. Afdeling
- - Belastingplichtigen Art. 2.5.2.0.
- De belastingplichtige van de heffing is degene die de houder is van een van de volgende zakelijke rechten met betrekking tot een gebouw of een woning op het ogenblik dat elke opeenvolgende periode van twaalf maanden na de opname in de inventaris verstreken is : 1° de volle eigendom;2° het recht van opstal of van erfpacht;3° het vruchtgebruik. Als een van de zakelijke rechten, vermeld in het eerste lid, in onverdeeldheid toebehoort aan meer dan één persoon, geldt de onverdeeldheid als belastingplichtige. Bij ontstentenis van de kennisgeving, vermeld in artikel 27, § 3, van het decreet van 22 december 1995, aan de inventarisbeheerder en aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, wordt de overdrager van het zakelijk recht, in afwijking van het eerste lid, als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende heffing die na de overdracht van het zakelijk recht ontstaat. Afdeling
- - Belastbare grondslag Art. 2.5.3.0.
- De heffing wordt vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van het gebouw of de woning. Afdeling
- - Tarieven Art. 2.5.4.0.
- De heffing wordt berekend volgens de volgende formule : KI * (P + 1). De parameters, vermeld in het eerste lid, worden gedefinieerd als volgt : 1° KI = het kadastraal inkomen, vermeld in artikel 2.5.3.0.1, dat niet minder bedraagt dan 990 euro. Als zich verschillende gebouwen of woningen op een kadastraal perceel bevinden, staat KI voor het kadastraal inkomen van de grond en de opstanden van het hele perceel, vermenigvuldigd met een breuk waarin de teller gelijk is aan de oppervlakte van het geïnventariseerde gebouw of de geïnventariseerde woning, en de noemer gelijk is aan de totale oppervlakte van de gebouwen of de woningen die zich op het kadastraal perceel bevinden, en bedraagt het KI niet minder dan 990 euro; 2° P = het aantal periodes van twaalf maanden dat het gebouw of de woning zonder onderbreking is opgenomen op de desbetreffende lijst in de inventaris, en dat niet meer bedraagt dan vier. Als een gebouw of een woning op verschillende lijsten van de inventaris voorkomt, kan voor ieder heffingsjaar alleen de hoogste heffing gevestigd worden. Afdeling
- - Verminderingen Art. 2.5.5.0.
- Voorbehouden voor toekomstig gebruik. Afdeling
- - Vrijstellingen Art. 2.5.6.0.
- De houder van een zakelijk recht wordt vrijgesteld van de heffing als hij het gebouw of de woning volledig en uitsluitend gebruikt als zijn hoofdverblijfplaats en als hij niet over een andere woning beschikt. Art. 2.5.6.0.
- §
- De houder van een zakelijk recht wordt vrijgesteld van de heffing op : 1° de gebouwen of de woningen die binnen de grenzen liggen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan of waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning meer wordt afgeleverd omdat een onteigeningsplan wordt voorbereid;2° de gebouwen of de woningen die in het kader van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten beschermd zijn als monument of stads- en dorpsgezicht of die bij ministerieel besluit opgenomen zijn in een ontwerp van lijst tot bescherming in het kader van het voormelde decreet;3° de gebouwen of de woningen die getroffen zijn door een ramp die zich heeft voorgedaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige, gedurende een periode van twee jaar die volgt op de datum van de ramp;4° de gebouwen of de woningen waarvoor het sociaal beheersrecht conform artikel 90, § 2 en § 3, van het decreet van 15 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/07/1997 pub. 19/08/1997 numac 1997036023 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de Vlaamse Wooncode sluiten houdende de Vlaamse Wooncode, ingesteld is;5° de woningen waarvoor een renovatiecontract als vermeld in artikel 18, § 2, van het decreet van 15 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/07/1997 pub. 19/08/1997 numac 1997036023 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de Vlaamse Wooncode sluiten houdende de Vlaamse Wooncode, gesloten is. Onder een ramp als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt verstaan elke gebeurtenis die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan het gebouw of de woning, waardoor het gebruik of de bewoning van het gebouw of de woning geheel of ten dele onmogelijk wordt. §
- Er wordt een vrijstelling van de heffing wegens overmacht verleend aan de houder van het zakelijk recht die aantoont dat de woning of het gebouw opgenomen blijft in de inventaris om redenen die onafhankelijk zijn van zijn wil. Die vrijstelling wordt verleend voor een termijn van één jaar, maar wordt jaarlijks verlengd als de overmacht aanhoudt. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen om de gevallen van overmacht te beoordelen en om de aanvang van de termijn van de vrijstelling te bepalen. Afdeling
- - Wijze van heffing Art. 2.5.7.0.
- De heffing is verschuldigd als het gebouw of de woning gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in de inventaris. Zolang het gebouw of de woning niet is geschrapt uit de inventaris, blijft de heffing verschuldigd bij het verstrijken van elke opeenvolgende periode van twaalf maanden, conform artikel 2.5.4.0.1 en artikel 3.3.2.0.1, eerste lid, 6°, en tweede lid, 5°. Art. 2.5.7.0.
- Aan de verkrijger van een zakelijk recht als vermeld in artikel 2.5.2.0.1, wordt een opschorting van de heffing verleend gedurende een periode van twee jaar die volgt op de volledige overdracht van het gebouw of de woning, op voorwaarde dat in de loop van de voormelde periode geen nieuwe overdracht plaatsvindt, en zich een van de twee volgende gevallen voordoet : 1° het gebouw of de woning wordt in de loop van de voormelde periode geschrapt uit de inventaris; 2° bij het verstrijken van de voormelde periode loopt een periode van vrijstelling op grond van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.2, of loopt een periode van opschorting op grond van artikel 2.5.7.0.3, en die opschorting wordt achteraf niet ongedaan gemaakt. De opschorting, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor de volgende overdrachten : 1° de overdracht aan vennootschappen die door de overdrager rechtstreeks of onrechtstreeks in rechten of in feiten gecontroleerd worden;2° de overdracht die het gevolg is van een fusie, splitsing of een andere overgang onder algemene titel;3° de overdracht aan bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij in geval van overdracht bij erfopvolging of testament. Art. 2.5.7.0.
- Er wordt een opschorting van de heffing verleend zodra de belastingplichtige een stedenbouwkundige vergunning, een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, of een gedetailleerd renovatieschema voorlegt waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken gaat uitvoeren. Als de belastingplichtige tijdens de termijn van vier maanden na de kennisgeving van de administratieve akte, vermeld in artikel 32 van het decreet van 22 december 1995, een stedenbouwkundige vergunning, een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, of een gedetailleerd renovatieschema voorlegt en dat document dateert van voor de administratieve akte, op basis waarvan de inventarisatie van het gebouw of de woning gebeurt, dan gaat de opschorting in op de datum van de inventarisatie in plaats van op de datum waarop de stedenbouwkundige vergunning, de schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, of het gedetailleerde renovatieschema voorgelegd wordt. Het gedetailleerde renovatieschema moet de volgende stukken bevatten : 1° een tekening of schets van het gebouw of de woning met aanduiding van de geplande werken;2° een volledige opsomming en korte beschrijving van alle geplande werken;3° een raming van de kosten van de geplande werken door middel van een van de volgende stukken : a) een offerte voor de levering en plaatsing van materialen door een aannemer;b) een offerte voor de levering van materialen als de werken in eigen beheer worden uitgevoerd;c) een combinatie van beide offertes;4° een fotoreportage van de gebouwdelen die gerenoveerd worden. Voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk VIII, afdeling 2, van het decreet van 22 december 1995 wordt sloop die gevolgd wordt door vervangingsbouw, gelijkgesteld met renovatiewerkzaamheden. De opschorting geldt voor de heffingen die verschuldigd zijn op de inventarisatiedata die in de periode van opschorting vallen. De periode van opschorting eindigt op het moment dat de renovatiewerkzaamheden beëindigd zijn. Ze kan niet langer duren dan vier jaar, tenzij de renovatiewerkzaamheden betrekking hebben op drie of meer gebouwen of woningen, of dermate omvangrijk zijn dat ze niet kunnen worden voltooid in vier jaar, in welke gevallen de maximale periode vijf jaar bedraagt. De opschorting wordt ongedaan gemaakt als de renovatiewerken die opgenomen zijn in de stedenbouwkundige vergunning of in het gedetailleerde renovatieschema, op het einde van de periode van opschorting niet beëindigd zijn, tenzij op dat ogenblik een periode van vrijstelling loopt met toepassing van artikel 2.5.6.0.1 of 2.5.6.0.
- De opschorting wordt ook ongedaan gemaakt als de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning geweigerd wordt. De opgeschorte heffingen zijn in die gevallen alsnog verschuldigd. Als de renovatiewerkzaamheden worden uitgevoerd door een sociale woonorganisatie, de gemeente of het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, dan kan de termijn van vier of vijf jaar door de Vlaamse Regering worden verlengd op grond van een verslag over de voorbereiding of de vordering van de werkzaamheden. Hoofdstuk
- - Leegstandsheffing bedrijfsruimten Afdeling
- -
Art. 2.6.1.0.1.
Er wordt een leegstandsheffing geheven op de bedrijfsruimten die opgenomen zijn in de inventaris. Afdeling
- - Belastingplichtigen Art. 2.6.2.0.
- De belastingplichtige is degene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de bedrijfsgebouwen die onderworpen zijn aan de heffing. Afdeling
- - Belastbare grondslag Art. 2.6.3.0.
- De heffing wordt vastgesteld op basis van het kadastraal inkomen van de gronden dat op 1 januari van het aanslagjaar bekend is, inclusief opstanden, van het perceel dat de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimte uitmaakt, alsook voor de niet-landbouwbedrijven op basis van het kadastraal inkomen van alle aangrenzende percelen die één geheel ermee vormen en die behoren tot dezelfde eigenaar. Afdeling
- - Tarieven Art. 2.6.4.0.
- De heffing wordt berekend volgens de volgende tabel, waarbij het kadastraal inkomen wordt verdeeld in schijven, die elk worden onderworpen aan een specifiek heffingspercentage : schijf van het kadastraal inkomen in euro percentage van toepassing op het overeenstemmende gedeelte totaalbedrag van de heffing op het voorgaande gedeelte in euro tot en met 12.350 150 / van 12.351 tot en met 37.150 125 18.525 van 37.151 tot en met 74.350 100 49.525 vanaf 74.351 75 123.875 De heffing bedraagt nooit minder dan 3.700 euro. Voor de niet-landbouwbedrijven komt het bedrag van de heffing minstens overeen met een tarief van 2,47 euro/m2 oppervlakte van het grondvlak van het terrein, vastgelegd door de diensten van het kadaster. Zo niet geldt de laatste heffing als minimumtarief. Afdeling
- - Verminderingen Art. 2.6.5.0.
- Voorbehouden voor toekomstig gebruik. Afdeling
- - Vrijstellingen Art. 2.6.6.0.
- Voorbehouden voor toekomstig gebruik. Afdeling
- - Wijze van heffing Art. 2.6.7.0.
- De heffing is verschuldigd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de derde opeenvolgende registratie in de inventaris voor geheel of gedeeltelijk leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten. Onderafdeling
- - Opschorting door een vernieuwing, al of niet gekoppeld aan de beëindiging van de leegstand Art. 2.6.7.1.
- Er wordt een opschorting van de heffing verleend voor de bedrijfsruimten waarvoor uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het aanslagjaar, een vernieuwingsvoorstel wordt ingediend, voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden voor indiening en aanvaarding van dat voorstel, bepaald met toepassing van het vierde lid. De opschorting blijft beperkt tot een termijn van twee jaar vanaf de betekening van het vernieuwingsvoorstel aan het departement. Tijdens die periode moet ook de eventuele leegstand zijn beëindigd. Het departement kan eenmalig een verlenging van de opschortingstermijn toestaan met hoogstens twee jaar als : 1° de aanvraag tot subsidiëring met toepassing van artikel 42, § 1, van het decreet van 19 april 1995 wegens budgettaire redenen niet kan worden ingewilligd;2° de aanvaarde vernieuwing dermate buitengewone werkzaamheden omvat dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in het tweede lid;3° de aanvaarde vernieuwing vanwege economische, ruimtelijke, juridische of (