Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Besluit bijzondere huurprijzen 1954

Waar gaat deze regeling over?

Dit Koninklijk Besluit van 24 december 1953 is een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 4 van de Huurwet. Het stelt bijzondere regels vast voor de huurprijzen van bepaalde gebouwde onroerende zaken, in afwijking van de algemene huurprijsregeling.

Voor wie: Het besluit geldt voor verhuurders en huurders van gebouwde onroerende zaken, met name naoorlogse nieuwbouw, en voor de met volkshuisvesting belaste minister.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
21
Bron
wetten.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

Het besluit bepaalt dat, in afwijking van artikel 3 van de Huurwet, de huurprijs van een op of na 5 mei 1945 tot stand gekomen gebouwde onroerende zaak, zolang daarvoor geen financiële middelen of subsidie van overheidswege zijn verstrekt, de door partijen overeengekomen huurprijs is (vrije prijsvorming). Voor onroerende zaken waarvoor wel overheidssteun is verstrekt, geldt (na latere wijzigingen ook voor nieuwbouw vanaf 1 juli 1989) een door de bevoegde minister vast te stellen of nader vast te stellen huurprijs. Het besluit definieert 'Onze Minister' als de minister belast met de volkshuisvesting.

Voor wie geldt deze regeling?

Het besluit geldt voor verhuurders en huurders van gebouwde onroerende zaken, met name naoorlogse nieuwbouw, en voor de met volkshuisvesting belaste minister.

Wat zijn de kernpunten?

  • Bijzondere huurprijsregeling op grond van artikel 4 van de Huurwet.
  • Vrije huurprijs voor naoorlogse bouw zonder overheidssteun.
  • Door de minister vast te stellen huurprijs bij gesubsidieerde bouw.
  • Afwijking van de algemene huurprijsregeling van artikel 3 Huurwet.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (21)
  1. Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder Onze Minister:
  2. Artikel 2 Vervallen
  3. Artikel 3 Vervallen
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5 1
  6. Artikel 5a
  7. Artikel 6
  8. Artikel 7
  9. Artikel 8
  10. Artikel 9 1
  11. Artikel 10 1
  12. Artikel 11
  13. Artikel 12
  14. Artikel 13
  15. Artikel 14
  16. Artikel 15
  17. Artikel 16
  18. Artikel 17
  19. Artikel 18 Vervallen
  20. Artikel 19 1
  21. Artikel 20

Besluit van 24 december 1953, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4 van de Huurwet Besluit bijzondere huurprijzen 1954 Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Wederopbouw en Volkshuisvesting en van Economische Zaken van 8 December 1953, No. 1201624, afdeling Juridische Zaken;

Gelet op artikel 4 van de Huurwet (wet van 13 October 1950, Stb. K 452, gewijzigd bij de wet van 24 December 1953, Stb. 580;

De Raad van State gehoord (advies van 15 December 1953, No. 39);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 22 December 1953, No. 1218962, afdeling Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1In dit besluit wordt verstaan onder Onze Minister:

Onze Minister met de zorg voor de zaken van de volkshuisvesting belast.

Artikel 2Vervallen

Artikel 3Vervallen

Artikel 4

In afwijking van het bepaalde in artikel 3 van de Huurwet is de huurprijs van een op of na 5 Mei 1945 tot stand gekomen gebouwde onroerende zaak, indien en zolang terzake van de bouw of exploitatie niet van overheidswege in enigerlei vorm financiële middelen zijn onderscheidenlijk subsidie is verstrekt: de huurprijs, welke partijen zijn overeengekomen of zullen overeenkomen.

Artikel 51

In afwijking van het bepaalde in artikel 3 van de Huurwet is de huurprijs van een op of na 1 juli 1989 tot stand gekomen gebouwde onroerende zaak, indien en zodra ter zake van de bouw of exploitatie van overheidswege in enigerlei vorm financiële middelen zijn onderscheidenlijk subsidie is verstrekt: de door Onze Minister vast te stellen of nader vast te stellen huurprijs.

2 Onze Minister kan de huurprijs van een gebouwde onroerende zaak, die tot stand is gekomen op of na 5 mei 1945 doch vóór 1 juli 1989 indien en zodra ter zake van de bouw of exploitatie van overheidswege in enigerlei vorm financiële middelen zijn onderscheidenlijk subsidie is verstrekt, bij beschikking vaststellen of nader vaststellen.

3 In afwijking van hetgeen in de voorgaande leden en in artikel 3 van de Huurwet is bepaald, is de huurprijs van door Onze Minister in de Nederlandse Staatscourant aangewezen of aan te wijzen categorieën van gebouwde onroerende zaken als in die leden bedoeld: de huurprijs welke partijen zijn overeengekomen of zullen overeenkomen.

Artikel 5a

Artikel 5, eerste en tweede lid, wordt ieder jaar met ingang van 1 juli in die zin gewijzigd dat daarin de aanduiding van het laatst verstreken kalenderjaar wordt vervangen door het jaartal in arabische cijfers van het jaar waarin de wijziging plaatsvindt.

Artikel 6

In afwijking van het bepaalde in artikel 3 van de Huurwet is de huurprijs van een woonschip: de huurprijs, welke partijen zijn overeengekomen of zullen overeenkomen.

Artikel 7

In afwijking van het bepaalde in artikel 3 van de Huurwet is de huurprijs van een gebouwde onroerende zaak die een zelfstandige woning vormt en die voor een korte termijn wordt verhuurd met de klaarblijkelijke bedoeling dat de huurder daarin niet zijn hoofdverblijf houdt: de huurprijs, welke partijen zijn overeengekomen of zullen overeenkomen.

Artikel 8

In afwijking van het bepaalde in artikel 3 van de Huurwet is de huurprijs van een gebouwde onroerende zaak die niet een zelfstandige woning vormt en die, hetzij voor één korte termijn, hetzij voor twee of meer niet aaneensluitende korte termijnen wordt verhuurd: de huurprijs, welke partijen zijn overeengekomen of zullen overeenkomen.

Artikel 91

Indien op of na 1 Januari 1954 een vernieuwing van de centrale voorzieningen van een gebouwde onroerende zaak tot stand is gekomen kan de huurprijs worden verhoogd met een door Onze Minister vast te stellen percentage van een door Onze Minister vast te stellen gedeelte der kosten van deze vernieuwingen, voor zover deze kosten het redelijke en gebruikelijke niet overschrijden.

2 Indien de in het eerste lid bedoelde kosten niet geheel ten laste van de verhuurder komen, wordt het daarin bedoelde percentage berekend over het door Onze Minister vast te stellen gedeelte der kosten, nadat van dat gedeelte de niet voor rekening van de verhuurder komende kosten zijn afgetrokken.

3 Onder de centrale voorzieningen, genoemd in het eerste lid, worden verstaan centrale verwarmingsinstallaties, warmwaterinstallaties, liftinstallaties, koelinstallaties en andere door Onze Minister, hetzij in het algemeen hetzij in een bijzonder geval, nader aan te wijzen installaties.

Artikel 101

Indien op of na 1 mei 1968 in of aan een gebouwde onroerende zaak verbeteringen zijn tot stand gekomen is de huurprijs de ingevolge artikel 3 van de Huurwet geldende huurprijs vermeerderd met een door de huurder en verhuurder vóórdat de verbeteringen tot stand zijn gekomen overeen te komen bedrag. Zijn de verbeteringen tot stand gekomen op een tijdstip, waarop de zaak niet is verhuurd, dan is de huurprijs van de verbeterde gebouwde onroerende zaak: de huurprijs welke partijen zijn overeengekomen of zullen overeenkomen, voorzover deze huurprijs de ingevolge artikel 3 van de Huurwet geldende huurprijs vermeerderd met een bedrag, dat in redelijke verhouding staat tot de door de verhuurder bestede kosten van verbetering, niet overschrijdt.

2 Onder verbeteringen, bedoeld in het eerste lid, worden verstaan alle technische voorzieningen, waardoor het woongerief - bij woningen - of de gebruikswaarde - bij bedrijfsruimten - geacht kan worden te zijn gestegen.

3 Het bepaalde in de voorgaande leden vindt geen toepassing indien de kosten zijn gemaakt in verband met verbouwing of splitsing van een gebouwde onroerende zaak.

Artikel 11

De krachtens het bepaalde in de artikelen 9 en 10 verhoogde huurprijs kan worden gevorderd van de eerste dag af volgende op het einde van de betalingstermijn, waarin de vernieuwingen of verbeteringen zijn tot stand gekomen.

Artikel 12

Indien een gebouwde onroerende zaak op of na 1 januari 1954 wordt verbouwd geldt als huurprijs van de door verbouwing ontstane gebouwde onroerende zaak die van een vergelijkbare onroerende zaak. Deze huurprijs kan gedurende een termijn van dertien jaren worden verhoogd met 10% 's jaars van een door Onze Minister vast te stellen gedeelte der verbouwingskosten, voor zover deze kosten het redelijke en gebruikelijke niet overschrijden. Het bepaalde in artikel 9, tweede lid, vindt overeenkomstige toepassing.

Artikel 13

Indien op of na 1 Januari 1954 een gebouwde onroerende zaak met een gewijzigde bestemming wordt verhuurd en tengevolge van deze wijziging van bestemming de brandgevaarlijkheid van die gebouwde onroerende zaak is toegenomen, kan de huurprijs worden verhoogd met de stijging der brandassurantiekosten van die gebouwde onroerende zaak en van de belendende gebouwde onroerende zaken, voor zover deze stijging aan de verhuurder in rekening wordt gebracht en voor zover zij niet wordt veroorzaakt door een verhoging van de verzekerde sommen op of na de datum van de inwerkingtreding van de Huurwet.

Artikel 14

Indien op of na 1 Januari 1954 een gebouwde onroerende zaak wordt gesplitst in twee of meer gebouwde onroerende zaken en ten behoeve van deze splitsing technische voorzieningen zijn aangebracht, kan de huurprijs van de nieuw ontstane gebouwde onroerende zaken gedurende een termijn van dertien jaren worden verhoogd met 10% 's jaars van een door Onze Minister te bepalen gedeelte van de kosten dezer technische voorzieningen, voor zover deze kosten het redelijke en gebruikelijke niet overschrijden. Het bepaalde in artikel 9, tweede lid, vindt overeenkomstige toepassing.

Artikel 15

Indien op of na 1 Januari 1954 een gebouwde onroerende zaak wordt gesplitst in twee of meer gedeelten welke niet elk afzonderlijk als een gebouwde onroerende zaak kunnen worden aangemerkt en ten behoeve van deze splitsing technische voorzieningen zijn aangebracht, kan de huurprijs van de gebouwde onroerende zaak gedurende een termijn van dertien jaren worden verhoogd met 10% 's jaars van de kosten dezer technische voorzieningen, voor zover deze kosten het redelijke en gebruikelijke niet overschrijden en voor zover zij ten laste van de verhuurder komen.

Artikel 16

Onze Minister kan, indien in de gevallen bedoeld in de artikelen 12, 14 en 15 een geringere verhoging dan die, berekend naar 10% 's jaars aan de huurder in rekening zal worden gebracht, toestaan dat de in de genoemde artikelen bepaalde termijn dienovereenkomstig wordt verlengd. Onze Minister kan voorts toestaan, dat een grotere verhoging aan de huurder in rekening wordt gebracht, mits de in de vorengenoemde artikelen bepaalde termijn dienovereenkomstig wordt verkort.

Artikel 17

Onze Minister kan de huurprijs van een gebouwde onroerende zaak bij beschikking nader vaststellen, indien de huurprijs van die gebouwde onroerende zaak kennelijk zeer aanzienlijk afwijkt van die van een vergelijkbare gebouwde onroerende zaak.

Artikel 18Vervallen

Artikel 191

Het Besluit bijzondere huurprijzen (Stb. 1950, K 588) treedt buiten werking, behoudens het bepaalde in de volgende leden.

2 De artikelen 11, 12 en 13 blijven van kracht ten aanzien van vernieuwingen en verbeteringen, als bedoeld in de artikelen 11 en 12, welke zijn tot stand gekomen tussen 1 Januari 1951 en 1 Januari 1954.

3 De artikelen 14, 16 en 17 blijven van kracht ten aanzien van de kosten van technische voorzieningen, als in die artikelen bedoeld, welke zijn gemaakt tussen 1 Januari 1951 en 1 Januari 1954. De termijn van 10 jaren, gedurende welke de krachtens deze artikelen toegelaten huurverhoging kan worden berekend, wordt nader gesteld op dertien jaren.

4 Artikel 15 blijft van kracht ten aanzien van verhuringen met gewijzigde bestemming, als in dat artikel bedoeld, welke zijn tot stand gekomen tussen 1 Januari 1951 en 1 Januari 1954.

Artikel 20

Dit besluit kan worden aangehaald als "Besluit bijzondere huurprijzen 1954". Het treedt in werking op 1 Januari 1954.

Onze Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk 24 December 1953 JULIANA.

De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting a.i., J. ALGERA.

De Minister van Economische Zaken, J. ZIJLSTRA. de vier en twintigste December 1953.

De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.