Besluit ex artikel 13 Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
Waar gaat deze regeling over?
Dit besluit van 23 januari 1948 voert artikel 13 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 uit. Het regelt het geneeskundig onderzoek waarmee de invaliditeit van een aanvrager van buitengewoon pensioen wordt vastgesteld.
Voor wie: Aanvragers van een buitengewoon pensioen wier verwonding, verminking, ziekten of gebreken worden onderzocht.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 8
- Bron
- wetten.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Het geneeskundig onderzoek bedoeld in artikel 13 van de wet.
- De inhoud van het geneeskundig rapport.
- De bepaling van het invaliditeitspercentage.
Voor wie geldt deze regeling?
- Aanvragers van een buitengewoon pensioen wier verwonding, verminking, ziekten of gebreken worden onderzocht.
Wat zijn de kernpunten?
- Het onderzoek geschiedt door een door de Raad of de Sociale verzekeringsbank aangewezen geneeskundig adviseur; op verzoek van de belanghebbende wordt bovendien een door hem gekozen arts aangewezen die het onderzoek bijwoont of schriftelijk adviseert (artikel 2).
- De artsen brengen een met redenen omkleed rapport uit met onder meer een nauwkeurige omschrijving van de aandoening, mededelingen over het ontstaan, beschouwingen over het medisch verband en de mate van invaliditeit uitgedrukt in percentages van tien (artikel 4).
- Het invaliditeitspercentage wordt bepaald in verband met het laatst vervulde beroep (beroepsinvaliditeit) en de algemene invaliditeit, waarbij bij verschil het hoogste percentage wordt aangehouden (artikel 5).
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Besluit van 23 januari 1948, tot uitvoering van artikel 13 der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 Besluit ex artikel 13 Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Financiën en van Sociale Zaken van 9 December 1947, afdeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers, no. 6411;
Gelet op de artikelen 3 en 13, eerste lid, van de "Wet buitengewoon pensioen 1940-1945" (Staatsblad 1947, no. H 313);
Gezien de adviezen van de Buitengewone pensioenraad en de Stichting 1940-1945;
De Raad van State gehoord (advies van 6 Januari 1948, no. 25);
Gezien het nader rapport van genoemde Ministers van 9 Januari 1948, no. 64505, afdeling Maatschappelijke Zorg II Bureau 4;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1In dit besluit wordt verstaan onder:
de wet: de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1986, 575); de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen; de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 21
Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 13 der wet, geschiedt door een geneeskundig adviseur, door de Raad of de Sociale verzekeringsbank aan te wijzen, of diens plaatsvervanger.
2 Op verzoek van de belanghebbende wijst de Raad of de Sociale verzekeringsbank bovendien een andere, door de belanghebbende gekozen arts aan, die het onderzoek bijwoont of de in het eerste lid bedoelde artsen schriftelijk van advies dient.
3 Bij de aanvrage om pensioen voegt de belanghebbende een omschrijving van de omstandigheden, waaronder de verwonding of verminking, of de ziekten of gebreken, naar zijn mening zijn ontstaan, alsmede van de nadelige gevolgen, welke hij daarvan ondervindt, zo mogelijk gestaafd door bewijsstukken.
Artikel 3Vervallen
Artikel 41
De artsen brengen zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed rapport uit aan de Raad of de Sociale verzekeringsbank, ten minste houdende: a. een nauwkeurige omschrijving van de bij de onderzochte waargenomen verwonding, verminking, ziekten of gebreken, alsmede van de daardoor veroorzaakte stoornissen en bezwaren; b. omstandige mededelingen omtrent het ontstaan van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, zowel wat door of vanwege de Stichting 1940-1945 dienaangaande wordt verklaard, als wat de belanghebbende zelf meent te kunnen aanvoeren; c. beschouwingen omtrent het verband, dat op medische gronden al dan niet geacht kan worden te bestaan tussen de aangegeven oorzaken en de waargenomen verwonding, verminking, ziekten of gebreken; d. de mate van invaliditeit, uitgedrukt in percentages van tien of, naar boven afgerond, van veelvouden van tien; e. een oordeel over de vraag of verandering van het invaliditeitspercentage voor de toekomst al dan niet aannemelijk geacht wordt.
2 Bij hun rapport leggen de artsen, desgewenst in gewaarmerkt afschrift, over de stukken, waarvan voor het opmaken van het rapport is gebruik gemaakt.
Artikel 51
Het invaliditeitspercentage, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder d, wordt bepaald in verband met het beroep, dat belanghebbende vóór het intreden van zijn invaliditeit laatstelijk heeft vervuld (beroepsinvaliditeit) en met de algemene invaliditeit, met dien verstande, dat bij verschil het hoogste percentage wordt aangehouden.
2 Na omscholing tot een nieuw beroep, wordt, indien dit voor belanghebbende voordeliger is, de invaliditeit bepaald naar het nieuwe beroep.
Artikel 61
De Raad of de Sociale verzekeringsbank is bevoegd over het rapport van de artsen een rapport van één of meer andere deskundigen te vragen. Wijkt het gevoelen van deze deskundigen af van dat van de artsen, over wier rapport zij werden gehoord, dan wordt van het gevoelen van de deskundigen geen gebruik gemaakt dan nadat de artsen tegenover de Raad of de Sociale verzekeringsbank hun gevoelen nader schriftelijk hebben kunnen verdedigen.
2 De Raad of de Sociale verzekeringsbank is mede bevoegd de belanghebbende nogmaals geneeskundig te doen onderzoeken of hem voor de tijd van ten hoogste dertien weken in een inrichting ter observatie te doen opnemen.
Artikel 71
De vergoeding voor de in artikel 2, tweede lid, bedoelde arts wordt door de Sociale verzekeringsbank vastgesteld.
2 Alle kosten van geneeskundige onderzoekingen, inbegrepen de kosten van de door de belanghebbende gekozen arts, en van rapporten, evenals die verbonden aan een observatie, alsmede de, naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank, noodzakelijke reiskosten van de belanghebbende en die van de voor zijn reis benodigde begeleiding naar en van de plaats, waar het geneeskundig onderzoek plaats vindt, komen ten laste van het Rijk; zij worden gedeclareerd bij de Sociale verzekeringsbank.
3 Ook komen ten laste van het Rijk kosten verbonden aan verpleging in een inrichting of aan genees- en/of heelkundige behandeling, indien die verpleging of behandeling is geschied op verzoek van de Raad of de Sociale verzekeringsbank, omdat de Raad of de Sociale verzekeringsbank is gebleken, dat die verpleging of behandeling kans biedt, hetzij op algeheel herstel of op duurzame vermindering der invaliditeit, hetzij op het voorkomen van invaliditeit of van stijging van bestaande invaliditeit, in het laatste geval ook wanneer de bestaande invaliditeit minder dan 10 procent bedraagt. Deze kosten worden eveneens gedeclareerd bij de Sociale verzekeringsbank.
4 Indien de belanghebbende tengevolge van een geneeskundig onderzoek, van een observatie of van een in het derde lid bedoelde maatregel inkomsten derft, wordt hem een vergoeding gegeven. Deze vergoeding wordt, gehoord de belanghebbende, door de Sociale verzekeringsbank ten laste van het Rijk vastgesteld.
Artikel 8
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die der dagtekening van het Staatsblad, waarin het geplaatst is.
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Financiën en van Sociale Zaken zijn, ieder voor zoveel hem aangaat, belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Buitengewone Pensioenraad.
Amsterdam 23 Januari 1948 WILHELMINA.
De Minister van Binnenlandse Zaken, WITTEMAN.
De Minister van Financiën, P. LIEFTINCK.
De Minister van Sociale Zaken, W. DREES. de zeventiende Februari 1948.
De Minister van Justitie, J. H. VAN MAARSEVEEN.