Artikel 4:81 BW – Opeisbaarheid van de vordering wegens legitieme portie
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 4. Erfrecht › Titel 4. Uiterste willen › Afdeling 3. Legitieme portie › Paragraaf 3. Het geldend maken van de legitieme portie · niet-officieel opschrift
1De vordering is niet opeisbaar voordat zes maanden zijn verstreken na het overlijden van de erflater.
2Voor zover nodig in afwijking van lid 1 is de vordering, indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13 , opeisbaar indien:
a. de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard;
b. de echtgenoot is overleden.
Voorzover de vordering ten laste komt van een legaat aan een ander dan de echtgenoot, leidt de eerste zin niet tot een later tijdstip van opeisbaarheid dan voortvloeit uit lid 1.
3Zolang goederen der nalatenschap kunnen worden belast met een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel 30 , is de vordering niet opeisbaar. Bij de toepassing van de eerste zin blijft artikel 31 lid 4 , eerste zin, buiten beschouwing.
4Zolang een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel 30 bestaat, is de vordering niet opeisbaar, voor zover de echtgenoot daarvoor is verbonden. In geval van faillissement van de echtgenoot of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen wordt de vordering opeisbaar, voor zover de echtgenoot daarvoor is verbonden.
5Voor zover voor de vordering anderen dan de echtgenoot zijn verbonden, kan, zolang een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel 30 bestaat, van elk van die anderen slechts het gedeelte van de vordering worden opgeëist dat overeenkomt met het gedeelte dat zijn aandeel in de niet met vruchtgebruik belaste goederen van de nalatenschap uitmaakt van de goederen van de nalatenschap.
6Is de vordering, bedoeld in artikel 80 lid 1 , opeisbaar geworden doordat ten aanzien van de echtgenoot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan is de vordering, voor zover zij onvoldaan is gebleven, door beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op grond van artikel 356 lid 2 van de Faillissementswet wederom niet opeisbaar. Artikel 358 lid 1 van de Faillissementswet vindt ten aanzien van de vordering geen toepassing.
Rechtspraak over Artikel 4:81 BW
10
2024-04-10
2021-07-05
2020-09-21
2016-09-21
2015-10-14
2014-08-05
Verwijzingen in dit artikel
5
- Artikel 4:13Wettelijke verdeling van de nalatenschap
- Artikel 4:29Vruchtgebruik van de echtgenoot op de woning
- Artikel 4:30Wettelijk vruchtgebruik ten behoeve van de echtgenoot
- Artikel 4:31Vruchtgebruik ingevolge wettelijke rechten
- Artikel 4:80Vordering tot voldoening van de legitieme portie
Artikelen die naar dit artikel verwijzen
5
- Artikel 4:83Opeisbaarheid van de vordering van de legitimaris
- Artikel 4:86Aanvang termijnen bij eerdere beschermingsmaatregel
- Artikel 4:87Volgorde van inkorting van makingen
- Artikel 4:88Voldoening van belasting over vordering legitimaris
- Artikel 4:218Rekening en verantwoording door vereffenaar
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 4:79Vordering ter zake van de legitieme portie
- Artikel 4:80Vordering tot voldoening van de legitieme portie
- Artikel 4:82Opschortende voorwaarde ten behoeve van echtgenoot
- Artikel 4:83Opeisbaarheid van de vordering van de legitimaris
- Artikel 4:84Wettelijke rente over legitimaire vorderingen
- Artikel 4:85Vervaltermijn voor de legitieme portie
- Artikel 4:86Aanvang termijnen bij eerdere beschermingsmaatregel
- Artikel 4:87Volgorde van inkorting van makingen
- Artikel 4:88Voldoening van belasting over vordering legitimaris
- Artikel 4:89Inkorting van giften
- Artikel 4:90Inkorting van giften
- Artikel 4:91Inkorting van makingen en giften aan stiefkinderen
- Artikel 4:92Overgang van bevoegdheden van legitimaris