Artikel 6:255 BW – Aanwijzing van rechthebbende bij derdenbeding
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 6. Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht › Titel 5. Overeenkomsten in het algemeen › Afdeling 4. Rechtsgevolgen van overeenkomsten · niet-officieel opschrift
1Heeft een beding ten behoeve van een derde ten opzichte van die derde geen gevolg, dan kan degene die het beding heeft gemaakt, hetzij zichzelf, hetzij een andere derde als rechthebbende aanwijzen.
2Hij wordt geacht zichzelf als rechthebbende te hebben aangewezen, wanneer hem door degene van wie de prestatie is bedongen, een redelijke termijn voor de aanwijzing is gesteld en hij binnen deze termijn geen aanwijzing heeft uitgebracht.
Rechtspraak over Artikel 6:255 BW
1
2025-01-14
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 6:248Aanvullende en beperkende werking van redelijkheid en billijkheid
- Artikel 6:249Rechtsgevolgen voor rechtverkrijgenden onder algemene titel
- Artikel 6:250Regelend recht rechtsgevolgen overeenkomsten
- Artikel 6:251Overgang van nevenrechten
- Artikel 6:252Kwalitatieve verplichting bij registergoed
- Artikel 6:253
- Artikel 6:254Aanvaarding van derdenbeding
- Artikel 6:256Vordering tot nakoming door bedinger
- Artikel 6:257Verweermiddel van de ondergeschikte
- Artikel 6:258Wijziging of ontbinding wegens onvoorziene omstandigheden
- Artikel 6:259Wijziging of ontbinding van kwalitatieve verplichtingen
- Artikel 6:260Voorwaarden bij wijziging of ontbinding van de overeenkomst