Artikel 3:255 BW – Uitwinning van verpand geld
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen › Titel 9. Rechten van pand en hypotheek › Afdeling 2. Pandrecht · niet-officieel opschrift
1Bestaat het pand uit geld dan is de pandhouder, zodra zijn vordering opeisbaar is geworden, zonder voorafgaande aanzegging bevoegd zich uit het pand te voldoen overeenkomstig artikel 253 . Hij is daartoe verplicht, indien de pandgever zulks vordert en deze bevoegd is de vordering in de verpande valuta te voldoen.
2Artikel 252 vindt overeenkomstige toepassing.
Rechtspraak over Artikel 3:255 BW
13
2022-11-23
2020-04-14
2019-03-19
2015-10-27
2015-06-03
Verwijzingen in dit artikel
2
- Artikel 3:252Kennisgeving van verkoop door pandhouder
- Artikel 3:253Verdeling van de executieopbrengst
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 3:243Zorgplicht en kostenvergoeding pandhouder
- Artikel 3:244Omvang van het pandrecht ten aanzien van rente
- Artikel 3:245Bevoegdheid tot het instellen van rechtsvorderingen
- Artikel 3:246Inningsbevoegdheid van de pandhouder
- Artikel 3:247Stemrecht op verpand goed
- Artikel 3:248Uitwinning van verpand goed
- Artikel 3:249Mededeling en lossing voorafgaand aan verkoop door pandhouder
- Artikel 3:250Openbare verkoop van verpande zaken
- Artikel 3:251Afwijkende wijze van verkoop van pand
- Artikel 3:252Kennisgeving van verkoop door pandhouder
- Artikel 3:253Verdeling van de executieopbrengst
- Artikel 3:254Gezamenlijke executie van pand en hypotheek
- Artikel 3:256Verplichtingen na tenietgaan pandrecht
- Artikel 3:257Tekortschieten in zorg voor verpande zaak
- Artikel 3:258Einde en afstand van pandrecht