Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Uitvoeringsbesluit Pleegkinderenwet

Waar gaat deze regeling over?

Dit Koninklijk Besluit van 12 januari 1953 is de algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Pleegkinderenwet. Het regelt onder meer welke instellingen van het toezicht zijn vrijgesteld en welke eisen aan de verzorging van pleegkinderen worden gesteld.

Voor wie: Het besluit geldt voor pleegouders en voor beheerders van inrichtingen waar pleegkinderen worden verzorgd, alsmede voor de instanties (raad voor de kinderbescherming) die het toezicht uitoefenen.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
15
Bron
wetten.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

Het besluit stelt vast welke inrichtingen zijn vrijgesteld van het toezicht op grond van de Pleegkinderenwet, waaronder kampen en internaten voor Sociale Jeugdzorg onder het Ministerie van OK&W, ziekenhuizen en tuberculosesanatoria, gesubsidieerde gezondheidskolonies, internaten voor maatschappelijk onaangepaste minderjarigen onder Maatschappelijk Werk, internaten voor de opleiding tot een geestelijk of godsdienstig-menslievend ambt, en bepaalde aan scholen verbonden internaten. Daarnaast stelt het eisen aan de ligging en inrichting van woningen en inrichtingen waarin een pleegkind wordt verzorgd en opgevoed. Het is gebaseerd op de Pleegkinderenwet en artikel 461e van het Burgerlijk Wetboek.

Voor wie geldt deze regeling?

Het besluit geldt voor pleegouders en voor beheerders van inrichtingen waar pleegkinderen worden verzorgd, alsmede voor de instanties (raad voor de kinderbescherming) die het toezicht uitoefenen.

Wat zijn de kernpunten?

  • Uitvoering van de Pleegkinderenwet bij algemene maatregel van bestuur.
  • Opsomming van van toezicht vrijgestelde inrichtingen.
  • Eisen aan ligging en inrichting van pleeggezinswoningen en -inrichtingen.
  • Grondslag in de Pleegkinderenwet en artikel 461e BW.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (15)
  1. Artikel 1 Van het toezicht ingevolge de bepalingen van de Pleegkinderenwet zijn
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7 1
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15

Besluit van 12 januari 1953, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Pleegkinderenwet (Stb. 1951, 595) Uitvoeringsbesluit Pleegkinderenwet Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie van 25 October 1952, 7e Afdeling A, No. 2214 en van Binnenlandse Zaken van 31 October 1952, Afdeling Binnenlands Bestuur, Bureau Bestuurszaken, no. 3135;

Gelet op de artikelen 1, lid 1, onder c, 4 en 5 van de Pleegkinderenwet (Stb. 1951, 595), alsmede op artikel 461e van het Burgerlijk Wetboek;

De Raad van State gehoord (advies van 25 November 1952, no. 28);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 30 December 1952, 7e Afdeling A, No. 2228 en van 3 Januari 1953, Afdeling Binnenlands Bestuur, Bureau Bestuurszaken, no. 3794;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1Van het toezicht ingevolge de bepalingen van de Pleegkinderenwet zijn vrijgesteld:

a. de kampen en internaten voor Sociale Jeugdzorg, welke beheerd worden door of onder toezicht staan van Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen; b. de ziekenhuizen, alsmede de sanatoria voor tuberculoselijders; c. gezondheidskolonies, gesubsidieerd overeenkomstig de door Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid vastgestelde voorwaarden ten behoeve van de kinderuitzending; d. de internaten voor maatschappelijk onaangepaste minderjarigen, welke beheerd worden door en onder toezicht staan van Onze Minister van Maatschappelijk Werk; e. de internaten voor de opleiding tot een geestelijk of godsdienstig-menslievend ambt; f. de internaten, verbonden aan scholen, als bedoeld bij artikel 2 onder 1e, 2e en 3e van de Leerplichtwet.

Artikel 2

De woningen en inrichtingen, waarin een pleegkind wordt verzorgd en opgevoed, moeten zodanig gelegen en ingericht zijn, dat zij geen bezwaren voor de verzorging en opvoeding van het pleegkind opleveren.

Artikel 3

Indien de raad voor de kinderbescherming het nodig oordeelt, moet aan ieder pleegkind een afzonderlijk bed en aan een of meer pleegkinderen een afzonderlijk slaapvertrek verschaft worden.

Artikel 4

Voor voldoende voeding en kleding, alsmede voor reinheid en tijdige geneeskundige- en tandheelkundige behandeling moet worden zorggedragen. Ook overigens moet aan de gezondheid en de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van het pleegkind regelmatig voldoende aandacht worden besteed.

Artikel 5

Bij de opvoeding van het pleegkind moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de godsdienst en de levensbeschouwing waarin zij die met de ouderlijke macht of de voogdij bekleed zijn, het kind willen zien opgevoed.

Artikel 6

Het pleegkind moet behoorlijk onderwijs en een doelmatige opleiding voor een bij zijn aard en aanleg passend beroep genieten. Het pleegkind mag niet met meer huishoudelijke en andere werkzaamheden worden belast dan het belang van zijn opvoeding gedoogt.

Artikel 71

Het hoofd en de inwonende leden van het gezin moeten van goed zedelijk gedrag zijn.

2 Hun lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand mag geen bezwaar opleveren voor het welzijn van het pleegkind.

3 Wanneer de raad voor de kinderbescherming dit noodzakelijk acht, moeten zij zich onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek, waarvan het resultaat aan de raad voor de kinderbescherming wordt medegedeeld.

Artikel 8

Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het hoofd van een inrichting en alle daarin wonende en werkzame personen.

Artikel 9

De in een inrichting werkzame personen moeten, met inachtneming van de aan ieder van hen opgedragen taken, uit opvoedkundig oogpunt aan redelijke eisen voldoen.

Artikel 10

Het hoofd van het gezin of de inrichting is verplicht een pleegkind te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek, dat de raad voor de kinderbescherming noodzakelijk acht.

Artikel 11

De kosten van een door de raad voor de kinderbescherming gelast geneeskundig onderzoek kunnen ten laste van het Rijk worden gebracht, volgens regelen door Onze Minister van Justitie te stellen.

Artikel 12

De schriftelijke kennisgevingen, bedoeld in artikel 5 van de Pleegkinderenwet geschieden door middel van formulieren, waarvan het model door Onze Minister van Justitie wordt vastgesteld.

Artikel 13

Zodra aan een gemeentebestuur blijkt van het verblijf in de gemeente van een pleegkind, ten aanzien van hetwelk niet is voldaan aan artikel 5 van de Pleegkinderenwet, geeft het gemeentebestuur daarvan kennis aan de raad voor de kinderbescherming.

Artikel 14

Wanneer een gemeentebestuur bij het in werking treden van dit besluit beschikt over gegevens betreffende pleegkinderen of gezinnen en inrichtingen, brengt het die ter kennis van de raad voor de kinderbescherming.

Artikel 15

Dit besluit treedt in werking tegelijk met de Pleegkinderenwet.

Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken zijn, ieder voor zoveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk 12 Januari 1953 JULIANA.

De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

De Minister van Binnenlandse Zaken, BEEL. de drie en twintigste Januari 1953.

De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.