Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Waterschapsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden)

Waar gaat deze regeling over?

Deze verordening regelt het beheer van waterstaatswerken, grondwaterlichamen en zuiveringtechnische werken binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, met als doel het voorkomen van schade, het beschermen van de waterkwaliteit en het waarborgen van maatschappelijke functies.

Voor wie: Iedereen die activiteiten verricht binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Het dagelijks bestuur van het waterschap, dat verantwoordelijk is voor de uitvoering en handhaving van deze verordening.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Belastingrecht
Artikelen
882
Bron
cvdr.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • Het beheer en onderhoud van waterstaatswerken, zoals waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen.
  • Activiteiten die van invloed kunnen zijn op grondwaterlichamen, inclusief het voorkomen van uitputting en het beschermen van de kwaliteit.
  • De werking en het beheer van zuiveringtechnische werken voor afvalwater en afvalstoffen.
  • De informatie-, meld- en vergunningplicht voor diverse activiteiten binnen het watersysteem.

Voor wie geldt deze regeling?

  • Iedereen die activiteiten verricht binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.
  • Het dagelijks bestuur van het waterschap, dat verantwoordelijk is voor de uitvoering en handhaving van deze verordening.

Wat zijn de kernpunten?

  • De verordening geldt voor het beheergebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.
  • Activiteiten die nodig zijn voor beheer, bediening en onderhoud van het watersysteem door of in opdracht van het waterschap zijn vrijgesteld van informatie-, meld- en vergunningplicht.
  • Iedereen moet maatregelen nemen om nadelige gevolgen voor het watersysteem te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.
  • Ongewone voorvallen moeten onverwijld aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden gemeld, met uitzondering van lozingsactiviteiten van milieubelastende activiteiten of wonen.

Belastingrecht

8

Belastingrecht

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (882)
  1. Artikel 1.1
  2. Artikel 1.2
  3. Artikel 1.3
  4. Artikel 1.4
  5. Artikel 1.5
  6. Artikel 1.6
  7. Artikel 1.7
  8. Artikel 1.8
  9. Artikel 1.9
  10. Artikel 1.10
  11. Artikel 1.11
  12. Artikel 1.12
  13. Artikel 1.13
  14. Artikel 1.14
  15. Artikel 1.15
  16. Artikel 1.16
  17. Artikel 1.17
  18. Artikel 1.18
  19. Artikel 1.19
  20. Artikel 2.1
  21. Artikel 2.2
  22. Artikel 2.3
  23. Artikel 2.4
  24. Artikel 2.5
  25. Artikel 2.6
  26. Artikel 2.7
  27. Artikel 2.8
  28. Artikel 2.9
  29. Artikel 2.10
  30. Artikel 2.11
  31. Artikel 2.12
  32. Artikel 2.13
  33. Artikel 2.14
  34. Artikel 2.15
  35. Artikel 2.16
  36. Artikel 2.17
  37. Artikel 2.18
  38. Artikel 2.19
  39. Artikel 2.20
  40. Artikel 2.21
  41. Artikel 2.22
  42. Artikel 2.23
  43. Artikel 2.24
  44. Artikel 2.25
  45. Artikel 2.26
  46. Artikel 2.27
  47. Artikel 2.28
  48. Artikel 2.29
  49. Artikel 2.30
  50. Artikel 2.31
  51. Artikel 2.32
  52. Artikel 2.33
  53. Artikel 2.34
  54. Artikel 2.35
  55. Artikel 2.36
  56. Artikel 2.37
  57. Artikel 2.38
  58. Artikel 2.39
  59. Artikel 2.40
  60. Artikel 2.41
  61. Artikel 2.42
  62. Artikel 2.43
  63. Artikel 2.44
  64. Artikel 2.45
  65. Artikel 2.46
  66. Artikel 2.47
  67. Artikel 2.48
  68. Artikel 2.49
  69. Artikel 2.50
  70. Artikel 2.51
  71. Artikel 2.52
  72. Artikel 2.53
  73. Artikel 2.54
  74. Artikel 2.55
  75. Artikel 2.56
  76. Artikel 2.57
  77. Artikel 2.58
  78. Artikel 2.59
  79. Artikel 2.60
  80. Artikel 2.61
  81. Artikel 2.62
  82. Artikel 2.63
  83. Artikel 2.64
  84. Artikel 2.65
  85. Artikel 2.66
  86. Artikel 2.67
  87. Artikel 2.68
  88. Artikel 2.69
  89. Artikel 2.70
  90. Artikel 2.71
  91. Artikel 2.72
  92. Artikel 2.73
  93. Artikel 2.74
  94. Artikel 3.1
  95. Artikel 3.2
  96. Artikel 3.3
  97. Artikel 3.4
  98. Artikel 3.5
  99. Artikel 3.6
  100. Artikel 3.7
  101. Artikel 3.8
  102. Artikel 3.9
  103. Artikel 3.10
  104. Artikel 3.11
  105. Artikel 3.12
  106. Artikel 3.13
  107. Artikel 3.14
  108. Artikel 3.15
  109. Artikel 3.16
  110. Artikel 3.17
  111. Artikel 3.18
  112. Artikel 3.19
  113. Artikel 3.20
  114. Artikel 3.21
  115. Artikel 3.22
  116. Artikel 3.23
  117. Artikel 3.24
  118. Artikel 3.25
  119. Artikel 3.26
  120. Artikel 3.27
  121. Artikel 3.28
  122. Artikel 3.29
  123. Artikel 3.30
  124. Artikel 3.31
  125. Artikel 3.32
  126. Artikel 3.33
  127. Artikel 3.34
  128. Artikel 3.35
  129. Artikel 3.36
  130. Artikel 3.37
  131. Artikel 3.38
  132. Artikel 3.39
  133. Artikel 3.40
  134. Artikel 3.41
  135. Artikel 3.42
  136. Artikel 3.43
  137. Artikel 3.44
  138. Artikel 3.45
  139. Artikel 3.46
  140. Artikel 3.47
  141. Artikel 3.48
  142. Artikel 3.49
  143. Artikel 3.50
  144. Artikel 3.51
  145. Artikel 3.52
  146. Artikel 3.53
  147. Artikel 3.54
  148. Artikel 3.55
  149. Artikel 3.56
  150. Artikel 3.57
  151. Artikel 3.58
  152. Artikel 3.59
  153. Artikel 3.60
  154. Artikel 3.61
  155. Artikel 3.62
  156. Artikel 3.63
  157. Artikel 3.64
  158. Artikel 3.65
  159. Artikel 3.66
  160. Artikel 3.67
  161. Artikel 3.68
  162. Artikel 3.69
  163. Artikel 3.70
  164. Artikel 3.71
  165. Artikel 3.72
  166. Artikel 3.73
  167. Artikel 3.74
  168. Artikel 3.75
  169. Artikel 3.76
  170. Artikel 3.77
  171. Artikel 3.78
  172. Artikel 3.79
  173. Artikel 3.80
  174. Artikel 3.81
  175. Artikel 3.82
  176. Artikel 3.83
  177. Artikel 3.84
  178. Artikel 3.85
  179. Artikel 3.86
  180. Artikel 3.87
  181. Artikel 3.88
  182. Artikel 3.89
  183. Artikel 3.90
  184. Artikel 3.91
  185. Artikel 3.92
  186. Artikel 3.93
  187. Artikel 3.94
  188. Artikel 3.95
  189. Artikel 3.96
  190. Artikel 3.97
  191. Artikel 3.98
  192. Artikel 3.99
  193. Artikel 3.100
  194. Artikel 3.101
  195. Artikel 3.102
  196. Artikel 3.103
  197. Artikel 3.104
  198. Artikel 3.105
  199. Artikel 3.106
  200. Artikel 3.107
  201. Artikel 3.108
  202. Artikel 3.109
  203. Artikel 3.110
  204. Artikel 3.111
  205. Artikel 3.112
  206. Artikel 3.113
  207. Artikel 3.114
  208. Artikel 3.115
  209. Artikel 3.116
  210. Artikel 3.117
  211. Artikel 3.118
  212. Artikel 3.119
  213. Artikel 3.120
  214. Artikel 3.121
  215. Artikel 3.122
  216. Artikel 3.123
  217. Artikel 3.124
  218. Artikel 3.125
  219. Artikel 3.126
  220. Artikel 3.127
  221. Artikel 3.128
  222. Artikel 3.129
  223. Artikel 3.130
  224. Artikel 3.131
  225. Artikel 3.132
  226. Artikel 3.133
  227. Artikel 3.134
  228. Artikel 3.135
  229. Artikel 3.136
  230. Artikel 3.137
  231. Artikel 3.138
  232. Artikel 3.139
  233. Artikel 3.140
  234. Artikel 3.141
  235. Artikel 3.142
  236. Artikel 3.143
  237. Artikel 3.144
  238. Artikel 3.145
  239. Artikel 4.1
  240. Artikel 4.2
  241. Artikel 4.3
  242. Artikel 4.4
  243. Artikel 4.5
  244. Artikel 4.6
  245. Artikel 4.7
  246. Artikel 4.8
  247. Artikel 4.9
  248. Artikel 4.10
  249. Artikel 4.11
  250. Artikel 4.12
  251. Artikel 4.13
  252. Artikel 4.14
  253. Artikel 4.15
  254. Artikel 4.16
  255. Artikel 4.17
  256. Artikel 4.18
  257. Artikel 4.19
  258. Artikel 4.20
  259. Artikel 4.21
  260. Artikel 4.22
  261. Artikel 4.23
  262. Artikel 4.24
  263. Artikel 4.25
  264. Artikel 4.26
  265. Artikel 4.27
  266. Artikel 4.28
  267. Artikel 4.29
  268. Artikel 4.30
  269. Artikel 4.31
  270. Artikel 4.32
  271. Artikel 4.33
  272. Artikel 4.34
  273. Artikel 4.35
  274. Artikel 4.36
  275. Artikel 4.37
  276. Artikel 4.38
  277. Artikel 4.39
  278. Artikel 4.40
  279. Artikel 4.41
  280. Artikel 4.42
  281. Artikel 4.43
  282. Artikel 4.44
  283. Artikel 4.45
  284. Artikel 4.46
  285. Artikel 4.47
  286. Artikel 4.48
  287. Artikel 4.49
  288. Artikel 4.50
  289. Artikel 4.51
  290. Artikel 4.52
  291. Artikel 4.53
  292. Artikel 4.54
  293. Artikel 4.55
  294. Artikel 4.56
  295. Artikel 4.57
  296. Artikel 4.58
  297. Artikel 4.59
  298. Artikel 4.60
  299. Artikel 4.61
  300. Artikel 4.62
  301. Artikel 4.63
  302. Artikel 4.64
  303. Artikel 4.65
  304. Artikel 4.66
  305. Artikel 4.67
  306. Artikel 4.68
  307. Artikel 4.69
  308. Artikel 4.70
  309. Artikel 4.71
  310. Artikel 4.72
  311. Artikel 4.73
  312. Artikel 4.74
  313. Artikel 4.75
  314. Artikel 4.76
  315. Artikel 4.77
  316. Artikel 4.78
  317. Artikel 4.79
  318. Artikel 4.80
  319. Artikel 4.81
  320. Artikel 4.82
  321. Artikel 4.83
  322. Artikel 4.84
  323. Artikel 4.85
  324. Artikel 4.86
  325. Artikel 4.87
  326. Artikel 4.88
  327. Artikel 4.89
  328. Artikel 4.90
  329. Artikel 4.91
  330. Artikel 4.92
  331. Artikel 4.93
  332. Artikel 4.94
  333. Artikel 4.95
  334. Artikel 4.96
  335. Artikel 4.97
  336. Artikel 4.98
  337. Artikel 4.99
  338. Artikel 4.100
  339. Artikel 4.101
  340. Artikel 4.102
  341. Artikel 4.103
  342. Artikel 4.104
  343. Artikel 4.105
  344. Artikel 4.106
  345. Artikel 4.107
  346. Artikel 4.108
  347. Artikel 4.109
  348. Artikel 4.110
  349. Artikel 4.111
  350. Artikel 4.112
  351. Artikel 4.113
  352. Artikel 4.114
  353. Artikel 4.115
  354. Artikel 4.116
  355. Artikel 4.117
  356. Artikel 4.118
  357. Artikel 4.119
  358. Artikel 4.120
  359. Artikel 4.121
  360. Artikel 4.122
  361. Artikel 4.123
  362. Artikel 4.124
  363. Artikel 4.125
  364. Artikel 4.126
  365. Artikel 4.127
  366. Artikel 4.128
  367. Artikel 4.129
  368. Artikel 4.130
  369. Artikel 4.131
  370. Artikel 4.132
  371. Artikel 4.133
  372. Artikel 4.134
  373. Artikel 4.135
  374. Artikel 4.136
  375. Artikel 4.137
  376. Artikel 4.138
  377. Artikel 4.139
  378. Artikel 4.140
  379. Artikel 4.141
  380. Artikel 4.142
  381. Artikel 4.143
  382. Artikel 4.144
  383. Artikel 4.145
  384. Artikel 4.146
  385. Artikel 4.147
  386. Artikel 4.148
  387. Artikel 4.149
  388. Artikel 4.150
  389. Artikel 4.151
  390. Artikel 4.152
  391. Artikel 4.153
  392. Artikel 4.154
  393. Artikel 4.155
  394. Artikel 4.156
  395. Artikel 4.157
  396. Artikel 4.158
  397. Artikel 4.159
  398. Artikel 4.160
  399. Artikel 4.161
  400. Artikel 4.162
  401. Artikel 4.163
  402. Artikel 4.164
  403. Artikel 4.165
  404. Artikel 4.166
  405. Artikel 4.167
  406. Artikel 4.168
  407. Artikel 4.169
  408. Artikel 4.169a
  409. Artikel 4.170
  410. Artikel 4.171
  411. Artikel 4.172
  412. Artikel 4.173
  413. Artikel 4.174
  414. Artikel 4.175
  415. Artikel 4.176
  416. Artikel 4.177
  417. Artikel 4.178
  418. Artikel 4.179
  419. Artikel 4.180
  420. Artikel 4.181
  421. Artikel 4.182
  422. Artikel 4.183
  423. Artikel 4.184
  424. Artikel 4.185
  425. Artikel 4.186
  426. Artikel 4.187
  427. Artikel 4.188
  428. Artikel 4.189
  429. Artikel 4.190
  430. Artikel 4.191
  431. Artikel 4.192
  432. Artikel 4.193
  433. Artikel 4.194
  434. Artikel 4.195
  435. Artikel 4.196
  436. Artikel 4.197
  437. Artikel 4.198
  438. Artikel 4.199
  439. Artikel 4.200
  440. Artikel 4.201
  441. Artikel 4.201a
  442. Artikel 4.202
  443. Artikel 4.203
  444. Artikel 4.204
  445. Artikel 4.205
  446. Artikel 4.206
  447. Artikel 4.207
  448. Artikel 4.208
  449. Artikel 4.209
  450. Artikel 4.210
  451. Artikel 4.211
  452. Artikel 4.212
  453. Artikel 4.213
  454. Artikel 4.214
  455. Artikel 4.215
  456. Artikel 4.216
  457. Artikel 4.217
  458. Artikel 4.218
  459. Artikel 4.219
  460. Artikel 4.220
  461. Artikel 4.221
  462. Artikel 4.222
  463. Artikel 4.223
  464. Artikel 4.224
  465. Artikel 4.225
  466. Artikel 4.226
  467. Artikel 4.227
  468. Artikel 4.228
  469. Artikel 4.229
  470. Artikel 4.230
  471. Artikel 4.231
  472. Artikel 4.232
  473. Artikel 4.233
  474. Artikel 4.234
  475. Artikel 4.235
  476. Artikel 4.236
  477. Artikel 4.237
  478. Artikel 4.238
  479. Artikel 4.239
  480. Artikel 4.240
  481. Artikel 4.241
  482. Artikel 4.242
  483. Artikel 4.243
  484. Artikel 4.244
  485. Artikel 4.245
  486. Artikel 4.246
  487. Artikel 4.247
  488. Artikel 4.248
  489. Artikel 4.249
  490. Artikel 4.250
  491. Artikel 4.251
  492. Artikel 4.252
  493. Artikel 4.253
  494. Artikel 4.254
  495. Artikel 4.255
  496. Artikel 4.256
  497. Artikel 4.257
  498. Artikel 4.258
  499. Artikel 4.259
  500. Artikel 4.260
  501. Artikel 4.261
  502. Artikel 4.262
  503. Artikel 4.263
  504. Artikel 4.264
  505. Artikel 4.265
  506. Artikel 4.266
  507. Artikel 4.267
  508. Artikel 4.268
  509. Artikel 4.269
  510. Artikel 4.270
  511. Artikel 4.271
  512. Artikel 4.272
  513. Artikel 4.273
  514. Artikel 4.274
  515. Artikel 4.275
  516. Artikel 4.276
  517. Artikel 4.277
  518. Artikel 4.278
  519. Artikel 4.279
  520. Artikel 4.280
  521. Artikel 4.281
  522. Artikel 4.282
  523. Artikel 4.283
  524. Artikel 4.284
  525. Artikel 4.285
  526. Artikel 4.286
  527. Artikel 4.287
  528. Artikel 4.288
  529. Artikel 4.289
  530. Artikel 4.290
  531. Artikel 4.291
  532. Artikel 4.292
  533. Artikel 4.293
  534. Artikel 4.294
  535. Artikel 4.295
  536. Artikel 4.296
  537. Artikel 4.297
  538. Artikel 4.298
  539. Artikel 4.299
  540. Artikel 4.300
  541. Artikel 4.301
  542. Artikel 4.302
  543. Artikel 4.303
  544. Artikel 4.304
  545. Artikel 4.305
  546. Artikel 4.306
  547. Artikel 4.307
  548. Artikel 4.308
  549. Artikel 4.309
  550. Artikel 4.310
  551. Artikel 4.311
  552. Artikel 4.312
  553. Artikel 4.313
  554. Artikel 4.314
  555. Artikel 4.315
  556. Artikel 4.316
  557. Artikel 4.317
  558. Artikel 4.318
  559. Artikel 4.319
  560. Artikel 4.320
  561. Artikel 4.321
  562. Artikel 4.322
  563. Artikel 4.323
  564. Artikel 4.324
  565. Artikel 4.325
  566. Artikel 4.326
  567. Artikel 4.327
  568. Artikel 4.328
  569. Artikel 4.329
  570. Artikel 4.330
  571. Artikel 4.331
  572. Artikel 4.332
  573. Artikel 4.333
  574. Artikel 4.334
  575. Artikel 4.335
  576. Artikel 4.336
  577. Artikel 4.337
  578. Artikel 4.338
  579. Artikel 4.339
  580. Artikel 4.340
  581. Artikel 4.341
  582. Artikel 4.342
  583. Artikel 4.343
  584. Artikel 4.344
  585. Artikel 4.345
  586. Artikel 4.346
  587. Artikel 4.347
  588. Artikel 4.348
  589. Artikel 4.349
  590. Artikel 4.350
  591. Artikel 4.351
  592. Artikel 4.352
  593. Artikel 4.353
  594. Artikel 4.354
  595. Artikel 4.355
  596. Artikel 4.356
  597. Artikel 4.357
  598. Artikel 4.358
  599. Artikel 4.359
  600. Artikel 4.360
  601. Artikel 4.361
  602. Artikel 4.362
  603. Artikel 4.363
  604. Artikel 4.364
  605. Artikel 4.365
  606. Artikel 4.366
  607. Artikel 4.367
  608. Artikel 4.368
  609. Artikel 4.369
  610. Artikel 4.370
  611. Artikel 4.371
  612. Artikel 4.372
  613. Artikel 4.373
  614. Artikel 4.374
  615. Artikel 4.375
  616. Artikel 4.376
  617. Artikel 4.377
  618. Artikel 4.378
  619. Artikel 4.379
  620. Artikel 4.380
  621. Artikel 4.381
  622. Artikel 4.382
  623. Artikel 4.383
  624. Artikel 4.384
  625. Artikel 4.385
  626. Artikel 4.386
  627. Artikel 4.387
  628. Artikel 4.388
  629. Artikel 4.389
  630. Artikel 4.390
  631. Artikel 4.391
  632. Artikel 4.392
  633. Artikel 4.393
  634. Artikel 4.394
  635. Artikel 4.395
  636. Artikel 4.396
  637. Artikel 4.397
  638. Artikel 4.398
  639. Artikel 4.399
  640. Artikel 4.400
  641. Artikel 4.401
  642. Artikel 4.402
  643. Artikel 4.403
  644. Artikel 4.404
  645. Artikel 4.405
  646. Artikel 4.406
  647. Artikel 4.407
  648. Artikel 4.408
  649. Artikel 4.409
  650. Artikel 4.410
  651. Artikel 4.411
  652. Artikel 4.412
  653. Artikel 4.413
  654. Artikel 4.414
  655. Artikel 4.415
  656. Artikel 4.416
  657. Artikel 4.417
  658. Artikel 4.418
  659. Artikel 4.419
  660. Artikel 4.420
  661. Artikel 4.421
  662. Artikel 4.422
  663. Artikel 4.423
  664. Artikel 4.424
  665. Artikel 4.425
  666. Artikel 4.426
  667. Artikel 4.427
  668. Artikel 4.428
  669. Artikel 4.429
  670. Artikel 4.430
  671. Artikel 4.431
  672. Artikel 4.432
  673. Artikel 4.433
  674. Artikel 4.434
  675. Artikel 4.435
  676. Artikel 4.436
  677. Artikel 4.437
  678. Artikel 4.438
  679. Artikel 4.439
  680. Artikel 4.440
  681. Artikel 4.441
  682. Artikel 4.442
  683. Artikel 4.443
  684. Artikel 4.444
  685. Artikel 4.445
  686. Artikel 4.446
  687. Artikel 4.447
  688. Artikel 4.448
  689. Artikel 4.449
  690. Artikel 4.450
  691. Artikel 4.451
  692. Artikel 4.452
  693. Artikel 4.453
  694. Artikel 4.454
  695. Artikel 4.455
  696. Artikel 4.456
  697. Artikel 4.457
  698. Artikel 4.458
  699. Artikel 4.459
  700. Artikel 4.460
  701. Artikel 4.461
  702. Artikel 4.462
  703. Artikel 4.463
  704. Artikel 4.464
  705. Artikel 4.465
  706. Artikel 4.466
  707. Artikel 4.467
  708. Artikel 4.468
  709. Artikel 4.469
  710. Artikel 4.470
  711. Artikel 4.471
  712. Artikel 4.472
  713. Artikel 4.473
  714. Artikel 4.474
  715. Artikel 4.475
  716. Artikel 4.476
  717. Artikel 4.477
  718. Artikel 4.478
  719. Artikel 4.479
  720. Artikel 4.480
  721. Artikel 4.481
  722. Artikel 4.482
  723. Artikel 4.483
  724. Artikel 4.484
  725. Artikel 4.485
  726. Artikel 4.486
  727. Artikel 4.487
  728. Artikel 4.488
  729. Artikel 4.489
  730. Artikel 4.490
  731. Artikel 4.491
  732. Artikel 4.492
  733. Artikel 4.493
  734. Artikel 4.494
  735. Artikel 4.495
  736. Artikel 4.496
  737. Artikel 4.497
  738. Artikel 4.498
  739. Artikel 4.499
  740. Artikel 4.500
  741. Artikel 4.501
  742. Artikel 4.502
  743. Artikel 4.503
  744. Artikel 4.504
  745. Artikel 4.505
  746. Artikel 4.506
  747. Artikel 4.507
  748. Artikel 4.508
  749. Artikel 4.509
  750. Artikel 4.510
  751. Artikel 4.511
  752. Artikel 4.512
  753. Artikel 4.513
  754. Artikel 4.514
  755. Artikel 4.515
  756. Artikel 4.516
  757. Artikel 4.517
  758. Artikel 4.518
  759. Artikel 4.519
  760. Artikel 4.520
  761. Artikel 4.521
  762. Artikel 4.522
  763. Artikel 4.523
  764. Artikel 4.524
  765. Artikel 4.525
  766. Artikel 4.526
  767. Artikel 4.527
  768. Artikel 4.528
  769. Artikel 4.529
  770. Artikel 4.530
  771. Artikel 4.531
  772. Artikel 4.532
  773. Artikel 4.533
  774. Artikel 4.534
  775. Artikel 4.535
  776. Artikel 4.536
  777. Artikel 4.537
  778. Artikel 4.538
  779. Artikel 4.539
  780. Artikel 4.540
  781. Artikel 4.541
  782. Artikel 4.542
  783. Artikel 4.543
  784. Artikel 4.544
  785. Artikel 4.545
  786. Artikel 4.546
  787. Artikel 4.547
  788. Artikel 4.548
  789. Artikel 4.549
  790. Artikel 4.550
  791. Artikel 4.551
  792. Artikel 4.552
  793. Artikel 4.553
  794. Artikel 4.554
  795. Artikel 4.555
  796. Artikel 4.556
  797. Artikel 4.557
  798. Artikel 4.558
  799. Artikel 4.559
  800. Artikel 4.560
  801. Artikel 4.561
  802. Artikel 4.562
  803. Artikel 4.563
  804. Artikel 4.564
  805. Artikel 4.565
  806. Artikel 4.566
  807. Artikel 4.567
  808. Artikel 4.568
  809. Artikel 4.569
  810. Artikel 4.570
  811. Artikel 4.571
  812. Artikel 4.572
  813. Artikel 4.573
  814. Artikel 4.574
  815. Artikel 4.575
  816. Artikel 4.576
  817. Artikel 4.577
  818. Artikel 4.578
  819. Artikel 4.579
  820. Artikel 4.580
  821. Artikel 4.581
  822. Artikel 4.582
  823. Artikel 4.583
  824. Artikel 4.584
  825. Artikel 4.585
  826. Artikel 4.586
  827. Artikel 4.587
  828. Artikel 4.588
  829. Artikel 4.589
  830. Artikel 4.590
  831. Artikel 4.591
  832. Artikel 4.592
  833. Artikel 4.593
  834. Artikel 4.594
  835. Artikel 4.595
  836. Artikel 4.596
  837. Artikel 4.597
  838. Artikel 4.598
  839. Artikel 4.599
  840. Artikel 4.600
  841. Artikel 4.601
  842. Artikel 4.602
  843. Artikel 4.603
  844. Artikel 4.604
  845. Artikel 4.605
  846. Artikel 4.606
  847. Artikel 4.607
  848. Artikel 4.608
  849. Artikel 4.609
  850. Artikel 4.610
  851. Artikel 4.611
  852. Artikel 4.612
  853. Artikel 4.613
  854. Artikel 4.614
  855. Artikel 4.615
  856. Artikel 4.616
  857. Artikel 4.617
  858. Artikel 4.618
  859. Artikel 4.619
  860. Artikel 4.620
  861. Artikel 4.621
  862. Artikel 4.622
  863. Artikel 4.623
  864. Artikel 4.624
  865. Artikel 4.625
  866. Artikel 4.626
  867. Artikel 4.627
  868. Artikel 4.628
  869. Artikel 4.629
  870. Artikel 4.630
  871. Artikel 4.631
  872. Artikel 4.632
  873. Artikel 4.633
  874. Artikel 4.634
  875. Artikel 4.635
  876. Artikel 4.636
  877. Artikel 4.637
  878. Artikel 4.638
  879. Artikel 5.1
  880. Artikel 5.2
  881. Artikel 5.3
  882. Artikel 5.4

/akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR707248 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0636/2023/HDSRWSV /join/id/stop/work_019 2024-12-20 2024-12-20 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR707248/nld@2025-01-01 /join/id/proces/ws0636/2023/Vaststellingsbesluit /join/id/proces/ws0636/2023/Vaststellingsbesluitv1 /join/id/proces/ws0636/2024/Vaststellingsbesluitv2 2025-01-01 2025-01-31 2025-01-01 2025-01-31 2025-01-01 2025-01-31 /akn/nl/act/ws0636/2023/HDSRWSV/nld@2024-12-03;V2 /akn/nl/act/ws0636/2023/HDSRWSV /akn/nl/act/ws0636/2023/HDSRWSV/nld@2024-12-03;V2 /join/id/stop/work_019 2 Waterschapsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2024

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Afdeling 1.1

Begripsbepalingen

Artikel 1.1Begripsbepalingen

1.

Bijlage I van deze waterschapsverordening bevat de begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening.

2.

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, de Omgevingsregeling en de Algemene wet bestuursrecht zijn ook van toepassing op deze verordening.

Afdeling 1.2

Toepassingsgebied en doelen

Artikel 1.2Toepassingsbereik

1.

Deze verordening geldt voor het beheergebied van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

2.

De informatieplicht, meldplicht en vergunningplicht voor activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 4 zijn niet van toepassing op: a. projecten waarvoor door het dagelijks bestuur van het waterschap een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet, wordt vastgesteld; of b. activiteiten die nodig zijn voor het beheer, de bediening en het onderhoud van het watersysteem of onderdeel daarvan die de normatieve toestand van een waterstaatswerk niet veranderen en worden uitgevoerd door of in opdracht van het waterschap.

Artikel 1.3Doelen waterstaatswerken

De regels over waterstaatswerken in deze verordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op het: a. voorkomen van schade aan waterstaatswerken; b. beschermen van de mogelijkheden voor toekomstige ontwikkelingen van waterstaatswerken; c. beschermen van de mogelijkheid voor het uitvoeren van inspectie van de staat en werking van waterstaatswerken; d. beschermen van de mogelijkheid voor het uitvoeren van onderhoud aan waterstaatswerken; e. beschermen van de mogelijkheid voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan en het in stand houden van waterstaatswerken tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten; f. beschermen van een onbelemmerde aan- en afvoer van water naar of vanuit oppervlaktewaterlichamen; g. beschermen van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam of het bergingsgebied; h. beschermen van het oppervlaktewaterpeil; i. beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen; j. beschermen van de vervulling van maatschappelijke functies van oppervlaktewaterlichamen; k. doelmatig beheren van afvalwater en afvalstoffen; en l. beschermen van de goede staat en werking van de waterkering, onder normale omstandigheden en onder piekbelasting.

Artikel 1.4Doelen grondwaterlichamen

De regels over grondwater in deze verordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op het: a. voorkomen, beperken of ongedaan maken van uitputting van de grondwatervoorraad; b. voorkomen van negatieve effecten op het reguliere grondwaterpeil en de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen; c. voorkomen van negatieve effecten op de ondergrondse scheiding tussen grondwatervoerende pakketten; d. beschermen en verbeteren van de grondwaterkwaliteit; e. voorkomen van nadelige invloed op de grondwaterstand die voor het grondgebruik gewenst is; en f. beschermen van de vervulling van maatschappelijke functies van grondwaterlichamen.

Artikel 1.5Doelen zuiveringtechnische werken

De regels over zuiveringtechnische werken in deze verordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op het: a. beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk; en b. doelmatig beheren van afvalwater en afvalstoffen.

Afdeling 1.3

Aanwijzing en begrenzing van geometrische begrenzingen

Artikel 1.6Aanwijzing en begrenzing van geometrische begrenzingen

Bijlage II van deze waterschapsverordening bevat de geometrische begrenzingen voor de toepassing van deze verordening.

Artikel 1.7Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn

1.

Voor waterstaatswerken die op grond van een projectbesluit of een omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de geometrische begrenzing, wordt voor het beperkingengebied met betrekking tot het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.

2.

Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de volgende grenzen: a. de begrenzing van een oppervlaktewaterlichaam wordt gevormd door de insteek b. de begrenzing van beschermingszone A van een watergang, die ten minste aan een zijde in verbinding staat met een primaire watergang, al dan niet gescheiden door een kunstwerk, is 5 m gemeten vanuit de insteek; c. de begrenzing van beschermingszone B van een beschoeiing waarvan het waterschap als onderhoudsplichtige is aangewezen voor het buitengewoon onderhoud, is 1,25 m gemeten vanuit de beschoeiing; d. de begrenzing van beschermingszone K van een kunstwerk is:

1°.

5 m rondom een kunstwerk, als dat kunstwerk aan beide zijden in verbinding staat met een primaire of secundaire watergang, tenzij het gaat om een duiker of sifon;

2°.

5 m rondom een duiker of sifon, als dat kunstwerk aan beide zijden in verbinding staat met een primaire of secundaire watergang en waarvoor het waterschap onderhoudsplichtig is voor het buitengewoon onderhoud; of 3°.

2 m rondom een gemaal, inlaat, overlaat of stuw, als dat kunstwerk aan tenminste één zijde in verbinding staat met een tertiaire watergang; e. de begrenzing van de zone waterstaatswerk van een waterkerend dijklichaam wordt gevormd door de binnen- en buitenteen; f. de begrenzing van de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering of zomerkade, waarvan de binnen-of buitenteen niet zichtbaar in het veld ligt, en het maaiveld onder de leggerhoogte uit de profielenlegger ligt, wordt gevormd door de nieuwe theoretische binnen- en buitenteen van het leggerprofiel; g. de begrenzing van de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering of zomerkade, waarvan de binnen- of buitenteen niet zichtbaar in het veld ligt en het maaiveld boven de leggerhoogte uit de profielenlegger ligt, heeft een breedte van 12 m; en h. de begrenzing van de breedte van een binnen- of buitendijkse beschermingszones van waterkeringen zijn:

1°.

100 m bij een primaire waterkering, gerekend vanaf de referentielijn; of 2°.

60 m bij een regionale waterkering of zomerkade, gerekend vanaf de referentielijn.

Afdeling 1.4

Normadressaat

Artikel 1.8Normadressaat

Aan de regels in deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Afdeling 1.5

Specifieke zorgplicht en maatwerkvoorschriften

Artikel 1.9Specifieke zorgplicht watersysteem

1.

Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het watersysteem, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in het voorkomen van: a. waterschaarste, wateroverlast, overstromingen en inundaties; b. aantasting van de bestaande staat van een waterkering; c. belemmering van de doorstroming in een oppervlaktewaterlichaam; d. belemmering van de inspectie of onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem, daaronder ook begrepen handelingen die de ontvangstplicht van specie en maaisel, krachtens artikel 10.3, eerste lid, van de Omgevingswet, belemmeren; e. verslechtering van de chemische en ecologische waterkwaliteit; f. negatieve effecten van wegzijging of kwel op de waterkwaliteit en waterkwantiteit; g. verzakkingen van de bodem, verzilting en uitwisseling van grondwater tussen van elkaar gescheiden watervoerende pakketten als gevolg van grondwateronttrekkingen of grondboringen; en h. belemmering van de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem.

Artikel 1.10Maatwerkvoorschriften

1.

Een maatwerkvoorschrift kan in een specifieke situatie worden gesteld over de artikelen 1.9, 1.14, 1.15, en de algemene regels in hoofdstuk 2, 3 en 4 met het oog op de doelen uit artikel 1.3, 1.4 en 1.5 en de beoordelingsregels uit deze waterschapsverordening.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 1.14 en 1.15 en de algemene regels in hoofdstuk 2, 3 en 4.

Afdeling 1.6

Gegevens en bescheiden algemeen

Artikel 1.11Algemene gegevens en bescheiden bij een informatieplicht of meldplicht

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden die ondertekend en voorzien van: a. de beschrijving van de activiteit; b. de naam, het adres, het telefoonnummer en als de gegevens en bescheiden elektronisch worden verstrekt het e-mailadres van degene die de activiteit verricht; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. als de gegevens en bescheiden worden verstrekt door een gemachtigde: de naam, het adres, het telefoonnummer en als de gegevens en bescheiden elektronisch worden verstrekt het e-mailadres van de gemachtigde.

Artikel 1.12Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

1.

Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.11, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Artikel 1.13Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap

1.

Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.

2.

Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 1.14Informeren over een ongewoon voorval

1.

Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

2.

Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen.

Artikel 1.15Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

1.

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze indien van toepassing verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen.

Afdeling 1.7

Algemene bepalingen omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten

Artikel 1.16Algemene beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten

1.

Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

2.

Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma's, regionale waterprogramma's, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; b. de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing: a. voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, van dat besluit; of b. als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:

1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en 2°. toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

4.

Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

5.

In afwijking van het vierde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op:

1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;

2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of 3°. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling. b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.

6.

Het verlenen van een omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe mag leiden dat: a. de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends als bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en b. de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang en het streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

Artikel 1.17Voorschriften omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.

Afdeling 1.8

Bijzondere omstandigheden

Artikel 1.18Aanwijzing bijzondere omstandigheden

Bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet, zijn: a. waterschaarste en dreigende waterschaarste; b. overvloed aan water en dreigende overvloed aan water; c. het in ongerede raken van een waterstaatswerk of de dreiging daarvan; en d. aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit.

Artikel 1.19Algeheel verbod bij bijzondere omstandigheden

1.

Het bestuur kan bij besluit, als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet, bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en zo nodig, in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden: a. water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam; b. water te onttrekken aan of te lozen op een oppervlaktewaterlichaam; c. grondwater te onttrekken of water terug te brengen in de bodem; d. activiteiten in een beperkingengebied uit te voeren; en e. in een oppervlaktewaterlichaam te varen.

2.

Het besluit kan in ieder geval inhouden dat de activiteiten worden beperkt of worden stopgezet.

3.

Het besluit kan onverwijld worden ingetrokken als het bestuur instandhouding daarvan niet langer noodzakelijk vindt.

Hoofdstuk 2

Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk

Afdeling 2.1

Algemeen

Artikel 2.1Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap.

Artikel 2.2Specifieke zorgplicht

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap. Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk en houdt de zorgplicht in ieder geval in dat: a. na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten; b. het uitvoeren van de activiteit geen visuele verontreiniging mag veroorzaken; c. het uitvoeren van de activiteit geen structurele of significante peilwijziging mag veroorzaken; d. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; e. de beste beschikbare technieken worden toegepast; f. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; g. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; h. lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd; i. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en j. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.

Artikel 2.3Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden in aanvulling op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het maximale debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater; b. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; c. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; d. een lijst met stoffen die worden geloosd; e. een riooltekening; f. de locaties van de lozingspunten; g. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; i. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; j. de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; k. de bron of oorzaak van het afvalwater dat wordt geloosd; l. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; m. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; n. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd ; o. als een andere lozingsroute dan naar het oppervlaktewater niet mogelijk is: de redenen waarom dat het geval is; p. de eigenschappen van de opgeslagen stoffen; en q. als de drempelwaarden van bijlage 2 bij het rapport Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen worden overschreden: de resultaten van een milieurisicoanalyse.

Artikel 2.4Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.5Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.2

Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 2.6Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.7Aanwijzing algemene regels

1.

Grondwater bij ontwatering kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als: a. dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en b. het gaat om het lozen van grondwater bij wonen.

2.

Bij het lozen van grondwater bij sanering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.8 eerste en tweede lid, 2.9 en 2.10 eerste en tweede lid, als het gaat om het lozen van grondwater afkomstig van een: a. bodemsanering; b. grondwatersanering; of c. onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering.

3.

Bij het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.8 derde lid, en 2.9 als: a. dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; b. het niet gaat om het lozen van grondwater bij wonen; en c. het lozen niet langer dan 48 uur duurt.

4.

Bij het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.8 derde lid, 2.9 en 2.10 derde lid als: a. dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; b. het niet gaat om het lozen van grondwater bij wonen; en c. het lozen langer duurt dan 48 uur, maar niet langer dan 8 weken.

5.

Bij het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de de artikelen 2.8 derde lid, 2.9 en 2.10 eerste en tweede lid als: a. dat grondwater geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; b. het niet gaat om het lozen van grondwater bij wonen; en c. het lozen langer duurt dan 8 weken.

Artikel 2.8Algemene regel

1.

Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van grondwater bij sanering op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat grondwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in Tabel 2.1, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK's 1 µg/l BTEX 50 µg/l Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor 20 µg/l Aromatische organohalogeenverbindingen 20 µg/l Minerale olie 500 µg/l Cadmium 4 µg/l Kwik 1 µg/l Koper 11 µg/l Nikkel 41 µg/l Lood 53 µg/l Zink 120 µg/l Chroom 24 µg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l 2.

Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van grondwater bij sanering op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat grondwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.2 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l Naftaleen 0,2 μg/l PAK's 1 μg/l Minerale olie 50 µg/l Cadmium 0,4 µg/l Kwik 0,1 µg/l Koper 1,1 µg/l Nikkel 4,1 µg/l Lood 5,3 µg/l Zink 12 µg/l Chroom 2,4 µg/l Onopgeloste stoffen 20 mg/l Benzeen 2 µg/l Tolueen 7 µg/l Ethylbenzeen 4 µg/l Xyleen 4 µg/l Tetrachlooretheen 3 µg/l Trichlooretheen 20 µg/l 1,2-dichlooretheen 20 µg/l 1,1,1-trichloorethaan 20 µg/l Vinylchloride 8 µg/l Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20 µg/l Monochloorbenzeen 7 µg/l Dichloorbenzenen 3 µg/l Trichloorbenzenen 1 µg/l 3.

Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 2.9Meet- en rekenbepalingen

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Artikel 2.10Informatieplicht

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijkse bestuur van het waterschap.

3.

Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

Afdeling 2.3

Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 2.11Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvloeiend hemelwater dat: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.

Artikel 2.12Aanwijzing algemene regels

1.

Afvloeiend hemelwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het hemelwater niet afkomstig is van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen.

2.

Bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.13 en 2.14, als het gaat om het lozen van hemelwater dat afkomstig is van nieuw aan te leggen of te veranderen rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom.

3.

Bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.13, als het gaat om het lozen van hemelwater dat afkomstig is van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen.

Artikel 2.13Algemene regel

1.

Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: het afvloeiende hemelwater wordt alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

2.

Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvloeiend hemelwater op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam: het afvloeiende hemelwater wordt alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem, op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 2.14Informatieplicht

1.

Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij horende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

2.

Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Afdeling 2.4

Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 2.15Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.16Aanwijzing algemene regels

1.

Huishoudelijk afvalwater kan op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

2.

Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.17, 2.18, 2.19 en 2.20, als het niet gaat om het lozen van huishoudelijk afvalwater bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.17Algemene regel

1.

De volgende voorschriften gelden bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. het afvalwater wordt alleen geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten; en b. de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

1°.

40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;

2°.

100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

3°.

600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;

4°.

1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en 5°.

3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

2.

De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

3.

In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

Artikel 2.18Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

1.

Huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam wordt geleid via een zuiveringsvoorziening.

2.

Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.3.

Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Representatief etmaalmonster (in mg/l) Steekmonster (in mg/l) Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l 3.

Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.4.

Tabel 2.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Representatief etmaalmonster in mg/l Steekmonster in mg/l Biochemisch zuurstofverbruik 20 mg/l 40 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 100 mg/l 200 mg/l Totaal stikstof 30 mg/l 60 mg/l Ammoniumstikstof 2 mg/l 4 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l Fosfor totaal 3 mg/l 6 mg/l 4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 2.19Meet- en rekenbepalingen

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; d. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; e. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en f. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.20Informatieplicht

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Afdeling 2.5

Lozen van koelwater

Artikel 2.21Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 2.22Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.23 en 2.24.

Artikel 2.23Algemene regel

De volgende voorschriften gelden bij het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam: a. aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd; b. de warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam; en c. de warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.24Informatieplicht

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Afdeling 2.6

Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken

Artikel 2.25Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.26Aanwijzing algemene regels

1.

Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken kan op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het gaat om afvalwater afkomstig van: a. het afwassen met water; of b. het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.

2.

Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29 en 2.30, als a. het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid; en b. het gaat om reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

3.

Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29, 2.30 en 2.31, als: a. het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid; en b. het niet gaat om reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

4.

Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het conserveren van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.27, 2.29, 2.30 en 2.31, als het niet gaat om het lozen van afvalwater als bedoeld in het eerste lid.

5.

Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het bouwen, slopen of renoveren van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.28, 2.29, 2.30 en 2.31.

Artikel 2.27Werkinstructie bij reinigen en conserveren

1.

Bij het reinigen of conserveren van bouwwerken: a. is een werkinstructie opgesteld; en b. wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.

2.

In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen: a. welke technieken worden toegepast; b. welke stoffen kunnen vrijkomen; en c. welke stoffen worden gebruikt.

3.

Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen: a. op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd; b. wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is; c. of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft; d. op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en e. welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s.

Artikel 2.28Werkinstructie bij bouwen en slopen

Bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en b. welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.

Artikel 2.29Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam

Bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm3, gemeten in een eenmalige meting.

Artikel 2.30Meet- en rekenbepalingen

Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 2.31Informatieplicht

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.27; of b. voor het lozen afkomstig van het bouwen, slopen of renoveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.28.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Afdeling 2.7

Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen

Artikel 2.32Toepassingsbereik

1.

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan en overslaan van inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam.

2.

Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c.

A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas.

Artikel 2.33Aanwijzing algemene regels

1.

Afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het gaat om het overslaan van inerte goederen bij wonen.

2.

Afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

3.

Bij het lozen van afvalwater bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.34, als het niet gaat om het overslaan van inerte goederen bij wonen.

Artikel 2.34Algemene regel

De volgende voorschriften gelden bij het lozen van afvalwater bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht op een oppervlaktewaterlichaam: a. bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken; en b. aan dit voorkomen wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:

1°. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of 2°. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

Afdeling 2.8

Lozen bij opslaan en overslaan van andere dan inerte goederen

Artikel 2.35Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater bij het opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.36Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het overslaan van niet-inerte goederen in de buitenlucht wordt voldaan aan de artikelen 2.37 tweede lid, en 2.39, als het gaat om het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen.

2.

Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het overslaan van niet-inerte goederen in de buitenlucht wordt voldaan aan artikel 2.37 tweede lid, als het gaat om afvalwater afkomstig van het overslaan van: a. zout voor het strooien op wegen; of b. niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk of nodig zijn in een werk.

3.

In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen voldaan aan de artikelen 2.37 eerste lid, 2.38 en 2.39, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.37Algemene regel

1.

Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.5, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink 1 mg/l Minerale olie 20 mg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 50 μg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Som van stikstofverbindingen 10 mg/l Som van fosforverbindingen 2 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l 2.

De volgende voorschriften gelden bij het lozen van afvalwater afkomstig van het overslaan van niet-inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam: a. bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken; en b. aan het tweede lid, onder a, wordt in ieder geval voldaan als:

1°. de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of 2°. het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of morsklep.

Artikel 2.38Meet- en rekenbepalingen

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.39Informatieplicht

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en b. de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Afdeling 2.9

Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Artikel 2.40Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.41Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het lozen van afvalwater uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.42 eerste lid.

2.

Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.42 tweede lid.

Artikel 2.42Algemene regel

1.

Het afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die voorzieningen en maatregelen en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

2.

Het afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Afdeling 2.10

Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 2.43Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.44Aanwijzing algemene regels

1.

Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.45.

2.

Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden uitgevoerd namens de waterbeheerder of door derden waarbij het gaat om werkzaamheden ter uitvoering van de onderhoudsverplichting, als bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet wordt voldaan aan artikel 2.45.

3.

Bij het lozen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden uitgevoerd namens de waterbeheerder of door derden waarbij het niet gaat om werkzaamheden ter uitvoering van de onderhoudsverplichting, als bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet wordt voldaan aan de artikelen 2.45 en 2.46.

4.

Algen of bacteriën kunnen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als: a. het niet gaat om ontgravingen of baggerwerkzaamheden; en b. de werkzaamheden verricht worden door of namens de waterbeheerder.

5.

Er kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als: a. het niet gaat om ontgravingen of baggerwerkzaamheden; b. de werkzaamheden uitgevoerd worden door of namens de waterbeheerder; en c. het niet gaat om lozen van algen of bacteriën.

Artikel 2.45Werkinstructie verontreinigde waterbodem

Bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd', bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, wordt een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen: a. de toe te passen baggertechniek, en b. de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze.

Artikel 2.46Informatieplicht

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem; b. als de waterbodem de kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd', bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.45; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Afdeling 2.11

Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel 2.47Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen.

Artikel 2.48Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.49.

Artikel 2.49Algemene regel

Het volgende voorschrift geldt voor het lozen bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen: aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd.

Afdeling 2.12

Lozen bij calamiteitenoefeningen

Artikel 2.50Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij calamiteitenoefeningen.

Artikel 2.51Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van afvalwater niet afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.52.

Artikel 2.52Informatieplicht

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en b. welke stoffen dat blusschuim bevat.

Afdeling 2.13

Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Artikel 2.53Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen.

Artikel 2.54Aanwijzing algemene regels

1.

In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55 eerste lid, 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van: a. telen of kweken van gewassen in een gebouw anders dan een kas; b. een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en c. een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m.

2.

In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55 tweede lid, 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van: a. spoelen van biologisch geteelde gewassen; b. een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en c. een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m.

3.

In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de artikelen 2.55 eerste lid, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van sorteren van biologisch geteelde gewassen.

4.

Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.55 derde lid, 2.56 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van zuivering van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten.

5.

Bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.55 vierde lid, 2.57, 2.58 en 2.59, als het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van: a. ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten; b. een perceel niet aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk; en c. een perceel waarvan de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd groter is dan 40 m.

Artikel 2.55Algemene regel: emissiegrenswaarden

1.

Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het telen of kweken van gewassen anders dan in een kas of bij het sorteren van biologisch geteelde gewassen: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.6 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Biochemisch zuur 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 300 mg/l 2.

Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij het spoelen van biologisch geteelde gewassen op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.

3.

Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij zuivering van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.7 gemeten in een steekmonster.

Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Chloride 200 mg/l IJzer 2 mg/l 4.

Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 2.56Algemene regel: uitzondering Bal

De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing.

Artikel 2.57Algemene regel: bepalen afstand

1.

De afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.58Meet- en rekenbepaling

1.

Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

2.

Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

3.

Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.59Informatieplicht

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Afdeling 2.14

Lozen bij het maken van betonmortel en het uitwassen van beton

Artikel 2.60Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij het maken van betonmortel en het uitwassen van beton.

Artikel 2.61Algemene regel

Afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton kan, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of op de riolering als dit is toegestaan in het omgevingsplan.

Afdeling 2.15

Lozen bij niet-industriële voedselbereiding

Artikel 2.62Toepassingsbereik

1.

Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater bij niet-industriële voedselbereiding.

2.

Deze afdeling is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 2.63Aanwijzing algemene regels

Bij het lozen van afvalwater uit niet-industriële voedselbereiding op een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.64 en 2.65 als de voedingsmiddelen bereiding plaats vindt met: a. grootkeukenapparatuur; b. één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of c. één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.

Artikel 2.64Algemene regel: bereiden van voedingsmiddelen

Het volgende voorschrift geldt voor het lozen bij niet-industriële voedingsbereiding: het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.

Artikel 2.65Informatieplicht

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Afdeling 2.16

Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Artikel 2.66Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van spuiwater uit recreatieve visvijvers.

Artikel 2.67Aanwijzing algemene regels

Spuiwater uit recreatieve visvijvers kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam , hierbij wordt voldaan aan artikel 2.68.

Artikel 2.68Informatieplicht

1.

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Afdeling 2.17

Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind

Artikel 2.69Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van spoelwater op een oppervlaktewaterlichaam vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind.

Artikel 2.70Algemene regel

De volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, kunnen op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd: a. afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en b. afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind.

Afdeling 2.18

Asverstrooiing

Artikel 2.71Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op asverstrooiing in een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.72Algemene regel

As kan individueel verstrooid worden op een oppervlaktewaterlichaam door de nabestaande die de zorg heeft voor de asbus, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.

Afdeling 2.19

Andere lozingen

Artikel 2.73Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en op een zuiveringtechnisch werk.

Artikel 2.74Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

1.

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd en er geen sprake is van: a. het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het lozen, bedoeld in de afdelingen 2.2 tot en met 2.18; c. het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en d. het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen.

2.

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten als er geen sprake is van het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Hoofdstuk 3

Wateronttrekkingsactiviteiten

Afdeling 3.1

Algemeen

Artikel 3.1Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten in het beheergebied van het waterschap, tenzij in dit hoofdstuk anders bepaald.

Artikel 3.2Specifieke gegevens en bescheiden bij een meldplicht wateronttrekkingsactiviteit(grondwater)

1.

In aanvulling op de algemene gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 1.11, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:

1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem te voorkomen of te beperken.

2.

Het eerste lid geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.3Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit (grondwater)

1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden in aanvulling op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal in te richten putten; c. de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekstelsel van iedere put; d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het NAP; e. de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put; f. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put; g. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en j. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:

1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.

2.

Het eerste lid geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.4Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit (oppervlaktewater)

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, wordt in aanvulling op artikel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling, een locatietekening met daarop de te beregenen percelen inclusief het aantal hectaren en de locaties van de onttrekkingspunten verstrekt.

Artikel 3.5Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit

1.

Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

2.

Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 3.2

Grondwater onttrekken

Paragraaf 3.2.1

Grondwater onttrekken in een bouwput Subparagraaf 3.2.1.1 Algemeen

Artikel 3.6Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater in een bouwput.

2.

Onder het eerste lid wordt mede verstaan het onttrekken van grondwater: a. voor de aanleg, sloop of verwijdering van funderingen, kelders of andere ondergrondse bouwwerken; b. voor een bodemsanering; c. voor de inspectie van ondergrondse bouwwerken; d. voor een diepe grondboring; of e. in een sleuf waarbij de voortgang van het in bemaling genomen sleufgedeelte minder is dan 20 m per week.

Artikel 3.7Specifieke zorgplicht

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat: a. de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten; b. de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt; c. bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen; d. bij grondwatergevoelige natuur extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen; e. de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast; f. de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering; g. eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld; h. een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld; i. de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd; j. als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; k. voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande verhardingen van, naar en op de waterkering; l. voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en m. de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.

Artikel 3.8Voorrangsbepaling

1.

Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.

2.

Vervallen Subparagraaf 3.2.1.2 Aanwijzing algemene regels

Artikel 3.9Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking bouwput

1.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:

1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:

1°.

400.000 m3 is; en 2°.

100 m3/uur is; d. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; e. het grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; en 3°.

12.000 m3/jaar; en f. er een retourbemaling plaatsvindt.

2.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:

1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:

1°.

400.000 m3 is; en 2°.

100 m3/uur is; d. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; e. het grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; en 3°.

12.000 m3/jaar; en f. er geen retourbemaling plaatsvindt.

3.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:

1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:

1°.

400.000 m3 is; en 2°.

100 m3/uur is; d. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; e. het grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; of 3°.

12.000 m3/jaar; en f. er een retourbemaling plaatsvindt.

4.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:

1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:

1°.

400.000 m3 is; en 2°.

100 m3/uur is; d. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; e. het grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; of 3°.

12.000 m3/jaar; en f. er geen retourbemaling plaatsvindt.

5.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwaterontrekking:

1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:

1°.

400.000 m3; en 2°.

100 m3/uur; f. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; g. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; en 3°.

12.000 m3/jaar; en h. er een retourbemaling plaatsvindt.

6.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwaterontrekking:

1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:

1°.

400.000 m3; en 2°.

100 m3/uur; f. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; g. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; en 3°.

12.000 m3/jaar; en h. er geen retourbemaling plaatsvindt.

7.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwaterontrekking:

1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:

1°.

400.000 m3; en 2°.

100 m3/uur; f. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; g. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; of 3°.

12.000 m3/jaar; en h. er een retourbemaling plaatsvindt.

8.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwaterontrekking:

1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:

1°.

400.000 m3; en 2°.

100 m3/uur; f. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; g. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; of 3°.

12.000 m3/jaar; en h. er geen retourbemaling plaatsvindt.

9.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:

1°.

400.000 m3 is; en 2°.

100 m3/uur is; e. het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket; f. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; en 3°.

12.000 m3/jaar; en g. er een retourbemaling plaatsvindt.

10.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:

1°.

400.000 m3 is; en 2°.

100 m3/uur is; e. het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket; f. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; en 3°.

12.000 m3/jaar; en g. er geen retourbemaling plaatsvindt.

11.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede en tiende lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:

1°.

400.000 m3; en 2°.

100 m3/uur; e. het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket; f. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; of 3°.

12.000 m3/jaar; en g. er een retourbemaling plaatsvindt.

12.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid, 3.14 en 3.15, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:

1°.

400.000 m3; en 2°.

100 m3/uur; e. het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket; f. grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; of 3°.

12.000 m3/jaar; en g. er geen retourbemaling plaatsvindt.

Artikel 3.10Aanwijzing algemene regels waterkering

1.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.13, derde lid, 3.14 en 3.15, als: a. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en b. het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.

2.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.13, derde lid, 3.14 en 3.15, als: a. het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; b. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en c. het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 2 m3 per uur is.

3.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, wordt voldaan aan de artikelen 3.13, vierde lid, 3.14 en 3.15, als: a. het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; b. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en c. het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is.

4.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade wordt voldaan aan de artikelen 3.13, vierde lid, 3.14 en 3.15, als: a. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en b. het debiet van de grondwateronttrekking maximaal 5 m3 per uur is.

Artikel 3.11Aanwijzing algemene

regels grondwatergevoelige natuur 1.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, zevende lid, 3.14 en 3.15, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt; b. de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en c. grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal 10 m3 per uur.

2.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, achtste lid, 3.14 en 3.15, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt; b. de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; c. grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur; d. grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november; en e. er een retourbemaling plaatsvindt.

3.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, negende lid, 3.14 en 3.15, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt; b. de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; c. grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur; en d. grondwater wordt onttrokken in de periode van november tot maart.

Artikel 3.12Aanwijzing algemene regels kwetsbare bebouwing

1.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, vijfde lid, 3.14 en 3.15, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn; b. de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en c. door de grondwateronttrekking:

1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:1.000;

2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 is maximaal 1:600; en 3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen niet droog vallen.

2.

Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, zesde lid, 3.14 en 3.15, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn; en b. de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, niet wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand.

Subparagraaf 3.2.1.3 Algemene regels

Artikel 3.13Algemene regel

1.

De volgende voorschriften gelden: a. verlaging van de stijghoogte of grondwaterstand onder de bouwputbodem is niet meer dan 30 cm beneden het kritische punt van de bouwput; b. gedurende het verrichtten van de activiteit:

1°. wordt de onttrokken hoeveelheid grondwater dagelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %;

2°. wordt voor de start van de grondwateronttrekking de beginstand van de watermeter geregistreerd;

3°. wordt de gemeten hoeveelheden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en 4°. worden de gegevens minimaal vijf jaar bewaard; c. een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant; d. bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard; e. een interceptie- of schermbemaling wordt voorzien van een eigen watermeter; f. per melding is sprake van één onttrekkingsperiode; g. tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedsgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking; h. bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en i. bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.

2.

De volgende voorschriften gelden: a. verlaging van de stijghoogte of grondwaterstand onder de bouwputbodem is niet meer dan 30 cm beneden het kritische punt van de bouwput; b. de verlaging van de grondwaterstand of de stijghoogte wordt binnen het invloedgebied van de grondwateronttrekking gemonitord door tenminste een peilbuis te plaatsen:

1°. naast de bouwput op het punt waar de stijghoogteverlaging gelijk is aan de verlaging op het kritische punt in de bouwput;

2°. op 50 en 100 m afstand van de rand van de bouwput; en 3°. aan de gevel van bebouwing van voor 1960, tot een afstand van 100 m van de rand van de bouwput; c. de filterdiepte van de peilbuizen is op gelijke diepte als de filters die voor het onttrekken van grondwater worden gebruikt en, als het onttrekken dieper dan de deklaag plaatsvindt, een filter in de deklaag; d. op een gemotiveerd schriftelijk verzoek, kan het waterschap instemmen met het wijzigen van de locatie van peilbuizen; e. de peilbuizen moeten worden ingemeten en op een kaart worden ingetekend, deze kaart bevat de XY-coördinaten en de hoogte van de bovenkant van de peilbuizen ten opzichte van maaiveld en ten opzichte van NAP; f. de eerste vier weken worden de peilbuizen dagelijks gemeten en daarna wordt er wekelijks gemeten, tot drie weken na beëindiging van de grondwateronttrekking; g. de eerste meting vindt minimaal drie dagen voor de start van de grondwateronttrekking plaats; h. de volgende voorschriften gelden over de wijze van meting:

1°. de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt dagelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %;

2°. voor de start van de grondwateronttrekking wordt de beginstand van de watermeter geregistreerd;

3°. de gemeten hoeveelheden worden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en 4°. de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard; i. een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant; j. bij het vervangen van een watermeter wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging geregistreerd, en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard; k. een interceptie- of schermbemaling wordt voorzien van een eigen watermeter; l. per melding is sprake van één onttrekkingsperiode; m. tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking; n. bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en o. bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.

3.

De volgende voorschriften gelden: a. het onttrekken van grondwater in een bouwput mag uitsluitend worden uitgevoerd met een open bemaling, het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed is niet toegestaan; b. de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 2 m3 per uur; en c. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.

4.

De volgende voorschriften gelden: a. het onttrekken van grondwater in een bouwput mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed is niet toegestaan; b. de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en c. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.

5.

De volgende voorschriften gelden: a. de grondwaterstand mag, ter plaatse van kwetsbare gebouwen van vóór 1960, verder verlaagd worden dan de GLG; b. houten funderingsonderdelen van gebouwen mogen niet droogvallen tijdens de bemaling; c. de verschilzakking, ten gevolge van de verlaging van de grondwaterstand, mag ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:1.000 of ter plaatse van overige gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:600 zijn; en d. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.

6.

De volgende voorschriften gelden: a. de grondwaterstand mag, ter plaatse van kwetsbare bebouwing van vóór 1960, niet onder de GLG komen; en b. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.

7.

De volgende voorschriften gelden: a. de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG; b. de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt moet maximaal 10 m3 per uur zijn; en c. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.

8.

De volgende voorschriften gelden: a. de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG; b. het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken; c. het grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november; d. het onttrokken grondwater moet weer geheel terug in de bodem worden gebracht; en e. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.

9.

De volgende voorschriften gelden: a. de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG; b. het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken; c. het onttrekken van grondwater mag alleen in de periode van november tot maart plaatsvinden; en d. de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.

10.

De volgende voorschriften gelden: a. bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van de retourbronnen en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; b. het onttrokken grondwater wordt in de omgeving van de grondwateronttrekking en in hetzelfde watervoerend pakket, als waar het uit onttrokken is, terug in de bodem worden gebracht; c. de grondwaterstand of stijghoogte mag niet meer dan 10 cm stijgen ten opzichte van de GHG ten gevolge van het terug in de bodem brengen van grondwater; en d. de retourbronnen moeten op een kaart worden ingetekend, waarbij deze kaart de XY-coördinaten bevat.

Artikel 3.14Informatieplicht

1.

Ten minste drie dagen voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de definitieve startdatum; en b. wanneer in de algemene regel is aangegeven dat er een peilbuis gebruikt moet worden:

1°. een kaart waarop de peilbuizen zijn ingetekend; en 2°. een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.

2.

Voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de beginstand van de watermeter; en b. de datum en het tijdstip van het moment dat de watermeter wordt afgelezen.

3.

Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit wordt de datum waarop de putten geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht verstrekt aan het waterschap.

4.

Uiterlijk één maand na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking; b. de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag; c. de eindstand van de watermeter; d. wanneer er gebruik wordt gemaakt van een peilbuis, alle gemeten grondwaterstanden en stijghoogten in de peilbuis; en e. de boorstaten.

5.

Wanneer er een retourbemaling plaatsvindt worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. ten minste drie dagen voor het begin van de retourbemaling:

1°. de definitieve startdatum; en 2°. een kaart waarop de retourbronnen met XY-coördinaten zijn ingetekend, onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer; b. uiterlijk drie werkdagen na het realiseren van de retourbronnen, de boorstaten onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer; c. de totale hoeveelheid retourbemalen grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag; d. de eindstand van de watermeter; e. ten minste drie werkdagen voor het einde van de retourbemaling, de datum waarop de retourbronnen geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer; en f. uiterlijk één maand na het beëindigen van de retourbemaling, de einddatum van het gebruik van de retourbronnen.

Artikel 3.15Meldplicht

1.

Het is verboden om grondwater te onttrekken in een bouwput en, indien van toepassing, een retourbemaling uit te voeren, zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.

2.

Als sprake is van een bodemsanering wordt bij de melding ook: a. een saneringsplan verstrekt, waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd; of b. een saneringsplan zonder instemming bevoegd gezag verstrekt als door het bevoegd gezag geen saneringsplan wordt vereist.

3.

Als sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer, wordt bij de melding ook het advies van de gemeente verstrekt.

4.

Bij de uitvoering waarbij meerdere grondwateronttrekkingen of, indien van toepassing, meerdere retourbemalingen worden uitgevoerd om één einddoel te bereiken, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten, tenzij: a. de tijd tussen het einde van een grondwateronttrekking van één fase en de start van een grondwateronttrekking van een volgende fase meer dan acht weken is; of b. aangetoond wordt dat het invloedsgebied van twee grondwateronttrekkingen elkaar niet overlappen.

5.

De startdatum van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.

6.

De uitvoering van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.

Subparagraaf 3.2.1.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 3.16Vergunningplicht grondwateronttrekking bouwput

1.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:

1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:

1°.

400.000 m3 is; en 2°.

100 m3/uur is; en d. het grondwater dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket.

2.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:

1°. maximaal 5 m wordt verplaatst; of 2°. meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van een bodemsanering; en c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer dan:

1°.

400.000 m3 is; of 2°.

100 m3/uur is.

3.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwaterontrekking:

1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal bedraagt:

1°. maximaal 400.000 m3; en 2°. maximaal 100 m3/uur; en f. het grondwater dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket.

4.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwateronttrekking:

1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; en e. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal bedraagt:

1°. meer dan 400.000 m3; of 2°. meer dan 100 m3/uur.

5.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de grondwateronttrekking:

1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering; c. de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; en d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen groter is dan 25 m3/uur.

6.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en b. de grondwateronttrekking:

1°. een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en 2°. het gaat om een verontreinigingsvlek die geen onderdeel is van een bodemsanering.

7.

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal:

1°. maximaal 400.000 m3 is; en 2°. maximaal 100 m3/uur is; en e. het grondwater dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket.

8.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; en d. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal:

1°. meer dan 400.000 m3 is; of 2°. meer dan 100 m3/uur is.

9.

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; en c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen meer is dan 25 m3/uur.

10.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en b. door de grondwateronttrekking de verontreinigingen worden verplaatst:

1°. van binnen naar buiten het gebiedsplan; of 2°. buiten de grenzen van het gebiedsplan.

Artikel 3.17Vergunningplicht waterkering

1.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.

2.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de beschermingszone van een primaire waterkering, als: a. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en b. het debiet van de grondwateronttrekking meer is dan 2 m3 per uur.

3.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.

4.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als: a. het grondwater onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; b. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en c. het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 2 m3 per uur is.

5.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, de beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering of de beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering, als: a. het grondwater niet onttrokken wordt in een gebied met klei op veen- of veengronden; b. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en c. het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 5 m3 per uur is.

6.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als het grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis.

7.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput in de zone waterstaatswerk van een zomerkade of de beschermingszone van een zomerkade, als: a. het grondwater niet met een onttrekkingsfilter of drainagebuis onttrokken wordt; en b. het debiet van de grondwateronttrekking meer dan 5 m3 per uur is.

Artikel 3.18Vergunningplicht grondwatergevoelige natuur

1.

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking een gebied met grondwatergevoelige natuur ligt; b. de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; c. grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan 10 m3 per uur; d. grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november; en e. er geen retourbemaling plaatsvindt.

2.

Vervallen 3.

Vervallen 4.

Vervallen 5.

Vervallen 6.

Vervallen

Artikel 3.19Vergunningplicht kwetsbare bebouwing

1.

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als: a. binnen het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gebouwen van vóór 1960 aanwezig zijn; b. de grondwaterstand, ter plaatse van de gebouwen, wordt verlaagd tot onder de gemiddeld laagste grondwaterstand; en c. door de grondwateronttrekking:

1°. de verschilzakking bij monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:1.000;

2°. de verschilzakking bij overige gebouwen van vóór 1960 meer is dan 1:600; of 3°. onderdelen van de houten funderingen van gebouwen droog vallen.

2.

Vervallen 3.

Vervallen 4.

Vervallen 5.

Vervallen

Paragraaf 3.2.2

Grondwater onttrekken in een sleuf Subparagraaf 3.2.2.1 Algemeen

Artikel 3.20Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater in een sleuf.

2.

Onder het eerste lid wordt mede verstaan het onttrekken van grondwater: a. voor het aanleggen of repareren van riolering, kabels, leidingen en funderingen; b. voor het uitvoeren van onderzoek of andere ondergrondse werkzaamheden over een grote lengte; c. voor het graven van een watergang; of d. in een sleuf waarbij de voortgang van elk in bemaling genomen sleufgedeelte minimaal 20 m per week is.

Artikel 3.21Specifieke zorgplicht

1.

De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat: a. de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten; b. de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt; c. bij kwetsbare bebouwing extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen; d. bij grondwatergevoelige natuur extra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen; e. de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast; f. de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering; g. eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld; h. een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld; i. de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd; j. als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; k. voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering; l. voor ontwatering uitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en m. de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.

2.

Vervallen 3.

Vervallen 4.

Vervallen 5.

Vervallen

Artikel 3.22Voorrangsbepaling

1.

Als er voor de activiteit in deze paragraaf een algemene regel, een informatieplicht of een meldplicht is aangewezen dan is deze niet van toepassing voor zover er voor de activiteit een vergunningplicht is aangewezen.

2.

Vervallen Subparagraaf 3.2.2.2 Aanwijzing algemene regels

Artikel 3.23Aanwijzing algemene regels grondwateronttrekking sleuf

1.

Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27, eerste en tiende lid, 3.28 en 3.29, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking maximaal 5 m wordt verplaatst; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:

1°.

400.000 m3 is; en 2°.

15.000 m3/week is; d. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; e. het grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; en 3°.

12.000 m3/jaar; en f. er een retourbemaling plaatsvindt.

2.

Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27, eerste lid, 3.28 en 3.29, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking maximaal 5 m wordt verplaatst; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:

1°.

400.000 m3 is; en 2°.

15.000 m3/week is; d. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; e. het grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:

1°.

10 m3/uur;

2°.

5.000 m3/maand; en 3°.

12.000 m3/jaar; en f. er geen retourbemaling plaatsvindt.

3.

Bij het onttrekken van grondwater in een sleuf wordt voldaan aan de artikelen 3.27 tweede en tiende lid, 3.28 en 3.29, als: a. grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; b. een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking maximaal 5 m wordt verplaatst; c. het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:

1°.

400.000 m3 is; en 2°.

15.000 m3/week is; d. het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket; e. het grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan:

1°.

10 m3/uur;

Verder lezen ↓

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.