Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de voorschriften voor subsidies voor de uitvoering van maatregelen met een gunstig effect op het

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering stelt de regels vast voor het toekennen van subsidies voor maatregelen die een positief effect hebben op het milieu, het klimaat en de biodiversiteit. Het is gericht op de uitvoering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) voor de periode 2023-2027.

Wat het reguleert

  • De voorschriften voor subsidies voor maatregelen met een gunstig effect op milieu, klimaat en biodiversiteit.
  • De gedeeltelijke uitvoering van Europese verordeningen betreffende steun voor strategische GLB-plannen en de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
  • De definities van termen zoals "agromilieuklimaatmaatregelen" en "areaalgebonden maatregelen" in het kader van deze subsidies.
  • De aansluiting bij eerdere besluiten van de Vlaamse Regering over hectaresteun voor biologische productie en agromilieu- en klimaatmaatregelen.

Wie het aanbelangt

  • Bedrijven die bestaan uit een of meer exploitaties, zoals gedefinieerd in verordening (EU) 2021/2115.
  • De Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw, als initiatiefnemer van dit besluit.

Kernpunten

  • Het besluit is gebaseerd op het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid.
  • De Europese Commissie heeft het Vlaams Strategisch Plan voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023 - 2027 goedgekeurd op 5 december 2022.
  • Het besluit voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van verordening (EU) 2021/2115 en verordening (EU) 2021/2116.
  • Agromilieuklimaatmaatregelen omvatten de maatregelen vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 4°, 7°, 9°, 10° en 18°.
Wettekst
Wettekst
Obsah (12)Art. 15Art. 21Art. 26Art. 29Art. 31Art. 34Art. 41Art. 47Art. 57Art. 60Art. 66Art. 75

21 APRIL 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de voorschriften voor subsidies voor de uitvoering van maatregelen met een gunstig effect op het milieu, het klimaat en de biodive

sen die worden gesloten voor de agromilieuklimaatmaatregelen, vormen de agromilieuklimaatverbintenissen, vermeld in artikel 70 van verordening (EU) 2021/2115. TITEL 2. - Maatregelen HOOFDSTUK 1. - Algemeen Afdeling 1. - De verschillende maatregelen Art. 3.Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de bevoegde entiteit een subsidie toekennen aan landbouwers die zich ertoe verbinden een of meer van de volgende maatregelen toe te passen: 1° de omschakeling naar de biologische productiemethode;2° de toepassing van de biologische productiemethode;3° het ecologische beheer van grasland 4° de omzetting van tijdelijk grasland in blijvend grasland;5° het behoud van meerjarig grasland;6° de inzaai van eenjarige milieu-, biodiversiteitsvriendelijke of klimaatbestendige teelten:

  1. a)eenjarige eiwitteelten;
  2. b)eenjarige teelten met een positieve impact op het milieu, het klimaat of de biodiversiteit;
  3. c)eenjarige faunavriendelijke teelten: 1) zomergraan;2) faunamengsel;3) verlengde voorjaarsbraak;
  4. d)eenjarige faunavriendelijke nateelten;7° de inzaai van meerjarige milieu-, biodiversiteitsvriendelijke of klimaatbestendige teelten:
  5. a)meerjarige eiwitteelten: 1) vlinderbloemigen;2) graskruiden;3) luzerne met uitgestelde maaidatum;
  6. b)meerjarige teelten met een positieve impact op het milieu, het klimaat of de biodiversiteit;8° de verstrekking van veevoeder met een methaanreducerend effect aan rundvee door toevoeging van een additief of voedermiddel:
  7. a)voor melkvee: 1) toevoeging van nitraat;2) toevoeging van 3-nitro-oxypropanol (3-NOP);3) toevoeging van koolzaadschroot in combinatie met bierdraf;4) toevoeging van geëxtrudeerd of geëxpandeerd lijnzaad;5) toevoeging van koolzaadvet;
  8. b)voor vleesvee: 1) toevoeging van nitraat;9° de aanleg en het onderhoud van een meerjarige bloemenstrook in de fruitteelt:
  9. a)de aanleg en het onderhoud van een meerjarige bloemenstrook tussen de fruitbomenrijen;
  10. b)de aanleg en het onderhoud van een meerjarige bloemenstrook aan de rand van de fruitboomgaard;10° het behoud van lokale veerassen:
  11. a)lokale rundveerassen;
  12. b)lokale schapen- en geitenrassen;
  13. c)lokale varkensrassen;11° het verhogen van het organischekoolstofgehalte van bouwland:
  14. a)het verhogen van het organischekoolstofgehalte via het teeltplan;
  15. b)de toevoeging van producten met een hoog koolstofgehalte: 1) het gebruik van compost;2) het gebruik van stalmest;3) het gebruik van houtsnippers;
  16. c)het bereiken van de streefzone voor het organischekoolstofgehalte en de zuurtegraad van de bodem;12° de aanleg van een bufferstrook:
  17. a)grasbufferstrook in het kader van erosiebestrijding;
  18. b)grasbufferstrook langs kwetsbare landschapselementen;
  19. c)grasbufferstrook langs waterlopen;
  20. d)bufferstrook met graskruidenmengsel;
  21. e)bufferstrook met bloemenmengsel;13° de toepassing van mechanische onkruidbestrijding;14° de toepassing van erosiebestrijdende teelttechnieken:
  22. a)de aanleg van drempels tussen de ruggen bij ruggenteelten;
  23. b)de toepassing van niet-kerende bodembewerking met bodembedekking;
  24. c)het vollevelds inzaaien van maïs;15° de toepassing van vruchtafwisseling met vlinderbloemigen;16° de toepassing van precisielandbouw:
  25. a)precisielandbouw via automatische (RTK-)gps-aansturing;
  26. b)precisielandbouw door opmaak van een taakkaart en plaatsspecifieke bekalking;17° het actieve gebruik van het bodempaspoort;18° de reductie van antibioticagebruik. Een verbintenis voor de maatregelen, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van de maatregel, vermeld in het eerste lid, 10°, kan alleen worden aangegaan door een actieve landbouwer als vermeld in artikel 4 van het besluit van 21 april 2023. Een verbintenis voor de maatregelen, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van de maatregelen, vermeld in het eerste lid, 8°, 10°, en 18°, kan alleen worden aangegaan voor een of meer percelen, die behoren tot de subsidiabele hectaren. Op al de maatregelen, vermeld in het eerste lid, zijn de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 van het besluit van 21 april 2023, van toepassing. Afdeling 2. - De ecoregelingen Art. 4.Het subsidiebedrag voor een verbintenis voor een ecoregeling is afhankelijk van de beschikbare middelen. Art. 5.De indicatieve financiële allocatie voor de ecoregelingen voor elk kalenderjaar van 2023 tot en met 2027 bedraagt 25% van de jaarlijkse toewijzing voor rechtstreekse betalingen na overheveling als vermeld in artikel 14 van het besluit van 21 april 2023. Art. 6.§ 1. Het subsidiebedrag voor een verbintenis voor elk van de ecoregelingen is opgenomen in dit besluit bij de maatregel in kwestie. Als het totale aangevraagde budget voor alle ecoregelingen samen op basis van de subsidiebedragen, vermeld in dit besluit, voor het kalenderjaar in kwestie overeenkomt met de indicatieve financiële allocatie, vermeld in artikel 5, heeft de landbouwer recht op het subsidiebedrag vermeld in dit besluit. § 2. Als het totale aangevraagde budget voor alle ecoregelingen samen, op basis van de subsidiebedragen, vermeld in dit besluit, de indicatieve financiële allocatie, vermeld in artikel 5, voor het kalenderjaar in kwestie onderschrijdt, kan de bevoegde entiteit de volgende maatregelen nemen: 1° de subsidiebedragen voor de ecoregelingen kunnen verhoogd worden tot maximumsubsidiebedragen;2° als er nog steeds een onderschrijding is na toepassing van punt 1°, kan, op basis van de herverdelingsflexibiliteit als vermeld in artikel 102, lid 2, van verordening (EU) 2021/2115, in de kalenderjaren 2023 en 2024, een maximaal bedrag ten belope van 2,5% van de toewijzing voor rechtstreekse betalingen na overheveling als vermeld in artikel 14 van het besluit van 21 april 2023 voor de jaren 2023 en 2024, gereserveerd worden voor de interventies basisinkomenssteun, aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwer en aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid, vermeld in hoofdstuk 2 van het besluit van 21 april 2023;3° als er nog steeds een onderschrijding is na toepassing van punt 1° en, voor de kalenderjaren 2023 en 2024, na toepassing van punt 2°, zal het teveel aan middelen voor de ecoregelingen dat zich voordoet in de kalenderjaren 2023 tot en met 2026, aangewend worden om de indicatieve financiële allocatie voor de ecoregelingen voor de resterende jaren van de door het strategisch GLB-plan bestreken periode, te verhogen met dat resterende budget. De minister bepaalt, op basis van de herverdelingsflexibiliteit, vermeld in artikel 102, lid 2, van verordening (EU) 2021/2115, het maximumsubsidiebedrag tot waar het subsidiebedrag verhoogd kan worden, vermeld in het eerste lid, 1°. § 3. Als het totale aangevraagde budget voor alle ecoregelingen samen, op basis van de subsidiebedragen, vermeld in dit besluit, voor het kalenderjaar in kwestie de indicatieve financiële allocatie, vermeld in artikel 5, van dat kalenderjaar overschrijdt, kan de bevoegde entiteit voor het kalenderjaar in kwestie de volgende maatregelen nemen om de verlaging van het subsidiebedrag, vermeld in het eerste lid, te beperken: 1° als het aangevraagde budget van de interventie aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwer en de interventie gekoppelde steun, vermeld in hoofdstuk 2 en 3 van het besluit van 21 april 2023, lager is dan de indicatieve financiële allocatie van die interventies, vermeld in artikel 42 en 48 van hetzelfde besluit, kan het teveel aan die middelen gebruikt worden voor de ecoregelingen, zonder dat de maximumbedragen, vermeld in paragraaf 2, 1°, overschreden kunnen worden;2° als er nog steeds een overschrijding is voor de ecoregelingen in dat kalenderjaar na toepassing van punt 1°, kan het eenheidsbedrag voor de interventie de basisinkomenssteun, vermeld in artikel 16 van het besluit van 21 april 2023, verlaagd worden op basis van de herverdelingsflexibiliteit, vermeld in artikel 102, paragraaf 2, van verordening (EU) 2021/2115, en zal het teveel aan middelen van deze interventie gebruikt voor de ecoregelingen, zonder dat de maximumbedragen, vermeld in paragraaf 2, 1°, overschreden kunnen worden.Het eenheidsbedrag voor de interventie de basisinkomenssteun, kan slechts verlaagd worden tot het minimumsubsidiebedrag, vermeld in artikel 16 van het besluit van 21 april 2023. Het uitbetaalde subsidiebedrag voor een ecoregeling kan, ondanks de toepassing van de maatregelen, vermeld in het eerste lid, alsnog lager zijn dan het subsidiebedrag, vermeld in dit besluit, om een overmaat aan financiële toewijzingen te voorkomen binnen de maatregel zelf zoals vermeld in artikel 102, lid 2, vierde lid van verordening (EU) 2021/2115. HOOFDSTUK 2. - Combineerbaarheid Art. 7.Verbintenissen voor areaalgebonden maatregelen zijn onderling op hetzelfde perceel combineerbaar, op voorwaarde dat die combineerbaarheid uitdrukkelijk is toegelaten. De Vlaamse Regering beslist welke combinaties mogelijk zijn. De diergebonden maatregelen zijn onderling combineerbaar. Art. 8.Onverminderd de toegelaten combinaties, vermeld in artikel 7, komen de volgende percelen niet in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 3: 1° percelen waarvoor al een subsidie wordt verleend in hetzelfde jaar, als voor die subsidie een of meer vergelijkbare voorwaarden gelden;2° percelen waarop wettelijke of contractuele verplichtingen van toepassing zijn die de uitvoering van een of meer vergelijkbare voorwaarden vereisen die minstens zo ver gaan als de voorwaarden, vermeld in dit besluit. HOOFDSTUK 3. - De verzamelaanvraag en de aanvraagprocedure Art. 9.De landbouwer moet al zijn percelen die hij in dat jaar in eigen gebruik heeft, aangeven in de verzamelaanvraag. Art. 10.Om een subsidie voor een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, te krijgen, dient een landbouwer ten laatste op de uiterste wijzigingsdatum een verbintenisaanvraag in aan de hand van de verzamelaanvraag, met uitzondering van

aanvraag voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6°, c), 3), die ten laatste op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag wordt ingediend. De verzamelaanvraag moet tijdig zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van het ministerieel besluit van 23 juni 2015Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 23/06/2015 pub. 24/07/2015 numac 2015035918 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit houdende vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid sluiten.

begint op 1 januari van het jaar waarin

aanvraag wordt ingediend. In afwijking van het tweede lid, start

voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, voor het jaar 2023 op 31 mei 2023.

eindigt op 31 december 2023. De term verbintenisjaar, vermeld in artikel 49 en 114, dient in dit geval gelezen te worden als

termijn. In afwijking van het derde lid, start

voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, voor het jaar 2023 op 1 januari 2023, als de landbouwer aan de hand van een factuur van het toegepaste veevoeder, met vermelding van de leveringsdatum, kan aantonen dat hij op 1 januari 2023 al met deze maatregel is gestart. Art. 11.De landbouwer wijst in de verzamelaanvraag het perceel aan waarop

, vermeld in artikel 3, betrekking heeft. Alleen het perceel of de percelen die aangegeven zijn in de verzamelaanvraag voor de maatregel in kwestie, vermeld in artikel 3, eerste lid, komen in aanmerking voor subsidie. In afwijking van het eerste lid geeft de landbouwer voor de maatregelen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, 8°, 10°, 11° a), 16° a), 17° en 18°, in de verzamelaanvraag aan een verbintenis te sluiten op het niveau van het bedrijf. Art. 12.De landbouwer die een verbintenis sluit voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6°, c), 9°, 12°, b) tot en met e), 13°, en 16°, a), stelt de relevante informatie over zijn gewasbeschermingsmiddelengebruik ter beschikking voor het perceel in kwestie. De minister kan bepalen welke informatie over het gewasbeschermingsmiddelengebruik, vermeld in het eerste lid, meegedeeld moet worden en op welke manier dat moet gebeuren. Art. 13.

aanvraag, vermeld in artikel 10, geldt als steun- en betalingsaanvraag voor de ecoregelingen. Art. 14.De landbouwer dient voor de agromilieuklimaatverbintenissen jaarlijks een betalingsaanvraag in via de verzamelaanvraag.

aanvraag, vermeld in artikel 10, geldt als steun- en als betalingsaanvraag voor het eerste jaar voor die verbintenissen. TITEL

  1. - Subsidies HOOFDSTUK
  2. - De omschakeling naar de biologische productiemethode Afdeling
  3. -

Art. 15

.Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van twee of drie opeenvolgende jaren, afhankelijk van de wettelijke omschakeltermijn.

, vermeld in het eerste lid, wordt gesloten per perceel. Afdeling

  1. - De voorwaarden Art. 16.§
  2. De landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, afhankelijk van de kredieten op de begroting van het Vlaamse Gewest die daarvoor goedgekeurd zijn, jaarlijks de volgende subsidies verkrijgen, die afhankelijk zijn van het gewas en de teeltgroep waartoe het gewas behoort: 1° grasland en meerjarige voederteelten: maximaal 390 euro per hectare;2° akkerbouwteelten: maximaal 900 euro per hectare; 3° fruit, groenten, sierteelt en kruiden: maximaal 1.700 euro per hectare; §
  3. De minister bepaalt welke gewassen behoren tot de teeltgroepen, vermeld in paragraaf 1, en in aanmerking komen voor de subsidie, en kan bepalen welke gewassen niet in aanmerking komen. Art. 17.Om een verbintenis te kunnen sluiten als vermeld in artikel 15, moet voldaan zijn aan al de volgende voorwaarden: 1° de landbouwer is aangesloten bij een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten;2° de landbouwer heeft zijn activiteit voorafgaand en uiterlijk op 30 april van het jaar waarin

wordt gesloten, gemeld bij de bevoegde entiteit overeenkomstig artikel 13 van het besluit van 29 oktober 2021;3° het perceel mag tijdens de laatste vijf jaar voor de start van

geen deel uitgemaakt hebben van een biologische productie-eenheid;4° het perceel in kwestie is in het kader van de biologische productiemethode aangemeld bij en staat onder controle van een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten, en is niet gedeclasseerd als gevolg van een inbreuk tijdens de hoofdteelt;5° het perceel in kwestie bevindt zich op 30 april van het eerste jaar van

periode in de periode van omschakeling, vermeld in artikel 2, 16°, van het besluit van 29 oktober 2021. Als

wordt afgesloten binnen een jaar nadat het perceel onder controle is komen te staan, geldt

voor de volledige omschakelingsperiode. Als

later wordt gesloten, geldt

voor de periode vanaf het sluiten van

tot en met het einde van de omschakelingsperiode. Art. 18.Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° het perceel is in het kader van de biologische productiemethode aangemeld bij en staat onder controle van een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten, en is niet gedeclasseerd als gevolg van een inbreuk tijdens de hoofdteelt;2° als de landbouwer de subsidie voor meerjarige fruitteelt voor hoogstammige fruitbomen of notenbomen aanvraagt, moet de fruitopbrengst van de hoogstammige fruitbomen en notenbomen, die meer dan vijf jaar voordien werden aangeplant, gecommercialiseerd worden. Bijkomend moeten de fruitbomen homogeen verspreid staan op het perceel en een dichtheid hebben van minstens vijftien bomen per hectare; 3° als de landbouwer de subsidie voor meerjarige fruitteelt voor laagstammige fruitbomen en heesters aanvraagt, moeten de fruitbomen een dichtheid hebben van minstens driehonderd bomen per hectare;4° de landbouwer heeft het perceel in eigen gebruik gedurende de volledige teeltperiode van de hoofdteelt;5° de landbouwer geeft het perceel jaarlijks aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. Art. 19.Als het bedrijf of een product van de landbouwer geschorst is overeenkomstig artikel 56, 8° en 9°, van het besluit van 29 oktober 2021, wordt geen subsidie toegekend volgens de volgende regeling: 1° als de duur van de schorsing korter is dan of gelijk is aan een kalenderjaar, wordt alleen geen subsidie toegekend voor het jaar waarin de schorsing begint;2° als de duur van de schorsing langer is dan een kalenderjaar, wordt geen subsidie toegekend voor alle jaren waarin de schorsing loopt. Art. 20.De landbouwer die in aanmerking komt voor de subsidie, vermeld in artikel 3, eerste lid,1°, kan jaarlijks een bijkomende subsidie verkrijgen als het perceel in kwestie begraasd wordt. De subsidie bedraagt maximaal 100 euro per hectare. Om in aanmerking te komen voor de subsidie, vermeld in het eerste lid, moet voldaan zijn aan de volgende twee voorwaarden: 1° de veebezetting, die berekend wordt over de totale oppervlakte van de percelen waarvoor een subsidie voor bijkomende begrazing wordt aangevraagd overeenkomstig het eerste lid en artikel 28, eerste lid, mag op elk moment niet hoger zijn dan maximaal twee grootvee-eenheden per hectare.De grootvee-eenheden worden berekend als vermeld in punt 12 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2290 van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van regels voor de berekeningsmethoden voor de gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013; 2° de landbouwer moet gedurende het volledige kalenderjaar in kwestie beschikken over een actief veebeslag voor herkauwers in Sanitel. De minister kan bijkomende voorwaarden bepalen voor de begrazing, vermeld in het eerste lid. HOOFDSTUK 2. - De toepassing van de biologische productiemethode Afdeling 1. -

Art. 21

.Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar.

, vermeld in het eerste lid, wordt gesloten voor alle percelen van de landbouwer die in het kader van de biologische productiemethode aangemeld zijn bij en onder controle staan van een erkend controleorgaan en die in het Vlaamse Gewest liggen, en alle percelen van de landbouwer die in het kader van de biologische productiemethode aangemeld zijn bij en onder controle staan van een erkend controleorgaan en die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest liggen, met uitzondering van de percelen waarop een verbintenis tot voortzetting van de biologische productiemethode als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van het besluit van 4 juli 2014, van toepassing is. Afdeling 2. - De voorwaarden Art. 22.De landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, een subsidie verkrijgen voor de toepassing van de biologische productiemethode. De subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt op de volgende wijze berekend: 1° een bedrag van maximaal 200 euro per hectare voor de eerste 5 hectare;2° een bedrag van maximaal 100 euro per hectare voor de volgende 70 hectare;3° een bedrag van maximaal 50 euro per hectare voor de volgende hectaren. Art. 23.Om een verbintenis te kunnen sluiten als vermeld in artikel 21, moet voldaan zijn aan al de volgende voorwaarden: 1° de landbouwer is aangesloten bij een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten;2° de landbouwer heeft zijn activiteit voorafgaand en uiterlijk op 30 april van het jaar waarin

wordt gesloten, gemeld bij de bevoegde entiteit overeenkomstig artikel 13 van het besluit van 29 oktober 2021;3° de percelen in kwestie zijn in het kader van de biologische productiemethode aangemeld bij en staan onder controle van een controleorgaan biologische productie en etikettering biologische producten, en zijn niet gedeclasseerd als gevolg van een inbreuk tijdens de hoofdteelt;4° de percelen in kwestie bevinden zich op 30 april van het jaar waarin

wordt gesloten niet in de periode van omschakeling, vermeld in artikel 2, 16°, van het besluit van 29 oktober 2021.

kan niet worden gesloten voor de percelen waarop een verbintenis tot voortzetting van de biologische productiemethode als vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van het besluit van 4 juli 2014, van toepassing is. Art. 24.Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 3, eerste lid, 2°, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de percelen in kwestie zijn in het kader van de biologische productiemethode aangemeld bij en staan onder controle van een erkend controleorgaan, en zijn niet gedeclasseerd als gevolg van een inbreuk tijdens de hoofdteelt;2° als de landbouwer de subsidie voor meerjarige fruitteelt voor hoogstammige fruitbomen of notenbomen aanvraagt, moet de fruitopbrengst van de hoogstammige fruitbomen en notenbomen die meer dan vijf jaar voordien werden aangeplant, gecommercialiseerd worden. Bijkomend moeten de fruitbomen homogeen verspreid staan op het perceel en een dichtheid hebben van minstens vijftien bomen per hectare; 3° als de landbouwer de subsidie voor meerjarige fruitteelt voor laagstammige fruitbomen en heesters aanvraagt, moeten de fruitbomen een dichtheid hebben van minstens driehonderd bomen per hectare;4° de landbouwer heeft minstens een betalingsrecht geactiveerd overeenkomstig artikel 20 van het besluit van 21 april 2023;5° de landbouwer heeft de percelen in kwestie in eigen gebruik gedurende de volledige teeltperiode van de hoofdteelt;6° de landbouwer geeft het perceel aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. Art. 25.Als het bedrijf of een product van de landbouwer geschorst is overeenkomstig artikel 56, 8° en 9°, van het besluit van 29 oktober 2021, wordt geen subsidie toegekend volgens de volgende regeling: 1° als de duur van de schorsing korter is dan of gelijk is aan een kalenderjaar, wordt alleen geen subsidie toegekend voor het jaar waarin de schorsing begint;2° als de duur van de schorsing langer dan een kalenderjaar is, wordt geen subsidie toegekend voor alle jaren waarin de schorsing loopt. HOOFDSTUK 3. - Het ecologische beheer van grasland Afdeling 1. -

Art. 26

.Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 3°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar.

, vermeld in het eerste lid, wordt afgesloten per perceel. Afdeling

  1. - De voorwaarden Art. 27.§
  2. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 3°, een subsidie verkrijgen voor het ecologische beheer van een perceel grasland. De subsidie bedraagt 300 euro per hectare. §
  3. Om een verbintenis te kunnen sluiten voor de maatregel, vermeld in paragraaf 1, moet het perceel in kwestie een perceel grasland zijn. §
  4. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de teelt wordt aangehouden zonder ploegen op het volledige perceel en gedurende de volledige verbintenistermijn;2° op het perceel in kwestie worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt gedurende de volledige verbintenistermijn, met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van akkerdistel;3° op het perceel in kwestie worden geen kunstmeststoffen gebruikt gedurende de volledige verbintenistermijn;4° het is geen perceel waarop een derogatie wordt aangevraagd als vermeld in hoofdstuk 5 van de VLAREME van 28 oktober 2016;5° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;6° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de volledige verbintenistermijn;7° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. Art. 28.De landbouwer die in aanmerking komt voor de subsidie, vermeld in artikel 3, eerste lid, 3°, kan een bijkomende subsidie verkrijgen als het perceel in kwestie begraasd wordt. De subsidie bedraagt maximaal 100 euro per hectare. Om in aanmerking te komen voor de subsidie, vermeld in het eerste lid, moet voldaan zijn aan de volgende twee voorwaarden: 1° de veebezetting, die berekend wordt over de totale oppervlakte van de percelen waarvoor een subsidie voor bijkomende begrazing wordt aangevraagd overeenkomstig het eerste lid en artikel 20, eerste lid, mag op elk moment niet hoger zijn dan maximaal twee grootvee-eenheden per hectare.De grootvee-eenheden worden berekend als vermeld in punt 12 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2290 van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van regels voor de berekeningsmethoden voor de gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013; 2° de landbouwer moet gedurende het volledige kalenderjaar in kwestie beschikken over een actief veebeslag voor herkauwers in Sanitel. De minister kan bijkomende voorwaarden bepalen voor de begrazing, vermeld in het eerste lid. HOOFDSTUK
  5. - De omzetting van tijdelijk grasland in blijvend grasland Afdeling
  6. -

Art. 29

.Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 4°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van vijf jaar.

, vermeld in het eerste lid, wordt afgesloten per perceel. Afdeling

  1. - De voorwaarden Art. 30.§
  2. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 4°, afhankelijk van de kredieten op de begroting van het Vlaamse Gewest die daarvoor goedgekeurd zijn, jaarlijks een subsidie verkrijgen voor de omzetting van een perceel tijdelijk grasland in blijvend grasland. De subsidie bedraagt maximaal 325 euro per hectare. §
  3. Om een verbintenis te kunnen sluiten als vermeld in artikel 29, moet het perceel in kwestie aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° in het jaar van

aanvraag en in de vier jaar die voorafgaan aan dat jaar, als een perceel grasland aangegeven zijn in de verzamelaanvraag;2° in het vijfde jaar dat voorafgaat aan dat jaar, niet als een perceel grasland aangegeven zijn in de verzamelaanvraag;3° in de periode, vermeld in punt 1°, niet geploegd en opnieuw ingezaaid zijn. §

  1. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° het perceel wordt niet geploegd en opnieuw ingezaaid;2° de bestaande percelen blijvend grasland in gebruik bij de landbouwer in het jaar voorafgaand aan de betalingsaanvraag of in het jaar van de betalingsaanvraag, die in het Vlaamse Gewest liggen, moeten behouden blijven als blijvend grasland;3° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;4° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de voor-, hoofd- en nateelt;5° de landbouwer geeft het perceel in kwestie jaarlijks aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. HOOFDSTUK
  2. - Het behoud van meerjarig grasland Afdeling
  3. -

Art. 31

.Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 5°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar.

, vermeld in het eerste lid, wordt gesloten per perceel, dat moet voldoen aan al de volgende voorwaarden: 1° er is geen scheurverbod of verbod op wijziging van vegetatie of vergunningsplicht voor vegetatiewijziging op van toepassing;2° het perceel grasland is in het jaar van

aanvraag en minstens in de negen jaar die voorafgaan aan dat jaar, als een perceel grasland aangegeven in de verzamelaanvraag;3° het perceel in kwestie is in het jaar van

aanvraag en in de zes jaar die voorafgaan aan dat jaar, niet geploegd en opnieuw ingezaaid. Afdeling 2. - De voorwaarden Art. 32.Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 5°, een subsidie verkrijgen voor het behoud van een perceel grasland. De subsidie bedraagt 115 euro per hectare. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de subsidie 145 euro per hectare als het perceel grasland in kwestie minstens in de veertien jaar die voorafgaan aan het jaar van

aanvraag, als een perceel grasland aangegeven is in de verzamelaanvraag. Art. 33.Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 32, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de bestaande percelen blijvend grasland van de landbouwer, die in het Vlaamse Gewest liggen en de bestaande percelen blijvend grasland van de landbouwer, die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest liggen, moeten behouden blijven als blijvend grasland;2° op het perceel in kwestie is geen ploegverbod of verbod op wijziging van vegetatie of vergunningsplicht voor vegetatiewijziging van toepassing;3° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;4° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de voor-, hoofd- en nateelt;5° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. HOOFDSTUK 6. - De inzaai van eenjarige milieu-, biodiversiteitsvriendelijke of klimaatbestendige teelten Afdeling 1. -

Art. 34

.Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 6°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar.

, vermeld in het eerste lid, wordt gesloten per perceel. Afdeling

  1. - De voorwaarden Onderafdeling
  2. - Eenjarige eiwitteelten Art. 35.§
  3. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6°, a), een subsidie verkrijgen voor de inzaai van eenjarige eiwitteelten als hoofdteelt. De subsidie bedraagt 600 euro per hectare. §
  4. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende

termijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de eiwitteelten worden als hoofdteelt ingezaaid;2° als het gaat om mengteelten, moeten de vlinderbloemigen op elk ogenblik van

termijn zichtbaar aanwezig zijn;3° het perceel in kwestie is in het jaar van

aanvraag en in de twee jaar die voorafgaan aan dat jaar, als bouwland of blijvende teelt aangegeven in de verzamelaanvraag;4° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;5° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;6° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. §

  1. De minister bepaalt welke eenjarige eiwitteelten in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, en kan de zaaidichtheid, de samenstelling van mengteelten, de teelttechnische voorwaarden en de voorwaarden voor het beheer bepalen. Onderafdeling
  2. - Eenjarige teelten met een positieve impact op het milieu, het klimaat of de biodiversiteit Art. 36.§
  3. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6°, b, een subsidie verkrijgen voor de inzaai van bepaalde eenjarige teelten met een positieve impact op het milieu, het klimaat of de biodiversiteit als hoofdteelt. De subsidie bedraagt 230 euro per hectare voor de teelten die geoogst worden en 600 euro per hectare voor de teelten die niet geoogst worden. §
  4. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de teelten worden als hoofdteelt ingezaaid;2° het perceel is in het jaar van

aanvraag en in de twee jaar die voorafgaan aan dat jaar, als bouwland of blijvende teelt aangegeven in de verzamelaanvraag;3° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;4° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;5° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. §

  1. De minister bepaalt welke eenjarige teelten met een positieve impact op het milieu, het klimaat of de biodiversiteit in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, en kan de teelttechnische voorwaarden, de plantdichtheid, de samenstelling en de voorwaarden voor het beheer bepalen. Onderafdeling
  2. - Eenjarige faunavriendelijke teelten Art. 37.§
  3. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6°, c), 1), een subsidie verkrijgen voor de inzaai van zomergraan als hoofdteelt. De subsidie bedraagt 350 euro per hectare. §
  4. De landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden 1° de teelten worden als hoofdteelt ingezaaid;2° het perceel in kwestie ligt in een gebied dat is aangewezen als beheergebied voor de beheerdoelstelling soortenbescherming overeenkomstig artikel 18, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering tot het verlenen van subsidies voor beheerovereenkomsten die worden gefinancierd via het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, voor de soorten `akkervogel', `grauwe kiekendief' of `hamster';3° het perceel is in het jaar van

aanvraag en in de twee jaar die voorafgaan aan dat jaar, als bouwland of blijvende teelt aangegeven in de verzamelaanvraag;4° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;5° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;6° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. §

  1. De minister bepaalt welke zomergranen in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, en kan de teelttechnische voorwaarden, de zaaidichtheid, de samenstelling en de voorwaarden voor het beheer bepalen. Art. 38.§
  2. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6°, c), 2), een subsidie verkrijgen voor de inzaai van een faunamengsel als hoofdteelt. De subsidie bedraagt 1.500 euro per hectare. §
  3. De landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de teelt wordt als hoofdteelt ingezaaid;2° er worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt op de teelt;3° het perceel is in het jaar van

aanvraag en in de twee jaar die voorafgaan aan dat jaar, als bouwland of blijvende teelt aangegeven in de verzamelaanvraag;4° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;5° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;6° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. §

  1. De minister bepaalt de samenstelling van het faunamengsel, vermeld in de eerste paragraaf, en kan de teelttechnische voorwaarden, de zaaidichtheid, de samenstelling en de voorwaarden voor het beheer bepalen. Art. 39.§
  2. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6°, c),3), een subsidie ontvangen voor het aanleggen en langer aanhouden van voorjaarsbraak. De subsidie bedraagt 350 euro per hectare. §
  3. De landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in de eerste paragraaf, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° het perceel is in het jaar van

aanvraag en in de twee jaar die voorafgaan aan dat jaar, als bouwland of blijvende teelt aangegeven in de verzamelaanvraag;2° de voorteelt op het perceel in kwestie is braak;3° op het perceel in kwestie wordt nadien een hoofdteelt ingezaaid;4° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;5° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;6° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. §

  1. De minister bepaalt tot wanneer het perceel braak moet worden gehouden zoals vermeld in paragraaf 2, 2°, en kan de teelttechnische voorwaarden, de zaaidichtheid, de samenstelling en de voorwaarden voor het beheer bepalen. Onderafdeling
  2. - Eenjarige faunavriendelijke nateelten Art. 40.§
  3. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 6°, d), een subsidie verkrijgen voor de inzaai van eenjarige faunavriendelijke nateelten. De subsidie bedraagt 60 euro per hectare. §
  4. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° een vroeg afrijpende variant van Japanse haver of een mengsel met Japanse haver wordt ingezaaid als nateelt;2° het perceel in kwestie ligt in een gebied dat is aangewezen als beheergebied voor de beheerdoelstelling soortenbescherming overeenkomstig artikel 18, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering tot het verlenen van subsidies voor beheerovereenkomsten die worden gefinancierd via het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, voor de soorten `akkervogel', `grauwe kiekendief' of `hamster';3° het perceel is in het jaar van

aanvraag en in de twee jaar die voorafgaan aan dat jaar, als bouwland of blijvende teelt aangegeven in de verzamelaanvraag;4° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;5° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofd- en nateelt;6° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. §

  1. De minister kan bepalen welke vroeg afrijpende varianten in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, en kan de teelttechnische voorwaarden, de zaaidichtheid, de samenstelling van de mengsels met Japanse haver als vermeld in paragraaf 2, 1°, en de voorwaarden voor het beheer bepalen. HOOFDSTUK
  2. - De inzaai van meerjarige milieu-, biodiversiteitsvriendelijke of klimaatbestendige teelten Afdeling
  3. -

Art. 41.§ 1.

Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 7°, a), gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van twee jaar.

kan met een jaar verlengd worden. Die verlenging wordt aangevraagd via de verzamelaanvraag in het jaar van de verlenging. § 2. Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 7°, b) gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van vijf jaar. § 3.

, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt afgesloten per perceel. §

  1. Voor een perceel waarop een verbintenis als vermeld in artikel 3, eerste lid, 7°, a), 1) of 2) is uitgevoerd, kan in de twee jaar na het einde van die verbintenistermijn geen nieuwe verbintenis voor een van deze twee maatregelen worden gesloten. Afdeling
  2. - De voorwaarden Onderafdeling
  3. - Meerjarige eiwitteelten Art. 42.§
  4. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 7°, a), 1), afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, jaarlijks een subsidie verkrijgen voor de inzaai van vlinderbloemigen als hoofdteelt. De subsidie bedraagt maximaal 230 euro per hectare. §
  5. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, op voorwaarde dat de vlinderbloemige duidelijk zichtbaar aanwezig is en blijft. §
  6. De minister bepaalt welke vlinderbloemigen en welke mengsels met vlinderbloemigen in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, en kan de teelttechnische voorwaarden, de zaaidichtheid en de voorwaarden voor het beheer bepalen. Art. 43.§
  7. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 7°, a), 2), afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, jaarlijks een subsidie verkrijgen voor de inzaai van een graskruidenmengsel als hoofdteelt. De subsidie bedraagt maximaal 350 euro per hectare. §
  8. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als de kruiden en vlinderbloemigen op elk ogenblik zichtbaar aanwezig zijn. §
  9. De minister bepaalt de samenstelling van het graskruidenmengsel, vermeld in paragraaf 1, de soorten die in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, en kan de teelttechnische voorwaarden, de zaaidichtheid, en de voorwaarden voor het beheer bepalen. Art. 44.§
  10. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 7°, a), 3), afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, jaarlijks een subsidie verkrijgen voor de inzaai van luzerne met uitgestelde maaidatum als hoofdteelt. De subsidie bedraagt maximaal 600 euro per hectare. §
  11. Voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, geldt als voorwaarde dat het perceel in een gebied ligt dat is aangewezen als beheergebied voor de beheerdoelstelling soortenbescherming overeenkomstig artikel 18, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering tot het verlenen van subsidies voor beheerovereenkomsten die worden gefinancierd via het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, voor de soorten `akkervogel', `grauwe kiekendief' of `hamster'. §
  12. De minister kan de teelttechnische voorwaarden, de zaaidichtheid, de samenstelling, en de voorwaarden voor de inzaai en het beheer bepalen. Art. 45.Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in artikel 42 tot en met 44, als gedurende de volledige verbintenistermijn aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° het perceel in kwestie is in het jaar van

aanvraag en in de twee jaar die voorafgaan aan dat jaar, als bouwland of blijvende teelt aangegeven in de verzamelaanvraag;2° de teelt in kwestie wordt ingezaaid vanaf het najaar dat voorafgaat aan het jaar van

aanvraag.Het doorzaaien van een perceel grasland is niet toegestaan. De teelt wordt aangehouden gedurende

termijn, behalve op percelen in polders en duinen, waar de teelt aangehouden moet worden tot minstens 15 oktober van het laatste jaar van

; 3° herinzaai is alleen toegestaan na voorafgaande schriftelijke melding bij de bevoegde entiteit.De herinzaai moet gebeuren binnen twee weken na het omploegen; 4° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;5° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de voor-, hoofd- en nateelt;6° de landbouwer geeft het perceel in kwestie jaarlijks aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. Onderafdeling

  1. - Meerjarige teelten met een positieve impact op het milieu, het klimaat of de biodiversiteit Art. 46.§
  2. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 7°, b), afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, jaarlijks een subsidie verkrijgen voor de inzaai van meerjarige teelten met een positieve impact op het milieu, het klimaat of de biodiversiteit als hoofdteelt. De subsidie bedraagt maximaal 600 euro per hectare. §
  3. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° het perceel in kwestie is in het jaar van

aanvraag en de twee jaar die voorafgaand aan dat jaar, als bouwland of blijvende teelt aangegeven in de verzamelaanvraag;2° er wordt geen enkele vorm van bemesting toegepast gedurende

termijn;3° de teelt in kwestie wordt aangehouden gedurende

termijn;4° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;5° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de voor-, hoofd- en nateelt;6° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. §

  1. De minister bepaalt welke meerjarige teelten met een positieve impact op het milieu, het klimaat of de biodiversiteit in aanmerking komen voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, en kan de teelttechnische voorwaarden, de plantdichtheid, de samenstelling en de voorwaarden voor het beheer bepalen. HOOFDSTUK
  2. - De verstrekking van veevoeder met een methaanreducerend effect aan rundvee door toevoeging van een additief of voedermiddel Afdeling
  3. -

Art. 47.§ 1.

In dit artikel wordt verstaan onder: 1° runderen van het rastype melk: runderen van matige tot geringe bevleesdheid;2° runderen van het rastype vlees: runderen van superieure tot goede bevleesdheid. § 2. Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar, met uitzondering van

die start op 31 mei 2023 conform artikel 10, derde lid. Art. 48.Als de landbouwer een verbintenis afsluit voor een van de maatregelen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, a), is

van toepassing op uitsluitend runderen van het rastype melk van ieder actief rundveebeslag dat aan de landbouwer toebehoort, en waarbij het adres van dat beslag in het Vlaamse Gewest of Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt. Hij geeft in de verzamelaanvraag aan voor welke voedermaatregel, vermeld in punt 1) tot en met 5) van dat artikel,

wordt afgesloten. De landbouwer leeft in dat geval

na voor de volgende dieren, die in de loop van

termijn aanwezig zijn op zijn bedrijf: 1° alle runderen, vermeld in het eerste lid, die gekalfd hebben in een periode van maximaal 354 dagen voor de start van

termijn, als een verbintenis wordt aangegaan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8° a), 1) en 2);2° alle runderen, vermeld in het eerste lid, die gekalfd hebben in een periode van maximaal 199 dagen voor de start van

termijn, als een verbintenis wordt aangegaan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, a), 3) tot en met 5);3° alle runderen, vermeld in het eerste lid, die in het verbintenisjaar kalven. De minister kan de combinatiemogelijkheden van de maatregelen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, a), en de modaliteiten daarvan bepalen. Als er geen combinatiemogelijkheden zijn bepaald, kan slechts één van de maatregelen toegepast worden op het bedrijf. Art. 49.Als de landbouwer een verbintenis afsluit voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, b), is

van toepassing op uitsluitend runderen van het rastype vlees van ieder actief rundveebeslag dat aan de landbouwer toebehoort, en waarbij het adres van dat beslag in het Vlaamse Gewest of Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt. De landbouwer leeft in dat geval

na voor alle runderen, vermeld in het eerste lid, vanaf de leeftijd van zes maanden, die in de loop van het verbintenisjaar aanwezig zijn op zijn bedrijf. Afdeling 2. - De voorwaarden voor melk- en vleesvee Art. 50.Om in aanmerking te komen voor de subsidie voor een maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, moeten de runderen waarop

betrekking heeft: 1° gedurende de hele verbintenistermijn geïdentificeerd en geregistreerd zijn conform het koninklijk besluit van 20 mei 2022Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 10/06/2022 numac 2022041385 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 23/06/2022 numac 2022032282 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 08/07/2022 numac 2022032313 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot bepaling van de modaliteiten van de vereenvoudigde administratieve procedure van betaling van geldboetes ingesteld door de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 30/06/2022 numac 2022032326 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer sluiten;2° aanwezig zijn op een van de plaatsen die aangegeven zijn in de laatste verzamelaanvraag van de landbouwer. Om in aanmerking te komen voor de subsidie voor een maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, a), moet voldaan zijn al de volgende voorwaarden: 1° de runderen waarop

betrekking heeft moeten in Sanitel geregistreerd zijn als rastype melk;2° alle kalveren, die zijn voorgebracht door de runderen als vermeld in artikel 48, tweede lid, en waarop

betrekking heeft in het verbintenisjaar, moeten tijdig geïdentificeerd en in Sanitel geregistreerd zijn. Om in aanmerking te komen voor de subsidie voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, b), moeten de runderen waarop

betrekking heeft in Sanitel geregistreerd zijn als rastype vlees of als rastype gemengd. Afdeling

  1. - De voorwaarden voor het veevoeder voor melkvee Onderafdeling
  2. - Toevoeging van nitraat Art. 51.§
  3. In dit artikel wordt verstaan onder toedieningsperiode: een termijn van 355 opeenvolgende dagen vanaf de kalvingsdatum. §
  4. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, a), 1), een subsidie verkrijgen voor de toevoeging van nitraat aan het verstrekte veevoeder voor ieder dier waarop

betrekking heeft. De subsidie bedraagt 4 cent per dier voor iedere dag van de toedieningsperiode die binnen

termijn valt en waarop de voormelde maatregel wordt nageleefd. § 3. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 2, als gedurende de volledige verbintenistermijn nitraat wordt toegevoegd aan het veevoeder. De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden voor ieder dier waarop

betrekking heeft, nageleefd op alle dagen van de toedieningsperiode die binnen

termijn vallen. §

  1. De minister bepaalt de hoeveelheid nitraat die wordt toegevoegd aan het veevoeder, vermeld in paragraaf
  2. Onderafdeling
  3. - Toevoeging van 3-nitro-oxypropanol Art. 52.§
  4. In dit artikel wordt verstaan onder toedieningsperiode: een termijn van 355 opeenvolgende dagen vanaf de kalvingsdatum. §
  5. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, a), 2), een subsidie verkrijgen voor de toevoeging van 3-nitro-oxypropanol aan het verstrekte veevoeder voor ieder dier waarop

betrekking heeft. De subsidie bedraagt 7 cent per dier voor iedere dag van de toedieningsperiode die binnen

termijn valt en waarop de voormelde maatregel wordt nageleefd. § 3. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 2, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° er wordt 3-nitro-oxypropanol toegevoegd aan het veevoeder;2° de dieren hebben gedurende de volledige dag toegang tot het rantsoen waarin de 3-nitro-oxypropanol aanwezig is. De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden voor ieder dier waarop

betrekking heeft, nageleefd op alle dagen van de toedieningsperiode die binnen

termijn vallen. §

  1. De minister bepaalt de hoeveelheid 3-nitro-oxypropanol die wordt toegevoegd aan het veevoeder, vermeld in paragraaf
  2. Onderafdeling
  3. - Toevoeging van koolzaadschroot in combinatie met bierdraf Art. 53.§
  4. In dit artikel wordt verstaan onder toedieningsperiode: een termijn van tweehonderd opeenvolgende dagen vanaf de kalvingsdatum. §
  5. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, a), 3), een subsidie verkrijgen voor de toevoeging van koolzaadschroot in combinatie met bierdraf aan het verstrekte veevoeder voor de dieren waarop

betrekking heeft. De subsidie bedraagt 8 cent per dier voor iedere dag van de toedieningsperiode die binnen

termijn valt en waarop de voormelde maatregel wordt nageleefd. § 3. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 2, als aan het veevoeder koolzaadschroot in combinatie met bierdraf wordt toegevoegd. De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, wordt voor ieder dier waarop

betrekking heeft, nageleefd op alle dagen van de toedieningsperiode die binnen

termijn vallen. §

  1. De minister bepaalt aan welke samenstelling het veevoeder moet voldoen, na toevoeging van het koolzaadschroot en bierdraf, vermeld in paragraaf
  2. Onderafdeling
  3. - Toevoeging van geëxtrudeerd of geëxpandeerd lijnzaad Art. 54.§
  4. In dit artikel wordt verstaan onder toedieningsperiode: een termijn van tweehonderd opeenvolgende dagen vanaf de kalvingsdatum. §
  5. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, a), 4), een subsidie verkrijgen voor de toevoeging van geëxtrudeerd of geëxpandeerd lijnzaad aan het verstrekte veevoeder voor de dieren waarop

betrekking heeft. De subsidie bedraagt 8 cent per dier voor iedere dag van de toedieningsperiode die binnen

termijn valt en waarop de voormelde maatregel wordt nageleefd. § 3. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 2, als aan het veevoeder geëxtrudeerd of geëxpandeerd lijnzaad wordt toegevoegd. De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, wordt voor ieder dier waarop

betrekking heeft, nageleefd op alle dagen van de toedieningsperiode die binnen

termijn vallen. §

  1. De minister bepaalt aan welke samenstelling het veevoeder moet voldoen, na toevoeging van het geëxtrudeerde of geëxpandeerde lijnzaad, vermeld in paragraaf
  2. Onderafdeling
  3. - Toevoeging van koolzaadvet Art. 55.§
  4. In dit artikel wordt verstaan onder toedieningsperiode: een termijn van tweehonderd opeenvolgende dagen vanaf de kalvingsdatum. §
  5. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, a), 5), een subsidie verkrijgen voor de toevoeging van koolzaadvet aan het verstrekte veevoeder voor de dieren waarop

betrekking heeft. De subsidie bedraagt 8 cent per dier voor iedere dag van de toedieningsperiode die binnen

termijn valt en waarop de voormelde maatregel wordt nageleefd. § 3. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 2, als aan het veevoeder koolzaadvet wordt toegevoegd. De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, wordt voor ieder dier waarop

betrekking heeft, nageleefd op alle dagen van de toedieningsperiode die binnen

termijn vallen. §

  1. De minister bepaalt de hoeveelheid koolzaadvet die wordt toegevoegd aan het veevoeder, vermeld in paragraaf
  2. Afdeling
  3. - De voorwaarden voor het veevoeder voor vleesvee Onderafdeling
  4. - Toevoeging van nitraat Art. 56.§
  5. In dit artikel wordt verstaan onder toedieningsperiode: alle dagen vanaf dat het dier de leeftijd van zes maanden bereikt. §
  6. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 8°, b), een subsidie verkrijgen voor de toevoeging van nitraat aan het verstrekte veevoeder voor ieder dier waarop

betrekking heeft. De subsidie bedraagt 4 eurocent per dier voor iedere dag van de toedieningsperiode die binnen

termijn valt en waarop de voormelde maatregel wordt nageleefd. § 3. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 2, als gedurende de volledige verbintenistermijn nitraat wordt toegevoegd aan het veevoeder. De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden voor ieder dier waarop

betrekking heeft, nageleefd op alle dagen van de toedieningsperiode die binnen

termijn vallen. §

  1. De minister bepaalt de hoeveelheid nitraat die wordt toegevoegd aan het veevoeder, vermeld in paragraaf
  2. HOOFDSTUK
  3. - De aanleg en het onderhoud van een meerjarige bloemenstrook in de fruitteelt Afdeling
  4. -

Art. 57

.Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 9°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van vijf jaar.

, vermeld in het eerste lid, wordt gesloten per perceel. Afdeling

  1. - De voorwaarden Onderafdeling
  2. - De aanleg en het onderhoud van een meerjarige bloemenstrook tussen de fruitbomen Art. 58.§
  3. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 9°, a), afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, jaarlijks een subsidie verkrijgen voor de aanleg en het onderhoud van een meerjarige bloemenstrook tussen de fruitbomen. De subsidie bedraagt maximaal 82 euro per hectare fruitboomgaard. §
  4. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° op het volledige perceel in kwestie bevindt zich een laag- of een halfstamfruitboomgaard.Percelen waarop geen of slechts gedeeltelijk een fruitboomgaard aanwezig is, komen niet in aanmerking voor de subsidie; 2° op het perceel in kwestie wordt tussen de fruitbomen een bloemenmengsel ingezaaid, minstens om de drie bomenrijen;3° op elk ogenblik van

termijn zijn bloeiende plantensoorten aanwezig;4° de bloemenstrook wordt gemaaid bij de opstart om ongewenste onkruiden te voorkomen en gedurende

termijn om de groei en de bloei van de gewenste kruiden te stimuleren;5° er worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt op de bloemenstrook;6° het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de fruitbomen is alleen toegelaten als dat strikt noodzakelijk is en als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  1. a)tijdens de bloei van de bloemen worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt die schadelijk zijn voor bijen. Bespuiting kan alleen 's nachts of 's ochtends, als de bijen niet actief zijn;
  2. b)de toepasselijke IPM-voorschriften worden gevolgd.
  3. c)alleen selectieve gewasbeschermingsmiddelen die onschadelijk zijn voor de nuttige insecten en voor andere niet-doel organismen, mogen gebruikt worden;
  4. d)de bloemenstrook wordt voorafgaandelijk gemaaid;
  5. e)er wordt een beroep gedaan op een begeleidingsdienst;7° het perceel in kwestie heeft een oppervlakte van minstens 0,30 hectare;8° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de voor-, hoofd- en nateelt;9° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. § 3. De minister bepaalt de samenstelling van het bloemenmengsel, vermeld in paragraaf 2, 2°, en kan de voorwaarden waaraan de begeleidingsdienst, vermeld in paragraaf 2, 6°, e), moet voldoen, de zaaidichtheid en de teelttechnische voorwaarden van de in te zaaien bloemenstrook, en de voorwaarden voor het beheer van de bloemenstrook en de fruitboomgaard bepalen. Onderafdeling 2. - De aanleg en het onderhoud van een meerjarige bloemenstrook aan de rand van de fruitboomgaard Art. 59.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 9°, b), afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, jaarlijks een subsidie verkrijgen voor de aanleg en het onderhoud van een meerjarige bloemenstrook aan de rand van een fruitboomgaard. De subsidie bedraagt maximaal 10160 euro per aangelegde hectare bloemenstrook.

, vermeld in het eerste lid, wordt gesloten per bloemenstrook, die is aangelegd op de rand van een perceel waarop zich een fruitboomgaard bevindt. De strook wordt afgesplitst van dat oorspronkelijke perceel en als afzonderlijk perceel aangegeven in de verzamelaanvraag. De resterende oppervlakte van dat perceel wordt het aangrenzende perceel. Om een verbintenis te kunnen sluiten, als vermeld in het eerste lid, moet aan de rand van het oorspronkelijke perceel waarop de fruitboomgaard zich bevindt, een rij fruitbomen gerooid worden voor de aanleg van de bloemenstrook of moet, bij de aanplant van een nieuwe fruitboomgaard, een rij fruitbomen minder aangeplant worden aan de rand van het oorspronkelijke perceel waar de bloemenstrook wordt aangelegd. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° op het aangrenzend perceel bevindt zich een laag- of een halfstamfruitboomgaard;2° de bloemenstrook wordt aangelegd aan de rand van de fruitboomgaard en heeft een minimale breedte van drie meter en maximale breedte van 6 meter;3° op elk ogenblik van

termijn zijn bloeiende plantensoorten aanwezig;4° de bloemenstrook bestaat uit een bloemenmengsel, dat wordt ingezaaid in het jaar dat het jaar voorafgaat waarin

aanvraag wordt ingediend;5° de bloemenstrook wordt gemaaid bij de opstart om ongewenste onkruiden te voorkomen, en gedurende

termijn om de groei en de bloei van de gewenste kruiden te stimuleren;6° er worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt op de bloemenstrook;7° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de voor-, hoofd- en nateelt;8° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. §

  1. De minister bepaalt de samenstelling van het bloemenmengsel, vermeld in paragraaf 2, 4°, en kan de zaaidichtheid en de teelttechnische voorwaarden van de in te zaaien bloemen, en de voorwaarden voor het beheer van de bloemenstrook en de fruitboomgaard bepalen. HOOFDSTUK 1
  2. - Het behoud van lokale veerassen Afdeling
  3. -

Art. 60

.Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 10°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van vijf jaar.

, vermeld in het eerste lid, heeft betrekking op ieder actief beslag van de diersoort waarvoor

wordt aangegaan, dat aan de landbouwer toebehoort en waarbij het adres van dat beslag in het Vlaamse Gewest ligt. Afdeling 2. - De voorwaarden Onderafdeling 1. - Lokale rundveerassen Art. 61.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 10°, a), afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, een jaarlijkse subsidie verkrijgen van: 1° maximaal 250 euro per dier voor het houden van minimaal 10 en maximaal 125 dieren van de volgende lokale rundveerassen:

  1. a)het rode ras;
  2. b)het wit-rode ras;
  3. c)het Belgische wit-blauwe dubbeldoelras;
  4. d)Kempens roodbont;2° maximaal 280 euro per dier voor het houden van minimaal 10 en maximaal 125 dieren van de lokale rundveerassen, vermeld in punt 1°, die onder melkproductieregistratie staan.De landbouwer komt pas voor de jaarlijkse subsidie in aanmerking als hij gedurende het verbintenisjaar in kwestie deelneemt aan de melkproductieregistratie. In dat geval ontvangt hij alleen deze subsidie, en niet de subsidie als vermeld in punt 1°. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in de eerste paragraaf, als hij gedurende

termijn minstens het aantal subsidiabele runderen houdt dat is vastgelegd in

. Een rund is subsidiabel als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° het dier is gedurende het hele verbintenisjaar geïdentificeerd en geregistreerd conform het koninklijk besluit van 20 mei 2022Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 10/06/2022 numac 2022041385 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 23/06/2022 numac 2022032282 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 08/07/2022 numac 2022032313 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot bepaling van de modaliteiten van de vereenvoudigde administratieve procedure van betaling van geldboetes ingesteld door de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 30/06/2022 numac 2022032326 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer sluiten;2° het dier is conform de voorwaarden, vermeld in het technisch reglement van het stamboek, als raszuiver fokdier ingeschreven in de hoofdsectie van het stamboek van een ras als vermeld in paragraaf 1, 1°, waarvoor een goedgekeurd fokprogramma wordt uitgevoerd als vermeld in artikel 13 van het besluit van 17 mei 2019;3° het dier is een vrouwelijk dier;4° het dier is minstens zes maanden oud op 1 januari van het verbintenisjaar of bij vervanging;5° het dier is aanwezig op een van de plaatsen die aangegeven zijn in de laatste verzamelaanvraag van de landbouwer. Onderafdeling 2. - Lokale schapen- en geitenrassen Art. 62.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 10°, b) afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, een subsidie verkrijgen van maximaal 40 euro per dier voor het houden van minimaal 10 en maximaal 500 dieren van de volgende lokale schapen- en geitenrassen: 1° Ardense voskop;2° Belgisch melkschaap;3° Entre-Sambre-et-Meuse ;4° houtlandschaap ;5° Kempens schaap;6° Lakens schaap;7° Mergellandschaap;8° Vlaams kuddeschaap;9° Vlaams schaap;10° Kempense geit;11° Vlaamse geit;12° Belgische hertegeit. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als hij gedurende

termijn minstens het aantal subsidiabele schapen of geiten houdt dat is vastgelegd in

. Een schaap of geit is subsidiabel als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° het dier is gedurende het hele verbintenisjaar geïdentificeerd en geregistreerd conform het koninklijk besluit van 20 mei 2022Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 10/06/2022 numac 2022041385 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende de identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 23/06/2022 numac 2022032282 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 08/07/2022 numac 2022032313 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot wijziging van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot bepaling van de modaliteiten van de vereenvoudigde administratieve procedure van betaling van geldboetes ingesteld door de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle type koninklijk besluit prom. 20/05/2022 pub. 30/06/2022 numac 2022032326 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer sluiten;2° het dier is tijdig en conform de voorwaarden, vermeld in het technisch reglement van het stamboek, als raszuiver fokdier ingeschreven in de hoofdsectie van het stamboek van een ras als vermeld in paragraaf 1 waarvoor een goedgekeurd fokprogramma wordt uitgevoerd als vermeld in artikel 13 van het besluit van 17 mei 2019;3° het maximum aantal subsidiabele dieren is het aantal bij de landbouwer geboren lammeren van de rassen, vermeld in paragraaf 1, dat in het stamboek is geregistreerd tussen 1 september van het jaar dat het verbintenisjaar voorafgaat, en 31 augustus van het verbintenisjaar;4° het dier is minstens één jaar oud op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag of bij vervanging;5° het dier is aanwezig op een van de plaatsen die aangegeven zijn in de laatste verzamelaanvraag van de landbouwer. Onderafdeling 3. - Lokale varkensrassen Art. 63.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 10°, c), afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten, een subsidie verkrijgen van maximaal 100 euro per dier voor het houden van minimaal 5 en maximaal 125 dieren van de volgende lokale varkensrassen: 1° Belgisch landras;2° Piétrain. § 2. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in de eerste paragraaf, als hij gedurende

termijn minstens het aantal subsidiabele varkens houdt dat is vastgelegd in

. Een varken is subsidiabel als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° het dier is tijdig en conform de voorwaarden, vermeld in het technisch reglement van het stamboek, als raszuiver fokdier ingeschreven in de hoofdsectie van het stamboek van een ras als vermeld in paragraaf 1, waarvoor een goedgekeurd fokprogramma wordt uitgevoerd als vermeld in artikel 13 van het besluit van 17 mei 2019;2° het maximum aantal subsidiabele dieren is het aantal productieve zeugen van een ras als vermeld in paragraaf 1, dat in de hoofdsectie van het stamboek is geregistreerd en dat in het verbintenisjaar een correct geregistreerde worp heeft;3° het dier is minstens één jaar oud op de uiterste indieningsdatum van de verzamelaanvraag of bij vervanging;4° het dier is een vrouwelijk dier;5° het dier is aanwezig op een van de plaatsen die aangegeven zijn in de laatste verzamelaanvraag van de landbouwer. Onderafdeling

  1. - Algemene bepalingen Art. 64.Als bij ziekte of ongeval van een of meer dieren het vereiste aantal subsidiabele dieren binnen drie maanden opnieuw wordt verkregen, behoudt de landbouwer het recht op subsidie. Art. 65.De administratieve controle van het aantal subsidiabele dieren gebeurt op basis van de gegevens die geregistreerd zijn door de stamboekvereniging in het kader van het goedgekeurd fokprogramma als vermeld in artikel 13 van het besluit van 17 mei 2019 voor een ras vermeld in artikel 61, § 1, 1°, artikel 62, § 1, en artikel 63, § 1, van dit besluit. HOOFDSTUK 1
  2. - Het verhogen van het organischekoolstofgehalte van bouwland Afdeling
  3. -

Art. 66.§ 1.

Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar. § 2.

, vermeld in paragraaf 1, wordt gesloten per perceel bouwland. Dat perceel moet in het jaar van

aanvraag en in de twee jaar die voorafgaan aan dat jaar, als bouwland aangegeven zijn in de verzamelaanvraag. In afwijking van het eerste lid, wordt voor de maatregel het verhogen van het organischekoolstofgehalte via het teeltplan, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, a), een verbintenis gesloten voor alle percelen bouwland als vermeld in het eerste lid, samen. Het betreft de percelen bouwland, vermeld in het eerste lid, die in het Vlaamse Gewest liggen, en de percelen bouwland, vermeld in het eerste lid, die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest liggen. Als de totale oppervlakte van die percelen samen geen 0,50 hectare bedraagt, kan

niet worden gesloten. § 2. De landbouwer die een verbintenis wil sluiten voor de maatregel de toevoeging van producten met een hoog koolstofgehalte, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, b), moet een keuze maken uit een van de producten, waarvoor

op het perceel wordt afgesloten. Art. 67.De landbouwer kan voor een perceel maar een keer een subsidie ontvangen voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, b), 3) in een periode van vijf jaar. Art. 68.De landbouwer komt alleen in aanmerking voor de subsidie voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, c), als hij op hetzelfde perceel ook een verbintenis aangaat voor een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°,

  1. a)of b), en aan de subsidievoorwaarden ervan voldoet. Hij moet voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, c), ook een verbintenis sluiten. Hij kan voor een perceel maar een keer een subsidie ontvangen voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, c, in een periode van vijf jaar. Art. 69.De maatregelen, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, a),
  2. b)en c), kunnen gecombineerd worden op een perceel. Afdeling 2. - De voorwaarden Onderafdeling 1. - Het verhogen van het organischekoolstofgehalte via het teeltplan Art. 70.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, a), een subsidie ontvangen voor het verhogen van het organischekoolstofgehalte in de bodem van de percelen bouwland in kwestie, via de uitvoering van het teeltplan. § 2. De subsidie, vermeld in paragraaf 1, bedraagt voor de totale verbintenisoppervlakte: 1° 70 euro per hectare, als op alle percelen bouwland in kwestie in totaal gemiddeld 1250 kg organische koolstof wordt toegediend via het teeltplan;2° 100 euro per hectare, als op alle percelen bouwland in kwestie in totaal gemiddeld 1300 kg organische koolstof wordt toegediend via het teeltplan;3° 130 euro per hectare als op alle percelen bouwland in kwestie in totaal gemiddeld 1350 kg organische koolstof wordt toegediend via het teeltplan;4° 160 euro per hectare als op alle percelen bouwland in kwestie in totaal gemiddeld 1400 kg organische koolstof wordt toegediend via het teeltplan. § 3. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de gemiddelde toegediende hoeveelheid organische koolstof, die moet worden toegediend via het teeltplan op alle percelen bouwland in kwestie in totaal, bereikt een minimale waarde van 1250 kg per hectare;2° alle teelten die deel uitmaken van het teeltplan, zijn zichtbaar aanwezig tijdens de verwachte groeiperiode en zijn normaal ontwikkeld;3° de landbouwer heeft ieder perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;4° de landbouwer geeft ieder perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. Onderafdeling 2. - De toevoeging van producten met een hoog koolstofgehalte Art. 71.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, b), 1), een subsidie ontvangen voor het gebruik van compost op het perceel in kwestie. De subsidie bedraagt 130 euro per hectare. § 2. De landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden voor het perceel in kwestie: 1° er wordt een minimale hoeveelheid van 10 ton compost per hectare op het perceel toegediend;2° de landbouwer heeft het perceel in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;3° de landbouwer geeft het perceel aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. § 3. De minister kan voorwaarden bepalen waaraan de compost en de toediening ervan moeten voldoen. Art. 72.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, b), 2), een subsidie ontvangen voor het gebruik van stalmest op het perceel in kwestie. § 2. De subsidie, vermeld in paragraaf 1, bedraagt: 1° 60 euro per hectare voor 2023;2° 50 euro per hectare voor 2024;3° 50 euro per hectare voor 2025;4° 40 euro per hectare vanaf 2026. § 3. De landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° er wordt een minimale hoeveelheid van 10 ton stalmest per hectare op het perceel in kwestie toegediend;2° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;3° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. § 4. De minister kan voorwaarden bepalen waaraan de stalmest en de toediening ervan moeten voldoen. Art. 73.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, b), 3), een subsidie ontvangen voor het gebruik van houtsnippers op het perceel in kwestie. De subsidie bedraagt 482 euro per hectare. § 2. De landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de houtsnippers zijn afkomstig van hagen, heggen en houtkanten van het eigen bedrijf, die in het verbintenisjaar zijn aangegeven in de verzamelaanvraag;2° de landbouwer beschikt over een grondstoffenverklaring als vermeld in artikel 3, § 1, eerste lid, 14°, van het decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type decreet prom. 23/12/2011 pub. 28/02/2012 numac 2012035118 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen sluiten betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen of een gelijkwaardig document, dat is afgeleverd door OVAM;3° er wordt een minimale hoeveelheid van 10 ton houtsnippers per hectare op het perceel in kwestie aangevoerd;4° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;5° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. § 3. De minister kan voorwaarden bepalen waaraan de houtsnippers en de toediening ervan moeten voldoen. Onderafdeling 3. - Het bereiken van de streefzone voor het organischekoolstofgehalte en de zuurtegraad van de bodem Art. 74.§ 1. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 11°, c), een subsidie ontvangen voor het bereiken van de streefzone voor het organischekoolstofgehalte en de streefzone voor de zuurtegraad van de bodem. De subsidie bedraagt 60 euro per hectare. § 2. De landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende de volledige verbintenistermijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° het perceel in kwestie is in het jaar van

aanvraag en in de twee jaar die

aanvraag voorafgaan, als bouwland aangegeven in de verzamelaanvraag;2° op het perceel in kwestie wordt de streefzone voor het koolstofgehalte behaald;3° op het perceel in kwestie wordt de streefzone voor de bodemzuurtegraad behaald;4° de landbouwer heeft een bodemanalyse van het perceel uit het jaar van

aanvraag, waaruit blijkt dat de streefzones, vermeld in punt 2° en 3°, behaald zijn.Deze analyse moet uitgevoerd worden door een laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming, erkend voor de desbetreffende monsternemingen en analyses volgens het VLAREL van 19 november 2010; 5° de landbouwer zorgt ervoor dat de bodemanalyse, vermeld in punt 4°, beschikbaar is via het bodempaspoort;6° de landbouwer heeft het perceel in kwestie in eigen gebruik gedurende de teeltperiode van de hoofdteelt;7° de landbouwer geeft het perceel in kwestie aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. De minister bepaalt de streefzones voor het koolstofgehalte en de bodemzuurtegraad, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, en de datum waarop de bodemanalyse ten laatste beschikbaar moet zijn in het bodempaspoort en kan nadere regels vastleggen over hoe de streefzones bereikt moeten worden. HOOFDSTUK 1 2. - De aanleg van een bufferstrook Afdeling 1. -

Art. 75

.Om een subsidie te verkrijgen voor de toepassing van een maatregel als vermeld in artikel 3, eerste lid, 12°, gaat de landbouwer een verbintenis aan voor de duur van een jaar. Art. 76.

, vermeld in artikel 75 wordt gesloten per bufferstrook, die is aangelegd op de rand van een perceel van de landbouwer die

aangaat. De strook wordt afgesplitst van dat perceel. De resterende oppervlakte van dat perceel, wordt het aangrenzende perceel, en de strook wordt als afzonderlijk perceel aangegeven in de verzamelaanvraag. Afdeling

  1. - De voorwaarden Onderafdeling
  2. - Grasbufferstrook in het kader van erosiebestrijding Art. 77.§
  3. Een landbouwer kan voor de maatregel, vermeld in artikel 3, eerste lid, 12°, a), een subsidie verkrijgen voor een grasbufferstrook in het kader van erosiebestrijding. De subsidie bedraagt 1.025 euro per hectare aangelegde grasbufferstrook. §
  4. Een landbouwer komt in aanmerking voor de subsidie, vermeld in paragraaf 1, als gedurende

termijn voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° de grasbufferstrook bestaat uit een strook met gras.Het aangrenzende perceel is bouwland, en mag geen perceel grasland zijn. De oppervlakte van de grasbufferstrook is kleiner dan de oppervlakte van dat aangrenzende perceel; 2° het perceel heeft een zeer hoge, een hoge, een medium, een lage of een zeer lage erosiegevoeligheid;3° de aanleg van de grasbufferstrook is niet verplicht in het kader van de erosiemaatregelen in de conditionaliteit;4° de landbouwer heeft de keuze uit de volgende twee mogelijkheden:

  1. a)een grasbufferstrook onderaan een afhellend gedeelte van een perceel bouwland, dat geen perceel grasland is;
  2. b)een grasbufferstrook als grasgang bij een perceel bouwland met een zonk of een droge vallei, dat geen perceel grasland is;5° de grasbufferstrook wordt in het najaar van het jaar dat het verbintenisjaar voorafgaat, ingezaaid of is dan aanwezig;6° de grasbufferstrook wordt aangehouden tot en met 31 december van het verbintenisjaar.Deze voorwaarde is niet verplicht als in die periode op de grasbufferstrook een winterteelt ingezaaid wordt of als de grasbufferstrook, opnieuw aangelegd wordt; 7° de grasbufferstrook in kwestie heeft een minimale breedte van 6 meter over de hele lengte van de strook, en heeft een maximale breedte van 24 meter op een perceel met een medium, een lage of een heel lage erosiegevoeligheid, en een minimale breedte van 9 meter en een maximale breedte van 30 meter op een perceel met een zeer hoge of een hoge erosiegevoeligheid;8° de grasbufferstrook wordt minstens een keer per jaar gemaaid;9° een ploegvoor of ploegwal die aanwezig is tussen het perceel bouwland en de grasstrook wordt genivelleerd, zodat afstromend water optimaal over de grasbufferstrook kan vloeien;10° de grasbufferstrook mag gebruikt worden als wendakker, op voorwaarde dat dat gebruik geen impact heeft op de functie van erosiebestrijding en de grasbufferstrook voldoende ontwikkeld is;11° op de grasbufferstrook mag een plantaardige dam aanwezig zijn;12° op de grasbufferstrook mogen er geen gewasbeschermingsmiddelen of bemesting worden toegepast;13° de landbouwer heeft de grasbufferstrook in gebruik gedurende

termijn;14° de landbouwer geeft de grasbufferstrook als apart perceel aan in de verzamelaanvraag en meldt elke wijziging van de initiële aangifte zodra die wijziging zich voordoet. §

  1. De minister kan bijkomende teelttechnische voorwaarden en voorwaarden voor beheer van de grasbufferstrook en het perceel bouwland bepalen. Onderafdeling
  2. - Grasbufferstrook langs kwetsbare landschapselementen Art. 78.§
  3. In dit artikel wordt verstaan onder kwetsbaar landschapselement: de kleine landschapselementen, als vermeld in artikel 2, 6°, van het decreet van 21 oktober 1997Rel

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.