Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Omgevingsplan gemeente Midden-Groningen (Midden-Groningen)

Waar gaat deze regeling over?

Dit omgevingsplan van de gemeente Midden-Groningen regelt het gebruik van gronden en bouwwerken, met specifieke bepalingen voor wonen en aan huis verbonden activiteiten in het gebied Noordbroek - Noorderstraat 20. Het stelt regels vast voor onder andere vrije beroepen, overige aan huis verbonden bedrijven en het hobbymatig houden van paarden.

Voor wie: Inwoners en ondernemers in het gebied H21 - Noordbroek - Noorderstraat 20 die wonen, een vrij beroep uitoefenen, een aan huis verbonden bedrijf hebben of hobbymatig paarden houden; Eigenaren van gronden en bouwwerken in dit specifieke gebied.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Vastgoed- en bouwrecht
Artikelen
455
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • Het gebruik van gronden en bouwwerken voor diverse functies, zoals wonen.
  • De uitoefening van vrije beroepen en overige aan huis verbonden bedrijven.
  • Het hobbymatig houden van paarden op woonpercelen.
  • De landschappelijke inpassing van voorzieningen voor het hobbymatig houden van paarden.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Inwoners en ondernemers in het gebied H21 - Noordbroek - Noorderstraat 20 die wonen, een vrij beroep uitoefenen, een aan huis verbonden bedrijf hebben of hobbymatig paarden houden.
  • Eigenaren van gronden en bouwwerken in dit specifieke gebied.

Wat zijn de kernpunten?

  • In één woning woont slechts één huishouden, tenzij het mantelzorg betreft.
  • Vrije beroepen en overige aan huis verbonden bedrijven mogen niet meer dan 40% van het grondgebonden oppervlak van de woning beslaan, met een maximum van 70 m².
  • Voor het hobbymatig houden van paarden geldt een maximum van 5 paarden op een perceel van minimaal 1.500 m².
  • Landschappelijke inpassing, zoals het planten van bomen en beplanting, moet binnen een jaar na ingebruikname van de gronden voor paarden gerealiseerd en in stand gehouden worden.

Vastgoed- en bouwrecht

8

Vastgoed- en bouwrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (455)
  1. Artikel 1.1
  2. Artikel 21.1
  3. Artikel 21.2
  4. Artikel 21.3
  5. Artikel 21.4
  6. Artikel 21.5
  7. Artikel 21.6
  8. Artikel 21.7
  9. Artikel 21.8
  10. Artikel 21.9
  11. Artikel 21.10
  12. Artikel 21.11
  13. Artikel 21.12
  14. Artikel 21.13
  15. Artikel 21.14
  16. Artikel 21.15
  17. Artikel 21.16
  18. Artikel 21.17
  19. Artikel 21.18
  20. Artikel 21.19
  21. Artikel 21.20
  22. Artikel 21.21
  23. Artikel 21.22
  24. Artikel 21.23
  25. Artikel 21.24
  26. Artikel 21.25
  27. Artikel 21.26
  28. Artikel 21.27
  29. Artikel 21.28
  30. Artikel 21.29
  31. Artikel 21.30
  32. Artikel 21.31
  33. Artikel 21.32
  34. Artikel 21.33
  35. Artikel 21.34
  36. Artikel 21.35
  37. Artikel 21.36
  38. Artikel 21.37
  39. Artikel 21.38
  40. Artikel 21.39
  41. Artikel 21.40
  42. Artikel 21.41
  43. Artikel 21.42
  44. Artikel 21.43
  45. Artikel 21.44
  46. Artikel 21.45
  47. Artikel 21.46
  48. Artikel 21.47
  49. Artikel 21.48
  50. Artikel 21.49
  51. Artikel 21.50
  52. Artikel 21.51
  53. Artikel 21.52
  54. Artikel 21.53
  55. Artikel 21.54
  56. Artikel 21.55
  57. Artikel 21.56
  58. Artikel 21.57
  59. Artikel 21.58
  60. Artikel 21.59
  61. Artikel 21.60
  62. Artikel 21.61
  63. Artikel 21.62
  64. Artikel 21.63
  65. Artikel 21.64
  66. Artikel 21.65
  67. Artikel 21.66
  68. Artikel 21.67
  69. Artikel 21.68
  70. Artikel 21.69
  71. Artikel 21.70
  72. Artikel 21.71
  73. Artikel 21.72
  74. Artikel 21.73
  75. Artikel 21.74
  76. Artikel 21.75
  77. Artikel 21.76
  78. Artikel 21.77
  79. Artikel 21.78
  80. Artikel 21.79
  81. Artikel 21.80
  82. Artikel 21.81
  83. Artikel 21.82
  84. Artikel 21.83
  85. Artikel 21.84
  86. Artikel 21.85
  87. Artikel 21.86
  88. Artikel 21.87
  89. Artikel 21.88
  90. Artikel 21.89
  91. Artikel 21.90
  92. Artikel 21.91
  93. Artikel 21.92
  94. Artikel 21.93
  95. Artikel 21.94
  96. Artikel 21.95
  97. Artikel 21.96
  98. Artikel 21.97
  99. Artikel 21.98
  100. Artikel 21.99
  101. Artikel 21.100
  102. Artikel 21.101
  103. Artikel 21.102
  104. Artikel 21.103
  105. Artikel 21.104
  106. Artikel 21.105
  107. Artikel 21.106
  108. Artikel 21.107
  109. Artikel 21.108
  110. Artikel 21.109
  111. Artikel 21.110
  112. Artikel 21.111
  113. Artikel 21.112
  114. Artikel 21.113
  115. Artikel 21.114
  116. Artikel 21.115
  117. Artikel 21.116
  118. Artikel 21.117
  119. Artikel 21.118
  120. Artikel 21.119
  121. Artikel 21.120
  122. Artikel 21.121
  123. Artikel 21.122
  124. Artikel 21.123
  125. Artikel 21.124
  126. Artikel 21.125
  127. Artikel 21.126
  128. Artikel 21.127
  129. Artikel 21.128
  130. Artikel 21.129
  131. Artikel 21.130
  132. Artikel 21.131
  133. Artikel 21.132
  134. Artikel 21.133
  135. Artikel 21.134
  136. Artikel 21.135
  137. Artikel 21.136
  138. Artikel 21.137
  139. Artikel 21.138
  140. Artikel 21.139
  141. Artikel 21.140
  142. Artikel 21.141
  143. Artikel 21.142
  144. Artikel 21.143
  145. Artikel 21.144
  146. Artikel 21.145
  147. Artikel 21.146
  148. Artikel 21.147
  149. Artikel 21.148
  150. Artikel 21.149
  151. Artikel 22.1
  152. Artikel 22.2
  153. Artikel 22.3
  154. Artikel 22.4
  155. Artikel 22.5
  156. Artikel 22.6
  157. Artikel 22.7
  158. Artikel 22.8
  159. Artikel 22.9
  160. Artikel 22.10
  161. Artikel 22.11
  162. Artikel 22.12
  163. Artikel 22.13
  164. Artikel 22.14
  165. Artikel 22.15
  166. Artikel 22.16
  167. Artikel 22.17
  168. Artikel 22.18
  169. Artikel 22.19
  170. Artikel 22.20
  171. Artikel 22.21
  172. Artikel 22.22
  173. Artikel 22.23
  174. Artikel 22.24
  175. Artikel 22.25
  176. Artikel 22.26
  177. Artikel 22.27
  178. Artikel 22.28
  179. Artikel 22.29
  180. Artikel 22.30
  181. Artikel 22.31
  182. Artikel 22.32
  183. Artikel 22.33
  184. Artikel 22.34
  185. Artikel 22.35
  186. Artikel 22.36
  187. Artikel 22.37
  188. Artikel 22.38
  189. Artikel 22.39
  190. Artikel 22.40
  191. Artikel 22.41
  192. Artikel 22.42
  193. Artikel 22.43
  194. Artikel 22.44
  195. Artikel 22.45
  196. Artikel 22.46
  197. Artikel 22.47
  198. Artikel 22.48
  199. Artikel 22.49
  200. Artikel 22.50
  201. Artikel 22.51
  202. Artikel 22.52
  203. Artikel 22.53
  204. Artikel 22.54
  205. Artikel 22.55
  206. Artikel 22.56
  207. Artikel 22.57
  208. Artikel 22.58
  209. Artikel 22.59
  210. Artikel 22.60
  211. Artikel 22.61
  212. Artikel 22.62
  213. Artikel 22.63
  214. Artikel 22.64
  215. Artikel 22.65
  216. Artikel 22.66
  217. Artikel 22.67
  218. Artikel 22.68
  219. Artikel 22.69
  220. Artikel 22.70
  221. Artikel 22.71
  222. Artikel 22.72
  223. Artikel 22.73
  224. Artikel 22.74
  225. Artikel 22.75
  226. Artikel 22.76
  227. Artikel 22.77
  228. Artikel 22.78
  229. Artikel 22.79
  230. Artikel 22.80
  231. Artikel 22.81
  232. Artikel 22.82
  233. Artikel 22.83
  234. Artikel 22.84
  235. Artikel 22.85
  236. Artikel 22.86
  237. Artikel 22.87
  238. Artikel 22.88
  239. Artikel 22.89
  240. Artikel 22.90
  241. Artikel 22.91
  242. Artikel 22.92
  243. Artikel 22.93
  244. Artikel 22.94
  245. Artikel 22.95
  246. Artikel 22.96
  247. Artikel 22.97
  248. Artikel 22.98
  249. Artikel 22.99
  250. Artikel 22.100
  251. Artikel 22.101
  252. Artikel 22.102
  253. Artikel 22.103
  254. Artikel 22.104
  255. Artikel 22.105
  256. Artikel 22.106
  257. Artikel 22.107
  258. Artikel 22.108
  259. Artikel 22.109
  260. Artikel 22.110
  261. Artikel 22.111
  262. Artikel 22.112
  263. Artikel 22.113
  264. Artikel 22.114
  265. Artikel 22.115
  266. Artikel 22.116
  267. Artikel 22.117
  268. Artikel 22.118
  269. Artikel 22.119
  270. Artikel 22.120
  271. Artikel 22.121
  272. Artikel 22.122
  273. Artikel 22.123
  274. Artikel 22.124
  275. Artikel 22.125
  276. Artikel 22.126
  277. Artikel 22.127
  278. Artikel 22.128
  279. Artikel 22.129
  280. Artikel 22.130
  281. Artikel 22.131
  282. Artikel 22.132
  283. Artikel 22.133
  284. Artikel 22.134
  285. Artikel 22.135
  286. Artikel 22.136
  287. Artikel 22.137
  288. Artikel 22.138
  289. Artikel 22.139
  290. Artikel 22.140
  291. Artikel 22.141
  292. Artikel 22.142
  293. Artikel 22.143
  294. Artikel 22.144
  295. Artikel 22.145
  296. Artikel 22.146
  297. Artikel 22.147
  298. Artikel 22.148
  299. Artikel 22.149
  300. Artikel 22.150
  301. Artikel 22.151
  302. Artikel 22.152
  303. Artikel 22.153
  304. Artikel 22.154
  305. Artikel 22.155
  306. Artikel 22.156
  307. Artikel 22.157
  308. Artikel 22.158
  309. Artikel 22.159
  310. Artikel 22.160
  311. Artikel 22.161
  312. Artikel 22.162
  313. Artikel 22.163
  314. Artikel 22.164
  315. Artikel 22.165
  316. Artikel 22.166
  317. Artikel 22.167
  318. Artikel 22.168
  319. Artikel 22.169
  320. Artikel 22.170
  321. Artikel 22.171
  322. Artikel 22.172
  323. Artikel 22.173
  324. Artikel 22.174
  325. Artikel 22.175
  326. Artikel 22.176
  327. Artikel 22.177
  328. Artikel 22.178
  329. Artikel 22.179
  330. Artikel 22.180
  331. Artikel 22.181
  332. Artikel 22.182
  333. Artikel 22.183
  334. Artikel 22.184
  335. Artikel 22.185
  336. Artikel 22.186
  337. Artikel 22.187
  338. Artikel 22.188
  339. Artikel 22.189
  340. Artikel 22.190
  341. Artikel 22.191
  342. Artikel 22.192
  343. Artikel 22.193
  344. Artikel 22.194
  345. Artikel 22.195
  346. Artikel 22.196
  347. Artikel 22.197
  348. Artikel 22.198
  349. Artikel 22.199
  350. Artikel 22.200
  351. Artikel 22.201
  352. Artikel 22.202
  353. Artikel 22.203
  354. Artikel 22.204
  355. Artikel 22.205
  356. Artikel 22.206
  357. Artikel 22.207
  358. Artikel 22.208
  359. Artikel 22.209
  360. Artikel 22.210
  361. Artikel 22.211
  362. Artikel 22.212
  363. Artikel 22.213
  364. Artikel 22.214
  365. Artikel 22.215
  366. Artikel 22.216
  367. Artikel 22.217
  368. Artikel 22.218
  369. Artikel 22.219
  370. Artikel 22.220
  371. Artikel 22.221
  372. Artikel 22.222
  373. Artikel 22.223
  374. Artikel 22.224
  375. Artikel 22.225
  376. Artikel 22.226
  377. Artikel 22.227
  378. Artikel 22.228
  379. Artikel 22.229
  380. Artikel 22.230
  381. Artikel 22.231
  382. Artikel 22.232
  383. Artikel 22.233
  384. Artikel 22.234
  385. Artikel 22.235
  386. Artikel 22.236
  387. Artikel 22.237
  388. Artikel 22.238
  389. Artikel 22.239
  390. Artikel 22.240
  391. Artikel 22.241
  392. Artikel 22.242
  393. Artikel 22.243
  394. Artikel 22.244
  395. Artikel 22.245
  396. Artikel 22.246
  397. Artikel 22.247
  398. Artikel 22.248
  399. Artikel 22.249
  400. Artikel 22.250
  401. Artikel 22.251
  402. Artikel 22.252
  403. Artikel 22.253
  404. Artikel 22.254
  405. Artikel 22.255
  406. Artikel 22.256
  407. Artikel 22.257
  408. Artikel 22.258
  409. Artikel 22.259
  410. Artikel 22.260
  411. Artikel 22.261
  412. Artikel 22.262
  413. Artikel 22.263
  414. Artikel 22.264
  415. Artikel 22.265
  416. Artikel 22.266
  417. Artikel 22.267
  418. Artikel 22.268
  419. Artikel 22.269
  420. Artikel 22.270
  421. Artikel 22.271
  422. Artikel 22.272
  423. Artikel 22.273
  424. Artikel 22.274
  425. Artikel 22.275
  426. Artikel 22.276
  427. Artikel 22.277
  428. Artikel 22.278
  429. Artikel 22.279
  430. Artikel 22.280
  431. Artikel 22.281
  432. Artikel 22.282
  433. Artikel 22.283
  434. Artikel 22.284
  435. Artikel 22.285
  436. Artikel 22.286
  437. Artikel 22.287
  438. Artikel 22.288
  439. Artikel 22.289
  440. Artikel 22.290
  441. Artikel 22.291
  442. Artikel 22.292
  443. Artikel 22.293
  444. Artikel 22.294
  445. Artikel 22.295
  446. Artikel 22.296
  447. Artikel 22.297
  448. Artikel 22.298
  449. Artikel 22.299
  450. Artikel 22.300
  451. Artikel 22.301
  452. Artikel 22.302
  453. Artikel 22.303
  454. Artikel 23.1
  455. Artikel 4.103

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696533 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm1952/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2026-02-26 2026-02-26 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696533/nld@2026-04-10 /join/id/proces/gm1952/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm1952/2023/proceduref01ede78ebb841ff838ab47775a9298f /join/id/proces/gm1952/2024/proceduree4b3ade4a5fd4093b981004b2f0898ec /join/id/proces/gm1952/2024/procedurecb5ec43d1a094322a9f4d82dd3b83a7d /join/id/proces/gm1952/2024/procedure384f1301335a4018a84d41c3be9927a7 /join/id/proces/gm1952/2025/procedure15e29fafe99747599d9538ffb56e7139 /join/id/proces/gm1952/2025/procedure00041134bd0c47ba8f3712f492f0a8a3 /join/id/proces/gm1952/2026/procedurea8add70a0d8e4bee91bd0228575322e8 /join/id/proces/gm1952/2026/proceduref434409ec43f423cb803971b4d8ee650 2026-04-10 2026-04-24 2026-04-10 2026-04-24 2026-04-10 2026-04-24 /akn/nl/act/gm1952/2020/omgevingsplan/nld@2026-02-19;18413446 /akn/nl/act/gm1952/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm1952/2020/omgevingsplan/nld@2026-02-19;18413446 /join/id/stop/work_019 9 Omgevingsplan gemeente Midden-Groningen

Hoofdstuk 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1Begripsbepalingen

1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

2.

Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

3.

Bijlage IV bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van afdeling 21.1 van dit omgevingsplan.

4.

Bijlage VI bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van afdeling 21.2 van dit omgevingsplan.

5.

Bijlage VIII bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van afdeling 21.3 van dit omgevingsplan.

6.

Bijlage IX bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van afdeling 21.4 van dit omgevingsplan.

7.

Bijlage X bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van afdeling 21.5 van dit omgevingsplan.

8.

Bijlage XI bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van afdeling 21.6 van dit omgevingsplan.

9.

Bijlage XII bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van afdeling 21.7 van dit omgevingsplan.

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 7

Hoofdstuk 8

Hoofdstuk 9

Hoofdstuk 10

Hoofdstuk 11

Hoofdstuk 12

Hoofdstuk 13

Hoofdstuk 14

Hoofdstuk 15

Hoofdstuk 16

Hoofdstuk 17

Hoofdstuk 18

Hoofdstuk 19

Hoofdstuk 20

Hoofdstuk 21

ONTWIKKELINGEN TIJDENS TRANSITIEFASE

Afdeling 21.1

Noordbroek - Noorderstraat 20

Paragraaf 21.1.1

Algemeen

Artikel 21.1Toepassingsbereik

Afdeling 21.1 gaat over activiteiten die plaatsvinden in het gebied H21 - Noordbroek - Noorderstraat 20.

Artikel 21.2Voorrangsbepaling

1.

De volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan hebben voorrang op de regels in deze afdeling: a. de regels van het Facetbestemmingsplan Parkeren, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 28-11-2019, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigparkeren-va01; b. de regels van het Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 20-12-2018, met identificatienummer NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01; c. de regels betreffende de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Landschap en cultuurhistorie’ en ‘Waarde – Grootschalig open landschap’ en de algemene en overgangsregels in het bestemmingsplan Dorpen Menterwolde, van de voormalige gemeente Menterwolde, vastgesteld op 30-11-2017, met identificatienummer NL.IMRO.1987.BPDorpen2017-0401.

2.

De regels in deze afdeling gaan voor op de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan: a. de regels betreffende de enkelbestemmingen en de inleidende regels van het bestemmingsplan Dorpen Menterwolde, van de voormalige gemeente Menterwolde, vastgesteld op 30-11-2017, met identificatienummer NL.IMRO.1987.BPDorpen2017-0401; b. de regels van het Facetbestemmingsplan Paarden, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 25-04-2024, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigpaarden-va01.

Paragraaf 21.1.2

Gebruiksactiviteiten

Artikel 21.3Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Wonen in het gebied H21 - Wonen - Noordbroek - Noorderstraat 20.

Artikel 21.4Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 21.5Functie Wonen

Ter plaatse van de functie Wonen in het gebied Wonen Noordbroek - Noorderstraat 20 is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. wonen, al dan niet in combinatie met een vrij beroep of een overig aan huis verbonden bedrijf, en daaraan ondergeschikt:

1.groenvoorzieningen en (berging van) water;
2.parkeervoorzieningen;
3.wegen met een functie voor intern verkeer;
4.fiets- en voetpaden;
5.openbare nutsvoorzieningen;
6.het hobbymatig houden van paarden uitsluitend in het gebied H21 - Hobbymatig paarden houden - Noordbroek - Noorderstraat 20.

Artikel 21.6Algemene regels over wonen

1.

In één woning woont slechts één huishouden.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid geldt als één huishouden ook een huishouden dat mantelzorg verleent, waarbij de ontvanger van mantelzorg in de woning woont of in een gebouw dat bij de woning hoort.

3.

Het is verboden een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een woning te gebruiken voor bewoning, anders dan in de vorm van mantelzorg.

4.

Het volgende gebruik is bij wonen verboden: a. het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk voor horeca en detailhandel; b. het gebruik van gronden en opstallen voor reclamedoeleinden anders dan voor het op de gronden gevestigde bedrijf; c. het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, tenzij de opslag noodzakelijk is voor de uitvoering van toegelaten bouwactiviteiten en aanlegactiviteiten; d. het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; e. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting; f. aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken vaar-, vlieg- of voertuigen te stallen of op te slaan; g. kampeermiddelen te stallen; h. vrijstaande gebouwen, niet zijnde het hoofdgebouw, te gebruiken als woning; i. kamers te verhuren.

Artikel 21.7Algemene regels over vrij beroep

1.

Vrije beroepen zijn in ieder geval: a. advocaat; b. accountant-administratieconsulent; c. acupuncturist; d. alternatieve genezer; e. bouwkundig architect; f. belastingconsulent; g. dierenarts (kleine huisdieren); h. fysiotherapeut; i. gerechtsdeurwaarder; j. grafisch ontwerper / webdesigner; k. huidtherapeut; l. huisarts; m. interieurarchitect; n. juridisch adviseur; o. kunstschilder / kunstenaar; p. logopedist; q. makelaar; r. medisch specialist; s. notaris; t. oefentherapeut Cesar / Mensendieck; u. organisatieadviseur; v. orthopedagoog; w. psycholoog; x. raadgevend adviseur; y. redacteur; z. registeraccountant; aa. stedenbouwkundige; ab. tandarts; ac. tandartsspecialist; ad. tolk-vertaler (al dan niet beëdigd) ae. tuin- en landschapsarchitect; af. verloskundige.

2.

Een vrij beroep wordt uitgeoefend door niet minder dan één van de bewoners van de woning.

3.

Er mag niet meer dan één arbeidskracht, niet zijnde de bewoner, werkzaam zijn.

4.

Bij het uitoefenen van een vrij beroep blijft de woonfunctie in overwegende mate behouden.

5.

Een vrij beroep mag worden uitgeoefend op niet meer dan 40% van het grondgebonden oppervlak van de woning.

6.

Een vrij beroep mag niet worden uitgeoefend op meer dan 70 m².

7.

Bij het uitoefenen van een vrij beroep mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden.

8.

Er is geen sprake van buitenopslag.

9.

Parkeren ten behoeve van het vrije beroep gebeurt op eigen terrein.

10.

Het vrije beroep wordt alleen inpandig uitgeoefend.

11.

De specifieke zorgplicht houdt voor het uitoefenen van een vrij beroep in ieder geval in dat degene die het vrije beroep uitoefent en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de activiteit verkeersoverlast veroorzaakt verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze hinder te voorkomen of niet te laten voortduren.

Artikel 21.8Algemene regels over overig aan huis verbonden bedrijf

1.

Onder een overig aan huis verbonden bedrijf wordt in ieder geval begrepen: a. autorijschool (geen theorie); b. bloemschikker; c. computerservice; d. decorateur; e. fietsenreparateur; f. fotograaf; g. goud- en zilversmid; h. glazenwasser; i. hoedenmaker; j. hondentrimmer; k. instrumentenmaker; l. kaarsenmaker; m. kapper; n. klompenmaker; o. klussenbedrijf (zonder be- en verwerkende activiteiten op het perceel); p. koeriersdienst (van ten hoogste één auto); q. lijstenmaker; r. loodgieter; s. meubelmaker; t. muziekinstrumentenmaker; u. nagelstudio; v. pedicure; w. manicure; x. pottenbakker; y. prothesemaker; z. reisorganisatie zonder reisbureau met etalagefunctie; aa. reparatie van kleine consumentenartikelen; ab. schoonheidsspecialist; ac. schilder; ad. traiteur; ae. taxibedrijf (van ten hoogste één auto); af. tussenpersoon/commissionair; ag. zadelmaker; ah. hobbymatige activiteiten die qua aard en omvang vergelijkbaar zijn met bovenstaande aan huis verbonden bedrijven; ai. hobbymatige exposities en musea; en aj. bedrijfsmatige activiteiten welke naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met de hierboven genoemde bedrijfsmatige activiteiten.

2.

Een overig aan huis verbonden bedrijf wordt uitgeoefend door niet minder dan één van de bewoners van de woning.

3.

Er mag niet meer dan één arbeidskracht, niet zijnde de bewoner, werkzaam zijn.

4.

Bij het uitoefenen van een overig aan huis verbonden bedrijf blijft de woonfunctie in overwegende mate behouden.

5.

Een overig aan huis verbonden bedrijf mag worden uitgeoefend op niet meer dan 40% van het grondgebonden oppervlak van de woning.

6.

Een overig aan huis verbonden bedrijf mag niet worden uitgeoefend op meer dan 70 m².

7.

Er mag geen detailhandel plaatsvinden anders dan beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit van en direct in verband staande met het overig aan huis verbonden bedrijf en een iinternetwinkel.

8.

Het overige aan huis verbonden bedrijf mag geen meldingsplichtige of vergunningsplichtige activiteit in de zin van het Besluit activiteiten leefomgeving of hoofdstuk 22 zijn.

9.

Bij het uitoefenen van eenoverig aan huis verbonden bedrijf mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden.

10.

Parkeren ten behoeve van het overige aan huis verbonden bedrijf gebeurt op eigen terrein.

11.

Er is geen sprake van buitenopslag.

12.

Een werkplaats is niet toegestaan.

Artikel 21.9Algemene regels over het hobbymatig houden van paarden

1.

Het hobbymatig houden van paarden is alleen toegestaan in combinatie met een (bedrijfs)woning.

2.

De oppervlakte van het (woon)perceel is minimaal 1.500 m².

3.

Er mogen maximaal 5 paarden worden gehouden.

4.

De woonuitstraling van het woonperceel blijft behouden.

5.

Alle bijbehorende voorzieningen worden achter de voorgevel van de woning gerealiseerd, waarbij wordt gestreefd naar clustering.

6.

De activiteiten en de daarbij behorende voorzieningen bevinden zich op een afstand van minimaal 30 m van de uiterste situering van een hindergevoelig gebouw van derden en niet achter het woonperceel van derden.

7.

Alleen tussen 7.00 uur en 22.00 uur wordt gebruik gemaakt van verlichting.

8.

Lichtmasten schijnen niet in de richting van woningen van derden.

Artikel 21.10Voorwaardelijke verplichting

Het gebruik voor het hobbymatig houden van paarden overeenkomstig artikel 21.9 en het bouwen voor het hobbymatig houden van paarden overeenkomstig artikel 21.18 mag niet plaatsvinden zonder dat de landschappelijke inpassing, door het planten van de bomen en de beplanting zoals aangegeven in bijlage V, is gerealiseerd binnen een termijn van een jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden, en in stand wordt gehouden.

Artikel 21.11Algemene regels over archeologisch waardevol gebied

Het gebruik van gronden in het gebied H21 - Archeologisch waardevol gebied - Noordbroek - Noorderstraat 20 waarbij sprake is van een permanente verlaging van het waterpeil, is alleen mogelijk indien rekening is gehouden met het belang van de archeologische waarden. Dit is het geval indien: a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht wordt genomen:

1.een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
2.een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen;
3.een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.

Paragraaf 21.1.3

Bouwactiviteiten

Artikel 21.12Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op bouwactiviteiten.

Artikel 21.13Meetbepalingen

1.

Bij het toepassen van de regels in deze paragraaf wordt op de volgende wijze gemeten: a. afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel: vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel; b. bouwhoogte: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; c. dakhelling van een bouwwerk: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; d. goothoogte: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; e. oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.

Ondergeschikte bouwdelen zijn, mits de overschrijding niet meer dan 1 m ten opzichte van de bouwgrens bedraagt: a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 2 m2 of kleiner; b. overstekende daken; c. luifels als geïntegreerd onderdeel van een uitbouw.

Artikel 21.14Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over: a. de plaats van gebouwen in die zin dat de gebouwen in de naar de weg gekeerde bouwgrens moeten worden gebouwd; b. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een grotere horizontale oppervlakte dan 6 m² en/of een grotere hoogte dan 1,5 m, voor zover wordt gebouwd buiten het bouwvlak; c. de situering, de oppervlakte en de verschijningsvorm van een paardenbak en de verlichting van de paardenbak.

2.

Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op het voorkomen van onevenredige aantasting van: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het bebouwingsbeeld; c. de verkeersveiligheid.

3.

Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid, onder c wordt gesteld met het oog op een goede landschappelijke inpassing zoals omschreven in de Beleidsnotitie Paardenhouderijen.

Artikel 21.15Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen

Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. het aantal woningen is niet meer dan het bestaande aantal woningen per bouwperceel; b. een hoofdgebouw wordt gebouwd binnen het H21 - bouwvlak - Noorderstraat 20 in een strook gemeten vanuit de naar de weg gekeerde bouwgrens met een diepte van ten hoogste 15 m en een breedte van ten hoogste 20 m, dan wel ten hoogste de diepte van de strook waarbinnen een bestaand hoofdgebouw is gebouwd indien deze meer bedraagt; c. een hoofdgebouw wordt geplaatst in de naar de weg gekeerde bouwgrens, dan wel op ten hoogste de bestaande afstand van die bouwgrens; d. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens is niet minder dan 3 m, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is. Het voorgaande geldt niet voor de aangebouwde zijden van aaneen gebouwde woningen; e. de goot- en bouwhoogte zijn ten hoogste respectievelijk 3,5 m en 9 m, dan wel de bestaande hoogten indien deze meer zijn; f. de dakhelling is minimaal 40o, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder is; g. ten hoogste 50% van een bouwperceel mag worden bebouwd, met een maximum van 200 m² per hoofdgebouw, dan wel ten hoogste de oppervlakte van het bestaande hoofdgebouw indien deze meer bedraagt; h. aanbouwen en uitbouwen dienen aan het hiervoor gestelde te voldoen, dan wel aan het gestelde in artikel 21.16.

Artikel 21.16Beoordelingsregels omgevingsvergunning bijbehorend bouwwerk

Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken moeten binnen het H21 - bouwvlak - Noorderstraat 20 worden gebouwd, dan wel in een strook gemeten vanuit de naar de weg gekeerde bouwgrens met een diepte van ten hoogste 30 m; b. de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan is ten minste 3 m, dan wel niet minder dan de bestaande afstand indien deze minder bedraagt; c. de goot- en bouwhoogte zijn ten hoogste respectievelijk 3 m en 6 m, dan wel de bestaande hoogten indien deze meer bedragen; d. in afwijking van het gestelde onder c geldt dat de bouwhoogte in een strook van 3 m vanuit de de bouwperceelgrens niet meer bedraagt dan 3 m, met daarbij opgeteld de afstand van het bijbehorend bouwwerk tot deze grens; e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken is niet meer dan:

1.

60 m², indien de oppervlakte van een bouwperceel minder bedraagt dan 1.000m²;

2.

80 m², indien de oppervlakte van een bouwperceel meer bedraagt dan 1.000 m²; f. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken is in ieder geval niet meer dan 80% van de oppervlakte van het hoofdgebouw en niet meer dan 50% van het bouwperceel, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is, wordt bebouwd.

Artikel 21.17Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. de bouwhoogte van een erf- of perceelafscheiding is voor de voorgevelrooilijn niet hoger dan 1 m, en daarachter niet hoger dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte op zijerven die grenzen aan openbaar toegankelijk gebied op een afstand van 1 m of minder uit de perceelsgrens ten hoogste 1 m is; b. de bouwhoogte van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde is niet hoger dan 3 m.

Artikel 21.18Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerken ten behoeve van hobbymatig paarden houden

Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. het bouwen van bouwwerken ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden is uitsluitend toegestaan in het gebied H21 - Hobbymatig paarden houden - Noordbroek - Noorderstraat 20; b. de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden is maximaal 100 m²; c. maximaal 75 m² van de oppervlakte van gebouwen mag worden gebruikt voor het stallen van paarden; d. de in sub b en c bedoelde oppervlakte wordt niet betrokken bij de in artikel 21.16 sub e en f bedoelde gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een woning; e. de goot- en bouwhoogte van gebouwwen ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden is respectievelijk 3 m en 6 m, dan wel de bestaande hoogten indien deze meer bedragen; f. de oppervlakte van een paardenbox is minimaal 10 m²; g. voor het bouwen van een paardenbak gelden de volgende regels:

1.er mag alleen een paardenbak worden gebouwd op een woonperceel met oppervlakte van minimaal 1.500 m²;
2.er mag maximaal één paardenbak worden gebouwd;
3.de oppervlakte van een paardenbak is maximaal:

I.

800 m² op percelen groter dan 1.500 m²;

II.

1.200 m² op percelen groter dan 2.000 m²; h. voor het bouwen van lichtmasten bij een paardenbak gelden de volgende regels:

1.het aantal lichtmasten is maximaal:

I.

4 bij een paardenbak van maximaal 800 m²;

II.

6 bij een paardenbak van maximaal 1.200 m²;

2.de bouwhoogte is maximaal 6 m;
3.een lichtmast wordt gericht op de paardenbak; i. de bouwhoogte van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden, zoals de omheining van een paardenbak, is maximaal 2 m.

Artikel 21.19Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van artikelen 21.15 tot en met 21.17 ook in de volgende gevallen verleend, onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, stedenbouwkundige karakteristieke gebouwen, landschap, natuur en milieu: a. een hoofdgebouw wordt geplaatst achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, mits binnen het H21 - bouwvlak - Noorderstraat 20 wordt gebouwd; b. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens is niet minder dan 2 m; c. een bijbehorend bouwwerk mag tot de bouwgrens worden gebouwd, dan wel tot 3 m voor de bouwgrens; d. de bouwhoogte is maximaal 6 m; e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorend bouwwerken is:

1.maximaal 80 m², indien de oppervlakte van een bouwperceel minder dan 1.000 m² bedraagt;
2.maximaal 100 m², indien de oppervlakte van een bouwperceel meer dan 1.000 m² bedraagt; f. de bouwhoogte van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde is niet hoger dan 5 m, met dien verstande dat de bouw van reclamemasten niet is toegestaan.

Artikel 21.20Aanvullende beoordelingsregel archeologisch waardevol gebied

1.

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² waarbij de bodem dieper dan 40 cm onder het maaiveld wordt geroerd, wordt in het gebied H21 - Archeologisch waardevol gebied - Noordbroek - Noorderstraat 20 alleen verleend als uit een door de aanvrager overlegd rapport blijkt dat: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

2.

De aanvullende beoordelingsregel in het eerste lid is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende bouwactiviteiten of bouwwerken: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 200 m²; c. een bouwwerk dat kan worden geplaatst zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm uit te voeren.

3.

Aan de omgevingsvergunning bedoeld in artikel 22.26 die is verleend met toepassing van het eerste lid kunnen één of meer van de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de bouwactiviteiten die leiden tot bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 21.1.4

Aanlegactiviteiten

Artikel 21.21Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op aanlegactiviteiten.

Artikel 21.22Aanvraagvereisten aanlegactiviteiten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van deze paragraaf.

Artikel 21.23Vergunningplicht aanlegactiviteiten

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten in het gebied H21 - Archeologisch waardevol gebied - Noordbroek - Noorderstraat 20: a. het ontgronden, afgraven, afplaggen, egaliseren en ophogen van gronden; b. het woelen, mengen, diepploegen of ontginnen van gronden of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking dieper dan 40 cm; c. het dempen, graven, verdiepen of verbreden van watergangen en waterpartijen; d. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden; e. het planten van bomen, of het rooien van bomen waarbij stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en/of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

2.

De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op aanlegactiviteiten die: a. het normale onderhoud betreffen; b. de aanleg van drainage betreffen; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van afdeling 21.1 Noordbroek - Noorderstraat 20; d. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; e. niet dieper gaan dan 40 cm beneden het maaiveld of een kleinere oppervlakte dan 200 m² beslaan; f. als al uit een door het bevoegd gezag getoetst en goedgekeurd rapport blijkt dat geen waarden worden verstoord.

3.

De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als uit een door de aanvrager overlegd rapport blijkt dat: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

4.

Ten behoeve van de beoordeling van de omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige.

5.

Aan de omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid die is verleend met toepassing van het derde lid kunnen één of meer van de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de aanlegactiviteiten die leiden tot bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 21.1.5

Overgangsrecht Noordbroek - Noorderstraat 20

Artikel 21.24Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het overgangsrecht voor gebruik en voor bouwen in het gebied H21 - Noordbroek - Noorderstraat 20.

Artikel 21.25Overgangsrecht gebruiksactiviteiten

1.

Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.1 Noordbroek - Noorderstraat 20 en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2.

Het is verboden het met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3.

Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.1 Noordbroek - Noorderstraat 20 voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of laten hervatten.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a Omgevingswet en artikel 4.6, eerste lid, onder g Omgevingswet, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Artikel 21.26Overgangsrecht bouwactiviteiten

1.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.1 Noordbroek - Noorderstraat 20 aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd op grond van een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken en afwijkt van deze wijziging, mag, onder de voorwaarden dat de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, onder de voorwaarden dat de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.

2.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.1 Noordbroek - Noorderstraat 20, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a Omgevingswet en artikel 4.6, eerste lid, onder g Omgevingswet, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Afdeling 21.2

Kolham - Hoofdweg 42-42a

Paragraaf 21.2.1

Algemeen

Artikel 21.27Toepassingsbereik

Afdeling 21.2 gaat over activiteiten die plaatsvinden in het gebied H21 - Kolham - Hoofdweg 42-42a.

Artikel 21.28Voorrangsbepaling

1.

De volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan hebben voorrang op de regels in deze afdeling: a. de regels van het Facetbestemmingsplan Parkeren, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 28-11-2019, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigparkeren-va01; b. de regels van het Facetbestemmingsplan kleinschalige windturbines, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 21-06-2018, met identificatienummer NL.IMRO.1952.bpmigfpkleinwind-va01; c. de regels van het Facetbestemmingsplan Paarden, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 25-04-2024, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigpaarden-va01; d. de regels betreffende de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1’ en ‘Waarde - Archeologie 3’ en de algemene en overgangsregels in het Bestemmingsplan Kolham-Froombosch, van de voormalige gemeente Slochteren, vastgesteld op 04-07-2013, met identificatienummer NL.IMRO.0040.bp00026-41vg.

2.

De regels in deze afdeling gaan voor op de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan: a. de regels betreffende de enkelbestemmingen en de inleidende regels van het Bestemmingsplan Kolham-Froombosch, van de voormalige gemeente Slochteren, vastgesteld op 04-07-2013, met identificatienummer NL.IMRO.0040.bp00026-41vg.

Artikel 21.29Aanvullende aanvraagvereisten uit bruidsschat van toepassing verklaren

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van deze afdeling 21.2.

Paragraaf 21.2.2

Gebruiksactiviteiten

Artikel 21.30Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Wonen in het gebied H21 - Wonen - Kolham - Hoofdweg 42-42a.

Artikel 21.31Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 21.32Functie Wonen

Ter plaatse van de functie Wonen in het gebied Wonen Kolham - Hoofdweg 42-42a is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. wonen, al dan niet in combinatie met een vrij beroep dat voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019 van de gemeente Midden-Groningen, en daaraan ondergeschikt:

1.groenvoorzieningen;
2.nutsvoorzieningen;
3.water;
4.parkeervoorzieningen;
5.met de daarbij behorende verhardingen, tuinen, erven en additionele voorzieningen.

Artikel 21.33Algemene regels over wonen

1.

Het volgende gebruik is bij wonen verboden: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning, dan wel de mogelijkheid hiertoe door het aanwezig hebben van de benodigde essentiële woonvoorzieningen; b. het uitoefenen van een horecabedrijf, met uitzondering van het exploiteren van een theetuin; c. het gebruik van gronden als kampeerstandplaats; d. de opslag van aan hun gebruik onttrokken voer- of vaartuigen, werktuigen of machines of onderdelen daarvan, verpakkingsmaterialen, bouwmaterialen, bagger en grondspecie, afval, puin, grind of brandstoffen, anders dan in verband met normaal onderhoud of ter verwezenlijking van de functie; e. het gebruik van de gronden voor gemotoriseerde sporten; f. het hebben van reclame-uitingen die geen betrekking hebben op de op het perceel plaatsvindende niet wederrechtelijke activiteiten.

2.

Het volgende gebruik is bij wonen toegestaan: a. het gebruik van het hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen voor het uitoefenen van een bed & breakfast, mits wordt voldaan aan hetgeen is gesteld in de Beleidsregels recreatieve verblijfsaccommodaties uit de Beleidsnotitie recreatieve verblijfsaccommodaties van de gemeente Midden-Groningen; b. het gebruik van de gronden en gebouwen voor het uitoefenen van administratieve werkzaamheden met betrekking tot internetwinkels en telefonische verkoop van goederen, mits:

1.klanten niet op het perceel komen om goederen te kopen;
2.geen buitenopslag van goederen, die verband houden met de internetwinkel, plaatsvindt;
3.verkeersbewegingen vergelijkbaar zijn met die voor een woonfunctie; c. het gebruik van de bijbehorende gronden voor de stalling van ten hoogste 1 toercaravan en/of boot.

Artikel 21.34Beoordelingsregels omgevingsvergunning overig aan huis verbonden bedrijf

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en gebouwen te gebruiken voor het uitoefenen van een overig aan-huis-verbonden bedrijf.

2.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de woonfunctie in overwegende mate blijft behouden en er geen onevenredige hinder wordt toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden, waarbij moet worden voldaan aan hetgeen is gesteld in Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019.

3.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot de activiteit als bedoeld in het eerste lid, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde overig aan-huis-verbonden bedrijf wat ter plaatse zal worden uitgeoefend; b. een opgave van de arbeidskrachten van het overig aan-huis-verbonden bedrijf; c. het grondgebonden oppervlak van de woning; d. een opgave van het deel van het grondgebonden oppervlak van de woning wat voor het overig aan-huis-verbonden bedrijf zal worden gebruikt; e. in welke mate er detailhandel zal worden uitgeoefend; f. de inrichting van de parkeervoorzieningen op het eigen terrein.

Paragraaf 21.2.3

Bouwactiviteiten

Artikel 21.35Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op bouwactiviteiten.

Artikel 21.36Meetbepalingen

Bij het toepassen van de regels in deze paragraaf wordt op de volgende wijze gemeten: a. de afstand tot de perceelsgrens: wordt gemeten over de afstand vanaf enig punt van het gebouw tot de perceelsgrens waar die het kortst is; b. de afstand tussen gebouwen: wordt gemeten de afstand vanaf enig punt van een gebouw tot enig punt van een ander gebouw waar die het kortst is; c. de breedte van een gebouw: wordt gemeten tussen de buitenkanten van twee tegenover elkaar gelegen zijgevels van hetzelfde gebouw, op dat punt waar de zijgevels het verst van elkaar staan; d. de (bouw)hoogte van een bouwwerk: wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; e. de dakhelling: wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; f. de horizontale diepte van een gebouw: wordt gemeten over de kortste afstand van en tot de buitenkant van de naar de weg gekeerde gevel tot aan de buitenkant van de tegenoverliggende gevel die het verst van de weg is gelegen; g. de goothoogte van een bouwwerk: wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, druiplijn, boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; h. de inhoud van een bouwwerk: wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; i. de oppervlakte van een bouwwerk: wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Ondergrondse bouwwerken die meer dan 1 meter buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen gebouw worden gerealiseerd tellen mee in de oppervlakteregeling voor bebouwing; j. overbouwde oppervlakte: wordt gemeten door de som te nemen van de neergeslagen oppervlakten van de gedeelten van een bouwwerk, dat zich geheel boven het niveau van het maaiveld bevindt en daar niet mee gelijk ligt. Dakoverstekken, luifels, balkons e.d. die niet meer oversteken dan 0,5 meter worden niet meegeteld; k. het bebouwingspercentage: het in de planregels aangegeven percentage gemeten over dat deel van het bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd; l. het peil:

1.voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang tot het perceel direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
2.voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang tot het perceel niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
3.indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterniveau gedurende een jaar ten opzichte van NAP; tevens de waterstand die zoveel mogelijk wordt gehandhaafd en die wordt vastgelegd in een peilbesluit.

Artikel 21.37Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerken algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken dient, als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, naast de artikelen 21.38, 21.39, 21.40 en 21.41, tevens te worden voldaan aan de eisen voor gebouwen, erfinrichting, aanzichten, kleur, materiaal en duurzaamheid uit de kavelpaspoorten zoals opgenomen in bijlage VII.

Artikel 21.38Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen

Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het H21 - Bouwvlak - Kolham - Hoofdweg 42-42a worden gebouwd; b. het aantal woningen bedraagt niet meer dan 1 per bouwvlak; c. hoofdgebouwen worden vrijstaand gebouwd; d. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt in of achter de naar de weg gekeerde bouwgrens opgericht; e. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter; f. de horizontale diepte en breedte van een hoofdgebouw mogen niet minder dan 5 meter bedragen; g. de horizontale diepte en breedte van een hoofdgebouw inclusief eventuele aangebouwde bijgebouwen, mogen niet meer dan 20 respectievelijk 10 meter bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de bouwaanduidingen Diepte en Breedte de horizontale diepte en breedte van een hoofdgebouw inclusief eventueel aangebouwde bijgebouwen niet meer mag bedragen dan is aangegeven; h. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 meter; i. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 8 meter; j. de dakhelling bedraagt ten minste 45° en ten hoogste 55°; k. in aanvulling op artikel 21.38 sub h, i en j geldt dat topgevels, lijstgevels, dakkappellen en schoorstenen hiervan zijn uitgezonderd; l. het hoofdgebouw wordt afgedekt met een zadeldak, met dien verstande dat de kaprichting van het hoofdvolume haaks is ten opzichte van de weg en ter plaatse van de bouwaanduiding nokrichting evenwijdig aan rooilijn de kaprichting van het hoofdvolume evenwijdig is aan de weg; m. de toegevoegde elementen zoals dakkapellen, dakopbouwen, erkers en aanbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm (dakkapellen beslaan maximaal 40% van de lengte van het dakvlak); n. de overbouwde oppervlakte van het hoofdgebouw mag ten hoogste 150 m² bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.38, 21.39 en 21.40 ten hoogste 40% mag bedragen; o. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.38 en 21.39 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd.

Artikel 21.39Beoordelingsregels omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het H21 - Bouwvlak - Kolham - Hoofdweg 42-42a en/of binnen een afstand van ten hoogste 25 meter buiten het H21 - Bouwvlak - Kolham - Hoofdweg 42-42a worden gebouwd, mits:

1.bijgebouwen en overkappingen ten minste 4 meter achter de het voorerf worden gebouwd;
2.de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwwen en vrijstaande overkappingen op minder dan 10 meter achter het voorerf ten hoogste 30 m² bedraagt;
3.de afstand van een aangebouwd bijgebouw tot de perceelsgrens die het verst van de weg is gelegen ten minste 7,50 meter bedraagt; b. op het voorerf mogen erkers, entreeportalen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:
1.de afstand van de voorgevel van de erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorgevel van het hoofdgebouw ten hoogste 1,50 meter bedraagt, mits de horizontale diepte van het bouwperceel dat na de uitbreiding onbebouwd blijft, niet minder dan 2 meter zal bedragen;
2.de breedte ten hoogste 50% van de breedte van het bijbehorende hoofdgebouw bedraagt;
3.de overbouwde oppervlakte van het gebouw moet passen binnen de overbouwde oppervlakte genoemd in artikel 21.39, sub g, en het maximale bebouwingspercentage genoemd in artikel 21.39, sub g;
4.de hoogte niet meer dan 3 meter bedraagt; c. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 5 meter; e. het dak wordt afgedekt met kap, waarbij de dakhelling ten minste 45° en ten hoogste 55° bedraagt; f. in aanvulling op artikel 21.39, sub c, d en e geldt dat voorzover bebouwing met een bouwhoogte van meer dan 3 meter, op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, de volgende voorwaarden gelden:
1.de nokrichting mag niet meer dan 30° afwijken ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens, tenzij sprake is van bijgebouwen op twee aangrenzende bouwpercelen die met elkaar zijn verbonden of sprake is van een wolfseind dat gericht is op de zijdelingse perceelsgrens; en 2. indien het gebouw van 1 hellend dakvlak is voorzien, moet de lage gootlijn op de dichtstbijzijnde perceelsgrens zijn gericht; g. de gezamenlijke overbouwde oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 100 m2, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.38, 21.39 en 21.40 ten hoogste 40% mag bedragen; h. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.38 en 21.39 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd.

Artikel 21.40Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 100 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.38, 21.39 en 21.40 ten hoogste 40% mag bedragen; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen op het voorerf mag niet meer bedragen dan 1 meter en buiten het voorerf niet meer dan 2 meter; c. de bouwhoogte van palen en masten, niet zijnde reclamemasten, mag niet meer bedragen dan 8 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerk, geen gebouw zijnde, op het voorerf mag niet meer bedragen dan 1 meter en buiten het voorerf niet meer dan 5 meter.

Artikel 21.41Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van artikelen 21.38 tot en met 21.40 ook in de volgende gevallen verleend, onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, verkeersveiligheid, natuur en milieu, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, sociale veiligheid, stedenbouwkundige karakteristieke gebouwen, landschap: a. de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 4,50 meter, met dien verstande dat het bevoegd gezag ten aanzien van de stedebouwkundige en architectonische eigenschappen van de betreffende bebouwing respectievelijk de inpassing in de omgeving vooraf advies aan een stedenbouwkundige commissie vraagt; b. het hoofdgebouw wordt (gedeeltelijk) afgedekt met een lessenaarsdak of een platte afdekking; c. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen op minder dan 10 meter achter het voorerf bedraagt ten hoogste 50 m²; d. het bouwen van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak en/of op minder dan 3 meter uit de perceelgrens, voorzover het gaat om een uitbreiding van het hoofdgebouw binnen het gebied op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens, mits:

1.het betreffende gedeelte van het hoofdgebouw op ten minste 3 meter achter het voorerf wordt gebouwd;
2.de maatvoering van de bebouwing, met uitzondering van de bouwhoogte, ter plaatse voldoet aan het bepaalde in artikel 21.39 sub c, d, e en f.

Paragraaf 21.2.4

Aanlegactiviteiten

Artikel 21.42Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op aanlegactiviteiten.

Artikel 21.43Beoordelingsregels omgevingsvergunning aanlegactiviteiten

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten in het gebied H21 - aanlegactiviteiten - Kolham - Hoofdweg 42-42a: a. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; b. het graven in de grond waardoor wortels van bomen worden beschadigd.

2.

De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op aanlegactiviteiten die: a. het normale beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdweg 42-42a; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een ten tijde van de inwerkingtreding van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdweg 42-42a reeds verleende omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit.

3.

De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden.

Paragraaf 21.2.5

Overgangsrecht Kolham - Hoofdweg 42-42a

Artikel 21.44Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het overgangsrecht voor gebruik en voor bouwen in het gebied H21 - Kolham - Hoofdweg 42-42a.

Artikel 21.45Overgangsrecht gebruiksactiviteiten

1.

Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdstraat 42-42a en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2.

Het is verboden het met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3.

Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdstraat 42-42a voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of laten hervatten.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Artikel 21.46Overgangsrecht bouwactiviteiten

1.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdweg 42-42a aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd op grond van een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken en afwijkt van deze wijziging, mag, onder de voorwaarden dat de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, onder de voorwaarden dat de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.

2.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.2 Kolham - Hoofdweg 42-42a , maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Afdeling 21.3

Slochteren - Hoofdweg 200/202

Paragraaf 21.3.1

Algemeen

Artikel 21.47Toepassingsbereik Slochteren - Hoofdweg 200/202

Afdeling 21.3 gaat over activiteiten die plaatsvinden in het gebied H21 - Slochteren - Hoofdweg 200/202.

Artikel 21.48Voorrangsbepaling Slochteren - Hoofdweg 200/202

1.

De volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan hebben voorrang op de regels in deze afdeling: a. de regels van het Facetbestemmingsplan kleinschalige windturbines, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 21-06-2018, met identificatienummer NL.IMRO.1952.bpmigfpkleinwind-va01; b. de regels van het Facetbestemmingsplan Parkeren, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 28-11-2019, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigparkeren-va01; c. de regels van het Facetbestemmingsplan Paarden, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 25-04-2024, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigpaarden-va01; d. de regels betreffende de algemene en overgangsregels van het Bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde, van de voormalige gemeente Slochteren, vastgesteld op 28-06-2012, met identificatienummer NL.IMRO.0040.bp00018-61oh.

2.

De regels in deze afdeling gaan voor op de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan: a. de regels betreffende de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’, enkelbestemmingen en de inleidende regels van het Bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde, van de voormalige gemeente Slochteren, vastgesteld op 28-06-2012, met identificatienummer NL.IMRO.0040.bp00018-61oh.

Artikel 21.49Aanvullende aanvraagvereisten uit bruidsschat van toepassing verklaren Slochteren - Hoofdweg 200/202

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van deze afdeling 21.3.

Paragraaf 21.3.2

Gebruiksactiviteiten

Artikel 21.50Toepassingsbereik Slochteren - Hoofdweg 200/202

Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Wonen in het gebied H21 - Wonen - Slochteren - Hoofdweg 200/202.

Artikel 21.51Algemeen gebruiksverbod Slochteren - Hoofdweg 200/202

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 21.52Functie Wonen Slochteren - Hoofdweg 200/202

Ter plaatse van de functie Wonen in het gebied Wonen Slochteren - Hoofdweg 200/202 is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. wonen, al dan niet in combinatie met een vrij beroep dat voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019 van de gemeente Midden-Groningen, en daaraan ondergeschikt:

1.groenvoorzieningen;
2.nutsvoorzieningen;
3.water;
4.parkeervoorzieningen;
5.met de daarbij behorende verhardingen, tuinen, erven en additionele voorzieningen.

Artikel 21.53Algemene regels over wonen Slochteren - Hoofdweg 200/202

1.

Het volgende gebruik is bij wonen verboden: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning, dan wel de mogelijkheid hiertoe door het aanwezig hebben van de benodigde essentiële woonvoorzieningen; b. het uitoefenen van een horecabedrijf, met uitzondering van het exploiteren van een theetuin; c. het gebruik van gronden als kampeerstandplaats; d. de opslag van aan hun gebruik onttrokken voer- of vaartuigen, werktuigen of machines of onderdelen daarvan, verpakkingsmaterialen, bouwmaterialen, bagger en grondspecie, afval, puin, grind of brandstoffen, anders dan in verband met normaal onderhoud of ter verwezenlijking van de functie; e. het gebruik van de gronden voor gemotoriseerde sporten; f. het hebben van reclame-uitingen die geen betrekking hebben op de op het perceel plaatsvindende niet wederrechtelijke activiteiten.

2.

Het volgende gebruik is bij wonen toegestaan: a. het gebruik van het hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen voor het uitoefenen van een bed & breakfast, mits wordt voldaan aan hetgeen is gesteld in de Beleidsregels recreatieve verblijfsaccommodaties uit de Beleidsnotitie recreatieve verblijfsaccommodaties van de gemeente Midden-Groningen; b. het gebruik van de gronden en gebouwen voor het uitoefenen van administratieve werkzaamheden met betrekking tot internetwinkels en telefonische verkoop van goederen, mits:

1.klanten niet op het perceel komen om goederen te kopen;
2.geen buitenopslag van goederen, die verband houden met de internetwinkel, plaatsvindt;
3.verkeersbewegingen vergelijkbaar zijn met die voor een woonfunctie; c. het gebruik van de bijbehorende gronden voor de stalling van ten hoogste 1 toercaravan en/of boot.

Artikel 21.54

Beoordelingsregels omgevingsvergunning overig aan huis verbonden bedrijf Slochteren - Hoofdweg 200/202 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en gebouwen te gebruiken voor het uitoefenen van een overig aan-huis-verbonden bedrijf.

2.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de woonfunctie in overwegende mate blijft behouden en er geen onevenredige hinder wordt toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden, waarbij moet worden voldaan aan hetgeen is gesteld in Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019.

3.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot de activiteit als bedoeld in het eerste lid, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde overig aan-huis-verbonden bedrijf wat ter plaatse zal worden uitgeoefend; b. een opgave van de arbeidskrachten van het overig aan-huis-verbonden bedrijf; c. het grondgebonden oppervlak van de woning; d. een opgave van het deel van het grondgebonden oppervlak van de woning wat voor het overig aan-huis-verbonden bedrijf zal worden gebruikt; e. in welke mate er detailhandel zal worden uitgeoefend; f. de inrichting van de parkeervoorzieningen op het eigen terrein.

Paragraaf 21.3.3

Bouwactiviteiten

Artikel 21.55Toepassingsbereik Slochteren - Hoofdweg 200/202

Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op bouwactiviteiten.

Artikel 21.56Meetbepalingen Slochteren - Hoofdweg 200/202

Bij het toepassen van de regels in deze paragraaf wordt op de volgende wijze gemeten: a. de afstand tot de perceelsgrens: wordt gemeten over de afstand vanaf enig punt van het gebouw tot de perceelsgrens waar die het kortst is; b. de afstand tussen gebouwen: wordt gemeten de afstand vanaf enig punt van een gebouw tot enig punt van een ander gebouw waar die het kortst is; c. de breedte van een gebouw: wordt gemeten tussen de buitenkanten van twee tegenover elkaar gelegen zijgevels van hetzelfde gebouw, op dat punt waar de zijgevels het verst van elkaar staan; d. de (bouw)hoogte van een bouwwerk: wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; e. de dakhelling: wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; f. de horizontale diepte van een gebouw: wordt gemeten over de kortste afstand van en tot de buitenkant van de naar de weg gekeerde gevel tot aan de buitenkant van de tegenoverliggende gevel die het verst van de weg is gelegen; g. de goothoogte van een bouwwerk: wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, druiplijn, boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; h. de inhoud van een bouwwerk: wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; i. de oppervlakte van een bouwwerk: wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Ondergrondse bouwwerken die meer dan 1 meter buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen gebouw worden gerealiseerd tellen mee in de oppervlakteregeling voor bebouwing; j. overbouwde oppervlakte: wordt gemeten door de som te nemen van de neergeslagen oppervlakten van de gedeelten van een bouwwerk, dat zich geheel boven het niveau van het maaiveld bevindt en daar niet mee gelijk ligt. Dakoverstekken, luifels, balkons e.d. die niet meer oversteken dan 0,5 meter worden niet meegeteld; k. het bebouwingspercentage: het in de planregels aangegeven percentage gemeten over dat deel van het bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd; l. het peil:

1.voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg waar deze grenst aan de hoofdtoegang;
2.voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
3.indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterniveau gedurende een jaar ten opzichte van NAP; tevens de waterstand die zoveel mogelijk wordt gehandhaafd en die is vastgelegd in een peilbesluit.

Artikel 21.57Gezamenlijk geluid op de gevel (artikel 4.103 Bbl) Slochteren - Hoofdweg 200/202

Het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen zijn de waarden zoals opgenomen in bijlage Akoestisch onderzoek bij Slochteren - Hoofdweg 200/202, tabel 1 voor de daarin benoemde woning(en).

Artikel 21.58Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerken algemeen Slochteren - Hoofdweg 200/202

Voor het bouwen van bouwwerken dient, als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, naast de artikelen 21.59, 21.60, 21.61 en 21.62, tevens te worden voldaan aan de eisen voor gebouwen, erfinrichting, aanzichten, kleur, materiaal en duurzaamheid uit de kavelpaspoorten zoals opgenomen in bijlage Kavelpaspoorten Slochteren - Hoofdweg 200/202.

Artikel 21.59Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen Slochteren - Hoofdweg 200/202

Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het H21 - Bouwvlak - Slochteren - Hoofdweg 200/202 worden gebouwd; b. het aantal woningen bedraagt niet meer dan 1 per bouwvlak, tenzij de bouwaanduiding Maximum aantal wooneenheden is opgenomen, in welk geval het aantal woningen niet meer bedraagt bedraagt dan ter plaatse van de bouwaanduiding is aangegeven; c. hoofdgebouwen worden gebouwd zoals is aangegeven ter plaatse van de bouwaanduiding vrijstaand en twee-aaneen; d. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt in of achter de bouwaanduiding gevellijn of het verlengde daarvan gebouwd; e. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter; f. de horizontale diepte en breedte van een hoofdgebouw mogen niet minder dan 5 meter bedragen; g. de horizontale diepte en breedte van een hoofdgebouw inclusief eventuele aangebouwde bijgebouwen, mogen niet meer dan 25 respectievelijk 10 meter bedragen; h. de goothoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse de bouwaanduiding maximum goothoogte is aangegeven; i. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse de bouwaanduiding maximum bouwhoogte is aangegeven; j. de dakhelling bedraagt bedraagt niet minder respectievelijk meer dan ter plaatse de bouwaanduiding minimum dakhelling en maximum dakhelling is aangegeven; k. in aanvulling op artikel 21.59 sub h, i en j geldt dat topgevels, lijstgevels, dakkappellen en schoorstenen hiervan zijn uitgezonderd; l. ter plaatse van de bouwaanduiding zadeldak wordt het hoofdgebouw afgedekt met een zadeldak; m. de toegevoegde elementen zoals dakkapellen, dakopbouwen, erkers en aanbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm (dakkapellen beslaan maximaal 40% van de lengte van het dakvlak); n. de overbouwde oppervlakte van het hoofdgebouw mag ten hoogste 150 m² bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.59, 21.60 en 21.61 ten hoogste 50% mag bedragen; o. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.59 en 21.60 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd.

Artikel 21.60Beoordelingsregels omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken Slochteren - Hoofdweg 200/202

Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het H21 - Bouwvlak - Slochteren - Hoofdweg 200/202 en/of binnen een afstand van ten hoogste 25 meter buiten het H21 - Bouwvlak - Slochteren - Hoofdweg 200/202 worden gebouwd, mits:

1.bijgebouwen en overkappingen ten minste 1 meter achter de voorgevel worden gebouwd;
2.de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen op minder dan 10 meter achter de voorgevel ten hoogste 30 m² bedraagt;
3.de afstand van een aangebouwd bijgebouw tot de perceelsgrens die het verst van de weg is gelegen of in voorkomend geval, het verst van de op het bouwperceel aangeduide gevellijn is gelegen, ten minste 7,50 meter bedraagt;
4.voorzover gelegen buiten het bouwvlak mogen bijgebouwen en overkappingen op hoeksituaties uitsluitend worden gebouwd:

I. op een afstand van ten minste 5 meter vanaf de kant van de rijbaan zoals die blijkt uit de bij het plan behorende ondergrond;

II. ten minste 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het om de hoek gelegen hoofdgebouw op het belendende perceel; b. voor de voorgevel mogen erkers, entreeportalen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:

1.de afstand van de voorgevel van de erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorgevel van het hoofdgebouw ten hoogste 1,50 meter bedraagt, mits de horizontale diepte van het bouwperceel dat na de uitbreiding onbebouwd blijft, niet minder dan 2 meter zal bedragen;
2.de breedte ten hoogste 50% van de breedte van het bijbehorende hoofdgebouw bedraagt;
3.de overbouwde oppervlakte van het gebouw moet passen binnen de overbouwde oppervlakte genoemd in artikel 21.60, sub g, en het maximale bebouwingspercentage genoemd in artikel 21.60, sub g;
4.de hoogte niet meer dan 3 meter bedraagt; c. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 5,5 meter; e. het dak wordt afgedekt met kap, waarbij de dakhelling ten minste 45° en ten hoogste 55° bedraagt; f. in aanvulling op artikel 21.60, sub c, d en e geldt dat voorzover bebouwing met een bouwhoogte van meer dan 3 meter, op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, de volgende voorwaarden gelden:
1.de nokrichting mag niet meer dan 30° afwijken ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens, tenzij sprake is van bijgebouwen op twee aangrenzende bouwpercelen die met elkaar zijn verbonden of sprake is van een wolfseind dat gericht is op de zijdelingse perceelsgrens; en 2. indien het gebouw van 1 hellend dakvlak is voorzien, moet de lage gootlijn op de dichtstbijzijnde perceelsgrens zijn gericht; g. de gezamenlijke overbouwde oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan de volgende oppervlakten, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.59, 21.60 en 21.61 ten hoogste 50% mag bedragen:
1.voor bouwpercelen met een oppervlakte kleiner dan 250 m2: 50 m2;
2.voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 250 m2 en kleiner dan 600 m2: 75 m2;
3.voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 600 m2 en kleiner dan 1000 m2: 100 m2;
4.voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 1000 m2: 150 m2; h. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.59 en 21.60 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd. i. ter plaatse van de bouwaanduiding afwijking bijbehorende bouwwerken geldt in afwijking van:
1.artikel 21.60 sub a, onder 1: bijgebouwen en overkappingen ten minste 3 meter achter de voorgevel worden gebouwd;
2.artikel 21.60 sub e: het dak wordt plat afgedekt, in welk geval de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de goothoogte, of afgedekt met meerzijdige kap, waarbij ten minste 50% van het dak is afgedekt met hellende dakvlakken van ten minste 30° en ten hoogste 60°.

Artikel 21.61Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk, geen gebouw zijnde Slochteren - Hoofdweg 200/202

Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 100 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.59, 21.60 en 21.61 ten hoogste 50% mag bedragen; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter en achter de voorgevel niet meer dan 2 meter; c. de bouwhoogte van palen en masten, niet zijnde reclamemasten, mag niet meer bedragen dan 8 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter en achter de voorgevel niet meer dan 5 meter.

Artikel 21.62

Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten Slochteren - Hoofdweg 200/202 De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van artikelen 21.59 tot en met 21.61 ook in de volgende gevallen verleend, onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, verkeersveiligheid, natuur en milieu, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, sociale veiligheid, stedenbouwkundige karakteristieke gebouwen, landschap: a. de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 4,50 meter, met dien verstande dat het bevoegd gezag ten aanzien van de stedenbouwkundige en architectonische eigenschappen van de betreffende bebouwing respectievelijk de inpassing in de omgeving vooraf advies aan een stedenbouwkundige commissie vraagt; b. het hoofdgebouw wordt (gedeeltelijk) afgedekt met een lessenaarsdak, een kap met een dakhelling van minder dan 30° of een platte afdekking; c. de breedte van het hoofdgebouw inclusief eventueel aangebouwde bijbehorende bouwwerken ten hoogste 15 m bedraagt; d. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen op minder dan 10 meter achter de voorgevel bedraagt ten hoogste 50 m²; e. het bouwen van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak en/of op minder dan 3 meter uit de perceelgrens, voorzover het gaat om een uitbreiding van het hoofdgebouw binnen het gebied op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens, mits:

1.het betreffende gedeelte van het hoofdgebouw op ten minste 3 meter achter de voorgevel wordt gebouwd;
2.de maatvoering van de bebouwing, met uitzondering van de bouwhoogte, ter plaatse voldoet aan het bepaalde in artikel 21.59 sub c, d, e en f.

Paragraaf 21.3.4

Aanlegactiviteiten

Artikel 21.63Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op aanlegactiviteiten.

Artikel 21.64Beoordelingsregels omgevingsvergunning aanlegactiviteiten

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten in het gebied H21 – aanlegactiviteiten - Slochteren - Hoofdweg 200/2022: a. het rooien en kappen van bomen.

2.

De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op aanlegactiviteiten die: a. het normale beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een ten tijde van de inwerkingtreding van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202 reeds verleende omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit.

3.

De omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden van de groene linten, waarbij rekening wordt gehouden met de samenhang tussen deze wegbeplanting en de slingertuinen; b. voor het rooien en kappen van bomen in de aangewezen groene linten herplant plaatsvindt.

Paragraaf 21.3.5

Overgangsrecht Slochteren - Hoofdweg 200/202

Artikel 21.65Toepassingsbereik Slochteren - Hoofdweg 200/202

Deze paragraaf gaat over het overgangsrecht voor gebruik en voor bouwen in het gebied H21 - Slochteren - Hoofdweg 200/202.

Artikel 21.66Overgangsrecht gebruiksactiviteiten Slochteren - Hoofdweg 200/202

1.

Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202 en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2.

Het is verboden het met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3.

Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202 voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of laten hervatten.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Artikel 21.67Overgangsrecht bouwactiviteiten Slochteren - Hoofdweg 200/202

1.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202 aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd op grond van een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken en afwijkt van deze wijziging, mag, onder de voorwaarden dat de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, onder de voorwaarden dat de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.

2.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.3 Slochteren - Hoofdweg 200/202, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Afdeling 21.4

Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat

Paragraaf 21.4.1

Algemeen

Artikel 21.68Toepassingsbereik

Afdeling 21.4 gaat over activiteiten die plaatsvinden in het gebied H21 - Hoogezand - Aalbersestraat 2.

Artikel 21.69Voorrangsbepaling

1.

De volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan hebben voorrang op de regels in deze afdeling: a. de regels van het Facetbestemmingsplan Parkeren, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 28-11-2019, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigparkeren-va01; b. de regels van het Facetbestemmingsplan Paarden, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 25-04-2024, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigpaarden-va01; c. de regels betreffende de algemene en overgangsregels in het bestemmingsplan Woongebieden, van de voormalige gemeente Hoogezand-Sappemeer, vastgesteld op 10-06-2013, met identificatienummer NL.IMRO.0018.BP096Woongebieden-31va.

2.

De regels in deze afdeling gaan voor op de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan: a. de regels betreffende de enkelbestemmingen en de inleidende regels van het bestemmingsplan Woongebieden, van de voormalige gemeente Hoogezand-Sappemeer, vastgesteld op 10-06-2013, met identificatienummer NL.IMRO.0018.BP096Woongebieden-31va.

Artikel 21.70Aanvullende aanvraagvereisten uit bruidsschat van toepassing verklaren

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van deze afdeling 21.4.

Paragraaf 21.4.2

Gebruiksactiviteiten Subparagraaf 21.4.2.1 Wonen

Artikel 21.71Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Wonen in het gebied H21 - Wonen - Hoogezand - Aalbersestraat 2.

Artikel 21.72Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 21.73Functie wonen

Ter plaatse van de functie Wonen in het gebied Wonen Hoogezand - Aalbersestraat 2 is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. wonen, al dan niet in combinatie met een vrij beroep dat voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019 van de gemeente Midden-Groningen, en daaraan ondergeschikt: b. groenvoorzieningen en water; c. parkeervoorzieningen; d. wegen; e. openbare nutsvoorzieningen; f. fiets- en voetpaden, speelvoorzieningen, sierbestrating en overige verhardingen; g. tuinen, erven, terreinen.

Artikel 21.74Algemene regels over wonen

Het volgende gebruik is bij wonen verboden: a. het gebruiken van een vrijstaand bijgebouw ten behoeve van wonen; b. het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een horecabedrijf, detailhandel en/of seksinrichting; c. het gebruik van gronden en opstallen voor reclamedoeleinden anders dan voor het op de gronden gevestigde bedrijf; d. het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan voor de uitvoering van krachtens de functie toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden; e. het gebruik van gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen; f. het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; g. het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen; h. het gebruik van gronden en bouwwerken voor kamerverhuur.

Artikel 21.75Beoordelingsregels omgevingsvergunning overig aan huis verbonden bedrijf

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en gebouwen te gebruiken voor het uitoefenen van een overig aan-huis-verbonden bedrijf.

2.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de woonfunctie in overwegende mate blijft behouden en er geen onevenredige hinder wordt toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden, waarbij moet worden voldaan aan hetgeen is gesteld in Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019.

3.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot de activiteit als bedoeld in het eerste lid, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde overig aan-huis-verbonden bedrijf wat ter plaatse zal worden uitgeoefend; b. een opgave van de arbeidskrachten van het overig aan-huis-verbonden bedrijf; c. het grondgebonden oppervlak van de woning; d. een opgave van het deel van het grondgebonden oppervlak van de woning wat voor het overig aan-huis-verbonden bedrijf zal worden gebruikt; e. in welke mate er detailhandel zal worden uitgeoefend; f. de inrichting van de parkeervoorzieningen op het eigen terrein.

Subparagraaf 21.4.2.2 Groen

Artikel 21.76Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Groen in het gebied H21 - Groen - Hoogezand - Aalbersestraat 2.

Artikel 21.77Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 21.78Functie Groen

Ter plaatse van de functie Groen in het gebied Groen Hoogezand - Aalbersestraat 2 is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. groen- en speelvoorzieningen; b. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; c. openbare nutsvoorzieningen; d. fiets- en voetpaden; e. parkeervoorzieningen.

Paragraaf 21.4.3

Bouwactiviteiten

Artikel 21.79Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op bouwactiviteiten.

Artikel 21.80Meetbepalingen

Bij het toepassen van de regels in deze paragraaf wordt op de volgende wijze gemeten: a. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; c. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; e. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; f. afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel: vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel; g. het peil:

1.voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg waar deze grenst aan de hoofdtoegang;
2.voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
3.indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterniveau gedurende een jaar ten opzichte van NAP; tevens de waterstand die zoveel mogelijk wordt gehandhaafd en die is vastgelegd in een peilbesluit.

Artikel 21.81Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen

Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het H21 - bouwvlak - Hoogezand - Aalbersestraat 2 worden gebouwd; b. het aantal woningen bedraagt niet minder respectievelijk meer dan ter plaatse van de bouwaanduiding minimum aantal wooneenheden en Maximum aantal wooneenheden is aangegeven; c. hoofdgebouwen worden gebouwd zoals is aangegeven ter plaatse van de bouwaanduiding twee-aaneen en rijwoning; d. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt in of achter de naar de weg gekeerde bouwgrens opgericht; e. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter, met uitzondering van aangebouwde zijden van woningen; f. de goothoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse de bouwaanduiding maximum goothoogte is aangegeven; g. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse de bouwaanduiding maximum bouwhoogte is aangegeven; h. de dakhelling bedraagt bedraagt niet minder respectievelijk meer dan ter plaatse de bouwaanduiding minimum dakhelling en maximum dakhelling is aangegeven; i. de overbouwde oppervlakte van het hoofdgebouw mag ten hoogste 150 m² bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.81, 21.82 en 21.83 ten hoogste 50% mag bedragen; j. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.81 en 21.82 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd.

Artikel 21.82Beoordelingsregels omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het H21 - bouwvlak - Hoogezand - Aalbersestraat 2 worden gebouwd, mits:

1.bijgebouwen en overkappingen ten minste 1 meter achter de voorgevel worden gebouwd;
2.de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen op minder dan 10 meter achter de voorgevel ten hoogste 30 m² bedraagt;
3.een bijbehorend bouwwerk uitsluitend wordt gebouwd binnen H21 - Wonen - Hoogezand - Aalbersestraat 2; b. voor de voorgevel mogen erkers, entreeportalen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:
1.de afstand van de voorgevel van de erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorgevel van het hoofdgebouw ten hoogste 1,50 meter bedraagt, mits de horizontale diepte van het bouwperceel dat na de uitbreiding onbebouwd blijft, niet minder dan 2 meter zal bedragen;
2.de breedte ten hoogste 50% van de breedte van het bijbehorende hoofdgebouw bedraagt;
3.de overbouwde oppervlakte van het gebouw moet passen binnen de overbouwde oppervlakte genoemd in artikel 21.81, sub i, en het maximale bebouwingspercentage genoemd in artikel 21.81, sub i;
4.de hoogte niet meer dan 3 meter bedraagt; c. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 5 meter; e. het dak wordt afgedekt met kap, waarbij de dakhelling ten minste 45° en ten hoogste 55° bedraagt; f. in aanvulling op artikel 21.81, sub c, d en e geldt dat voorzover bebouwing met een bouwhoogte van meer dan 3 meter, op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, de volgende voorwaarden gelden:
1.de nokrichting mag niet meer dan 30° afwijken ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens, tenzij sprake is van bijgebouwen op twee aangrenzende bouwpercelen die met elkaar zijn verbonden of sprake is van een wolfseind dat gericht is op de zijdelingse perceelsgrens; en 2. indien het gebouw van 1 hellend dakvlak is voorzien, moet de lage gootlijn op de dichtstbijzijnde perceelsgrens zijn gericht; g. de gezamenlijke overbouwde oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 100 m2, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.81, 21.82 en 21.83 ten hoogste 50% mag bedragen; h. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.81 en 21.82 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd.

Artikel 21.83Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. binnen H21 - Wonen - Hoogezand - Aalbersestraat 2 mag de gezamenlijke oppervlakte per bouwperceel niet meer bedragen dan 100 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.81, 21.82 en 21.83 ten hoogste 50% mag bedragen; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter en achter de voorgevel niet meer dan 2 meter; c. de bouwhoogte van palen en masten, niet zijnde reclamemasten, mag niet meer bedragen dan 8 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter en achter de voorgevel niet meer dan 5 meter.

Artikel 21.84Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van artikelen 21.81 tot en met 21.83 ook in de volgende gevallen verleend, onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, verkeersveiligheid, natuur en milieu, de parkeersituatie, gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, sociale veiligheid, stedenbouwkundige karakteristieke gebouwen en landschappelijke waarde: a. het bouwen van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak en/of op minder dan 3 meter uit de perceelgrens, voorzover het gaat om een uitbreiding van het hoofdgebouw binnen het gebied op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens, mits:

1.het betreffende gedeelte van het hoofdgebouw op ten minste 3 meter achter de voorgevel wordt gebouwd;
2.de maatvoering van de bebouwing, met uitzondering van de bouwhoogte, ter plaatse voldoet aan het bepaalde in artikel 21.82 sub c, d, e en f;
3.het hoofdgebouw uitsluitend wordt gebouwd binnen H21 - Wonen - Hoogezand - Aalbersestraat 2.

Paragraaf 21.4.4

Overgangsrecht Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat

Artikel 21.85Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het overgangsrecht voor gebruik en voor bouwen in het gebied H21 - Hoogezand - Aalbersestraat 2.

Artikel 21.86Overgangsrecht gebruiksactiviteiten

1.

Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.4 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2.

Het is verboden het met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3.

Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.4 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of laten hervatten.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Artikel 21.87Overgangsrecht bouwactiviteiten

1.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.4 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd op grond van een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken en afwijkt van deze wijziging, mag, onder de voorwaarden dat de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, onder de voorwaarden dat de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.

2.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.4 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Hoogezand, Aalbersestraat, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Afdeling 21.5

Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Kerkstraat, Zuidbroek

Paragraaf 21.5.1

Algemeen

Artikel 21.88Toepassingsbereik

Afdeling 21.5 gaat over activiteiten die plaatsvinden in het gebied H21 - Zuidbroek - Kerkstraat 15.

Artikel 21.89Voorrangsbepaling

1.

De volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan hebben voorrang op de regels in deze afdeling: a. de regels van het Facetbestemmingsplan Parkeren, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 28-11-2019, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigparkeren-va01; b. de regels van het Facetbestemmingsplan Paarden, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 25-04-2024, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigpaarden-va01; c. de regels betreffende de algemene en overgangsregels in het bestemmingsplan Dorpen Menterwolde, van de voormalige gemeente Menterwolde, vastgesteld op 30-11-2017, met identificatienummer NL.IMRO.1987.BPDorpen2017-0401.

2.

De regels in deze afdeling gaan voor op de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan: a. de regels betreffende de enkelbestemmingen en de inleidende regels van het bestemmingsplan Dorpen Menterwolde, van de voormalige gemeente Menterwolde, vastgesteld op 30-11-2017, met identificatienummer NL.IMRO.1987.BPDorpen2017-0401.

Artikel 21.90Aanvullende aanvraagvereisten uit bruidsschat van toepassing verklaren

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van deze afdeling 21.5.

Paragraaf 21.5.2

Gebruiksactiviteiten Subparagraaf 21.5.2.1 Wonen

Artikel 21.91Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Wonen in het gebied H21 - Wonen - Zuidbroek - Kerkstraat 15.

Artikel 21.92Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 21.93Functie Wonen

Ter plaatse van de functie Wonen in het gebied Wonen Zuidbroek - Kerkstraat 15 is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. wonen, al dan niet in combinatie met een vrij beroep dat voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019 van de gemeente Midden-Groningen, en daaraan ondergeschikt:

1.groenvoorzieningen en water;
2.parkeervoorzieningen;
3.wegen;
4.openbare nutsvoorzieningen;
5.fiets- en voetpaden, speelvoorzieningen, sierbestrating en overige verhardingen;
6.tuinen, erven, terreinen.

Artikel 21.94Algemene regels over wonen

Het volgende gebruik is bij wonen verboden: a. het gebruiken van een vrijstaand bijgebouw ten behoeve van wonen; b. het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een horecabedrijf, detailhandel en/of seksinrichting; c. het gebruik van gronden en opstallen voor reclamedoeleinden anders dan voor het op de gronden gevestigde bedrijf; d. het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan voor de uitvoering van krachtens de functie toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden; e. het gebruik van gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen; f. het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; g. het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen; h. het gebruik van gronden en bouwwerken voor kamerverhuur.

Artikel 21.95Beoordelingsregels omgevingsvergunning overig aan huis verbonden bedrijf

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en gebouwen te gebruiken voor het uitoefenen van een overig aan-huis-verbonden bedrijf.

2.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de woonfunctie in overwegende mate blijft behouden en er geen onevenredige hinder wordt toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden, waarbij moet worden voldaan aan hetgeen is gesteld in Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019.

3.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot de activiteit als bedoeld in het eerste lid, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde overig aan-huis-verbonden bedrijf wat ter plaatse zal worden uitgeoefend; b. een opgave van de arbeidskrachten van het overig aan-huis-verbonden bedrijf; c. het grondgebonden oppervlak van de woning; d. een opgave van het deel van het grondgebonden oppervlak van de woning wat voor het overig aan-huis-verbonden bedrijf zal worden gebruikt; e. in welke mate er detailhandel zal worden uitgeoefend; f. de inrichting van de parkeervoorzieningen op het eigen terrein.

Subparagraaf 21.5.2.2 Groen

Artikel 21.96Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Groen in het gebied H21 - Groen - Zuidbroek - Kerkstraat 15.

Artikel 21.97Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 21.98Functie Groen

Ter plaatse van de functie Groen in het gebied Groen Zuidbroek - Kerkstraat 15 is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. groen- en speelvoorzieningen; b. openbare nutsvoorzieningen; c. fiets- en voetpaden; d. parkeervoorzieningen.

Paragraaf 21.5.3

Bouwactiviteiten

Artikel 21.99Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op bouwactiviteiten.

Artikel 21.100Meetbepalingen

Bij het toepassen van de regels in deze paragraaf wordt op de volgende wijze gemeten: a. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; c. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; e. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; f. afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel: vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel; g. het peil:

1.voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg waar deze grenst aan de hoofdtoegang;
2.voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
3.indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterniveau gedurende een jaar ten opzichte van NAP; tevens de waterstand die zoveel mogelijk wordt gehandhaafd en die is vastgelegd in een peilbesluit.

Artikel 21.101Gezamenlijk geluid op de gevel (artikel 4.103 Bbl)

Het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen zijn de waarden zoals opgenomen in Akoestisch onderzoek Akoestisch onderzoek Kerkstraat 15 Zuidbroek - gezamenlijk geluid, tabel 2 voor de daarin benoemde woning(en).

Artikel 21.102Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen

Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het H21 - bouwvlak - Zuidbroek - Kerkstraat 15 worden gebouwd; b. het aantal woningen bedraagt niet meer dan 8; c. hoofdgebouwen worden gebouwd als vrijstaand, twee-aaneen of rijwoning; d. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt in of achter de naar de weg gekeerde bouwgrens opgericht, met dien verstande dat ter plaatse van de bouwaanduiding gevellijn de voorgevel van het hoofdgebouw in of achter de gevellijn of het verlengde daarvan wordt gebouwd; e. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter, met uitzondering van aangebouwde zijden van woningen; f. de goothoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse de bouwaanduiding maximum goothoogte is aangegeven; g. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse de bouwaanduiding maximum bouwhoogte is aangegeven; h. de dakhelling bedraagt bedraagt niet minder respectievelijk meer dan ter plaatse de bouwaanduiding minimum dakhelling en maximum dakhelling is aangegeven; i. de overbouwde oppervlakte van het hoofdgebouw mag ten hoogste 150 m² bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.102, 21.103 en 21.104 ten hoogste 50% mag bedragen; j. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.102 en 21.103 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd.

Artikel 21.103Beoordelingsregels omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het H21 - bouwvlak - Zuidbroek - Kerkstraat 15 worden gebouwd, mits:

1.bijgebouwen en overkappingen ten minste 1 meter achter de voorgevel worden gebouwd;
2.de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen op minder dan 10 meter achter de voorgevel ten hoogste 30 m² bedraagt;
3.een bijbehorend bouwwerk uitsluitend wordt gebouwd binnen H21 - Wonen - Zuidbroek - Kerkstraat 15; b. voor de voorgevel mogen erkers, entreeportalen en vergelijkbare bouwwerken worden gebouwd, mits:
1.de afstand van de voorgevel van de erker, entreeportaal of vergelijkbaar bouwwerk tot de voorgevel van het hoofdgebouw ten hoogste 1,50 meter bedraagt, mits de horizontale diepte van het bouwperceel dat na de uitbreiding onbebouwd blijft, niet minder dan 2 meter zal bedragen;
2.de breedte ten hoogste 50% van de breedte van het bijbehorende hoofdgebouw bedraagt;
3.de overbouwde oppervlakte van het gebouw moet passen binnen de overbouwde oppervlakte genoemd in artikel 21.102, sub g, en het maximale bebouwingspercentage genoemd in artikel 21.102, sub g;
4.de hoogte niet meer dan 3 meter bedraagt; c. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 5 meter; e. het dak wordt afgedekt met kap, waarbij de dakhelling ten minste 45° en ten hoogste 55° bedraagt; f. in aanvulling op artikel 21.102, sub c, d en e geldt dat voorzover bebouwing met een bouwhoogte van meer dan 3 meter, op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, de volgende voorwaarden gelden:
1.de nokrichting mag niet meer dan 30° afwijken ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens, tenzij sprake is van bijgebouwen op twee aangrenzende bouwpercelen die met elkaar zijn verbonden of sprake is van een wolfseind dat gericht is op de zijdelingse perceelsgrens; en 2. indien het gebouw van 1 hellend dakvlak is voorzien, moet de lage gootlijn op de dichtstbijzijnde perceelsgrens zijn gericht; g. de gezamenlijke overbouwde oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 100 m2, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.102, 21.103 en 21.104 ten hoogste 50% mag bedragen; h. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.102 en 21.103 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd.

Artikel 21.104Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. binnen H21 - Wonen - Zuidbroek - Kerkstraat 15 mag de gezamenlijke oppervlakte per bouwperceel niet meer bedragen dan 100 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.102, 21.103 en 21.104 ten hoogste 50% mag bedragen; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter en achter de voorgevel niet meer dan 2 meter; c. de bouwhoogte van palen en masten, niet zijnde reclamemasten, mag niet meer bedragen dan 8 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter en achter de voorgevel niet meer dan 5 meter.

Artikel 21.105Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt in afwijking van artikelen 21.102 tot en met 21.104 ook in de volgende gevallen verleend, onder de voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, verkeersveiligheid, natuur en milieu, de parkeersituatie, gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, sociale veiligheid, stedenbouwkundige karakteristieke gebouwen en landschappelijke waarde: a. het bouwen van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak en/of op minder dan 3 meter uit de perceelgrens, voorzover het gaat om een uitbreiding van het hoofdgebouw binnen het gebied op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens, mits:

1.het betreffende gedeelte van het hoofdgebouw op ten minste 3 meter achter de voorgevel wordt gebouwd;
2.de maatvoering van de bebouwing, met uitzondering van de bouwhoogte, ter plaatse voldoet aan het bepaalde in artikel 21.103 sub c, d, e en f;
3.het hoofdgebouw uitsluitend wordt gebouwd binnen H21 - Wonen - Zuidbroek - Kerkstraat 15.

Paragraaf 21.5.4

Overgangsrecht Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Zuidbroek, Kerkstraat

Artikel 21.106Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het overgangsrecht voor gebruik en voor bouwen in het gebied H21 - Zuidbroek - Kerkstraat 15.

Artikel 21.107Overgangsrecht gebruiksactiviteiten

1.

Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.5 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Zuidbroek, Kerkstraat en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2.

Het is verboden het met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de wijziging van dit omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3.

Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.5 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Zuidbroek, Kerkstraat voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of laten hervatten.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Artikel 21.108Overgangsrecht bouwactiviteiten

1.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.5 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Zuidbroek, Kerkstraat aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd op grond van een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken en afwijkt van deze wijziging, mag, onder de voorwaarden dat de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, onder de voorwaarden dat de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.

2.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van dit omgevingsplan door toevoeging van afdeling 21.5 Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Zuidbroek, Kerkstraat, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Afdeling 21.6

Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties - Sappemeer, Middenstraat

Paragraaf 21.6.1

Algemeen

Artikel 21.109Toepassingsbereik

Afdeling 21.6 gaat over activiteiten die plaatsvinden in het gebied H21 - Sappemeer - Middenstraat 27a.

Artikel 21.110Voorrangsbepaling

1.

De volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan hebben voorrang op de regels in deze afdeling: a. de regels van het Facetbestemmingsplan Parkeren, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 28-11-2019, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigparkeren-va01; b. de regels van het Facetbestemmingsplan Paarden, van de gemeente Midden-Groningen, vastgesteld op 25-04-2024, met identificatienummer NL.IMRO.1952.fbmigpaarden-va01; c. de regels betreffende de algemene en overgangsregels in het bestemmingsplan Woongebieden, van de voormalige gemeente Hoogezand-Sappemeer, vastgesteld op 10-06-2013, met identificatienummer NL.IMRO.0018.BP096Woongebieden-31va.

2.

De regels in deze afdeling gaan voor op de volgende regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan: a. de regels betreffende de enkelbestemmingen en de inleidende regels van het bestemmingsplan Woongebieden, van de voormalige gemeente Hoogezand-Sappemeer, vastgesteld op 10-06-2013, met identificatienummer NL.IMRO.0018.BP096Woongebieden-31va.

Artikel 21.111Aanvullende aanvraagvereisten uit bruidsschat van toepassing verklaren

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van deze afdeling 21.6.

Paragraaf 21.6.2

Gebruiksactiviteiten Subparagraaf 21.6.2.1 Wonen

Artikel 21.112Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Wonen in het gebied H21 - Wonen - Sappemeer - Middenstraat 27a.

Artikel 21.113Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 21.114Functie Wonen

Ter plaatse van de functie Wonen in het gebied Wonen Sappemeer - Middenstraat 27a is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. wonen, al dan niet in combinatie met een vrij beroep dat voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019 van de gemeente Midden-Groningen, en daaraan ondergeschikt:

1.groenvoorzieningen en water;
2.parkeervoorzieningen;
3.wegen;
4.openbare nutsvoorzieningen;
5.fiets- en voetpaden, speelvoorzieningen, sierbestrating en overige verhardingen;
6.tuinen, erven, terreinen.

Artikel 21.115Algemene regels over wonen

Het volgende gebruik is bij wonen verboden: a. het gebruiken van een vrijstaand bijgebouw ten behoeve van wonen; b. het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een horecabedrijf, detailhandel en/of seksinrichting; c. het gebruik van gronden en opstallen voor reclamedoeleinden anders dan voor het op de gronden gevestigde bedrijf; d. het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan voor de uitvoering van krachtens de functie toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden; e. het gebruik van gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen; f. het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; g. het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen; h. het gebruik van gronden en bouwwerken voor kamerverhuur.

Artikel 21.116Beoordelingsregels omgevingsvergunning overig aan huis verbonden bedrijf

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en gebouwen te gebruiken voor het uitoefenen van een overig aan-huis-verbonden bedrijf.

2.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de woonfunctie in overwegende mate blijft behouden en er geen onevenredige hinder wordt toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden, waarbij moet worden voldaan aan hetgeen is gesteld in Beleidsnota aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven 2019.

3.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot de activiteit als bedoeld in het eerste lid, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde overig aan-huis-verbonden bedrijf wat ter plaatse zal worden uitgeoefend; b. een opgave van de arbeidskrachten van het overig aan-huis-verbonden bedrijf; c. het grondgebonden oppervlak van de woning; d. een opgave van het deel van het grondgebonden oppervlak van de woning wat voor het overig aan-huis-verbonden bedrijf zal worden gebruikt; e. in welke mate er detailhandel zal worden uitgeoefend; f. de inrichting van de parkeervoorzieningen op het eigen terrein.

Subparagraaf 21.6.2.2 Groen

Artikel 21.117Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die van toepassing zijn op de functie Groen in het gebied H21 - Groen - Sappemeer - Middenstraat 27a.

Artikel 21.118Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 21.119Functie Groen

Ter plaatse van de functie Groen in het gebied Groen Sappemeer - Middenstraat 27a is het toegestaan gronden te gebruiken voor de volgende functies: a. groen- en speelvoorzieningen; b. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; c. openbare nutsvoorzieningen; d. fiets- en voetpaden; e. parkeervoorzieningen; f. een verkeersontsluiting ter plaatse van ontsluiting.

Paragraaf 21.6.3

Bouwactiviteiten

Artikel 21.120Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over regels die algemeen van toepassing zijn op bouwactiviteiten.

Artikel 21.121Meetbepalingen

Bij het toepassen van de regels in deze paragraaf wordt op de volgende wijze gemeten: a. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; c. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; e. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; f. afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel: vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel; g. het peil:

1.voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg waar deze grenst aan de hoofdtoegang;
2.voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
3.indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterniveau gedurende een jaar ten opzichte van NAP; tevens de waterstand die zoveel mogelijk wordt gehandhaafd en die is vastgelegd in een peilbesluit.

Artikel 21.122Gezamenlijk geluid op de gevel (artikel 4.103 Bbl)

Het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen zijn de waarden zoals opgenomen in Akoestisch onderzoek Middenstraat 27A Sappemeer - gezamenlijk geluid, tabel 2 voor de daarin benoemde woning(en).

Artikel 21.123Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouwen

Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het H21 - bouwvlak - Sappemeer - Middenstraat 27a worden gebouwd; b. het aantal woningen bedraagt niet minder respectievelijk meer dan ter plaatse van de bouwaanduiding minimum aantal wooneenheden en Maximum aantal wooneenheden is aangegeven; c. hoofdgebouwen worden gebouwd zoals is aangegeven ter plaatse van de bouwaanduiding twee-aaneen en rijwoning; d. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt in of achter de naar de weg gekeerde bouwgrens opgericht; e. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter, met uitzondering van aangebouwde zijden van woningen; f. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse de bouwaanduiding maximum bouwhoogte is aangegeven; g. een hoofdgebouw plat wordt afgedekt ter plaatse de bouwaanduiding platte afdekking; h. de overbouwde oppervlakte van het hoofdgebouw mag ten hoogste 150 m² bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van de bouwwerken zoals genoemd in artikel 21.123, 21.124 en 21.125 ten hoogste 50% mag bedragen; i. de afstand tussen de gebouwen en overkappingen zoals genoemd in artikel 21.123 en 21.124 op een bouwperceel bedraagt ten minste 1 meter, tenzij de gebouwen en/of overkappingen aaneen worden gebouwd.

Artikel 21.124Beoordelingsregels omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden als regels bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a de volgende regels: a. bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het H21 - bouwvlak - Sappemeer - Middenstraat 27a worden gebouwd, mits:

1.

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.