Koninklijk besluit betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII
Kort samengevat
Dit besluit herwerkt en vult de regels aan voor de kosten, percentages, duur en terugbetaling van consumentenkredieten en hypothecaire kredieten, en stelt referte-indexen vast voor variabele rentevoeten bij hypothecaire kredieten. Het doel is om de Europese richtlijnen te implementeren en de regels voor consumenten- en hypothecaire kredieten meer op elkaar af te stemmen.
Wat het reguleert
- De kosten, percentages, duur en terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten.
- De vaststelling van referte-indexen voor variabele rentevoeten bij hypothecaire kredieten.
- De berekening van het jaarlijkse kostenpercentage (JKP) voor zowel consumenten- als hypothecaire kredieten.
- De implementatie van Europese richtlijnen betreffende kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot onroerende goederen.
Wie het aanbelangt
- Consumenten die een consumentenkrediet of een hypothecair krediet afsluiten.
- Kredietgevers en kredietbemiddelaars die dergelijke kredieten aanbieden.
Kernpunten
- Bestaande regels over maximale jaarlijkse kostenpercentages en terugbetalingstermijnen blijven gelden en worden uitgebreid naar hypothecaire kredieten.
- Nieuwe rekenvoorbeelden (33 tot 40) zijn voorzien voor hypothecaire kredieten, met aandacht voor kosten van hypothecaire zekerheid.
- De definitie van "overbruggingskrediet" is opgenomen, waarbij kredieten met een looptijd langer dan 12 maanden onder het algemene regime vallen voor de JKP-berekening.
- De berekening van het JKP voor hypothecaire kredieten volgt zoveel mogelijk de structuur en principes van consumentenkredieten, inclusief de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage exclusief notariskosten.
Wettekst
14 SEPTEMBER 2016. - Koninklijk besluit betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII van het Wetboek van economisch recht en de vaststelling van referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit ontwerpbesluit beoogt drie zaken :
- Met andere woorden, de regelen inzake maximale jaarlijkse kostenpercentages, maximale terugbetalingstermijnen, nulstelling, enz. blijven onverkort gelden maar worden desgevallend uitgebreid tot het hypothecair krediet. De bijlagen bij dit ontwerpbesluit werden aangepast in functie van de cijfers voorzien door het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 die bij de inwerkingtreding van dit ontwerpbesluit normaliter van toepassing zijn, zonder een jota te willen veranderen aan de wijzigingsmechanismen of de praktische toepassing van de gehanteerde veronderstellingen. Voor de interpretatie van deze regelen kan derhalve verwezen worden naar de eerdere verslagen aan de Koning die onverkort blijven gelden. Inzake hypothecair krediet werden er nieuwe rekenvoorbeelden (33 tot 40) voorzien, waarbij vooral rekening gehouden werd met de kosten verbonden aan het vestigen van een hypothecaire zekerheid.Dit belet echter niet dat voor de hypothecaire kredieten ook rekening moet worden gehouden met de bestaande rekenvoorbeelden inzake consumentenkrediet. Zo zal voor de hypothecaire kredieten met een roerende bestemming mutatis mutandis ook rekening worden gehouden met het effect van de nulstellingsverplichting zoals opgenomen in de voorbeelden 22 tot
- Zo zal voor de hypothecaire kredieten met een onroerende bestemming die niet gewaarborgd zijn door een hypothecaire zekerheid zoals bedoeld in het nieuwe artikel I.9, 53/1°, a) WER vooral de bestaande voorbeelden dienen als vertrekbasis. Zo zal er, in geval van een wederopneming onder de vorm van bijvoorbeeld een lening op afbetaling ter financiering van de aankoop van een wagen (en gedekt door een hypotheek voor alle sommen), geen aanrekening meer zijn van de kosten van de hypothecaire zekerheid, en zullen mutatis mutandis ook de voorbeelden 1 tot en met 7 gelden. Er wordt hierbij vanuit gegaan dat de kwalificaties opgenomen in de definities van "kredietopening" en "lening op afbetaling" (artikel I.9, 48° en 49° WER) ook zullen gelden voor de hypothecaire kredieten. Dit lijkt veel minder het geval te zijn voor de verkoop op afbetaling en de financieringshuur alhoewel een verkoop op afbetaling met onmiddellijke overdracht ten gunste van een kredietgever zeker theoretisch mogelijk blijft. De inpassing van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 is gepaard gegaan met de aanpassing van de terminologie zonder dat er noemenswaardig aan de inhoud werd geraakt. In dit verslag wordt er enkel commentaar gegeven bij de fundamentele wijzigingen of nieuwigheden. Het advies van de Raad van State werd integraal gevolgd behalve wat opmerking 10 betreft (artikel 3, § 3, tweede lid van het ontwerp) met betrekking tot het gebrek aan overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst. De oorspronkelijke tekst werd behouden omdat deze letterlijk van de richtlijn werd overgenomen. Het tekstverschil heeft geen impact op de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage. De Raad heeft voor het overige geen fundamentele opmerkingen over de tekst en spreekt zich niet uit of de afwijkingen van de tekst van de richtlijn verenigbaar zijn met de eisen inzake maximale harmonisatie, vermits dat een technische kennis vereist die zijn adviesbevoegdheid te buiten gaat. De verantwoording voor deze beperkte technische afwijkingen bij de artikelen 3, § 2, vierde lid (en niet het derde lid zoals de Raad van State aangaf) en 4, § 2, 3° van dit ontwerpbesluit werden opgenomen in dit Verslag bij de bespreking van artikel 3 van dit ontwerp van besluit en in het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 11 december 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 11/12/2012 pub. 17/01/2013 numac 2013011007 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit tot vaststelling, met het oog op de toepassing van artikel 43 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, van de betrekkingen van de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen die eenzelfde trap van de hiërarchie vormen type koninklijk besluit prom. 11/12/2012 pub. 03/11/2016 numac 2016000653 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 11/12/2012 pub. 21/12/2012 numac 2012011486 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet sluiten bij de bespreking van artikel
- Artikelsgewijze bespreking HOOFDSTUK
- - Inleidende bepaling Artikel 1 Dit artikel behoeft geen bijzondere commentaar. HOOFDSTUK
- - Definities Art.
- De definities van betalingstermijn en termijnbedrag zoals voorzien in het huidige artikel 1 van het huidige koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet, worden opgenomen in artikel I.9 van het Wetboek van economisch recht. Voor de goede orde weze er aan herinnerd dat het begrip termijnbedrag zowel een betaling van kapitaal, van interesten of overige kosten kan inhouden, hetzij afzonderlijk hetzij tegelijkertijd, al naar gelang het tijdstip van betaling. Indien hiervan afgeweken wordt en men bv. enkel de betaling van kapitaal en intresten beoogt dan moet dit uitdrukkelijk blijken uit de regelgevende bepaling waarin het begrip wordt gehanteerd. Er kan in dat verband verwezen worden naar de aflossingstabel van het contract van een hypothecair krediet met een onroerende bestemming. De definitie van referentie-index wordt verplaatst naar de bepalingen onder Hoofdstuk 6 die de maximale jaarlijkse kostenpercentages regelen. Daarentegen werden de definitie van een "overbruggingskrediet" zoals bedoeld in artikel 4, 23° van richtlijn 2014/17/EU van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (de richtlijn inzake hypothecair krediet) en de omschrijving van het Rentenfonds, zoals voorzien in het koninklijk besluit van 11 januari 1993 hier opgenomen. Het gebruik van de definitie van "overbruggingskrediet" en de omzetting ervan is problematisch onder meer omdat de Europese definitie niet voorziet in een bijzondere regeling met betrekking tot de aflossing van overbruggingskredieten die de termijn van 12 maanden overschrijden. Een overbruggingskrediet van bepaalde duur met een aflossingstermijn van bij voorbeeld 13 maanden zou derhalve uit de boot vallen waardoor dit soort krediet, voor wat de berekening van het JKP betreft, onder de algemene toepassingsregelen zou vallen. De Europese Commissie werd hierover bevraagd en stelde in haar antwoord het volgende : "bridging loans are defined in the MCD for two purposes : the first one is the possible exemption foreseen in Article 3, the second one is for calculating their APRC given their specificities. A bridging loan is defined either as a loan with no fixed duration or with a duration of less than 12 months. Loans that are of a fixed duration longer than 12 months are therefore not considered as 'bridging loans' under the MCD. This has two implications : first such loan would not fall under the possible exemption foreseen under Article 3 and second, the calculation of the APRC for such loan would not use assumption (j)". M.a.w., een overbruggingskrediet met een aflossingstermijn van 13 maanden en meer volgt, voor wat de berekening van het JKP betreft, het algemene regime van de "normale" kredietovereenkomsten. Doorgaans zal dat tot een zelfde resultaat leiden als het bijzondere regime van "overbruggingskrediet" gelet op de veronderstellingen van de artikelen 4, §§ 1, eerste lid en 2, 1° van dit ontwerpbesluit die voorzien dat het krediet integraal wordt terugbetaald op het einde van de termijn bepaald in het contract en dat het onmiddellijk integraal werd opgenomen (als er keuzevrijheid is). Het voorbeeld 34 in bijlage 1 bij dit besluit is een voorbeeld van dergelijke kredietovereenkomst. Drie randopmerkingen hierbij :
- - Basisvergelijking Art. 3 Artikel 3 van dit ontwerp herneemt grotendeels het huidige artikel 4 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992, behalve de §§ 2 tot 4 die, omwille van de duidelijkheid opgeschoven worden naar de bepalingen onder hoofdstuk 4 die de veronderstellingen regelen. In artikel 3, § 2, van dit ontwerp werd er een vierde lid toegevoegd dat de berekening in dagen verduidelijkt. Deze toevoeging herneemt een aantal bepalingen die opgenomen werden in bijlage I, I, opmerking c) van richtlijn 2014/17/EU. Zij komen niet voor in richtlijn 2008/48/EG inzake consumentenkrediet maar wel in de richtsnoeren met als opschrift Guidelines on the application of Directive 2008/48/EC (Consumer Credit Directive) in relation to costs and the Annual Percentage Rate of charge, uitgevaardigd door de Europese Commissie op 8 mei 2012 (SWD-2012-128final), op blz.
- M.a.w. de Europese Commissie heeft bij de omzetting van de Consumentenkredietrichtlijn een interpretatie gegeven aan de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage in dagen, die niet kon afgeleid worden uit de richtlijn zelf maar achteraf werd gebetonneerd in richtlijn 2014/17/EU op het hypothecair krediet. Het toegevoegde lid heeft tot gevolg dat de voorbeelden 11, 15 en 20 opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit werden aangepast in die zin dat het JKP van voorbeeld 11 werd gewijzigd, voorbeeld 15 verduidelijkt werd om aan te geven dat er geen rekening gehouden wordt met het jaartal noch de dag van de maand ingevolge een andere veronderstelling en in voorbeeld 20 de datum veranderd werd van 2013 in 2014 om het voorbeeld niet verder te moeten aanpassen. In de bepaling onder 2° van dit nieuwe lid werd het woord « opneming » zoals dit voorkomt in de richtlijn vervangen door het woord "kredietopneming" zoals gedefinieerd in dit ontwerpbesluit. Inhoudelijk is er geen verandering. In paragraaf 3, tweede lid, werd, overeenkomstig richtlijn 2014/17/EU, de periodeaanduiding "n" vervangen door « k ». HOOFDSTUK
- - Veronderstellingen Art. 4 In artikel 4, § 1, tweede lid, van dit ontwerpbesluit, werden de zinsneden "en, in voorkomend geval, van de kosten die deel uitmaken van het jaarlijkse kostenpercentage" en "en de kosten vast blijven" ingevoegd. Alhoewel naar Belgisch recht er in principe inzake consumentenkrediet geen veranderlijkheid van de kosten is toegelaten vond de Europese Commissie dat de bepalingen van de richtlijn niettemin letterlijk dienden te worden overgenomen. Ondertussen is er inzake het hypothecair krediet minstens een casus opgedoken die deze aanpassing rechtvaardigt, met name de indexering van de -verplichte- brandverzekering op basis van de ABEX-index die vooraf niet gekend is. Als vooraf niet geweten is hoe en wanneer de interesten of kosten veranderen, betekent dat dus niet dat die interesten of kosten niet in het JKP opgenomen moeten worden omdat ze ongekend zouden zijn. In dat geval moet er van de gepaste veronderstelling gebruik gemaakt worden, zie in dat verband bijv. ook de veronderstellingen onder § 2, 9° en 10° van dit artikel.Dat is bijv. het geval bij indexeerbare of niet gegarandeerde premies. Gevolggevend aan het advies van de Raad van State werd de verduidelijking met betrekking tot de kosten van de verplichte brandverzekering opgenomen in het beschikkend gedeelte van het ontwerpbesluit. Eigenlijk betreft deze tekst een verduidelijking bij de definitie van de totale kosten van het krediet voor de consument zoals bedoeld in artikel I.9, 41° WER. De inleidende bepaling van artikel 4, § 2, werd op verzoek van de Europese Commissie geherformuleerd : een absolute onmogelijkheid om het JKP te berekenen zou niet bestaan. Waarom de letterlijke bewoordingen van het artikel 19
- be)die daartoe aangepast wordt in functie van dit besluit. De notarissen zullen, in overleg met de kredietgevers, een tool ter beschikking stellen om die gegevens automatisch in te voeren in de systemen van de kredietverstrekkers. Het geval waarbij de kosten in een specifieke situatie niet bepaald zijn noch met redelijke zekerheid geraamd kunnen worden kan zich voordoen wanneer bij het formuleren van de reclameboodschap, het overhandigen van de ESIS of het kredietaanbod, het sluiten van een brand- of schuldsaldoverzekering wordt opgelegd door een kredietgever die geen bankverzekeraar of verzekeringsbemiddelaar is van de betrokken verzekeringen op het ogenblik van het invullen van voornoemde documenten en ook de consument de premie van de door hem gewenste verzekeraar niet kent. De bepalingen onder artikel 4, § 2, 4°, (het huidige artikel 4, § 3, derde lid, 4°, van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992) werden aangepast aan de veronderstellingen opgenomen in bijlage I, II,
- j)van richtlijn 2014/17/EU die gelden voor de overbruggingskredieten. De bepalingen onder artikel 4, § 2, 5° (het huidige artikel 4, § 3, derde lid, 5°, van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992), werden aangepast aan richtlijn 2014/17/EU, meer bepaald aan de veronderstelling opgenomen onder bijlage I, II, k), i, maar houdt ook rekening met de nieuwe definities inzake hypothecair krediet die worden opgenomen in artikel I.9 van het Wetboek van economisch recht. Zo stemt het begrip "voor kredietovereenkomsten die het verwerven of behouden van rechten op onroerend goed tot oogmerk hebben" overeen met het begrip "hypothecaire kredieten met een onroerende bestemming" zoals dit wordt opgenomen in boek I van het Wetboek van economisch recht. Met de omschrijving van "kredietovereenkomsten die niet het verwerven of behouden van rechten op onroerend goed tot oogmerk hebben of die door middel van debetkaarten met uitgestelde betaling of kredietkaarten worden opgenomen", stemt eigenlijk overeen met het begrip "hypothecaire kredieten met een roerende bestemming". Vermits met deze veronderstelling ook het consumentenkrediet wordt beoogd betreffen dit uiteindelijk "alle overige kredietovereenkomsten". Los hiervan moet overigens opgemerkt worden dat er in de richtlijn hypothecair krediet geen definitie bestaat van wat een debet- of een kredietkaart is. In het tweede lid van artikel 4, § 2, 5°, wordt voorgesteld om de Nederlandse tekst te verduidelijken, met name om, in de plaats van de woorden "doorlopend krediet" te gebruiken, een vertaling te gebruiken die dichter staat bij de Franse en Engelse tekst van de 2 richtlijnen consumentenkrediet en hypothecair krediet, met name een "krediet zonder vaste looptijd". Het begrip "doorlopend krediet" wordt nergens gedefinieerd en wordt in bijlage I, II, l),
- b)van richtlijn 2014/17/EU blijkbaar in een andere betekenis gebruikt, daar waar er sprake is van een "hernieuwing" van de overeenkomst. In dit tweede lid wordt vooral zo niet uitsluitend de "accreditief" of "einde maand" -kredieten bedoeld in het raam van de 2de zin onder
- b)("In gevallen waarin het kapitaal binnen elke betalingstermijn uitsluitend volledig in één betaling moet worden terugbetaald"). De bepaling onder artikel 4, § 2, 6° brengt een aantal wijzigingen aan in de tekst van het huidige artikel 4, § 3, derde lid, 6°, van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992. De gewijzigde tekst omvat geen inhoudelijke wijzigingen inzake berekening en gebruik van de veronderstelling maar herneemt de bewoordingen opgenomen in bijlage I, II,
- g)van richtlijn 2014/17/EU. De verwijzingen naar andere veronderstellingen werd overeenkomstig de richtlijn aangevuld met een verwijzing naar de bijkomende veronderstellingen onder 11° en 12°. Dit is ook het geval voor de verwijzingen opgenomen onder artikel 4, § 2, 7°. De bepalingen onder artikel 4, § 2, 8° brengen een aantal wijzigingen aan in de tekst van het huidige artikel 4, § 3, derde lid, 6° van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992. De tekst werd aangepast in functie van de veronderstelling opgenomen in bijlage I, II,
- f)van richtlijn 2014/17/EU waarbij rekening werd gehouden met de terminologie en de definities gehanteerd in het Wetboek van economisch recht. Hierbij kan verwezen worden naar voorgaande commentaar bij artikel 4, § 2, 5° : de omschrijving van "kredietovereenkomsten die niet het verwerven of behouden van rechten op onroerend goed tot oogmerk hebben of die door middel van debetkaarten met uitgestelde betaling of kredietkaarten worden opgenomen", stemt eigenlijk overeen met het begrip "hypothecaire kredieten met een roerende bestemming". Vermits met deze veronderstelling ook het consumentenkrediet wordt beoogd betreft dit uiteindelijk "alle overige kredietovereenkomsten". Los hiervan moet overigens opgemerkt worden dat er in de richtlijn hypothecair krediet geen definitie bestaat van wat een debet- of een kredietkaart is. De veronderstelling onder het voorgestelde artikel 4, § 2, 9°, herneemt quasi letterlijk de bestaande bepaling onder het huidige artikel 4, § 3, derde lid, 9°, van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 en behoeft geen verdere commentaar. De veronderstelling onder het voorgestelde artikel 4, § 2, 10° herneemt de bestaande bepaling onder het huidige artikel 4, § 3, derde lid, 9°, van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 maar werd aangepast in functie van de veronderstelling opgenomen in bijlage I, II,
- e)van richtlijn 2014/17/EU en de terminologie gehanteerd in boek VII van het Wetboek van economisch recht, meer bepaald het nieuwe artikel VII.143 inzake hypothecair krediet waar telkens gesproken wordt van een "referte-index" en niet van een "indicator". Ook voor het consumentenkrediet geldt onrechtstreeks dit begrip. In de tekst van de richtlijn 2014/17/EU wordt, in tegenstelling tot richtlijn 2008/48/EG, ook telkens verwezen naar een "interne referentievoet". Het gebruik van een "interne referentievoet" is krachtens voormelde bepaling van het WER en het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot vaststelling van de referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten verboden en dus lijkt het weinig zinvol om hiervan melding te maken in de tekst van de veronderstelling. Daarentegen dient voor wat het hypothecair krediet betreft de zinsnede "doch niet lager dan de vaste debetrentevoet" te worden ingevoegd. De veronderstelling opgenomen onder artikel 4, § 2, 11°, van dit ontwerp is nieuw en herneemt de veronderstelling opgenomen onder bijlage I., II,
- l)van de richtlijn. Deze veronderstelling geldt enkel voor het hypothecair krediet. Deze kredietsoort is Angelsaksisch van oorsprong en niet gekend in België. De veronderstelling opgenomen onder artikel 4, § 2, 12°, van dit ontwerp is nieuw en herneemt de veronderstelling opgenomen onder bijlage I., II,
- m)van de richtlijn, maar de in de richtlijn gehanteerde Nederlandstalige versie van de tekst onder punt
- b)werd aangepast om hem inhoudelijk overeen te laten stemmen met de Franstalige en Engelstalige versie. Deze veronderstelling geldt enkel voor het hypothecair krediet. Deze kredietsoort is Angelsaksisch van oorsprong en niet gekend in België. In artikel 4, § 3, van dit ontwerpbesluit, wordt artikel 17,
- - Debet- en nalatigheidsintresten Art. 5 en 6 Deze artikelen hernemen de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 en behoeven geen bijzondere commentaar. Zij worden uitgebreid tot het hypothecair krediet en aangepast in functie van de opname van de voormalige artikelen van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet in boek VII van het Wetboek van economisch recht. HOOFDSTUK
- - Referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten Art. 7 In het nieuwe artikel VII.143 WER, opgenomen in de omzettingswet van richtlijn 2014/17EU ( wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 04/05/2016 numac 2016011178 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht sluiten houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht) dat inzake het hypothecair krediet het huidige artikel VII.128 WER vervangt, wordt de veranderlijkheid van de rentevoeten geregeld voor wat het hypothecair krediet betreft en wordt aan de Koning de machtiging gegeven om de referte-indexen verder te bepalen. Artikel VII.86 WER verwijst voor wat de veranderlijkheid van de rentevoeten inzake het consumentenkrediet betreft naar de regelen inzake hypothecair krediet, maar met uitzondering van kredietopeningen. De bepalingen onder dit hoofdstuk hernemen inhoudelijk dezelfde bepalingen zoals voorzien in het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot vaststelling van de referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten. Er wordt voorgesteld om dezelfde terminologie te behouden met betrekking tot het begrip "referte-index", dit om vooral in het Nederlands een onderscheid te kunnen maken met een gelijkaardige terminologie die gebruikt wordt voor de vaststelling van het maximale jaarlijkse kostenpercentage (zie infra). Art. 8 Artikel 8 van dit ontwerpbesluit herneemt dezelfde bepaling als bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot vaststelling van de referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten maar aangepast aan de nieuwe wettelijke bepalingen zoals opgenomen in boek VII. Art. 9 Artikel 9 van dit ontwerpbesluit herneemt dezelfde bepaling als bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot vaststelling van de referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten maar aangepast aan de nieuwe wettelijke bepalingen zoals opgenomen in boek VII. De verwijzing naar de Belgische frank werd vanzelfsprekend vervangen door een verwijzing naar de euro. Art. 10 Artikel 10 herneemt een gelijkaardige bepaling als bedoeld in het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot vaststelling van de referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en behoeft geen verdere commentaar. HOOFDSTUK
- - Maximale jaarlijkse kostenpercentages Art. 11 Artikel 11 herneemt artikel 1, 8°, van het koninklijk besluit van 4 augustus
- Er wordt voorgesteld om dezelfde terminologie te behouden met betrekking tot het begrip "referentie-index", dit om vooral in het Nederlands een onderscheid te kunnen maken met een gelijkaardige terminologie die gebruikt wordt voor de vaststelling van de indexen voor veranderlijke rentevoeten (zie supra). In tegenstelling tot het huidige artikel 1, 8° wordt er niet meer verwezen naar Belgostat voor de bepaling van de interbancaire rentevoet EURIBOR omdat hierover geen publicatie meer gebeurd door Belgostat. Het volstaat te kijken naar de publicaties van diverse Europese instellingen waaronder de Europese Centrale Bank. Art. 12 Artikel 12 herneemt artikel 7bis van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 waarbij de verwijzingen naar de bepalingen van de wet van 12 juni 1991 telkens worden vervangen door verwijzingen naar boek VII. Ook de bijlage werd overeenkomstig aangepast. De bedoeling is dat er geen breuk zou ontstaan met de thans bestaande wettelijke maxima en dat derhalve de laatste aangepaste cijfers en percentages werden weerhouden in de bijlage en dat deze maxima ook voortaan zullen worden toegepast op de hypothecaire kredieten met roerende bestemming. HOOFDSTUK 8 - Maximale terugbetalingstermijnen en nulstellingstermijnen. Art. 13 Artikel 13 herneemt artikel 8 van het koninklijk besluit van 4 augustus
- Het zal voortaan ook gelden voor de hypothecaire kredieten met een roerende bestemming maar behoeft voor het overige geen verdere commentaar. Art. 14 Artikel 14 herneemt artikel 9 van het koninklijk besluit van 4 augustus
- Het zal voortaan ook gelden voor de kredietopeningen in de zin van artikel I.9, 49° van het WER die een hypothecair krediet met een roerende bestemming uitmaken maar behoeft voor het overige geen verdere commentaar. HOOFDSTUK
- - Opheffingsbepalingen Art. 15 Dit artikel behoeft geen verdere commentaar. HOOFDSTUK 1
- - Overgangsbepalingen Art. 16 Dit ontwerpbesluit dient rekening te houden met de inwerkingtreding en de overgangsbepalingen van de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 04/05/2016 numac 2016011178 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht sluiten houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht Dit ontwerpbesluit huldigt ook het principe van de continuïteit inzake regelgeving : vermits er geen nieuwe bepalingen werden ingevoerd met betrekking tot het consumentenkrediet noch wat het gebruik van referte-indexen bij de veranderlijkheid van debetrentevoeten bij hypothecair krediet betreft wordt voorgesteld om de bestaande regelen onmiddellijk te laten doorlopen, ook voor de lopende kredietovereenkomsten. Wat de hypothecaire kredieten met een roerende bestemming betreft kunnen en moeten de artikelen 5, 6 en 11 tot 14 van dit besluit met betrekking tot de bepalingen inzake debetrentevoet, nalatigheidsinterestvoet, maximale jaarlijkse kostenpercentages, maximale terugbetalingstermijnen en nulstelling ook toepasselijk worden gemaakt op de lopende kredietovereenkomsten omdat deze kredietovereenkomsten voorheen gesloten werden als consumentenkredieten en als dusdanig onderworpen waren aan dezelfde bepalingen voorzien door het koninklijk besluit van 4 augustus
- HOOFDSTUK 1
- - Inwerkingtreding. Art. 17 Artikel 17 behoeft geen bijzondere commentaar. Wij hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, K. PEETERS De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT ADVIES 59.667/1 VAN 15 JULI 2016 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `BETREFFENDE DE KOSTEN, DE PERCENTAGES, DE DUUR EN DE TERUGBETALINGSMODALITEITEN VAN KREDIETOVEREENKOMSTEN ONDERWORPEN AAN BOEK VII VAN HET WETBOEK VAN ECONOMISCH RECHT' Op 22 juni 2016 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Economie en Consumenten verzocht binnen een termijn van dertig dagen, van rechtswege verlengd tot 8 augustus 2016,(*) een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII van het Wetboek van economisch recht'. Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 7 juli
- De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Patricia De Somere, staatsraden, Marc Rigaux en Michel Tison, assessoren, en Greet Verberckmoes, griffier. Het verslag is uitgebracht door Paul Depuydt, eerste auditeur-afdelingshoofd. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Jo Baert, kamervoorzitter. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 15 juli
- (*) Deze verlenging vloeit voort uit artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, in fine, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, waarin wordt bepaald dat deze termijn van rechtswege wordt verlengd met vijftien dagen wanneer hij begint te lopen tussen 15 juli en 31 juli of wanneer hij verstrijkt tussen 15 juli en 15 augustus.
- Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. Strekking en rechtsgrond van het ontwerp
- Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe de regeling die tot op heden is vervat in het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 `betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet' aan te passen en te verruimen. Zo worden sommige bepalingen en definities die nu nog voorkomen in het voornoemde koninklijk besluit weggelaten, ermee rekening houdend dat deze werden opgenomen in het Wetboek van economisch recht. Bepaalde artikelen worden verduidelijkt ingevolge opmerkingen van de Europese Commissie (om die reden worden ook sommige rekenvoorbeelden aangepast). De regeling wordt in de mate van het mogelijke ook betrokken op het hypothecair krediet. In overeenstemming hiermee wordt de regeling van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 `tot vaststelling van de referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten' ingepast in het ontworpen koninklijk besluit
- Het ontwerp vindt rechtsgrond in uiteenlopende bepalingen van het Wetboek van economisch recht die, in numerieke volgorde, kunnen worden gepreciseerd als volgt: - artikel 1.9, 42° (jaarlijkse kostenpercentage consumentenkrediet) en 44°, eerste lid (debetrentevoet), ingevoegd bij de wet van 19 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014011266 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van boek VII "Betalings- en kredietdiensten" in het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van de definities eigen aan boek VII en van de straffen voor de inbreuken op boek VII, in de boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere bepalingen type wet prom. 19/04/2014 pub. 12/06/2014 numac 2014011298 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van boek XI, "Intellectuele eigendom" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek type wet prom. 19/04/2014 pub. 17/06/2014 numac 2014003229 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders sluiten; - artikel VII.64, § 1, vierde lid (representatief voorbeeld onder meer wat betreft het jaarlijkse kostenpercentage), ingevoegd bij de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 04/05/2016 numac 2016011178 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht sluiten; - artikel VII. 81 § 2, derde lid (parameters financieringshuur), ingevoegd bij de wet van 19 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014011266 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van boek VII "Betalings- en kredietdiensten" in het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van de definities eigen aan boek VII en van de straffen voor de inbreuken op boek VII, in de boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere bepalingen type wet prom. 19/04/2014 pub. 12/06/2014 numac 2014011298 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van boek XI, "Intellectuele eigendom" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek type wet prom. 19/04/2014 pub. 17/06/2014 numac 2014003229 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders sluiten; - artikel VII.94, §§ 1 en 2 (vaststelling maximale jaarlijkse kostenpercentages en maximale kredietkosten), ingevoegd bij de wet van 19 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014011266 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van boek VII "Betalings- en kredietdiensten" in het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van de definities eigen aan boek VII en van de straffen voor de inbreuken op boek VII, in de boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere bepalingen type wet prom. 19/04/2014 pub. 12/06/2014 numac 2014011298 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van boek XI, "Intellectuele eigendom" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek type wet prom. 19/04/2014 pub. 17/06/2014 numac 2014003229 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders sluiten; - artikel VII.95, §§ 1 en 2 (vaststelling maximale terugbetalingstermijn en maximale nulstellingstermijn consumentenkrediet), ingevoegd bij de wet van 19 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014011266 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van boek VII "Betalings- en kredietdiensten" in het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van de definities eigen aan boek VII en van de straffen voor de inbreuken op boek VII, in de boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere bepalingen type wet prom. 19/04/2014 pub. 12/06/2014 numac 2014011298 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van boek XI, "Intellectuele eigendom" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek type wet prom. 19/04/2014 pub. 17/06/2014 numac 2014003229 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders sluiten; - artikel VII.124, § 2, eerste lid (representatief voorbeeld onder meer wat betreft het jaarlijkse kostenpercentage), vervangen bij de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 04/05/2016 numac 2016011178 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht sluiten; - artikel VII.125, tweede lid, 7° (representatief voorbeeld onder meer wat betreft het jaarlijkse kostenpercentage), vervangen bij de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 04/05/2016 numac 2016011178 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht sluiten; - artikel VII.143, § 3, 3° (lijst en berekeningswijze van de referte-indexen), vervangen bij de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 04/05/2016 numac 2016011178 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht sluiten; - artikel VII.147/9, §§ 1 en 2 (vaststelling maximale jaarlijkse kostenpercentages en maximale kredietkosten hypothecaire kredieten met roerende bestemming), ingevoegd bij de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 04/05/2016 numac 2016011178 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht sluiten; - artikel V11.147/10, §§ 1 en 2 (vaststelling maximale terugbetalingstermijn en maximale nulstellingstermijn hypothecaire kredieten met roerende bestemming), ingevoegd bij de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 04/05/2016 numac 2016011178 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht sluiten. De artikelen VII.217 en VII.219 van het Wetboek van economisch recht, die worden vermeld in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp, strekken dit laatste niet tot rechtsgrond. In de betrokken bepalingen wordt immers uitsluitend aan bepaalde vormvereisten gerefereerd. Algemene opmerking
- In de artikelen 3 en 4 van het ontwerp wordt op sommige punten afgeweken van bepalingen van zowel de Richtlijn Consumentenkrediet als de Richtlijn Hypothecair Krediet.Aan de relevante bepalingen inzake het jaarlijks kostenpercentage die in elk van beide richtlijnen voorkomen, ligt nochtans de bedoeling ten grondslag van een maximale harmonisatie. In het advies 52.286/1 dat de Raad van State, afdeling Wetgeving, op 8 november 2012 uitbracht over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet', werd in dit verband het volgende opgemerkt: "Aan de Raad van State, afdeling Wetgeving, is meegedeeld dat met betrekking tot de omzetting van artikel 19 van de [Richtlijn Consumentenkrediet] bepaalde problemen zijn gerezen die werden besproken met vertegenwoordigers van de Europese Commissie en dat, in het licht daarvan, een aanpassing of herziening van de richtlijn met toepassing van de comitologieprocedure wordt overwogen. In afwachting daarvan hebben de stellers van het ontwerp ervoor geopteerd om bij de huidige omzetting af te wijken van artikel 19 en bijlage I van de richtlijn of eraan bepalingen toe te voegen die niet voorkomen in de richtlijn. (...) De Raad van State, afdeling Wetgeving, spreekt er zich niet over uit of dergelijke afwijkingen of toevoegingen in de huidige stand van de regelgeving verenigbaar zijn met de eisen inzake maximale harmonisatie die ten grondslag liggen aan de richtlijn. Rekening houdend met het uiterst technisch karakter van de ontworpen regeling vereist dergelijke uitspraak immers een uitgesproken specialisme dat de contouren van dit advies te buiten gaat. Daarenboven verdient het geen aanbeveling dat met dit advies zou worden tussengekomen in de besprekingen die met de Europese Commissie blijkbaar worden gevoerd naar aanleiding van de omzetting van artikel 19 van de richtlijn en dat de Raad zich zou uitspreken over de al dan niet gewenste aanpassing of herziening van deze laatste." Die opmerking geldt mutatis mutandis ook voor het voorliggende ontwerp en in het bijzonder voor de volgende bepalingen ervan: - artikel 3, § 2, derde lid, dat, hoewel in overeenstemming met de bijlage bij de Richtlijn Hypothecair Krediet, een toevoeging inhoudt ten opzichte van de bijlage I, punt II, c) van de Richtlijn Consumentenkrediet; - artikel 4, § 2, 3°, tweede en derde lid, waarin ten aanzien van het bepaalde in bijlage I, punt II, b) van de Richtlijn Consumentenkrediet en de Richtlijn Hypothecair Krediet nadere hypotheses zijn vervat voor het bepalen van het meest gebruikelijke kredietopnemingsmechanisme. Onderzoek van de tekst Opschrift
- Het opschrift van een normatieve tekst moet volledig zijn en mag bij de bestemmeling van de norm geen onzekerheid doen ontstaan omtrent de juiste strekking van het onderwerp van de tekst
- De redactie van het eerste lid van de aanhef van het ontwerp moet worden aangepast, rekening houdende met de opsomming van rechtsgrond biedende bepalingen onder nr.3 van dit advies.
- In het tweede en het derde lid van de aanhef kan worden volstaan met de vermelding van de datum en het opschrift van respectievelijk de koninklijke besluiten van 4 augustus 1992 en 11 januari 1993.Het is immers niet zinvol om in de aanhef wijzigingen te vermelden die vroeger aangebracht zijn in de op te heffen besluiten
- Men late artikel 1 van het ontwerp aanvangen als volgt: "Dit besluit voorziet onder meer in de omzetting van artikel 19 In artikel 1 van het ontwerp wordt nu verkeerdelijk verwezen naar "artikel 13" van de Richtlijn Consumentenkrediet.en van bijlage I van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad, zoals gewijzigd ...". In de Franse tekst van artikel 1 van het ontwerp dient daarenboven melding te worden gemaakt van "la directive 2014/17/UE" en niet van "la directive 2914/17/UE". Artikel 3
- Aan het einde van artikel 3, § 3, tweede lid, van het ontwerp, is er een gebrek aan overeenstemming tussen de Nederlandse ("indien de flux gelijkwaardig is") en de Franse tekst ("si on veut conserver l'équivalence des flux").Deze discordantie moet worden weggewerkt. Artikel 4
- In het verslag aan de Koning wordt het volgende vermeld: "De verplichte brandverzekering dient in principe opgenomen te worden in het JKP, behalve wanneer het zou gaan om de aankoop van appartementen of huizen in mede-eigendom en waarvoor een verplichting tot het sluiten van een brandverzekering steeds zou gelden ongeacht of het onroerend goed contant of met behulp van een hypothecair krediet werd aangekocht." Ter wille van de rechtszekerheid zou de aldus omschreven uitzondering in de tekst van artikel 4, § 1, van het ontwerp, moeten worden geëxpliciteerd. Daarbij wordt dan het best ook vermeld dat de uitzondering enkel de verzekering voor de gemeenschappelijke delen betreft.
- Naar analogie van de Nederlandse tekst en van de inleidende zin en littera b), van artikel 4, § 2, 12°, van het ontwerp, schrijve men in de Franse tekst van artikel 4, § 2, 6°, "les contrats de crédit en fonds partagés (contrats shared equity)".
- Het bepaalde in artikel 4, § 3, van het ontwerp, doet de vraag rijzen hoe die bepaling zich verhoudt tot artikel VII.143 van het Wetboek van economisch recht. Het is weliswaar zo dat artikel 4, § 3, van het ontwerp de omzetting in het interne recht uitmaakt van artikel 17, lid 5, van de Richtlijn Hypothecair Krediet, maar dat dit niettemin de vaststelling onverlet laat dat er in de voornoemde wetsbepaling van wordt uitgegaan dat, bij vaste rentevoeten, deze rentevoeten bij de aanvang van de overeenkomst gekend zijn voor de volledige duur ervan.
- Onder voorbehoud van de opmerking onder nr.13 verdient het ter wille van de duidelijkheid aanbeveling om in artikel 4, § 3, van het ontwerp te schrijven "in het Europees gestandaardiseerd informatieblad (ESIS) is meegedeeld". Artikel 5
- In artikel 5 van het ontwerp wordt, wat de beoogde berekeningsmethode betreft, verwezen naar een aantal bepalingen van het Wetboek van economisch recht.Door het vermelden van de wetten die de betrokken bepalingen in het Wetboek van economisch recht hebben ingevoegd, worden eventuele toekomstige wijzigingen van die bepalingen voor de toepassing van artikel 5 van het ontwerp uitgesloten. Indien dit niet de bedoeling is, moet de vermelding van de invoeging door respectievelijk de wetten van 19 april 2014 en 22 april 2016, in artikel 5 van het ontwerp, worden geschrapt. Eenzelfde opmerking kan worden gemaakt bij de artikelen 7, 8, eerste lid, 12, § 4, 13, tweede lid, en 14, § 1, tweede lid, van het ontwerp. Artikel 7
- De beoogde referte-index is die welke wordt vermeld in artikel VII.143, § 3, 3°, van het Wetboek van economisch recht. De verwijzing naar artikel VII.143 van het wetboek kan in die zin worden gepreciseerd in artikel 7 van het ontwerp. Artikel 11
- In artikel 11, eerste lid, 2°, van het ontwerp, moeten de verwijzingen naar "artikel 7, eerste lid, 1° " en "artikel 7, eerste lid, 2° " telkens vervangen worden door een verwijzing naar respectievelijk "artikel 8, eerste lid, 1° " en "artikel 8, eerste lid, 2° ". Artikel 14
- Ook in artikel 14, § 2, derde lid, van het ontwerp, lijkt van een "nulstellingstermijn" en niet van een "maximale nulstellingstermijn" melding te moeten worden gemaakt.
- In artikel 14, § 3, van het ontwerp wordt omschreven wat voor de toepassing van artikel 14 moet worden verstaan onder "verschuldigd saldo".Logischerwijze en ter wille van de toegankelijkheid van de ontworpen regeling zou artikel 14 van het ontwerp moeten aanvangen met de betrokken omschrijving. Artikel 15
- Aan het einde van artikel 15, 2°, van het ontwerp volstaat het te schrijven "inzake hypothecaire kredieten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 april 1999, 3 maart 2011 en 19 maart 2012;". Artikel 16
- In artikel 16, tweede lid, van het ontwerp moet worden melding gemaakt van het correcte opschrift van de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 04/05/2016 numac 2016011178 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht sluiten `houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht'. De griffier, G. Verberckmoes. De voorzitter, M. Van Damme. _______ Nota's
- sl)of tussen de eerste kredietopneming en de datum van een nieuwe kredietopneming (
- tk)niet kan uitgedrukt worden in een geheel aantal jaren, maanden of weken, dan wordt dat tijdsinterval uitgedrukt in een geheel aantal dagen van alle betalingstermijnen of termijnen tussen twee kredietopnemingen die niet gelijk zijn aan een geheel aantal van jaren, maanden of weken, desgevallend, in combinatie met het geheel aantal van jaren, maanden of weken van de overige termijnen. Als het tijdsinterval kan uitgedrukt worden in een geheel aantal jaren, maanden of weken, dan wordt het niet uitgedrukt in een geheel aantal dagen. Er is geen andere combinatie met jaren of fracties van jaren toegestaan dan die van dagen met, ofwel jaren, ofwel maanden, ofwel weken. In het geval van dagen : 1° wordt elke dag geteld, ook weekend- en feestdagen;2° wordt er teruggeteld in gelijke perioden en vervolgens dagen tot de datum van de eerste kredietopneming;3° wordt de lengte van de periode in dagen verkregen door de eerste dag niet en de laatste dag wel mee te tellen, waarna de periode in jaren wordt uitgedrukt door het verkregen aantal te delen door het aantal dagen (365 of 366 dagen) van het gehele jaar, waarbij wordt teruggeteld van de laatste dag tot dezelfde dag van het voorgaande jaar. § 3. De uitkomst van de berekening wordt uitgedrukt in procent en ten minste tot op de eerste decimaal weergegeven. Als de volgende decimaal groter is dan of gelijk is aan 5, wordt de voorgaande decimaal met 1 vermeerderd. De vergelijking kan met slechts één sommatie worden herschreven aan de hand van het begrip flux (Ak). De flux is positief of negatief, d.w.z. wordt gedurende de perioden 1 tot en met n respectievelijk betaald of ontvangen, en wordt uitgedrukt in jaren, zijnde : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld waarbij S het saldo is van de geactualiseerde flux en nul bedraagt indien de flux gelijkwaardig is. De toepasselijke oplossingsmethodes voor de vergelijking geven, bij het invoeren van gelijke gegevens, een jaarlijks kostenpercentage dat gelijk is aan dat van de voorbeelden 1 tot 39 opgenomen in bijlage 1 van dit besluit. HOOFDSTUK 4. - Veronderstellingen Art. 4.§ 1. Bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de kredietovereenkomst voor de overeengekomen tijdsduur geldt en dat de kredietgever en de consument hun verbintenissen nakomen volgens de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald. Bij kredietovereenkomsten waarin bedingen zijn opgenomen op grond waarvan een wijziging kan plaatsvinden van de debetrentevoet en, in voorkomend geval, van de kosten die deel uitmaken van het jaarlijkse kostenpercentage, welke wijziging bij de berekening daarvan evenwel niet kan worden gekwantificeerd, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de veronderstelling dat de debetrentevoet en de kosten vast blijven ten opzichte van het oorspronkelijke niveau en tot de afloop van de kredietovereenkomst van toepassing blijft. Indien in geval van financieringshuur de residuele waarde niet werd bepaald op het ogenblik van het sluiten van de kredietovereenkomst, dan kunnen slechts parameters gehanteerd worden die aanduiden dat het gehuurde goed onderworpen is aan een lineaire afschrijving die de waarde ervan bij het verstrijken van de normale huurtijd zoals die werd bepaald in de kredietovereenkomst, gelijkmaakt aan nul. De verplichte brandverzekering dient opgenomen te worden in het jaarlijkse kostenpercentage, behalve wanneer het gaat om de verzekering van de gemeenschappelijke delen bij de aankoop van appartementen of huizen in mede-eigendom en waarvoor een verplichting tot het sluiten van een brandverzekering steeds zou gelden ongeacht of het onroerend goed contant of met behulp van een hypothecair krediet werd aangekocht. § 2. Wanneer bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage blijkt dat één of meerdere parameters, nodig voor het oplossen van de basisvergelijking bedoeld in artikel 3, niet kwantificeerbaar zijn op het ogenblik van het verspreiden van reclame, de overhandiging van de precontractuele informatie of het sluiten van de kredietovereenkomst, dan wordt er, ter vervanging van deze parameters, uitsluitend gebruik gemaakt van de volgende bijkomende veronderstellingen : 1° indien de consument op grond van de kredietovereenkomst vrij kan kiezen hoeveel krediet hij opneemt, wordt verondersteld dat het kredietbedrag onmiddellijk en volledig wordt opgenomen;2° indien een kredietovereenkomst de consument in het algemeen de vrijheid biedt om te kiezen hoeveel krediet hij opneemt, maar bij de verschillende wijzen van kredietopneming een beperking oplegt met betrekking tot het bedrag en de termijn, wordt verondersteld dat het kredietbedrag op de vroegste datum waarin de overeenkomst voorziet, overeenkomstig deze kredietopnemingsbeperkingen wordt opgenomen;3° indien een kredietovereenkomst verscheidene mogelijkheden van kredietopneming met verschillende kosten of debetrentevoeten biedt, wordt verondersteld dat het kredietbedrag tegen de hoogste kosten en debetrentevoet wordt opgenomen, toegepast op het meest gebruikelijke mechanisme voor kredietopneming waarvan in het raam van dat soort kredietovereenkomst wordt gebruikgemaakt. Voor wat de toepassing van de voorgaande bepaling betreft, wordt het meest gebruikelijke kredietopnemingsmechanisme voor een kredietovereenkomst bepaald op basis van het aantal verrichtingen voor dit soort van kredietovereenkomst in het voorgaande kalenderjaar of het te verwachten aantal verrichtingen in het geval van een nieuw kredietproduct bij de betrokken kredietgever. Wanneer de kredietgever niet in staat is om dit kredietopnemingsmechanisme te kennen of op grond van redelijke verwachtingen te bepalen dan wordt het mechanisme toegepast met de hoogste debetrentevoet en kosten; 4° in geval van een geoorloofde debetstand op een rekening of een overbruggingskrediet wordt verondersteld dat het kredietbedrag volledig en voor de volledige duur van de kredietovereenkomst wordt opgenomen.Indien de duur van de geoorloofde debetstand onbekend is, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de veronderstelling dat de duur van het krediet drie maanden bedraagt. Indien de duur van het overbruggingskrediet onbekend is wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de veronderstelling dat de duur twaalf maanden bedraagt; 5° in geval van een andere kredietovereenkomst voor onbepaalde duur dan de kredietovereenkomsten bedoeld onder 4° van deze paragraaf wordt geacht dat :
- a)voor de hypothecaire kredieten met een onroerende bestemming, het krediet vanaf de datum van de eerste kredietopneming voor een periode van 20 jaar wordt verstrekt en dat de laatste betaling door de consument het saldo van het kapitaal, de rente en eventuele overige kosten dekt;en voor alle overige kredietovereenkomsten dat het krediet vanaf de datum van de eerste kredietopneming voor een periode van één jaar wordt verstrekt en dat de laatste betaling door de consument het saldo van het kapitaal, de rente en de eventuele overige kosten dekt;
- b)het kapitaal vanaf één maand na de datum van de eerste kredietopneming door de consument in gelijke maandelijkse termijnbedragen wordt terugbetaald.In gevallen waarin het kapitaal binnen elke betalingstermijn uitsluitend volledig in één betaling moet worden terugbetaald, worden achtereenvolgende kredietopnemingen en terugbetalingen door de consument van het gehele kapitaal geacht over de periode van één jaar plaats te vinden. De rente en overige kosten worden overeenkomstig deze kredietopnemingen en terugbetalingen van kapitaal toegepast zoals in de kredietovereenkomst vastgelegd. In dit punt wordt onder een kredietovereenkomst voor onbepaalde duur een krediet zonder vaste looptijd verstaan, met inbegrip van een krediet dat binnen of na een bepaalde periode volledig moet worden terugbetaald, maar vervolgens, na terugbetaling, weer beschikbaar is om te worden opgenomen; 6° in geval van andere kredietovereenkomsten dan geoorloofde debetstanden, overbruggingskredieten, gedeelde vermogenskredietovereenkomsten (shared equity-overeenkomsten), voorwaardelijke verplichtingen of garanties en kredietovereenkomsten voor onbepaalde duur zoals bedoeld in de veronderstellingen onder 4°, 5°, 11° en 12° :
- a)indien de datum of het bedrag van een door de consument te verrichten terugbetaling van kapitaal niet kan worden vastgesteld, wordt de terugbetaling geacht te zijn verricht op de vroegste datum en met het laagste bedrag waarin de kredietovereenkomst voorziet;
- b)indien het interval tussen de datum van de eerste opneming en de datum van de eerste door de consument te betalen aflossing niet kan worden vastgesteld, wordt het geacht het kortste interval te zijn;7° wanneer de datum of het bedrag van een door de consument te verrichten betaling op basis van de kredietovereenkomst of op basis van de veronderstellingen onder 4°, 5°, 6°, 11° of 12° niet kan worden vastgesteld, wordt de betaling geacht te zijn verricht overeenkomstig de data en voorwaarden van de kredietgever en, indien deze onbekend zijn :
- a)wordt de rente samen met de terugbetalingen van kapitaal betaald;
- b)worden in één bedrag uitgedrukte niet-rentekosten betaald op de datum waarop de kredietovereenkomst wordt gesloten;
- c)worden in verschillende betalingen uitgedrukte niet-rentekosten in periodieke termijnen betaald, te beginnen op de datum van de eerste terugbetaling van kapitaal, en indien het bedrag van dergelijke betalingen onbekend is, worden deze geacht gelijke bedragen te zijn;
- d)dekt de laatste betaling het saldo van het kapitaal, de rente en de eventuele overige kosten; 8° indien voor de hypothecaire kredieten met een onroerende bestemming of de voorwaardelijke verplichting of garantie het kredietbedrag nog niet is overeengekomen, wordt het geacht 170.000 euro te bedragen. Voor alle overige kredietovereenkomsten waarbij het kredietbedrag nog niet is overeengekomen wordt het bedrag geacht 1.500 euro te zijn; 9° indien voor een beperkte termijn of een beperkt bedrag verschillende debetrentevoeten en kosten worden aangeboden, worden de hoogste debetrentevoet en de hoogste kosten geacht de debetrentevoet en de kosten voor de gehele duur van de kredietovereenkomst te zijn;10° met betrekking tot kredietovereenkomsten waarvoor een vaste debetrentevoet voor de eerste periode is overeengekomen en waarvoor aan het eind van deze periode een nieuwe debetrentevoet wordt vastgesteld die vervolgens periodiek wordt aangepast volgens een overeengekomen indicator of referte-index, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de hypothese dat vanaf het eind van de periode met vaste debetrentevoet de debetrentevoet dezelfde is als op het ogenblik van de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage, gebaseerd op de waarde van de overeengekomen indicator of referte-index op dat moment, doch, in het geval van hypothecair krediet, niet lager dan de vaste debetrentevoet;11° in het geval van voorwaardelijke verplichtingen of garanties wordt het kredietbedrag geacht volledig in één bedrag te worden opgenomen op de vroegste van de volgende data :
- a)de meest recente datum van kredietopneming die is geoorloofd krachtens de kredietovereenkomst welke de mogelijke bron van de voorwaardelijke verplichting of garantie is;of
- b)in het geval van een roll-over krediet, aan het eind van de eerste periode vóór de hernieuwing van de kredietovereenkomst.12° in het geval van gedeelde vermogenskredietovereenkomsten (zgn. "shared equity-overeenkomsten") :
- a)worden de aflossingen door de consumenten geacht op de laatste krachtens de kredietovereenkomst geoorloofde datum of data plaats te vinden;
- b)het percentage van de waardestijging van het onroerend goed dat de gedeelde vermogenskredietovereenkomst (shared equity-kredietovereenkomst) dekt, en elk percentage van de inflatie-index waarnaar in de overeenkomst wordt verwezen, worden verondersteld gelijk te zijn aan een percentage gelijk aan de hoogste van twee waarden, namelijk het huidige inflatiestreefcijfer van de centrale bank en het inflatiepeil in de lidstaat waar het onroerend goed op het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst is gelegen, dan wel aan 0 % indien deze percentages negatief zijn. § 3. Bij de hypothecaire kredietovereenkomsten waarvoor een vaste debetrentevoet voor een eerste periode van ten minste vijf jaar is overeengekomen en waarvoor aan het eind van deze periode wordt onderhandeld over de debetrentevoet teneinde een nieuwe vaste debetrentevoet overeen te komen voor een verdere materiële periode, dekt de berekening van het bijkomende, illustratieve jaarlijkse kostenpercentage dat in het Europees gestandaardiseerd informatieblad (ESIS) is meegedeeld uitsluitend de oorspronkelijke periode met vaste rentevoet en wordt de berekening gebaseerd op de veronderstelling dat aan het einde van de periode met vaste debetrentevoet het uitstaand kapitaal is afgelost. § 4. Wanneer de kredietopening verschillende debetrentevoeten voorziet in functie van de opgenomen bedragen of betalingstermijnen, mogen geen van deze debetrentevoeten hoger zijn dan het maximale jaarlijkse kostenpercentage vastgesteld in functie van het kredietbedrag. Evenzo, wanneer de financieringshuur verschillende tijdstippen voorziet waarop de koopoptie kan gelicht worden, wordt het jaarlijkse kostenpercentage berekend voor elk geval afzonderlijk. HOOFDSTUK 5. - Debet- en nalatigheidsinteresten Art. 5.De nalatigheidsinteresten inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet met een roerende bestemming worden berekend volgens dezelfde methode als hetgeen overeenkomstig artikel VII.78, § 2, 7°, van het Wetboek van economisch recht en artikel VII.134, § 2, 7° van het Wetboek van economisch recht contractueel is voorzien voor de berekening van de debetintresten. Art. 6.De debetrentevoet en de nalatigheidsintrestvoet worden uitgedrukt in procent en worden afgerond op twee decimalen. Indien de derde decimaal vijf of meer bedraagt, wordt de tweede decimaal naar boven afgerond. In de overige gevallen wordt geen rekening gehouden met de derde decimaal. HOOFDSTUK 6. - Referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten Art. 7.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder "de referte-index" : de waarde van de referte-index bedoeld in artikel VII.143, § 3, 3°, van het Wetboek van economisch recht. Art. 8.Voor de veranderlijkheid van de debetrentevoet van de kredietovereenkomsten, bedoeld in de artikelen VII.86 en VII.143 van het Wetboek van economisch recht, wordt voor een krediet in euro één van de volgende referte-indexen genomen die maandelijks worden berekend door het Rentenfonds overeenkomstig de volgende voorschriften : 1° index A van een kalendermaand is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde der referentierentevoeten, opgetekend gedurende de maand die eindigt op de 10de van die kalendermaand, van de lijn van de schatkistcertificaten waarvan de residuele looptijd het dichtst bij een jaar is.Deze referentierentevoeten worden dagelijks door het Rentenfonds bekendgemaakt overeenkomstig artikel 2, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 20 december 2007Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/12/2007 pub. 09/01/2008 numac 2007003375 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit betreffende de lineaire obligaties, de gesplitste effecten en de schatkistcertificaten sluiten betreffende de lineaire obligaties, de gesplitste effecten en de schatkistcertificaten; 2° de indexen B, C, D, E, F, G, H, I en J van een kalendermaand zijn ieder gelijk aan het rekenkundig gemiddelde der theoretische rendementsvoeten, opgetekend gedurende de maand die eindigt op de 10de van die kalendermaand, van de effecten van de Staatsschuld over respectievelijk 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 jaar die het Rentenfonds dagelijks bepaalt door wiskundige interpolatie.Het Rentenfonds voert die interpolaties uit op basis van de referentierentevoeten of -koersen die zij voor de schatkistcertificaten en lineaire obligaties bekendmaakt overeenkomstig artikel 2, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 20 december 2007Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/12/2007 pub. 09/01/2008 numac 2007003375 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit betreffende de lineaire obligaties, de gesplitste effecten en de schatkistcertificaten sluiten. Voor een gepaste toepassing van de interpolatiewerkwijze kan het Rentenfonds zich beperken tot de waarnemingen van sommige waarden. 3° Indien de rentevoet van het krediet op een andere periode slaat dan één jaar, wordt de in aanmerking te nemen referte-index bekomen door de bekendgemaakte jaarindex om te zetten in een index die slaat op die periode, met behulp van de formule van samengestelde interest. Dit artikel is niet van toepassing op de kredietovereenkomsten die werden gesloten vóór 1 september 1998. Art. 9.Voor de kredieten toegestaan in een andere munteenheid dan de euro dient de kredietgever contractueel een index vast te leggen die moet voldoen aan de volgende criteria : 1° zijn vaststelling mag niet afhangen van de kredietgever;2° zijn evolutie is door de consument gekend zonder tussenkomst van de kredietgever;3° hij moet representatief zijn voor de evolutie van de rentevoeten op de kapitaal- en geldmarkten van de betrokken munt. Art. 10.Door toedoen van het Rentenfonds wordt de lijst van de in artikel 7 bedoelde referte-indexen maandelijks in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, op de twintigste dag. Indien deze dag geen dag van publicatie is, wordt hij bekendgemaakt op de volgende dag van publicatie. De referte-indexen worden onder jaarlijkse, semestriële, trimestriële en maandelijkse vorm bekendgemaakt. HOOFDSTUK 7. - Maximale jaarlijkse kostenpercentages Art. 11.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder "de referentie-index" : 1° voor de kredietopening : het maandgemiddelde van de interbancaire rentevoet EURIBOR op drie maanden. 2° voor de andere kredietovereenkomsten : - voor de bedragen tot 1.250 euro : index A van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 1° ; - voor de bedragen meer dan 1.250 euro tot 5.000 euro : index B van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2° ; - voor de bedragen hoger dan 5.000 euro : index C van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2°. De referentie-index wordt afgerond op twee decimalen na de komma. Indien de derde decimaal vijf of meer bedraagt, wordt de tweede decimaal naar boven afgerond. In de overige gevallen wordt geen rekening gehouden met de derde decimaal. Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op de consumentenkredieten en de hypothecaire kredieten met een roerende bestemming. Art. 12.§ 1. De maximale jaarlijkse kostenpercentages worden vastgelegd in de basistabel opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit. § 2. Om de zes maanden, bij het verstrijken van de maand maart en van de maand september, worden de referentie-indexen van de afgelopen maand vergeleken met de referentie-indexen die het laatst aanleiding gaven tot een wijziging van de respectievelijke maximale jaarlijkse kostenpercentages. Voor de toepassing van dit besluit worden de referentie-indexen van de maand maart 2016 beschouwd als eerste referentie-indexen. Bij een eerste wijziging van een referentie-index met minstens 0,75 punten wordt het overeenstemmende maximale jaarlijkse kostenpercentage, opgenomen in de basistabel, gewijzigd in dezelfde zin en met hetzelfde aantal procentpunten, waardoor een referentievoet bekomen wordt. Het nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentage is gelijk aan deze referentievoet afgerond naar de meest nabije eenheid of halve eenheid. Bij iedere verdere wijziging van een referentie-index, met minstens 0,75 punt, wordt de laatst vastgestelde referentievoet gewijzigd in dezelfde zin en met hetzelfde aantal procentpunten. Het nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentage is dan gelijk aan deze gewijzigde referentievoet afgerond naar de meest nabije eenheid of halve eenheid. § 3. De nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentages, samen met de bijhorende nieuwe referentie-indexen en referentievoeten, worden onverwijld onder de vorm van een bericht bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentages worden van kracht op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand van de bekendmaking ervan. § 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt voor de kredietovereenkomsten bedoeld in artikel VII.3, § 2, 3°, van het Wetboek van economisch recht, waarvan de kosten gelijk of hoger zijn dan de in dat artikel bedoelde drempel, het jaarlijkse kostenpercentage berekend zonder rekening te houden met de veronderstellingen in artikel 4, § 2, 5°, van dit besluit. Het jaarlijkse kostenpercentage wordt voor de toepassing van dit artikel berekend op basis van de veronderstellingen in artikel 4, § 1, eerste lid en § 2, 1° van dit besluit. HOOFDSTUK 8. - Maximale terugbetalingstermijnen en nulstellingstermijnen. Art. 13.Voor alle consumentenkredieten en hypothecaire kredieten met een roerende bestemming, behalve de kredietopening, dient het terug te betalen bedrag volledig betaald te worden binnen de hierna volgende maximale terugbetalingstermijnen : Kredietbedrag Maximale terugbetalings- termijnen uitgedrukt in maanden Montant du crédit Délais maxima de remboursement exprimés en mois 200 tot 500 euro 18 200 à 500 euros 18 meer dan 500 euro tot 2.500 euro 24 plus de 500 euros à 2.500 euros 24 meer dan 2.500 euro tot 3.700 euro 30 plus de 2.500 euros à 3.700 euros 30 meer dan 3.700 euro tot 5.600 euro 36 plus de 3.700 euros à 5.600 euros 36 meer dan 5.600 euro tot 7.500 euro 42 plus de 5.600 euros à 7.500 euros 42 meer dan 7.500 euro tot 10.000 euro 48 plus de 7.500 euros à 10.000 euros 48 meer dan 10.000 euro tot 15.000 euro 60 plus de 10.000 euros à 15.000 euros 60 meer dan 15.000 tot 20.000 euro 84 plus de 15.000 euros à 20.000 euros 84 meer dan 20 000 euro tot 37.000 euro 120 plus de 20.000 euros à 37.000 euros 120 meer dan 37.000 euro 240 plus de 37.000 euros 240 De maximale terugbetalingstermijn neemt een aanvang binnen de twee maanden volgend op het sluiten van de kredietovereenkomst behalve wanneer, overeenkomstig artikel VII.3, § 3, 6°, van het Wetboek van economisch recht, een nieuwe kredietovereenkomst werd gesloten, in welk geval een nieuwe maximale terugbetalingstermijn te bepalen in functie van het nieuwe kredietbedrag een aanvang neemt te rekenen vanaf de datum van ingebrekestelling verstuurd voor de eerste kredietovereenkomst of wanneer overeenkomstig de artikelen VII.91 of VII.147/5 van het Wetboek van economisch recht, het gefinancierde goed of de gefinancierde dienstverlening in de kredietovereenkomst wordt vermeld of wanneer het kredietbedrag rechtstreeks door de kredietgever aan de verkoper of dienstverlener wordt gestort, in welk geval de maximale terugbetalingstermijn een aanvang neemt binnen de twee maanden volgend op de kennisgeving bedoeld in deze artikelen. Art. 14.§ 1. Voor de toepassing van dit artikel moet onder verschuldigd saldo worden verstaan, het nog niet terugbetaalde bedrag der aan de consument toegestane kredietopnemingen met inbegrip van de debetintresten. § 2. Voor alle kredietopeningen die in een periodieke terugbetaling van kapitaal voorzien, dienen minimaal de volgende termijnbedragen te worden betaald : - ofwel een maandelijks termijnbedrag gelijk aan 1/18de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro; - ofwel een maandelijks termijnbedrag gelijk aan 1/24ste van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro en gelijk of lager is dan 10.000 euro; - ofwel een maandelijks termijnbedrag gelijk aan 1/36ste van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 10.000 euro; - ofwel een trimestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/6de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro; - ofwel een trimestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/8ste van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro en gelijk of lager is dan 10.000 euro; - ofwel een trimestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/12de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 10.000 euro; - ofwel een semestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/3de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro; - ofwel een semestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/4de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro en gelijk of lager is dan 10.000 euro; - ofwel een semestrieel termijnbedrag gelijk aan 1/6de van het verschuldigd saldo indien het kredietbedrag hoger is dan 10.000 euro, zonder dat het termijnbedrag lager mag zijn dan ofwel 25 euro, ofwel het verschuldigd saldo indien dit lager zou zijn dan 25 euro. De maximale terugbetalingstermijn van de termijnbedragen, bedoeld in het voorgaande lid, neemt een aanvang binnen de twee maanden volgend op de kredietopneming, behalve wanneer, overeenkomstig de artikelen VII.91 of VII.147/5, van het Wetboek van economisch recht, het gefinancierde goed of de gefinancierde dienstverlening in de kredietovereenkomst wordt vermeld of wanneer het bedrag van de kredietopneming rechtstreeks door de kredietgever aan de verkoper of dienstverlener wordt gestort, in welk geval de maximale terugbetalingstermijn een aanvang neemt binnen de twee maanden volgend op de kennisgeving bedoeld in deze artikelen § 3. Voor alle kredietopeningen bedoeld in § 1, wordt er een nulstellingstermijn vastgesteld die niet langer mag zijn dan de terugbetalingstermijn die men bekomt bij volledige opneming van het kredietbedrag terugbetaald op basis van een maandelijks termijnbedrag gelijk aan : 1° ofwel 1/12de van het verschuldigd saldo, met een maximale termijn van 60 maanden, wanneer het kredietbedrag gelijk of lager is dan 5.000 euro; 2° ofwel 1/18de van het verschuldigd saldo, met een maximale termijn van 96 maanden, wanneer het kredietbedrag hoger is dan 5.000 euro, zonder dat het termijnbedrag lager mag zijn dan ofwel 25 euro, ofwel het verschuldigd saldo indien dit lager zou zijn dan 25 euro. Voor alle overige kredietopeningen wordt er een nulstellingstermijn vastgesteld die niet langer mag zijn dan : 1° twaalf maanden wanneer het kredietbedrag lager dan of gelijk is aan 3.000 euro; 2° zestig maanden wanneer het kredietbedrag hoger is dan 3.000 euro. De nulstellingstermijn neemt een aanvang binnen de twee maanden volgend op de eerste kredietopneming. De termijn neemt opnieuw een aanvang vanaf de eerste kredietopneming volgend op de laatste nulstelling. HOOFDSTUK 9. - Opheffingsbepalingen Art. 15.Worden opgeheven : 1° het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 11 december 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 11/12/2012 pub. 17/01/2013 numac 2013011007 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit tot vaststelling, met het oog op de toepassing van artikel 43 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, van de betrekkingen van de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen die eenzelfde trap van de hiërarchie vormen type koninklijk besluit prom. 11/12/2012 pub. 03/11/2016 numac 2016000653 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 11/12/2012 pub. 21/12/2012 numac 2012011486 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet sluiten;2° het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot vaststelling van de referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 april 1999, 3 maart 2011 en 19 maart 2012. HOOFDSTUK 1 0. - Overgangsbepalingen Art. 16.Dit besluit is van toepassing op alle lopende consumentenkredietovereenkomsten. Dit besluit is eveneens van toepassing op alle lopende hypothecaire kredieten voor wat de toepassing van de artikelen 7 tot 10 betreft en op alle lopende hypothecaire kredieten met roerende bestemming voor wat de toepassing van de artikelen 5, 6 en 11 tot 14 betreft. De bepalingen die de vermelding en de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage betreffen zijn van toepassing op de nieuwe hypothecaire kredietovereenkomsten, de hiermee verbonden ESIS en de kredietaanbiedingen binnen de perken van en de periodes bedoeld in artikel 41, § 1, van de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 04/05/2016 numac 2016011178 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht sluiten houdende wijziging en invoeging van bepalingen inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet in verschillende boeken van het Wetboek van economisch recht en uiterlijk vanaf 1 april 2017. HOOFDSTUK 1 1. - Inwerkingtreding. Art. 17.Dit besluit treedt inwerking op 1 april 2017. Art. 18.De minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 14 september 2016. FILIP Van Koningswege : De Minister van Economie en Consumenten, K. PEETERS De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 14 september 2016 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII van het Wetboek van economisch recht en de vaststelling van referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten Berekening van het jaarlijkse kostenpercentage Toepassingsvoorbeelden. Voor de toepassing van deze bijlage moet onder worden verstaan onder "dit besluit" : het koninklijk besluit van 14 september 2016 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van kredietovereenkomsten onderworpen aan boek VII van het Wetboek van economisch recht en de vaststelling van referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten en de hiermee gelijkgestelde consumentenkredieten. Voorbeeld 1 - Een voorbeeld ter verduidelijking van het begrip "fracties van jaren", een enkel termijnbedrag. Een kredietovereenkomst voor een kredietbedrag van 1.000 euro terug te betalen in 1 termijnbedrag van 1.200 euro na 1,5 jaar op dezelfde dag van de maand als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag. Het krediet wordt ter beschikking gesteld op 5 januari 2009 en moet worden terug betaald op 5 juli 2010. Het exacte aantal dagen tussen deze data is 546 dagen. Het verschil tussen deze data kan uitgedrukt worden in 18 gelijke maanden. Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 18 gelijke maanden van elk 30,41666 dagen of 78 weken. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voorbeeld 2 - Een voorbeeld ter verduidelijking van onmiddellijk te betalen kosten. Een kredietovereenkomst voor een kredietbedrag van 1.000 euro en onmiddellijk te betalen dossierkosten van 50 euro, terug te betalen in 1 termijnbedrag van 1.200 euro, na 18 maanden, op dezelfde dag van de maand als de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag. Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 18 gelijke maanden. Hetzij, een netto door de kredietgever te financieren bedrag in periode 0 van 1.000 - 50 = 950 euro. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voorbeeld 3 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een terugbetaling in twee termijnbedragen. Lening op afbetaling voor een bedrag van 1.000 euro terug te betalen in twee termijnbedragen van 600 euro, respectievelijk na 1 en 2 jaar telkens op dezelfde dag van het jaar als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag, bijvoorbeeld telkens op 5 januari. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voorbeeld 4 - Een voorbeeld ter verduidelijking van ongelijke betalingstermijnen. Lening op afbetaling voor een bedrag van 1.000 euro terug te betalen in drie termijnbedragen van respectievelijk 272 euro na 3 maanden, 272 euro na 6 maanden en 544 euro na 12 maanden, telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag. Hetzij, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in respectievelijk 3, 6 en 12 gelijke maanden. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voorbeeld 5 - Een voorbeeld ter verduidelijking van ongelijke termijnbedragen ingevolge vaste kapitaalaflossingen. Lening op afbetaling voor een bedrag van 1.200 euro terug te betalen in twaalf maandelijkse termijnbedragen, telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag. Elk termijnbedrag bestaat uit eenzelfde kapitaalgedeelte van 1/12de van het kredietbedrag, hetzij 100 euro. Het contract bepaalt, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 2, 7° en VII.134, § 1, derde lid van het WER, dat de debetrentevoet van 8 % op jaarbasis op nominale wijze wordt toegepast op het verschuldigd blijvend saldo en rekening houdt met het werkelijke aantal dagen van elke kalendermaand. De bedragen in de aflossingstabel die, overeenkomstig de artikelen VII.78, § 1, tweede lid, en VII.134, § 1, derde lid, van het WER, bij de kredietovereenkomst wordt overhandigd, houden rekening met het werkelijke aantal dagen van elke kalendermaand. Het contract wordt gesloten op 15 maart 2010 zodat elke vervaldag valt op de 15de dag van de volgende maand. Hetzij, een contractuele aflossingstabel met 12 maandelijkse termijnbedragen Dl waarbij : D1 = 108,15 of (1200/12) + ((0,08*31)/365 * 1200) D2 = 107,23 D3 = 106,79 D4 = 105,92 D5 = 105,44 D6 = 104,76 D7 = 103,95 D8 = 103,40 D9 = 102,63 D10 = 102,04 D11 = 101,36 D12 = 100,6 Elk verschil tussen data kan uitgedrukt worden in een gelijke maand van 30,41666 dagen. Hetzij, voor de berekening van het contractuele JKP, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in 1 of meerdere gelijke maanden van elk 30,41666 dagen. De 12 hypothetische maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij : D1 = 108,00 of (1200/12) + (0,08/12 * 1200); D2 = 107,33; D3 = 106,67; D4 = 106,00; D5 = 105,33; D6 = 104,67; D7 = 104,00; D8 = 103,33; D9 = 102,67; D10 = 102,00; D11 = 101,33; D12 = 100,67. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voorbeeld 6 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een procentuele schuldsaldoverzekering die in het JKP moet opgenomen worden. Eenzelfde lening op afbetaling als in voorbeeld 5 met dat verschil dat de consument verplicht is om een schuldsaldoverzekering te sluiten waarvan de prijs gelijk is aan 0,2 % per maand op het verschuldigd blijvend saldo, maandelijks te betalen bovenop het kapitaalgedeelte en de debetinteresten. Hetzij, 12 gelijke maanden van elk 30,41666 dagen. De 12 maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij : D1 = 110,40 of (1200/12) + (0,08/12 * 1200) + (0,002 * 1200) D2 = 109,53 D3 = 108,67 D4 = 107,80 D5 = 106,93 D6 = 106,07 D7 = 105,20 D8 = 104,33 D9 = 103,47 D10 = 102,60 D11 = 101,73 D12 = 100,87. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voorbeeld 7 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een onmiddellijk te betalen schuldsaldoverzekering die in het JKP moet opgenomen worden. Eenzelfde lening op afbetaling als in voorbeeld 5 met dat verschil dat de consument verplicht is om een schuldsaldoverzekering te sluiten van 50 euro die hij onmiddellijk moet betalen.
- a)De consument betaalt de verzekeringspremie contant. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
- b)De consument vraagt uitdrukkelijk om de premie te laten financieren aan de hand van de kredietovereenkomst zonder het gevraagde kredietbedrag te verhogen. Hetzij, de contractuele bepaling, bedoeld in de artikelen VII.78, § 2, 6° en VII.134, § 2, 6° van het WER, die stelt dat de betaling van de verzekeringspremie een voorwaarde voor kredietopneming is, waarbij de premie van het kredietbedrag wordt afgehouden. Hetzij, een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 1.200 - 50 = 1.150 euro. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Hetzij, eenzelfde JKP als onder
- a)van 17,44 % = 17,4 %.
- c)De consument vraagt uitdrukkelijk om de premie te laten financieren aan de hand van de kredietovereenkomst door het initieel gevraagde kredietbedrag te verhogen. Hetzij, een verhoging van het initieel gevraagde kredietbedrag van 1.200 euro met 50 euro = 1.250 euro. Hetzij, de contractuele bepaling, bedoeld in de artikelen VII.78, § 2, 6° en VII.134, § 2, 6° van het WER, die stelt dat de betaling van de verzekeringspremie een voorwaarde voor kredietopneming is, of, m.a.w., van het kredietbedrag wordt afgehouden. Hetzij, een netto door de consument ontvangen bedrag in periode 0 van 1.250 - 50 = 1.200 euro. De 12 maandelijkse termijnbedragen Dl kunnen verkregen worden op basis van een aflossingsschema waarbij : D1 = 112,5 of (1250/12) + (0,08/12 * 1250); D2 = 111,81; D3 = 111,11; D4 = 110,42; D5 = 109,72; D6 = 109,03; D7 = 108,33; D8 = 107,64; D9 = 106,94; D10 = 106,25; D11 = 105,56; D12 = 104,86. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voorbeeld 8 - Een voorbeeld ter verduidelijking van de financiering van een goed met voorschot (alhoewel de betaling van dit voorschot wettelijk niet meer verplicht is). Verkoop op afbetaling van een goed met een waarde van 2.500 euro, de overeenkomst voorziet een voorschot van 500 euro, te betalen op de dag van de levering en verder 24 maandelijkse termijnbedragen van 90 euro, te betalen telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de levering, bijvoorbeeld telkens op de vijfde dag van elke maand. Hetzij, 1 maand = 1/12. Hetzij, een kredietbedrag van 2.500 - 500 = 2.000 euro. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voorbeeld 9 - Een voorbeeld ter verduidelijking van de financiering van een goed zonder voorschot, waarbij aan de contante betaler een korting wordt gegeven op de aankoopprijs van het goed. Verkoop op afbetaling van een goed met een waarde van 2.000 euro, de overeenkomst voorziet geen voorschot, 24 maandelijkse termijnbedragen van 90 euro, te betalen telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de levering, bijvoorbeeld telkens op de vijfde dag van elke maand. Bij contante betaling wordt er een korting gegeven van 80 euro op de aankoopprijs van het goed. M.a.w., de consument die op krediet koopt betaalt 80 euro meer voor het goed dan de contante betaler. Deze 80 euro is bijgevolg een kost van het krediet en moet, overeenkomstig artikel I.9, 41° van het WER, in de totale kosten van het krediet opgenomen worden. Hetzij, 1 maand = 1/12. Hetzij, een netto door de kredietgever te financieren bedrag in periode 0 van 2.000 - 80 = 1.920 euro. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voorbeeld 10 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een financieringshuur. Financieringshuur van een goed met een waarde van 15.000 euro, de overeenkomst voorziet 48 termijnbedragen van 350 euro, het eerste termijnbedrag wordt betaald op het moment van de terbeschikkingstelling van het goed, de overige 47 termijnbedragen van 350 euro zijn maandelijks te betalen telkens op dezelfde dag van de maand als de dag van de levering, bijvoorbeeld telkens op de vijfde dag van elke maand, na 48 maanden kan de koopoptie gelicht worden tegen de betaling van een residuele waarde van 1.250 euro. Hetzij, 1 maand = 1/12. Vermits het eerste termijnbedrag betaalbaar is op het moment van de terbeschikkingstelling van het goed in periode 0, blijft er om te financieren een bedrag over van 15.000 - 350 = 14.650 euro. De vergelijking is de volgende : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voorbeeld 11 - Een voorbeeld ter verduidelijking van een eerste betalingstermijn die korter of langer is dan de overige betalingstermijnen van een maand. Verkoop op afbetaling van een goed met een waarde van 2.500 euro; de overeenkomst voorziet een voorschot van 500 euro en 24 maandelijkse termijnbedragen van 95 euro die steeds op de eerste kalenderdag van de maand vallen. De maandelijkse termijnbedragen wijzigen niet in functie van het werkelijke aantal dagen. Op het moment van het sluiten van het contract is de leveringsdatum gekend : 12 januari 2009. Hetzij, een eerste vervaldag op 1 februari 2009 of een eerste betalingstermijn van 20 dagen. De overige vervaldagen vallen telkens op de eerste van elke volgende maand; een laatste vervaldag op 1 januari 2011, dit is 354 + 365 = 719 dagen na de levering van het goed op 12 januari 2009. Het verschil tussen de data van alle betalingstermijnen behalve de eerste kan telkens uitgedrukt worden in een gelijke maand van 30,41666 dagen. Hetzij, een kredietbedrag van 2.500 - 500 = 2.000 euro. Hetzij, voor de eerste betalingstermijn en het eerste termijnbedrag, overeenkomstig artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt van 20 kalenderdagen. Die periode van 20 kalenderdagen maakt deel uit van een jaar gelegen tussen 1 februari 2009 en 1 februari 2008 en betreft dus een schrikkeljaar van 366 dagen, gelet op artikel 3, § 2, vierde lid, 3°, in fine, van dit besluit dat bepaalt dat er voor het jaar van de periode wordt teruggeteld van de laatste dag van de periode tot dezelfde dag van het voorgaande jaar. Hetzij, overeenkomstig de veronderstelling in artikel 3, § 2, derde lid, van dit besluit, voor elk van de overige 23 termijnbedragen een verschil tussen de data die bij de berekening worden gebruikt, uitgedrukt in een combinatie van 20 dagen en het van toepassing zijnde aantal gelijke maanden van elk 30,41666 dagen. H