Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland houdende regels voor ruimte (Regels Ruimte voor Gelderland 2016) (Gelderland)
Waar gaat deze regeling over?
Deze regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland stelt regels vast voor het aanvragen en verstrekken van subsidies, met name gericht op de financiële aspecten en de procedurele vereisten. Het beschrijft hoe aanvragen moeten worden ingediend, welke kosten subsidiabel zijn en hoe deze kosten berekend moeten worden.
Voor wie: Aanvragers van subsidies bij de provincie Gelderland, waaronder privaatrechtelijke rechtspersonen, publiekrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen met een wettelijke taak; Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland als de beslissende instantie over subsidieaanvragen.
Termijnen:
- Er zijn drie methoden voor kostenberekening: vaste uurtariefsystematiek (€ 35 per uur, maximaal 1.600 uur per jaar), loonkosten plus vaste opslagsystematiek (maximaal € 93 per uur voor directe loonkosten, 20% opslag voor indirecte kosten) en integrale kostensystematiek.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Procesrecht
- Artikelen
- 665
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De procedure voor het indienen van subsidieaanvragen, inclusief termijnen en vereiste documenten.
- De criteria voor de beslissing op een subsidieaanvraag, zoals de volgorde van indiening en het communautair toetsingskader.
- Welke kosten niet in aanmerking komen voor subsidie (niet-subsidiabele kosten).
- Verschillende methoden voor het berekenen van subsidiabele kosten, zoals de vaste uurtariefsystematiek en de loonkosten plus vaste opslagsystematiek.
Voor wie geldt deze regeling?
- Aanvragers van subsidies bij de provincie Gelderland, waaronder privaatrechtelijke rechtspersonen, publiekrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen met een wettelijke taak.
- Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland als de beslissende instantie over subsidieaanvragen.
Wat zijn de kernpunten?
- Subsidieaanvragen moeten een beschrijving van de activiteiten, beoogde doelen en een sluitende begroting bevatten.
- Voor subsidies tot € 25.000 wordt geen verleningsbesluit genomen, maar vindt directe vaststelling plaats.
- Er zijn specifieke regels voor de volgorde van behandeling van aanvragen, inclusief loting bij overschrijding van het subsidieplafond.
- Niet-subsidiabele kosten omvatten onder andere kosten voor het opstellen van de aanvraag, rente, boetes en kosten voor reguliere werkzaamheden.
- Er zijn drie methoden voor kostenberekening: vaste uurtariefsystematiek (€ 35 per uur, maximaal 1.600 uur per jaar), loonkosten plus vaste opslagsystematiek (maximaal € 93 per uur voor directe loonkosten, 20% opslag voor indirecte kosten) en integrale kostensystematiek.
Procesrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (665)
- Artikel 1.1.1
- Artikel 1.1.2
- Artikel 1.2.1
- Artikel 1.2.2
- Artikel 1.2.3
- Artikel 1.2.4
- Artikel 1.2.5
- Artikel 1.3.1
- Artikel 1.3.2
- Artikel 1.3.3
- Artikel 1.3.4
- Artikel 1.3.5
- Artikel 1.3.6
- Artikel 1.3.7
- Artikel 1.3.8
- Artikel 1.3.9
- Artikel 1.3.10
- Artikel 1.3.11
- Artikel 1.4.1
- Artikel 1.4.2
- Artikel 1.4.3
- Artikel 1.4.4
- Artikel 1.4.5
- Artikel 1.4.6
- Artikel 1.4.7
- Artikel 1.4.8
- Artikel 1.5.1
- Artikel 1.5.2
- Artikel 1.5.3
- Artikel 1.6.1
- Artikel 1.6.2
- Artikel 2.1.1
- Artikel 2.4.1
- Artikel 2.4.2
- Artikel 2.4.3
- Artikel 2.4.4
- Artikel 2.4.5
- Artikel 2.4.6
- Artikel 2.4.7
- Artikel 2.4.8
- Artikel 2.4.9
- Artikel 2.8.1
- Artikel 2.8.2
- Artikel 2.8.3
- Artikel 2.8.4
- Artikel 2.8.5
- Artikel 2.8.6
- Artikel 2.8.7
- Artikel 2.8.8
- Artikel 2.8.9
- Artikel 2.8.10
- Artikel 2.8.11
- Artikel 2.9.1
- Artikel 2.9.2
- Artikel 2.9.3
- Artikel 2.9.4
- Artikel 2.9.5
- Artikel 2.9.6
- Artikel 2.9.7
- Artikel 2.9.8
- Artikel 2.10.1
- Artikel 2.10.2
- Artikel 2.10.3
- Artikel 2.10.4
- Artikel 2.10.5
- Artikel 2.10.6
- Artikel 2.10.8
- Artikel 2.11.1
- Artikel 2.11.2
- Artikel 2.11.3
- Artikel 2.11.4
- Artikel 2.11.5
- Artikel 2.11.6
- Artikel 2.11.7
- Artikel 2.11.8
- Artikel 2.11.9
- Artikel 2.11.10
- Artikel 2.12.1
- Artikel 2.12.2
- Artikel 2.12.3
- Artikel 2.12.4
- Artikel 2.12.5
- Artikel 2.12.6
- Artikel 2.12.7
- Artikel 2.12.8
- Artikel 2.12.9
- Artikel 2.13.1
- Artikel 2.13.2
- Artikel 2.13.3
- Artikel 2.13.4
- Artikel 2.13.5
- Artikel 2.13.6
- Artikel 2.13.7
- Artikel 2.13.8
- Artikel 2.14.1
- Artikel 2.14.2
- Artikel 2.14.3
- Artikel 2.14.4
- Artikel 2.14.5
- Artikel 2.14.6
- Artikel 2.14.7
- Artikel 3.1.1
- Artikel 3.3.1
- Artikel 3.3.2
- Artikel 3.3.3
- Artikel3.3.4
- Artikel 3.3.5
- Artikel 3.3.6
- Artikel 3.3.7
- Artikel3.5.1
- Artikel3.5.2
- Artikel 3.5.3
- Artikel 3.5.4
- Artikel 3.5.5
- Artikel 3.5.6
- Artikel3.5.7
- Artikel 3.5.8
- Artikel 3.5.9
- Artikel 3.6.1
- Artikel 3.6.2
- Artikel 3.6.3
- Artikel 3.6.4
- Artikel 3.6.5
- Artikel 3.7.1
- Artikel 3.7.2
- Artikel 3.7.3
- Artikel 3.7.4
- Artikel 3.7.5
- Artikel 3.8.1
- Artikel 3.8.2
- Artikel 3.8.3
- Artikel 3.8.4
- Artikel 3.8.5
- Artikel 3.11.1
- Artikel 3.11.2
- Artikel 3.11.3
- Artikel 3.11.4
- Artikel 3.11.5
- Artikel 3.11.6
- Artikel 3.11.7
- Artikel 3.11.8
- Artikel 3.11.9
- Artikel 3.11.10
- Artikel 3.12.1
- Artikel 3.12.2
- Artikel 3.12.3
- Artikel 3.12.4
- Artikel 3.12.5
- Artikel 3.12.6
- Artikel 3.12.7
- Artikel 3.12.8
- Artikel 3.12.9
- Artikel 3.12.10
- Artikel 3.13.1
- Artikel 3.13.2
- Artikel 3.13.3
- Artikel 3.13.4
- Artikel 3.13.5
- Artikel 3.13.6
- Artikel 3.13.7
- Artikel 3.13.8
- Artikel 3.13.9
- Artikel 3.16.1
- Artikel 3.16.2
- Artikel 3.16.3
- Artikel 3.16.4
- Artikel 3.16.5
- Artikel 3.16.6
- Artikel 3.16.7
- Artikel3.17.1
- Artikel3.17.2
- Artikel3.17.3
- Artikel3.17.4
- Artikel3.17.5
- Artikel3.17.6
- Artikel3.17.7
- Artikel3.17.8
- Artikel3.18.1
- Artikel3.18.2
- Artikel3.18.3
- Artikel3.18.4
- Artikel3.18.5
- Artikel3.18.6
- Artikel3.18.7
- Artikel 4.1.1
- Artikel 4.2.1
- Artikel 4.2.2
- Artikel 4.2.3
- Artikel 4.2.4
- Artikel 4.2.5
- Artikel 4.2.6
- Artikel 4.2.7
- Artikel 4.3.1
- Artikel 4.3.2
- Artikel 4.3.3
- Artikel 4.3.4
- Artikel 4.3.5
- Artikel 4.3.6
- Artikel 4.3.7
- Artikel 4.3.8
- Artikel 4.4.1
- Artikel 4.4.2
- Artikel 4.4.3
- Artikel 4.4.4
- Artikel 4.4.5
- Artikel 4.4.6
- Artikel 4.4.7
- Artikel 4.4.8
- Artikel 4.4.9
- Artikel 4.5.1
- Artikel 4.5.2
- Artikel 4.5.3
- Artikel 4.5.4
- Artikel 4.5.5
- Artikel 4.5.6
- Artikel 4.5.7
- Artikel 4.6.1
- Artikel 4.6.2
- Artikel 4.6.3
- Artikel 4.6.4
- Artikel 4.6.5
- Artikel 4.7.1
- Artikel 4.7.2
- Artikel 4.7.3
- Artikel 4.7.4
- Artikel 4.7.5
- Artikel 4.7.6
- Artikel 4.8.1
- Artikel 4.8.2
- Artikel 4.8.3
- Artikel 4.8.4
- Artikel 4.8.5
- Artikel 4.8.6
- Artikel 4.8.7
- Artikel 4.8.8
- Artikel 4.8.9
- Artikel 4.8.10
- Artikel 4.8.11
- Artikel 4.8.12
- Artikel 4.9.1
- Artikel 4.9.2
- Artikel 4.9.3
- Artikel 4.9.4
- Artikel 4.9.5
- Artikel 4.9.6
- Artikel 4.9.7
- Artikel 4.9.8
- Artikel 4.9.9
- Artikel 4.9.10
- Artikel 4.9.11
- Artikel 4.9.12
- Artikel 4.10.1
- Artikel 4.10.2
- Artikel 4.10.3
- Artikel 4.10.4
- Artikel 4.10.5
- Artikel 4.10.6
- Artikel 4.10.7
- Artikel 4.10.8
- Artikel 4.10.9
- Artikel 4.11.1
- Artikel 4.11.2
- Artikel 4.11.3
- Artikel 4.11.4
- Artikel 4.11.5
- Artikel 4.11.6
- Artikel 4.11.7
- Artikel 4.11.8
- Artikel 4.12.1
- Artikel 4.12.2
- Artikel 4.12.3
- Artikel 4.12.4
- Artikel 4.12.5
- Artikel 4.12.6
- Artikel 4.12.7
- Artikel 4.13.1
- Artikel 4.13.2
- Artikel4.13.3
- Artikel 4.13.4
- Artikel 4.13.5
- Artikel 4.13.6
- Artikel 4.13.7
- Artikel 4.13.8
- Artikel 4.14.1
- Artikel 4.14.2
- Artikel 4.14.3
- Artikel 4.14.4
- Artikel 4.14.5
- Artikel 4.14.6
- Artikel 4.14.7
- Artikel 4.14.8
- Artikel 4.14.9
- Artikel 4.15.1
- Artikel 4.15.2
- Artikel 4.15.3
- Artikel 4.15.4
- Artikel 4.15.5
- Artikel4.15.6
- Artikel 4.15.7
- Artikel 4.15.8
- Artikel 4.15.9
- Artikel 4.15.10
- Artikel 4.16.1
- Artikel 4.16.2
- Artikel 4.16.3
- Artikel 4.16.4
- Artikel 4.16.5
- Artikel 4.16.6
- Artikel 4.16.7
- Artikel 4.17.1
- Artikel4.17.2
- Artikel 4.17.3
- Artikel 4.17.4
- Artikel 4.17.5
- Artikel 4.17.6
- Artikel 4.17.7
- Artikel 4.17.8
- Artikel 5.1.1
- Artikel 5.2.1
- Artikel 5.2.2
- Artikel 5.2.3
- Artikel 5.3.1
- Artikel 5.3.2
- Artikel 5.3.3
- Artikel 5.3.4
- Artikel 5.4.1
- Artikel 5.4.2
- Artikel 5.4.3
- Artikel 5.4.4
- Artikel 5.4.5
- Artikel 5.4.6
- Artikel 5.4.7
- Artikel 5.4.8
- Artikel 5.5.1
- Artikel 5.5.2
- Artikel 5.5.3
- Artikel 5.5.4
- Artikel 5.5.5
- Artikel 5.5.6
- Artikel 5.5.7
- Artikel5.5.8
- Artikel 5.5.9
- Artikel5.6.1
- Artikel 5.6.2
- Artikel 5.6.3
- Artikel 5.6.4
- Artikel 5.6.5
- Artikel5.6.6
- Artikel 5.6.7
- Artikel 5.6.8
- Artikel 5.6.9
- Artikel 5.8.1
- Artikel 5.8.2
- Artikel 5.8.3
- Artikel 5.9.1
- Artikel 5.9.2
- Artikel 5.9.3
- Artikel 5.9.4
- Artikel 5.11.1
- Artikel 5.11.2
- Artikel 5.11.3
- Artikel 5.11.4
- Artikel 5.11.5
- Artikel 5.11.6
- Artikel 5.11.7
- Artikel 5.11.8
- Artikel 5.11.9
- Artikel 5.11.10
- Artikel 5.11.11
- Artikel 5.11.12
- Artikel 5.11.13
- Artikel 5.12.1
- Artikel 5.12.2
- Artikel 5.12.3
- Artikel 5.12.4
- Artikel 5.12.5
- Artikel 5.12.6
- Artikel 5.12.7
- Artikel 5.12.8
- Artikel 5.12.9
- Artikel 5.12.10
- Artikel 5.13.1
- Artikel 5.13.2
- Artikel 5.13.3
- Artikel 5.13.4
- Artikel 5.13.5
- Artikel 5.13.6
- Artikel 5.13.7
- Artikel 5.13.8
- Artikel 5.13.9
- Artikel 5.13.10
- § 5.14
- Artikel5.14.1
- Artikel5.14.2
- Artikel5.14.3
- Artikel5.14.4
- Artikel5.14.5
- Artikel5.14.6
- Artikel5.14.7
- Artikel5.14.8
- Artikel5.15.1
- Artikel5.15.2
- Artikel5.15.3
- Artikel5.15.4
- Artikel5.15.5
- Artikel5.15.6
- Artikel 6.1.1
- Artikel 6.2.1
- Artikel 6.2.2
- Artikel 6.2.3
- Artikel 6.2.4
- Artikel 6.2.5
- Artikel 6.2.6
- Artikel 6.3.1
- Artikel 6.3.2
- Artikel 6.3.3
- Artikel 6.3.4
- Artikel 6.3.5
- Artikel 6.3.6
- Artikel 6.3.7
- Artikel 6.7.1
- Artikel 6.7.2
- Artikel 6.7.3
- Artikel 6.7.4
- Artikel 6.7.5
- Artikel 6.7.6
- Artikel 6.7.7
- Artikel 6.7.8
- Artikel 6.7.9
- Artikel 6.7.10
- Artikel 6.9.1
- Artikel6.9.2
- Artikel6.9.3
- Artikel6.9.4
- Artikel 6.9.5
- Artikel 6.9.6
- Artikel 6.9.7
- Artikel 6.9.8
- Artikel 6.9.9
- Artikel 6.9.10
- Artikel 6.9.11
- Artikel 6.9.12
- Artikel 6.12.1
- Artikel 6.12.2
- Artikel 6.12.3
- Artikel 6.12.4
- Artikel 6.12.5
- Artikel 6.12.6
- Artikel 6.12.7
- Artikel 6.12.8
- Artikel 6.12.9
- Artikel 6.12a
- Artikel6.13.1
- Artikel 6.13.2
- Artikel 6.13.3
- Artikel 6.13.4
- Artikel 6.13.5
- Artikel 6.13.6
- Artikel 6.13.7
- Artikel 6.15.1
- Artikel 6.15.2
- Artikel 6.15.3
- Artikel 6.15.4
- Artikel 6.15.5
- Artikel 6.16.1
- Artikel 6.16.2
- Artikel 6.16.3
- Artikel 6.16.4
- Artikel 6.16.5
- Artikel 6.16.6
- Artikel 6.18.1
- Artikel 6.18.2
- Artikel 6.18.3
- Artikel 6.18.4
- Artikel 6.18.5
- Artikel 6.18.6
- Artikel 6.18.7
- Artikel 6.22.1
- Artikel 6.22.2
- Artikel 6.22.3
- Artikel 6.22.4
- Artikel 6.22.5
- Artikel 6.24.1
- Artikel 6.24.2
- Artikel 6.24.3
- Artikel6.25.1
- Artikel6.25.2
- Artikel6.25.3
- Artikel6.25.4
- Artikel6.25.5
- Artikel6.25.6
- Artikel6.25.7
- Artikel6.25.8
- Artikel6.25.9
- Artikel6.25.10
- Artikel6.25.11
- Artikel6.25.12
- Artikel6.25.13
- Artikel6.25.14
- Artikel 6.26.1.1
- Artikel 6.26.1.2
- Artikel6.26.2.1
- Artikel 6.26.3.1
- Artikel 6.26.3.2
- Artikel 6.26.3.3
- Artikel 6.26.3.4
- Artikel6.26.3.5
- Artikel 6.26.4.1
- Artikel 6.26.4.2
- Artikel 6.26.4.3
- Artikel 6.26.4.4
- Artikel 6.26.4.5
- Artikel 6.26.5.1
- Artikel 6.26.5.2
- Artikel 6.27.1
- Artikel6.27.2
- Artikel6.27.3
- Artikel6.27.4
- Artikel6.27.5
- Artikel6.27.6
- Artikel6.27.7
- Artikel6.27.8
- Artikel6.27.9
- Artikel 6.28.1
- Artikel 6.28.2
- Artikel 6.28.3
- Artikel 6.28.4
- Artikel 6.28.5
- Artikel 6.28.6
- Artikel 6.29.1
- Artikel 6.29.2
- Artikel 6.29.3
- Artikel 6.29.4
- Artikel 6.29.5
- Artikel 6.30.1
- Artikel 6.30.2
- Artikel 6.30.3
- Artikel 6.30.4
- Artikel 6.30.5
- Artikel 6.30.6
- Artikel 6.31.1
- Artikel 6.31.2
- Artikel 6.31.3
- Artikel 6.31.4
- Artikel 6.32.1
- Artikel 6.32.2
- Artikel 6.32.3
- Artikel 6.33.1
- Artikel 6.33.2
- Artikel 6.33.3
- Artikel 6.33.4
- Artikel 6.33.5
- Artikel 6.33.6
- Artikel6.33.7
- Artikel6.34.1
- Artikel 6.34.2
- Artikel6.34.3
- Artikel 6.34.4
- Artikel 6.34.5
- Artikel 6.34.6
- Artikel 6.34.7
- Artikel 6.34.8
- Artikel 6.34.9
- Artikel 6.34.10
- Artikel 6.35.2
- Artikel 6.35.3
- Artikel 6.35.4
- Artikel 6.35.5
- Artikel 6.35.6
- Artikel 6.35.7
- Artikel 7.1.1
- Artikel 7.3.1
- Artikel 7.3.2
- Artikel 7.3.3
- Artikel 7.3.4
- Artikel 7.3.5
- Artikel7.3.6
- Artikel 7.4.1
- Artikel 7.4.2
- Artikel 7.4.3
- Artikel 7.4.4
- Artikel 7.4.5
- Artikel 7.4.6
- Artikel 7.4.7
- Artikel 7.4.8
- Artikel 7.4.9
- Artikel 7.5.1
- Artikel 7.5.2
- Artikel 7.5.3
- Artikel 7.5.4
- Artikel 7.5.5
- Artikel7.5.6
- Artikel 7.5.7
- Artikel 7.6.1
- Artikel 7.6.2
- Artikel 7.6.3
- Artikel 7.6.4
- Artikel 7.6.5
- Artikel7.6.6
- Artikel 7.7.1
- Artikel 7.7.2
- Artikel 7.7.3
- Artikel 7.7.4
- Artikel 7.7.5
- Artikel 7.8.1
- Artikel 7.8.2
- Artikel 7.8.3
- Artikel 7.8.4
- Artikel 7.8.5
- Artikel 7.8.6
- Artikel 7.9.1
- Artikel 7.9.2
- Artikel 7.9.3
- Artikel 7.9.4
- Artikel 7.9.5
- Artikel 7.9.6
- Artikel 7.9.7
- Artikel7.10.1
- Artikel 7.10.2
- Artikel 7.10.3
- Artikel 7.10.4
- Artikel 7.10.5
- Artikel 7.10.6
- Artikel 7.10.7
- Artikel 7.11.1
- Artikel 7.11.2
- Artikel 7.11.3
- Artikel 7.11.4
- Artikel 7.11.5
- Artikel 7.11.6
- Artikel 7.11.7
- Artikel 7.11.8
- Artikel 7.11.9
- Artikel 7.12.1
- Artikel 7.12.2
- Artikel 7.12.3
- Artikel 7.12.4
- Artikel 7.12.5
- Artikel 7.12.6
- Artikel 7.12.7
- Artikel 8.1.1
- Artikel 8.1.2
- Artikel 8.1.3
- Artikel 8.1.4
- Artikel 8.1.5
- Artikel 8.1.6
- Artikel 8.1.7
- Artikel 8.1.8
- Artikel 8.2.1
- Artikel 8.2.2
- Artikel 8.2.3
- Artikel 8.2.4
- Artikel 8.2.5
- Artikel 8.2.6
- Artikel 8.2.7
- Artikel 8.2.8
- Artikel 8.2.9
- Artikel 9.1
- Artikel 9.2
- Artikel 9.3
- Artikel 3.5.1
- Artikel 4.15.6
- Artikel 4.17.2
- Artikel 5.6.1
- Art. 7.1.1
Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland houdende regels voor ruimte (Regels Ruimte voor Gelderland 2016)GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Gelet op artikel 3, zesde lid, van de Algemene subsidieverordening Gelderland 2016;
BESLUITEN Vast te stellen de volgende gewijzigde regeling: Regels Ruimte voor Gelderland 2016
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1.1Algemene begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 (PbEU van de Europese Commissie van 17 juni 2014;
AsG: Algemene subsidieverordening Gelderland 2016; controleprotocol: instructie aan de subsidieontvanger voor het geven van aanwijzingen voor de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole; directe arbeidskosten: de kosten van niet in loondienst verrichte arbeid als ZZP-er of als directeur-grootaandeelhouder; directe loonkosten: het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten (werkgeversdeel pensioenpremie, WW-premie, WIA/WAO-premie en bijdrage Zorgverzekeringswet) en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen; indirecte kosten: het totaal van indirecte loonkosten en kosten voor overhead; indirecte loonkosten: het totaal van de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden en de kosten van emolumenten; kerntaken: kerntaken als bedoeld in het Coalitieakkoord Gelderland 2015-2019 “Ruimte voor Gelderland” d.d. 20 april 2015; kosten van apparatuur: gebruikskosten van bestaande apparatuur of van apparatuur die niet speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten van apparatuur die speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten van derden: aan onafhankelijke derden verschuldigde kosten voor uitbesteding van diensten en het inlenen van personeel; kosten van materialen: de kosten voor verbruiksgoederen;
Landbouw groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de EuropeseCommissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193); onafhankelijk taxateur: erkend taxateur die op onafhankelijke wijze de marktwaarde van een onroerend goed vaststelt op grond van algemeen aanvaarde waarderingsmethoden; publiekrechtelijke rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; rechtspersoon met een wettelijke taak: rechtspersoon voor zover die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen. sluitende begroting: een begroting waaruit blijkt dat de totale inkomsten en uitgaven voor de activiteiten met elkaar in evenwicht zijn.
Artikel 1.1.2Toepassingsbereik
Hoofdstuk 1 is ook van toepassing op andere besluiten omtrent subsidie voor het nemen waarvan Gedeputeerde Staten bevoegd zijn dan de besluiten die worden genomen met toepassing van de hoofdstukken 2 tot en met 8.
Paragraaf 1.2 De aanvraag
Artikel 1.2.1Tijdvak voor aanvragen
Gedeputeerde Staten kunnen een tijdvak vaststellen waarbinnen aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend.
Artikel 1.2.2Indieningstermijn bij verdeelplan
Voor subsidie die wordt verleend op basis van een krachtens wettelijk voorschrift vastgesteld verdeelplan waarin tenminste de subsidieontvangers en de te ontvangen subsidiebedragen worden genoemd, wordt de aanvraag om subsidie in afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG uiterlijk zes maanden nadat het verdeelplan is vastgesteld ingediend.
Artikel 1.2.3Inhoud van aanvraag om subsidie
1 Bij de aanvraag om subsidie worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee beoogde doelstellingen; een begroting van de opbrengsten en kosten voor de activiteiten, voorzien van een toelichting; indien de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan: een planning van de uitvoering van de activiteiten in de eerste 12 maanden en de daaraan verbonden kosten, alsmede een planning voor het resterende deel van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd; indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: zijn statuten; en indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel de balans en de staat van opbrengsten en kosten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van indiening van de aanvraag.
2 Als subsidie wordt berekend op basis van een vast bedrag per eenheid dan wordt er, in afwijking van het eerste lid onder b, een verklaring bij de aanvraag verstrekt waaruit blijkt dat de aanvrager over voldoende middelen beschikt om eventuele resterende kosten te dekken.
3 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdelen d en e.
4 Gedeputeerde Staten kunnen een schriftelijke verklaring vragen van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de getrouwheid van de in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde bescheiden dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is gebleken.
5 Indien voor dezelfde activiteiten subsidie is verstrekt of aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, doet de aanvrager daarvan mededeling in de aanvraag.
Artikel 1.2.4Boekjaarsubsidies
1 De aanvraag om een subsidie voor een boekjaar wordt ingediend voor 1 april van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar.
2 Indien voor het jaar voorafgaand aan het boekjaar reeds subsidie werd verkregen, kan de aanvraag tot en met 30 september worden ingediend.
3 Gedeputeerde Staten beslissen uiterlijk binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 1.2.5Ontvangstbevestiging
Gedeputeerde Staten zenden de aanvrager zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging, waarin de ontvangstdatum is vermeld.
Paragraaf 1.3 Beslissing op de aanvraag
Artikel 1.3.1Directe vaststelling bij subsidies tot € 25.000
1 Bij een subsidie tot € 25.000 wordt geen verleningsbesluit genomen.
2 Indien sprake is van subsidieverstrekking onder opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de AsG wordt in het verleningsbesluit aangegeven binnen welke termijn de activiteit wordt uitgevoerd.
3 Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid bevat het verleningsbesluit tevens de datum waarop de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld.
Artikel 1.3.2Wijze van verdeling
1 Bij het verlenen van subsidie wordt de volgorde in acht genomen waarin de aanvragen om subsidie zijn ingediend. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld.
2 Indien als gevolg van het verlenen van subsidie op grond van een aanvraag die is ingediend op een dag waarop meerdere aanvragen zijn ingediend het subsidieplafond zou worden bereikt, wordt de volgorde als bedoeld in het eerste lid bepaald door loting. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld.
3Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen binnen een bepaald tijdvak moeten worden ingediend en op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst. Een aanvraag wordt slechts in de rangorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld.
4Op aanvragen als bedoeld in het derde lid wordt in afwijking van het eerste lid beslist op volgorde van die rangorde.
5 Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het vierde lid weigeren indien die niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Artikel 1.3.3Communautair toetsingskader
Artikel 1.3.4Sluitende begroting
1 Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de begroting van de activiteit sluitend is.
2 Als toepassing wordt gegeven aan artikel 1.2.3, tweede lid, wordt de begroting geacht sluitend te zijn.
Artikel 1.3.5Niet-subsidiabele kosten
Geen subsidie wordt verstrekt in verband met: kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag; kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen; [vervallen] verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten; kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en sancties; legeskosten indien de aanvraag wordt gedaan door een bestuursorgaan; [vervallen] kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen; kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager; kosten gemaakt na na afloop van de in de verleningsbeschikking opgenomen projectperiode met uitzondering van accountantskosten zoals bedoeld in artikel 27, derde lid, van de AsG; [vervallen] [vervallen] fooien, geschenken, gratificaties en bonussen; kosten voor representatie, personeelsactiviteiten, overboekingen, annuleringen en outplacementtrajecten; niet noodzakelijke of bovenmatige kosten.
Artikel 1.3.6Methoden voor berekening van kosten
1 De aanvrager kiest voor het berekenen van de kosten een van de volgende methoden: de vaste uurtariefsystematiek; de loonkosten plus vaste opslagsystematiek; de integrale kostensystematiek.
2 De aanvraag bevat een opgave van de gekozen systematiek.
3 Op verzoek van de aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het eerste lid een andere methode vaststellen.
4 Onverminderd het derde lid worden de subsidiabele kosten berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast.
5 In afwijking van het eerste lid wordt voor publiekrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen met een wettelijke taak de vaste uurtariefsystematiek toegepast, ongeacht of de subsidiabele activiteit tot de wettelijke taak van de rechtspersoon wordt gerekend.
6 Gedeputeerde Staten kunnen voor rechtspersonen als bedoeld in het vijfde lid een andere methode toestaan. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
7 In afwijking van het vijfde lid kunnen instellingen voor hoger onderwijs en academische ziekenhuizen zoals bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wettenschappelijk onderzoek kiezen voor een van de methoden voor het berekenen van kosten als genoemd in het eerste lid.
Artikel 1.3.7Vaste uurtariefsystematiek
1 De kosten bij de vaste uurtariefsystematiek zijn: een vast uurtarief als vergoeding voor de directe loon- en arbeidskosten en de indirecte kosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; kosten van derden.
2 Het vaste uurtarief bedraagt € 35.
3 Het aantal gewerkte uren moet in de administratie per betrokken medewerker worden vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600.
4 Het derde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is.
Artikel 1.3.8Loonkosten plus vaste opslagsystematiek
1 De kosten bij de loonkosten plus vaste opslagsystematiek zijn: een uurtarief voor directe loonkosten; een opslag over de directe loonkosten als vergoeding voor de indirecte kosten; een vast uurtarief als vergoeding voor de directe arbeidskosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; kosten van derden.
2Het uurtarief voor de directe loonkosten wordt bepaald door de directe loonkosten per jaar te delen door de productieve uren. Het aantal productieve uren wordt bepaald door het aantal van 1600 uren te vermenigvuldigen met de deeltijdfactor. Het uurtarief bedraagt ten hoogste € 93.
3 Het vaste uurtarief voor directe arbeidskosten bedraagt € 35.
4 De opslag voor de indirecte kosten bedraagt 20%.
5Het aantal gewerkte uren van de betrokken medewerker wordt in de administratie met bijhorende loonkosten vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600 op basis van een voltijd dienstverband.
6 Het vijfde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is.
Artikel 1.3.9Berekeningswijzen kosten
1 Bij de toepassing van de artikelen 1.3.7 en 1.3.8 worden de kosten van apparatuur, materialen, loon- en arbeidskosten en kosten van derden, alsmede vergoedingen voor vrijwilligers berekend aan de hand van het tweede tot en met achtste lid.
2 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder i, onderdeel i, worden berekend door het werkelijke gebruik van het apparaat te vermenigvuldigen met het machine-uurtarief.
3 Het machine-uurtarief als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de normale bezetting van het apparaat en de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn.
4 Het werkelijke gebruik van het apparaat wordt vastgelegd in een controleerbare gebruiksadministratie.
5 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder i, onderdeel ii, worden berekend door middel van lineaire afschrijving van het apparaat.
6 De lineaire afschrijving als bedoeld in het vijfde lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn.
7 De kosten van materialen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.
8 De kosten van vergoedingen voor vrijwilligers zijn subsidiabel voor zover: deze aan de vrijwilliger zijn uitbetaald; het aantal gewerkte uren in de administratie met bijhorende vergoeding per vrijwilliger zijn vastgelegd; de hoogte van de vergoeding bedraagt maximaal het bedrag per uur, per maand en per jaar als door de Belastingdienst voor dat jaar is vastgesteld.
Artikel 1.3.10Integrale kostensystematiek
1 De kosten bij de integrale kostensystematiek zijn: een tarief voor de directe en indirecte kosten van de voor de uitvoering van de activiteiten ingezette kostendragers; kosten van derden.
2 De kosten per kostendrager als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden berekend in een tarief per eenheid van deze kostendrager.
3Het tarief als bedoeld in het tweede lid wordt gebaseerd op een positief besluit van het Tarieventeam van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten aanzien van de Eigen verklaring integrale kostensystematiek en het rapport van bevindingen van de accountant.
4 De kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van dat tarief.
Artikel 1.3.11Hoogte van de subsidie
1 Indien bij de beoordeling van de subsidieaanvraag blijkt dat door de subsidie van de provincie er een overschot op de begroting ontstaat, wordt de subsidie verminderd met het bedrag dat gelijk staat aan het positief resultaat op de begroting.
2 Als subsidie wordt berekend op basis van een vast bedrag per eenheid, is het eerste lid niet van toepassing.
Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 1.4.1Administratieplicht
De subsidieontvanger is verplicht alle op de activiteit betrekking hebbende bewijsstukken gedurende ten minste vijf jaren na vaststelling van de subsidie te bewaren.
Artikel 1.4.2Administratie bij subsidies vanaf € 125.000
1 De subsidieontvanger is verplicht bij subsidieverstrekking vanaf € 125.000 een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden kosten en inkomsten.
2 Het voeren van een administratie als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat: alle ontvangsten en kosten in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken; bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard en hoeveelheid van de geleverde goederen en diensten blijkt, en uit de urenregistratie blijkt dat de gedeclareerde mensuren daadwerkelijk zijn gemaakt en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan het project waarvoor de subsidie is verleend.
3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG is voorgeschreven.
Artikel 1.4.3Voortgangsrapportage
Als een subsidie boven € 25.000 niet binnen een jaar na de subsidieverlening wordt vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger, zolang de subsidie niet is vastgesteld, eenmaal per jaar verplichten om een voortgangsrapportage over te leggen.
Artikel 1.4.4Meldingsplicht en aanleveren van bewijsstukken
1 De subsidieontvanger is verplicht om de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen als de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig, niet geheel of gewijzigd zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
2 De subsidieontvanger is verplicht om op eerste verzoek van Gedeputeerde Staten door het overleggen van bewijsstukken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Artikel 1.4.5Vervreemding van goederen en rechten
1 De subsidieontvanger is gehouden, indien met subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na de subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan derden ter beschikking worden gesteld, Gedeputeerde Staten hiervan in kennis te stellen en de verstrekte subsidie terug te betalen, tenzij anders bepaald.
2 Gedeputeerde Staten stellen het bedrag van de terug te betalen subsidie vast binnen dertien weken nadat zij kennis hebben gekregen van de omstandigheid bedoeld in het vorige lid.
3 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting de subsidie terug te betalen.
Artikel 1.4.6Vermogensvorming
1 De hoogte van de vergoeding voor vermogensvorming als bedoeld in artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale opbrengsten dat gedurende de laatste tien jaar door de subsidie is gevormd.
2 Bij de bepaling van de waarde van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen.
3 De waarde van onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, die van de roerende goederen op basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde.
4 De waarde van onroerende goederen wordt voor rekening van de provincie vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen die daartoe door Gedeputeerde Staten in overeenstemming met de subsidieontvanger worden aangewezen.
5 Indien minder dan tien achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal jaren gedurende welke subsidie is verstrekt.
6 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van subsidieontvanger beslissen dat geen vergoeding verschuldigd is indien: de activiteiten door een ander worden overgenomen; de realisatie van de doelstelling niet in gevaar komt; en de activa en passiva tegen boekwaarde, bepaald op grond van historische kostprijs, worden overgenomen door de rechtsopvolger.
Artikel 1.4.7In stand houden resultaten
De subsidieontvanger houdt gedurende ten minste vijf jaren na vaststelling van de subsidie, of zolang als in de beschikking tot verlening van de subsidie is bepaald, de resultaten van de activiteiten in stand, tenzij de aard van de activiteiten zich daartegen verzet.
Artikel 1.4.8Medewerking aan evaluatie
Paragraaf 1.5 Vaststelling
Artikel 1.5.1Vaststelling van subsidie tussen € 25.000 en € 125.000
1 De subsidieontvanger van een subsidie tussen €25.000 en €125.000 geeft bij het verzoek om subsidievaststelling aan: of de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;
2 De subsidieontvanger geeft in de verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG aan: wat het totaal van de subsidiabele kosten is; in voorkomend geval wat de stand van de egalisatiereserve is; wat het totaal van de opbrengsten is, inclusief bijdragen van derden is, en wat het totaal van de eigen bijdragen is.
Artikel 1.5.2Vaststelling door middel van jaarrekening bij subsidies boven € 125.000
1 Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 27, tweede lid, van de AsG gaat de aanvraag om vaststelling van de subsidie, onverminderd artikel 27, eerste, derde en vierde lid van de AsG, vergezeld van: de jaarrekening waarin de subsidie separaat wordt verantwoord; het jaarverslag; en de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen die in ieder geval strekken tot de verantwoording van onderdeel a.
2 Uit accountantsverklaring moet blijken dat het controleprotocol is toegepast.
3 De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk vier weken na het verschijnen van de jaarrekening van het jaar waarin de activiteiten zijn geëindigd.
Artikel 1.5.3Vaststelling van subsidies bij bijzonder programma
1 In afwijking van artikel 1.5.2 wordt de eindverantwoording van een subsidie op grond van artikel 12 van de AsG voorzien van een accountantsverklaring, waaruit blijkt dat het controleprotocol is toegepast.
2 In afwijking van artikel 1.5.2 kunnen gemeenten, waterschappen en rechtspersonen die zijn ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen de eindverantwoording als bijlage bij de jaarrekening opnemen onder de voorwaarden dat: de verklaring van de accountant mede strekt tot de verantwoording in de bijlage; de gehele jaarrekening en het jaarverslag worden meegezonden; het verslag van bevindingen wordt bijgevoegd, waarin de accountant een verwijzing opgenomen heeft dat de controle is uitgevoerd met inachtneming van het controleprotocol; of indien een dergelijk verslag niet door de accountant is afgegeven een mededeling van de accountant dat gecontroleerd is met inachtneming van het controleprotocol.
3 Het tweede lid is niet van toepassing op subsidies tot € 125.000.
4 De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk 12 maanden nadat de activiteiten zijn uitgevoerd.
Paragraaf 1.6 Overige bepalingen
Artikel 1.6.1Waarderingssubsidies
In afwijking van artikel 5, tweede lid, van de AsG kan waarderingssubsidie worden verstrekt aan natuurlijke personen.
Artikel 1.6.2Cofinanciering EFRO
Indien subsidie wordt verstrekt als provinciale cofinanciering bij een subsidie op grond van de Uitvoeringswet EFRO, is in afwijking van artikelen 5, eerste lid, 7, 8, 9, eerste lid, 14, 17, tweede lid, 20, derde lid, 21, 29, 31 en paragraaf 7 van de AsG het bepaalde bij of krachtens de Uitvoeringswet EFRO van toepassing.
Hoofdstuk 2 Duurzame ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer
Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen
Artikel 2.1.1Begripsomschrijvingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: collectief: een groep natuurlijke personen die zich verenigd hebben in een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die beoogt hun belangen in een CPO-woningbouwproject te behartigen;
CPO: Collectief Particulier Opdrachtgeverschap;
CPO-woningbouwproject: de realisatie door een collectief van minimaal 3 woningen waarin de leden van het collectief gaan wonen; stedelijke herstructurering: planmatig fysiek ingrijpen om verouderde en verloederde gebieden zodanig te vernieuwen dat zij voldoen aan de huidige eisen op het gebied van wonen, werken, recreëren, mobiliteit, sociale veiligheid, verduurzaming of klimaatadaptie.
Paragraaf 2.2 Ontwikkeling forten (vervallen)
Paragraaf 2.3 Gebiedsontwikkeling (vervallen)
Paragraaf 2.4 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap
Artikel 2.4.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: procesbegeleiding voordat de aanvraag is ontvangen ten behoeve van het oprichten van een collectief en ten behoeve van het opstellen van de subsidieaanvraag; het opstellen van een projectplan voor de realisatie van een CPO-woningbouwproject, waarin een conclusie over de haalbaarheid is opgenomen en waar in ieder geval uit blijkt dat het collectief een vrije keuze heeft in de opdrachtverlening aan externe partijen in het bouwproces en een doorslaggevende stem heeft in het ontwerp- en bouwproces van een CPO-woningbouwproject, met inbegrip van de procesbegeleiding; of het opstellen van een programma van eisen, een voorlopig ontwerp, een definitief ontwerp en een bestek, voor het realiseren van een CPO-woningbouwproject, met inbegrip van de procesbegeleiding.
Artikel 2.4.2Criteria
Artikel 2.4.3Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een collectief.
Artikel 2.4.4Aanvraag
Artikel 2.4.5Subsidiabele kosten
In afwijking van artikel 1.3.5, onder a en b, zijn subsidiabel: kosten die voordat de aanvraag is ontvangen worden gemaakt aan procesbegeleiding ten behoeve van het opstellen van de subsidieaanvraag; en kosten die voordat de aanvraag is ontvangen worden gemaakt ten behoeve van de formele oprichting van een collectief.
Artikel 2.4.6Hoogte van de subsidie
Artikel 2.4.7Verplichtingen
Artikel 2.4.8Weigeringsgronden
De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder c, wordt geweigerd indien niet is gebleken dat de realisering van het CPO-woningbouwproject haalbaar is.
Artikel 2.4.9Vaststelling
Na afloop van de in artikel 2.4.7, tweede lid, aanhef en onderdeel b, genoemde termijnen wordt de subsidie ambtshalve op nihil vastgesteld.
Paragraaf 2.5 Beleef de Waal [vervallen]
Paragraaf 2.6 Waalpleisterplaatsen [vervallen]
Paragraaf 2.7 Steengoed Benutten - Tijdelijke Stimulering Sociale woningmarkt
[vervallen]
Paragraaf 2.8 Steengoed benutten – Uitvoeringsgereed en realiseren
Artikel 2.8.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: project: gecombineerde aanpak en uitvoering van maatregelen binnen een exploitatiegebied, die leiden tot fysieke realisatie; bebouwde kom: bestaand stedenbouwkundig geconcentreerd samenhangende structuur van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Bij interpretatieverschillen geldt als bebouwde kom, de bebouwingscontour van VROM uit 2005; buitengebied: gebied buiten de bebouwde kom; exploitatiegebied: op kaart aangegeven gebied waarbinnen het project wordt gerealiseerd; herbestemmen: geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw of gebied die juridisch wordt vastgelegd in een bestemmings- of inpassingsplan; herontwikkelen: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte; gebouw: onder gebouw wordt tevens verstaan aaneengesloten gebouwen; transformatie gebouw: ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen of verlaging van de milieucategorie in het kader van het wegnemen van milieuhinder voor de woonomgeving; sloop: afbreken, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; aanloopstraten: straten met een groot aandeel in de routing naar een kernwinkelgebied; kernwinkelgebied: een aaneengesloten gebied in de binnenstad of centrum, met een hoge concentratie aan winkels, horecazaken, culturele voorzieningen en commerciële dienstverlening; transformatie gebied: door herontwikkeling gerealiseerde functiewijziging van grond, gebouwen en openbare ruimte binnen de bebouwde kom met als resultaat een andere functie; bodemsanering: bodemsanering waarbij sprake is van een ernstige verontreiniging op basis waarvan een goedgekeurd functiegericht saneringsplan is opgesteld; nominale waarde: waarden in een exploitatie op basis van prijspeil heden, waarbij geen rekening wordt gehouden met toekomstige kosten- of opbrengstenstijging en toekomstige rentewinsten of renteverliezen; footprint: de totale vloeroppervlakte van de begane grond van een gebouw; beeldbepalend gebouw: een gebouw, dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied;
beeldverstorend verpauperd gebouw: een gebouw dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, en zo mogelijk ook door de slechte staat van onderhoud als gevolg van leegstand, een negatieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads-of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied; exploitatietekort: negatief saldo op grond van de berekening van kosten en opbrengsten op basis van: nominale waarden direct verband houdende met en noodzakelijk voor de ontwikkeling en realisatie van het project; een BAR van maximaal 5%, en een Winst/Risicovoorziening van maximaal 5%;
BAR: het in de vastgoedsector gehanteerde bruto aanvangsrendement waarmee de verhouding wordt weergegeven tussen huuropbrengsten in het eerste jaar en de stichtingskosten; erkend aannemer: in het Register Kennis en Kunde van de Monumentenwacht Gelderland opgenomen bedrijf, of een bedrijf dat is aangesloten bij de landelijke Vakgroep Restauratie.
Artikel 2.8.2Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: een integrale gebiedsgerichte aanpak binnen de bebouwde kom, waarbij het gaat om herbestemming, transformatie of sloop van leegstaande of leegkomende gebouwen, gecombineerd met een aanpak van de openbare ruimte en passend in een actuele visie op de ontwikkeling van het gebied; stedelijke herstructurering van woongebied binnen de bebouwde kom, waarbij sprake is van verduurzaming van woningen, energietransitie en kwalitatief ruimtelijke verbeteringen; het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen binnen de bebouwde kom, met een grote invloed op de omgeving; slopen van panden die niet meer zinvol kunnen worden herbestemd of getransformeerd gevolgd door herbestemming van de vrijgekomen ruimte en herinvulling voor klimaat-adaptieve maatregelen en ruimtelijk kwalitatieve verbeteringen; het verplaatsen van niet aan het buitengebied verbonden functies in het buitengebied naar de bebouwde kom waarbij het gaat om functies die binnenstedelijk zijn te accommoderen waarmee leegstand wordt weggenomen. het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen in het buitengebied, met een grote invloed op de omgeving en waarbij de nieuwe bestemming leidt tot het vergroten van de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland.
Artikel 2.8.3Criteria
1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien: er sprake is van een exploitatietekort; de activiteiten leiden tot een ruimtelijke kwaliteitsimpuls van de bebouwde omgeving, met maatschappelijke meerwaarde ten bate van duurzame leefbaarheid; de activiteiten passen binnen de regionale programmering wonen, werken (bedrijventerreinen, kantoren) en detailhandel; sprake is van een functiegericht programma met een duurzaam karakter, waarvoor marktvraag is, tenzij sprake is van sloop zonder ’terugbouw’; de activiteiten bijdragen aan het voorkomen of het beperken van nieuwe structurele binnenstedelijke leegstand of ruimtelijk kwalitatieve problemen; en er sprake is van een gebiedsgerichte aanpak en onderbouwd met een visie op aanpak van leegstand.
2Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, slechts verstrekt indien het gaat om minimaal 50 woningen.
3Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw dat minimaal 5 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 1000 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 25 meter.
4Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, slechts verstrekt indien de aanvrager aantoont dat het project in twee jaar kan worden uitgevoerd.
5 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, slechts verstrekt indien na verplaatsing van de functie sprake is van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.
6 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw dat minimaal 5 jaar leeg staat en een footprint heeft van minimaal 2000 m2 en waarbij de aanpak gericht is op het wegnemen van een ruimtelijk kwalitatief probleem, milieu- of geluidshinder of van een onveilige situatie.
7Als de aanvraag betrekking heeft op subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 2.8.2, onder b, geldt in afwijking van het eerste lid, onder f, slechts de eis dat er sprake is van een gebiedsgerichte aanpak.
8Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in het tweede, derde en zesde lid opgenomen aantallen woningen, afmetingen en perioden van leegstand.
Artikel 2.8.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.
Artikel 2.8.5Vooroverleg
1 Voordat een aanvraag kan worden ingediend, vindt er een vooroverleg plaats aan de hand van het door de provincie beschikbaar gestelde vooroverlegformulier.
2 Het vooroverleg wordt gepland binnen 8 weken na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde formulier en vindt plaats binnen 12 weken.
3 Tijdens het vooroverleg wordt in ieder geval aan de orde gesteld: het percentage aan BAR dat van toepassing zal zijn op het project als de aanvrager voornemens is dit te hanteren; het percentage aan Winst/Risicovoorziening dat van toepassing zal zijn op het project als de aanvrager voornemens is om dit te hanteren; de haalbaarheid van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd; de projectgerelateerde klimaatambities, en welke informatie bij de aanvraag moet worden ingediend.
Artikel 2.8.6Aanvraag
Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: een toelichting waarin de aanvrager aangeeft op welke wijze met het project een structurele duurzame verbetering wordt verwezenlijkt, dan wel structurele leegstand zal worden voorkomen dan wel aangepakt; een opgave van de financiële bijdragen van de aan het project deelnemende partijen; een onderbouwing van de manier waarop leegstand op vrijkomende locaties wordt voorkomen; een realistische planning die aantoont dat de uitvoering van het project kan starten en binnen 3 jaar in een aaneengesloten bouwstroom kan worden gerealiseerd en opgeleverd; een kaart waarop het exploitatiegebied is aangegeven; grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied; door onafhankelijke taxateurs opgestelde taxatierapporten van de gronden en opstallen die verband houden met de realisering van het project; documenten waaruit de afspraken tussen de aan het project deelnemende partijen blijken ten aanzien van planning, uitvoering, financiën en regionale programmeringsafspraken; informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden; en informatie die bij het vooroverleg is verzocht overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.8.5.
Artikel 2.8.7Hoogte van de subsidie
1 De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van het exploitatietekort. Wanneer sprake is van circulair hergebruik van bouwmateriaal wordt de subsidie met 5% verhoogd.
2Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder a, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 500.000 per project.
3Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 500.000 per project.
4Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project.
5Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 100.000 per project.
6Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, bedraagt ten hoogste 50% van de sloopkosten, inclusief saneringskosten, en ten hoogste 50% van de kosten van herinvulling onbebouwd met een maximum van € 200.000 per project.
7Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project.
8In afwijking van artikel 1.3.5, onderdeel b, mogen bij de berekening van het exploitatietekort kosten van voor de datum waarop de aanvraag is ingediend worden meegenomen.
Artikel 2.8.8Weigeringsgronden
Subsidie wordt geweigerd als: verlening ervan zou leiden tot lagere dan de actuele marktconforme prijzen van de grond en gebouwen in de omgeving van het project, of een gemeente per exploitatiegebied voor meer dan één activiteit subsidie zou ontvangen.
Artikel 2.8.9Niet-subsidiabele kosten
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.5 wordt geen subsidie verstrekt voor: kosten die worden gemaakt tot en met het definitief ontwerp; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten voor kwalitatieve ingrepen in de openbare ruimte die uitstijgen boven hetgeen in de gemeente gangbaar is; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; verwervingen of inbrengwaarde van onroerende zaken die in de exploitatie van het project zijn opgenomen en met een hogere waarde dan de actuele getaxeerde marktwaarde op basis van het huidige gebruik of leegstand; kosten van planschade; en kosten van bovenwijkse voorzieningen.
Artikel 2.8.10Verplichtingen
1Het project wordt binnen drie jaar na de datum van de verleningsbeschikking gerealiseerd, tenzij in deze paragraaf of in de verleningsbeschikking een andere termijn is opgenomen.
2 Indien sprake is van monumentale gebouwen, dient voldaan te worden aan de provinciale Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden.
3Als sprake is van monumentale gebouwen, dienen eventuele werkzaamheden aan deze gebouwen te worden uitgevoerd door een erkend aannemer dan wel door een aannemer die voldoet aan de aan een erkend aannemer gestelde eisen.
Artikel 2.8.11Vaststelling
In afwijking van artikel 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van de subsidie, met dien verstande dat voor subsidie tot € 125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG.
Paragraaf 2.9 Gelderse Gebiedsopgaven
Artikel 2.9.1Algemene bepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: deelnemer: rechtspersoon, niet zijnde de aanvrager, die bij de subsidiabele activiteit samenwerkt met de aanvrager anders dan in een opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie; doelen: de doelen per gebied als bedoeld in de Uitvoeringsstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384) en daarop door Provinciale Staten aangebrachte aanvullingen; financiële bijdrage: al hetgeen een deelnemer op eigen titel en voor eigen rekening en risicovoornemens is uit te voeren;
Gebied: de Achterhoek, de Veluwe, het Stedelijk Netwerk Arnhem/Nijmegen, het Stedelijk Netwerk Ede-Wageningen: Food Valley, het Stedelijk netwerk Stedendriehoek: Cleantech en de Gelderse Corridor, zoals beschreven in de Uitvoeringstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384); gebiedsbreed overleg: een gebiedsbreed maatschappelijk samenwerkingsverband dat actief is in het kader van de Gelderse Gebiedsopgaven; uitgangspunten van de gebiedsopgaven: de 15 uitgangspunten als bedoeld in de Uitvoeringsstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384); uitvoeringsagenda: een document van het gebiedsbreed overleg dat op gebiedsniveau invulling geeft aan de doelen.
Artikel 2.9.2Voorstel van gebiedsbreed overleg
1 Een gebiedsbreed overleg verstrekt periodiek aan Gedeputeerde Staten een schriftelijk voorstel met initiatieven afkomstig uit het gebied die kunnen bijdragen aan het bereiken van de doelen.
2 Het voorstel bevat ten aanzien van elk aangemeld initiatief: een omschrijving van het initiatief en door de initiatiefnemer aan het gebiedsbrede overleg overgelegde informatie; de datum van aanmelding van het initiatief; gegevens van de initiatiefnemer; een beschrijving van de wijze waarop het gebiedsbrede overleg het initiatief heeft besproken, inclusief de daarbij behorende verslagen; een gemotiveerde beoordeling van het initiatief; een gemotiveerde beoordeling van de uitvoerbaarheid van het initiatief, inclusief de planning voor de uitvoering daarvan, 3 Het gebiedsbrede overleg zorgt ervoor dat initiatieven gedurende het gehele jaar kunnen worden aangemeld.
Artikel 2.9.3Lijst met initiatieven
Artikel 2.9.4Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van activiteiten die zijn opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 2.9.3.
Artikel 2.9.5Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000.
Artikel 2.9.6Verplichting
De subsidieontvanger is verplicht om zijn kennis en bevindingen te delen op de in de aanvraag beschreven wijze, of in overeenstemming met de beschikking tot subsidieverlening indien Gedeputeerde Staten daarin een andere wijze van delen van kennis en bevindingen hebben bepaald of daarover aanvullende verplichtingen hebben opgelegd.
Artikel 2.9.7Aanvraag
Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag, indien deze betrekking heeft op het verrichten van subsidiabele activiteiten, waaraan door deelnemers een financiële bijdrage wordt geleverd, een document ingediend dat is ondertekend door de aanvrager en de deelnemers waaruit ten minste blijkt: de voorgenomen aanpak voor het verrichten van de activiteiten en de bijdragen hieraan door de deelnemers; overeenkomstig de in artikel 2.9.6 opgenomen verplichting op welke wijze en onder welke voorwaarden aanvrager en de deelnemers hun kennis en bevindingen delen.
Artikel 2.9.8Werking van het plafond
Indien voor activiteiten die zijn opgenomen in de lijst, het maximumbedrag waarvoor, op grond van enig artikel in deze Regels, subsidie kan worden verleend, niet van toepassing is verklaard, wordt het bedrag waarmee dit maximumbedrag wordt overschreden buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling of het plafond voor deze activiteiten wordt overschreden.
Paragraaf 2.10 Ondersteuning bewonersinitiatieven op het gebied van sociale samenhang
Artikel 2.10.1Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten van bewoners van wijken, dorpen of gemeenten die zich richten op een versterking van de samenhang binnen een bevolkingsgroep of tussen bevolkingsgroepen met inbegrip van de evaluatie daarvan.
Artikel 2.10.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien: het gemeentebestuur geen bezwaar heeft tegen de activiteiten; de activiteiten aansluiten bij de kerntaken en de onderliggende plandoelen van de provincie; de activiteiten niet al zijn of worden uitgevoerd op het moment waarop de aanvraag wordt ingediend; uit de aanvraag blijkt op welke wijze de activiteiten worden geëvalueerd; de activiteiten geen winstoogmerk hebben; en de activiteiten met regelmaat worden georganiseerd.
Artikel 2.10.3Aanvrager
Artikel 2.10.4Aanvraag
Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: indien deze wordt ingediend door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen: een schriftelijk document waarin de samenwerking is beschreven en waarin in ieder geval de afspraken zijn vastgelegd over financiën, planning en verantwoordelijkheden; een schriftelijke verklaring van het gemeentebestuur waaruit blijkt dat het gemeentebestuur geen bezwaar heeft tegen het initiatief. een beschrijving waaruit blijkt wat het doel van de activiteiten is, wie de doelgroepen zijn en met welke frequentie die activiteiten worden georganiseerd.
Artikel 2.10.5Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 24.999.
Artikel 2.10.6Niet-subsidiabele kosten
In aanvulling op artikel 1.3.5 zijn komen niet voor subsidie in aanmerking kosten voor:
Het beheer en onderhoud van onroerende goederen;
Aanpassingen die niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de activiteiten.
Artikel 2.10.6Weigeringsgronden
Subsidie wordt geweigerd als: het aannemelijk is dat het initiatief zal leiden tot toekomstige lasten voor onderhoud of instandhouding waarvoor ten tijde van de subsidieverstrekking geen dekking bestaat; het initiatief geheel of grotendeels gericht is op het organiseren van een dorps- of buurtfeest, optocht, braderie of barbecue of andere eenmalige of incidentele activiteiten; het initiatief gericht is op individuele hulpverlening of de behartiging van een persoonlijk belang; het initiatief zich in een onderzoeksfase bevindt; of voor het initiatief subsidie is of kan worden verstrekt op grond van de paragrafen 4.2 of 4.12.
Artikel 2.10.8Verplichtingen
2.De uitvoering van het initiatief moet binnen twee jaar na de vaststelling van de subsidie zijn afgerond.
Paragraaf 2.11 Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden
Artikel 2.11.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: bestuursovereenkomst: de Bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016 – 2021 regio Oost, zoals gepubliceerd in de Staatscourant op 16 december 2015; initiatiefnemer: de partij die maatregelen uit het werkprogramma uitvoert; investeringsvolume: het aan Zoetwater toe te rekenen investeringsvolume van het Regionale Bod “Aanbod Hoge Zandgronden” van 7 februari 2014, zoals bedoeld in de bestuursovereenkomst;
RBO: Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-Oost;
Rijksbijdrage: de decentrale uitkering Deltafondsmiddelen voor Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden, zoals overeengekomen in de bestuursovereenkomst; werkprogramma: het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016 – 2021, “Wel goed water geven!”.
Artikel 2.11.2Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het uitvoeren van maatregelen conform bijlage 1 van het werkprogramma.
Artikel 2.11.3Verplichting
De activiteit wordt uitgevoerd in de periode 2016-2021.
Artikel 2.11.4Voorwaarde
Artikel 2.11.5Niet-subsidiabele kosten
Artikel 2.11.6Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan:
Waterschap Rijn en IJssel;
Waterschap Vallei en Veluwe;
Gemeente Aalten;
Gemeente Apeldoorn;
Gemeente Barneveld;
Gemeente Bronckhorst;
Gemeente Doetinchem;
Gemeente Ede;
Gemeente Elburg;
Gemeente Harderwijk;
Gemeente Montferland;
Gemeente Nunspeet;
Gemeente Putten;
Gemeente Renswoude;
Gemeente Rhenen;
Gemeente Soest;
Gemeente Voorst;
Gemeente Winterswijk;
Gemeente Zutphen.
Artikel 2.11.7Aanvraag
Artikel 2.11.8Hoogte van de subsidie
Waterschap Rijn en IJssel €2.220.000, bij een investeringsvolume van €7.300.000;
Waterschap Vallei en Veluwe €880.000, bij een investeringsvolume van €2.900.000;
Gemeente Aalten €5.114, bij een investeringsvolume van €19.400;
Gemeente Apeldoorn €287.055, bij een investeringsvolume van €1.100.000;
Gemeente Barneveld €26.677, bij een investeringsvolume van €102.000;
Gemeente Bronckhorst €15.682, bij een investeringsvolume van €60.000;
Gemeente Doetinchem €94.776, bij een investeringsvolume van €363.000;
Gemeente Ede €89.406, bij een investeringsvolume van €342.500;
Gemeente Elburg €62.644, bij een investeringsvolume van €240.000;
Gemeente Harderwijk €52.246, bij een investeringsvolume van €200.000;
Gemeente Montferland €65.542, bij een investeringsvolume van €250.924;
Gemeente Nunspeet €26.080, bij een investeringsvolume van €100.000;
Gemeente Putten €104.407, bij een investeringsvolume van €400.000;
Gemeente Renswoude €9.461, bij een investeringsvolume van €40.000;
Gemeente Rhenen €25.313, bij een investeringsvolume van €96.800;
Gemeente Soest €15.682, bij een investeringsvolume van €60.000;
Gemeente Voorst €46.962, bij een investeringsvolume van €180.000;
Gemeente Winterswijk €87.446, bij een investeringsvolume van €335.000;
Gemeente Zutphen €29.404, bij een investeringsvolume van €112.500.
Artikel 2.11.9Verplichtingen
Artikel 1.4.1, eerste lid, is niet van toepassing.
Artikel 2.11.10Vaststelling
Paragraaf 2.12 Aanpassingen Gemeenschapsvoorziening
Artikel 2.12.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: gemeenschapsvoorziening: een bestaand gebouw of gedeelte van een bestaand gebouw dat voldoet aan de volgende criteria: er vinden verschillende activiteiten voor gebruikers plaats op ten minste drie van de volgende terreinen: zorg, welzijn, cultuur, educatie en sport; het gebouw is bestemd voor brede en meerdere gebruikersgroepen; de gebruikers zijn als vrijwilliger actief betrokken bij de activiteiten in de gemeenschapsvoorziening; de gebruikers die op structurele basis gebruikmaken van de gemeenschapsvoorziening zijn in meerderheid non-profitorganisaties; en het gebouw staat ten minste zes dagen per week, inclusief de avonden, ter beschikking van de gebruikers. gekwalificeerde adviseur: een adviseur in het bezit van een geldig Fedec-, EPA-U-, BREEAM- of GPR-certificaat, dan wel een daarmee vergelijkbaar certificaat.
Artikel 2.12.2Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het verbeteren van de toegankelijkheid van een gemeenschapsvoorziening voor mensen met een handicap of een chronische ziekte; het realiseren van maatregelen die een energiebesparend of –opwekkend effect hebben, of het aanpassen van een gemeenschapsvoorziening, indien die aanpassing noodzakelijk is voor het kunnen uitvoeren van nieuwe activiteiten.
Artikel 2.12.3Criteria
Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder b, wordt slechts verstrekt indien er een energiescan is uitgevoerd.
Artikel 2.12.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een privaatrechtelijke rechtspersoon die blijkens zijn statuten of akte van oprichting of blijkens zijn feitelijke werkzaamheden tot taak heeft om een gemeenschapsvoorziening te beheren en om ondersteuning te bieden bij de programmatische invulling van de activiteiten binnen een gemeenschapsvoorziening.
Artikel 2.12.5Aanvraag
Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: voor subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder a: een overzicht van de bouwkundige en technische maatregelen die genomen kunnen worden om toegankelijkheid voor mensen met een handicap of chronische ziekte te bewerkstelligen; de kosten van het uitvoeren van deze maatregelen. voor subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder b, een energiescan bestaande uit: een overzicht van de bouwkundige en technische maatregelen die genomen kunnen worden om energiebesparing of -opwekking te bewerkstelligen; een schatting van de kosten van de maatregelen; een verklaring dat de energiescan is uitgevoerd door een gekwalificeerde adviseur; en het effect van de uit te voeren maatregelen als bedoeld op de energierekening van de aanvrager. voor subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder c: een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente waaruit blijkt dat het geen bezwaar heeft tegen de voorgenomen aanpassingen, en indien er sprake is van uitbreiding van de gemeenschapsvoorziening: een verklaring, opgesteld door de eigenaar van het pand van waaruit de nieuwe activiteiten worden verplaatst naar de gemeenschapsvoorziening, die inzicht biedt in het resterende gebruik.
Artikel 2.12.6Hoogte van de subsidie
Artikel 2.12.7Subsidiabele kosten
Artikel 2.12.8Weigeringsgronden
Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder c, wordt geweigerd indien voor de activiteit subsidie is of kan worden verstrekt op grond van de paragraaf 6.26.
Artikel 2.12.9Verplichtingen van de subsidieontvanger
Paragraaf 2.13 Steengoed benutten – Procesondersteuning
Artikel 2.13.1Algemene bepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: herbestemming: het geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw of een gebied die wordt vastgelegd in een bestemmingplan; transformatie gebouw: ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen; transformatie gebied: functiewijziging van grond, gebouwen en openbare ruimte; herontwikkeling: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte.
Artikel 2.13.2Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek naar de ruimtelijke en financiële haalbaarheid van een herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling van een gebouw of een gebied; het opstellen van een plan van aanpak voor de realisatie van een herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling van een gebouw of een gebied, of de procesbegeleiding of advisering in het kader van een herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling van een gebouw of een gebied.
Artikel 2.13.3Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien de gemeente en de betrokken vastgoedeigenaren de intentie hebben om hun medewerking te verlenen aan de voorgenomen subsidiabele activiteiten.
Artikel 2.13.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen; stichtingen, niet zijnde een collectief, als bedoeld in onderdeel b van artikel 2.1.1, of; verenigingen, niet zijnde een collectief, als bedoeld in onderdeel b van artikel 2.1.1.
Artikel 2.13.5Aanvraag
Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om subsidie in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd; een onderbouwing op welke wijze en in welke mate de herbestemming, transformatie of herontwikkeling leegstand verkleint of voorkomt; indien de aanvrager niet een gemeente is, een schriftelijke verklaring van het gemeentebestuur dat de gemeente medewerking verleent aan de voorgenomen subsidiabele activiteit; indien de aanvrager niet de eigenaar is van het onder de herbestemming, transformatie of herontwikkeling vallende vastgoed: een schriftelijke verklaring van de eigenaar waaruit blijkt dat hij medewerking verleent aan voorgenomen subsidiabele activiteit; offertes van de voor de subsidiabele activiteiten in te schakelen derden.
Artikel 2.13.6Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 50.000.
Artikel 2.13.7Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de inhuur van externe deskundigen.
Artikel 2.13.8Verplichtingen
Paragraaf 2.14 Beleef Het Apeldoorns Kanaal
Artikel 2.14.1Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt verstaan onder: bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal: het overleg bestaande uit bestuurders van het waterschap Vallei en Veluwe en de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Hattem, Heerde en Rheden.
Artikel 2.14.2Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten die de beleefbaarheid en de recreatieve functie van het Apeldoorns Kanaal versterken, en die plaatsvinden in de openbare infrastructuur, of die bijdragen aan de ontwikkeling van de toeristisch recreatief aanbod langs het kanaal.
Artikel 2.14.3Criteria
Subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1 wordt alleen verstrekt als: de activiteit wordt uitgevoerd in of betrekking heeft op de onmiddellijke nabijheid van het Apeldoorns Kanaal; het bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal heeft verklaard de realisering van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd wenselijk te achten, en de activiteit is opgenomen in categorie 1, 2 of 3 van de projectenlijst opgenomen in de Uitwerkingsagenda Apeldoorns Kanaal (PS2018-308, bijlage 7).
Artikel 2.14.4Subsidiabele kosten
1 Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de fysieke uitvoering van de activiteiten.
2 Voor subsidie komen niet in aanmerking de interne loonkosten van een gemeente of waterschap.
3 Voor aanvragen die worden ingediend voor 1 april 2019, kan, in afwijking van artikel 1.3.5, onderdelen b en f, subsidie worden verstrekt voor kosten die zijn gemaakt vanaf 1 juli 2018.
Artikel 2.14.5Aanvrager
1 Subsidie als bedoeld onder artikel 2.14.1, aanhef en onder a, wordt verstrekt aan de deelnemers van het bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal.
2 Subsidie als bedoeld onder artikel 2.14.1, aanhef en onder b, kan worden verstrekt aan een rechtspersoon die de versterking van het toerisme en de recreatie van het Apeldoorns Kanaal als doel heeft.
Artikel 2.14.6Aanvraag
Onverminderd artikel 1.2.3. wordt bij de aanvraag verstrekt: een verklaring van het bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal waaruit blijkt dat zij de uitvoering van de activiteit wenselijk achten, en een GIS-kaart met daarop aangegeven de locatie van de activiteit.
Artikel 2.14.7Hoogte van de subsidie
1 De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2 bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten.
2 Subsidie als bedoeld onder artikel 2.14.2, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste € 80.000.
Hoofdstuk 3 Milieu, energie & klimaat
Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen
Artikel 3.1.1Begripsomschrijvingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: eigenaar-bewoner: een persoon die op grond van artikel 1 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek eigenaar is van een koopwoning en zelf deze koopwoning bewoont; bodem en ondergrond: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen en antropogene resten van eertijdse bewoning en grondgebruik, inclusief het grondwater; bodem- en ondergrondaspecten: informatie over de karakteristieken van de bodem en ondergrond, de gebruiksmogelijkheden en de effecten van het mogelijke gebruik op andere functies van de bodem en ondergrond en de effecten van bovengronds ruimtegebruik op ondergrondse functies en omgekeerd; bodemverontreinigingsgegevens: gegevens afkomstig uit een bodemonderzoeksrapport dat is opgesteld door een erkende persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 9 van het Besluit Bodemkwaliteit; energielabelsprong: een verbetering van het energielabel als bedoeld in het Besluit Energieprestatie Gebouwen hernieuwbare energie: niet-fossiele energie zoals windenergie, zonne-energie, geothermische energie, golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas; lokaal duurzaam energiebedrijf: een onderneming die hernieuwbare energie produceert waarbij de afnemers zijn gevestigd binnen een straal van 30 kilometer ten opzichte van een productielocatie van de onderneming;
NOM-ready: de situatie waarin een woning direct verbeterd wordt en verantwoord voorbereid is op een NOM-renovatie door middel van latere ingrepen;
NOM-renovatie: een renovatie van een woning die als rechtstreeks gevolg heeft dat de ingaande en uitgaande energiestromen voor gebouw gebonden energie (ruimteverwarming, comfort-koeling, ventilatie, monitoring, regelingen en hulpenergie voor deze installaties) bij een normaal leefpatroon op jaarbasis gelijk zijn aan of lager zijn dan nul; scan: onderzoek waar uit moet blijken of NOM-renovatie of een NOM-Ready aanpak voor een VvE een realistische optie is dan wel, indien op basis van de scan komt vast te staan dat dit niet het geval is, een advies over welke maatregelen en welke energielabelsprong haalbaar zijn en op welke wijze dit kan worden aangepakt; terugverdientijd: de subsidiabele kosten gedeeld door de verwachte jaarlijkse besparing; rd-waarde: het warmte-isolerend vermogen van een materiaallaag;
VvE: vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 5:124 van het Burgerlijk Wetboek.
Paragraaf 3.2 Energieloketten [vervallen]
Paragraaf 3.3 Lokale hernieuwbare energieprojecten en participatie door natuurlijke personen, rechtspersonen zonder winstoogmerk en VvE’s
Artikel 3.3.1Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitvoering van lokale hernieuwbare energieprojecten.
Artikel 3.3.2Criteria
Artikel 3.3.3Aanvrager
Artikel3.3.4Niet-subsidiabele kosten (nieuw)
Artikel 3.3.5Aanvraag
Artikel 3.3.6Hoogte van de subsidie
1 De subsidie bedraagt ten hoogste 20% van de subsidiabele kosten, met een minimum van €3.500 en een maximum van €100.000.
2 Voor waterkrachtinstallaties bedraagt de subsidie ten hoogste 20% van de subsidiabele kosten, met een minimum van €3.500 en een maximum van €200.000.
Artikel 3.3.7Verplichtingen
Paragraaf 3.4 [vervallen]
Paragraaf 3.5 Stimulering energiebesparing bij bedrijven en instellingen
Artikel3.5.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder bedrijfscollectief: een samenwerkingsverband van bedrijven of instellingen dat rechtspersoonlijkheid bezit en waarvan de doelgroep in ieder geval de aangesloten bedrijven en instellingen betreft.
Artikel3.5.2Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het uitvoeren van een plan van aanpak voor het werven voor, het coördineren en het evalueren van en het communiceren over energiescans bij bedrijven en instellingen, en het begeleiden van bedrijven of instellingen bij het inventariseren van maatregelen met behulp van een energiescan met als minimale basis de erkende maatregelen als bedoeld in bijlage 10 bij de Activiteitenregeling milieubeheer, voor zover die zijn vastgesteld voor de betreffende branche, waarbij de inventarisatie inzicht moet bieden in de kosten en de terugverdientijd van de wettelijk verplichte maatregelen, alsmede een termijn voor realisatie van die maatregelen.
Artikel 3.5.3Criteria
Artikel 3.5.4Weigeringsgrond
Geen subsidie wordt verstrekt voor uitsluitend de activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a.
Artikel 3.5.5Subsidiabele kosten
Artikel 3.5.6Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een bedrijfscollectief.
Artikel3.5.7Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt: ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 24.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a; ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten per bedrijf of instelling met een maximum van € 1.000 en een totaal maximum van € 100.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, onder b.
Artikel 3.5.8Aanvraag
Artikel 3.5.9Vaststelling
Paragraaf 3.6 Bodemverontreinigingsgegevens op orde
Artikel 3.6.1Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het selecteren van bodemverontreinigingsgegevens en het invoeren daarvan in een digitaal bodeminformatiesysteem; het uitwisselen van bodemverontreinigingsgegevens tussen het digitale bodeminformatiesysteem van de aanvrager en dat van de provincie.
Artikel 3.6.2Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien bij het invoeren van de bodemverontreinigingsgegevens gebruik wordt gemaakt van het uitwisselingsformat SIKB0101 of een daarvoor in de plaats tredend uitwisselingsformat.
Artikel 3.6.3Aanvrager
Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 3.6.4Hoogte van de subsidie
1De subsidie als bedoeld in artikel 3.6.1, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en een maximum van € 7.500.
2De subsidie als bedoeld in artikel 3.6.1, onder b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en maximum van € 7.500.
3 Een aanvrager kan tot en met het jaar 2019 maximaal € 15.000 subsidie ontvangen.
Artikel 3.6.5Verplichtingen
De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteit binnen 12 maanden na de subsidieverlening uit te voeren en geheel af te ronden.
Paragraaf 3.7 Ondergrond in beeld ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
Artikel 3.7.1Subsidiabele activiteiten
1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het opstellen van een rapport over bodem- en ondergrondaspecten in een gebied; het organiseren van bijeenkomsten om de inhoud van het onder a bedoelde rapport te verspreiden.
2 Subsidie als bedoeld in artikel het eerste lid, onderdeel b, wordt uitsluitend verstrekt indien ook subsidie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a is verstrekt.
Artikel 3.7.2Verplichtingen
De ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, is verplicht het rapport openbaar te maken via internet.
Artikel 3.7.3Subsidiabele kosten
1 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, komen in aanmerking de kosten voor: externe adviseurs; externe procesbegeleiding; onderzoek naar bodem- en ondergrondaspecten in een bepaald gebied; het analyseren en verwerken van onderzoeksgegevens en bestaande informatie.
2 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel b, komen in aanmerking de kosten voor: zaalhuur en catering; externe adviseurs; externe procesbegeleiding.
3 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, komen niet in aanmerking de kosten van bodemonderzoek in het kader van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 3.7.4Aanvrager
Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 3.7.5Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en een maximum van € 25.000 per aanvraag.
Paragraaf 3.8 Omgevingsveiligheid
Artikel 3.8.1Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten die voortvloeien uit Deelprogramma 4 Lokaal EV beleid van de Impuls Omgevingsveiligheid 2020, zoals vastgesteld door het Bestuurlijk Omgevingsberaad op 30 oktober 2019.
Artikel 3.8.2Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan openbare lichamen die zijn ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en die fungeren als omgevingsdiensten.
Artikel 3.8.3Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste: voor de Omgevingsdienst Achterhoek: € 93.482; voor de Omgevingsdienst Noord Veluwe: € 42.288; voor de Omgevingsdienst Veluwe IJssel: € 48.990; voor de Omgevingsdienst Regio Arnhem: € 85.457; voor de Omgevingsdienst De Vallei: € 49.299; voor de Omgevingsdienst Regio Nijmegen: € 52.606; voor de Omgevingsdienst Rivierenland: € 68.877.
Artikel 3.8.4
In afwijking van de artikel 1.3.6 bedraagt de subsidie voor de directe loonkosten en de indirecte kosten maximaal een bedrag per uur dat overeenkomt met het door de Omgevingsdiensten bestuurlijk vastgestelde uurtarief.
Artikel 3.8.5
Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een opgave van het bestuurlijk vastgestelde uurtarief als bedoeld in artikel 3.8.4.
Paragraaf 3.9 Ondersteuning van gemeenten ten behoeve van toezicht op energiebesparing
[vervallen]
Paragraaf 3.10 Energieloketten 2018
[vervallen]
Paragraaf 3.11 Voorfinanciering ontwikkelkosten
Artikel 3.11.1Begripsbepalingen
Artikel 3.11.2Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de inhuur van externe deskundigen ten behoeve van: de ruimtelijke voorbereiding van een windpark of een zonnepark; projectleiding; marketing en communicatie, of de technische voorbereiding van een windpark of een zonnepark.
Artikel 3.11.3Criteria
Artikel 3.11.4Weigeringsgrond
Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder d, wordt geweigerd indien de ruimtelijke inpassing van het windpark of het zonnepark niet mogelijk is.
Artikel 3.11.5Aanvrager
Artikel 3.11.6Subsidiabele kosten
Artikel 3.11.7Hoogte van de subsidie
Artikel 3.11.8Aanvraag
Artikel 3.11.9Voorwaarde
De subsidie wordt verstrekt op voorwaarde dat de ontvanger meewerkt aan de totstandkoming van een privaatrechtelijke overeenkomst van geldlening als bedoeld in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3.11.10Communautair toetsingskader
Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor zover dat in overeenstemming is met hoofdstuk I en artikel 22 van de AGVV.
Paragraaf 3.12 Procesondersteuning Wijk van de toekomst
Artikel 3.12.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: wijk: een geografische eenheid van tenminste 400 woningen; integraal transitieplan: een in overleg met betrokken partijen tot stand gekomen plan met maatregelen gericht op het beperken van het fossiele energieverbruik in de wijk, waaronder in ieder geval bestaande gebouwen.
Artikel 3.12.2Subsidiabele activiteit
Artikel 3.12.3Criteria
Artikel 3.12.4Voorwaarden
Subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder b wordt slechts verstrekt als de aanvrager een document kan overleggen waaruit blijkt: hoe het daar genoemde proces, zal worden ingericht en welke partijen hierbij zullen worden betrokken; hoeveel energie er in de wijk wordt gebruikt voor het treffen van maatregelen en een inschatting van het energiegebruik nadat maatregelen getroffen zijn, en dat er bereidheid is bij bewoners en andere betrokken partijen om deel te nemen aan het proces om te komen tot een transitieplan.
Artikel 3.12.5Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan een gemeente.
Artikel 3.12.6Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van: de externe deskundige, en andere kosten die rechtstreeks verband houden met het proces met een maximum van 10% van de totale kosten.
Artikel 3.12.7Hoogte van de subsidie
Artikel 3.12.8Aanvraag
Artikel 3.12.9Verplichtingen
Artikel 3.12.10
Indien de subsidie meer bedraagt dan € 24.999 wordt ten behoeve van de vaststelling van de subsidie het verslag als bedoeld in artikel 3.12.9, derde lid, aangemerkt als het inhoudelijk verslag als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de AsG.
Paragraaf 3.13 Procesondersteuning VvE’s
Artikel 3.13.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
VvE-beheerder: de onderneming die het financiële, administratieve, technische of bouwkundige beheer voor de VvE verzorgt;
Zeer Energiezuinig Pakket: isolatie van dak, gevel, vloer, glas, kozijnen en deuren waarbij de maatregelen na uitvoering moeten voldoen aan de volgende isolatiewaarden: dakisolatie minimale Rc-waarde 6,5 [m2K/W]; gevelisolatie minimale Rc-waarde 5,0 [m2K/W]; vloerisolatie minimale Rc-waarde 4,0 [m2K/W]; triple glas maximale U-waarde 0,7 [W/m2K]; isolerende kozijnen maximale U-waarde 1,5 [W/m2K]; isolerende deuren in de gevel maximale U-waarde 1,5 [W/m2K]; en een systeem voor CO2-gestuurde ventilatie of balansventilatie met warmteterugwinning,
Artikel 3.13.2Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de inhuur van een of meerdere externe deskundigen voor het begeleiden van een VvE of een bewonersvereniging bij het voorbereiden van een NOM- of NOM-ready renovatie of een Zeer Energiezuinig Pakket, waaronder: het opstellen van een uitvraag door de VvE voor het ineens of in stappen naar NOM renoveren of verbeteren van een gebouw of uitvoering van een Zeer Energiezuinig Pakket; het begeleiden van de VvE bij het beoordelen van offertes van bouw- en installatiebedrijven; het begeleiden van de VvE bij de besluitvorming binnen de VvE over NOM- of NOM-ready renovatie of de uitvoering van een Zeer Energiezuinig Pakket; het begeleiden van de VvE bij het verkrijgen van financiering voor NOM- of NOM-ready renovatie of de uitvoering van een Zeer Energiezuinig Pakket.
Artikel 3.13.3Criteria
Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de externe deskundigen geen lid zijn van de aanvrager; de externe deskundigen niet VvE-beheerder zijn voor de betreffende VvE van het gebouw; de externe deskundigen zijn geselecteerd uit ten minste drie offertes; de externe deskundigen aantoonbaar ervaring hebben op het terrein waarop zij worden ingeschakeld, en de externe deskundigen nu en in het vervolg van het proces geen rol spelen als of in opdracht van aanbiedende of uitvoerende partijen.
Artikel 3.13.4Voorwaarden
Subsidie wordt slechts verstrekt als de aanvrager een scan als bedoeld in paragraaf 3.4 of een vergelijkbaar onderzoek kan overleggen dat ten minste inzicht geeft in: de haalbaarheid van een NOM-renovatie ineens of in stappen of de uitvoering van een Zeer Energiezuinig Pakket, waarbij de organisatorische en juridische bevindingen op basis van de splitsingsakte worden meegenomen; een beschrijving van de voor een NOM-renovatie of voor de uitvoering van een Zeer Energiezuinig Pakket benodigde bouwkundige en technische maatregelen; de energetische effecten door het uitvoeren van de onder b bedoelde maatregelen; een indicatie van de kosten van de onder b bedoelde maatregelen; het effect van de onder b bedoelde maatregelen op de financiële positie van de aanvrager, inclusief zijn liquiditeitspositie, en een beschrijving van het proces dat nodig is om de onder b bedoelde maatregelen te treffen.
Artikel 3.13.5Weigeringsgronden
Artikel 3.13.6Aanvrager
Artikel 3.13.7Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de inhuur van de externe deskundigen.
Artikel 3.13.8Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 35.000.
Artikel 3.13.9Aanvraag
Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens overgelegd: de scan of het onderzoek als bedoeld in artikel 3.13.4; de offertes als bedoeld in artikel 3.13.3, aanhef en onder c; documenten waaruit blijkt dat de deskundige ervaring heeft op het terrein waarop hij wordt ingeschakeld; een verklaring waaruit blijkt dat de externe deskundige geen lid is van de aanvrager; een verklaring waaruit blijkt dat de externe deskundige niet de VvE-beheerder is, en een verklaring waaruit blijkt dat de externe deskundige nu en in het vervolg van het proces geen rol spelen als of in opdracht van aanbiedende of uitvoerende partijen; als de aanvraag namens samenwerkende VvE’s wordt ingediend een verklaring van alle betrokken VvE’s of een kopie van de samenwerkingsovereenkomst waaruit de aard en de omvang van de samenwerking blijkt.
Paragraaf 3.14 [vervallen]
Paragraaf 3.15 [vervallen]
Paragraaf 3.16 Elektrische deelauto’s
Artikel 3.16.1Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: elektrische deelauto: een nieuwe, volledig elektrisch aangedreven personenauto die tegen betaling wordt gebruikt door derden.
Artikel 3.16.2Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de exploitatie van elektrische deelauto’s.
Artikel 3.16.3Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt € 5.000 per elektrische deelauto.
Artikel 3.16.4Verplichtingen
Artikel 3.16.5Aanvraag
Artikel 3.16.6Weigeringsgrond
Artikel 3.16.7Vaststelling
In afwijking van artikel 26 van de AsG worden subsidies die meer bedragen van € 25.000 vastgesteld zonder voorafgaand verleningsbesluit.
Paragraaf 3.17Energieloketten 2020
Artikel3.17.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: actieve marktbenadering: een door de aanvrager geregisseerde planmatige aanpak waarin particuliere woningeigenaren in een wijk of een buurt, of bepaalde doelgroepen in een wijk, een buurt of in de gemeente, worden benaderd om energiebesparende maatregelen aan hun woningen te treffen of om hernieuwbare energie op te wekken; conversie: het aantal mensen dat na een benadering daadwerkelijk tot het treffen van energiebesparingsmaatregelen of het opwekken van hernieuwbare energie overgaat; digitaal: via e-mail en via een website; energieloket: een informatiepunt gericht op het informeren van bewoners over energiebesparing en energiebesparende maatregelen aan en opwekking van hernieuwbare energie bij bestaande woningen en mogelijkheden om die maatregelen te financieren; professionalisering: activiteiten gericht op het vergroten van de bekendheid, zichtbaarheid, toegankelijkheid en bereikbaarheid van het energieloket, het door ontwikkelen van een klantvolgsysteem en een monitoringsysteem en het opzetten of uitwerken van een businessmodel voor het energieloket; social marketing: de toepassing van marketingconcepten en -technieken om positieve maatschappelijke of sociale veranderingen te bewerkstelligen; wijken en buurten: wijken en buurten als bedoeld in de publicatie Kerncijfers wijken en buurten van het CBS.
Artikel3.17.2Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het financieren van energieloketten.
Artikel3.17.3Criteria
Subsidie wordt alleen verstrekt als: het energieloket gedurende geheel 2020 operationeel is; het energieloket fysiek, digitaal en telefonisch bereikbaar is voor het verstrekken van informatie; het energieloket gebruik maakt van een klantvolgsysteem en een monitoringssysteem; de aanvrager met het energieloket afspraken heeft gemaakt over het uitvoeren van een actieve marktbenadering, en professionalisering wordt doorgevoerd.
Artikel3.17.4Aanvrager
Artikel3.17.5Hoogte van de subsidie
Artikel3.17.6Aanvraag
Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een beknopte beschrijving van de visie van de gemeenten en het energieloket op de functie van het energieloket in relatie tot de opgave energietransitie in de gebouwde omgeving; een beknopt plan van aanpak met een beschrijving van de activiteiten die het energieloket zal gaan uitvoeren. In het plan van aanpak is ten minste uitgewerkt een toelichting op de doelgroepen waarop het energieloket zich richt en wordt ingegaan op de wijze waarop marktpartijen actief worden benaderd en uitgenodigd om hun aanbod te presenteren; een beschrijving van de social marketing indien deze wordt toegepast, alsmede een beschrijving van de wijze waarop marktpartijen bij de aanpak worden betrokken; een beschrijving van de ontwikkeling en professionalisering van het energieloket. In deze beschrijving wordt ingegaan op wijze waarop de continuïteit van het energieloket wordt geborgd; een beschrijving van de wijze waarop het energieloket fysiek, digitaal en telefonisch bereikbaar is; het inwoneraantal op 1 januari 2019 aan de hand van CBS-gegevens; als de aanvraag namens samenwerkende gemeenten wordt ingediend een verklaring van alle samenwerkende gemeenten of een kopie van de samenwerkingsovereenkomst waaruit de aard en de omvang van de samenwerking blijkt.
Artikel3.17.7Vaststelling
De subsidie wordt vastgesteld zonder dat een voorafgaande beschikking tot subsidieverlening wordt gegeven.
Artikel3.17.8Verplichtingen
Paragraaf 3.18Ondersteuning van gemeenten ten behoeve van toezicht op energiebesparing 2020
Artikel3.18.1Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder: energieverbruikers: bedrijven die vallen onder de reikwijdte van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
Gelderse aanpak: een aanpak gericht op communicatie, stimulering van bedrijven via collectieve projecten en handhaving; toezicht: toezicht op de naleving van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel3.18.2Subsidiabele activiteit
Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het uitoefenen van toezicht in 2020.
Artikel3.18.3Criteria
Artikel3.18.4Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.
Artikel3.18.5Hoogte van de subsidie
Artikel3.18.6Aanvraag
Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een plan waarin wordt beschreven op welke wijze gedurende de jaren 2018, 2019 en 2020 bij ten minste 20% van de energieverbruikers in de gemeente toezicht is of wordt uitgeoefend; de overeenkomst als bedoeld in artikel 3.14.3, eerste lid, aanhef en onder b; een opgave van het aantal energieverbruikers.
Artikel3.18.7Verplichtingen
Onverminderd artikel 1.4.3 is de aanvrager verplicht om uiterlijk in februari 2021 een rapportage te overleggen waaruit blijkt bij hoeveel bedrijven toezicht in 2020 is uitgeoefend
Hoofdstuk 4 Vitaal platteland, natuurbeheer en ontwikkeling natuurgebieden
Paragraaf 4.1 Algemene bepalingen
Artikel 4.1.1Begripsomschrijvingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: agrarisch collectief: vereniging als bedoeld in artikel 3.1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016; agrarisch natuurbeheer: natuurbeheer op landbouwgronden; ambitiekaart: kaart behorende bij het vigerende Natuurbeheerplan Gelderland waarop de begrenzing is vastgelegd van bestaande en nieuwe natuur;
Beleidsnota Actieve Soortenbescherming: de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming Gelderland zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 6 januari 2015, inclusief de nadien aangebrachte wijzigingen; duurzaam functioneren van de toplaag: handhaven of herstellen van het op lange termijn functioneren van de werking van het bodem en watersysteem in de bovenlaag van de bodem; faunavoorziening: een voorziening die het dieren mogelijk maakt openbare infrastructuur veiliger over te steken; functieverandering: het feitelijk en publiekrechtelijk wijzigen van het gebruik van grond van landbouw naar natuur en het vestigen van een kwalitatieve verplichting op die grond; ganzenrustgebied: gebied bedoeld om overwinterende beschermde inheemse ganzen rust te bieden en welk gebied door Provinciale Staten als zodanig is vastgesteld; gebouw: opstal alsmede het kadastrale perceel waarop deze opstal is gelegen; gebruiksgerechtigde: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die op grond van pacht of erfpacht zeggenschap heeft over het landbouwbedrijf; gecertificeerde begunstigde: begunstigde die beschikt over of gebruik maakt van een certificaat als bedoeld in artikel 1.11 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016;
GNN: Gelders natuurnetwerk zoals begrensd door Provinciale Staten bij vaststelling van de Omgevingsverordening provincie Gelderland bij besluit van 24 september 2014 dan wel de op basis van de Omgevingsverordening provincie Gelderland door Gedeputeerde Staten nadien gewijzigde begrenzing; grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond, waarop het onderzoek wordt uitgevoerd, te gebruiken; grondstrategieplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin is vastgelegd de wijze waarop ruiling , aan- en verkoop van gronden plaatsvindt ten behoeve van het bereiken van provinciale doelen in een bepaald gebied; grote onderneming: onderneming waar minstens 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR overschrijdt, zoals bepaald in artikel 2, bijlage I van Landbouw groepsvrijstellingsverordening; hagen en heggen: opgaande lijnvormige elementen bestaande uit loofhoutsoorten, niet zijnde vlecht-, knip- of scheerheggen; inrichting: de uitvoering van maatregelen die de fysieke kenmerken van het natuurterrein wijzigen; knelpunt: een locatie waarvan door onderzoek is gebleken dat daar regelmatig dieren worden aangereden of verdrinken of waarbij het voor ter plaatse levende dieren onmogelijk is om openbare infrastructuur te passeren; landbouwactiviteit: activiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b van de Verordening (EU) Nr. 1306/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 (PbEU L347/549 landbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt als bedoeld in artikel 2 onder 8 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening, Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193), niet zijnde een glastuinbouwbedrijf; landbouwbedrijfsgebouw: een gebouw met bijbehorende voorzieningen dat gebruikt wordt ten behoeve van de uitoefening van een landbouwbedrijf; landschapselementen: groene opgaande elementen bestaande uit inheemse loofhoutsoorten; leefgebied: gebied waarin alle fasen in de levenscyclus van een of meer prioritaire soorten zich kunnen afspelen; leefgebied SNLG: een leefgebied als bedoeld in artikel 1.1 onder p van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016. modernisering: vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw of van bestaande voorzieningen op de nieuwe locatie door een nieuw, modern gebouw of nieuwe, moderne voorzieningen waarbij de betrokken productie, of technologie fundamenteel wordt gewijzigd;
Nationale Landschappen: Nationale Landschappen zoals aangewezen in de Uitwerking streekplan Gelderland 2005;
Natura 2000-gebied: door het Rijk aangewezen Natura 2000-gebieden op basis van de Wet natuurbescherming;
Natura 2000-doelstellingen: instandhoudings- en ontwikkeldoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebie; natura 2000-maatregelen: maatregelen voor herstel van de natuurkwaliteiten zoals beschreven in Natura 2000-beheerplannen of ontwerpbeheerplannen van door Gedeputeerde Staten vastgestelde Natura 2000-gebieden; natuur, groen of landschap: natuurlijk ingerichte of in te richten openbaar toegankelijke plekken of vanaf de openbare weg zichtbare plekken; natuurambitieterrein: terrein dat is opgenomen op de ambitiekaart, dat is aangeduid als N00.01 en waarvoor onder “indicatieve verhouding beheertypen” is aangegeven welke beheertypen op deze grond van toepassing zijn na functieverandering van landbouw naar natuur; natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016; natuurbeheertype: in bijlage 1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 opgenomen soort natuur zoals nader beschreven in de Index Natuur en Landschap; natuurgebied: gebied bestaande uit meerdere natuurterreinen; natuurontwikkelplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin een gebied is aangewezen en voor subsidie in aanmerking kan komen voor het behoud van hoge actuele natuurwetenschappelijke, landschappelijke, cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden; natuurterrein: grond die op de ambitiekaart is begrensd als bestaande of als nieuwe natuur als eenheid is weergegeven, of waarvoor een subsidie voor functieverandering als bedoeld in artikel 4.9.1 is verstrekt; nieuwe natuur: op de ambitiekaart aangegeven nog niet ingerichte landbouwgronden of voormalige landbouwgronden aangeduid als N00.01 dan wel nog niet ingerichte natuurgronden aangeduid als N00.02, waar het natuurbeheertype of indicatieve verhouding natuurbeheertypen nog niet is gerealiseerd binnen het GNN;
PAS-gebiedsanalyses: ecologische analyse van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied dat deel uitmaakt van de passende beoordeling van het PAS, waarin herstel- en andere maatregelen zijn opgenomen die achteruitgang van de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten stopt of de kwaliteit verbetert;