Artikel 3:320 BW – Verlenging van de verjaringstermijn
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 3. Vermogensrecht in het algemeen › Titel 11. Rechtsvorderingen · niet-officieel opschrift
Wanneer een verjaringstermijn zou aflopen tijdens het bestaan van een verlengingsgrond of binnen zes maanden na het verdwijnen van een zodanige grond, loopt de termijn voort totdat zes maanden na het verdwijnen van die grond zijn verstreken.
Rechtspraak over Artikel 3:320 BW
103
2026-05-21
2026-05-21
2026-03-31
2026-02-17
2026-02-09
2026-01-20
2025-09-09
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 3:310bVerjaring van opeising van cultuurgoederen
- Artikel 3:310cVerjaring van teruggave van cultuurgoederen
- Artikel 3:310dVerjaring van rechtsvordering tot bescherming bedrijfsgeheim
- Artikel 3:311Verjaring van vorderingen uit tekortkoming
- Artikel 3:312Verjaring van nevenvorderingen
- Artikel 3:313Aanvang van de verjaringstermijn
- Artikel 3:314Aanvang verjaringstermijn bij onrechtmatige toestand
- Artikel 3:315Verjaring van vordering tot opeising van nalatenschap
- Artikel 3:316Stuiting van de verjaring door rechtsvervolging
- Artikel 3:317Stuiting van verjaring
- Artikel 3:318Stuiting van verjaring door erkenning
- Artikel 3:319Nieuwe verjaringstermijn na stuiting
- Artikel 3:321Gronden voor verlenging van de verjaring
- Artikel 3:322Ambtshalve toepassing en afstand van verjaring
- Artikel 3:323Verjaring en tenietgaan van zekerheidsrechten
- Artikel 3:324Verjaring van de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken
- Artikel 3:325Stuiting van de verjaring
- Artikel 3:326Overeenkomstige toepassing buiten vermogensrecht