Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Uitvoeringsbesluit Zeebrievenwet 1926

Waar gaat deze regeling over?

Dit Uitvoeringsbesluit van 13 april 1927 geeft uitvoering aan artikel 13 van de Zeebrievenwet 1926. Het stelt voorschriften vast voor het verkrijgen van tijdelijke vergunningen tot het voeren van de Nederlandse vlag.

Voor wie: Eigenaars en exploitanten van zeeschepen waarbij overwegend Nederlandse belangen zijn betrokken; Aanvragers van een tijdelijke vergunning tot het voeren van de Nederlandse vlag.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
9
Bron
wetten.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • De voorwaarden voor tijdelijke vergunningen om de Nederlandse vlag te voeren.
  • De definitie van schepen waarbij overwegend Nederlandse belangen zijn betrokken (Artikel 1).
  • Het onderscheid voor zeeschepen die als Nederlandse zeeschepen worden aangemerkt.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Eigenaars en exploitanten van zeeschepen waarbij overwegend Nederlandse belangen zijn betrokken.
  • Aanvragers van een tijdelijke vergunning tot het voeren van de Nederlandse vlag.

Wat zijn de kernpunten?

  • Artikel 1 omschrijft wanneer bij een schip overwegend Nederlandse belangen zijn betrokken.
  • Het besluit is gebaseerd op artikel 13 van de Zeebrievenwet 1926.
  • Het regelt uitsluitend tijdelijke vergunningen voor het voeren van de Nederlandse vlag.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (9)
  1. Artikel 1 1
  2. Artikel 2 1
  3. Artikel 3 De vergunningen vervallen:
  4. Artikel 4 1
  5. Artikel 5 1
  6. Artikel 6 1
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9

Besluit van 13 april 1927, tot uitvoering van artikel 13 der Zeebrievenwet 1926, houdende vaststelling van voorschriften ter verkrijging van tijdelijke vergunningen tot het voeren van de Nederlandse vlag Uitvoeringsbesluit Zeebrievenwet 1926 Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Overwegende, dat het ter uitvoering van artikel 13 der Zeebrievenwet 1926 noodig is regelen te stellen, voor zooveel de verkrijging van tijdelijke vergunningen tot het voeren van de Nederlandsche vlag betreft;

Op de voordracht van Onze Ministers van Waterstaat, van Justitie, en van Buitenlandsche Zaken van 8 Februari 1927, La. E, Afdeeling Vervoer- en Mijnwezen, van 8 Februari 1927, 1ste Afdeeling C, n°. 918, en van 8 Februari 1927, Directie van Economische Zaken, n°. 4198;

Den Raad van State gehoord (advies van 8 Maart 1927, n°. 13);

Gelet op het nader rapport van voornoemde Ministers van 19 Maart 1927, n°. 391, Afdeeling Vervoer- en Mijnwezen, van 29 Maart 1927, 1ste Afdeeling C, n°. 932, en van 6 April 1927, n°. 9983, Directie van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan: vast te stellen de navolgende bepalingen:

Artikel 11

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "schepen, waarbij overwegend Nederlandsche belangen zijn betrokken":

I. voor zooveel zeeschepen betreft: a.

Nederlandsche zeeschepen in den zin van het Wetboek van Koophandel, ten aanzien van welke echter niet kan worden voldaan aan de voorschriften ter verkrijging van een zeebrief; b. schepen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd;

II. voor zooveel riviervaartuigen betreft: a. vaartuigen, waarvan de eigendom voldoet aan de vereischten, in artikel 311 van het Wetboek van Koophandel voor Nederlandsche zeeschepen gesteld; b. vaartuigen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd.

2 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "Onze Minister" de met de uitvoering van de Zeebrievenwet 1926 belaste Minister.

Artikel 21

De door Ons aangewezen Nederlandsche consulaire ambtenaren of andere Nederlandsche autoriteiten kunnen, op aanvrage van belanghebbenden, tijdelijke vergunningen tot het voeren van de Nederlandsche vlag afgeven, voor een daarin aangegeven gebied, voor schepen, waarbij overwegend Nederlandsche belangen zijn betrokken en welke alleen voor rivier- en kustvaart buiten Nederland worden gebruikt, op vertoon van bewijsstukken daarvan, zoomede van door de aanvragers af te leggen verklaringen nopens het bedrijf waarin de schepen zullen worden gebezigd. Bij twijfel moeten zij de bewijsstukken ter beoordeeling overleggen aan Onzen Minister.

2 Indien eene vergunning wordt gewenscht voor een vaargebied, dat de grenzen van den ambtskring van de bevoegde Nederlandsche autoriteit overschrijdt, wordt door deze vooraf overleg gepleegd met Onzen Minister.

3 Het formulier van de tijdelijke vergunning wordt door Onzen Minister vastgesteld.

Artikel 3De vergunningen vervallen:

a. door het verloop van één jaar na den dag van afgifte; b. wanneer het schip niet meer voldoet aan de in artikel 1 bedoelde vereischten omtrent den eigendom; c. wanneer de naam van het schip is veranderd; d. door gebruik van het schip tot kaapvaart, zeeroof, slavenhandel, smokkelhandel, spionnage of ander bedrijf, waarvoor de vergunning niet is afgegeven; e. wanneer het schip wordt gesloopt, vergaat of door zeeroovers of vijanden wordt genomen.

Wanneer echter de termijn, onder a bedoeld, gedurende de reis verstrijkt, blijft de vergunning van kracht tot de terugkomst van het schip ter plaatse waar het tehuis behoort, doch niet langer dan drie maanden.

Artikel 41

De vervallen vergunning wordt door den eigenaar van het schip, of, indien zij onder den kapitein berust, door dezen met de eerste gelegenheid ingezonden aan de autoriteit, die de vergunning heeft afgegeven, behoudens het geval, voorzien bij artikel 15, laatste lid, van de Zeebrievenwet 1926.

2 Wanneer het schip wordt gesloopt, vergaat of wordt genomen of de vergunning ten gevolge van vervreemding van het schip gedurende de reis vervalt, geschiedt de inzending van de vervallen vergunning door tusschenkomst van den naastbijzijnden Nederlandschen diplomatieken, consulairen of kolonialen ambtenaar.

3 De oorzaak van het vervallen van de vergunning wordt bij de inzending opgegeven.

4 Voor de ingezonden vergunning wordt den eigenaar of kapitein desverlangd een bewijs van ontvangst uitgereikt.

Artikel 51

In de gevallen, bedoeld in artikel 3, onder a en c, kan, op aanvraag van den rechthebbende, eene nieuwe vergunning worden uitgereikt. Deze aanvraag, met de vervallen vergunning in te zenden, moet vergezeld gaan van de in artikel 2 bedoelde bewijsstukken.

2 Eene nieuwe vergunning kan op bovenstaanden voet mede worden uitgereikt, wanneer voldoende blijkt, dat de vroegere buiten schuld der belanghebbenden is verloren gegaan of niet kan worden overgelegd.

Artikel 61

Wanneer van eene op den voet van dit besluit verleende tijdelijke vergunning tot het voeren van de Nederlandsche vlag misbruik wordt gemaakt of gegrond vermoeden bestaat, dat zoodanig misbruik zal worden gemaakt, wordt die vergunning terstond buiten werking gesteld door Onzen Minister of door den naastbijzijnden Nederlandschen diplomatieken, consulairen of kolonialen ambtenaar.

2 Bovendien kan de Nederlandsche autoriteit, die eene tijdelijke vergunning heeft afgegeven, deze te allen tijde intrekken.

Artikel 7

Niet nakoming van het bepaalde bij artikel 4, eerste, tweede of derde lid, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de Zeebrievenwet 1926.

Artikel 8

De vergunningen, verleend voor en nog geldig op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, blijven geldig totdat zij zouden zijn vervallen volgens de bepalingen van de wet van 28 Mei 1869 (Staatsblad n°. 96), zooals die laatstelijk is gewijzigd.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.

Onze Ministers van Waterstaat, van Justitie en van Buitenlandsche Zaken zijn, ieder voor zooveel hem aangaat, belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en aan den Raad van State in afschrift medegedeeld zal worden.

Het Loo den 13den April 1927 WILHELMINA.

De Minister van Waterstaat, H. V. D. VEGTE.

De Minister van Justitie, J. DONNER.

De Minister van Buitenlandsche Zaken, BEELAERTS VAN BLOKLAND. den negenden Mei 1927.

De Minister van Justitie, J. DONNER.

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.