Artikel 7:936 BW – Verhouding tussen verzekeraar, tussenpersoon en verzekeringnemer
Burgerlijk Wetboek (BW) · Boek 7. Bijzondere overeenkomsten › Titel 17. Verzekering › Afdeling 1. Algemene bepalingen · niet-officieel opschrift
1Heeft een tussenpersoon zich bij de verzekeringsovereenkomst tegenover de verzekeraar tot betaling van premie en kosten als eigen schuld verbonden, dan is de verzekeringnemer jegens de verzekeraar gekweten voor zover de premie en kosten voor rekening van de tussenpersoon zijn gekomen of aan deze zijn voldaan. De verzekeringnemer is tot vergoeding van die premie en kosten aan de tussenpersoon gehouden.
2Is een uitkering verschuldigd geworden, dan is de verzekeraar desverlangd, ongeacht rechten van derden, gehouden daarvan aan de tussenpersoon zoveel af te dragen als deze ingevolge het in lid 1 bepaalde van de verzekeringnemer heeft te vorderen. Is de verzekeringnemer krachtens de verzekeringsovereenkomst tot de uitkering gerechtigd, dan heeft de verzekeraar eenzelfde verplichting ten aanzien van andere verzekeringen waarbij dezelfde nemer en dezelfde tussenpersoon zijn betrokken.
3De verzekeraar die voornemens is een uitkering te doen aan een ander dan de tussenpersoon, verzoekt deze laatste om binnen tien dagen het bedrag op te geven, dat deze ingevolge lid 1 van de verzekeringnemer heeft te vorderen. Indien de tussenpersoon daaraan gevolg geeft, draagt de verzekeraar voor zoveel mogelijk het opgegeven bedrag aan hem af. Heeft de verzekeraar hieraan voldaan of heeft de tussenpersoon binnen de gestelde termijn niets opgegeven, dan staat het de verzekeraar vrij aan de ander de nog verschuldigde uitkering te doen.
4De leden 2 en 3 missen toepassing:
a. bij verzekeringen die aan toonder of order zijn gesteld, tenzij de verzekeringnemer tot de uitkering is gerechtigd;
b. bij verplichte aansprakelijkheidsverzekering.
5Het in lid 2, tweede zin, bepaalde mist bovendien toepassing:
a. indien op het recht op uitkering een pandrecht rust als bedoeld in artikel 229 van Boek 3 , of een voorrecht als bedoeld in artikel 283 van Boek 3 ;
b. bij onverplichte verzekering tegen aansprakelijkheid.
6Wanneer de tussenpersoon de uitkering namens de tot uitkering gerechtigde in ontvangst neemt, is hij bevoegd om de vergoeding als bedoeld in lid 1, tweede zin, te verrekenen met hetgeen hij aan de tot uitkering gerechtigde schuldig is tot het bedrag van zijn uit de leden 2, 4 en 5 voortvloeiende aanspraken.
Rechtspraak over Artikel 7:936 BW
3
Andere artikelen in dit onderdeel
- Artikel 7:925Begrip verzekering
- Artikel 7:926Begripsbepalingen uitkering en gerechtigde
- Artikel 7:927Uitsluiting van herverzekering
- Artikel 7:928Mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering
- Artikel 7:929Gevolgen van schending mededelingsplicht
- Artikel 7:930Recht op uitkering bij schending mededelingsplicht
- Artikel 7:931Uitsluiting vernietigingsgronden voor verzekeraar
- Artikel 7:932Afgifte van de polis en vervangend bewijsstuk
- Artikel 7:933Schriftelijke mededelingen van verzekeraar
- Artikel 7:934Aanmaning bij niet-betaling vervolgpremie
- Artikel 7:935Verrekening door de verzekeraar
- Artikel 7:937Bevrijdende betaling aan tussenpersoon
- Artikel 7:938Premievrijstelling bij ontbreken risico
- Artikel 7:939Premievermindering bij tussentijdse opzegging
- Artikel 7:940Opzegtermijnen bij verzekeringsovereenkomst
- Artikel 7:941Mededelings- en inlichtingenplicht bij verzekering
- Artikel 7:942Verjaring van vordering tot uitkering
- Artikel 7:943Dwingend recht bij verzekering