Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Instellingswet Productschap voor Siergewassen

Waar gaat deze regeling over?

Deze wet van 30 september 1954 stelt een Productschap voor Siergewassen in, op grond van de Wet op de Bedrijfsorganisatie. Zij organiseert de ondernemingen in de teelt van en handel in siergewassen en het hoveniersbedrijf in een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie.

Voor wie: De wet geldt voor telers van en handelaren in siergewassen, hoveniers en veilingen, die onder het productschap en zijn verordeningen vallen.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
14
Bron
wetten.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

De wet stelt, overeenkomstig een SER-advies, een Productschap voor Siergewassen in met zetel te 's-Gravenhage. Het productschap is ingesteld voor ondernemingen die siergewassen telen, daarin (of in delen daarvan) handel drijven (met uitzondering van aanvoer-, transito- en driehoekshandel), of hovenierswerkzaamheden verrichten. Ook veilingen van deze producten worden als betrokken ondernemingen aangemerkt. De wet definieert het begrip 'siergewassen'. Als publiekrechtelijk bedrijfslichaam kan het productschap verordeningen vaststellen en de belangen van de bedrijfskolom behartigen.

Voor wie geldt deze regeling?

De wet geldt voor telers van en handelaren in siergewassen, hoveniers en veilingen, die onder het productschap en zijn verordeningen vallen.

Wat zijn de kernpunten?

  • Instelling van het Productschap voor Siergewassen (zetel 's-Gravenhage).
  • Gebaseerd op de Wet op de Bedrijfsorganisatie en een SER-advies.
  • Omvat teelt, handel, hoveniersbedrijf en veilingen van siergewassen.
  • Bevoegdheid tot verordeningen en belangenbehartiging.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (14)
  1. Artikel 1 1
  2. Artikel 2 1
  3. Artikel 3 Het bestuur van het productschap bestaat uit 24 leden. Daarvan worden
  4. Artikel 3a
  5. Artikel 4 1
  6. Artikel 5 1
  7. Artikel 6 1
  8. Artikel 7
  9. Artikel 8
  10. Artikel 9
  11. Artikel 10 1
  12. Artikel 11
  13. Artikel 12
  14. Artikel 13

Wet van 30 september 1954, houdende instelling van een productschap voor siergewassen Instellingswet Productschap voor Siergewassen Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad uit eigen beweging daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot instelling van een productschap als bedoeld in de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22, sedert gewijzigd) voor ondernemingen op het gebied van de teelt van en de handel in siergewassen en van het hoveniersbedrijf;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 11

Er is een Productschap voor Siergewassen.

2 Het productschap heeft zijn zetel te 's-Gravenhage.

Artikel 21

Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin: siergewassen worden geteeld; de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel - in siergewassen of delen daarvan wordt uitgeoefend; hovenierswerkzaamheden worden verricht.

2 Als ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, worden mede aangemerkt veilingen van de in dat lid bedoelde producten.

3 In deze wet wordt verstaan onder siergewassen:

1e. bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen;

2e. bloemkwekerijproducten, daaronder begrepen voortkwekingsmateriaal met uitzondering van zaden;

3e. boomkwekerijproducten, daaronder begrepen voortkwekingsmateriaal met uitzondering van zaden.

4 In deze wet wordt mede verstaan onder: siergewassen: vruchtbomen - met inbegrip van kleinfruitteeltgewassen -, vruchtboomonderstammen, plantgoed van aardbeien, bos- en haagplantsoen, rozenonderstammen, kerstbomen en in het wild gegroeide producten, welke met het oog op de sierwaarde in het economisch verkeer worden gebracht; handel: de werkzaamheid van tussenpersonen.

Artikel 3Het bestuur van het productschap bestaat uit 24 leden. Daarvan worden benoemd:

voor de ondernemingen op het gebied van door organisaties van ondernemers door organisaties van werknemers de bloembollenteelt 2 leden 2 leden de bloemkwekerij 2 leden 2 leden de boomkwekerij 2 leden 2 leden de handel in bloembollen 2 leden 2 leden de groothandel in bloemkwekerijproducten 1 lid 1 lid de detailhandel in bloemkwekerijproducten 1 lid 1 lid de handel in boomkwekerijproducten 2 leden 2 leden

Artikel 3a

Het bestuur is bevoegd uit zijn midden voor elk lid van het dagelijks bestuur een plaatsvervanger te benoemen.

Artikel 41

Het productschap heeft commissies van bijstand voor aangelegenheden betreffende: a. bollen, knollen en wortelstokken van bloemgewassen; b. bloemkwekerijproducten en hovenierswerkzaamheden; c. boomkwekerijproducten.

2 De commissies dienen elk voor haar werkgebied het bestuur van advies.

Artikel 51

De leden van de commissies van bijstand worden benoemd door organisaties van ondernemers en van werknemers, aangewezen door de Sociaal-Economische Raad. Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking naar het oordeel van de Raad representatieve organisaties van de betrokken ondernemers en van de betrokken werknemers, welke verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid zijn.

2 De organisaties zijn bevoegd voor elk lid, dat zij benoemen, tevens een plaatsvervanger te benoemen.

3 De Sociaal-Economische Raad bepaalt het aantal leden van elke commissie van bijstand, alsmede het aantal leden, dat elke door hem aangewezen organisatie kan benoemen. De voorzitter van het productschap is tevens voorzitter van de commissies van bijstand. De zittingsperiode van de leden van de commissies valt samen met die van de leden van het bestuur van het productschap.

4 In een commissie van bijstand worden door de organisatie van ondernemers en van werknemers, werkzaam op het gebied van de teelt, evenveel leden benoemd als door de organisaties van ondernemers en van werknemers, werkzaam op het gebied van de handel.

5 De artikelen 10 en 77 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22, sedert gewijzigd) zijn ten aanzien van de commissies van bijstand van overeenkomstige toepassing.

Artikel 61

Aan het productschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de navolgende onderwerpen: a. aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, waaronder, indien of voorzover dit door Ons is bepaald, de prijzen begrepen zijn; b. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het productschap is ingesteld; c. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het productschap nodige gegevens; d. de voor de vervulling van de taak van het productschap nodige inzage van boeken en bescheiden en bezichtiging en opneming van bedrijfsmiddelen en voorraden van ondernemingen.

2 Als aangelegenheden, bedoeld in het voorgaande lid, onder a, worden niet aangemerkt: a. de vestiging, uitbreiding en stillegging van ondernemingen; b. de in- en uitvoer.

3 Verordeningen betreffende de in het eerste lid bedoelde onderwerpen hebben niet betrekking op de aanvoer-, transito- en driehoekshandel.

4 Verordeningen betreffende onderwerpen, als bedoeld in het eerste lid, onder c en d, houden waarborgen in tegen misbruik van de ingevolge die verordeningen te verstrekken gegevens.

Artikel 7

Een verordening met betrekking tot aangelegenheden, naar het oordeel van het bestuur liggende op het werkgebied van een commissie van bijstand, stelt het bestuur - tenzij naar zijn oordeel dringende redenen zich daartegen verzetten - slechts vast op voorstel van die commissie, dan wel nadat deze gelegenheid heeft gehad over het ontwerp der verordening van advies te dienen.

Artikel 8

Overtredingen van het bepaalde bij of krachtens een op grond van artikel 93, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie vastgestelde verordening kunnen bij de verordening worden aangewezen als strafbare feiten.

Artikel 9

Bij een op grond van artikel 93, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie vastgestelde verordening kan worden bepaald, dat de bij of krachtens die verordening gestelde regelen mede andere dan de in artikel 102, eerste lid, van genoemde wet bedoelde natuurlijke en rechtspersonen binden, voor zover deze handelingen verrichten, die bedrijfsmatig in de ondernemingen, waarvoor het productschap is ingesteld, plegen te worden verricht.

Artikel 101

Verordeningen, waarbij krachtens artikel 126, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie een heffing wordt opgelegd tot een in die verordeningen vermeld ander doel dan dekking van de huishoudelijke uitgaven van het productschap, behoeven, in afwijking van het derde lid van dat artikel, de goedkeuring van Onze betrokken Ministers; zij worden terstond na vaststelling ter kennisneming aan de Sociaal-Economische Raad toegezonden.

2 Tot instelling van een fonds in het belang der bedrijfsgenoten wordt besloten bij verordening. Zodanige verordening behoeft de goedkeuring van Onze betrokken Ministers.

3 Onze betrokken Ministers kunnen bepalen, dat besluiten tot uitbetalingen ten laste van een fonds in het belang der bedrijfsgenoten hun goedkeuring behoeven.

Artikel 11

Voor de toepassing van deze wet en van de artikelen 94, 100, derde lid, en 104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie ten aanzien van het productschap worden als Onze betrokken Ministers aangemerkt Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 12

Deze wet kan worden aangehaald als: Instellingswet Productschap voor Siergewassen.

Artikel 13

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk 30 September 1954 JULIANA.

De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, A. C. DE BRUIJN.

De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, MANSHOLT.

De Minister van Economische Zaken, J. ZIJLSTRA. de vijftiende October 1954.

De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.