Artikel 3:206 BW – Zekerheidstelling door vruchtgebruiker
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen › Titel 8. Vruchtgebruik · niet-officieel opschrift
1De vruchtgebruiker moet voor de nakoming van zijn verplichtingen jegens de hoofdgerechtigde zekerheid stellen, tenzij hij hiervan is vrijgesteld of de belangen van de hoofdgerechtigde reeds voldoende zijn beveiligd door de instelling van een bewind.
2Is de vruchtgebruiker van het stellen van zekerheid vrijgesteld, dan kan de hoofdgerechtigde jaarlijks verlangen dat hem de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken worden getoond. Ten aanzien van waardepapieren en gelden kan, behoudens bijzondere omstandigheden, met overlegging van een verklaring van een geregistreerde krediet-instelling worden volstaan.
Rechtspraak over Artikel 3:206 BW
6
2023-04-05
2021-02-24
2018-03-27
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 3:201Begrip vruchtgebruik
- Artikel 3:202Ontstaan van vruchtgebruik
- Artikel 3:203Duur en einde van het vruchtgebruik
- Artikel 3:204
- Artikel 3:205Boedelbeschrijving door de vruchtgebruiker
- Artikel 3:207Gebruik en beheer door vruchtgebruiker
- Artikel 3:208Bestemming en wegnamingsrecht vruchtgebruiker
- Artikel 3:209Verzekeringsplicht van de vruchtgebruiker
- Artikel 3:210Bevoegdheden tot inning en beheer bij vruchtgebruik
- Artikel 3:211Behoud van recht van hoofdgerechtigde
- Artikel 3:212Bevoegdheid tot vervreemding door vruchtgebruiker
- Artikel 3:213Zaaksvervanging bij vruchtgebruik
- Artikel 3:214Belegging van gelden onder vruchtgebruik
- Artikel 3:215Vervreemding en vertering door de vruchtgebruiker
- Artikel 3:216Toekomen van vruchten aan de vruchtgebruiker
- Artikel 3:217Verhuur en verpachting door vruchtgebruiker
- Artikel 3:218Rechtsvorderingen van vruchtgebruiker en hoofdgerechtigde