Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Omgevingsplan gemeente Nieuwegein (Nieuwegein)

Waar gaat deze regeling over?

Dit omgevingsplan van de gemeente Nieuwegein regelt de inrichting van de fysieke leefomgeving, met een focus op duurzaamheid, klimaatadaptatie en de kwaliteit van bouwwerken en woonomgevingen. Het stelt regels voor het bouwen en in stand houden van woningen en de inrichting van percelen.

Voor wie: Iedereen die bouwt aan of het in stand houdt van grondgebonden woningen, woongebouwen, woonarken en woonwagens in Nieuwegein; Iedereen die een bouwperceel bij een woning inricht of in stand houdt.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Vastgoed- en bouwrecht
Artikelen
367
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De doelen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals het versterken van ruimtelijke kwaliteit en het beperken van klimaatverandering.
  • Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, waaronder grondgebonden woningen, woongebouwen, woonarken en woonwagens.
  • Regels voor duurzaamheid en klimaatadaptatie bij het bouwen en inrichten van percelen.
  • De mate van verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Iedereen die bouwt aan of het in stand houdt van grondgebonden woningen, woongebouwen, woonarken en woonwagens in Nieuwegein.
  • Iedereen die een bouwperceel bij een woning inricht of in stand houdt.

Wat zijn de kernpunten?

  • Bij het bouwen van een grondgebonden woning, woongebouw, woonark of woonwagen moet worden voldaan aan regels over verharding van percelen, windhinder en windgevaar, en activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen.
  • Een bouwperceel waarop één of meer grondgebonden woningen worden gebouwd, moet voor ten minste 50% onverhard blijven.
  • Een bouwperceel waarop een woongebouw wordt gebouwd, moet voor ten minste 30% onverhard blijven.
  • Bij een aaneengesloten woningbouwontwikkeling met zowel grondgebonden woningen als woongebouwen, moet het bouwperceel voor ten minste 30% onverhard blijven.
  • Regels over windhinder en windgevaar vereisen dat er een goed windklimaat is conform NEN 8100 en dat er geen sprake is van een windgevaarlijke situatie conform NEN 8100.

Vastgoed- en bouwrecht

8

Vastgoed- en bouwrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (367)
  1. Artikel 1.1 Begripsbepalingen uit overige wetgeving
  2. Artikel 1.2 Begripsbepalingen
  3. Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan
  4. Artikel 4.1 Toepassingsbereik
  5. Artikel 4.2 Doelen
  6. Artikel 4.3 Regels over bouwen van bouwwerken
  7. Artikel 4.4 Regels over in stand houden van bouwwerken
  8. Artikel 4.5 Locatiebepaling
  9. Artikel 4.6 Toepassingsbereik
  10. Artikel 4.7 Doelen
  11. Artikel 4.8 Regels over duurzaamheid en klimaatadaptatie
  12. Artikel 4.9 Regels over in stand houden van bouwwerken
  13. Artikel 5.1 Maatwerkvoorschriften
  14. Artikel 5.2 Toepassingsbereik
  15. Artikel 5.3 Toepassingsbereik
  16. Artikel 5.4 Oogmerken
  17. Artikel 5.5 Windhinder en windgevaar
  18. Artikel 5.6 Toepassingsbereik
  19. Artikel 5.7 Oogmerken
  20. Artikel 5.8 Verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd
  21. Artikel 5.9 Berekening van de mate van verharding
  22. Artikel 5.10 Voorrangsbepaling met betrekking tot verharding van percelen tijdelijk
  23. Artikel 5.11 Ontheffing met betrekking tot verharding van percelen
  24. Artikel 5.12 Toepassingsbereik
  25. Artikel 5.13 Oogmerken
  26. Artikel 5.14 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  27. Artikel 5.15 Bergen en infiltratie van hemelwater
  28. Artikel 5.16 Ontheffing met betrekking tot bergen en infiltratie van hemelwater
  29. Artikel 5.17 In stand houden voorzieningen berging en infiltratie hemelwater
  30. Artikel 5.18 Zorgplicht klimaatadaptief inrichten van perceel
  31. Artikel 5.19 Toepassingsbereik
  32. Artikel 5.20 Oogmerken
  33. Artikel 5.21 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  34. Artikel 5.22 Beperking warmte-uitstraling
  35. Artikel 5.23 Zorgplicht
  36. Artikel 5.24 Toepassingsbereik
  37. Artikel 5.25 Oogmerken
  38. Artikel 5.26 Voorkomen wateroverlast grondgebonden woningen en gebouwen
  39. Artikel 12.1 Toepassingsbereik
  40. Artikel 12.2 Oogmerken
  41. Artikel 12.3 Voorrangsbepaling
  42. Artikel 12.4 Toepassingsbereik
  43. Artikel 12.5 Locatiebepaling
  44. Artikel 12.6 Toepassingsbereik
  45. Artikel 12.7 Locatiebepaling
  46. Artikel 12.8 Toepassingsbereik
  47. Artikel 12.9 Locatiebepaling
  48. Artikel 12.10 Toepassingsbereik
  49. Artikel 12.11 Locatiebepaling
  50. Artikel 12.12 Toepassingsbereik
  51. Artikel 12.13 Locatiebepaling
  52. Artikel 12.14 Toepassingsbereik
  53. Artikel 12.15 Locatiebepaling
  54. Artikel 12.16 Toepassingsbereik
  55. Artikel 12.17 Locatiebepaling
  56. Artikel 12.18 Toepassingsbereik
  57. Artikel 12.19 Locatiebepaling
  58. Artikel 13.1 Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve
  59. Artikel 13.2 Overgangsrecht handhavingsbesluiten
  60. Artikel 13.3 Eerbiedigende werking tijdelijk deel omgevingsplan
  61. Artikel 13.4 Niet hervatten na onderbreking
  62. Artikel 13.5 Activiteiten die reeds in strijd zijn
  63. Artikel 13.6 Reken- en meetvoorschriften bestaande activiteiten
  64. Artikel 14.1 Citeertitel
  65. Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  66. Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelij
  67. Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten
  68. Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  69. Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
  70. Artikel 22.6
  71. Artikel 22.7 Repressief welstand
  72. Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  73. Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  74. Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  75. Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
  76. Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  77. Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  78. Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  79. Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  80. Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  81. Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  82. Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  83. Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  84. Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  85. Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
  86. Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  87. Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
  88. Artikel 22.24 Meetbepalingen
  89. Artikel 22.25 Mantelzorg
  90. Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
  91. Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onver
  92. Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
  93. Artikel 22.29
  94. Artikel 22.30
  95. Artikel 22.31
  96. Artikel 22.32
  97. Artikel 22.33
  98. Artikel 22.34
  99. Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  100. Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenste
  101. Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
  102. Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
  103. Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
  104. Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
  105. Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  106. Artikel 22.42 Oogmerken
  107. Artikel 22.43 Normadressaat
  108. Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  109. Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
  110. Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
  111. Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  112. Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en
  113. Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  114. Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  115. Artikel 22.51 Toepassingsbereik
  116. Artikel 22.52 Energie: maatregelen
  117. Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil
  118. Artikel 22.54 Toepassingsbereik
  119. Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  120. Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
  121. Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
  122. Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
  123. Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
  124. Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
  125. Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek
  126. Artikel 22.62 Toepassingsbereik
  127. Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
  128. Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
  129. Artikel 22.65
  130. Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binn
  131. Artikel 22.67
  132. Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
  133. Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
  134. Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
  135. Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd indus
  136. Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
  137. Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
  138. Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  139. Artikel 22.75 Toepassingsbereik
  140. Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
  141. Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
  142. Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  143. Artikel 22.79 Toepassingsbereik
  144. Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
  145. Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
  146. Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
  147. Artikel 22.83 Toepassingsbereik
  148. Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  149. Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
  150. Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding
  151. Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding
  152. Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
  153. Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen
  154. Artikel 22.90 Toepassingsbereik
  155. Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  156. Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
  157. Artikel 22.93 Geur: functionele binding
  158. Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
  159. Artikel 22.95 Geur: cumulatie
  160. Artikel 22.96 Toepassingsbereik
  161. Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
  162. Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
  163. Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking b
  164. Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere
  165. Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s
  166. Artikel 22.102
  167. Artikel 22.103
  168. Artikel 22.104
  169. Artikel 22.105
  170. Artikel 22.106
  171. Artikel 22.107
  172. Artikel 22.108
  173. Artikel 22.109
  174. Artikel 22.110
  175. Artikel 22.111
  176. Artikel 22.112
  177. Artikel 22.113 Subparagraaf
  178. Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
  179. Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorspron
  180. Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
  181. Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
  182. Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of n
  183. Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
  184. Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
  185. Artikel 22.121 Toepassingsbereik
  186. Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
  187. Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige
  188. Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
  189. Artikel 22.125 Toepassingsbereik
  190. Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem
  191. Artikel 22.127 Toepassingsbereik
  192. Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit
  193. Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
  194. Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
  195. Artikel 22.131 Toepassingsbereik
  196. Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
  197. Artikel 22.133 Gereserveerd
  198. Artikel 22.134 Gereserveerd
  199. Artikel 22.135 Gereserveerd
  200. Artikel 22.136 Gereserveerd
  201. Artikel 22.137 Toepassingsbereik
  202. Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
  203. Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
  204. Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
  205. Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
  206. Artikel 22.142 Toepassingsbereik
  207. Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
  208. Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
  209. Artikel 22.145 Toepassingsbereik
  210. Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
  211. Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
  212. Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  213. Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  214. Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
  215. Artikel 22.151 Toepassingsbereik
  216. Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
  217. Artikel 22.153 Koelwater
  218. Artikel 22.154 Toepassingsbereik
  219. Artikel 22.155 Periodiek reinigen
  220. Artikel 22.156 Toepassingsbereik
  221. Artikel 22.157 Inerte goederen
  222. Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
  223. Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen
  224. Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
  225. Artikel 22.161
  226. Artikel 22.162 Toepassingsbereik
  227. Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelse
  228. Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
  229. Artikel 22.165 Toepassingsbereik
  230. Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
  231. Artikel 22.167 Toepassingsbereik
  232. Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
  233. Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
  234. Artikel 22.170 Toepassingsbereik
  235. Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
  236. Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
  237. Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  238. Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
  239. Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
  240. Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
  241. Artikel 22.177 Toepassingsbereik
  242. Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
  243. Artikel 22.179 Water
  244. Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
  245. Artikel 22.181 Toepassingsbereik
  246. Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
  247. Artikel 22.183 Water
  248. Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
  249. Artikel 22.185 Toepassingsbereik
  250. Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
  251. Artikel 22.187 Water: lozingsroute
  252. Artikel 22.188 Toepassingsbereik
  253. Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
  254. Artikel 22.190 Water
  255. Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
  256. Artikel 22.192 Toepassingsbereik
  257. Artikel 22.193 Bodem
  258. Artikel 22.194 Water
  259. Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
  260. Artikel 22.196 Toepassingsbereik
  261. Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
  262. Artikel 22.198 Water
  263. Artikel 22.199 Geur
  264. Artikel 22.200 Toepassingsbereik
  265. Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
  266. Artikel 22.202 Toepassingsbereik
  267. Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
  268. Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
  269. Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
  270. Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening
  271. Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  272. Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem
  273. Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  274. Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  275. Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  276. Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
  277. Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
  278. Artikel 22.214 Toepassingsbereik
  279. Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  280. Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
  281. Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding
  282. Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding
  283. Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie
  284. Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
  285. Artikel 22.221 Toepassingsbereik
  286. Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening
  287. Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  288. Artikel 22.224 Toepassingsbereik
  289. Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
  290. Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
  291. Artikel 22.227 Toepassingsbereik
  292. Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
  293. Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid
  294. Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
  295. Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  296. Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
  297. Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
  298. Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
  299. Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  300. Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
  301. Artikel 22.237 Toepassingsbereik
  302. Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
  303. Artikel 22.239 Licht
  304. Artikel 22.240 Toepassingsbereik
  305. Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
  306. Artikel 22.242 Bodem: opslag
  307. Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  308. Artikel 22.244 Water: lozingsroute
  309. Artikel 22.245 Geur
  310. Artikel 22.246 Toepassingsbereik
  311. Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
  312. Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
  313. Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
  314. Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  315. Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  316. Artikel 22.252 Toepassingsbereik
  317. Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
  318. Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
  319. Artikel 22.255 Bodem: logboek
  320. Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  321. Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
  322. Artikel 22.258 Toepassingsbereik
  323. Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
  324. Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
  325. Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
  326. Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  327. Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  328. Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
  329. Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens
  330. Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
  331. Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
  332. Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
  333. Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
  334. Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
  335. Artikel 22.271 Toepassingsbereik
  336. Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
  337. Artikel 22.273 Aandachtsgebied
  338. Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactivi
  339. Artikel 22.275
  340. Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
  341. Artikel 22.277 Toepassingsbereik
  342. Artikel 22.278
  343. Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen
  344. Artikel 22.280
  345. Artikel 22.281
  346. Artikel 22.282
  347. Artikel 22.283 Toepassingsbereik
  348. Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk,
  349. Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
  350. Artikel 22.286
  351. Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen
  352. Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om e
  353. Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
  354. Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zov
  355. Artikel 22.291
  356. Artikel 22.292
  357. Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik o
  358. Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.
  359. Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
  360. Artikel 22.296
  361. Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg
  362. Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie
  363. Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand
  364. Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame
  365. Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken
  366. Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd
  367. Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg

/akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696286 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0356/2020/omgevingsplan /join/id/stop/work_019 2025-03-27 2025-03-27 /akn/nl/act/gemeente/2024/CVDR696286/nld@2025-04-24 /join/id/proces/gm0356/2020/Bruidsschat-InstellingInitieleRegelingVersieDoorRijk /join/id/proces/gm0356/2023/procedure9eeb1553c0c04aa5bea91383f29a5d38 /join/id/proces/gm0356/2024/procedurede633e13bd1b4376ad524a281dbbbc4d /join/id/proces/gm0356/2024/procedure6675207e66e44b17a4c70712a35bfb9d 2025-04-24 2025-06-27 2025-04-24 2025-06-27 2025-04-24 2025-06-27 /akn/nl/act/gm0356/2020/omgevingsplan/nld@2025-03-17;12293099 /akn/nl/act/gm0356/2020/omgevingsplan /akn/nl/act/gm0356/2020/omgevingsplan/nld@2025-03-17;12293099 /join/id/stop/work_019 4 Omgevingsplan gemeente Nieuwegein

Hoofdstuk 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1Begripsbepalingen uit overige wetgeving

1.

Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

2.

Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

Artikel 1.2Begripsbepalingen

In dit omgevingsplan wordt verstaan onder:

BENG Het aandeel hernieuwbare energie dat uit een bouwwerk kan worden gehaald uitgedrukt in een percentage. bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. gedeeltelijk vernieuwen van een bouwwerk Herbouw na sloop van een gedeelte van een bouwwerk, waarbij de herbouw niet identiek hoeft te zijn aan het gesloopte gedeelte. Hieronder valt ook sloop met behoud van het casco of het (nagenoeg) geheel vernieuwen van de uitwendige scheidingsconstructie van een gebouwonderdeel. grondgebonden woning Een grondgebonden woning is een woning, niet zijnde een woonark of woonwagen, die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan één van de woonlagen aansluit op het maaiveld. Grondgebonden woningen hebben meestal een op de grond gelegen tuin en/of erf. hemelwater Regenwater en andere neerslag afvloeiend via al dan niet verharde oppervlakken, daken en andere verhardingen. hemelwatervoorziening Elke voorziening waar je hemelwater tijdelijk bergt, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool. Voorbeelden van een hemelwatervoorziening zijn een wadi en waterretentiekratten. vernieuwen van een bouwwerk Vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert. wet De Omgevingswet. woonark Drijvend object dat gemaakt is om dienst te doen als woning op het water en die daartoe aan de onderzijde verzwaard is voor de stabiliteit. Er is geen mechanische of elektrische aandrijving aanwezig waardoor dit object zich zelfstandig kan verplaatsen en manoeuvreren. woongebouw Als bedoeld in onderdeel B van bijlage 1 bij artikel 1.1 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. woonwagen Als bedoeld in onderdeel B van bijlage 1 bij artikel 1.1 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving.

Hoofdstuk 2

Doelen

Artikel 2.1Doelen omgevingsplan

Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ten behoeve van: a. het versterken van de ruimtelijke kwaliteit; b. het verduurzamen van de stad; c. het beperken van de gevolgen van klimaatverandering; d. het waarborgen van de veiligheid van de inwoners; e. een gezond stedelijk leven voor iedereen; f. het stimuleren van een duurzaam Nieuwegein; g. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; h. het waarborgen van een goed functionerende infrastructuur en watersystemen; i. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; j. het stimuleren van beweging door inrichting van de buitenruimte; k. het realiseren en beheren van het Natuurnetwerk Nieuwegein; l. het kunnen benutten van de openbare ruimte; m. het bieden van voldoende woonruimte; n. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat van de inwoners.

Hoofdstuk 3

Kwaliteit van de fysieke leefomgeving

Hoofdstuk 4

Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Afdeling 4.1

Algemeen

Afdeling 4.2

Thema's

Paragraaf 4.2.1

(Bouw)werken

Artikel 4.1Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot bouwwerken.

Artikel 4.2Doelen

Voor (bouw)werken gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1: a. het verduurzamen van de stad; b. het beperken van de gevolgen van klimaatverandering; c. het waarborgen van de veiligheid van de inwoners; d. het stimuleren van een duurzaam Nieuwegein; e. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; f. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat van de inwoners.

Artikel 4.3Regels over bouwen van bouwwerken

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het bouwen van een grondgebonden woning, woongebouw, woonark en woonwagen voldaan aan: a. subparagraaf 5.1.2.2.1 Verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd; b. subparagraaf 5.1.2.1.1 – windhinder en windgevaar; c. afdeling 22.2 – activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen.

Artikel 4.4Regels over in stand houden van bouwwerken

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.2, wordt bij het in stand houden van een grondgebonden woning, woongebouw, woonark en woonwagen voldaan aan afdeling 22.2 – activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen.

Paragraaf 4.2.2

Woonruimte

Paragraaf 4.2.3

Infrastructuur en voor publiek toegankelijke ruimte

Paragraaf 4.2.4

Natuur

Paragraaf 4.2.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Artikel 4.5Locatiebepaling

De regels waarnaar in deze paragraaf wordt verwezen zijn van toepassing in het werkingsgebied Duurzaam bouwen.

Artikel 4.6Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot duurzaamheid en klimaatadaptatie.

Artikel 4.7Doelen

Voor duurzaamheid en klimaatadaptatie gelden de volgende doelen, bedoeld in artikel 2.1: a. het versterken van de ruimtelijke kwaliteit; b. het verduurzamen van de stad; c. het beperken van de gevolgen van klimaatverandering; d. een gezond stedelijk leven voor iedereen; e. het stimuleren van een duurzaam Nieuwegein; f. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; g. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat van de inwoners.

Artikel 4.8Regels over duurzaamheid en klimaatadaptatie

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.7, wordt bij het bouwen van een grondgebonden woning, woongebouw, woonark en woonwagen en het inrichten van een bouwperceel bij een woning voldaan aan: a. paragraaf 5.1.2.2 – duurzaamheid en klimaatadaptatie; en b. afdeling 22.2 – activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen.

Artikel 4.9Regels over in stand houden van bouwwerken

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.7, wordt bij het in stand houden van een grondgebonden woning, woongebouw, woonark en woonwagen en in stand houden van een bouwperceel bij een woning voldaan aan: a. subparagraaf 5.1.2.2.2 - Bergen en infiltratie van hemelwater; b. subparagraaf 5.1.2.2.3 – Beperking warmte-uitstraling woningen; c. subparagraaf 5.1.2.2.4 – Voorkomen wateroverlast woningen; en d. afdeling 22.2 – activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen.

Afdeling 4.3

Gebiedstypen

Hoofdstuk 5

Activiteiten

Titel 5.1

Algemene en activiteitoverstijgende bepalingen

Afdeling 5.1.1

Algemene bepalingen

Artikel 5.1Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.6 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk.

2.

Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of het Besluit Bouwwerken Leefomgeving zich daartegen verzet.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

4.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.

5.

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in dit hoofdstuk worden de doelen, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling, paragraaf of subparagraaf zijn gesteld, in acht genomen.

Artikel 5.2Toepassingsbereik

Met uitzondering van afdeling 5.1.1 is een afdeling, paragraaf of subparagraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 4 is bepaald.

Afdeling 5.1.2

Activiteitoverstijgende regels

Paragraaf 5.1.2.1

Regels ter voorkoming van (milieu)hinder Subparagraaf 5.1.2.1.1 Windhinder en windgevaar

Artikel 5.3Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen van een woongebouw.

Artikel 5.4Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beperken van hinder; en c. het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat.

Artikel 5.5Windhinder en windgevaar

1.

Er wordt aangetoond dat sprake is van een goed windklimaat conform NEN 8100.

2.

Er wordt aangetoond dat er geen sprake is van een windgevaarlijke situatie conform NEN 8100.

3.

Als wordt aangetoond dat het niet mogelijk is om een goed windklimaat, bedoeld in het eerste lid te realiseren, wijkt het bevoegd gezag af van het bepaalde in het eerste lid, als: a. sprake is van een matig windklimaat conform NEN 8100; b. het belang dat met het te bouwen gebouw wordt gediend naar het oordeel van het bevoegd gezag zwaarder weegt dan het garanderen van een goed windklimaat.

Paragraaf 5.1.2.2

Duurzaamheid en klimaatadaptatie Subparagraaf 5.1.2.2.1 Verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd

Artikel 5.6Toepassingsbereik

1.

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen van: a. een grondgebonden woning; en b. een woongebouw.

2.

De regels in deze subparagraaf zijn alsmede van toepassing op: a. bouwwerken, bedoeld in het eerste lid als sprake is van:

1.het vernieuwen van een bouwwerk;
2.het gedeeltelijk vernieuwen van een bouwwerk; of 3. het vergroten van een bouwwerk, voor zover het aantal woningen toeneemt. b. het inrichten van het bouwperceel bij een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid bedoeld onder a.

3.

De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op het bouwen en in stand houden van woningen voor een periode van maximaal tien jaar.

Artikel 5.7Oogmerken

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen danwel beperken van wateroverlast; b. het tegengaan van hittestress; c. het vergroten van de biodiversiteit; en d. het bijdragen aan een groene leefomgeving.

Artikel 5.8Verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd

1.

Een bouwperceel waarop een of meer grondgebonden woningen worden gebouwd, blijft voor ten minste 50% onverhard.

2.

Een bouwperceel waarop een woongebouw wordt gebouwd, blijft voor ten minste 30% onverhard.

3.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid blijft het bouwperceel waarop een aaneengesloten woningbouwontwikkeling met zowel grondgebonden woningen als woongebouwen worden gebouwd, voor ten minste 30% onverhard.

Artikel 5.9Berekening van de mate van verharding

Bij het bepalen van de mate van verharding, bedoeld in artikel 5.8: a. worden hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, wegen, straten, en dergelijke gezien als verhard; b. wordt als kengetal gehanteerd dat 40% van het totale erf van een rijwoning onverhard is; c. wordt als kengetal gehanteerd dat 67% van het totale erf van een half vrijstaande en vrijstaande woning onverhard is; en d. wordt een groenvoorziening op bebouwing, zoals een binnentuin of daktuin op een gebouwde parkeervoorziening of hoofdgebouw gezien als onverhard als de substraatlaag een minimale dikte heeft van 30 cm.

Artikel 5.10Voorrangsbepaling met betrekking tot verharding van percelen tijdelijk deel omgevingsplan

Regels over de mate van bebouwing en verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd die zijn opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gelden niet. In plaats daarvan gelden de regels in deze paragraaf.

Artikel 5.11Ontheffing met betrekking tot verharding van percelen

In uitzondering op artikel 5.8 kan het bevoegd gezag gemotiveerd afwijken van de mate van bebouwing en verharding van percelen waarop woningen worden gebouwd. Hiervoor moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden worden voldaan: a.

Er is sprake van een transformatie van kantoor naar wonen; b.

Er is sprake van verbouw, niet van sloop nieuwbouw; en c.

Er kan worden aangetoond dat een groen dak van minimaal 30 cm dik, waarmee een totaal van 30% onverhard mogelijk zou worden, constructief niet mogelijk is.

Subparagraaf 5.1.2.2.2 Bergen en infiltratie van hemelwater

Artikel 5.12Toepassingsbereik

1.

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van: a. een grondgebonden woning; b. een woongebouw; en c. een woonwagen.

2.

De regels in deze subparagraaf zijn alsmede van toepassing op: a.

Bouwwerken, bedoeld in het eerste lid als sprake is van:

1.het vernieuwen van een bouwwerk;
2.het gedeeltelijk vernieuwen van een bouwwerk; of 3. het vergroten van een bouwwerk, voor zover het aantal woningen toeneemt. b. het inrichten en in stand houden van het bouwperceel bij een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid.

3.

De regels in deze subsubparagraaf zijn niet van toepassing op het bouwen en in stand houden van een woning voor een periode van maximaal tien jaar.

Artikel 5.13Oogmerken

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen danwel beperken van wateroverlast.

Artikel 5.14Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of vernieuwen, gedeeltelijk vernieuwen of vergroten van een bouwwerk, bedoeld in artikel 5.12, tweede lid worden de volgende gegevens verstrekt: a. een berekening van de waterbergingsopgave; en b. de beoogde voorzieningen voor waterberging en infiltratie, inclusief de daarbij behorende:

1.dimensionering van de voorzieningen; en 2. de bergings-, infiltratie-, en leidingcapaciteit.

Artikel 5.15Bergen en infiltratie van hemelwater

De aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 5.12 wordt alleen verleend, als wordt aangetoond dat: a. bij een regenbui waar minimaal 70 millimeter regen in een uur valt, minimaal 50 millimeter daarvan geïnfiltreerd, vastgehouden en geborgen wordt in voorzieningen op het bouwperceel; b. hemelwatervoorzieningen de eerste 24 uur bij een regenbui minimaal 50 mm water vasthouden binnen het bouwperceel, bedoeld onder a. Na maximaal 60 uur is de hemelwatervoorziening weer volledig beschikbaar voor nieuwe hemelwateropvang; c. van de gemiddelde jaarlijkse neerslagsom van 936 millimeter minimaal 50% op het bouwperceel wordt verwerkt.

Artikel 5.16Ontheffing met betrekking tot bergen en infiltratie van hemelwater

In uitzondering op artikel 5.15 kan het bevoegd gezag gemotiveerd afwijken van de eisen voor het bergen en infiltreren van hemelwater op het perceel waarop woningen worden gebouwd. Hiervoor moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden worden voldaan: a.

Er is sprake van een transformatie van kantoor naar wonen; b.

Er is sprake van verbouw, niet van sloop nieuwbouw; en c.

Er is geen grondgebonden buitenruimte aanwezig.

Artikel 5.17In stand houden voorzieningen berging en infiltratie hemelwater

Voorzieningen voor de berging en infiltratie van hemelwater die noodzakelijk zijn om aan de regels in artikel 5.12 te voldoen, worden in stand gehouden.

Artikel 5.18Zorgplicht klimaatadaptief inrichten van perceel

Eenieder draagt er zorgt voor dat de inrichting van het bouwperceel van een grondgebonden woning, woongebouw of woonwagen niet leidt tot schade aan omliggende bouwwerken, infrastructuur of vitale voorzieningen op het bouwperceel of omliggende percelen bij hevige regenval.

Subparagraaf 5.1.2.2.3 Beperking warmte-uitstraling en warmte-uitstoot woningen

Artikel 5.19Toepassingsbereik

1.

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van: a. een grondgebonden woning; b. een woongebouw; c. een woonark; en d. een woonwagen.

2.

De regels in deze subparagraaf zijn alsmede van toepassing op bouwwerken, bedoeld in het eerste lid als sprake is van: a. het vernieuwen van een bouwwerk; b. het gedeeltelijk vernieuwen van een bouwwerk; of c. het vergroten van een bouwwerk, voor zover het aantal woningen toeneemt.

3.

De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op het bouwen en in stand houden van een woning voor een periode van maximaal tien jaar.

Artikel 5.20Oogmerken

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het tegengaan van hittestress.

Artikel 5.21Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, of vernieuwen, gedeeltelijk vernieuwen of vergroten van een bouwwerk, bedoeld in artikel 5.19, tweede lid worden de volgende gegevens verstrekt: a. een BENG-berekening; b. een onderbouwing waaruit blijkt dat van alle horizontale en verticale buitenoppervlakten 40% warmtewerend of verkoelend is ingericht; en c. indien gebruik gemaakt wordt van een luchtwarmtepomp, een onderbouwing waaruit blijkt dat de luchtwarmptepomp niet leidt tot opwarming van de omgeving van dat gebouw.

Artikel 5.22Beperking warmte-uitstraling

Van alle horizontale en verticale buitenoppervlakten is 40% warmtewerend of verkoelend ingericht.

Artikel 5.23Zorgplicht

Eenieder draagt er zorg voor dat bij het plaatsen van een gebouwgebonden of mobiele installatie voor verwarming en koeling van een grondgebonden woning, woonark, woonwagen of woongebouw in de maanden mei tot en met september niet leidt tot opwarming van de omgeving van dat gebouw.

Subparagraaf 5.1.2.2.4 Voorkomen wateroverlast woningen

Artikel 5.24Toepassingsbereik

1.

De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van: a. een grondgebonden woning; b. een woongebouw; en c. een woonwagen.

2.

De regels in deze subparagraaf zijn alsmede van toepassing op bouwwerken, bedoeld in het eerste lid als sprake is van: a. het vernieuwen van een bouwwerk; b. het gedeeltelijk vernieuwen van een bouwwerk; of c. het vergroten van een bouwwerk, voor zover het aantal woningen toeneemt.

3.

De regels in deze subparagraaf zijn niet van toepassing op het bouwen en in stand houden van: a. een woning voor een periode van maximaal tien jaar; b. een woonark.

Artikel 5.25Oogmerken

De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het tegengaan van wateroverlast.

Artikel 5.26Voorkomen wateroverlast grondgebonden woningen en gebouwen

1.

De begane grondlaag van een grondgebonden woning of woongebouw wordt ten minste 30 centimeter hoger gerealiseerd dan de hoogte van de weg waaraan de woning gesitueerd is.

2.

Het bevoegd gezag wijkt af van het eerste lid als niet wordt voldaan aan de toegankelijkheidseisen, bedoeld in artikel 4.182 en artikel 4.189 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, met dien verstande dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen over de hoogte van de begane grondlaag ten opzichte van het straatniveau.

Titel 5.2

Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte

Titel 5.3

Thematische activeiten

Afdeling 5.3.1

Algemene bepalingen

Afdeling 5.3.2

Bouwen

Paragraaf 5.3.2.1

Algemeen

Afdeling 5.3.3

Slopen

Titel 5.4

Beperkingen en inperkingen

Hoofdstuk 6

Regels gebiedsontwikkeling en transformatie

Hoofdstuk 7

Beheer en onderhoud

Hoofdstuk 8

Financiële bepalingen

Hoofdstuk 9

Procesregels

Hoofdstuk 10

Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 11

Monitoring en informatie

Hoofdstuk 12

Regels tijdelijk deel omgevingsplan en andere gemeentelijke regelingen

Titel 12.1

Tijdelijk deel anders dan bruidsschat

Afdeling 12.1.1

Horeca-inrichting exploiteren

Paragraaf 12.1.1.1

Algemene regels

Artikel 12.1Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het exploiteren van een horeca-inrichting.

Artikel 12.2Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen en beperken van hinder; b. het bereiken en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat; c. een levendig stadscentrum met voldoende horeca; en d. bruisende kernen in Vreeswijk en Jutphaas.

Artikel 12.3Voorrangsbepaling

In het werkingsgebied ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen zijn de regels in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet ten aanzien van de horecacategorieën niet van toepassing. In plaats daarvan zijn de regels in deze afdeling van toepassing.

Paragraaf 12.1.1.2

Horeca-inrichting categorie 1 exploiteren

Artikel 12.4Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een horeca-inrichting in categorie 1 als bedoeld in Bijlage III Staat van horeca-activiteiten.

Artikel 12.5Locatiebepaling

Het exploiteren van een horeca-inrichting in categorie 1 is uitsluitend toegestaan in het werkingsgebied horeca-inrichting categorie 1.

Paragraaf 12.1.1.3

Horeca-inrichting categorie 2 exploiteren

Artikel 12.6Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een horeca-inrichting in categorie 2 als bedoelt in Bijlage III Staat van horeca-activiteiten.

Artikel 12.7Locatiebepaling

Het exploiteren van een horeca-inrichting in categorie 2 is uitsluitend toegestaan in het werkingsgebied horeca-inrichting categorie 2.

Paragraaf 12.1.1.4

Horeca-inrichting categorie 3 exploiteren

Artikel 12.8Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een horeca-inrichting in categorie 3 als bedoelt in Bijlage III Staat van horeca-activiteiten.

Artikel 12.9Locatiebepaling

Het exploiteren van een horeca-inrichting in categorie 3 is uitsluitend toegestaan in het werkingsgebied horeca-inrichting categorie 3.

Paragraaf 12.1.1.5

Horeca-inrichting categorie 4 exploiteren

Artikel 12.10Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een horeca-inrichting in categorie 4 als bedoelt in Bijlage III Staat van horeca-activiteiten.

Artikel 12.11Locatiebepaling

Het exploiteren van een horeca-inrichting in categorie 4 is uitsluitend toegestaan in het werkingsgebied horeca-inrichting categorie 4.

Paragraaf 12.1.1.6

Horeca-inrichting categorie 5 exploiteren

Artikel 12.12Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een horeca-inrichting in categorie 5 als bedoelt in Bijlage III Staat van horeca-activiteiten.

Artikel 12.13Locatiebepaling

Het exploiteren van een horeca-inrichting in categorie 5 is uitsluitend toegestaan in het werkingsgebied horeca-inrichting categorie 5.

Paragraaf 12.1.1.7

Specifieke regels uitsterflocaties horeca

Artikel 12.14Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op locaties waar horeca is toegestaan binnen de bestemmingen bedrijf, bedrijfsdoeleinden, centrum en gemengd in de volgende onderdelen van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet: a. beheersverordening Herenstraat-Kruyderlaan (vastgesteld op 14 april 2020). b. bestemmingsplan Jutphaas Wijkersloot (vastgesteld op 5 maart 2018); c. bestemmingsplan Plettenburg-De Wiers 2009 (vastgesteld op 17 februari 2010); d. bestemmingsplan Vreeswijk-Noord (vastgesteld op 26 juni 2013);

Artikel 12.15Locatiebepaling

In het werkingsgebied horeca niet langer toegestaan geldt in afwijking van de onderdelen van het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 12.14 dat de horeca-activiteit niet langer is toegestaan binnen de bestemming bedrijf(sdoeleinden).

Paragraaf 12.1.1.8

Specifieke regels horeca dorpskern Vreeswijk

Artikel 12.16Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het aantal horeca-inrichtingen in de dorpskern Vreeswijk.

Artikel 12.17Locatiebepaling

In het werkingsgebied horeca dorpskern Vreeswijk geldt, in afwijking van artikel 5.1, lid 6 van het bestemmingsplan Vreeswijk als onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, geen maximum voor het aantal horecabedrijven.

Paragraaf 12.1.1.9

Specifieke regels afhaal/bezorging

Artikel 12.18Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van horeca-inrichtingen die hoofdzakelijk gericht zijn op afhaal en bezorging.

Artikel 12.19Locatiebepaling

In het werkingsgebied afhaal en bezorging verboden is het niet toegestaan om een horeca-inrichting te exploiteren die hoofdzakelijk gericht is op afhaal en bezorging.

Hoofdstuk 13

Overgangsrecht

Afdeling 13.1

Overgangsrecht algemeen

Paragraaf 13.1.1

Lopende procedures en beschikkingen

Artikel 13.1Lopende procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve

1.

Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een aanvraag om een besluit, niet zijnde een principebesluit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

2.

Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

3.

Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; of b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Artikel 13.2Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:

1.de last volledig is uitgevoerd;
2.de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 3. de last is opgeheven.

Paragraaf 13.1.2

Eerbiedigende werking tijdelijk deel omgevingsplan

Artikel 13.3Eerbiedigende werking tijdelijk deel omgevingsplan

1.

Een op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan bestaande activiteit die in strijd is met de regels van dit plan, mag worden voortgezet voor zover de activiteit is toegestaan op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet.

2.

Het is verboden een met het omgevingsplan strijdige activiteit te veranderen, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind of beëindigd.

Artikel 13.4Niet hervatten na onderbreking

Als de activiteit, bedoeld in artikel 13.3 na het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden de activiteit daarna te hervatten.

Artikel 13.5Activiteiten die reeds in strijd zijn

Artikel 13.3 is niet van toepassing op activiteiten die reeds in strijd zijn met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Paragraaf 13.1.3

Uitgestelde werking

Paragraaf 13.1.4

Reken- en meetvoorschriften bestaande activiteiten

Artikel 13.6Reken- en meetvoorschriften bestaande activiteiten

1.

Voor zover een bestaande activiteit door nieuwe of gewijzigde reken- en meetvoorschriften in strijd met regels van het omgevingsplan wordt verricht, mag de activiteit in strijd met die regels worden verricht.

2.

Het is verboden een activiteit als bedoeld in het eerste lid te wijzigen, tenzij door deze wijziging de strijdigheid naar aard en omvang wordt verkleind of beëindigd.

Hoofdstuk 14

Slotbepalingen

Afdeling 14.1

Uitvoerbaarheid en evaluatie

Afdeling 14.2

Overige bepalingen

Artikel 14.1Citeertitel

Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: omgevingsplan gemeente Nieuwegein

Hoofdstuk 15

Hoofdstuk 16

Hoofdstuk 17

Hoofdstuk 18

Hoofdstuk 19

Hoofdstuk 20

Hoofdstuk 21

Hoofdstuk 22

ACTIVITEITEN

Afdeling 22.1

ALGEMEEN

Artikel 22.1Voorrangsbepaling

1.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

1.

Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2.

Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2

ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

Paragraaf 22.2.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.4Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2

Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.6

Paragraaf 22.2.3

Bouwen en in stand houden van bouwwerken

Artikel 22.7Repressief welstand

1.

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.8Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9Aansluiting op distributienet voor gas

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.10Aansluiting op distributienet voor warmte

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3.

Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 22.11Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 22.12Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2.

De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3.

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4.

Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 22.13Bluswatervoorziening

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2.

De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3.

De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 22.14Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5.

Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 22.15Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3.

De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5.

Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 22.2.4

Gebruik van bouwwerken

Artikel 22.16Overbewoning woonruimte

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 22.17Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 22.18Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 22.2.5

In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 22.19Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

1.

Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

1.de verpakking tegen normale behandeling bestand is;
2.de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4.

Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

5.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1 Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.

50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.

1 liter 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

Artikel 22.20Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

1.

De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

3.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 22.21Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Paragraaf 22.2.6

Cultureel erfgoed

Artikel 22.22Vrijstelling van archeologisch onderzoek

1.

Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.

Paragraaf 22.2.7

Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken Subparagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.23Algemene afbakeningseisen

1.

De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24Meetbepalingen

1.

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 22.25Mantelzorg

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Subparagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.26Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.27Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1.op de grond staand;
2.gelegen in achtererfgebied;
3.op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
4.niet hoger dan 5 m;
5.de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.op de grond staand;
2.niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
2.voorzien van een plat dak;
3.gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
4.onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
5.bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
2.op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
1.een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1.geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
2.geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 22.28Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

1.

Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.

2.

Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

3.

Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

4.

Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Artikel 22.29

Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

1.de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

Artikel 22.30

Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.

De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

3.

Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

Artikel 22.31

Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.

Artikel 22.32

Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.

In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.33

Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.

In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 22.34

Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.

Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.

2.

Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.35Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

1.de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
2.de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
3.de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
4.de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
1.tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
2.principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
3.kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
1.de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Subparagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 22.36Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

1.voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i.

5 m; ii.

0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;

2.voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
3.de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.37Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

1.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

2.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.

Artikel 22.38Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 22.39Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

1.artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
2.artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
3.artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
4.artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
5.artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
6.artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
7.artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
8.artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
9.artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
10.artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
11.artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
12.artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 13. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

Paragraaf 22.2.8

Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Artikel 22.40Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.

Afdeling 22.3

MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.3.1

Algemene bepalingen

Artikel 22.41Algemeen toepassingsbereik

1.

Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

2.

Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:

1.dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
2.dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

3.

Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

4.

Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7.

Artikel 22.42Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:

1.het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
2.het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 22.43Normadressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 22.44Specifieke zorgplicht

1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

3.

De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

4.

Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.45Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.

4.

Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.46Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.

Artikel 22.47Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

1.

Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.48Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

1.

Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 22.49Informeren over een ongewoon voorval

1.

Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Artikel 22.50Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

1.

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Paragraaf 22.3.2

Energiebesparing

Artikel 22.51Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.52Energie: maatregelen

1.

Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

3.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

4.

Het eerste tot en met vierde lid is van toepassing tot 1 december 2023.

5.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

6.

Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, het eerste tot en met vierde lid niet van toepassing.

Paragraaf 22.3.3

Zwerfafval

Artikel 22.53Afval: zwerfvuil

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Paragraaf 22.3.4

Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.54Toepassingsbereik

1.

Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.

In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

4.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 22.55Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

1.

In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

1.het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:
1.het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.56Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.57Geluid: waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 22.58Geluid: functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.59Geluid: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 22.60Geluid: onderzoek

1.

In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

1.in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: i.

70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii.

80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

2.

Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

3.

Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

4.

Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 22.61Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

3.

In afwijking van artikel 22.60 en het eerste en tweede lid, zijn de regels als bedoeld in het vierde tot en met zevende lid van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.

4.

Het derde tot en met zevende lid is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

1.

70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

2.

80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

5.

Het derde tot en met zevende lid is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het eerste en tweede lid of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

6.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in het derde lid worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

1.de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

7.

Ten minste vier weken voordat de activiteit als bedoeld in het derde lid wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.62Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

3.

Deze paragraaf is ook niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.63Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.

Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.

Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) 3.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.

Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 4.

De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

Artikel 22.64Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 – 21.00 uur 21.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 60 dB(A) 2.

De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 22.65

Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.

06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.

Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.66Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.

Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.

Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 – 19.00 uur 19.00 – 22.00 uur 22.00 – 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.

Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.67

Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening 1.

Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

2.

Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 22.65, eerste lid, en 22.66, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

Artikel 22.68Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 22.63, eerste lid, 22.64, eerste lid, 22.65, eerste lid en 22.66, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012: a. voor een woonschip was bestemd; of b. in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

1.voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of 2. de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 22.69Geluid: eerbiedigende werking

1.

Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

2.

Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 22.70Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

1.

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69 en 22.71, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; c. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten; d. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; e. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang; f. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; g. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; h. het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; i. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en j. het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

2.

Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.67 en 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

3.

De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 22.71Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 22.63, eerste lid, en 22.64, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.72Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

1.

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

2.

Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op: a. de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt; b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en c. het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.73Geluid: festiviteiten

1.

De waarden, bedoeld in de in artikelen 22.63 tot en met 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

2.

Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 22.74Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines

Artikel 22.75Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

2.

Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.76Geluid: waarden windturbines

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 22.77Registratie gegevens windturbines

1.

De volgende gegevens worden geregistreerd: a. de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

2.

De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.78Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.79Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen: a. civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of b. militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 22.80Geluid: waarden buitenschietbanen

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.

Artikel 22.81Registratie gegevens buitenschietbanen

1.

De volgende gegevens worden geregistreerd: a. dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en b. voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

2.

De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.82Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 22.80, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.5

Trillingen

Artikel 22.83Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit: a. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en b. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.84Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In afwijking van artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.85Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.86Trillingen: functionele binding

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.87Trillingen: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

Artikel 22.88Trillingen: waarden voor continue trillingen

1.

Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9.

2.

Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.

Tabel 22.3.9 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten Soort waarden 07.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur A1 trillingssterkte Vmax 0,1 0,1 A2 trillingssterkte Vmax 0,4 0,2 A3 trillingssterkte Vper 0,05 0,05

Artikel 22.89Trillingen: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.6

Geur Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.90Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

2.

In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.91Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

1.

In afwijking van artikel 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.